ALS een Schip in de Zee gaet, soo setmen het Boot in het groote Schip, het welck aldaer een groote ruymte neemt, ende de Bootsghesellen seer in de weech is; dan moet nochtans mee varen, niet teghenstaende alle ongherijf ende onghemack datmer af lijdt om datmen daer mede noodigh moet aen het landt gaen, alsmen in de Haven komt: daerom datmen met reden seyt:
Die wat spaert / die wat heeft.