De werken van Vondel. Deel 2. 1620-1627


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 755]

Krachteloose Paepenblixem, toegeeygent Lamotivs en Wallaevs,
Biechtvaders van Heer Iohan van Oldenbarnevelt.aant.aant.aant.*

 
De Goden hadden Bogerman den blixem betrout,1
 
Om die tegen ontucht heyligh te gebruycken:2
 
Die schynheyligen Engel werdt hier op stout,3
 
En schon al d'edelste vruchten, en vroomste struycken:4
5
Ja hy dreychde de Zeegoden selfs te doen duycken:
 
Dies sy hem ontwapenden door een wettich besluyt.5-66
 
Doen behiel hy geen heylichdom als leege kannen en kruycken,7
 
Hy stofte op syn ban-blixem, maer de kracht wasser uyt,
 
En hoochst waenende te vliegen besweecken syn vleugelen.9
10
Nu streckt hy maer een moolick voor slechte veugelen.10