Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

I. De tijd van de ‘Loffelijcke Compagnie’

1. Oost-Indische reizen

Busken Huet was de eerste die aandacht vroeg voor de litteraire betekenis van de zestiende-, zeventiende- en achttiende-eeuwse scheepsjournalen. Hij deed dit enige malen in zijn vijfentwintig delen Litterarische fantasien en kritieken (men raadplege het register hierop door M. Horn), maar vooral in Het land van Rembrand, deel ii, in het tweede hoofdstuk over ‘De handel.’ - Excerpten uit verschillende reisverhalen gaf de historicus dr. M.G. de Boer in zijn Van oude voyagiën (deel i ‘Op weg naar Indië’; deel ii ‘De wereld om’; deel iii ‘Met Tasman en Bontekoe’, 1912-1913). - De geschriften van Jan Huygen van Linschoten verschenen in de Werken van de Linschoten-Vereeniging tussen 1910 en 1957: de Itinerario in deel ii (twee banden); de Beschrijvinghe van de gantsche kuste van Guinea enzovoorts in deel xxxlx (één band) en het Reis-gheschrift vande navigatien der Portugaloysers in

[p. 583]

deel xliii (twee banden), alle onder dezelfde titel Itinerario, hetgeen misleidend kan werken. De uitgave van de Itinerario zelf werd later geheel door dr. H. Terpstra herzien; ze is van 1955-1957 in drie banden verschenen als deel lvii, lviii en lx. Een vrij recente en uitvoerige biografie over Van Linschoten is van de Amerikaan Charles Mc Kew Parr, getiteld Jan van Linschoten, the Dutch Marco Polo (1964). - Het reisjournaal van Gerrit de Veer werd eveneens door de Linschoten-Vereeniging uitgegeven als deel xiv en xv van de Werken. - Ook de journalen van de eerste en tweede scheepvaart naar Indië van respectievelijk De Houtman en Van Neck kwamen in dezelfde reeks uit als de delen vii, xxv, xxxii, en de delen xlii, xlvi en xlviii. In deel xxv, blz. 239, vindt men het journaal van Frank van der Does. - De ‘reisbeschrijving’ van Van Goens van Semarang naar Mataram is opgenomen in de uitgave van De vijf gezantschapsreizen van Rijklof van Goens door dr. H.J. de Graaf in de Werken van de Linschoten-Vereeniging, deel lix (1956). Over Rijklof van Goens is tweemaal een proefschrift geschreven. Het eerste in 1916 door J. Aalbers, Rijcklof van Goens; commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58; het tweede door W.M. Ottow in 1954, getiteld Rijckloff Volkertsz. van Goens; de carrière van een diplomaat, 1619-1655. - De reisbeschrijving van Hofhout is een ontdekking van De Haan die haar opnam in zijn Priangan (deel ii, bijlage xxxiv). Hetzelfde stuk is ook te vinden in R. Nieuwenhuys, Van roddelpraat en litteratuur (1965). Over Hofhout is zeer weinig bekend. De Haan diepte een en ander uit archiefstukken op en publiceerde de gegevens in Priangan (in de rubriek ‘Personalia’ van deel i). Hij blijkt echter vader en zoon (beiden Johannes geheten) door elkaar te hebben gehaald. De zoon is de schrijver van het ‘Bezoek aan Tjipanas’. Deze werd 30 september 1740 te Batavia geboren en stierf in 1807 te Rotterdam als boekverkoper (volgens gegevens van het Gemeente-archief te Rotterdam). - Van het journaal van Bontekoe bestaan verschillende uitgaven, ook bloemlezingen die al dan niet voor de school bestemd zijn. De standaarduitgave is die van prof. dr. G.J. Hoogewerff, Journalen van de gedenckwaerdige reysen van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, deel liv van de Werken van de Linschoten-Vereeniging (1952). - In kleine Dietse Keur verscheen als facsimile-uitgave de Korte beschryvinghe van de ongeluckige reyse van het schip Aernhem (1942). - De zestien reizen van

[p. 584]

Nicolaus de Graaff werden te zamen met de ‘Oost-Indise spiegel’ in 1930 uitgegeven als deel xxxiii van de Werken van de Linschoten-Vereeniging onder de titel Reisen van Nicolaus de Graaff gedaan naar alle gewesten des werelds, beginnende 1639 tot 1687 incluis door de zee-officier J.C.M. Warnsinck. Het aardigste deel uit de ‘Oost-Indise spiegel’, dat over de ‘rijke en overdadige levenswijze der Hollanders in Indiën en voornamelijk die der vrouwen’ gaat, vindt men in De muze van Jan Companjie (1939; tweede druk 1948) van E. du Perron en uitvoeriger in R. Nieuwenhuys, Wie verre reizen doet ... (1975). In deze bloemlezing vindt men ook een fragment uit Wouter Schouten, specialist in het beschrijven van stormen. Voor fragmenten uit het werk van Schouten, Aernout van Overbeke, Joan Nieuhof en Stavorinus zie men S. Kalff, Oost-Indisch landjuweel (1902). Afzonderlijke uitgaven van hun werken zijn in onze tijd niet verschenen, evenmin van Seyger van Regteren of de latere Jacob Haafner. De reisverhalen van Jacob Haafner die tevens zijn levensverhaal bevatten, zijn soms bijzonder boeiend, maar hij reisde vooral langs de kust van Orissa en Coromandel naar Madras en van Madras naar Ceylon, waar hij zijn reis te voet voortzette en gruwelijke avonturen beleefde. In Bengalen maakte hij zijn fortuin. In Oost-Indië bleef hij slechts korte tijd en vertrok toen weer naar Nagapatnam na nog eens schipbreuk geleden te hebben. Het grootste deel van het werk van Haafner valt helaas buiten het bestek van dit boek. Biografische gegevens over Haafner vindt men meest bij Haafner zelf en in de ‘Voorrede van den uitgever’ bij de Lotgevallen enz. (1820). Zie ook De Haan in het vierde deel van Priangan. Men raadplege hiervoor de index. In De Indische Gids van 1900, deel i, blz. 383 staat een artikel van J. Ph. Vogel, ‘Jacob Haafner; schets uit de laatste jaren der Oost-Indische Compagnie’. Over Haafners denkbeelden zie men: H. Terpstra, ‘Jacob Haafner en zijn denkbeelden over het kolonialisme’ in het Tijdschrift voor Geschiedenis, 1962, blz. 129. - Het aantal reisverhalen is veel groter dan hier besproken kon worden. Zoals in de tekst reeds gezegd is: een weloverwogen keuze op grond van de litteraire kwaliteit is niet te maken. Toch kan men zich afvragen waarom hier Wouter Schouten genoemd en zelfs geciteerd wordt en niet Joan Nieuhof, waarom niet Cornelis de Bruin en wel Frank van der Does, waarom wel Seyger van Regteren en niet Pieter van den Broecke. Het verontschuldigende antwoord moet zijn: dat al deze

[p. 585]

Indië-vaarders als het erop aankomt, toch te onpersoonlijk schreven, dat wil zeggen met de nadruk op de feiten en gebeurtenissen, op een wijze die de een te weinig van de ander doet verschillen. Dit maakt een selectie moeilijk, zo niet onmogelijk. Door enkelen te bespreken worden nu tenminste ook de anderen enigszins gekarakteriseerd en het is nog altijd beter van sommigen iets te zeggen dan van velen niets. Namen en titels noemen heeft weinig zin en daar zou het binnen dit bestek op neerkomen. Men kan daarvoor trouwens elders terecht. Wie zich tot een nadere kennismaking aangetrokken voelt, kan uitgaan van het aardige boekje Oude reizen naar de Oost (1939) van M.J. Francken en R.C. Lugt (dat als leesboek voor de middelbare scholen in het voormalige Nederlands-Indië bedoeld was) en daarna de drie delen Van oude voyagiën lezen van dr. M.G. de Boer. Bij Huet kan men voor titels te rade gaan, onder meer in de Litterarische fantasien en kritieken, deel 18, blz. 168, en natuurlijk bij dr. F. de Haan in diens vierdelige standaardwerk Priangan (Batavia 1910-1912). Maar hier liggen de talrijke gegevens verspreid over honderden bladzijden. De litteratuurlijst in het tweede deel, blz. 823, kan goede diensten bewijzen. Men bedenke echter dat de uitgave van omstreeks 1910 is en dat later verschenen publikaties dus niet genoemd worden. Men mag niet verzuimen de lijst van werken te raadplegen, uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging. Zie ook: P.A. Tiele, Mémoire bibliografique enz. (1867).

2. Indische verzenmakers

Al onze kennis van de ‘Indische verzenmakers’ gaat terug op De Haan (Priangan, deel ii, Excurs ii, blz. 732). Voor en na hem heeft alleen de veelschrijver S. Kalff zich in tijdschrift- en dagbladartikelen beziggehouden met de Compagnies-dichters. Als Landsarchivaris had De Haan de gelegenheid verschillende handschriften te raadplegen. Zijn bijdragen bevatten dan ook voor die tijd (± 1910) veel nieuws. Bovendien vat hij al het bekende - gedrukt en geschreven - samen. Het moet gezegd worden dat De Haan dit op bijzonder leesbare wijze gedaan heeft. Hij was een wetenschappelijk onderzoeker met veel gevoel voor humor die beter schreef dan menig letterkundige. Het verwondert ons dan ook niet dat de schrijver E. du Perron zijn Muze van Jan Companjie

[p. 586]

aan de nagedachtenis van De Haan opdroeg met de verzekering dat zonder diens voorlichting zijn Muze nooit ontstaan zou zijn. Zie verder G. Kalff, Van zeevarende luyden en zee-poëten (1915). De grote driedelige bloemlezing Van varen en vechten (1914) door dr. D.F. Scheurleer bevat talrijke verzen op zeehelden, zeeslagen, matrozenliederen enzovoorts. Slechts een klein deel hiervan betreft de Oost-indische geschiedenis. Natuurlijk schreef ook Gerard Brom over de Compagnies-litteratuur in Java in onze kunst (1931).

3. Valentijn, Rumphius, Camphuis

De fraaie folio-uitgave in vijf delen (acht banden) van Valentijns Oud en Nieuw Oost-Indiën verscheen van 1724 tot 1726. In het vierde deel staat de door Busken Huet geprezen ‘Uijt- en thuijsreize’, waarvan in 1882 een uitgave verscheen in gemoderniseerde spelling door dr. A.W. Stellwagen onder de titel Van en naar Indië. Over Valentijn schreef Busken Huet in 1879; men kan zijn beschouwing vinden in deel xi, blz. 3 van de Litterarische fantasien en kritieken en ook als inleiding bij de uitgave van dr. Stellwagen. Huet beschikte toen nog over betrekkelijk weinig biografische gegevens. Ze werden door De Haan aangevuld in Priangan, deel i, blz. 270. Valentijn wordt in Priangan ook nog enige malen op andere plaatsen genoemd en geciteerd. Men raadplege daarom het register op Priangan. Men kan over Valentijn ook het artikel van S. Kalff lezen in De Indische Gids, 1900, blz. 907. Over Valentijn als historicus schreef De Haan in het Rumphius gedenkboek (1902) onder de titel ‘Rumphius en Valentijn als geschiedschrijvers van Ambon.’ Het is vernietigend voor Valentijn. Een uitvoerig samenvattend artikel staat in de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, deel iv, blz. 501. Dit kan het beste als leidraad dienen voor verdere studie. De ‘geschiedenissen van Ambonse wreedheden’ waarover in de tekst gesproken wordt, staan in een hoofdstuk over verschillende ‘Ambonse gevallen’. Een ervan werd door R. Nieuwenhuys opgenomen in Wie verre reizen doet ... (1975). - Rumphius heeft van zijn levenswerk nooit iets gedrukt gezien. Zijn later voltooide D'Amboinsche rariteitkamer verscheen het eerst in 1705, drie jaar na zijn dood, als een folio-uitgave in drie boeken, in één band. Het Amboinsch kruid-boek - eveneens een folio-editie - kwam eerst in 1741 uit, bestaande uit twaalf

[p. 587]

boeken, in zes delen. Behalve deze twee grote werken schreef Rumphius nog een Amboinsche land-beschrijving en een Amboinsche historie. Het eerste werk is nooit gedrukt; het tweede verdween eerst bijna geruisloos in Valentijns Oud en Nieuw Oost-Indiën voordat het in 1910 werd uitgegeven in de Bijdragen, deel 64, 1910, blz. 3. Men leze hierover dr. F. de Haan in het Rumphius gedenkboek van 1902. Over Rumphius staat een uitvoerig en uitstekend artikel (van dr. M. Greshoff) in het derde deel van de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, blz. 640. Een levensbericht vindt men in het Rumphius gedenkboek van de hand van mr. J.E. Heeres dat teruggaat op de biografie van P.A. Leupe, ‘Een Ambonsche natuurkundige der zeventiende eeuw’ in de Verhandelingen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, deel xii (1871). Leupe was de eerste die een archiefonderzoek verrichtte en komt dan ook met voor die tijd geheel nieuwe gegevens. Op de vondsten van Leupe gaat ook Busken Huet terug in zijn Het land van Rembrand, deel ii, 2de helft, 1884. De eerste grote biografie over Rumphius - in het Latijn geschreven - is van A.G.E. Th. Henschel, Vita G.E. Rumphii, Plinii Indici (1833). Henschel had toen echter nog niet de beschikking over de stukken van Leupe. In 1959 verscheen een Rumphius memorial volume geredigeerd door H.C.D. de Wit. Er bestaat ook nog een populair boekje over Rumphius door G. Ballintijn (1944). Op de litteraire betekenis van Rumphius' werk heeft nog niemand de aandacht gevestigd. In het Rumphius gedenkboek staat een uitvoerige ‘Eerste proeve van een Rumphius-bibliographie’ van G.P. Rouffaer en W.C. Muller, blz. 165-219.

4. Onno Zwier van Haren

‘Het leven van Camphuis’ en ‘Agon, sultan van Bantam’ van Onno Zwier van Haren zijn te vijnden in de bekende uitgave van Johannes van Vloten Leven en werken van W. en O.Z. van Haren (1874). De teksten zijn naar tijdsorde gerangschikt en van toelichtingen voorzien. Hierin staan veel biografische gegevens. Van Agon, sultan van Bantam bestaat ook een afzonderlijke moderne uitgave (1968) in de reeks Klassieken uit de Nederlandse letterkunde, met een inleiding van G.C. de Waard die onder meer wijst op de parallel met Racine's Mithridate, waar trouwens al eerder op gewezen was in een dissertatie

[p. 588]

van Chr. van Schoonevelt van 1906. Een karakteristiek fragment uit ‘Het leven van Camphuis’ werd door S. Kalff opgenomen in zijn bloemlezing Oost-Indisch landjuweel (1902). Over het familieschandaal schreef dezelfde Van Vloten ‘Een edelman onder de ploerten’ in De Levensbode, ook als bijlage opgenomen in de uitgave Leven en werken enz. Tegen het standpunt van Van Vloten opperde Huet allerlei bedenkingen; Van Vloten op zijn beurt, opperde hier weer bedenkingen tegen (zie blz. 541 van zijn Leven en werken). Een belangrijk artikel van Huet van 1878 over ‘De van Haren's’ vindt men in de Litterarische fantasien en kritieken, deel vi, blz. 1. Het opstel van J.A.F.L. van Heeckeren ‘Een voorloper van Multatuli’, waarop in de tekst wordt gezinspeeld, staat in Taal en Letteren van 1894, deel iv, blz. 329; het artikel van W.M.F. Mansvelt in De Gids van 1920, deel iv, blz. 307 is getiteld ‘Onno Zwier van Haren geen voorlooper van Multatuli’. Du Perrons Schandaal in Holland (1939) werd herdrukt in de Witte Olifantreeks (1962). Men vindt het ook in het Verzameld werk, deel iii.