auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Krachteloose Paepenblixem, toegeeygent Lamotivs en Wallaevs,
Biechtvaders van Heer Iohan van Oldenbarnevelt.aant.aant.aant.*
De Goden hadden Bogerman den blixem betrout, 1
Om die tegen ontucht heyligh te gebruycken: 2
Die schynheyligen Engel werdt hier op stout, 3
En schon al d'edelste vruchten, en vroomste struycken: 4
5
Ja hy dreychde de Zeegoden selfs te doen duycken:
Dies sy hem ontwapenden door een wettich besluyt. 5-66
Doen behiel hy geen heylichdom als leege kannen en kruycken, 7
Hy stofte op syn ban-blixem, maer de kracht wasser uyt,
En hoochst waenende te vliegen besweecken syn vleugelen. 9
10
Nu streckt hy maer een moolick voor slechte veugelen. 10
|
*Van 1625? Afgedr. volgens de eerste uitg. in plano (Bibliogr. van Vondels werken nr. 748).
In de tietel: Krachteloose Paepenblixem: krachteloze predikantenbliksem; Vondel noemt dit dichtje zo, omdat ie spot met de banbliksems van de voorzitter van de Dordse synode, de predikant Johan Bogerman (1576-1637), die ‘een voornaem aendrijver is van de doodt des Heeren van Oldenbarnevelt, en van 't uitbannen der Remonstranten’; paep: 't oude woord voor priester, hier en elders dikwels voor predikant gebruikt; toegeeygent: opgedragen aan; Lamotius en Wallaeus: de twee predikanten die Oldenb. in zijn laatste uren hebben bijgestaan (zie Palamedes, blz. 729 aant. op vs. 1874-1875); Vondel noemt ze daarom ‘ biechtvaders.’
1De Goden: de predikanten en andere leden van de Dordse synode; spottend de Goden genoemd.
2ontucht: tuchteloosheid, wanorde (oorspr. betekenis), hier: ‘de scheuring der enigheid’ van de Remonstranten; heyligh: met heiligheid, ter ere Gods.
3schynheyligen Engel: die schijnheilige afgezant (van de synode); schijnheilig in tegenstelling met 't heyligh van de vorige regel; stout: overmoedig.
4schon: schond (van schennen uit schenden) ; vroomste: kloekste, voortreffelikste (hier vroom in de dubbele betekenis: kloek en rechtschapen, omdat bedoeld worden de Remonstr. predikanten).
5-6de Zeegoden: de kerkelike overheden in de zeegewesten; hier wordt de Friese gewestelike synode bedoeld, die in 1619 na de Dordse synode Bogerman, predikant te Leeuwarden, zeer ernstig had berispt, omdat hij in Dord zijn last te buiten was gegaan, en over iedereen de baas wil spelen, en ‘soekt nu over hoogh en laeg, kerkelijk en wereltlijk, het Primaetschap te hebben.’ Bogerman was afgevaardigde van de Friese synode naar de Dordse; hij was ook voorzitter van de bijbelvertaling, en heeft aan de Statenbijbel 10 jaren meegewerkt; de Zeegoden te doen duycken: de Friese synode te overheersen.
6Dit slaat op 't besluit van de Friese synode, om de Dordse nieuwigheden (de Dordse kerkenordening) niet aan te nemen; ook de Staten van Friesland (de Friese landdag) weigerden.
7heylichdom: voorwerpen en sieraden voor kerkelik gebruik; ook 't kerkgebouw; dus: over niets meer hield hij kerkelik gezag als over lege kannen en kruiken; dit laatste is waarschijnlik 'n hatelike toespeling op de feestmalen gehouden bij de Dordse synode; Bogerman mocht zijn predikantsambt in Leeuwarden behouden; hij is daar gebleven tot 1626.
10streckt hy een moolick: dient hij voor 'n vogelverschrikker ( moolick, zie blz. 713, vs. 1540).
|
|