|
|
|
| | | | | |
Nederlandse pastorale poëzie in de 17de eeuw: verliefde
en wijze herders
*
Mieke B. Smits-Veldt en Hans Luijten
| |
De verliefde herder
Het genre van de pastorale literatuur is in de Nederlandse
letterkunde van de renaissance een nieuw fenomeen. Dit geldt niet alleen voor
al die in een idyllische natuur gesitueerde, petrarkistisch-erotische liedjes
die in de nieuwe liedboeken een vaste plaats veroveren, maar ook voor de
poëzie waarin duidelijk een herderssituatie wordt verbeeld of waarin -
meest verliefde - herders aan het woord zijn.
1 In de lyriek gaat het om
vertellingen, liefdesklachten en wervingspogingen of dialogen, nogal eens in
combinatie met elkaar. Bovendien zijn in het toneel pastorale motieven
verwerkt.
Naast anonieme auteurs hebben vele Nederlandse dichters van naam
herders en herderinnen in hun poëzie laten figureren.
Daniel Heinsius,
Jacob Cats en de meest produktieve dichter in het
genre,
Jan Harmensz Krul, schreven diverse pastorale
gedichten, waarvan een aantal zeer verdienstelijk kan worden genoemd.
Succesvolle pastorale toneelstukken waren
Granida (1605) van
Pieter Cornelisz Hooft,
Ithys (1615) van
Samuel Coster en
Aspasia (ca. 1644) van
Cats. Vooral het spel van Hooft kreeg grote bekendheid;
binnen de 17de-eeuwse poëzie verschenen telkens weer imitaties van
bepaalde scènes, terwijl voor verschillende schilders in het bijzonder
het moment waarop prinses Granida van de herder Daifilo een schelp met water
krijgt aangereikt (eerste bedrijf, vss. 273-322) een belangrijke inspiratiebron
bleek (cat. nrs. 4, 5, 33, 44, 46).
2
De herderlijke wereld in de Nederlandse literatuur bevat een scala
van elementen die behoren tot een internationaal stofcomplex. In de 16de eeuw
had de Italiaanse pastorale al een aantal motieven uit de klassieke literatuur
verenigd: de Vergiliaanse verheerlijking van de gelukkige herders, niet besmet
door het bedorven bestaan van de bewoners van stad en hof, en het verlangen
naar een ideaal, harmonisch leven (vaak gekoppeld aan het tijdvak van de
antieke Gouden Eeuw), gesitueerd in het idyllische geluksland Arcadië.
Verbeeldingen uit de Italiaanse literatuur vonden op hun beurt een weg (al of
niet via Frankrijk) naar het Noorden. Zo wordt ook in de poëzie van
protestantse Noorderlingen heidens-sensuele liefde voorgesteld en spoort de
herder zijn geliefde aan tot het plukken van de dag. De eigen gemoedstoestand
wordt ontleed in een literair landschap waarin het altijd lente of zomer is,
gestoffeerd met ruisende beekjes, lommerrijke bosschages en geurige bloemen,
toegewuifd door een zuidenwindje. Tegenover de klachten van de herder over een
verloren of onwillige geliefde staat vaak de zorg van het meisje, dat haar
kuisheid wil beschermen tegen de opdringerigheid van de minnaar; dit mondt soms
uit in een ware achtervolging. Hét overheersende thema is de
souvereiniteit van de liefde, terwijl de natuur de emoties bepaalt of
weerspiegelt en zo meer is dan decor.
3
In veel teksten waarin het liefdespaar is voorzien van bucolische
namen uit de klassieke of Italiaans-Franse traditie, is verder nauwelijks of
geen sprake van enige verbeelding van een herdersleven. Liederen en gedichten
waarin dit wel het geval is worden soms al in de titel aangeduid als
‘herdersklacht’, ‘herderslied’ of
‘pastorelle’, c. q. | | | | ‘pastorael’. De
expliciete verwijzingen naar een herderssituatie zijn dan in het algemeen
beperkt tot het noemen van de herdersstatus, de schaapjes die gehoed moeten
worden of enkele vaste herdersattributen, zoals een staf (van hazelaarshout),
een wollen of linnen jak en fluit of doedelzak (‘lullepijp’) van de
herder, en, zoals een enkele keer bij
Jan Harmensz Krul, een strohoed met rozenkrans van de
herderin.
4 De schapen worden soms
opgenomen binnen een algemenere thematiek van het erotische genre: de minnaar
die versmaad wordt omdat hij van lagere afkomst zou zijn of te arm is. Als de
beminde vindt dat de herder te weinig schaapjes heeft, dan moet zijn deugd deze
handicap opheffen.
5
In de eerste drukken van de door de Amsterdamse uitgever
Dirck Pietersz Pers op de markt gebrachte liedbundel
Den bloem-hof van de Nederlantsche ieught (1608,
1610) zijn voor het eerst enkele thematische en stilistische variaties van de
herdersliefde in liedvorm vertegenwoordigd.
6 Zoals in ‘Nieu
Liedt’, dat in de mond wordt gelegd van de boerse herder Coridon (afb.
42). Zijn lied zet als volgt in:
‘Op, mijn fluyt, wel op, wy willen
Met Menaelschen herder-sanck
Singhen onse Nimph te danck
Dat de bosschen daer af drillen:
Niemant draecht so trouwe min
Als ick tot mijn Velt-goddin.’
Elk couplet herhaalt de laatste twee regels, met uitzondering van
het slot. Immers, Coridon, die alle wereldse schatten niet zou willen ruilen
‘met mijne Lulle-pijp // Noch met mijne Fluyt’, vreest dat zijn
liefde onbeantwoord zal blijven. Hij hoopt dat andere vrijers uit de buurt van
een dergelijk weigerachtig meisje zullen blijven, wanneer hij op zijn graf laat
graveren:
‘Desen Herder is door min,
Omghebracht van zijn Goddin.’
7

42 ANONIEM
Herder die doedelzak
speelt
Uit:
Den Bloem-hof van de Nederlantsche Ieught.
Amsterdam 1608. Gravure
| | | |
In de latere bundel
Amstelsche linde (1627) van
Jan Harmensz Krul, de pastorale dichter bij uitstek,
treedt weer een Coridon op. Als hij zijn beminde wil imponeren door op zijn
omvangrijke veestapel te wijzen, wordt hij tamelijk resoluut door het
‘straffe’ meisje afgewezen. ‘Niet hoe veel, maar hoe
eel’ luidt haar repliek:
‘Coridon 't geen ghy mijn biet
Sal in minste my bekooren niet;
Liever een knaepje na mijn sin,
En een Schaepje vijf ses min.’
8
Kruls herders zijn vaak verliefd-belust op erotische geneugten en
soms speciaal geboeid door blote boezems. Dit laatste vormde ook een
aantrekkelijk schouwspel: in een andere bundel van Krul is bij bovengenoemd
gedicht een prent afgedrukt waarop de herder met weidse handgebaren probeert
het blootborstige herderinnetje te overreden (afb. 43).
9

43 ANONIEM
Herderin met schapen en
herder
Uit: J.H. Krul,
Eerlycke tytkorting. Afdeling
‘Minnelycke Sangh-Rympjes’. Haarlem 1634. Gravure
Zulke sensuele verlangens, opgewekt in een zinnenstrelend, idyllisch
bij zee en duin gesitueerd landschap, worden door
Krul onder andere beschreven in het volgende
‘Gezang’. De Natureingang is typisch voor het genre:
‘Wanneer de Son het morgen root
In 't oosten quam ontmoeten;
Lagh Phoebus in Auroraes schoot,
Om Zee en duyn te groeten,
Om Roos om Bloem om Violet,
Met Elst en linden dight beset,
Door zuyer koelt te buygen;
Om druppels die als Christalijn,
Op Roos en Bloem gedropen zijn,
Voor Nectar in te zuygen.
De versch ontloken dageraet
(Begroet van zuye vvinden)
Haer morgen-lichjes vallen laet
Op dight beblaede linden;
De Son in 't oosten op gestaen,
Speelt met zijn glans op groene blaen,
Van vvaer mijn Phillis dreef haer Vee
Tot op den Oever vande zee,
En bracke vvater stromen.
Haer Schaepjes aende vvater kant
Verquickten door 't verkoelen;
Mijn Phillis gaet tervvijl op strandt
Haer blanke voetjes spoelen;
En lobbert in het ruyschend nat
Dat haer tot aende middel spat,
Door drifjes opgevloghen;
Noyt soeter vreugt, noyt blijder dagh
Als toen ik vveer mijn Phillis sagh
Haer open boesem heel ontbloot
't Albaster vvit verdoofde;
Haer blancke kaekjes, bloosend root,
Auroor haer glans beroofde;
| | | |
Hoe graeghde mijn verliefde sin,
Na dit genot door soete min,
Doch dorst het niet betraghten;
Dies vvas de vreughde my een smert,
Een vreught voor 't oog, een pijn voor 't hert,
Een strijt voor mijn gedaghten.’
10
| |
De verliefde herder: miskenning van een roeping?
In één van de gedichten uit
Den bloem-hof, ‘Cupidos
school-ganck’, maken we de geboorte van de Nederlandse verliefde
literaire herder mee. Dit gedicht moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan
de jonge Leidse hoogleraar
Daniel Heinsius.
11
Herder Coridon vertelt hoe hij door het bos ronddoolde om er met
zijn ‘boersche Hardersanck’ ‘den soeten Voghel-sanck’
te imiteren. Daar ontmoette hij Venus die hem vroeg of hij haar zoontje
(Cupido) datgene zou willen leren zingen wat híj op de fluit kon spelen.
Het blijkt dan niet te gaan om nabootsing van de klank van de zoete vogelzang,
maar om inhoudelijke kennis. De herder…
T'gheen men hedendaechs noch vint
Van de Goden van haer leven
In ons Harder-boeck beschreven:
Hoe dat Pan op seven Biesen
Onghelijck met Was bepleckt
Die verscheyden toon elck bliesen,
Een nieuw deuntjen heeft verweckt;
Of de giften van de Bijen
Meer dan wijn ons mocht verblijen.’
12
Tot het ‘Harder-boeck’ en dus het zangrepertoire van de
herder behoorden kennelijk verhalen over het leven der goden, dus uit de
klassieke mythologie. Daarop volgend worden (in uitbreidende of toelichtende
zin) overleveringen genoemd die het landleven raken: de oorsprong van de
(veld)muziek en die van wijnbouw en bijenteelt. Alleen: Cupido heeft de lessen
van de herder niet willen leren. Hij heeft op zijn beurt Coridon zelfs zo
geïndoctrineerd dat deze voortaan alleen over liefde kan zingen,
‘t'gheen hy noyt en hadd' ghedacht’:
‘Nu heb ick het al vergheten,
Dat ick eertijts plach te weten.’
Het motief van de dichter die door Venus is aangesteld als
leermeester van Cupido en zelf in de ban komt van diens wijsjes, was in de
renaissance populair.
Heinsius verwerkte het al in 1601 in zijn voorrede tot
Quaeris quid sit amor, een bundel met
liefdesemblemen. Daarin beschrijft hij zijn eigen situatie in de vorm van een
mythologische verbeelding: hoe hij Cupido Nederlands moest leren (dat wil
zeggen: hoe hij Nederlandse liefdespoëzie schreef) en toen getroffen is
door één van diens pijlen, waardoor hij geheel voor de liefde is
gewonnen.
13
Wanneer men dit gedicht (zoals verschillende andere herdersdichten)
14 in verhuld-autobiografische zin opvat, dan zegt
Heinsius gewoon: ‘Vroeger hield ik me geleerd
bezig | | | | met klassieke teksten, maar nu ben ik ook al zo'n
liefdesdichter geworden’. Er is echter reden om
Heinsius' woorden anders uit te leggen, namelijk als
uitspraak over de verandering (en beperking) in thematiek die de aan herders in
de mond gelegde poëzie heeft getroffen, nu zij van leermeesters minnaars
zijn geworden. Men moet het gedicht dan bezien vanuit Heinsius' optiek, dat wil
zeggen in het perspectief van de klassieke literaire geschiedenis. Zijn lezers
hebben hierbij ook een bijbelse en een (Franse) volkstaaltraditie kunnen
betrekken.
| |
De wijze herder: leermeester in de kennis van de
natuur
In de
Poetica van
Scaliger (1561) wordt de poëzie van herders
voorgesteld als de oudste dichtkunst. Scaliger noemt onder meer de onderwerpen
die de herders eertijds bezongen. Ze zijn alle ontleend aan het leven met
elkaar en in de natuur, de werkzaamheden en feestelijkheden der seizoenen en
het hoeden van de kudden. De liefde vermeldt hij daarbij als eerste.
15
Volgens
Heinsius' Coridon bezongen herders vroeger echter niet
zozeer hun liefde voor een herderin, maar bevatte hun
‘Harder-boeck’ oude verhalen over de natuur. Doelde Heinsius
hiermee op de oude middelaarsfunctie die hij zelf toedacht aan de eerste
dichters, die nog in direct contact met de goden stonden en zo de mensheid
kennis van de kosmos bijbrachten?
16 In die interpretatie heeft Coridon dan inderdaad naderhand zijn
rol als moreel leidsman verloren.
Ook in de bijbelse oudheid werd de meest essentiële
poëzie, direct in dienst van God, gezongen door een herder die
Israëls koning zou worden, namelijk David. Het Oude
Testament voedde trouwens met vele voorbeelden de gedachte dat herders
historisch gezien edele voorouders hadden die bij uitstek in staat waren om
Gods natuur te lezen als Zijn (toen nog enige) Boek; dit waren de aartsvaders,
met wie God een direct verbond had gesloten. De Franse protestantse dichter
Saluste du Bartas formuleert dit duidelijk in zijn
scheppingsepos
La sepmaine (1578). Voordat hij aan het einde van
het boek over de derde scheppingsdag een op zijn beurt weer veel nagevolgde
imitatio geeft van
Horatius' tweede epode
Beatus ille, stelt hij de ‘Peres
venerables’ en enkele klassieke figuren tegenover de huidige heersers.
Noach, Mozes en Abraham brachten
het grootste deel van hun leven door als ‘laboureurs, ou bergers’,
net als later Griekse en Romeinse machthebbers op een gegeven moment het hof
verlieten voor het land.
17
Als
Vondel in 1612 zijn eerste toneelstuk
Het Pascha ofte de verlossinge Israels wt
Egijpten publiceert, waarin hij op vele plaatsen schatplichtig is
aan Du Bartas, dan opent hij zijn eerste toneel met Mozes, die zijn
‘wit-ghewolde zee’ (zijn schapen) hoedt op de met gras en bloemen
bedekte berg Horeb en de hem toevertrouwde kudde met vaderlijke zorg
toespreekt. Deze herderssituatie roept onmiddellijk de tegenstelling op
tussen het harmonische landleven en het door ambitie geplaagde hof, een
tegenstelling die, zoals direct zal blijken, in Franstalige herderspoëzie
al lang geliefd was:
‘Veel liever wilde ic hier een zoeten bloemkrans
plucken,
Als met de Nylsche kroon myn voorhooft prat omdrucken,
Gheen purper ruylden ick oft Koninclijc ghesmijd,
Met myn omgorden rock, myn herderlijck habijt,
Gheen wijnen liet ick in een goude schale ghieten,
Voor eenen koelen teugh gheschept wt dese vlieten,
Veel gragher wt myn mael smaeckt dese spijse grof,
Als al de leckernij vant Koninghlijcke Hof.’
18
| | | |
In Vondels spel treedt de herder Mozes op als een
prefiguratie van Christus, maar tevens kan hij als bijbels-historische
‘echte’ herder herkend worden als wijze leidsman.
Deze voorstelling van de wijze herder kon ook aansluiten bij een
literaire traditie in de Franse volkstaal.
19 Omstreeks het begin van de 15de eeuw werd immers in
Frankrijk het echte herdersbestaan verheven tot het morele ideaalbeeld van een
eenvoudige, harmonische samenleving, in schril contrast tot de politieke
machinaties aan het hof. In Franse teksten tekende zich dan ook een vast
literair patroon af van geïdealiseerde, maar wel herkenbare herders, in
landelijke vrolijkheid met elkaar feestvierend. Deze herders lijken nauwelijks
op die in de Italiaanse, anti-reële kunstverbeeldingen. In de Italiaanse
romans verwoorden de pastorale figuren vooral verheven gevoelens; in de drama's
van
Tasso en
Guarini zijn zij eigenlijk verklede hovelingen en berust
het gestileerde, geïdealiseerde herdersleven op een literaire fantasie
waarin zij hun eigen idealen over eer en trouw verbeelden. Daar krijgt de
liefde de absoluut centrale plaats, die zij in de middeleeuwse
‘boerse’ herdersliteratuur in Frankrijk (en Engeland) niet heeft.
In dezelfde tijd dat met name het herdersleven in Frankrijk symbool
was geworden van een gelukkig, harmonisch bestaan, was daar ook de rol van de
herder als een wijze morele instructeur vastgelegd. In de eerste plaats
was er een hele rij literaire herders opgetreden die het bestaan aan het hof of
in de stad uit eigen ervaring kende en dit bewust had verworpen. Als morele
leidslieden op de weg naar een goed leven bezaten de herders wijsheid
betreffende de essentie van het menselijk leven: wijsheid, gebaseerd op kennis
die zij dankzij het hun toegedachte natuurlijke verstand hadden verkregen. Zo'n
bekende wijze herdersfiguur was ook nog in de zeventiende eeuw de hoofdpersoon
van
Der schaepherders kalengier. In deze
oorspronkelijk in het Frans gepubliceerde praktische voorlichting over
‘zaken der natuur’ (waaronder astrologie) is een herder aan het
woord, ‘die gheen clerc en was, noch niet een A, voor een B, en kende,
maer alleene door syn natuerlijc verstant’ spreekt.
20
| |
Beatus ille: landman en herder
Juist in de teksten waar het voorgestelde herdersbestaan direct
geënt is op de geïdealiseerde werkelijkheid van het leven op het
land, raakt de tegenstelling tussen herders en hovelingen het klassieke
beatus ille-motief. Dit werd verwoord in
Horatius' beroemde tweede epode en
Vergilius' lof op het geluk der Italiaanse boeren aan
het eind van het tweede boek van de
Georgica.
21 Vanaf de 15de eeuw had men in de groeiende kritiek op de
ambitieuze en intrigerende hoveling het eenvoudig leven van de
landbewoners-in-het-algemeen als voorbeeldige tegenhanger opgevoerd. Naast de
specifieke volkstalige herderslof zette de literaire traditie van de lof op het
landleven, de laus ruris, begonnen in (Neo)latijnse teksten, vanaf het
midden van de 16de eeuw ook in de Franse volkstaal door.
22 In Nederland luidde Coornherts vertaling van de
beatus ille-epode aan het eind van de 16de en het begin van de 17de eeuw
een reeks navolgingen in, deze mede geïnspireerd door
Du Bartas.
23
Horatius had vooral de niet door stadse ambitie gestoorde
rust en het geluk van de landman bezongen. Met name in Schaghens bewerking, die
werd opgenomen in
Den Nederduytschen helicon (1610), ligt het
accent direct op de morele tegenstelling tussen het leven van de beatus
vir en dat van de ambitieuze hoveling
24:
‘Wel saligh duysentmaal is hy, die verr' gaat woonen
Van 'tburgerlijc gewoel: die wijs hem gaat
verschoonen,
Van 'tzwiergewuemel swart, des hoovlings, die verblind
Met staat-zucht heel beset, snackt na een hand vol wind.’
25
| | | |
Evenals vanouds in de herdersteksten wordt ook in de laus
ruris land en stad of hof tegenover elkaar gesteld. Lohmeier benadrukt in
haar studie over het beatus ille-ideaal in deze periode dat de
tegenstelling tussen de rust van het autonome individu tegenover de onrust en
slavernij van de door politiek-sociale intriges gebonden hoveling de
landlevenlof kenmerkt. In de herderslof zou (in haar visie wezenlijk anders)
echter een verschil tussen maatschappelijke levensvormen worden uitgedrukt.
26 Toch zien we de argumentatie
autonomie-slavernij gemakkelijk opgenomen worden in teksten waarin op de
‘realiteit’ geïnspireerde, geïdealiseerd-boerse herders
aan het woord zijn. Deze tegenstelling kon even gemakkelijk ook als een morele
tegenstelling geformuleerd worden. Dit gebeurde dan conform het stoïsche
individuele ethos betreffende het enige juiste ‘leven volgens de
natuur’, vrij van valse begeerten. Deze houding wordt gekenmerkt door het
inzicht dat er een natuurlijke, door God gewilde mate aan de menselijke
begeerten is gesteld, een mate die is bepaald door het bezit van de
noodzakelijke levensbehoeften. De Nederlandse ethici
Coornhert en
Spiegel hebben deze gedachten met nadruk geformuleerd.
27
Du Bartas maakte, zoals gezegd, geen principieel
onderscheid tussen de ‘laboureurs, ou bergers’ in het Oude
Testament.
28 Ook in zijn bewerking
van
Horatius' epode stond hem hierbij de zelf op het land
werkende landman voor ogen, maar nu in een situatie waarin men juist vaak
herders aantreft: slapend in een groene weide, die een kabbelend beekje
omzoomt.
29
De beatus ille in
Strande (1611) en
Binckhorst (1613) van
Philibert van Borsselen behoort daarentegen tot de
categorie van landheren, herenboeren, die zich op hun landgoed hebben
teruggetrokken, en zeker niet tot die van de in het zweet huns aanschijns
ploegende boeren. Wel wordt in deze zelfde tijd in sommige Nederlandse
literaire teksten ‘de boer’ aanzienlijk opgewaardeerd, als symbool
van de niet door waanwijsheid, maar door eigen ervaring gevormde, redelijke
mens.
30 Maar als sprekende
persoon opgevoerd in zowel lyriek als toneelteksten blijkt de literaire herder
(zonder vuile handen) voorlopig toch het patent te hebben op elegante
liefdesgevoelens én het zuivere inzicht in het eenvoudige, harmonische
leven. Dit geldt beslist niet voor de in het algemeen als weinig vergeestelijkt
voorgestelde aardse hoofdpersoon in boertige liederen en kluchten of kluchtige
scènes.
31
| |
De herder als religieus instructeur
Herders als instructeurs inzake de kennis van de natuur en de
voortreffelijkheid van een ‘natuurlijke’ levenswijze behandelen een
veel ruimer scala aan onderwerpen dan alleen de liefde in al zijn variaties,
hoewel natuurlijk de harmonische, vervulde liefde tussen de sexen wel als
essentieel element van het gelukkig leven wordt beschouwd. In de literaire
verbeeldingen van de Italiaanse pastorale poëzie, en daarna ook in Franse
herdersromans als de (ook in ons land populaire)
L'Astrée van
Honoré d'Urfé
32, wordt de liefde het alles overheersende thema. Had
Heinsius' Coridon gelijk en hebben ook de Nederlandse
literaire renaissance-herders hun opdracht vergeten? En dus ook: heeft de
herderspoëzie zijn ethische lading verloren?
Beziet men voor wat betreft de periode ca. 1600-1630 de Nederlandse
lyriek waarin herders aan het woord zijn of waarin over hen wordt gesproken,
dan blijkt de dichter
Jan Harmensz Krul wel de meest vruchtbare auteur binnen
dit genre te zijn. Hoewel hij een overvloed aan erotische pastorale poëzie
op zijn naam heeft staan, blijkt hij zich toch ook welbewust van de functie van
de herder als instructeur inzake essentiële inzichten, maar deze dan wel
duidelijk opgevat als kennis van Gods bedoelingen met de wereld. Tekenend
hiervoor is een gedicht in zijn
Wegh-wyser ter deughden, waarin een
‘ik’ hevig weent over het feit dat hij overal gebrek aan liefde
voor God constateert. Tevergeefs probeert deze | | | | ‘ik’ met
gedichten de mensheid tot deugd te brengen. Op een bijbehorende prent is een
knielende herder te zien, met zijn hand op zijn borst en zijn blik gericht naar
de hemel (afb. 44).

44 ANONIEM Illustratie bij J.H. Krul,
‘Weghwijzer ter deugden’, opgenomen in: Minne-spiegel ter
deughden. Amsterdam 1639. Gravure
Spreekt hier niet de pastorale dichter
Krul zelf, nu alleen als religieus herdersdichter?
33
Vóór Krul had
Carel van Mander de herders van Bethlehem,
zingend in de nacht van Christus' geboorte, een reeks liederen in de
mond gelegd over de geschiedenis van het joodse volk, die nu uitmondde in de
komst van ‘Davids zoon’ Christus, de Goede Herder zelf.
34 Het brengt de fraaie
aemulatio in herinnering die
Jacob Revius maakte van het beroemde lied van de herder
Daifilo uit Hoofts
Granida, gezongen als deze het herderinnetje
Dorilea zoekt.
35 Op de melodie van dit ‘Windeken daer het bosch af drilt’
worden in 17de-eeuwse liedboeken verschillende liederen getoonzet.
36 Als één van de herders van Bethlehem zingt Revius over
Gods geboorte:
‘Windeken wt het paradijs
Op mijn pijpken blaest den prijs
Door de bosschen, voor het wilt
Tkindeken daer de doot voor trilt.’
Als herder besluit hij met een oproep aan een ieder
‘die door afkeerlijckheyt
Wijckt van Godes heerlijckheyt
De christelijke herder zingt niet over wereldse liefde, maar over de
liefde van God voor de mensheid.
| |
Pastorale ethiek in liederen
De religieuze herderslyriek vormt echter een uiterst kleine
minderheid binnen het corpus herdersliederen. Het thema van verlangen naar en
genieten van wederliefde in een even bloemrijke natuur blijkt in het algemeen
nauwelijks ruimte te laten voor morele preoccupaties.
37 Toch is er in een aantal
herdersliedteksten wel sprake van argumentatie die niet alleen de liefde, maar
ook de visie op een gelukkige, natuurlijke levenswijze betreft. Deze lering is
dan meest vervat in de traditionele, al of niet uitvoerige lof op het
eenvoudige, zuivere herdersleven, in oppositie tot het op macht en rijkdom
beluste bestaan in de stad of aan het hof.
Nu blijken de liederen met deze (overigens niet altijd morele)
tegenstelling eigenlijk zeer vaak oorspronkelijk toneelliederen te zijn. Zo
vindt men het bekende lied van Granida, ‘Vaert wel scepters, Vaert wel,
vaert wel verheven thróónen’ (vss. 1521 e.v.) terug in de
afdeling ‘Morale of zeedelijcke liedekens’ van de bundel
Apollo of ghesang der musen (1615).
38 Dat het
inderdaad een lied is blijkt uit de melodie die hier is opgegeven: de bekende
wijze ‘Espritz qui souspirez’. Deze categorie, die alleen uit
toneelliederen bestaat, wordt duidelijk onderscheiden van de vier lichtvoetige
‘pastorelles’ die in de rest van de bundel voorkomen. In deze
‘pastorelles’ is het thema steeds vreugde om de geneugten van de
natuur of minnekozerij van herders. In de zojuist genoemde afdeling gaat het in
drie gevallen om een bewuste keuze voor het herders-, boeren- of landleven
(respectievelijk uit Costers
Ithys en
Polyxena en Hoofts
Granida), in het vierde en laatste geval wordt
alleen de | | | | ‘blinde lust’ van ‘het welich hof’
aan de kaak gesteld (een rei uit Hoofts
Theseus en Ariadne). Men ziet in deze bundel dus
een duidelijke tendens om alleen pastorale toneelliederen met moraal te
belasten.
Ook blijkt er in deze liederen geen onderscheid tussen lof van het
herders- en het boerenleven. In het lied ‘In armoed leef ick
onbenijdt’, dat in
Ithys begint als ‘In kleynheydt leef ick
onbenijt’, situeert een herderin het eenvoudige zorgeloze herdersleven,
dat zij nooit voor de rijkdom aan het hof zou willen ruilen, in een boerenhuis.
Het lied luidt:
‘In kleynheydt leef ick onbenijt,
Lof, lof, kleynicheydt, lof.
Een Hardertjen datter my vyerich vrijt,
't Kan zeden trots een in 't Hof.
Met zorgh en is hy niet gheplaecht,
Maer d'overvloedt hem als my mishaecht.
Want wat baetze? verzaetze?
Neen, haetze, want ze baert pyn.
Mijn Minnaers grove linde rock
Die misstaet hem oock niet,
Noch oock zyn staf, zyn hazere stock,
Hy is machtich, warachtich,
Noyt klachtich van zwaer verdriet.
In hem leeft noch de oude mensch
Daermen spottend' om lacht,
die 't gierich goudt derft, en heeft zyn wensch;
Niet hatich, maer batich,
En statich na Gods-dienst tracht.
Het Vee, de Schapen zyn zyn lust,
Met wiens wol hy hem dost,
En 't vroliick ghevoghelt dat nauweliicks rust
Wy raken licht aen de kost.
Zo rustich zyn wy; ja zo vroo,
'k Weet gheen meerder gheneucht,
Wy ruylden met onzen Koning al noo,
Want 's Hofs weelden vereelden,
Men teelden daer zelden vreucht.
Het vrolijck laghe Boeren huys
Ist kleyn, 't heeft wederom kleynder kruys
Bedroghen Hof vol van twist.
Geyl is 's Hofs liefd', oft alster wel gaet,
Is liefdes moeder 't ghewin,
Met t'zamen begeerte na grooter staet:
En zweeren een trouwen min.’
39
| | | |
In het lied uit
Polyxena wordt in de eerste regels direct
herinnerd aan Horatius' Beatus ille. Degenen die stad en hof vlieden
worden (evenals eerder bij
Schaghen) expliciet ‘wijs’ genoemd: ‘Wys
zijnse die 'r begheven // Wt weelderij der steden, en haer wenschen, // 'T
lucksalich boere leven’. Over de boer zelf, levend in gelukkige
gemoedsrust, wordt in dezelfde termen als die in het herderinnelied gezegd dat
hij zijn eenvoudige hut niet zou willen ruilen voor enig vorstelijk hof, waar
‘qua begeert, de ziel verheert’.
In de paar gevallen waarin de betreffende tegenstelling wel in losse
liederen voorkomt, gebeurt dit vaak óf in beatus ille-achtige
teksten óf in wat uitgebreidere, verhalende teksten over herders, waarin
deze zelf ook sprekend worden ingevoerd.
40 Het blijkt dat het noemen van de herdersuitdossing
meestal in dienst staat van precies deze argumentatie.
41 En juist in deze teksten vlechten
dichters ook graag verwijzingen naar herkenbare, bestaande lokaties én
naar een meer reëel-boers dan literair-herderlijk bestaan.
42
| |
Daniel Heinsius en
Jacob Cats
Het was (alweer)
Daniel Heinsius die de realistische toonzetting van
het Nederlandse herderslied begon, in het enige herdersgedicht in zijn bundel
Nederduytsche poemata van 1616,
‘Pastorael’. Dit is geïllustreerd met een gravure van
Crispijn de Passe I (afb. 45),

45 ANONIEM
Doedelzak spelende
herder
Uit: D. Heinsius, ‘Pastorael’, opgenomen in
Nederduytsche poemata. Amsterdam
1616. Gravure
waarop men in een landschap
met boerderijen een herder met een doedelzak ziet zitten naast zijn schapen aan
de oever van een rivier.
43 De verteller zet in met
een feitelijke plaatsbeschrijving:
‘Corydon die weyde schaepen
Vast aen 'twater van den Rijn
Daer de beste weyden sijn.’
Na twee strofen wordt de Katwijks-Leidse herder Corydon zelf een
lange klacht over zijn onbeantwoorde liefde voor herderin Phyllis in de mond
gelegd. In zijn beschrijving van zijn arbeids- en vrijageterrein, gesitueerd in
het gebied tussen Katwijk, Leiden en Den
Haag, is echter nog geen sprake van een oppositie tot het stadsleven.
Dit is wel ruimschoots het geval in twee eveneens boers-realistische teksten
van
Jacob Cats, ‘Hardersliet’ en
‘Harders-clachte’, gepubliceerd twee jaar na dit gedicht van
Heinsius.
44
Cats droeg de ‘Harders-clachte’ op aan
Catharina van Muylwijck. In een soort naschriftje gaf
hij aan uit welke plaats hij dit gedicht stuurde: ‘Ionck-vrou, ick
send’ u van Grijpskerck // Een Harders-clacht, een boere-werck’. De
tekst gaat vergezeld van een gravure, waarop verscholen achter de
‘Munnickenhof’, Cats' toenmalige buitenplaats te
Grijpskerke nabij Middelburg, een herder (de
dichter?) zich met zijn schapen binnen de ommuring ophoudt (afb. 46).

46 ANONIEM Illustratie bij
‘Harders-clachte’. Opgenomen, achter:
Maechden-plicht. Middelburg
1618. Gravure
Het ‘Hardersliet’ wordt na een inleidende
narratio in de mond gelegd van een Zeeuwse herderin (Phyllis); de herder
(Daphnis) uit zijn klacht eveneens na een vertellende inleiding van de auteur.
Beiden hebben hun geliefden verloren aan de verlokkingen van het stadsleven in
Domburg.
Cats neemt vooral in de tweede tekst uitgebreid de
gelegenheid waar om de onschuld, eenvoud, rust en tevredenheid van het
boerachtige herdersleven in morele oppositie te stellen tot het bedrog, de
begeerten en onrust van het stadsbestaan. Daphnis zoekt rijkdom in zijn vee,
ploeg en bijen, ver van de stadse weelde waarvan de steelui nooit genoeg
hebben. In zijn simpelheid legt hij het wel bij Galathea af tegenover zijn
geraffineerde stadsrivalen, maar hij is als herder in geen geval een
lachwekkende figuur. Hij lijkt dus niet op de komische boeren in kluchtige
teksten.
45
In 1627 verschijnen het lied en de klacht opnieuw, in een omgewerkte
versie | | | | bijgebonden in
Cats'
Proteus ofte minnebeelden verandert in
sinnebeelden. Het lied heet nu ‘Harders-liedt’, de
klacht heeft de titel ‘Galathea, of herders-minneklacht’ gekregen.
46 In deze laatste, zeer uitgebreide tekst heeft Daphnis
veel van zijn Zeeuws-boerse karakteristieken verloren en is hij ook minder te
identificeren met de dichter. Eerst was zijn klacht nauwkeurig gelokaliseerd,
namelijk bij een (Cats') hoeve ten zuiden van Grijpskerke, met een boomgaard,
een doolhof, notenbomen en een doornhaag. De herder heeft zijn geliefde echte
boerencadeautjes gegeven, zoals verse roomkaas, paling en snoek, mosselen
‘van Dyshouck’ (in de buurt van het Zeeuwse plaatsje
Koudekerke, net onder Middelburg), een fazant en
‘vruchten van ons eyghen lant’. In de latere versie brengt Cats
deze geschenken meer in een algemene herderssfeer: dan geeft Daphnis een
bloementuiltje, een kransje, een roos, maar ook een kievitsei en een
honingraat.
Aan Cats' lied en klacht gaat in de Proteus-editie van 1627
een paginagrote titelprent vooraf met vele landelijke attributen en
verwijzingen (afb. 47);

47 ANONIEM Titelprent van J. Cats,
‘Galathee’, in:
Proteus ofte minnebeelden verandert in
sinnebeelden. Rotterdam 1627. Gravure
het ‘Harders-liedt’ krijgt daarbij nog een
eigen, aantrekkelijke illustratie (afb. 48).
48 ANONIEM Titelprent van J. Cats,
‘Harders-liedt’, in:
Proteus ofte minnebeelden verandert in
sinnebeelden. Rotterdam 1627. Gravure
Deze afbeelding is direct
geïnspireerd op de prent in Carel van Manders vertaling van
Vergilius'
Georgica (boek 3) uit 1597. Enkele kleinere
prenten, sommige met pastorale onderwerpen, komen verspreid over de tekst voor.
Cats' trouwe illustrator,
Adriaen van de Venne, maakte de ontwerpen.
Ook in enkele verhalende liederen van
Krul spreken herders hun afkeer uit van ‘steedse
pronckery’, die slechts onrust in het gemoed geeft.
47 Ondanks de enkele uitzonderingen
blijken herders in ‘losse’ liederen echter allereerst lyrische
minnaars zonder moraliserende ambitie. Niet de pastorale lyriek, maar het drama
waarin herders optreden, blijkt dan ook het geëigende genre om een
pastorale ethiek uit te dragen. In zulke toneelteksten wordt bijna altijd een
plaats ingeruimd voor zang; die kan dan zowel de bekende erotische thematiek
dienen als juist ook het uitwerken van morele levenslessen.
| | | | | |
Herders in toneelteksten 1600-1650
In de periode tot ca. 1650 verschijnt er een aantal Nederlandse
toneelteksten waarin herders een enigszins substantiële rol spelen, maar
groot is dit corpus niet. Soms, zoals bij
Krul, blijkt het herdersvolk dan ook nog van huis uit
prinsen en prinsessen te zijn. Na 1650 worden toneelherders helemaal zeldzame
vogels.
Afgezien van enkele stukken die hoofdzakelijk slechts door de
namen der hoofdpersonen pastoraal zijn gekleurd, spelen er naast de bewerkingen
van
Guarini's
Il pastor fido (waarvan die van Th. Rodenburgh de
eerste was)
48 maar enkele oorspronkelijk Nederlandse stukken geheel
onder herders. Allereerst het ‘Pastorel bly-eyndt-spel’
Celion en Bellinde (1639) van Krul, naar een
verhaal uit
L'Astrée.
49 Krul
volgt zijn voorbeeld precies: liefdesverwikkelingen, liefdessmart en
liefdestriomf in een idyllische natuur, zonder specifieke moralisatie.
50
Het andere complete herdersspel voegt zich helemaal in de
aristocratisch-literaire traditie van Guarini, compleet met satyrs, tovenares,
verliefde herders, liedjes en spelletjes. Het is een stuk van de verder
nauwelijks bekende
Johan Beets:
Daphne, of boschvryagie (in 1668 posthuum
uitgegeven, maar daterend van veel vroeger).
51 Het
spel
Herdersche ongestadicheyt van de Antwerpse
rederijker
F.C. de Conincq (1638) is al even weinig moraliserend. Ook
hier romaneske liefdesverwikkelingen onder elegante, wellevende herders, nu in
woorden en gevoelens in contrast tot een boertig sprekend en reagerend
boerenpaar (moeder en zoon).
52
Vondels in 1647 geschreven ‘lantspel’
Leeuwendalers is, ondanks motiefontleningen aan
Guarini, geen herdersspel, maar een spel over oud-Hollandse landlieden (zoals
ook bij
Rodenburgh). Na veel bekommernissen kunnen deze eindelijk
in harmonische vrede leven, dankzij het huwelijk van twee geliefden. Ook in dit
spel vindt men geen of nauwelijks expliciete moralisatie.
Er blijft dan alleen nog een aantal spelen over, waarin herders
optreden naast representanten van het hof, en als zodanig in feite ook steeds
in oppositie tot het hof. Juist in deze stukken wordt dan ook de pastorale
oppositie-ethiek verwoord. Tot de belangrijkste behoort natuurlijk in de eerste
plaats Hoofts
Granida (1605), gevolgd door Costers
Ithys (van vóór 1615). Als
Hooft en
Coster hun toneelproduktie hebben gestaakt, doet
Krul op zijn beurt met een indrukwekkend aantal spelen een
gooi naar een klinkende toneelreputatie, die binnen de
‘Eglentier’ die van Rodenburgh zou moeten evenaren. In
de helft van zijn twaalf oorspronkelijke stukken wordt het herdersleven op het
toneel gevoerd. In vijf van die zes, alle uit de periode 1623-1634 (vanaf zijn
toneeldebuut met
Diana tot en met zijn
‘Musijck-Kamer’-experiment (1634)), worden land en hof duidelijk
tegenover elkaar gesteld. Hiernaast spelen herders nog bijrollen in enkele
stukken van andere auteurs, maar binnen de enorme toneelproduktie van deze
periode neemt het corpus maar een heel bescheiden plaats in.
| |
Bijbelse toneelherders
Opvallend is de functie van de herders die een klein rolletje
spelen in twee bijbelse stukken van
Abraham de Koningh, op hetzelfde toneel als waarop
Vondels
Pascha in première ging. In
Jephthahs ende zijn eenighe dochters treurspel
(1615) ontmoet Jephthahs dochter MirIa op een problematisch moment een herder.
Ze dwaalt dan klagend over het veld, waar ze zich moet voorbereiden op de haar
toegezegde dood, het gevolg van de onberaden belofte die haar vader aan God
heeft gedaan. De wijze herder zingt (als een andere David) Gods lof en vertelt
hoe hij zelf gehoorzaamheid leert als hij naar zijn schapen kijkt, en
zelfkennis krijgt wanneer hij zijn leven beziet. Dan laat hij MirIa inzien | | | | dat
Gods geheime besluiten nooit aangetast kunnen worden. Het meisje legt zich
hierop dan bij Gods wil neer.
53 In het andere stuk,
Hagars vluchte ende weder-komste (1616), vindt
een ontmoeting tussen de hoofdpersoon en enkele herders ook weer plaats op een
moment vóór inkeer.
54 Abrahams dienstmaagd Hagar is uit Abrahams tent verdreven,
nadat zij tegenover Sara had gepocht op haar vruchtbaarheid. Nadat ze
vertwijfeld in het bos heeft rondgedoold en dan in slaap is gevallen, wordt ze
opgevangen door twee herderinnen. Deze zingen om beurten een lied over
‘'t boersche herder-leven’, met als thema het bekende contrast
tussen hof en land, of wel: zielerust tegenover haat en hovaardij. In de
volgende scène ziet Hagar in dat haar eigen hoogmoed haar in deze staat
gebracht heeft. In beide gevallen is dus de wijsheid die de herders bieden een
soort katalysator om het juiste inzicht te verkrijgen.
| |
De gelouterde liefhebbende herder en pastorale ethiek in
Hoofts Granida
De jeugdige dichter
Pieter Cornelisz Hooft dramatiseerde in zijn spel
Granida (1605, voor het eerst gepubliceerd in
1615) op een uiterst creatieve wijze zowel de pastorale thematiek van de
liefhebbende herder als die van de tegenstelling tussen herdersleven en stad of
hof.
De hoofdpersoon in Hoofts spel, de herder Daifilo, maakt al in het
eerste bedrijf een opmerkelijke karakterontwikkeling door. In het begin is hij
in zijn pogingen om het herderinnetje Dorilea over te halen tot een vrijage,
nog slechts gericht op aardse erotiek. Dorilea is echter niet gevoelig voor
zijn argumenten en wijst, zoals zoveel van haar literaire lotgenoten, deze
toenaderingen af: herders zijn volgens haar trouweloos in de liefde. Als
Daifilo daarentegen prinses Granida ontmoet, die in hem de edele deugd van de
onbedorven natuurmens herkent, ontpopt hij zich als een literaire hoofse herder
in de zin van Guarini's
Il pastor fido. Onder elkaars invloed wordt hij
een ideale vorst en ervaren zij beiden wat de ware zuivere liefde is. Deze gaat
de louter zintuiglijke geneugten te boven omdat zij zich verbindt met een
wederzijdse geestelijke zieleliefde.
In
Granida wordt de tegenstelling tussen hof en land
verscheidene malen verwoord, maar er is geen sprake van een
streng-veroordelende morele oppositie. Alleen het herderinnetje Dorilea
spreekt een morele afkeer uit over de loze schijn van het hofleven, als ze,
overigens wel uit eigenbelang, Daifilo ervan probeert te weerhouden om Granida
naar het hof te volgen.
Granida benijdt de herders hun natuurlijk, harmonisch en tevreden
bestaan (‘Ghij vollicht de natuir, wij sien haer over 't
hóóft’, vs. 308), en zij looft vooral de lieflijke
schoonheid van het natuurlijke. Dit geldt ook voor het al eerder genoemde lied
dat zij zingt als de gelieven (tijdelijk) naar het land zijn gevlucht:
‘Vaert wel scepters, Vaert wel’. Hoewel zij het hof karakteriseert
als een plaats waar men in drukkende slavendienst staat van ijdele macht,
veroordeelt ze het leven daar niet categorisch als onethisch. Het is toch
vooral de verkwikking van haar vermoeide geest, naast Daifilo, die ze begeert.
Voor de onrust van het hof kiest zij een eenvoudige en intense rust in de
natuur, die haar met zijn bedauwde bloemen, schaduwrijke bomen en vrolijke
vogeltjes het grootste genot schenkt. In deze pastorale omgeving hoopt zij zich
aan de liefde te kunnen overgeven:
‘Vaert wel scepters, Vaert wel, vaert wel verheven
thróónen,
Verheven soo, dat mij van uwe steylheit ijst,
Vaertwel dwingend gewaedt, en al te swaere
cróónen,
Afgoden die met windt uw ijdle dienaers spijst.
Uw ijdle dienaers ghij duisenderleye noot,, breyt,
Door uw beloften loos die ghij soo qualijck houdt,
| | | |
Want sij, besietmen 't wel, verkleenen inde grootheit,
Slaven in d'heerschappij, verarmen in het goudt.
Een laeghe'en diepe rust mij beter mach verquicken
Die mij te saemen smelt met een lief ander-Ick:
Ick laet u warrich hof, en kies voor soo veel stricken,
Een al veel strenger, maer Och hoe veel soeter strick!
Bedauwde bloemkens versch, en ghij bloosende
róósen
Die uwen mantel groen nu effen open doet,
Welcoom, en danck dat ghij verquickt mijn
amelóósen,
En afgepijnden geest met uwen aesem soet.
O boomen schaduw-mildt, ootmoedelijck laet daelen
Uw nijgend hooft als ghij 't eerwaerdich aenschijn siet,
Vrolijcke vogeltjens, die nu 't begint te daeghen,
Met wtgelaeten sang het stille woudt ontrust,
Ghij nachtegael voor heen, vlied wt de bootschap draeghen,
Dat hij sich haest, jck wacht alhier mijn lieve lust.’
55
Toch zullen uiteindelijk de twee geliefden, als in hun huwelijk
‘Liefde en Min aen een vertuyt’ zijn en Daifilo tot de koninklijke
waardigheid is verheven, in het hof samenleven.
Het spel heeft zich op de Schouwburg van
Van Campen met veel succes gehandhaafd: na een
herpremière in 1642 werd het tot 1663 bijna ieder jaar in het repertoire
opgenomen. Colevelts lied ’Granidas klaegelijcke begeeringh’ in de
Amsterdamsche Pegasus is direct op dit stuk
geïnspireerd en zou heel goed op de plaats van ‘Vaert wel
scepters’ gezongen kunnen worden. Overigens is hierin nauwelijks ruimte
voor esthetisch natuurverlangen; alle accent ligt op Granida's liefde voor
Daifilo.
56
| |
Pastorale ethiek in Costers
Ithys
Samuel Costers
Ithys (1615) is geheel gewijd aan het verschil
tussen twee levenswijzen, natuurlijk tegenover onnatuurlijk, voorgesteld vanuit
een andere filosofische visie dan die van
Hooft.
57 Bij Hooft speelt
alleen de eerste scène - die met Daifilo en Dorilea - uitsluitend onder
herders; bij
Coster worden scènes met louter herders steeds
afgewisseld met scènes aan het Thracische hof.
58 Weliswaar vindt tweemaal een
ontmoeting plaats tussen vertegenwoordigers van het hof en de herderswereld,
toch worden beide levensgebieden nu duidelijk als absoluut verschillend in een
morele oppositie tegenover elkaar gesteld.
Costers voorstelling van het herdersleven is realistischer dan die
van
Hooft en lijkt direct aan te sluiten bij die in de
Franse volkstaaltraditie, die het beatus ille-motief zo gemakkelijk kon
opnemen. Juist ook bij hem krijgen de herders en herderinnen een belangrijke
rol als morele instructeurs toebedeeld. Zo opent het herderinnetje Caralena het
eerste bedrijf met een beschouwing over de matigende functie van wetten,
gehanteerd door een godvruchtige, niet veinzende vorst. Net zo dankt herder
Tityrus in
Vergilius' eerste ecloga Augustus voor het vredig
geluk dat hij zijn onderdanen heeft geschonken. Wel is dit de enige passage
waarin herders een algemeen politiek terrein betreden, maar als introductie van
het herdersperspectief vertegenwoordigt deze toch een brede visie op de
herder-als-wijze. In de rest van het spel beperkt de herderswijsheid zich tot
een ethiek over het natuurlijke wel-leven, waarin men met een zuiver gemoed
rijk is, tegenover het voortdurend door mateloze begeerten en dus angst
gekwelde hof, waar overvloed slechts onrust baart. In Costers stuk gebeurt dit
veel uitvoeriger en genuanceerder dan in andere | | | | contemporaine
stukken, door middel van beschouwingen en liederen door de herders zelf
geformuleerd. De oppositie tussen natuur en on-natuur dient bij Coster namelijk
duidelijk een stoïsche gedragsmoraal:
‘De pracht en maeckt geen weeld, noch geeft geen goet
genoegen,
Maer die noecht, die wel ken zijn zin na 't noodich voegen:
Die mensch is rijck: dus leyt gemoets gemack en rust
In 't teghenstaen van onverzadelijcke lust.
Zo zijn noch op het Landt veel slecht verachte Boeren,
Die door natuur, en niet door leer, sulck leven voeren.’
59
Ithys had minder succes dan
Granida, maar kwam op de Amsterdamse Schouwburg
toch nog tienmaal op het toneel.
| |
Pastorale ethiek in de herdersspelen van
Krul
De vijf spelen-met-herders én hovelingen van
Jan Harmensz Krul vormen weer een hoofdstuk apart, met
steeds eenzelfde patroon vol variaties, gelardeerd met muziek en liedjes, in
vrolijk herderlijk samenzijn gezongen.
60 Het gaat steeds om gecompliceerde liefdes- en
avonturenverhalen waarbij in vier van de vijf stukken vorsten en hovelingen in
vurige liefde ontbranden voor herderinnen of (als het om prinsessen gaat) voor
herders. Steevast willen ze alle attributen van de wereldse macht opgeven voor
een eenvoudig landleven, aan de zijde van hun beminde. Zoals al werd aangegeven
blijken die herderinnen en herders zo nu en dan eigenlijk incognito- of
vondeling-hovelingen te zijn. Alleen in
Cloris en Philida (cf. afb. 49)

49 ANONIEM Illustratie in:
Pastorel bly-eyndend-spel, van Cloris en
Philida. Amsterdam 1634. Gravure
en
Faustina verlieven een hoveling, respectievelijk
een vorst zich op een onbezoedelde echte herderin. Zuivere liefde en geile
hartstocht werden graag door Krul tegenover elkaar gesteld, waarbij elke poging
tot ‘het boeten van vleselijke lust’ buiten het huwelijk als onkuis
gold.
61
De meeste door
Krul toegepaste motieven vindt men reeds bij elkaar in
zijn eerste spel,
Diana, waarmee hij in 1623 zijn naam als
toneeldichter vestigde; zijn latere stukken variëren hierop. De
tegenstelling tussen hof- en herdersleven wordt meestal vrij stereotiep en niet
duidelijk als morele tegenstelling geformuleerd in termen van slavernij aan het
hof tegenover zorgeloos geluk op het land. Alleen in
Faustina treedt voor het eerst een kuise herderin
op die in haar lof op de eenvoud van het herdersleven blijk geeft van een
weloverwogen godsdienstige instelling: in weelde en geluk is het moeilijker om
God te dienen dan in simpele omstandigheden. Koning Constantinus ontsteekt in
liefde voor haar, niet alleen wegens haar deugd, maar ook om haar schrandere en
lieflijke ‘reden kavelingh’ die hem veel meer behaagt dan welke
geleerde tong ook. Na veel verwikkelingen wordt de deugdzame Faustina, het
toonbeeld van kuisheid en trouw, beloond met een wettig huwelijk met de vorst.
Van diens eerste voornemen om als herder met haar op het land te leven komt dan
overigens niets meer. In Kruls
Minne-spiegel ter deughden (1639) wordt de
geschiedenis van Faustina nog eens in een paar gedichten voorgesteld als
voorbeeld van de overwinning van de kuise deugd. Het lied met zijn
pastoraal-ethische lading dat Faustina in het derde bedrijf zingt, is ook (in
verkorte vorm) in deze bundel opgenomen.
62
Het moge duidelijk zijn dat het herdersleven door
Krul met de bekende pastorale ethiek wordt opgeladen.
Wel zit de motivatie om het herdersleven boven dat van het hof te stellen niet
zozeer in filosofisch gegronde, morele overwegingen als wel in een grote liefde
voor een vertegenwoordiger van de herdersstand, of eventueel in verlangens van
de door zorg geplaagde hoveling naar rust en harmonie. Waar de herders bij
Coster voor een filosofisch onderbouwde levensinstelling
stonden (het ‘volgen der natuur’ is in
Ithys een | | | | door God ingestelde
natuurwet), vertegenwoordigen ze bij
Krul vooral een ‘romantische’ vluchthaven.
Alleen
Faustina vormt misschien een uitzondering. De
hoofdpersoon is nu inderdaad een wijze herderin, die uit ervaring weet dat
tevreden zijn met ‘genoeg’ meer geluk geeft dan de onverzadigbare
lust van degene die steeds meer wil hebben. Krul heeft overigens in latere
edities van zijn
Diana passages over de ‘slavernij’
aan het hof weggewerkt, evenals een bespiegeling over de ‘rijke
arme’, de ‘aldervernoeghste mens’, die ‘in
kleynigheyd’ kan leven ‘na [sijn] wensch’.
63 Hij heeft dan
zelfs een passage ingevoegd waarin de wijze herder-prins Floriaen, die toch
overtuigd is van de vergankelijkheid van rijke hoven, nu juist klaagt over het
feit dat hij vernederd is tot een herdersbestaan.
64
| |
De traditie van Krul
Krul heeft met dit expansieve pastorale oeuvre
slechts een bescheiden trend gezet. Uit de periode voor 1638 weten we alleen
van opvoeringen van
Diana en van
Juliana en Claudiaen, daarna worden op de
Amsterdamse Schouwburg alleen
Celion en Bellinde en het kassucces
Diana gespeeld.
65 In dezelfde romanesk-pastorale traditie opgezet
zijn M.P. Voskuyls spel van
Dorastus en Faunia (1637), Jan Zoets
Clorinde en Dambise (1640) en Barend Fonteyns
Romilius en Pelagia (1644). Alleen deze twee
laatste stukken zouden worden opgevoerd. In het spel van
Zoet vindt men weer een herinnering aan de bekende claus
van Granida. Prins Dambise raakt zo onder de bekoring van herderin Clorinde dat
ook hij zich in herderskledij aan haar zijde schaart, en uitroept:
‘Vaert wel verheven Throon en keyserlycke pracht,
Vaert wel ghy hoofse stoet, vaert wel ghepronckte dracht
Van purper en van gouwt, ick ga u nu verlaten
Om veyle needrigheydt voor d'onrust aen te vaten.
De Cepter ruyl ick voor een haselaren stock
En 't Prinselycke kleet, voor dese linden rock.’
66
Dit is de oppositie in de meest conventionele termen. Bij
Fonteyn is voor expliciete lering echter nauwelijks
plaats ingeruimd.
67 De wat versleten geraakte pastorale toneelmode met zijn obligaat
geworden ethiek zal direct na deze periode nog een keer opleven in de
Koninglyke harderin Aspasia, een (waarschijnlijk
van 1644 daterend) spel dat in 1656 in de Amsterdamse Schouwburg in
première ging en tot 1671 nogal wat succes had. De auteur was
Jacob Cats, die hiervoor een verhaal uit zijn
Trouw-ring dramatiseerde. Herderin Aspasia kiest
het hof boven de liefde van een herder, maar de herder kiest bewust voor het
landleven boven het hof. In de romaneske intrige met spokerijen en gekonkel aan
het hof is ook hier weer plaats voor de bekende bespiegelingen over de
tegenstelling tussen hof en land. Er komt zelfs nog een wijze oude herder in
voor, die heel verstandig tovenarij afwijst en gehoorzaamheid aan de besluiten
van de hemel (namelijk dat Aspasia met een koning zal trouwen) bepleit. Men
heeft wel het satirische en zelfs parodiërende karakter van dit spel
benadrukt
68, maar na een nieuwe analyse
is het terecht in een, zeker niet-parodiërende, pastorale traditie
geplaatst.
69 Mede borg voor het toneelsucces stond mogelijk het geheel
aan spokerij gewijde tweede bedrijf, dat bij opvoering veel mogelijkheden bood
voor spektakel. Dit gold dan waarschijnlijk ook voor de in latere edities van
Kruls
Diana ingelaste spookscène.
| | | |
| |
De herder in enkele Nederlandse emblemen
Tot slot enkele voorbeelden van herderlijke verwijzingen binnen de
Nederlandse emblematiek.
70 Het blijkt dat herdersvoorstellingen bij
Vondel,
Schoonhovius en
Van Veen volstrekt uiteenlopende duidingen hebben
gekregen. In 1613 nam Vondel in zijn
Gulden winckel der konstlievende Nederlanders een
embleemprent op van een herder, die een zeer speciale rol vervult. Hij tekent
met zijn herdersstaf de schaduw van een van zijn schapen in het zand (afb. 50).

50 ANONIEM Illustratie in: J. van den
Vondel,
Gulden winckel der konstlievende
Nederlanders. Amsterdam 1613. Gravure
Het is een zeer vroege uitbeelding van de uitvinding van de tekenkunst die in
verband is gebracht met een legendarisch geworden periode in de
levensbeschrijving van Giotto: volgens de overlevering werd het talent van deze
Italiaanse schilder ontdekt toen iemand zag hoe hij als herdersknaapje
tekeningen van schapen maakte. In het bijschrift prijst Vondel de kracht en de
schoonheid van de schilderkunst.
71
Een op het eerste gezicht wat wonderlijke ‘herderlijke’
prent komt voor in
Florentius Schoonhovius,
Emblemata partim moralia partim etiam civilia
(afb. 51).

51 ANONIEM Illustratie in: Florentius
Schoonhovius,
Emblemata partim moralia partim etiam
civilia. Gouda 1618. Gravure
Afgebeeld is de cycloop Polyphemus die met een knuppel in zijn hand,
hoog in een landschap, toeziet op zijn grazende kudde. De auteur baseerde zich
hiervoor op het slot van het negende boek van
Homerus'
Odyssee (vss. 415-566). De cycloop,
‘hoedend de wollige schapen’, houdt Odysseus met zijn gezellen
gevangen maar die weten hem met een list te misleiden. Het embleem draagt als
motto ‘Pestis regni Rex sine prudentia’ en Schoonhovius betrekt de
prent in het verklarend gedicht en prozacommentaar dan ook op de noodzaak voor
een regering om, wil ze niet tekort schieten in haar taak, weloverwogen te werk
te gaan.
72
De Deventenaar
Jan van der Veen verwerkte in zijn
Zinne-beelden, oft Adams appel een
doedelzakspelende herder tot embleem, maar deze doedelzak krijgt een toepassing
die geheel en al buiten de herderlijke wereld ligt (afb. 52).

52 ANONIEM
Herder met doedelzak
uit: Jan van der Veen,
Zinnebeelden, oft Adams appel. Amsterdam
1642. Gravure
Centraal staat de
functie van de lucht: het instrument blijft zonder lucht geluidloos, maar
brengt wanneer er eenmaal lucht in zit, een oorverdovend geluid voort. Van der
Veen acht daarom een vergelijking van de doedelzak (ook wel Moezel genoemd) met
het drankgebruik van bepaalde lieden op zijn plaats. Want, zo redeneert hij,
hoe groot is niet de invloed van wijn op mensen die gewoonlijk zeer stil zijn.
Wanneer zij flink wat ingenomen hebben, zullen zelfs zij vrijelijk gaan
spreken; meestal te vrijelijk en daarom moeten ze oppassen zich geen bijnaam op
de hals te halen:
‘De Sak-pijp van-gelijk en geeft ook geen geluyt,
Voor datmen blaas vol vvindt zyn Schaape-leeren huyt,
Dies speent u svvijgers, of men sal u Sak-pijp heeten.’
73
| |
Conclusie
De herders in de Nederlandse lyriek van de renaissance blijken
vrij algemeen in de fuik van de erotische liefde te zijn gevangen. De
minnekozende gezellen van
Heinsius' Coridon blijven nog geruime tijd met name de
liedboeken bevolken. Vooral in de verhalende teksten met een enigszins
realistisch-boerse setting is bij een liefdesklacht of een
wervingspoging soms enige marginale ruimte voor een ethiek betreffende het
natuurlijk wel-leven, waarop herders in verschillend literair-historisch
perspectief nu juist het patent hadden. Op het toneel worden herders praktisch
altijd gekenmerkt door ongecompliceerde eenvoud van liefdesgevoelens, vooral
bij
Krul expliciet gepaard aan kuisheid, en door gelukkige
tevredenheid met de nederige staat in de natuur. Alleen in enkele vroege spelen
treden zij op als wijze leermeesters in ruime (godsdienstig-moreel of, zoals
bij
Coster, maatschappelijke) zin. De toneelverbeelding
dient in het algemeen een pastorale ethiek van beperkte reikwijdte. Bij
Hooft en
Coster nog ingebed in een | | | | filosofische
visie op de grondslag van een ideale levenswijze, wordt hij onder de handen van
Krul en de zijnen toch niet zoveel meer dan een
obligate escapistische moraal, waarvan het publiek kennelijk ook gauw genoeg
kreeg. Wat er dan omstreeks de eeuwwisseling met de herderspoëzie gebeurt,
wanneer dichters als
Schermer en
Wellekens gaan optreden, is een ander verhaal. Het
onderzoek hiernaar zal echter ook rekening moeten houden met de literaire
wortels in eigen bodem.
74
|
*Dit hoofdstuk is een omgewerkte en
uitgebreide versie van een eerder gepubliceerd artikel van Mieke B. Smits-Veldt
in De nieuwe taalgids 82 (1989), p. 385-401.
1Over de ontwikkeling in (deels
renaissancistische) thematiek en vormgeving van de eerste liedboeken: A.
Keersmaekers, ‘Drie Amsterdamse liedboeken 1602-1615. Doorbraak
van de renaissance’, in De nieuwe taalgids 74 (1981), p.
121-133; A.A. Keersmaekers,
Wandelend in Den nieuwen lust-hof. Studie over een
Amsterdams liedboek 1602-(1604)-1607-(1610). Nijmegen 1985. Over
het jeugdig publiek en de maatschappelijke functie van deze bundels: E.K.
Grootes, ‘Het jeugdig publiek van de “nieuwe
liedboeken” in het eerste kwart van de zeventiende eeuw’,
in Het woord aan de lezer. Zeven literatuur-historische verkenningen onder
redactie van W. van den Berg en J. Stouten. Groningen 1987, p. 72-88; M.
Spies, ‘Zoals de ouden zongen, lazen de jongen. Over de overgang
van zang- naar leescultuur in de eerste helft van de zeventiende
eeuw’, ibid., p. 89-109.
2Vgl. Kettering 1983, p. 189-191
(‘Representations of Granida’). Daarnaast was een
scène uit het vijfde bedrijf geliefd, natuurlijk die waarin Daifilo zijn
geliefde in zijn armen houdt en maar nauwelijks kan geloven wat hem overkomt:
‘Mijn Son die boven d'ander claer is,
Ick houd' u in mijn arm, en twijfel oft waer is.’
In de studie van Kettering vindt men ook een eerste overzicht
van de Nederlandse pastorale literatuur in de 17de eeuw.
3Cf. onder andere L. Rens, ‘Het
pastorale element in “Granida” en in Costers
“Ithys”’, in Uyt liefde geschreven. Studies over
Hooft. Groningen 1981, p. 149-161.
4J.H. Krul, ‘Pastorael’, in
Amstelsche linde. Ofte 't hof der nimphen.
Opgenomen achter Kruls
Wereldt-hatende noodtsaeckelijck. Amsteldam,
J. Aertsz. Calom, 1627, p. 267-283. Zie voor verbeeldingen van een
herderssituatie in de Nederlandse beeldende kunst van deze periode, in relatie
tot literaire voorbeelden: Kettering 1983.
5Bijvoorbeeld ‘Herder lieden’, in
Den bloem-hof van de Nederlantsche ieught.
Naar de drukken van 1608 en 1610 uitgegeven, ingeleid en geannoteerd door L.M.
van Dis, met medewerking van Jac. Smit. Amsterdam enz. 1955, p. 194-195, nr.
112 (ed. 1610); ‘Pastorelle’, in
Minneplicht ende kuysheyts-kamp. Als mede verscheyden
aardighe en geestighe nieuwe liedekens en sonnetten. Amsterdam. J.
Aertsz. Calom, 1626, L4v-5r; J.H. Krul, ‘Lied’, in
Amstelsche linde ( o.c. noot 4), p.
180-182.
6Den bloem-hof ( o.c.
noot 5), p. 21-23, nr. 7 (‘Courante’), p. 44-45, nr. 30
(‘Liedeken’), p. 122-123, nr. 74 (‘Herderliedt’).
Anders dan in de ‘Courante’, waarin de ‘eros’ wordt
verheerlijkt, looft het zingende herderspaar in dit laatste lied de zuivere,
niet-lichamelijke liefde die met godsvrucht gepaard gaat; het volgende
‘Epigramma’, ondertekend door [Johan] Fonteyn, hoort hierbij. In de
druk van 1610 wordt nog een ‘Herder lieden’ toegevoegd, p. 194-195,
en een uitgebreide versie van de rei van herderinnen uit Hoofts
Granida, p. 196.
7Den bloem-hof
( o.c. noot 5), p. 67-69, nr. 47. L.P. Grijp,
Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw. Het mechanisme
van de contrafactuur. Amsterdam 1991 (Diss. Utrecht), p. 67-68,
heeft gewezen op de overeenkomst tussen de inzet van dit lied en die van een
uit 1599 daterend lied van Carel van Mander dat als volgt begint:
‘Myn Boersche fluyt/ wel op/ wy moeten
Ons Tyters Feest begroeten/
Met soeten// Menaelschen Herder-sanck […].’
De Maenalus is een aan Pan gewijd gebergte in
Arcadië; de aanhef is dan ook ontleend aan
Vergilius,
Eclogae, VIII. De twee liederen waren al
eerder ter sprake gebracht door M.A. Schenkeveld-van der Dussen,
‘Een bruiloftsdicht van Karel van Mander’, in
Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 92 (1976), p. 189-202,
i.c. p. 192-195.
8Krul ( o.c. noot 4), p. 180-182. In
deze afdeling is een aantal gedichten met pastorale prenten opgenomen; ook
enkele toneelstukken van Krul, zoals
Cloris en Philida zijn voorzien van
illustraties. Zie voor een overzicht van de illustraties in het werk van Krul:
H.C. van Bemmel,
Bibliografie van de werken van Jan Hermans
Krul. Arnhem 1984 (Diss. Amsterdam), Deel II, p. 481-519.
9J.H. Krul,
Eerlycke tytkorting. Bestaende in verscheyde
rymen. Haerlem, H. van Marcken en T. Jansen, z.j. [1634]; stuk 11,
Minnelijcke sangh-rympies, vermenght met eenighe
sonnetten en and're ghedichies. Amstelredam, P.J. Slyp, 1634, p.
140-143.
10J.H. Krul, ‘Gezang’, in
Minne-spiegel ter deughden. Amsterdam, C.
Danckertsz van Zeevenhoven, 1639, p. 151-153. Een dergelijke scène,
waarin herder Coridon herderin Phillis verrast als ze in zee loopt en haar
‘natte boesem’ opendoet, op p. 165-167. In ‘Herders
klachte’, p. 87-98 herinnert de herder zich de zoete vrijheid toen hij
zijn Phillis mocht betasten ‘by haer borsjes, by haer knietjes’.
11In
Den bloem-hof ( o.c. noot 5), p. 26-27,
nr. 12. Voor de toeschrijving aan
Heinsius van dit (niet in de
Nederduytsche poemata uit 1616 opgenomen)
gedicht: P. Leendertz Wz., ‘Verspreide gedichten van Daniel
Heinsius’, in De navorscher 11 (1861), p. 553-554, en
W.A.P. Smit,
De dichter Revius. Amsterdam 1928, p. 272 noot
1.
12Vss. 13-24. Over Aristaeus, de beschermer
van de bijenteelt, wordt onder andere gesproken in het vierde boek van
Vergilius'
Georgica. Lycaeus was de bijnaam van
Bacchus.
13Cf.
P.C. Hooft,
Emblemata amatoria (Amsterdam 1611). Ingeleid,
uitgegeven en toegelicht door K. Porteman, Leiden 1983, p. 42.
14Een pastorale vermomming werd, in navolging
van
Vergilius'
Eclogae, graag gebruikt om de eigen of
andermans situatie uit te beelden. Zie bijvoorbeeld voor de pastorale
aankleding van
Huygens' vroege poëzie: W. Vermeer,
‘Pastorale poëzie van Huygens’, in
Artistieke talen in de renaissance (Artistic languages in the
renaissance). Acta colloquium Utrecht, 8 oktober 1982. Utrecht 1982, p.
79-101.
15J.C. Scaliger,
Poetices libri septem. Faksimile-Neudruck der
Ausgabe von Lyon 1561 mit einer Einleitung von A. Buck. Stuttgart enz., 1964,
p. 6-10, cap. I. 4; en p. 150, cap. III. 99.
16Zie voor Heinsius' opvattingen over de
middelaarsrol van de oude, goddelijk geïnspireerde dichters: J.H. Meter,
The literary theories of Daniel Heinsius. A study of the
development and background of his views on literary theory and criticism during
the period from 1602 to 1612. Assen 1984, p. 43-58. Over zijn visie
op de goddelijke wijsheid der mythen:
Hymnus oft lof-sanck van Bacchus, opdracht
aan Scriverius, in D. Heinsius,
Bacchus en Christus. Twee lofzangen. Opnieuw
uitgegeven door L.Ph. Rank, J.D.P. Warners en F.L. Zwaan. Zwolle 1965, p.
29-30.
17G. de Saluste du Bartas,
La Sepmaine (texte de 1581). Edition
établie, présentée et annotée par Y. Bellenger.
Paris 1981, p. 139, vss. 877-896.
18In Vondel,
De werken. W.B.-editie I. Amsterdam 1927,
p. 179, vss. 19-26.
19Hierover uitvoeriger: M.B. Smits-Veldt,
Samuel Coster, ethicus-didacticus. Een onderzoek naar
dramatische opzet en morele instructie van Ithys, Polyxena en
Iphigenia. Groningen 1986 (Diss. Amsterdam), p. 175-182, met name
gebaseerd op: H. Cooper,
Pastoral: medieval into renaissance. Ipswich
enz., 1977.
20Schaepherders kalengier
[…]. Rotterdam, J. van Waesberghe, 1609, AIV; een eerdere
Nederlandse vertaling was in 1572 te Antwerpen verschenen. De eerste uitgave
dateert van 1493. Cf. ook H. Pleij, ‘De laatmiddeleeuwse
rederijkersliteratuur als vroeg-humanistische overtuigingskunst’,
in Jaarboek De fonteine 34 (1984), p. 65-94, i.c. p. 80.
21Voor de doorwerking van het beatus
ille-ideaal in respectievelijk het 17de-eeuwse Engeland en Duitsland: M.-S.
Röstvig,
The happy man. Studies in the metamorphoses of a classical
ideal. I. 1600-1700. Second edition. Oslo 1962; A.-M. Lohmeier,
Beatus ille. Studien zum ‘Lob des Landlebens’
in der Literatur des absolutistischen Zeitalters. Tübingen
1981.
22Cf. P.M. Smith,
The anti-courtier trend in sixteenth century French
literature. Genève 1966, onder andere p. 25, 40-42; D.B.
Wilson,
Descriptive poetry in France from blazon to
baroque. New York 1967, onder andere p. 177-179; Lohmeier ( o.c.
noot 21), p. 116, 184-186; Smits-Veldt ( o.c. noot 19), p. 182-188.
Voor hofkritiek in Engeland tijdens de middeleeuwen en renaissance, cf. C.
Uhlig,
Hofkritik im England des Mittelalters und der Renaissance.
Studien zu einem Gemeinplatz der europaïschen Moralistik.
Berlin enz., 1973.
23Dit dan zonder de distantie die
Horatius aan het eind van zijn epode aanbrengt, door de
lof op het leven van de landman in de mond te leggen van een woekeraar, die
zich op het laatst toch maar niet van het stadsleven afkeert. Vertalingen van
deze Horatius-epode werden verder onder meer gemaakt door
Van Ghistele,
Vondel,
Westerbaen,
Bruno,
Van Someren en
Anthonides van der Goes; vertalingen van het tweede boek
van Georgica onder meer door
Van Mander,
Vondel,
Bruno en
Doncker.
24Cf. M. Spies,
Des mensen op- en nedergang. Literatuur en leven in de
Noordelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw. Amsterdam 1985
(Bulkboek), p. 37-38; Smits-Veldt ( o.c. noot 19), p. 185-188 (met met
name de verwijzingen naar de publikaties van Knuttel, Bonger, Strengholt en
Vermeer).
25[P.J. Schaghen], ‘Bauw-heers
wel-leven’, vss. 1-4, in Den Nederduytschen helicon. Alckmaer,
Iacob de Meester, voor Passchier van Westbusch, Haarlem 1610, p. 233.
26Lohmeier ( o.c. noot 21), p. 69-76.
Een tweede verschil ziet zij tussen de fictief-literaire verbeeldingsruimte in
de herderslof en een reële landelijke ruimte, weliswaar
geïdealiseerd, maar voorgesteld als een bereikbare bestaansmogelijkheid.
In 17de-eeuwse Nederlandse teksten, zeker waar de herders boerse trekken
hebben, lijken deze verschillen niet zo duidelijk. Hierover nader: Smits-Veldt
( o.c. noot 19), p. 184, 192.
27Cf. Smits-Veldt ( o.c. noot 19), p.
190-203.
28Vondel bezingt in zijn ‘Epistre
dedicatoire’ aan
Jan Michiels van Vaerlaer (voorafgaand aan
Het Pascha), met onder andere een navolging
van
Du Bartas' versie van
Horatius' Beatus ille, het harmonische leven
uit de gouden oertijd, waarin de landman ‘la saincte loy, la justice, et
la craincte // du grand Dieu Zebaoth’ op het voorhoofd ingeprent draagt,
‘comme Abel vertueux, // Noë, Moyse, Abram, et celuy qui les Cieux
// semble oreillier au son de sa harpe dorée [=David]’. Hier
spreekt
Vondel niet over herders, maar over ‘celeste[s]
labeur[s]’; gezien zijn voorstelling van Mozes maakt ook hij in dit geval
geen principieel onderscheid tussen beide categorieën. Zie: Vondel
( o.c. noot 18), p. 167-170, vss. 73-77.
29Du Bartas ( o.c. noot 17), vss.
933-936.
30Dit gebeurt zowel in Samuel Costers
didactische
Boere-klucht van Teeuwis de boer, en men juffer van
Grevelinckhuysen (1612) als in Huygens' zedeprint
Een boer (1623).
31Zo'n honderd jaar na
Van Borsselen zou
Hubert Kornelisz Poot als zelfbewuste dichter-boer zijn
Horatiaanse imitatio ‘Akkerleven’ wel weer wijden aan het
boerenleven, maar met dezelfde distantie ten opzichte van zijn onderwerp als
Horatius. Cf. M.A. Schenkeveld-van der Dussen,
Het dichterschap van Hubert Korneliszoon Poot.
Assen 1968 (Diss. Amsterdam), p. 184-185.
32Verschillende liefdesepisoden in
D'Urfé's uit vijf delen (1610-1625) bestaande roman werden vanaf 1625
door
Johan van Heemskerck in het Nederlands vertaald. In
diens eigen
Batavische arcadia (1637) zijn de hoofdpersonen
echter geen herders, maar Haagse jongelui die als zodanig worden betiteld. In
1644 verscheen een vertaling van het eerste deel van de L'Astrée.
33J.H. Krul,
Wegh-wyser ter deughden, opgenomen in het
tweede deel van zijn
Minne-spiegel ter deughden ( o.c. noot
10), in de afdeling ‘Heden-daeghsche misbruyken. Ghepast op het
spreeckwoort, ‘Warender gheen sonden, daer waren gheen
plaghen’’, p. 53-79.
34C. van Mander,
Bethlehem dat is het broodhuys. Uitgegeven
door P.E.L. Verkuyl. Groningen 1985.
35J. Revius, ‘Harder-liet’, in
Over-ysselsche sangen en dichten. Uitgegeven,
met ongedrukte gedichten vermeerderd en van verklarende aanteekeningen voorzien
door W.A.P. Smit. Utrecht 1976 [Ongewijzigde herdruk van de uitgave Amsterdam
1930-1935], p. 131-132. Cf. W.A.P. Smit ( o.c. noot 11), p. 160-164.
36Cf. Grijp ( o.c. noot 7), p. 68-73.
37Tot de belangrijkste Amsterdamse
liedboeken met herdersliederen in deze periode behoren: de reeds genoemde, door
Pers uitgegeven bundel
Den bloem-hof van de Nederlantsche ieught
(1608, 1610),
Apollo of ghesangh der musen (1615, uit de
kring van
Bredero,
Coster en
Hooft), de eveneens Amsterdamse verzamelbundels
Venus minnegifjes (ca. 1622. Bij
Blaeu-Laken. Met enkele pastorale bijdragen, onder andere van ‘'t
verkeert haest’) en
Minne-plicht ende kuysheyts-kamp (1626, bij
Calom, waarin zich onder andere een aantal eerder gepubliceerde teksten van
Vondel voor de meisjes Baeck en een paar
algemeen-pastorale liederen van
Hooft bevinden), en de debuutbundel van de
Amsterdamse dichter J.H. Krul,
Amstelsche linde (1627, ook bij Calom).
In 1627 verschijnt eveneens de bundel
Amsterdamsche Pegasus, in vier
liedafdelingen verdeeld, elk door één auteur verzorgd:
Veld-deuntjens van
M. Campanus [M. van de Velde],
Cupidoos dartelheydt van
I.I. Colevelt,
Herders-zanghen van
I. Robbertsen en
Pastorellen van
A.P. Craen. De eerste afdeling bevat slechts
algemeen-pastoraal aangeklede liedjes, de tweede algemene erotische
poëzie, behalve het lied ‘Granidas klagelijcke begeering’, dat
direct geïnspireerd is op het lied ‘Vaert wel scepters, Vaert wel
verheven thróónen’ uit Hoofts bekende spel ( o.c.
noot 55, vss. 1521 e.v. ). Iets duidelijker herdersdichten vindt men in de
twee laatste afdelingen, hoewel er nauwelijks gesproken kan worden van een
uitgewerkte verbeelding van een herderswereld. De volledige titel luidt:
Amsterdamsche Pegasus, waer in (uyt lust) byeen
vergadert zijn, veel minnelijcke liedekens, (noyt voor desen gedruckt) gestelt
op verscheyden stemmen […]. Amstelredam, C.W. Blaeu-Laken,
1627. De populariteit van dit soort liedjes beperkte zich overigens zeker
niet tot Amsterdam. Zo komen onder andere in de door
Boudewijn Iansen Wellens samengestelde bundel
'T vermaeck der ieught, in 1612 voor het
eerst in Franeker verschenen (en in 1616 in een uitgebreide versie
in Leeuwarden), al een paar herdersliederen voor. In 1627 worden
in Rotterdam de liederen uit de Amsterdamsche Pegasus opnieuw
uitgegeven, samen met die van twee andere Amsterdamse liedbundels met dit soort
pastorale zangen. En een jaar daarop verschijnt te Antwerpen een
bundel van
J. Ysermans, factor van de Antwerpse
rederijkerskamer ‘ D'Olijftak’:
Thriumphus Cupidinis, waarin ook weer een
behoorlijk aantal herdersliedjes voorkomt. Steekproeven in liedboeken uit de
twintig jaar na deze eerste periode wekken de indruk dat verschijningsvormen en
inhoud niet wezenlijk veranderen.
38Apollo of ghesangh der
musen. Uitgegeven door A. Keersmaekers, met een bijdrage over de
keuze van het exemplaar door K. Bostoen. Deventer 1985, p. 119.
39S. Coster,
Ithys. Treurspel, vss. 522-561, in S.
Coster, Werken. Uitgegeven door R.A. Kollewijn. Haarlem 1883, p. 98-99.
Cf. P. Vandenbroeck,
Beeld van de andere, vertoog over het zelf. Over wilden
en narren, boeren en bedelaars. Tent. cat. Koninklijk Museum voor
Schone Kunsten, Antwerpen 1987, i.c. p. 73-78.
40Een voorbeeld hiervan is te vinden in een
lied van M. Campanus, opgenomen in de afdeling ‘Veld-deuntjes’ van
de
Amsterdamsche Pegasus ( o.c. noot 37),
p. 19:
‘'t Herdertjen dat geen sorgh en quelt,
Mach vry en onbedwonghen singen […].’
Aan het eind van het lied (op de wijze ‘Faute
d'Humeur nos choux sont, & c’) wordt deze herder als volgt geciteerd:
‘Hy leeft gerust en wel genoeght,
Die hem uyt prachtigh hof kan houwen,
En veer van steden hem oock voeght,
Sijn hoef en acker-landt te bouwen.’
41Bijvoorbeeld: ‘Nieu liedt’, in
Den bloem-hof ( o.c. noot 5), p. 67-69,
nr. 47 (vgl. hierboven, afb. 42) en een ‘Pastorael’ van Krul
( o.c. noot 4), p. 267-283.
42Deze ‘realistische’ toonzetting
van een aantal Nederlandse herdersliederen is onderkend door Kettering 1983.
43Daniel Heinsius, ‘Pastorael’, in
Nederduytsche poemata. Faksimiledruck nach der
Erstausgabe von 1616. Herausgegeben und eingeleitet von B. Becker-Cantarino.
Bern enz., p. 26-33. Hierover ook: Th.J. Beening,
Het landschap in de Nederlandse letterkunde van de
renaissance. Nijmegen 1963, p. 155-156; Kettering 1983, p. 22 en
130 noot 15, en D. ten Berge,
De hooggeleerde en zoetvloeiende dichter Jacob
Cats. 's-Gravenhage 1979, p. 47-48.
44J. Cats, ‘Harders-liet’, in
Silenus Alcibiadis, sive Proteus, vitae humanae ideam,
emblemate trifariàm variato, oculis subijciens. Middelburg,
I. Hellenius, 1618, eerste afdeling, p. 109-119. J. Cats,
‘Harders-clachte’ is opgenomen in zijn
Maechden-plicht ofte ampt der ionck-vrouwen, in eerbaer
liefde, aen-ghewesen door sinne-beelden. Middelburgh, H. vander
Hellen, 1618, O1r-P4r.
45Kettering 1983, p. 22-23 en bijbehorende
noten; Vandenbroeck ( o.c. noot 39), p. 63-115. Over beide teksten van
Cats ook: Beening ( o.c. noot 43), p. 148-154 en Ten Berge ( o.c.
noot 43), p. 54, respectievelijk 47.
46J. Cats,
Proteus ofte minnebeelden verandert in
sinnebeelden. Rotterdam, P. van
Waesberghe, 1627, respectievelijk p. 1-33, 34-48.
Minder bekend zijn Cats' pastorale liederen, onder meer gepubliceerd in
Klagende maegden (1633) en
Trou-ringh (1637). Het lied
‘t'Samen-sang, tusschen Damon en Floride’ bijvoorbeeld, moet
buitengewoon populair zijn geweest. Er bestaan achttien liederen, verspreid
over tien liedboekjes, die het incipit als wijsaanduiding hebben. Zie hierover:
M. van Seters,
Alle de liederen. Melodieën bij teksten van Jacob
Cats. Ongepubliceerde doctoraalscriptie Muziekwetenschap.
Rijksuniversiteit Utrecht 1990. Ook in het bijwerk van twee embleemprenten
in de editie J. Cats,
Proteus ofte minne-beelden verandert in
sinne-beelden. 's Graven-hage, bij Adriaen vander Venne en Ioost
Ockerss. (1629), zijn herders voorgesteld; respectievelijk p. 287, nr. XLVII
(‘Ex morte levamen’) en p. 299, nr. L (‘In recessu
nihil’).
47Een aanzienlijk deel van Kruls erotische
lyriek bestaat uit algemeen-pastoraal gekleurde poëzie, waaronder dan weer
een aantal duidelijke herdersliederen (Cf. N. Wijngaards,
Jan Harmens Krul. Zijn leven, zijn werk en zijn
betekenis. Zwolle 1964, p. 247-252). Het ziet er naar uit dat Krul
de genoemde herdersteksten van Cats gekend heeft. De enkele verhalende
herdersliederen in de Amstelsche linde zijn nu niet in het duingebied
van Domburg of Katwijk, maar in de streek bij
Beverwijk gesitueerd: expliciet in een ‘Herders
claght’, p. 208-215. Een echte boerse entourage wordt weer opgeroepen in
een andere ‘Pastorael’ van Krul, waarin Coridon denkt aan zijn
(inmiddels verloren) Phyllis. In liefde ontvlamd wandelde hij met haar door
haar ‘kool-tuyn’, waar haar vader aalbessen had geplant (‘Een
ander’ [Pastorael], p. 284; zie ook noot 41. De daar aangehaalde
‘Pastorael’ is juist weer gesitueerd in een stereotype pastorale
omgeving). In beide teksten wordt ook de bewuste keuze voor het herdersleven
geformuleerd, zo ook in het lied ‘Pastorael’ in de afdeling
‘Minnelycke zang-rympjes’, opgenomen in
Vermackelijke uyren. Derde deel. Amsteldam,
I. Aertsz. Colom 1628, p. 136-144. Hier verkiest Cloris, die vertoeft in het
Noorder bos, de wol van de bolle lammeren verre boven de zijde. Een dergelijke
feitelijke lokatie-verwijzing blijkt echter gemakkelijk een a-realistische
conventie te worden. Zo stelt de herder Daphnis in de
Amsterdamsche Pegasus ( o.c. noot 37,
p. 143-145), in de duinen aan zijn Phyllis voor om naar Domburg te
gaan, waarop zij antwoordt: Laten we toch blijven, want ‘Wat is doch
Catwyck by ons wayen?’ Tussen het begin van de jaren
vijftig en 1660 komt een 116 folio's tellend album met gedichten en liedjes tot
stand. Dit
Poesie-album is van de hand van
Gesina ter Borch (1631-1690) uit Zwolle.
Verschillende pastorale liedjes, voornamelijk ontleend aan of geïnspireerd
op het werk van
Krul, krijgen er een plaats, in de meeste gevallen
verlucht met kleurrijke acquarellen. Zie over deze bundel A. Kettering,
Drawings from the Ter Borch studio estate. 2
vols. 's-Gravenhage 1988 en H. Luijten, ‘'Swiren vol van leer,
amblemsche wijs geduijt’. Een opmerkelijk zeventiende-eeuws
poëzie-album van Gesina ter Borch’, in Bulletin van het
Rijksmuseum 36 (1989), p. 315-342.
48[Th. Rodenburgh],
Anna Rodenburghs trouwen Batavier.
Treur-bly-eynde-spel. Amstelredam, D.P. Voscuyl, 1617. Rodenburgh
heeft Guarini's herders kennelijk zonder problemen tot boeren gemaakt en hen
gesitueerd in een ‘reële lokatie’ (het bos bij Den Haag). Zie
voor de vertalingen en bewerkingen van Il pastor fido in het Nederlands:
Verkuyl 1971.
49J.H. Krul,
Celion en Bellinde. Pastorel bly-eyndt-spel. Ghetrocken wt
de Fransche Astrea. Afgedrukt in:
Minnespiegel ter deughden ( o.c. noot
33), p. 148-232. Dit is de eerst bekende versie; rond 1631 wordt al een versie
verondersteld (zie Van Bemmel ( o.c. noot 8), II, p. 373.
50Wijngaards ( o.c. noot 47), p. 207-208,
275-276.
51J. Beets,
Daphne, of boschvryagie. Hoorn, H.I. Marius,
1668. [3 dln], opgenomen in Beets'
Dichtkonst. Hoorn 1668, p. 51-217.
52F.C. de Conincq,
Herdersche ongestadicheyt. Antwerpen, J.
Huyssens, 1638. Dit stuk werd gespeeld door ‘ De
Violieren’. De andere Antwerpse kamer,
‘ D'Olyftack’, voerde al eerder herdersspelen van
Ysermans op, die niet gedrukt zijn. Een treurspel met herders (en
één koopmanszoon) is het eveneens Zuidnederlandse
Porphyre en Cyprine van J. Thieullier, in 1620
op het Mechelse rederijkersfeest opgevoerd. Met het idyllisch-ideale
herdersleven heeft deze romaneske geschiedenis niets van doen. Cf. A.A.
Keersmaekers,
De dichter Guilliam van Nieuwelandt en de
Senecaans-classieke tragedie in de Zuidelijke Nederlanden. Gent
1957, p. 240-248.
53[A. de Koningh],
Jephthahs ende zijn eenighe dochters treurspel.
Amsterdam, A. de Koning, 1615, III. 7.
54A. de Koningh,
Hagars vluchte ende weder-komste, in
Handschrift K. B. 's-Gravenhage, signatuur 74 G 12, hs. 40, p. 131-190, i.c. p.
180.
55P.C. Hooft,
Granida. Naar het Amsterdamse handschrift
uitgegeven en toegelicht door A.A. Verdenius en A. Zijderveld. Zesde druk,
bezorgd door C.A. Zaalberg. Zutphen, z.j., p. 79-80, vss. 1521-1536; 1541-1542;
1545-1548.
56In: Amsterdamsche Pegasus ( o.c.
noot 37), p. 92.
57Zie voor een meer uitgebreide analyse van de
pastorale drama's van Hooft en Coster (en Rodenburgh) Smits-Veldt ( o.c.
noot 19), p. 165-175 en de daar genoemde secundaire literatuur (onder
andere van Verkuyl 1971 en Rens ( o.c. noot 3)).
58Ed. Kollewijn ( o.c. noot 39), p.
71-140. De eerste druk van 1615 verscheen anoniem, onder de vlag van de
‘Hollandtsche kamer tot Amsterdam’ [= De
‘ Eglentier’]; de tweede, wat uitgebreidere, van 1618,
werd wel onder Costers naam uitgegeven.
59Ithys, vss. 169-174. Ed. Kollewijn
( o.c. noot 39), p. 86.
60Het betreft
Dianaes treur-bly-eyndigh spel (Amsterdam,
I. Aertsz. Calom, 1627), het
Pastorael bly-eyndigh-spel van Cloris en
Philida (Amsterdam, D. Cornelisz Hout-Haeck, 1631), het
Pastorel musyck-spel van Juliana, en
Claudiaen uit 1634 (in: Eerlycke tytkorting ( o.c.
noot 9)),
Alcip, en Amarillis. Bly-eynd-spel, gedrukt
1639 (in: Minne-spiegel ter deughden ( o.c. noot 10), p. 201-271)
en
Faustina, eveneens in:
Minne-spiegel ter deughden, p. 73-147).
Diana ging in 1623 in première, de
andere vier stukken dateren alle van ca. 1631-1634. Hierover: Wijngaards
( o.c. noot 47), respectievelijk p. 163-179, 192-205, 215-218, 208-213 en
219-224.
61De illustratie zou een verrassende bewerking
krijgen in de
Pampiere wereld van 1681 (Zie Van Bemmel
( o.c. noot 8), II, p. 423). In het algemeen wordt de verderfelijke
hartstocht, die onder hovelingen wordt gevonden, gesteld tegenover de zuivere
liefde van degenen die het herdersleven als ideaal zien. In
Cloris en Philida (dat geheel op het land
speelt) is echter ook nog een andere antithese ingevlochten. Hier staat de
kuise Philida tegenover een nogal lichtzinnige andere herderin, die eigen
erotische preoccupaties heeft met twee minbeluste herders. Als extra
tegenstelling treden dan nog boeren en een molenaar op, allen behept met
boertige lusten. Een vrijmoedig lied komt ook voor in de bundel
Haerlemsche somer-bloempjes, tweede offer, aen de
vreucht-lievende nymphjes. Haerlem, Claes Albertsen Haen, 1646. Het
is ondertekend met ‘T.A. Ducens’ en de zinspreuk ‘Springt
niet, of dwingt niet’ (p. 121-123). De herder Cordion, die het meisje
Roosemont ziet liggen ‘onbekommert in't Gras […] met haer Boesem
bloot’, drukt zich stevig tegen haar aan, waardoor ze wakker schiet uit
haar slaap en smekend vraagt:
‘Mijn eenighst Toeverlaet!
Ey kom, ey kom, en omhels my,
Eer my het vuyr verbraedt.’
Cf. voor andere arcadische uitspattingen:
Razernij der liefde. Ontuchtige poëzie in de
Nederlanden. Van Middeleeuwen tot Franse tijd. Ed. H. van Straten.
Amsterdam 1992, p. 22, 26.
62Krul ( o.c. noot 10), p. 21,
respectievelijk p. 169-172.
63Krul,
Diana, in dialogen tussen Floriaen en Cecilia
(II, respectievelijk IV). Deze passage vindt men nog wel in de editie van 1634
(in
Eerlycke tytkorting), maar niet meer in de
latere bewerking die werd opgenomen in
Pampiere wereld ofte wereldsche oeffeninge
(Amsterdam 1644). Het bekende liedje uit Costers
Ithys klinkt hier mee: ‘In kleynheydt
leef ick onbenijt, // Lof, lof, kleynicheydt, lof’.
64Krul,
Diana, monoloog van Floriaen (Amsterdam, D.
Cornelisz. Hout-Haeck, 1643, II p. 23).
65Wel staat
Alcippe en Amarillis in 1776 en 1779 nog op het
repertoire van de Hasseltse ‘Roode Roos’ (Wijngaards ( o.c.
noot 47), p. 301).
66J. Soet,
Clorinde en Dambise. Bly-eynd-spel.
Amsterdam, N. van Ravesteyn, voor D. Cornelisz Houthaeck, 1640, D2r.
67Nicolaes Fonteyn, een broer van Barend en
evenals hij een Amsterdams medicus, publiceerde in 1637 een (niet opgevoerd)
spel:
Casta, ofte spieghel der kuysheyd (Amsteldam,
J. Broers). Het sterk didactische stuk geeft een reeks wijze lessen voor de
goede regeerder. De koningin wenst op haar beurt de herderin Casta, die alle
minnaars heeft versmaad ten behoeve van haar liefde voor de Deugd, als
metgezellin. Als spiegel van de eerbare kuisheid sluit deze voorstelling van
een herderin aan bij die van Krul. De bekende pastorale oppositie-ethiek vindt
men hierin niet. Romaneske thematiek, waarin herders in kleine rolletjes,
al of niet optreden in contrast tot wellustige verhoudingen van
hooggeplaatsten, komen verder onder meer nog voor in
Harcilia van Abraham van Mildert (van
vóór 1622) en in een ander stuk van Voskuyl:
Tragische-comedi van de boelerende Avanturade
(1639). Alleen het eerste stuk is (in de Nederduytsche Academie) gespeeld.
68D.J.M. ten Berge, ‘Het
Nederlandse pastorale spel’, in De nieuwe taalgids 69
(1976), p. 33-38; Idem, ‘Jacob Cats als renaissancistisch
dichter’, in De nieuwe taalgids 69 (1976), p. 111-117;
Idem, ‘De “Koningklijke herderin Aspasia” van Jacob
Cats’, in De nieuwe taalgids 69 (1976), p. 315-335 en p.
70 (1977), De nieuwe taalgids, p. 121-140; Idem, ‘De
dramatisering van de “Spoock-liefde”’, in De
nieuwe taalgids 70 (1977), p. 319-323.
69M.A. Schenkeveld-van der Dussen,
‘Over de interpretatie van Cats'
“Aspasia”’, in De nieuwe taalgids 71 (1978),
p. 228-236.
70Zie voor verwerkingen door Franse,
Spaanse en Duitse emblematici (onder andere Bartélemy Aneau, Pierre
Coustau, Sebastián de Covarrubias Orozco, Nicolas Reusner en Johan
Mannich):
Emblemata. Handbuch zur Sinnbildkunst des XVI. und
XVII. Jahrhunderts. Ed. A. Henkel und A. Schöne, Stuttgart
1967, kol. 1098-1103. Voor een overzicht van pastorale illustraties in het werk
van Spenser: S.K. Heninger, ‘The typographical layout of Spenser's
“Shepheardes Calendar”’, in Word and Visual
imagination. Studies in the interaction of English literature and the visual
arts. Ed. F.J. Höltgen e. a. Erlangen 1988, p. 33-71. Een
prominente plaats voor herders is weggelegd in de emblematische bundel
De veldgesangen van Thyrsis van W[illem]
M[ylius]. Het boekje verscheen in 1702 te Leiden, bij
Hendrik van Damme. Twintig
‘zinneminnebeelden’ zijn hoofdzakelijk gesitueerd in een landelijke
omgeving. Zie over deze bundel: K. Porteman, ‘“Embellished
with emblems”: about the incorporation of emblems in other genres in
Dutch literature’, in The emblem in Renaissance and Baroque
Europe. Tradition and variety. Selected papers of the Glasgow international
emblem conference, 13-17 august, 1990. Ed. A. Adams e.a., Leiden etc. 1992, p.
70-88.
71Ed. Amsterdam 1613, p. 76, nr. LXXII
( o.c. noot 18), p. 419; cf. ook nr. LXVII. De kopergravure, gestoken
door
Gerard de Jode, komt voor het eerst voor in de aan
L. Haechtanus toegeschreven bundel
Mikrokosmos, Parvus mundus. Mechelen 1579. Zie
over de uitvinding van de tekenkunst, gesitueerd in de herderswereld: E. Kris
und O. Kurz.
Die Legende vom Künstler. Ein geschichtlicher
Versuch. Frankfurt am Main 1980, p. 11, 31 en 49-63 (Erstausgabe
1934); en Reallexikon zur deutschen Kunstgeschichte. Herausgegeben von
L.H. Heydenreich und K.-A. Wirth. Band V. Stuttgart 1967, kol. 1235-1242, met
onder andere verwijzingen naar Plinius, Dante en Vasari.
72Ed. Gouda 1618, p. 211-212, nr. LXXI. De
auteur zet zijn betoog kracht bij door onder andere te verwijzen naar
uitspraken van Cicero, Euripides, Seneca en Xenophon. Over de ongelukkige
liefde van Polyphemus voor Galatea schreef Theocritus een herdersdicht.
73Ed. Amsterdam 1642, p. 122-127, nr.
XXVII. Vgl. Woordenboek der Nederlandsche taal. Bew. door M. de Vries,
L.A. te Winkel e.a., 's-Gravenhage enz., 1882- …, deel IX, kol. 988-989,
met ook een voorbeeld van een vergelijking tussen een doedelzak en een
dichter.
74Cf. M.B. Smits-Veldt, Recensie van J.L.P.
Blommendaal,
De zachte toon der herdersfluit. De pastorale
poëtica van Jan Baptista Wellekens. Utrecht 1987 (Diss.
Utrecht), in De nieuwe taalgids 82 (1989), p. 78-80.
|
|