auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | | [Gedichten]
Ode op de gheboorte van onse Hollandtsche Sappho Anna Roemers.aant.aant.*
Als 't heiligh Noodgeheym wat zeldzaems ons wou jonnen, 1
En zaligen onze eeuw, doen quam in't licht der zonnen 2
Dees kunstrijcke Anna wien den hemel had bezint. 3
Zoo haast de Goden en Godinnen dit vernamen,
5
Zy met de Musen uyt haer hooghe zetels quamen 5
Om te begroeten, en te zegenen het kint.
Zy lagh in 's Voesters schoot, en sloegh de ted're lichten 7
Op d'ommestaanden Rey van blinckende aenghezichten:
Een heyl'ge glans, zoo 't scheen, zweefde om haer edel breyn.
10
De Rey der Hemellien schiep een te zonderlinghen 10
Genoeghen, en bestond eenstemmighlijck te zinghen, 11
En heyl te wenschen 't kind dat meer was als ghemeyn. 12
| | | |
Groeyt, zonghen zy, en bloeyt, ontluyckt, o bloem der bloemen! 13-vlgg.
O roem van uwe tijd, daer Roemer op magh roemen!
15
Eer van uws Vaders huis! en pronck van uwe stadt!
Gedurende de lent van uwe onnoosle jaren 16
Moet u noch leet, noch ramp, noch onspoed wedervaren, 17
Dien d'hemel opgheleyd heeft als een weerde schat. 18
De tijdt ghenaeckt, dat om den lofkrans te bejaghen,
20
Ghy noch Arachne met u naeldwerck uyt zult daghen: 20
Nature met't Pinceel, Graefyzer, kole, en krijt: 21
Polymnia met zangh: Erato met uw snaren: 22
De Schryvers met uw pen, die in elck een zal baren 23
Verwonderingh, als ghy der Schryv'ren Phoenix zijt. 24
25
Der kunst-bemind'ren oogh zal gaen de muren vryen, 25
Die rijck'lijck zijn bekleed met uwe schilderyen:
De Spiegelglazen die te cierlijck zijn vermaelt: 27
De Boecken ghestoffeert met duyzenderley dinghen, 28
Vol kunst, vol Printen, en verscheyden teeckeninghen:
30
De zyde stoffen die ghezielt zijn van uw naeld. 30
| | | |
Maer dit zal 't minste zijn, wanneer de Faem zal loven
Vw rijm, en Proze, dat zijn ziel ontfingh van boven,
Als Grotius verstomt: als Cats zoo bril toekijckt: 33
Als Hooft verwondert staet: als Heyns met zijnen Schryver34
35
Uw gulde Veerzen leest, en d'een uyt grooten yver
By Pallas, d'ander u by Sappho verghelijckt: 36
Wanneer ghy met uw dicht verdient de lauwerbladers,
En ciert de Poppen, en uytbeeldingen uws Vaders, 38
Die uw in wijsheyds School van jonghs heeft opghequeeckt.
40
Wie dan uw Spreucken, en uw Rijmen komt t'erkouwen 40
Zal roepen: dit 's geen maeghd, noch van't gheslacht der Vrouwen,
'T is Maro die hier zinght, 't is Cato die hier spreeckt. 42
Wast op gheluckigh kind! wast op in goede zeden
Die van't verwond'ren noch zult worden aenghebeden, 44
45
Vermids uw oordeel, en uytsteeckende verstand. 45
Wast op geluckigh kind! cieraet van uwe tijden!
Den Hemel u beschut voor al die u benijden.
Wast tot een wonder van het prachtigh Nederland.
Zoo eyndighde de groet, en zegheningh der Goden,
50
Die haer gheschencken mild de jonghe vrucht aenboden, 50
En met een hemelsch spoock verdwenen uyt 't gezicht. 51
De spruyt nam toe, en hoe zy meer bestond te bloeyen, 52
| | | |
Te meer de wijsheyt met haer jaren scheen te groeyen,
En 't geen eerst minder was dat wierd een grooter licht.
55
Ten langhe lesten moet de nijd nu zelf belijen
Dat in haer zijn vervult der Goden prophecijen,
Dat 's Hemels schatten zijn te recht aen haer besteed.
Gheestrijcke Ionckvrouwe, O wat zullen wij u wyen! 58
De Nymphen van ons Y haer in uwe eer verblyen, 59
60
En staen tot uwen dienst wilveerdigh en bereed. 60
Maer uytghelezen Maeghd! vermids der grooten gunsten,
En 's levens ydelheyd verdwijnt met alle kunsten 62
Vergaept u niet aen 'tgeen dat schielick zal vergaen.
Wilt met uw schrand're geest niet hier beneden marren, 64
65
Maer altijt hoogher gaen, en zweven nae de starren.
En Hemelwaerts 'tgezicht als een Sibylla slaen. 66
|
*Van 1620. Afgedrukt naar de uitgave in Roemer Visschers Zinne-poppen Alle verciert met Rijmen, en sommighe met Proze; Door zijn Dochter Anna Roemers. T'Amsterdam By willem Iansz. op't water in de Sonnewyser (zonder jaar), Blad A6 (achterkant en vlgg.).
Anna Roemers, Roemer Visscher's oudste dochter, geboren omtrent 1583 in Amsterdam, in 1624 gehuwd met Dominicus Boot van Wesel, baljuw van de Nieuwe Zijpe in N.-Holland.
Omtrent 1640 is zij katoliek geworden, en in 1651 in Alkmaar gestorven. Zij was bekwaam in allerlei fraaie uitvoerende kunsten (zie vs. 19-vlgg. en Hooft's sonnet van 1621) en bekend als dichteres. Zij heeft in deze 3e uitgave van de Sinnepoppen en bij de Minne-Poppen onder de afbeeldingen (de ‘Poppen’) tweeregelige versjes bijgevoegd en ook bij verschillende ‘Poppen’ de prozaverklaring of ‘zinne’ (soms ook in verzen), waar die ontbrak.
Sappho: in de oudheid beroemde Griekse lieriese dichteres van 't eiland Lesbos, ze leefde omtrent 600 v. Kr.; ze wordt wel de tiende muze genoemd, zie op vs. 5.
1Noodgeheym: noodlot (uit de Grieks-Romeinse mythologie) ; jonnen: gunnen, schenken.
2zaligen: gelukkig maken; onze eeuw: onze tijd; doen: toen; der zonnen: van de zon.
3wien....: die door de hemel werd bemind ( wien, ook voor 't vrouwelik; verg. dien in vs. 18); had bezint: lief had.
5de Musen: de negen godinnen die de kunsten en wetenschappen beschermden.
7's Voesters: van de voedster (ook vrouwel. woorden hadden de s van 't manl.); lichten: ogen.
10schiep een te zonderlinghen genoeghen: had 'n heel biezonder genoegen, was buitengewoon verheugd.
13-vlgg.Deze heilwens van de goden (tot vs. 48) is 'n navolging van Catullus die in zijn Carmen LXIV, Epithalamium Pelei et Thetidos (Bruiloftszang van Peleus en Thetis) vs. 323-381, de Parcae (schikgodinnen) 'n zegewens laat zingen voor de jonggehuwden, waarin ze de roem verkondigen van hun toekomstige zoon Achilles. De inhoud is bij Vondel natuurlik heel anders; bloem der bloemen: heerlikste van alle bloemen.
16onnoosle: onschuldige, kinderlike.
18opgheleyd heeft als een weerde schat: opgelegd, bewaard heeft als 'n kostelike schat.
20Arachne: 'n Lydies meisje, dat met Pallas (de Latijnse Minerva) de godin van alle kunsten en wetenschappen, 'n wedstrijd in de weefkunst aanging, en door deze overwonnen en in 'n spin veranderd werd; ( Arachne is 't Griekse woord ἀράχνη voor spin; zie Vondel's vertaling van Ovidius' Herscheppinge, Boek VI, vs. 99-vlgg.).
21Gij zult de natuur uitdagen, wedijveren met de natuur door uw penseel (schilderkunst), graveerkunst en tekenkunst; Graefyzer: etsnaald, graveerstift ( graven: graveren).
22Polymnia: (of Polyhymnia) een der negen muzen, de muze van de godsdienstige en andere ernstige hymnen of lofzangen; hier bedoeld als de godin van 't zingen; Anna was vooral beroemd door haar zangkunst; Erato: de muze van 't minnedicht, ze werd afgebeeld met de lier ( Eráto = de bekoorlike, eigenl. uitspr. érato); met uw snaren: met uw luitspel.
23Schryvers: schrijvers van fraaie schrijfkunst.
24Verwonderingh: bewondering; als: daar; Phoenix: voortreffelikste ( phoenix de fabelachtige vogel, zie Dl. 1 blz. 762 op r. 1).
25de muren vryen: met verlangen de wanden zoeken.
27Spiegelglazen: de spiegelende glaze bekers, glaze roemers; te: heel; vermaelt: geëtst (met diamant); vgl. Hooft's sonnet vs. 1: Soo 't u, met diamant, lust op een glas te stippen.
28ghestoffeert: versierd, verlucht.
30ghezielt....: bezield zijn, geborduurd met de uitbeeldingen naar 't leven.
33Grotius: Hugo de Groot; zoo bril toekijckt: zo beteuterd erbij staat te kijken.
34Heyns: Daniël Heinsius, schrijver van Latijnse en Nederlandse gedichten (o.a. Nederduitsche Poëmata) ; zijnen Schryver: zijn vriend, Peter Schrijver (zie blz. 414).
36Pallas zie aant. op vs. 20; Pallas was vooral de godin van de dichtkunst.
38Poppen: de Sinnepoppen van Roemer Visscher, waarvoor Anna de onderschriften rijmde.
40uw Spreucken, en uw Rijmen de tweeregelige versjes, die ze onder de Zinnepoppen maakte; komt t'erkouwen: telkens en telkens herleest ( erkouwen: herkouwen).
42Maro: Publius Vergilius Maro, de beroemde Latijnse dichter; Cato: de schrijver van de bekende Latijnse spreuken: Catonis disticha de moribus (tweeregelige zededichtjes) van omtrent 400 na Kr. bekend. Waarschijnlik is er geen Cato, dichter van die spreuken, geweest; maar heten ze van Cato (Catonis), omdat ze vol wijsheid zijn, als van de wijze Cato: Marcus Porcius Cato, censorius (de strenge zedemeester) en sapiens (de wijze) bijgenaamd, 234-149 v. Kr.
44van't verwond'ren: door de bewondering; door de bewonderaars.
45Vermids: om (reden van).
50haer: hun; de jonghe vrucht: de jonge spruit (vs. 52), 't jonge kind.
51met een hemelsch spoock: met 'n hemelse verschijning, met 'n hemelse straleglans.
58Gheestrijcke: rijk aan geest, hoog begaafde.
59De Nymphen: de meisjes.
60wilveerdigh en bereed: (wilvaardig) gewillig en bereid.
62't Kleine leven en alle kunsten voorbij gaan, tijdelik zijn.
64marren: talmen, vertoeven.
66Sibylla: profetes vóór Kristus, onder de heidenen; dus als een Sibylla: als 'n profetes, die zich alleen met goddelike dingen bezighoudt.
|
|