Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 382]

2. Op zoek naar het land van herkomstaant.

Het land van herkomst is uit een actuele situatie geschreven: de verschijning van Jane. Tijdens het schrijven (‘ik heb in werkelijkheid 2 jaar en 3 maanden over dit boek gedaan’) zou deze actualiteit zich nog verscherpen door de dood van zijn moeder. Ze betekende een nieuwe verandering: het afgesneden worden van de laatste banden met zijn jeugd en het verlies van een bestaanszekerheid door het ‘zoekraken’ van het familiefortuin. Tijdens het schrijven - het kan niet anders - drong Indië hoe langer hoe verder en dieper in het heden door, met des te meer intensiteit en ontroering beleefd naarmate het heden onzekerder werd, ook door een steeds angstiger wordende politieke situatie. We zijn in de jaren '33 en '34! Het heimwee naar Indië, dat ook het heimwee naar een jeugd betekent, is er bij Du Perron overigens altijd geweest, vóór Jane al en vóór het schrijven van Het land van herkomst. Zoals in Indië Europa altijd achter de horizon had gelegen, zo bleek in Europa Indië altijd in de verte aanwezig te zijn, soms overspoeld door het heden, maar telkens weer opduikend in droom en dagdroom: geuren en beelden uit ‘het vérst verleden’, uit ‘het domein van ons geheugen’ binnendringend uit het ‘verdoken leven’, waarin altijd het geboortehuis verschijnt, ‘het huis dat trouw blijft om dezelfde reden waarom dieren het zijn, maar groter en inniger.’ Het zijn citaten uit Du Perrons gedichten, maar nergens is dit gemengd gevoel van weemoed, verdriet en geluk zo sterk uitgedrukt als in die ene notitie in het begin van Het land van herkomst die we eigenlijk volledig zouden moeten lezen (te vinden in Verzameld werk, deel iii, blz. 26-27). Hier moeten we volstaan met een samenvatting en een citaat. Du Perron vertelt dat hij in bed ligt, op een klein-burgerlijke kamer in Brussel, ‘met mijn rug naar de vrouw die ik niet gekozen had’ en dan ineens komt in volle scherpte het beeld van de ouderlijke villa in Tjitjurug: ‘Ik zag alles terug; ook toen ik mijn ogen opende, in bed; en sterker, mijn lichaam was teruggekrompen tot een jongenslichaam; ik wist dat ik dertig moest zijn, dat Suzanne achter mij lag en dat ik woonde in een miezerig appartement boven een Brusselse hemdenwinkel, maar ik voelde dat ik vier of vijf jaar was, dat ik lag op de leren sofa in het koepelvormige voorgalerijtje in Tjitjurug, precies zoals ik toen lag, kijkende naar de Salak; ik voelde het korte rolkussen van bruin leer, gerimpeld, onder

[p. 383]

mijn hoofd, hard in mijn nek, de platte knoopjes in het leer onder mijn handen. En door de velden waar het treintje liep, had ik kortgeleden mijn moeder gezien, dik als zij toen was, in een grijze japon, met de pofmouwen van die tijd, wuivend uit het portier. [...] Ik moet mijn adem hebben ingehouden om [...] deze metamorfose zo lang mogelijk vast te houden; en meteen, terwijl ik toch nog mijzelf-van-vroeger was, voelde ik dat ik het direct weer verliezen zou en hoe volkomen het verloren was, en eer ik het besefte lag ik te snikken, in het tempo en met de kracht die men aanduidt als onbedaarlijk.’

Later, als de misère zich duidelijker gaat aftekenen, als het gevecht met de notarissen verloren is, als ook de Tweede Wereldoorlog zich langzaam aankondigt in allerlei onheilspellende gebeurtenissen, lijkt Indië een mogelijkheid te worden, een soort toevluchtsoord en de idee om terug te keren begint vastere vormen aan te nemen. Als zijn vrienden één voor één verdwijnen als vrijwilliger in de Spaanse burgeroorlog, als de atmosfeer in Parijs door de ‘politieke razernij’ vergiftigd wordt, valt de beslissing. Du Perron heeft bij zijn besluit om naar Indië te gaan, vanzelfsprekend verschillende overwegingen laten gelden, maar ook verschillende overwegingen niet laten gelden, voor een deel omdat hij ze niet kende, maar voor een ander deel omdat ze voor hem eenvoudig niet golden; omdat besluiten als deze niet allereerst door een analyse worden bepaald. Het verlangen kan - gegeven een bepaalde situatie - bijzonder sterk werken (‘... verlang ik steeds weer terug naar Indië’) en simpele overwegingen als de hoop op een bestaanszekerheid in een labiele materiële situatie (‘lijkt een goedkope woning in deze crisistijd u voldoende als speciale reden [...] en in mijn tegenwoordige situatie?’). Waar dit alles op uitgelopen is, weten we nu duidelijker dan ooit uit het boek van J.H.W. Veenstra: D'Artagnan tegen Jan Fuselier; E. du Perron als Indisch polemist (1962).

Om iets te kunnen begrijpen van het ‘misverstand’ tussen Du Perron en Indië, moeten we weten hoe hij was en wat hij werd, en wat Indië was en werd - in vijftien jaar. Du Perron werd op 2 november 1899 in Meester-Cornelis geboren, in het tegenwoordige Djatinegara, een voorstad van Djakarta, in het toen bekende landhuis Gedung Menu (‘Gedong Lami’ in Het land van herkomst). Het was een groot Indisch huis, een ‘besaran’, zoals het toen heette, zoals er tussen Batavia en Bogor (Buitenzorg) verschillende waren, pompeuze bouwsels met

[p. 384]

zware muren, een hoog dak, met grote vertrekken en galerijen. Zó'n huis was het geboortehuis van Du Perron dat in zijn boek met ingehouden ontroering herdacht wordt. In dat huis zag hij allereerst - levensgroot - zijn moeder in sarung en kabaja, zijn vader in djas tutup, zijn lijfmeid Alimah en het kleine jongetje Ducroo-zelf in hansop of matrozenpakje. ‘Alleen het huis blijft trouw,’ schreef Du Perron eens in Het land van herkomst, dus vóór hij het terugzag. Maar wat was ervan over in 1936? Het bleek te zijn verbouwd en gemoderniseerd, ‘onherstelbaar gerestaureerd’, zoals Walraven het zou hebben uitgedrukt. Het had intussen ook zijn bestemming verloren. Het grote erf - precies zoals Du Perron het beschreef - was verwaarloosd en stoffig; alleen het paviljoen was in oude staat gebleven. Het hoofdgebouw was een militaire kleermakerij geworden. Hoe hardnekkig Du Perron naar zijn Indië en zijn jeugd gezocht moet hebben, blijkt uit de behoefte die hij gehad heeft om dáár terug te keren. Tijdens zijn verblijf in Indië heeft hij enige weken of maanden in dat paviljoen gewoond. Of het huis hem werkelijk trouw gebleven is? Walraven schreef dat Du Perron hem later in Bandung dikwijls over dit huis sprak, ‘alsof hij daar alleen had teruggevonden wat hem naar Indië had gedreven.’ Landhuizen als Gedung Menu vertegenwoordigen iets: de levensstijl van het koloniaal patriciaat uit de negentiende eeuw. En als we niet van stijl willen spreken, dan toch wel van allure, dezelfde allure als die van hun bewoners. Ze wekken de indruk van wijdheid en ruimte - waar Du Perron direct aan terugdacht toen hij in het algemeen over Indië sprak. Ze hebben iets grand-seigneuraals. Het koloniaal patriciaat van landheren is in wezen een negentiende-eeuws verschijnsel, met uitlopers tot in de twintigste eeuw. Hun aantal was tot enige tientallen families beperkt: de Hoflands, de Aments, de Boutmy's, de Motmans, de Arnolds, de Du Perrons, wijdvertakte families, en wat veel zegt, in Indië gewortelde families, levend op grootheerlijke wijze in een typisch Indische levensstijl, niet te vergelijken met die van de Hollandse ‘suikerlords’ en ‘theejonkers’ en nog minder met die van de ‘big bosses’ van Deli. Deze waren allen latere inkomelingen en voor de Indische landheren vreemdelingen. Zíj waren eigenaars, bezitters, en de hoofdadministrateurs van de Deli-Maatschappij en de superintendants van de suiker waren maar ‘loonslaven’, zeiden ze.

Met het binnenkomen van het Europese kapitaal geraakten echter

[p. 385]

de Indische landeigenaren - die niet met de industriële ontwikkeling mee konden gaan - ten achter bij de maatschappijen met hun goed opgeleide importkrachten. Grote stukken land moesten worden verkocht en verdeeld; het familiebezit viel uit elkaar en werd opgeslokt door de naamloze vennootschappen. Er bleef nog wel enige tijd een zekere ruimte en welstand, maar in de loop van de twintigste eeuw waren de landhuizen vrijwel alle verlaten en in verval geraakt. En wat vooral verloren was gegaan, dat was de levensstijl die Du Perron nog nét gekend heeft.

Willen we Du Perron geheel begrijpen, dan moeten we hem plaatsen in dit Indisch milieu (niet in dat van de ‘kleine Indo’, zoals we die in De paupers vinden uitgebeeld en als men - zoals soms weleens gebeurt - al te gemakkelijk manipuleert met het minderwaardigheids-complex van ‘de Indo’, dan is dit niet karakteristiek voor Du Perron). Hij kwam voort uit een geslacht van machthebbers - die zelfs het Binnenlands Bestuur tartten - en waarvan nog kort voor en na de oorlog de vervallen landhuizen, de standbeelden, de protserige grafmonumenten getuigenis konden afleggen van hun vroegere aanwezigheid. Het familiegraf van de Du Perrons op het kerkhof te Tjilatjap (aan de zuidkust van Java) was daar een voorbeeld van.

Toen Walraven Du Perron de eerste keer ontmoette, trof hem het ‘Indische gezicht’ met de ‘kulit langsep’ (licht-bruine huidskleur). ‘Du Perron is een Indische jongen,’ schreef hij elders als iets vanzelfsprekends. Als in het eerste hoofdstuk van Het land van herkomst de figuur van Goeraëff vraagt: ‘Is er geen Indisch bloed in je Ducroo?’ luidt het antwoord ontkennend. In het derde hoofdstuk ‘Familie-album’ wordt het antwoord van Du Perron duidelijk. Het is echter de vraag of Du Perrons familieverhaal geheel juist is; in ieder geval zitten er hiaten in. Maar de bloedmenging is niet belangrijk, beslissend is het sociaal en cultureel milieu en de habitus. Du Perron was inderdaad in vele opzichten een Indische jongen: in zijn gebaren, in zijn wijze van zitten, in zijn spraak - met het lichte, maar onmiskenbare accent van de ‘anak Betawi’ (‘kind van Batavia’). Twijfel was er eigenlijk bij niemand, ook bij hem zelf niet. In begin juli 1936 schreef Du Perron aan Greshoff: ‘... ik voel hoe ik in veel opzichten een Indische jongen ben gebleven.’ En in zijn bekende open brief aan Sjahrir bij zijn vertrek uit Indonesië in 1939: ‘Zet mij in een gezelschap van echte Indische jongens

[p. 386]

en na tien minuten hebben zij mij als één der hunnen herkend.’ De familie Du Perron leefde vanuit een Indische traditie die vooral door mevrouw Du Perron bepaald werd. In Het land van herkomst heeft Du Perron een onvergelijkelijk portret van zijn moeder gemaakt dat, hoeveel er misschien ook verzwegen is, als type kan dienen voor dat van de Indische dame, de typische ‘njonja besar’ (letterlijk ‘grote mevrouw’). Portret en type tegelijk, hetgeen bewijst hoe gelijkend het portret geweest moet zijn.

Hoe men het ook beziet en van welke kant ook: de familie Du Perron leefde zéér Indisch, volgens een historisch gegroeid cultureel patroon, waarin een heel stuk van de inheemse denk- en gevoelswereld was opgenomen. Ze leefde eigenlijk nog geheel in tempo dulu. In haar sfeer had ze weinig van de nieuwe Hollandse leefwijze overgenomen. En hoe kon het ook anders. De familie was al enige geslachten in Indië gevestigd. Van de vier grootouders van Du Perron werden er drie op Java geboren en één in Singapore; van zijn acht overgrootouders werd er één in Colombo geboren, drie in Nederland, twee in Réunion en twee in Frankrijk. Ze hebben zich echter allen in de eerste decennia van de negentiende eeuw op Java gevestigd. Ze zijn er ook gestorven, behalve twee die door toevallige omstandigheden in Singapore overleden. Ook de andere familieleden werden in de loop van de negentiende eeuw ‘blijvers’ en mengden zich met andere families die bekende Indische namen droegen. Eerst in de jaren twintig en dertig begon een deel van hen naar Europa weg te trekken.

Allen die Du Perron eerst gekend hebben uit zijn werk en later pas persoonlijk, viel het Indische in zijn uiterlijk op. Walraven die hem in Bandung bezocht, schreef hierover in zijn krant: ‘ik sta bij de ingang en zie dat gezicht dat ik zo goed ken uit de geïllustreerde litteratuurgeschiedenissen, het gezicht van de intellectuele mens en tóch [!] een Indisch gezicht’ en hij ging verder op dat Indische door als iets bijzonders dat hem opgevallen was, waarschijnlijk omdat ook hij Du Perron eerst uit zijn werk had leren kennen als de ‘Europese intellectueel’ - die Du Perron vanzelfsprekend was - maar waarin deze zich toch ook blijkt te gedragen naar het sociaal patroon van zijn jeugd.

De Indo-Europese cultuur (voor zover men deze generaliseren kan bij zulke grote sociale verschillen), in ieder geval de cultuur waarin Du Perron werd grootgebracht, was een typisch grand-seigneurale

[p. 387]

cultuur, een heerserscultuur met sterk romantisch-heroïsche inslag. Dit romantisch-heroïsche dat Du Perron in zichzelf onderkende en dat hij in navolging van Stendhal zijn ‘espagnolisme’ noemde, kenmerkt zijn hele optreden en welbeschouwd ook dat van de latere litterator en polemist. Gomperts heeft in een tweetal voortreffelijke artikelen in Jagen om te leven, die in meer dan één opzicht onthullend zijn, hier eveneens op gewezen. Maar al citeert hij de uitlating van Du Perron zelf, waarin deze dit ‘espagnolisme’ toeschrijft aan zijn Indische opvoeding, hij behandelt dit meer als een individuele Du-Perronniaanse aangelegenheid dan als een Indisch verschijnsel. En toch is het ‘espagnolisme’ nauw verbonden met een bepaalde fase uit een Indische jeugd. Als term echter is er voor de Indische verhoudingen moeilijk mee te werken. We moeten deze vervangen door een andere en daarvoor biedt zich het woord ‘d'artagnanisme’ als het ware aan. Dit ‘d'artagnanisme’, dat gemakkelijk naar het branie-achtige kan doorslaan, voldeed blijkbaar aan de behoefte van de Indische jeugd. We kunnen hiervoor bij Du Perron zelf terecht, als hij, zijn jeugdlectuur besprekende, schrijft: ‘De drie musketiers van Dumas overschitterde alles, de degen van d'Artagnan ruimde al het vorige op. [...] D'Artagnan, Athos, Porthos en Aramis waren eindelijk voor mij wat de helden van de Ilias voor de Grieken moeten zijn geweest, tegelijk voorbeeld en poëzie, mythe in een woord’ (Verzameld werk, deel v, blz. 259). Het ‘d'artagnanisme’ geeft direct al een verklaring (voor zover we daarvan kunnen spreken) van Du Perrons onmiskenbare bewondering voor een figuur als de Atjeh-officier Arthur Hille in Het land van herkomst, waarvan Du Perrons alter ego, de ‘Europese intellectueel’, zal getuigen dat deze een ‘pracht van een s.a.-leider’ had kunnen zijn. Er bestond in Indië een ware D'Artagnan-cultus, die in de eerste jaren na twintig nog niet uitgewoed was. Ze werd versterkt door de seriefilm Les trois mousquetaires, die maandenlang in talrijke bioscopen liep. De hele Indische jeugd liep er storm op. Ook de bekende Komedie Stamboel had De drie musketiers als vast nummer op het repertoire staan. Er heerste toen een verering voor D'Artagnan die verplichtingen schiep voor het werkelijke leven en die ook inderdaad tijdelijk de levensstijl onder de schooljongens heeft bepaald. En is het niet typerend voor de geest uit die dagen dat de naam D'Artagnan als voornaam voorkomt in de familie van Tjalie Robinson, afgekort tot ‘Dart’, ‘Oom Dart’.

[p. 388]

Gomperts heeft ook nog gewezen op het ‘samenzweerderskarakter’ van Du Perrons vriendschappen en hoe Du Perron in zijn vriendenkring een soort eedgenootschap zag met strenge wetten voor toelating en uittreding. Gomperts spreekt in dit verband van ‘clan-geest’, die hij uit het karakter van de koloniale samenleving verklaart, een samenleving die zich zonder het saamhorigheidsgevoel van een kleine groep niet kan handhaven. Ongetwijfeld was deze clan-geest of liever coteriegeest aanwezig, maar ligt het verband met het ‘d'artagnanisme’ niet meer voor de hand? En is deze clan-geest niet beter een gang-geest te noemen? De wijze waarop Du Perron zich tegenover zijn vrienden verhield, verraadt duidelijk de Indische gang-geest, waarin telkens kleinere en grotere groepen vrienden optrokken, zich aan elkaar optrokken, om zich te vormen tot de ridderlijke, edele en sterke karakters van hun boeken- en filmvoorbeelden. Het was moeilijk toegang te krijgen tot deze gangs, en het proefgevecht dat daarvoor nodig was, doet denken aan het ‘toelatingsexamen’, waar Du Perron in zijn brieven aan Marsman half spottend en half in ernst over spreekt. Ook hier zien we weer dat Du Perron niet ontkomt aan het overgeleverde Indische patroon.

Men heeft veel later, niet in het begin van zijn optreden, maar vooral na zijn dood, Du Perrons onafhankelijke en onbevangen kijk geprezen. Maar veel van wat Gomperts de ‘autonomie van zijn geest’ noemt, is terug te voeren op het afwijkende van zijn Indische patroon. Hij groeide op in een samenleving die de idealisten in Holland met een zekere afschuw materialistisch hebben genoemd. Welnu, het zij zo. De litteratuur was in Indië geen verheven aangelegenheid; ze was in het gezelschapsleven geïntegreerd als een vorm van (beter) amusement. Een afzonderlijke litteraire traditie ontbrak; er was geen litteraire groepsvorming en geen litteraire autoriteit. Voor Du Perron was het volstrekt vanzelfsprekend dat hij niet geïmponeerd werd door de litteraire gezagsdragers in Nederland. Men moet zich zijn situatie indenken: Du Perron kwam op tweeëntwintigjarige leeftijd in Europa en toen hij één of twee jaar later het litteraire leven binnentrad, moet hij verbaasd en onwennig hebben gekeken (verbaasd dat zoiets bestaan kon!) en begon toen links en rechts gevechten te leveren. En daarbij streed hij als D'Artagnan, vaak alleen om te strijden, met inachtneming van een uit zijn jeugd overgeleverde erecode, volgens regels die niet over-

[p. 389]

eenkwamen met de Hollandse normen van ‘verantwoordelijkheid en elementaire goede manieren’ (Anthonie Donker). Du Perron moet in die tijd gefungeerd hebben als een spelbreker die het hele kaartsysteem van waardeoordelen doorelkaar gooide en een nieuwe hiërarchie daarvoor in de plaats wilde stellen. Na in 1927 door Greshoff in de Nederlandse letteren geïntroduceerd te zijn, leerde hij niet lang daarna, in 1930, zijn vroegste Hollandse vrienden kennen, in de eerste plaats Ter Braak met wie hij samen Forum oprichtte. Toen kon Du Perron verder gaan met het beredderen van de Nederlandse letterkunde (het woord ‘beredderen’ is aan Gomperts ontleend), een eigenschap die niet los kan worden gezien van de typische behoefte van de Indische heersersgroep om te regelen. En ook hier weer bestaat er een onvervangbare Indische uitdrukking voor: ‘urusen’ (u = oe), zoals ook de oude mevrouw Du Perron alles wilde ‘urusen’, op een stoel gezeten of in bed liggende.

Ook de keuze van zijn lectuur was karakteristiek voor hem; ze was een heroïsche keuze. Hij heeft dit ook voor zichzelf gerealiseerd: ‘Ik heb mijn jeugd onder helden doorgebracht ... waarvan sommigen mij soms zozeer “bezaten” dat ik soms dagen in een droom rondliep, alleen niet zeker wetend of ik henzelf dan wel hun schildknaap was.’ En wat zijn later Balzac en Stendhal, Stevenson en Conrad, Sawinkov en Malraux - zo vraagt hij zich af - anders dan de meer psychologisch verantwoorde, de subtieler-menselijke opvolging van de helden uit zijn jeugd? En wat zijn Valery Larbaud en Paul Léautaud anders dan een verfijning en een correctie van de helden tegenover de vrouw, ‘het hogere peil in dezelfde lijn’? En Du Perron eindigt zijn aantekening (te vinden in Verzameld werk, deel v, blz. 257 e.v.) met de zéér veelzeggende woorden, die men alleen sous-entendu verstaan kan: ‘Men verandert nooit zóveel...’ En wat kan dit anders betekenen dan: het patroon is gebleven?

Maar het patroon van de Indische samenleving bleek, toen Du Perron in 1936 naar Indië terugkeerde, wél veranderd. Toen men hem vlak voor zijn vertrek in Het Vaderland vroeg of hij het Indië van Het land van herkomst dacht terug te vinden, antwoordde hij: ‘Dat zou wel veel gevergd zijn.’ Hij hield, zei hij, er rekening mee dat in zijn jeugdherinneringen teveel poëzie zou zijn geslopen en dat dit hem van het werkelijke Indië verwijderd zou kunnen hebben. Een verandering van de

[p. 390]

maatschappij had hij niet in zijn berekening opgenomen. Van het proces van sociale en politieke verschuivingen bleek hij weinig vermoeden te hebben; hij repte er met geen woord over. Alleen litteraire overwegingen kwamen voor hem in aanmerking. Dit is kenmerkend, niet alleen voor Du Perron, maar ook voor een deel van de intelligentsia uit die tijd, die hoezeer ook sociaal en politiek betrokken, slechts een individuele benadering van de problemen kon aanvaarden. Een jeugdvriend die zelf kort tevoren teruggegaan was, schreef hem nog: ‘Kom niet terug, Indië is Indië niet meer, het zou je tegenvallen’ - ‘en nog zo wat,’ voegt Du Perron aan deze mededeling toe. Het is door deze toevoeging duidelijk dat hij de raad in de wind zal slaan met een beroep op de ‘traditioneel-Europese zinswendingen’ van de briefschrijver. En toch is de observatie van deze traditioneel schrijvende vriend juist gebleken, pijnlijk juist zelfs. Want Du Perron kwam inderdaad in een ‘ander Indië’ terug dan hij in zijn jeugd gekend had.

In augustus 1921 had hij met zijn ouders Java verlaten, in november 1936 zette hij weer voet aan wal, ditmaal met vrouw en kind. Hiertussen lagen vijftien jaar en juist in deze periode had Indië een ontwikkeling doorgemaakt van europeanisering en normalisering die de structuur van de Europese samenleving grondig had gewijzigd. Anders gezegd: een proces dat zich omstreeks 1905 had ingezet, werkte na de oorlog diepgaand door, zó zelfs dat we van een revolutionaire ontwikkeling kunnen spreken. Het oude Indië werd in deze jaren definitief opgeruimd.

Om een indruk van de grote veranderingen te krijgen: het aantal Europeanen dat in 1905 nog geen 100 000 bedroeg, was in 1940 verdriedubbeld, een accres dat alleen maar uit een sterk vergrote ‘import’ te verklaren is. De verbeterde werkmethoden die in de grote cultures werden toegepast, de hogere eisen die het bedrijfsleven ging stellen aan kennis en opleiding, bracht ook een andere soort Europeanen naar Indië. De planter, die op blote voeten door de tuinen liep, met een tjaping (soort bamboezen hoed) op het hoofd, werd vervangen door de in Deventer of Wageningen opgeleide kracht; de ‘handelsemployé’ verving de ‘koopman’, zoals Bas Veth die nog gekend had als de ‘losgelaten bourgeois’; de academisch gevormde ambtenaar kwam in de plaats van de snel opgeklommen self-made man.

Bij de absolute stijging van het aantal Europeanen is de relatief nog

[p. 391]

sterkere stijging van het aantal vrouwen opvallend. Waren er in 1880 op de duizend mannen slechts 471,6 vrouwen, bij de volkstelling van 1930 lagen de verhoudingen al geheel anders. Toen bedroeg het aantal vrouwen per duizend mannen 884,3 en dit getal moet in 1940 eerder groter dan kleiner zijn geweest. En al was daarmee de huishoudster of njai nog niet verdwenen - vooral niet in de binnenlanden - van een budjang-(vrijgezellen-)samenleving, waarin de concubine een vanzelfsprekende plaats had gekregen, was geen sprake meer. Belangrijk als symptoom voor de normalisering en europeanisering zijn de stijging van het aantal gemengde huwelijken (van ongeveer 15% in 1900 tot ongeveer 25% in 1930) en de grote toename van de elders - en dat betekende hoofdzakelijk in Europa-geboren vrouwen. Bedroeg het aantal in 1905 ongeveer vierduizend, in 1930 was dit meer dan verzesvoudigd en gestegen tot 25 600. Als het waar is dat de vrouw haar stempel drukt op de leefwijze (zie ook het begin van het vorige hoofdstuk, blz. 342) dan maakt dit begrijpelijk dat men hoe langer hoe Europeser ging leven. Het leven in Indië werd vooral in de steden - waar het merendeel van de Europeanen woonde - comfortabeler, tegen de vroegere gevaren beschermd door een goede medische verzorging met uitstekende ziekenhuizen, goede scholen, eersterangs hotels, asfaltwegen, waterleiding en elektrisch licht, frigidaires en air-conditioning. In grotere en kleinere steden ontstonden Europese wijken, de zogenaamde ‘kampung blanda’, waar de Europeanen onder elkaar leefden. Zelfs de bouwstijl paste zich bij de nieuwe vorm van leven aan: de grote, koele Indische huizen met marmeren vloeren en een groot erf eromheen, werden vervangen door kleinere villa's met een voor- en achtertuintje, zodat sommige buurten aan Laren of Bussum deden denken bij een hittegolf. Bovendien, en dit is zeer belangrijk, werd de Europese leefwijze normatief. Als we de grens tussen tempo dulu en de ‘nieuwere tijd’ in de oorlogsjaren leggen, tussen 1914 en 1918, dan kunnen we in het algemeen zeggen dat de Europeaan die in tempo dulu aankwam, zich moest aanpassen bij Indische leefgewoonten, ook omdat hij veelal in concubinaat leefde, een gemengd huwelijk sloot of met een Indische trouwde, maar dat daarna ook de Indische gezinnen, vaak uit sociale overwegingen, zich gingen aanpassen bij een Europese leefwijze. Een proces in omgekeerde richting dus.

De Indische maatschappij was geëvolueerd van een - altijd betrek-

[p. 392]

kelijk - gemoedelijk, gastvrij en familiaar Indië, naar een dynamischer, harder en onpersoonlijker samenleving. De relatie van de Europeaan tot de ‘Inlander’, die in tempo dulu - evenals bij de onderlinge inheemse verhoudingen - een patriarchaal karakter droeg, liep vrijwel uitsluitend over de njai en de bedienden. Zij was vaak van zeer vertrouwelijke aard; men behoeft er de oude Indische bellettrie maar eens op na te lezen. Door de huishoudster als verzorgster en bedgenote leerde de Europeaan de taal en het volk kennen; via haar liepen de contacten met de ‘andere wereld’. Met het langzaam verdwijnen van deze figuur ging een belangrijk stuk associatie-politiek verloren. Ook tegenover de bedienden kwam men later anders te staan. Vormden dezen vroeger met het gezin een soort gemeenschap, die vaak op een persoonlijke relatie berustte - zoals dit ook bij de familie Du Perron het geval was - later werd de onderlinge verhouding uitsluitend gebaseerd op zuivere loonovereenkomsten. Ook hierdoor ging een vorm van contact verloren. Het ‘familiestuk’, meestal de ‘lijfbaboe’ zoals Alimah in Het land van herkomst, werd een curiositeit en een anachronisme.

Indië bleek inderdaad Indië niet meer te zijn, niet meer zijn Indië. De kortsluiting was onvermijdelijk. Toch heeft Du Perron in dit Indië dat hij ontgroeid was, of eigenlijk nooit gekend had, naar zijn jeugd gezocht, naar oude dingen en oude mensen. Daarbij stootte hij telkens op verschijnselen die nieuw en vreemd voor hem waren. Voor Walraven, die in 1918 naar Indië was gekomen, en die de hele ontwikkeling had meegemaakt, lagen de verklaringen voor de hand, maar Du Perron vond ze verrassend, ‘hoe doodgewoon en natuurlijk ze mij ook toeleken,’ schrijft Walraven. Soms vond hij iets van het oude terug en het vertederde hem. In de eerste plaats de onveranderlijke natuur: ‘Als ik in de trein zit en die rode grond terugzie, besef ik, zonder het zelfs in gedachten te hoeven omzetten: hier hoor ik.’ En de mensen van vroeger, zijn oude vrienden? Hij wilde ze allen opzoeken: de Odinga's, Junius en Rudi van Geen, maar hij hield halverwege op. Ergens was het saamhorigheidsgevoel er nog wel, maar elders viel het weg. Al zijn vrienden - de één was planter, de andere officier, de derde bestuursambtenaar en weer een andere speelde een rol in de Indische politiek als bestuurslid van het Indo-Europees Verbond - bleken aangepast bij de koloniale verhouding en hadden zich geconformeerd aan het stelsel; ze zagen het niet in zijn betrekkelijkheid. Du Perron had juist geleerd

[p. 393]

te twijfelen aan de deugdelijkheid van dit alles. ‘Moreel, intellektueel, stoot mij dit land in allerlei opzichten af,’ zei hij, ‘deze platvloerse, hypocriete koloniale samenleving.’ Hij kwam als ‘Europees intellectueel’ in conflict met de koloniale mentaliteit in de gestalte van de heer Zentgraaff, hoofdredacteur van de Java-Bode, het grootste Indische dagblad, oprichter van de Vaderlandse Club en n.s.b.-sympathisant. Over dit conflict met Zentgraaff kan men Veenstra lezen die het centraal stelt in zijn boek over Du Perrons Indische jaren. In Zentgraaff botste Du Perron tegen een extreme exponent van wat hem in de Europese samenleving tegenstond. Uit het boek van Veenstra - een voortreffelijk arrangement van brieven en documenten met commentaar - blijkt eerst ten volle hoe compleet het misverstand is geweest. Er is een toon van radeloosheid in zijn brieven te horen, ook om zijn sociale positie. Nergens bleek meer een plaats voor hem te zijn, al is dit achteraf te begrijpen als men bedenkt hoe de opbouw van de Europese samenleving was. Ze was betrekkelijk eenvoudig. Er waren drie grote groepen: ambtenaren, particulieren (uit bedrijfsleven en cultures) en militairen. Daarnaast waren er nog wel vrije beroepen als arts, advocaat en nog enkele andere, maar deze waren beperkt. Iemand als Du Perron die buiten zijn groep was gevallen en wiens capaciteiten en kwaliteiten in het schrijverschap lagen, kwam in een soort luchtledig terecht. De maatschappij kon hem niet opvangen; daarvoor was de structuur niet gedifferentieerd genoeg. Maar dit alles is een rationalisering achteraf. De teleurstelling was grievend en maakte Du Perron weleens wanhopig en opstandig. Daarbij kwam de gezondheidstoestand van zijn vrouw en van hemzelf. Het hele proces van kortsluiting kan men bij Veenstra stap voor stap volgen.

Aangewezen op zijn werk - hij heeft in Indië zeer veel gelezen en geschreven - zag Du Perron in Multatuli hoe langer hoe meer een bondgenoot. Hij zag zichzelf in Indië in een soortgelijke sociale situatie als Multatuli in Nederland; in Indië begreep hij meer dan ooit de botsing van Multatuli met de ongrijpbare machten van wet, norm en ambtenarij, die - weer achteraf gezien - de zeer heterogene Indische maatschappij bijeen moesten houden. En meer dan ooit misschien ontdekte hij in Multatuli een gelijksoortig temperament. Multatuli karakteriserende, gaf hij een karakteristiek van zichzelf, zoals hij was en wilde zijn: ‘Overgevoeligheid en frisheid van indrukken, drang naar

[p. 394]

daden en mogelijkheid tot dromen tegelijk, voortdurende behoefte aan zelfbevestiging, nooit verslappend gevoel voor onrecht, opstandigheid daartegen die nooit kamp geeft, het betekent trek voor trek jeugd’ (Verzameld werk, deel iv, blz. 443). Multatuli werd voor hem, zoals Veenstra in een artikel in Maatstaf van maart 1970, blz. 742 schreef, behalve een vriend, een identificatie-model. Du Perron was in Indië vervuld van Multatuli en aan de hand van nieuwe documenten schreef hij in zeer korte tijd De man van Lebak (1937), later aangevuld met Multatuli, tweede pleidooi (1938). In Holland zette hij zijn Multatuli-studies voort in het Multatuli-Museum. Al zijn Multatuliana vinden we bijeen in het Verzameld werk, deel iv. Zijn Multatuli-pleidooien zijn inderdaad (ook) pleidooien pro domo, zoals Veenstra ze noemt; men doet ook het beste ze als persoonlijke getuigenissen van Du Perron te lezen.

Naast zijn beide boeken over Multatuli schreef of voltooide Du Perron in Indië nog Het sprookje van de misdaad; dialogen over het detektiveverhaal [1938]; een tweetal grote bloemlezingen (met biografieën) uit de Indische bellettrie: De muze van Jan Companjie (1939) en Van Kraspoekol tot Saïdjah (nooit verschenen), en ten slotte de roman Schandaal in Holland (1939), over het familieschandaal waarin Onno Zwier van Haren verstrikt was geraakt door allerlei intriges buitenaf, nog altijd een bijzonder leesbare roman die te weinig bekendheid heeft gekregen (zie Verzameld werk, deel iii; ook afzonderlijk herdrukt in de Witte Olifantreeks, 1962). In Nederland werkte Du Perron nog aan een boek over Dirk van Hogendorp dat Zich doen gelden zou gaan heten, maar dat onvoltooid is gebleven. Ook Dirk van Hogendorp kunnen we met een zeker recht als een anti-koloniale figuur zien die eveneens met zijn omgeving in conflict kwam (zie ook de bladzijden 71-76 over hem in dit boek). Ook hier een identificatie, zij het met meer afstand.