Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

VIII. Tussen waarheid en verbeelding

2. F.C. Wilsen

Bij het overlijden van Wilsen te Semarang verscheen in het dagblad De Locomotief van 25 mei 1889 een herdenkingsartikel. Zie verder de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, deel iv, blz. 785. In het 15de deel van Huets Litterarische fantasien en kritieken, blz. 60 e.v. staat een bespreking van Lain dooeloe, lain sekarang. Het oordeel van Huet is, dat het ‘in de bibliotheek der lichte lectuur een eigen plaats inneemt.’ Over de andere werken heeft hij niet geschreven. - Aangezien geen enkele bijdrage bibliografische gegevens vermeldt, volgen hier enkele titels van boeken die Wilsen schreef: Lain dooeloe, lain sekarang, 1868-1869; De duivel op Java, 1870; Naar Europa, 1871; Uit de Koningin van het Oosten, 1873; Door vuur en water, 1874.

3. W.A. van Rees

De artikelen over Van Rees in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel v, blz. 568 en de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, deel iii, blz. 579, bevatten enige onjuistheden. Volgens de gegevens van het Algemeen Rijksarchief werd Van Rees niet in 1864 als majoor gepensioneerd, maar in 1854 als kapitein. In 1860 werd hij benoemd tot majoor-titulair. Een artikel over hem schreef J.F. van Someren in Letternieuws (1884). De meeste besprekingen van Van Rees' boeken zijn van weinig belang en doen ons Van Rees niet beter leren kennen. Een uitzondering is de uitvoerige bespreking van de novelle Wijnanda in boekvorm door zijn wapenbroeder en collega-schrijver M.T.H. Perelaer in De Indische Gids van 1882, deel i, blz. 207. Natuurlijk komt Van Rees' kritiek op de oorlogsvoering in Atjeh ter sprake. Zie een artikel van Paul van 't Veer in De Gids van 1967, blz. 164, getiteld ‘Atjeh 1873, een oorlog op papier’; verder zijn boek De Atjeh-oorlog, 1969, blz. 126.

[p. 609]

4. M.T.H. Perelaer

Biografische gegevens over Michel Théophile Hubert Perelaer en de titels van de meeste van zijn werken vinden we in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel v, blz. 465 en de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, deel iii, blz. 387. Het artikel in de Encyclopaedie bevat wederom een onjuistheid. Perelaer werd niet te Rome, maar te Rolduc tot priester opgeleid. Dit wordt bevestigd door het stamboek op het Algemeen Rijksarchief dat bovendien nog meer biografische gegevens bevat dan de beide reeds genoemde artikelen. Ofschoon over Perelaer geen samenvattend artikel bekend is van een zekere uitvoerigheid, weten wij vrij veel over hem uit zijn autobiografische vierdelige roman Een kwart eeuw tussen de keerkringen; deel i Naar den equator; deel ii In het land der zon; deel iii Op sneê verguld; deel iv Naar den eindpaal eener loopbaan (1884-1885). In zijn tijd is Perelaer vrij populair geweest. De lange lijst van werken die men nu nog in de grote bibliotheken vindt, is hier een aanwijzing voor. Bekend is hij vooral geworden orn het reeds genoemde en luxueus uitgegeven Neêrlandsch Indië met talrijke gekleurde litho's naar tekeningen van J.C. Rappard in samenwerking met Van Rees. In 1888 herschreef Perelaer op verzoek van de uitgever het aandeel van Van Rees. Hij veranderde toen ook de titel in Het kamerlid Van Berkenstein in Nederlandsch-Indië, twee delen.

5. I. Groneman

Over Groneman is geen enkel samenvattend artikel geschreven. Wat in de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië over hem staat (deel i, blz. 829) is zeer summier. Zijn boeken zijn weliswaar in enkele dag-, weeken maandbladen gerecenseerd, maar deze besprekingen zijn in de eerste plaats karakteristiek voor de houding van de recensenten tegenover Gronemans denkbeelden. Op het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden bevindt zich een bundel documenten over Groneman met onder meer extracten uit een familieregister (met levensbijzonderheden) en de kopieën van een aantal familiebrieven. Op hetzelfde instituut treft men in de ‘Collectie brieven aan Dr. L.A.J. Brandes’ een aantal brieven van Groneman aan. Men raadplege ook de fotoverzameling.

[p. 610]

6. Jan ten Brink

Bij Ten Brinks dood in 1901 verschenen allerlei min of meer welwillend gestemde necrologieën, maar over zijn Indische boeken wordt daarin nauwelijks gerept. Het oordeel van prof. Brom over Ten Brink als litterator en litterair-historicus onder meer in Geschiedschrijvers van onze letterkunde (1947), is vernietigend, maar niet billijk. Veel meer begrip toont Francine Schregel-Onstein in haar boek Het rijk geschakeerde leven van Prof. Dr. Jan ten Brink (1967), met vele afbeeldingen, portretten enzovoorts. Uit dit werk blijkt dat Ten Brink onder het pseudoniem Jan van Houten nog een aantal Indische romans schreef. Biografische gegevens en een bibliografie staan in de bijdrage van F. Smit Kleine in Ten Brinks eigen driedelige Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de xixe eeuw, in deel 3, blz. 446.

7. J.A. Uilkens

Over Uilkens is vrijwel niets geschreven. Het meeste staat nog in A short history of journalism in the Dutch East Indies [z.j.] door G.H. von Faber, blz. 78. De summiere herdenking van Uilkens in het Soerabaiasch Handelsblad vindt men in het nummer van 21 augustus 1893 op blz. 2. Over Moeder Maalnest en de opvoering ervan zie men het gedenkboek Oud-Soerabaia, 1931, blz. 345, eveneens door G.H. von Faber geschreven.

8. C. van Nievelt

In enkele letterkundige handboeken als de Ontwikkelingsgang van Te Winkel of het handboek van Prinsen wordt Van Nievelt wel genoemd, al wordt er vrijwel niets zinnigs over hem gezegd. Enkele biografische gegevens staan in Neerland's letterkunde in de negentiende eeuw door J.P. Keyser, 1877, deel i, blz. 1023. Een artikel schreef F. Smit Kleine, te vinden in diens bundel Schrijvers en schrifturen, 1891, blz. 73. Het is nogal prijzend, al heeft de criticus ook bezwaren. Over het hoofd van Smit Kleine werd Van Nievelt veroordeeld door G. Jonckbloet (‘pastoor te Batavia’) in een artikel van 1891, opgenomen in de bundel Uit Nederland en Insulinde, 1893, deel ii, blz. 213. Hij verwijt Van Nievelt

[p. 611]

dat deze het ‘schone terrein der kunst’ verlaat, ‘om de vunzige kronkelpaadjes in te slaan waar de paddestoel tiert van godsdiensthaterij.’ Hier wringt bij pater Jonckbloet blijkbaar de schoen.

9. G.J.P. Valette

Zowel Busken Huet als Jan ten Brink schreven over Valette bij de verschijning van Baren en oudgasten; de eerste zoals te verwachten is, kritischer dan de tweede. Voor Huet zie men deel xxv van zijn Litterarische fantasien en kritieken, blz. 182 en voor Ten Brink Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de xixe eeuw, 1889, deel iii, blz. 348. Bij de dood van Valette in april 1922 schreef de oud-resident Gonggrijp Sr., de bekende schrijver van de Brieven van Opheffer, een herdenkingsartikel in het Koloniaal Tijdschrift van 1922, blz. 257. Het blijkt overigens een tweetal kleine onjuistheden te bevatten. Valette studeerde niet te Leiden, maar te Delft. Uit het stamboek van Indische ambtenaren, berustend op het Ministerie van Binnenlandse Zaken, blijkt ook dat Valette niet in 1910, maar in 1907 gepensioneerd werd. Men kan Valette vooral goed leren kennen uit zijn Gids-artikel over Multatuli van 1910, deel ii, blz. 377 e.v. en zijn uitvoerige herdenking van Abraham Pruys van der Hoeven in het Koloniaal Tijdschrift, 1918, deel i, blz. 337, 451 en 762 en deel ii, blz. 1042. - Enige verwarring kan ontstaan door het voorkomen van de naam Valette naast De la Valette. In 1903 richtte G. Valette - na genealogische onderzoekingen in Frankrijk - het verzoek aan de regering zich De la Valette te mogen noemen. De andere familieleden hielden zich aan de naam Valette.