|
|
|
| | | | | |
| |
Vertaling van de citaten uit vreemde talen
De citaten - enkele van de door hem aangehaalde Latijnsche
spreuken heeft
Valerius ontleend aan historiepenningen - zijn zoo
letterlijk mogelijk vertaald, behalve wanneer de verstaanbaarheid daaronder
leed: in dat geval hebben wij gemeend, tot een vrijere vertaling onze toevlucht
te mogen nemen.
Aanhalingen uit den Bijbel zijn overgebracht in den tekst van den
Bijbel van Deux-Aes (1557), die vóór de Statenvertaling hier te
lande onder de Hervormden algemeen in gebruik was. De enkele citaten uit het
apocryfe boek Ecclesiasticus zijn overgezet in den tekst van de moderne R.K.
Bijbelvertaling: De Heilige Schrift vertaald uit de grondtekst in opdracht van
de Apologetische Vereniging ‘Petrus Canisius’.
Aan Dr R.C. Goldschmidt en Prof. Dr Marius Valkhoff, die ons bij
de vertaling van een aantal citaten van voorlichting dienden, wordt ook op deze
plaats een woord van dank gebracht.
Blz. 30.
Ha malheureux .... Ach ongelukkige, gij beijvert u te
spotten met de goede bedoeling, die de Onsterfelijke ingeeft aan den armen
bedroefde, omdat zij allen zich geheel op hem verlaten, en gij lacht erom.
Saevis tranquillus in undis: Rustig temidden der woedende
golven. It is the mind .... Het is de geest des menschen waar het op
aankomt. Want schuldeloozen rekenen groote smarten gering. Tyrannen mogen
snoeven dat zij tot groote macht geboren zijn: híj bezit iets hoogers,
dat tyrannieën kan verachten.
Blz. 33.
Quicumque .... Hij die van plan is het geweten van de
menschen door macht te dwingen, doet een inval in den hemelburcht, waardoor hij
meestentijds de aardsche macht verspeelt.
Arriere .... Wijkt, vorsten en prinsen, behangen met goud
en zilver, maar zonder deugden.
Blz. 36.
Cor miserum .... Het treurend hart smelt als het ware
druppel voor druppel, alsof ge zout in water doet.
Merci .... Dank, dank. Heer! en geheel door smart bevangen
herhaalt de rots dag en nacht: dank, dank!
Blz. 39.
Concussus surgo. Geslagen, rijs ik weer op.
Fax mentis honestae gloria. De fakkel van een edelen geest
is de roem.
Car les yeux .... Want des Heeren ooghen sien alle landen,
dat hy stercke de ghene, die van gantscher herten aen hem zijn (2 Kron.
16:9).
Blz. 41.
Ista ferenda .... Dat zult ge moeten dragen, zoo stond het
in het lot geschreven.
Blz. 42.
Que vous revint .... Waerom vertredet ghy mijn volc, ende
verslaet de persoonen der ellendigen, spreect de Heere Heere Zebaoth
(Jesaja 3:14; Statenvert. 3:15).
Si ad superos .... Indien ge uw tocht wilt richten tot de
hemelingen, moet ge eerst tot de bewoners der onderwereld varen: alle werken
van God immers liggen midden in de tegenstellingen.
Blz. 43.
Si lucrum .... Indien ge er het voordeel aan ontneemt,
zullen de menschen altaar en tempel loochenen.
Turpe .... Satan en de wereld bewijzen we op afschuwelijke
wijze dienstbaarheid: o schande! alleen de maag heeft er baat bij.
Malheureux .... Wee den genen die hen te samen coppelen,
met loosen stricken om onrecht te doen, ende met waghenseelen te sondighen
(Jesaja 5:18).
Blz. 45.
In hoc mundo .... Wij zijn in deze wereld als in een
strijdperk gesteld; wie hier smart, tegenslag of beproeving niet op zich | | | | neemt, zal roemloos in de toekomende wereld verschijnen. Car
nostre .... Want onse seer lichtelicke vergaende verdruckinghe, werct in
ons een boven maten onbegrijpelicke grootte der eeuwigher eerlickheydt
(2 Corinth. 4:17).
Blz. 47.
Durate .... Volhardt en spaart uw krachten voor betere
tijden.
A son peuple .... Hij laet verkondigen syne gheweldige
Daden synen Volcke, dat hi hen gheve het Erve der Heydenen. De wercken syner
handen zijn Waerheyt ende Recht (Psalm 111:6).
Blz. 49.
Nullane .... Zal er dan geen straf zijn voor den meineedige
en voor het goddeloos bedrog? Zondig is het, ondankbaren te dienen.
Les meschans .... Waer wy gaen, so omringen sy ons: hare
ooghen richten sy daer henen, dat sy ons ter Aerden storten (Psalm
17:11).
Blz. 52.
Perfer .... Zet door en volhard: eens zal deze smart u van
nut zijn: een bittere drank heeft al vaak den afgematten verlichting
gebracht.
Malheur .... Wee daerentegen den Godloosen, want sy zijn
boos: ende het sal hen vergolden worden, ghelijck als sy het verdienen
(Jesaja 3:10; Statenvert. 3:11).
Blz. 55.
Ditat servata fides. Beproefde trouw maakt rijk.
Et de ton throne .... Gherechticheyt ende gherichte is uws
stoels bevestinghe, ghenade ende waerheydt, zijn voor uwen aenghesichte
(Psalm 89:15).
Blz. 58.
Vile latens .... Een waardeloos bezit is de deugd die niet
blijkt; wat kan zij immers, in duisternis verstoken, baten?
Heureux .... Gelukkige, al te zeer gelukkige, dien de vorst
met zijn macht tegen alle gevaren beschermt, die bovendien slechts afhankelijk
is van zijn voorzienigheid en die de heerschappij van God meer betracht dan
eigen voordeel.
Blz. 59.
Ezechie .... Ezechiel vreest den toorn des tyrans niet,
schikt zich niet naar de omstandigheid, huilt niet met de wolven in het bosch,
zoekt in het geheel geen uitvluchten, maar hij is wijs door zijn vroomheid en
weet dat elk uitstel groot berouw veroorzaakt.
Sed famam .... Door daden haar roem te verbreiden, dat is
de taak van de deugd, dat is haar opdracht, dat vereischt haar inspanning.
Blz. 64.
Odimus .... Wij haten den havik omdat hij altijd in
oorlogstoestand leeft, en ook de wolven, gewend als zij zijn op de sidderende
kudde af te gaan.
So espee .... Zijn zwaard is zijn waardigheid en de
ongelukkige, die zijn staal ontwijkt, ontkomt niet aan zijn doodelijk vergif;
hij, de schrik van allen, is voor alles bevreesd, hij verbreekt tegelijkertijd
de ketenen der natuur en de ketenen van de wet.
Blz. 66.
Vim vi repellere licet. Geweld moet men met geweld
afweren.
Seigneur .... Heer, ik doorzie dit in geenen deele, daarom
bewonder ik slechts; het moeilijke kan ik niet bevatten en nog minder
uitdrukken.
Blz. 68.
Nulla dies .... Geen dag is vrij van smart, maar iedere
nieuwe oorzaak van smart verwekt weer opnieuw geween.
Voila .... Siet, hy sal my doch verworgen, ende ick en cans
niet verwachten, doch wil ick myne weghen voor hem straffen (Job
13:15).
Blz. 73.
Est profecto .... Voorwaar, er is een God die al wat wij
verrichten hoort en ziet. Dengene die het goede verdient zal hij voordeel
schenken, dengene die het kwade verdient zal hij naar loon betalen.
Les outre .... De grootsprekers en bestaen niet voor uwen
ooghen, gy zijt vyandt allen quaetdoenders (Psalm 5:6).
Blz. 74.
Egregiam .... Voortreffelijken roem en rijken buit brengt
ge mee, gij en uw zoon, en groot en gedenkwaardig is uw naam.
Cur statuam .... Waarom, Hertog van Alva, hebt ge uzelf
tijdens uw leven een standbeeld opgericht? Misschien omdat na uw dood niemand
het u zou geven? Dat vermoeden is niet onjuist, want uw wreede daden hebben
geen lof verdiend, maar het smadelijke kruis.
L'Eternel .... De Heere heeft eenen grouwel aen den
bloetghierighen ende valschen (Psalm 5:7). | | | |
Blz. 80.
O passi .... O gij, die wel erger dingen hebt doorleden,
God zal ook aan deze rampen een einde maken.
Pejore res .... Slechter gelegen dan thans het geval is,
kan onze zaak niet zijn.
Les destresses .... Den angst mijns herten is groot: voert
my uyt mijne nooden (Psalm 25:17).
Blz. 82.
Quisquis .... Die begeert te schijnen hetgeen hij niet is,
is een huichelaar: hij veinst immers den rechtvaardige, maar bewijst zich niet
als zoodanig; en hij toont in nabootsing wat hij in werkelijkheid niet bezit.
Wat doet ge, ongelukkige? de wereld haat u, omdat ze u voor vroom aanziet. God
haat u, omdat hij u goddeloos weet. En alzoo vindt ge, bij beiden gehaat, bij
geen van beiden steun.
Dementir .... Zijn woord verloochenen is een Koning
onwaardig. Wie zijn woord breekt, vindt nergens vertrouwen; zelf bedrieger
wordt hij op zijn beurt bedrogen.
Blz. 85.
Igne ut aurum .... Gij hebt ons door gevaren getoetst als
het goud door het vuur: gij hebt ons in de netten der vijanden verstrikt.
Voici .... Siet, des Heeren ooghe siet op die, die hem
vreesen, die op zijn goedertierenheyt hopen. Dat hy hare ziele verlosse van den
doot, ende voedtse in den dieren tijt (Psalm 33: 18-19).
Blz. 88.
Iustum est .... Het is rechtvaardig, zegt hij, geen
medelijden te hebben met goddelooze menschen, maar wel met hen, die onverdiend
ongelukkig zijn.
O que bien .... Wel dien, die hem des nootdruftigen
aenneemt: dien sal de Heere verlossen in der booser tijd (Psalm
41:2).
Blz. 90.
Qui pietate .... Wie de godsvrucht niet kennen, worden
terstond naar de onderwereld (de hel) gezonden.
Terit, & teritur. Hij slijt en wordt versleten (van een
slijpsteen gezegd).
Blz. 91.
La grandeur .... De grootheid der tyrannen stort ineen,
wanneer zij op het kwade steunt, een vorstelijke macht, die door bloed is
verkregen, is niet van langen duur; de een volgt den ander op en tengevolge van
sterfgevallen verwisselen deze eerzuchtigen steeds opnieuw van zetel.
Blz. 93.
Magna est .... Groot is de barmhartigheid van onzen God en
zijn goedertierenheid jegens degenen die hemzelf eerbied betoonen.
Sainct .... Heylich, Heylich, Heylich is de Heere Zebaoth:
alle landen zijn zijner eere vol (Jesaja 6:3).
Blz. 96.
Nervus pecunia belli. Geld is de zenuw van den oorlog.
Procul .... Weg van hier, gaat heen, gij die schuldig
zijt.
O dieu .... Godt, als uwen Naem, soo is oock uwen roem, tot
aender werelt eynde: uwe rechter hant is vol gherechticheyts (Psalm
48:11).
Blz. 99.
Istud est .... Dat is wijsheid: niet alleen datgene zien,
dat vlak voor onze voeten ligt, maar ook, dat wat in de toekomst ligt, vooruit
te zien.
Vous tous .... Weest ghetroost ende onvertzaecht, alle ghy
die des Heeren verbeydet (Psalm 31:25).
Blz. 102.
Fronti nulla fides. Vertrouw geenszins op het
uiterlijk.
Celui qui parle .... Hy roemt wel synen vrienden de
uytbuete, doch syner kinderen ooghen sullen versmachten (Job
17:5).
Homo spectat .... Een mensche siet wat voor ooghen is,
daerenteghen de Heere siet het herte aen (1 Samuel 16:7).
Blz. 106.
Intelligat homo .... Moge de mensch begrijpen dat God een
arts is en dat de beproeving een medicijn is voor zijn genezing, en geen straf
ter vervloeking. Onder zijn behandeling wordt ge gebrand en gesneden, en ge
schreeuwt het uit: maar de arts slaat geen acht op uw wenschen, maar alleen op
uw gezondheid.
Mon violon .... Mijn harpe is een clage gheworden, ende
mijn fluyte een weenen (Job 30:31).
Blz. 110.
In manu .... In de hand van God rust het bestuur van de
wereld; in iederen tijd geeft hij haar den geschikten man
(Ecclesiasticus 10:4). | | | |
Tu me feras .... Ghy doet my cont den wech ten leven: voor
u is vruechde de volheyt, ende lieflijck wesen tot uwer rechter hant
eewichlijck (Psalm 16:11).
Blz. 115.
Fata regunt homines. Het lot beheerscht de menschen.
Impurus .... Nimmer geniet de onreine reine vreugden.
Ta main .... Uwe handt sal vinden alle uwe vyanden: uwe
rechter hant sal vinden, die u haten (Psalm 21:9).
Blz. 117.
Satis diu .... Maar al te lang hebt ge ons met woorden
opgehouden: tot dusver heeft uw woord ons al genoeg bedrogen.
Ne favorise .... Begunstigt de aanzienlijken niet, veracht
niet de geringen; maakt uw wetten niet tot een spinneweb, een stof, waarin het
kleine vliegje zich verwart, terwijl de luidgonzende horzel het weefsel
vernielt.
Blz. 119.
Este pares .... Weest eensgezind en leeft daarom
eendrachtig, want uw schoonheid, uw lied en uw liefde, alsook uw jeugd, heeft u
verbonden: een kracht die van geen wijken weet.
La grace .... De genade Gods is een groote vloed van
weldaden, die niet vergaan, een veilig bezit, een onuitputtelijke bron, waaraan
nooit noch het vette der aarde, noch het hemelsche geluk ontbreekt.
Blz. 122.
Rebus angustis .... Betoon u in tijden van nood vol moed en
kracht.
La voix .... De stemme des Heeren verbreect de Cederen, de
Heere verbreect de Cederen in Libanon. Ende maecktse springhen als een kalf,
Libanon ende Sirion, als eenen jonghen Eenhoren (Psalm
29:5-6).
Blz. 126.
Imo Princeps .... Het ambt van den vorst immers is
ingesteld terwille van den staat, en niet de staat terwille van den vorst. Waar
de koning zich een tyran betoont ten opzichte van het volk, heeft het volk het
recht van scheiding.
Dieu n'a fait .... God heeft (zegt men) met eenzelfde bevel
voor de vorsten de vazallen geschapen, maar voor deze de koningen.
Blz. 128.
Deus tibi .... God zal u het levenseinde geven dat uw daden
verdienen. Geen booswicht is gelukkig.
O Dieu misericorde .... O mededoogend God, o zachtmoedig
Vader, gun uw zoon nog een korte spanne tijds, Heer, duld niet dat uw grootste
haters lachen over zijn dood.
Blz. 134.
Tria vestimentorum .... In drieërlei soorten kleederen
gaan de vromen: zij moeten in een zwart gewaad treuren, of in een rood
vervolging doorstaan, of in een wit kleed de overwinning vieren. Laat ons niet
van belang achten, van welke kleur de kleederen zijn die we híer dragen,
mits we tenslotte, prijkend in het wit, ons in alle eeuwigheid met Christus
kunnen verheugen.
Par une seule .... Door den dood van één
enkele doen wij duizend dooden te niet, door hem ontkomen wij aan het graf van
dit lichaam, wij worden herschapen in engelen des lichts en van aangezicht tot
aangezicht aanschouwen wij de schoonheid Gods.
Blz. 135.
Auraicus Princeps .... De Prins van Oranje ligt verslagen
door het verraad van den Spaanschen tyran; op andere wijze had hij niet
overwonnen kunnen worden.
Blz. 137.
Victa iacet .... De vroomheid ligt verslagen terneer: de
maagd Astraea (de Gerechtigheid) heeft als de laatste der goden de
bloed-bedropen aarde verlaten.
Car la tristesse .... Want de droefheydt die nae God is,
die werckt onberouwelicke beceringhe der salicheyt, maer de droefheyt der
werelt werct de doot (2 Corinth. 7:10).
Blz. 141.
Prope est .... De Heere is na by allen, die hem aenroepen,
allen die hem met ernste aenroepen (Psalm 145:18).
J'en appelle .... Ik roep u aan, o God, ik doe een beroep
op den rechtvaardigen God, op den goeden en goedertieren God, en hoe? Uw sterke
arm verwerft zich roem door een kameel in het graf te werpen, die niets meer is
dan beenderen, pezen en vel.
Blz. 145.
Sic rerum invertitur ordo. Aldus verkeert 's werelds
loop.
Pourquoy te vantes .... Wat trotzt ghy dan, ghy Tyran, dat
ghy | | | | cont schade doen: so doch Gods goedertierenheydt noch
daghelijcx duert (Psalm 52:3).
Blz. 146.
Nullum ingenium .... Nimmer was een groot vernuft vrij van
eenige dwaasheid.
Blz. 149.
Si Papae .... Als het den Paus vergund is, zult gij van
keizer tot slaaf worden.
Fortiter malum .... Wie krachtig het kwaad verduurt, geniet
naderhand het goede.
Quand j'ai esté .... Wanneer my angst is, so roepe
ick den Heere aen, ende schreye tot mijnen God: so verhoort hy mijn stemme van
zijnen Tempel, ende mijn roepen coemt voor hem, tot zijnen ooren (Psalm
18:7).
Blz. 152.
Nullum ad nocendum .... Voor de boozen is geen tijd te kort
om kwaad te doen. Op zijn tong draagt hij honig, maar intusschen probeert hij
ruggelings toe te steken.
Les ouvriers .... Willen dan de quaetdoenders hen niet
segghen laten: die mijn volck verslinden, dat sy hen geneeren: God en roepen sy
niet aen (Psalm 53:5).
Blz. 155.
Fide Domino .... Vertrouw op den Heer, en hij zal het
wèl maken.
Savorez & voyez .... Smaeckt ende siet, hoe vriendelick
de Heere is: wel dien, die op hem betrouwet (Psalm 34:9).
Blz. 158.
Immensa est .... Onbegrensd is de macht des hemels en
zonder einde, en al wat de goden ooit gewild hebben, is geschied.
O Dieu! .... Uwe gherechticheyt staet als de bergen Gods,
ende uwe recht als groote diepte .... Hoe dierbaer is uwe goedertierenheyt,
Godt, dat de menschenkinderen, onder de schaduwe uwer vlueghelen vertrouwen
(Psalm 36:6-7; Statenvert. 7-8).
Blz. 161.
Scilicet .... Men weet het: van tijd tot tijd mengt zich
onder de vreugde wat verdriet.
Car nous scavons .... Want wy weten ist dat dit onse
Aertsche huys deses Tabernakels ghebroken wordt, so hebben wy een timmeringhe
van Gode, namelick, een huys dat sonder handen gemaect, ende eewich is in de
Hemelen (2 Corinth. 5:1).
Blz. 164.
Pontifices .... Nimmer betaamt het den priesters, oorlog te
voeren.
Et Christ veut .... En Christus wil dat de zijnen, bevrijd
van moeite en verdriet, na hun dood geen andere woning hebben dan hijzelf.
Blz. 167.
Timenti .... Voor wie den Heer vreest werken alle dingen
mede ten goede.
O que bien-heureuse .... Wel den volcke, diens de Heere een
Godt is: het volck, dat hy ten erve vercoren heeft. (Psalm
33:12).
Blz. 171.
Mors .... De dood maakt scepters aan houweelen gelijk.
l'Homme .... De mensche van eener vrouwen gheboren, leeft
eenen corten tijt, ende is vol onrusten. Gaet op ghelijck als een bloeme, ende
valt af, vlucht als een schaduwe, ende en blijt niet (Job
14:1-2).
Blz. 176.
Sic Vos .... Zoo maakt gij, vogels, nesten, maar niet voor
uzelf.
Dominus .... De Heer zal het voor de zijnen volbrengen.
Non point .... Niet ons Heere, niet ons: maer uwen Name
gheeft eere, om uwer genade ende waerheyt wille (Psalm
115:1).
Blz. 180.
Ardua deturbans .... Moed en bezieling wrikken de
moeilijkheden van hun plaats en verdelgen ze.
Quos dies .... Hen die de rijzende dag vol trots heeft
gezien, zag de heengaande dag verslagen.
Cest Dieu .... (die God,) hy leert mijn hant strijden, ende
leert mijnen arm eenen metalen boghe spannen (Psalm 18:35).
Blz. 183.
Heu! cadit .... Helaas! dat iemand tot een zoo groote
misdaad is vervallen!
Ne fai .... Doe niet hetgeen ge kunt, maar wel hetgeen ge
moet. Buig u allereerst onder het juk van de wetten.
Blz. 185.
Plus triennio .... Den vijand heb ik slechts een langer dan
drie jaar belegerden puinhoop geschonken, maar het vaderland | | | | vier
van mijn dochtersteden. Dit is door den Heer geschied. Or soint .... Nu
klinke van den Eeuwige de eeuwige lof. Aldus verkeere hij temidden van zijn
getrouwe schare.
Blz. 189.
Sic pater .... Leer, o vader, ons zoodanig den vervlogen
levenstijd af te meten, dat onze geest zich van de vergankelijke bekommernissen
terugtrekt om het licht van hetgeen waarlijk edel is te aanschouwen.
Mais moi .... Ick doch wil schouwen uwe aensicht in
gerechticheyt: ick wil sadt worden, wanneer ick opwake na uwen beelde
(Psalm 17:15).
Blz. 192.
O Melibaee! .... O Melibaeus! Een god heeft ons deze rust
gegeven.
Insperatum auxilium. Een ongehoopte hulp.
Cedunt triremes .... Na den dood van Spinola weken de
overwonnen galeien terug voor (onze kleinere) schepen.
Beatus populus .... Welgelukzalig is het volk welks hulpe
God is.
Traxit, Duxit, Dedit. Hij (God) heeft ons getrokken,
geleid, en (de stad) gegeven.
Hà! tu fuis .... Ha, gij vlucht in uw nest, o
wreedaard. Maar het is ongewoon, dat tyrannen op hun legerstede sterven;
bloeddorstig als ze zijn, baden ze in het bloed en hun misdaden worden hun
vergolden door een wreeden dood.
Blz. 197.
Classis monumenta subactae. Een gedenkteeken van de
overwonnen vloot.
La voix .... De stemme des Heeren gaet op de wateren, de
God der eeren dondert, de Heere op groote wateren (Psalm
29:3).
Blz. 201.
Conveniunt .... Dikwijls stemmen namen overeen met de zaken
die ze benoemen.
Cum haereticis .... Met ketters mogen Katholieken geen
enkelen handel en geen enkelen vrede hebben.
Eternel! .... Heere, leyt my in uwer gerechticheyt om myner
vyanden wille: richtet uwen wech voor my henen. Want ghy Heere seghenet de
rechtveerdighe, ghy croontse met ghenaden als met eenen schilde (Psalm
5:9-13).
Blz. 206.
Nunc equidem .... Nu evenwel is er vrede, maar geen
vertrouwen in den vrede.
Garde moy .... Bewaert my God, want ick betrouwe op u. De
Heere doch is mijn goet ende mijn deel: ghy onderhoudet mijn erfdeel
(Psalm 16:1-5).
Blz. 209.
Pernicies .... Wat is het grootste verderf voor de
menschen? Enkel en alleen de medemensch.
Diabolus .... De duivel zou niet de overhand krijgen op
ons, indien wij hem niet sterk maakten door onze tekortkomingen en hem door
onze zonde in de gelegenheid stelden om ons te overheerschen.
O sceptres! .... O scepters, o diademen, o hoogverheven
tronen, hoeveel afschuwelijk verraad hebt gij veroorzaakt!
Blz. 213.
Clamaverunt .... Wanneer de rechtveerdige roepen, so hooret
de Heere (Psalm 34:18).
l'Eternel .... De Heere leeft, ende geloeft sy mijn Hort,
ende de God mijns heyls moet verheven worden (Psalm 18:47).
Blz. 216.
Tu decus omne tuis. Gij maakt al den roem uit der uwen.
Tam Marti quam Mercurio. Zoowel in den oorlog als in den
handel.
Gratia Dei sum quod sum. Door de genade des Heeren ben ik
wat ik ben.
Les cieux .... De Hemelen vertellen de eere Gods: ende de
vasticheyt vercondicht zijner handen werck (Psalm 19:2).
Blz. 220.
O Dieu fort! .... Ick roepe tot u, dat ghy God my woudet
verhooren: neycht uwe ooren tot my, hoort myne reden (Psalm
17:6).
Sancte parens .... Heilige vader, wiens mededoogen geen
grenzen kent, wil acht slaan op den smeekeling en den berooide.
Blz. 223.
Fidei abrogatione .... Elke menschelijke samenleving wordt
opgeheven door het verbreken van het woord van trouw.
Les Espagnols .... De Spanjaarden kunnen hun gewone
praktijken niet afwennen.
Blz. 226.
Iustum bellum .... Een rechtvaardige oorlog is te verkiezen
boven een onrechtvaardigen vrede. | | | |
Delivre ton peuple .... Helpt uwen volcke, ende segent uwe
erve, ende weydtse ende verhoochtse eewichlijck (Psalm
28:9).
Blz. 230.
O ter beatum .... O driewerf gelukzalig wien God beschermt
met de trouwe hoede van den hemel.
Garde moi .... Behoedt my als eenen oogenappel, inder
ooghe: beschermt my onder de schaduwe uwer vlueghelen (Psalm
17:8).
Blz. 235.
Usque dum .... Zoolang God haar beschermt, belegert (de
vijand) haar tevergeefs.
La loy .... De Wet des Heeren is sonder vlecke, ende
verquickt de zielen: de getuygenisse des Heeren is ghewis, ende maect de
onverstandighe wijs (Psalm 19:8).
Blz. 238.
Nunc spe nunc metu. Nu eens in hoop, dan weer in
vreeze.
Si Deus .... Indien God met ons is, wie zal tegen ons
zijn?
Le regne .... Want de Heere heeft een Rijcke, ende hy
heerschet onder de Heydenen. Hy sal een zaet hebben dat hem dient: van den
Heere sal men vercondigen tot kints kinde (Psalm 22:29, 31).
Blz. 241.
Nunquam carebunt .... Nimmer zullen wie nooit de zonde
hebben willen laten, hun straf ontgaan.
O Tyrans .... O woeste tyrannen, vestigt hierop uwe oogen,
overweegt dit wel, vertoornt den hemel niet.
Blz. 251.
O si mon peuple .... Woude mijn volck my gehoorsaem zijn,
ende Israel op mijnen weghe gaen. So woude ick hare vyanden in corten dempen,
ende mijne handt over hare wederpartijders wenden (Psalm
81:14-15).
Blz. 255.
Humanis opibus non haec. Deze dingen zijn niet door
menschelijke krachten.
Et pourtant .... Daerom sullen u alle Heyligen bidden, ter
rechter tijt: daerom wanneer groote watervloeden comen, sullen sy aen den
selven niet gheraken (Psalm 32:6).
Blz. 259.
A Iove principium. Bij Jupiter (God) is het begin.
Non viribus .... Niet door hun kracht, maar door de
rechtvaardigheid van hun zaak zijn zij machtiger. En tenslotte overwint de zaak
van het goede.
Magnifiez .... Prijset met my den Heere, ende laet ons met
malcanderen zijnen Naem verhoogen (Psalm 34:4).
Blz. 263.
Dieu nous est .... God is onse toevlucht ende sterckte, een
hulpe in den grooten nooden, die ons gheraeckt hebben. Daeromme en vreese wy
ons niet, wanneer oock alreede de werelt onderginghe, ende de berghen midden in
de Zee soncken. Wanneer oock alreede de Zee raesde, ende wentelde dat van
haerder onghestuymicheydt de berghen invielen. De Heere Zebaoth is met ons, de
Godt de God Jacobs is mijn beschuttinge (Psalm 46: 2-4, 8).
Blz. 266.
Nam quae .... Want wat kan een sterveling verwachten, welke
waanzin is grooter (dan deze): dat iemand in zijn waan het rijk van God
(Jupiter) wil doorvorschen?
Moi! Je ne luy .... Wanneer ick oock alreede recht hebbe,
so en can ick hem dannoch niet antwoorden, maer ick moeste om mijn recht
smeecken (Job 9:15).
Blz. 269.
Pulchrum pro patria mori. Schoon is het, voor het vaderland
te sterven.
Assez vit .... Genoeg leeft degeen, die goed leeft; want de
levensloop wordt niet geteld aan het aantal dagen, maar aan het aantal goede
daden; en het sterfelijke leven is slechts een oogenblik, een niets in
vergelijking met de eeuwigheid.
Blz. 272.
O potens .... O God die de wereld regeert, verhoor
zachtmoedig en met een gunstig oor mijn woorden, ontvang, gij gestrenge, de
droeve klachten van mijn geest zonder hardheid.
Celuy qui .... Wie zondigt voor het aanschijn van zijn
Schepper, valt in de handen van den arts (Ecclesiasticus
38:15).
Blz. 276.
Car tu .... Want ghy zijt der cleynen stercte, der armen
stercte in droffenisse, een toevlucht voor den onweder, een schaduwe voor der
hitte, wanneer de Tyranne woeden, als een onweder teghen eenen want
(Jesaja 25:4).
Opus tuum confirma Domine! Heer, bevestig uw werk!
|
|
|