terug  begin  verderprepost
[p. 16]

XVI Galick* en meewarigh*I, 16

 


MACH recht ghevoert werden van een goedigh reckelijck mensch, die hem laet ghebruycken, en waerdigh is om ghebruyckt te worden in alle saken, diemen juyst niet na de uyterste strengheydt van Iustitie, maer nae de goede billicheydt (vermengt met reden) moet decideren, oft aen de een zyde legghen: ghelijck als de Heughel* gaet op en neder, ende de Voutheughel* gaet breedt ende enge, ghevoeghelijck nae de potten of te ketels, daermense toe te ghebruycken noodigh heeft.




illustratie


I, 16Galick = samentrekking van gadelijk, gemakkelijk, handelbaar.
Meewarigh = vriendelijk.
Heugel of hogel = het getande ijzer, door middel waarvan de pot of ketel hoger of lager over het vuur kan gehangen worden.
Voutheughel, voetheugel = soort van tang, die onder aan de heugel gehangen wordt en geschikt is voor meer of minder brede potten.
prepostterug  begin  verder