Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XIII. Het Indische kunst- en toneelleven

1. ‘Une société sans art, sans culture...’

Het citaat is uit J. Chailley-Bert: Java et ses habitants. Het veelgelezen boekje verscheen in 1900, doch is daarna nog verschillende malen herzien en herdrukt. Het werd door de schrijver opgedragen aan de oud-Minister van Koloniën I.D. Fransen van de Putte, ‘le ministre réformateur’. - Belangrijk is Eenige jaren kunstleven te Batavia; (Januari 1896-Mei 1899), verzamelde kritische en didaktische dagbladopstelletjes (1899) door Otto Knaap. De bundel geeft een kostelijk beeld van het Bataviase kunstleven met de ruzies erbij. Vooral in het ‘Voorbericht’ en de ‘Inleiding’ kan men veel vinden over de muzikale en sociale verhoudingen in de Europese samenleving omtrent de eeuwwisseling. Men zie ook een artikel van Hans van de Wall in het Gedenkboek van Nederlandsch-Indië 1898-1923 over ‘Westersche muziek, tooneel en litteratuur’, blz. 275. Verder ‘Het westersche kunstleven in Indië’ in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, een reeks feuilletons van 11, 15, 16 oktober en 3 november 1937.

[p. 619]

3. Jan Fabricius

Over Fabricius leze men eerst zijn aardige boekje Tempo doeloe; uit de goeie ouwe tijd (1949), waarin heel wat autobiografische gegevens staan. Hij heeft het boek vermoedelijk zelf bedoeld als een laatste terugblik en een poging tot het herbeleven van ‘die koorts van geluk’ die hem al die jaren in de tropen in zijn greep had gehouden. Dit gevoel weet Fabricius ongetwijfeld op de lezer over te brengen. Over hem als toneelschrijver bestaat een Belgisch proefschrift van dr. Karel Loos, Jan Fabricius en zijne werken [1923] dat in de ondertitel ‘een dramatische studie’ genoemd wordt. Het doet echter nergens aan een serieuze studie denken; het is in werkelijkheid een onkritisch, oppervlakkig en slordig in elkaar getimmerd werkje dat alleen om de gegevens nog van enig belang is. Prof. Brom in Java in onze kunst, blz. 190-194 weet nog vrij veel in Fabricius te prijzen, al erkent hij dat de betekenis van Fabricius' stukken ‘niet zozeer in de blijvende waarde als wel in de belangstelling [ligt] die zijn volle zalen trekkend werk bij het Hollandse publiek voor Indië wist te wekken.’ In het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde 1969-1970 (1971) staat een levensbericht geschreven door zijn zoon, de schrijver Johan Fabricius. Daarin vindt men ook een bibliografie en nog meer litteratuur dan hier wordt opgegeven. Eveneens in 1971 verscheen onder de titel Jan Fabricius, de man en zijn werk, een herdruk van vijf van zijn toneelspelen waaronder Eenzaam en Dolle Hans, met een inleiding van Jan Spierdijk. - De brieven van Gonggrijp werden in 1913 gebundeld door het Bataviaasch Handelsblad uitgegeven onder de titel Honderd brieven van Opheffer. Een vierde gewijzigde druk met een inleiding van J.W. Meyer Ranneft verscheen tijdens of kort na de oorlog [z.j.]: Brieven van Opheffer. Over Gonggrijp zie men, behalve de inleiding van Meyer Ranneft, ook De Locomotief van 21 april 1915 met een verslag van een causerie van Gonggrijp die hem goed typeert. Bij zijn dood verscheen een herdenkingsartikel(tje) in het Koloniaal Tijdschrift, 1939, blz. 97, geschreven door C.A. Schnitzler.

[p. 620]

4. Hans van de Wall

Bij Hans van de Wall (pseudoniem Victor Ido) is gebruik gemaakt van door de schrijver zelf in 1947 mondeling verstrekte gegevens, van een reeks artikelen van hemzelf over hemzelf in het Bataviaasch Nieuwsblad van 4 december 1926 tot 29 april 1927, getiteld ‘Bladen uit mijn levensboek 1890-1915’ en een onvoltooide, ongepubliceerde biografie, ‘Victor Ido; zijn leven en zijn werken’, die zich in de handschriftencollectie bevindt van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. Hier en daar, verspreid in dagbladen of tijdschriften, vinden we nog een en ander over Van de Wall, maar het betreffen meer besprekingen van zijn werken of de talrijke opvoeringen van zijn stukken. Enige levensbijzonderheden staan ook in het ‘Ten geleide’ van Hein Buitenweg bij een bloemlezing uit Van de Walls bekende radiolezingen voor de nirom, getiteld Indië in de goede oude tijd [1966]. Deze voordrachten verschenen voor de eerste keer - in uitgebreider vorm - in 1936 te Bandung onder dezelfde titel, in twee delen. Al springt Van de Wall hier en daar nogal nonchalant met de feiten om, het zijn bijzonder aardige boekjes.

6. De Komedie Stamboel en Krontjong

Over de Komedie Stamboel is nooit een serieuze studie geschreven en het is de vraag of ze nu nog geschreven kan worden. De gegevens voor dit hoofdstuk zijn mondeling verkregen, maar vooral ontleend aan een boekje van A. Th. Manusama, Komedie Stamboel; of de Oost-Indische opera (1922), te Batavia gedrukt en uitgegeven. Manusama is de schrijver van het verhaal Njai Dasima (dat voor de Stamboel bewerkt werd). Het is nog in 1962 herdrukt met een inleiding van Tjalie Robinson. Behalve Njai Dasima; een historische zedenroman van Batavia (1926), schreef Manusama (1878-1937) nog twee andere verhalen: Stephan de Lima; de Amboneesche toovenaar (1917) en Amat, het onechte kind (1929). Hoe ‘gebrekkig’ ze ook geschreven zijn, de verhalen zijn authentiek en ze doen ons iets kennen van een samenleving waar de gemiddelde Europeaan altijd langs geleefd heeft, een sub-cultuur waar ook de Stamboel en krontjong uit voortgekomen zijn. In het boekje van Manusama over de Stamboel vindt men een lijst van bekende

[p. 621]

Stamboelstukken en een aantal advertenties die de sfeer aanduiden. De inhoud van Djula djuli bintang tiga vinden we bij Manusama en in het kerstnummer van Tong Tong, 1967, blz. 9, in een bijdrage van W.F.W. Schardijn, die overigens nogal opzichtig op Manusama teruggaat. Over Auguste Mahieu die de Stamboel in het leven riep schreef Otto Knaap een artikel in het Algemeen Handelsblad dat overgenomen werd in het Bondsblad van 18 en 25 juli 1903 (orgaan van de vereniging De Indische Bond die de sociaal-economische belangen van Indo-Europeanen wilde behartigen; opgericht in 1898). In het reeds genoemde kerstnummer van Tong Tong van 1967 staat nog een artikel over Marietje Oord (1886-1970) en de ‘Indo's Komedie Vereeniging De Eendracht’ van Tjalie Robinson. Foto's van een tweetal scènes uit Djula djuli bintang tiga vinden we in het fotoboek van E. Breton de Nijs, Tempo doeloe, op blz. 94. De onderschriften blijken op een onjuiste veronderstelling te berusten. Dat de Stamboel grote aantrekkingskracht op vele Indische jongens en meisjes uitoefende, kan men ook lezen in de schets ‘Actrice’ van J.E. Jasper die op authentieke gegevens berust (Java-Bode, 22 februari 1902, eerste bijvoegsel). - De krontjong is helaas nooit goed bestudeerd, noch musicologisch, noch sociologisch - net zo min als de Stamboel. Van dezelfde A. Th. Manusama die over de Stamboel schreef, bestaat een boekje over de Krontjong als muziekinstrument, als melodie en als gezang (1919) dat echter met enig voorbehoud moet worden gelezen. In een ander boekje van Will G. Gilbert, Muziek uit Oost en West (1942) staat in het vierde hoofdstuk een en ander over de krontjong. Zijn waardering en begrip ervoor zijn gering. Wie de krontjong wil bestuderen zal een onderzoek moeten instellen naar de Portugese mestiezengroepen, naar hun vestiging en verspreiding op Java en hun integratie in de Indo-Europese bevolkingsgroep waarin men verschillende Portugese namen aantreft als Monteiro Pareira, Quartero, De Sousa, Diaz, De Queljoe, De Pineda, (Van) Minos en vele andere. In het dorpje Tugu nabij Djakarta bestond, en bestaat ook nu nog een Portugese mestiezen(?)-kolonie, een kleine gemeenschap (afstammelingen van de Mardijkers, mogen we aannemen) met eigen gebruiken, een eigen kerk (met diensten in het Maleis-Portugees) en een eigen muziek. Deze muziek is nog op de oorspronkelijke krontjong gebaseerd. Over deze gemeenschap in Tugu vinden we een en ander in Priangan van dr. F. de Haan; men zie ook een twee-

[p. 622]

tal samenvattende artikelen van dr. H.J. de Graaf in Tong Tong van 30 augustus en 15 oktober 1968. Over de zogenaamde Mardijkers (‘orang merdeka’; dat zijn ‘vrijen’ en geen slaven) bestaat een boeiend artikel van De Haan in de Bijdragen, deel 73, 1917, blz. 219. Toch laat het verschillende vragen onbeantwoord. De Haan maakt de afstamming van de Mardijkers wel duidelijk maar van hun sociale positie zegt hij weinig of niets en óf ze zich, en zo ja, hóé ze zich in de mestiezen-samenleving opgelost hebben, laat hij in het midden. Allerlei opmerkingen over de krontjong vinden we verspreid over verschillende tijdschriften als het Indisch weekblad De Reflector, 1917, blz. 402; het orgaan van De Indische Bond, Het Bondsblad (verschillende malen); het orgaan van het Indo-Europees Verbond, Onze Stem (o.m. in het nummer van 27 juni 1930) en in het tijdschrift Tong Tong (verschillende malen). Men raadplege ook de bibliografie van Paul W. van der Veur, The Eurasians of Indonesia; a political-historical Bibliography, Cornell University Ithaca, New York, 1971. Toch weten we nog veel te weinig van de krontjong. Er is teveel van horen zeggen bij; de meeste bijdragen bevatten meer veronderstellingen dan zekerheden. Eind 1972 verscheen bij de uitgeverij Tong Tong in de Moesson-reeks een boekje over de geschiedenis van De krontjong-guitaar door Rosalie Grooss.