auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Oranje may-lied.aant.aant.aant.aant.*
Op de vvijse:
Si c'est pour mon pucellage.
O Hoe salig is 't te duycken Vs. 1
By een kristalijnen stroom
Gouden appelen te pluycken; 4
5
En te ruycken geur en lucht
Van die schoone Oranje vrucht!
Wil de blixem, hagel, donder
Bloem en kruyd en lover slaen,
Duycken speelt, laet overgaen; 9
10
Mannen duyckt, en houdt u onder:
Onder desen boom is 't stil,
't Weer mach ruysschen hoe het wil. 12
Wil de son met hitte steecken,
Mannen, duyckt hier in de schaeu,
15
Zijt gy dorstig, mat en flaeu,
Hier vloeyt Peneus met sijn beecken: 16
Hier zyn Tempe; hier is geur: 17
Hier is lessing; hier is kleur.
| | | |
Zijtge schuw voor eenich ondier,
20
Voor een adder of een slang;
Weest voor geen fenynen bang:
Duyckt in luwte voor de son; hier,
Hier zyn alle beesten tam,
25
Maer indien Hollanders vragen:
Waer van daelt dit vreedsaem lot? 26
Antwoord: waerlijck van een God, 27
Die in vrede schept behagen;
Die, op eenen oogenblick,
30
Twist en tweedracht strect tot schrick. 30
Dat 's Prins FREDERICK, de Vader
Van Prins WILLEM, kleene Vorst,
Die noch lurckt aen 'svoesters borst, 33
Uyt een milde koester-ader, 34
35
Melck, die sonder ongeval 35
Hollands Heyland queecken sal. 36
Laet ons twee autaren wijen,
Een den Vader, een den Soon,
En met lieffelijcken toon
40
Hunnen grooten naem belijen, 40
En hun Godheen al verheugd 41
Eer bewijsen voor dees deugd. 42
Want wy sien ons gladde koeyen 43
Onbeschroomt te weyde gaen, 44
45
d'Uyers uytgespannen staen;
| | | |
Die van room en boter vloeyen.
Melcker-buur die siet syn lust, 47
Daar hy schrander Elsken kust. 48
Daer hy wentelt in de bloemen,
50
In het piepend klavergroen: 50
En sy weygert hem geen soen;
't Sal haer ziel doch niet verdoemen:
Want de susters van de ste 53
Soenen selfs hare herders me. 54
55
Daer hy met een dartel rietje, 55
Of een dunnen stroyen halm,
Onder Elskens soeten galm,
Lindeboomen na het liedje,
Met den top ten sang gekeert, 59
60
Graeg en nyver luystren leert. 60
Waterlandsche melck-boerinnen 61
Vlechten handen aen den rey, 62
Die haer lockt en nood tot minnen;
65
En Prins FREDERICK word lof
Toegesongen na het hof. 66
Onder 't singen onder 't spelen
En slaet beyde Princen ga,
70
Die haer edel harte stelen;
En sy vind den Maytyd schoon
In het midden van twee Goôn.
|
*Van 1626. Afgedrukt volgens de oudst bekende tekst in Joost van Vondels Poesy, Ofte Verscheide Gedichten. Het tweede Deel. Tot Schiedam 1647. Blz. 131.
In de tietel: Oranje Mary-Lied: Meilied op Oranje; 'n jubellied bij de geboorte van Prins Willem II, zoon van Frederik Hendrik, geb. 27 Mei 1626. Dit lied bezingt de ideale staat in navolging van de eerste Ecloga (herdersdicht) van Vergilius. Vondel bezingt Frederik Hendrik vooral als de hersteller van de vrede na de burgertwisten en als de handhaver van de vrijheid, zoals Vergilius Augustus.
De beelding van 't geluk en de vrede onder de Oranjeboom, is duidelik 'n uitwerking van de prent voor Geboortklock (blz. 768); Vergilius beeldt Augustus' vrederijk uit ‘sub tegmine fagi’: onder de schaduw van de beukeboom (vs. 1).
4Gouden appelen: oranje-appelen; en de vruchten van 't goude tijdperk; pluycken: ouwe bijvorm van plukken; al Mndl. door verwarring met pluken, pluyken: vast maken.
9Maak er 'n schuilspelletje van: duik, en laat 't over je heen gaan. In Roemer's Sinnepoppen heet de XXVII e van Het derde Schock’: ‘Duyckt, laet overgaen’.
12ruysschen: bulderen (vroeger ook in deze sterke betekenis).
16Peneus: De Thessaliese rievier, die neerstroomt van de Pindus en 't klassieke paradijselike dal Tempe besproeit.
17Tempe is 'n Grieks-Latijns meervoud.
TEKSTKRITIEK: vs. 26 Waer van naar Poëzy 1650, de oude uitgave heeft Waer het.
Vs. 23-24De bekende voorstelling van de wereldvrede (eens door 't Godsrijk te brengen) die door Isaïas voorspeld werd in hoofdstuk 11, en waarvan men ook 'n aanduiding meent te vinden in de vierde Ecloga van Vergilius.
27van een God: nml. Frederik Hendrik; Vergilius: Deus nobis haec otia fecit vs. 6; zie tietelblad van Verovering van Grol (bij Vergilius wordt Augustus bedoeld).
30strect tot schrick: afschrikt, verdrijft.
33'svoesters: met manlike verbuiging, zie bladzij 392 aanteekening op vs. 7.
34koester ader: weldoende ader, weldoende bron.
35sonder ongeval: zonder nadeel, heilzaam.
36Heyland: heilbereider, vredebrenger.
41Godheen: de gewone benaming voor de koningen volgens 't oud-Latijnse taalgebruik; al: heel; al verheugd: met volmaakte vreugde.
42dees deugd: deze goede gave.
43gladde: van welige groei.
44Onbeschroomt: zonder vrees (Vondel zinspeelt hier nog op de staat waarover hij sprak in vs. 23-24).
TEKSTKRITIEK: vs. 52 't Sal naar Poëzy 1650, de oude uitgave heeft Sal. - vs. 59 gekeert naar Poëzy 1650, de oude uitgave heeft bekeert.
47Melcker-buur: in herderspoezie 'n gewone eigennaam ook Melcker, zie Verovering van Grol (1627) vs. 737; buur dikwels achter eigennamen, vgl. Thijsbuur; siet syn lust: heeft al wat z'n hart begeert.
50piepend: jong, welig uit de grond schietend (nog in: 't groeit dat 't piept).
53de susters van de ste: de meisjes uit de stad.
54hare herders me: hun minnaars ook; me: ook; hare herders uitspr. haarerders.
55met een dartel rietje: 'n luchtig spelend rietfluitje.
59Met hun top nijgend naar de zang.
60nyver: met gespannen aandacht.
61Waterlandsche: uit Waterland, ten Noorden van 't IJ.
62Vlechten hun handen tot 'n rei(dans).
66na het hof: nadat er lof toegezongen is aan 't lustoord (in de 4 laatste strofen) volgt de lof van de Prins in 't biezonder; het hof: de tuin, 't lustoord, vroeger ook het-woord.
68AEmilia: Amalia van Solms, de prinses.
|
|