De werken van Vondel. Deel 2. 1620-1627


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 223]



illustratie

De Heerlyckheyd van Salomon.
Of het tweede deel vande vierde dagh der tweeder weke.aant.aant.aant.aant.aant.

Gedicht by Wylen Gvillavme de Salvste Heere van Bartas, Phoenix vande Fransche Poëten.

Uyt het Fransch in Nederduytsch vertaelt door I.v. Vondelen.

Christvs.

Hier is meer als Salomon.

t' Amsteldam, Voor Dirck Pietersz. Boeckverkooper op't Water/inde witte Persse / recht over de Korenmerckt. ANNO 1620.

[p. 224]

DE HEERLYCKHEYD VAN SALOMON WORDT HIER afgedrukt volgens de eerste uitgave: T' Amsteldam, Voor Dirck Pietersz. Boeckverkooper op't Water / inde witte Persse / recht over de Korenmerckt. Anno 1620. (Bibliographie van Vondels werken Nr. 98). Zie verder hiervoor blz. 74.

Dit gedicht is 'n vertaling van La Magnificence de Salomon, ou, seconde partie du quatrieme iour de la seconde Sepmaine, uit Seconde Sepmaine van du Bartas (zie Dl. 1, blz. 473).

In de tietel: Christus. Hier is meer als Salomon. Kristus heeft deze woorden van zich zelf gezegd (Lukas 11:31).

[p. 225]

De vertaelder Aen Keyzeren, Koningen, en allen Geweldigen op aerden.*
Klinckert.

 
Ghy die van peerlen goud en diamanten schimmert,1
 
Goon, in wiens voorhoofd God zijn beeld heeft ingedruckt,2
 
Die 't purper kraecken doet, en kreuckt uw hayr, gejuckt3
 
Met glansich kroonengoud te weeldigh opgetimmert:4
 
5
VVord niet jeloers wanneer ghy SALOMON ziet brallen,5
 
Die op zijns Vaders throon der Rijcken Scepters zweyt,6
 
En met de blixems van zijn heyl'ge Majesteyt
 
Ontschept en doodverwt die voor hem op 't aenzicht vallen.8
 
 
Hoe sterck zijn glori straelt, noch is 't maer enckel roock.9
10
Zijn pracht, en prael verwelckt: zoo smilt uw blyschap oock:10
 
Zijt dan op sterflijck leen hooveerdigh, noch vermetel.
 
 
Geen Rijck bestendigh is als 't Hemelsch Koninghrijck
 
Daer IESUS heerscht, die u Monarchen algelijck13
 
Geweldigh dagen zal ter vierschaer voor zijn zetel.14

Door een is 't nu voldaen.

[p. 226]

De vertaelder Wenscht zynen Vrund den heer Dierick Korver alles goeds.*

1 Hetgene de voortreffelijcke Michel de Montaigne in 't algemeen van1 2 een uytnemende Poeetisch werck getuyght, daer hy schrijft: La bonne2 3 la supreme la divine, est au dessus des regles de la raison. Quiconque en3 4 discerne la beauté d'une veüe ferme & rassise, il ne la void pas: non plus4 5 que la splendeur d'un esclair. Elle ne prattique point nostre jugement: elle le5 6 ravit & ravage. dat zelve mogen wy in 't byzonder van dit juweel spreken:6 7 waerin de Heere van Bartas schynt hem zelven te overtreffen, en uyt de 8 Heerlyckheyd des grooten Salomons zynen glans te scheppen. Want 9 gelyck hier de stoffe uytnemende is, alzoo is oock de kunst ongemeen, 10 en de gedichtlievende Lezer word van een aerdsche tot een Hemelsche 11 glori opgetogen: zoo dat hy Salomon vergetende, opstyght voor de11 12 voeten van Christus aller Koningen Koningh, wien alle macht in Hemel12-13 13 en op aerde gegeven is, en inde welcke de volheyd der Godheyd licha-13 14 melyck woont, en alle schatten van wysheyd en kennisse verborgen zyn.14 15 Heeft ons oordeel dan in zulcken Goddelycken licht geschemerooght:15

[p. 227]

16 hebben onze teedere oogen qualyck zoo heylige blixemen konnen ver-16 17 dragen: en is hier Salustius niet als Salustius uytgedruckt: dat willen wij17 18 geerne toestaen. Evenwel myn Zangeresse leergierigh, heeft, om haer18 19 feylen aengewezen te zien, haer zelven willen onderwerpen uwe A.19 20 oordeel, het welck zy heeft ervaren te wezen gezond ryp en bezadight,20 21 zoo datze wenscht indien de Rymers malkanderen eenmael uytdagen21 22 om zonder bloedstortinge om den palm of lauwerhoed te kampen: dat22 23 uwe A. de voorplaets onder de Scheydsmannen mooght bekleeden ten23 24 eynde het vonnis te billycker gestreken werde. Ontfanght dan jonstige24 25 KORVER myn geleende veerzen, en doet ons die eere dat ghy onze25 26 feylgrepen op de kant aenteekent op dat wyze aenmerckende naemaels26 27 beteren. t'Amstelredam dezen 28. van Loumaend 1620.

Uwe A. verplichte Vrund*

I.V. VONDELEN.

[p. 228]

Voorreden.

1 Ick hebbe, Lezer, meermaels voorgehad mijn plompe handen aen dit1 2 zuyvere te slaen, maer vreeze heeft my altijd doen aerzelen, om dat ick2 3 ontzag, met ongewyde vingeren deze Arcke aen te tasten: en liet my3 4 vastelijck voorstaen dat geen gemeen Priester of Levyt, maer wel een4 5 hooger als ick geoorloft was zijn voetzool in dit heylige der heyligen te 6 zetten. Mijn gevoelen hier in wierd versterckt vermids het loflijck ge-6 7 tuygenisse dat de aldertreffelijcxste verstanden van dit Puyckjen gaven:7 8 gelijck dan neffens andere zynen Uytlegger Simon Goulart hier van8 9 luydskeels trompettet in deze woorden: s'ensuit la MAGNIFICENCE9 10 ou seconde partie du quatriesme jour de la seconde Sepmaine, ou Salomon 11 est proposé esleu pour successeur a son pere. Sa sapience, son mariage, 12 son Temple basti a l'Eternel, y sont si magnifiquement descrits, qu'en cet 13 eschantillon le Sieur du Bartas semble avoir voulu surmonter soy-mesne,13 14 & par ses riches inventions debatre avecq la dignité d'un si sublime sujet.14 15 Dat is: volght de HEERLYCKHEYD of het tweede deel vande vierde dagh 16 der tweeder weke, alwaer Salomon word voorgestelt als zijns vaders gekoren16 17 nazaet. zijn wijsheyd, zijn houwelijck, zynen Tempel Gode gebouwt, wordter 18 zoo heerlijck beschreven, dat in dit munster-stael de Heere van Bartas18 19 schijnt hem zelven te willen overtreffen, en met zijn rijcke verzieringen te19

[p. 229]

20 worstelen met de weerdigheyd van zoo hooghwichtige stoffe. Het was dan 21 niet zonder oorzaeck dat ick my hier aen vreesde te bezondigen. Maer21 22 gelijck my vreeze zomtijds dede deynzen, alzoo noopte my wederom22 23 een heymelijcke hertstocht om eenmael te zien hoe ick deze fransche 24 Venus met een neerlands gewaed en hulsel zoude mogen toijen en op-24 25 smucken, en met Appelles ten toon zetten, om van nutte berispers mijn25 26 werck te laten keuren. Ick wiekte. Ick waeghde 't. Lezer, verwondert u 27 niet dat wy onder alle zijn puyckrymen dit paragon, deze Overkijcker,27 28 hebben uytgekeurt: zoo doen oock die gene die diamanten onder dia-28 29 manten uytpicken. Latet u oock niet vreemd toeschynen dat wy wat 30 tijds met vertalen spillen: een beroyd huysraed moet veeltijds van anderen30 31 wat te leen bezitten. En zoo ghy ons voorwerpt die boertery van d'Exter31 32 die onder de Paeuwen met geleende veeren dacht te proncken, wy voelen 33 dat wy heerlijck getackt, en op ons zeer geraeckt zijn, want wy brageren33 34 met het gene eens anders is. Maer eer ghy u aen onze rymen ergert, 35 zoo bidde ick dat ghy eerst deze dingen op de ryge overweeght: 1. dat35 36 wy u een vertalinge en geen eygen vindinge ter hand stellen. 2. dat wy 37 zoetelijcker hadden mogen vloeijen zoo wy ons niet naeuwer aende37 38 texst wilden binden. 3. dat mijn moeder my geen beter nederduyts ge-38 39 leert heeft. Magh ons dit niet afwasschen, en blijfdy evenwel daer op39 40 staen, dat wy met Phaëthon ons onderwonden hebben den Zonwagen40

[p. 230]

41 te mennen: ick hebbe niet te zeggen, dan my daer mede te troosten41 42 datmen ten minsten noch van my getuyge:

 
Hic situs est Phaëthon currus auriga paterni,43
 
Quem si non tenuit, magnis tamen excidit ausis.

45 Dat is:

 
Alhier light Phaéton verslagen
 
De Voerman van zyns vaders wagen:
 
Die, of hem is den toom ontgaen,48
 
Nochtans heeft vry wat stouts bestaen.

50 Lezer ick hebbe gezeyd. Leest nu het kort inhoud van onze overzet- 51 tinge, daer nae de vertalinge van het uytstekenste gedicht dezes God-51 52 delijcken Poeets, en oordeelt heusselijck van onze misslagen.52

[p. 231]

Het Inhoud.

1 De Poeet beschryft heerlyck in dit boeck de Heerlijckheyd van Salo- 2 mon de Zone Davids, het afzetzel, gedurende zijn wyze regeringe, van-2 3 den waren Salomon, de vrede-Vorst, Iesus Christus, de zone Godes, en3 4 Bruydegom der Kercken. Zijn voorreden vervaet een noodzaeckelijcke4 5 vertooninge van het onderscheyd tusschen hem, en de andere Poëten5 6 dezes tijds, voornamelijck inde langheyd van zijn voorgenomen werck,6 7 alwaer hy zich zedighlijck ontschuldight: daer nae volgens zijn voor-7 8 nemen komt ter zaecken: en als het eerste lid van zijn verhael stelt David8 9 voor, die met uytnemende leerstucken zynen zone onderwijst, om hem9 10 bequaem te maecken tot de regeeringe des Koningrijcx: beschryvende 11 de voornaemste deughden waermede een goed Vorst zich gedurighlijck11-12 12 behoort te vergezelschappen, daer nae de quaden waer van het hem 13 betaemt zich te wachten: het welck besloten word met de overlydinge13 14 dezes grooten Koninghs.

15 Het tweede lid begrijpt hoe God den Salomon verschijnt, wien Glorie,15 16 Rijckdom, Gezondheyd, en Wijsheyd aengeboden worden. Hy vanden16 17 heyligen Geest gedreven, stelt en met goede reden de Wijsheyd boven 18 alle de andere, waermede hem God begaeft, om zijn gaven in hem te18 19 kroonen. Daer nae stelt de Poeet voor oogen deze Wijsheyd van Salomon 20 bestaende, inde kennisse van alle Goddelijcke, natuurlijcke, en aerdsche20

[p. 232]

21 zaecken, voornamelijck inde bestieringe zyner onderzaten, en inde be-21 22 dieninge des gerechts, waer toe hy bybrenght een aenmerckelijck voor-22 23 beeld, genomen uyt de heylige geschichten uyt de tien hoofdstucken23 24 van het eerste boeck der Koningen, waer uyt dit heele Poeetsche werck24 25 getogen is.25

26 In het derde lid, hebbende aengewezen de geluckzalicheyt van Salo-26 27 mon, zoo verhandelt hy zijn houwelijck met de Vorstinne van Egypten:27 28 het welck vereyschende de alderschoonste streken van een waerachtigh 29 poetelijck pinceel, veroorzaeckt oock dat onze uytnemende dichter in 30 70. veerzen vervolght een schoone lusthof, waer uyt de Minneboefjens30 31 vertrecken die Salomon en Pharonida tot onderlinge minne bewegen,31 32 waerop het houwelijck word in het werck gestelt. Te dezer oorzaeck32 33 hebben het vertreck van Egypten, de aenkomste van deze Vorstinne te 34 Ierusalem, de ontmoetinge vande Koningh en haer, en haer bruylofts-34 35 mael haere bequame beschryvinge. Ende overmids dat dit houwelijck35 36 van Salomon yet wat grooters beteeckent, als de grootheyt zelf, te weten,36 37 de verborgen eenigheyd van Iesus Christus met zyn Kercke, de Poeet37 38 willende de Lezer om hooge voeren tot deze Goddelijcke betrachtinge,38 39 neemt de zaecke wat leeger: en onder het decxsel van Salomons bruylofts-39 40 feest te vereeren, vertoont ons een wonderbaerlijcke dans, te weten der40-41 41 Hemelen: alwaer vaste en dwalende-sterren een zoo juyst afgepaste be- 42 weginge hebben, dat alle andere beweginge ten aenzien van deze maer 43 lompery is. Onder andere past hy tot deze Goddelijcke dans Zon en43

[p. 233]

44 Maen: ende by de Zon stelt hy voor oogen Salomon en Christus: by de44 45 Maen, de Vorstinne van Egypten, en de Kercke. Dit alles ziet men hier 46 afgemaelt in veerzen die een oneyndelijcke schoone betrachtinge be- 47 helzen, en een ernstiger overweginge vereyschen als dit kort begryp:47 48 inzonderheyd, zo men waerneemt het gene hy daer aen hecht van het48 49 heyligh gespraecke des Bruydegoms met zyne Bruyt. Wy hebben korte-4949-50 50 lijck deze dingen op de kant aengeteeckent, om alle heylige gemoederen 51 te bekooren de meyninge des Poeets veel grondiger na te vorschen.51

52 Het leste lid begrijpt geen mindere verwonderinge inde beschryvinge52 53 van de bouwinge dezes heerlijcken Salomons Tempel, gesticht nae de53-54 54 groote weereld, en ingetogen inde dry boecken dezes wyzen Vorsts, wiens54 55 gebed gedaen inde inwydinge des Tempels hier by gevoeght word:55 56 En volgende de aenkomste vande Koninginne van Saba te Ierusalem:56 57 alwaer zy naevorscht de wijsheyd des Koninghs, die haer onderwyst 58 inde kennisse des eenigen waren Gods, waer uyt vloeyt de met rechte 59 verwonderinge des Koningins.

60 Eyndelijck het zy men waer neemt Salomons onderwyzinge, het zy60 61 de verschyninge Godes om hem te zegenen, of zijn wijsheyd, of zijn 62 glorie, of zijn houwelijck, het afzetzel van al onze geluckzaligheyd, of62 63 zynen Tempelbouw, of zijn gantsche gelegentheyd huysselijck, burger-6363-64 64 lijck, en geestelijck gedurende zijn Godsdienstigheyd, het zy de bouwinge64 65 en schoonheyd des gedichts dat alles voor oogen stelt: men moet be- 66 kennen, dat met recht dit boeck den tytel draeght van

67 DE HEERLYCKHEYD VAN SALOMON.