auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Vijfde deel 1645-1656. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1931
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
[Gedichten]
Afzetsel der Koningklycke Printe.aant.
DEAS SUPEREMINET OMNEIS.
t' Amsterdam,
By Abraham de Wees.
M.D.C. XLVII.

| | | |
| |
Afzetsel.*
O Agent, ghy hebt naer 't leven
In uw' brief volmaeckt beschreven:
Maer wat is uw wit en zin? vs. 4
5
Dat mijn rijm met doove verve 5
Zulck een print, en kunstjuweel,
Zulck een tekening bederve?
Ay, verschoon mijn slecht penseel. 8
Magh mijn bloode hant niet vieren? 9
10
'k Zal dan echter eens bestaen, 10
In die heerelijcke zwieren 11
En uw schaduw, ga te slaen 12
Hoe dees KROON der Koninginnen 13
Als in eenen ringk besluit 14
15
Wonderen van veel Godinnen,
Zulcks dat d'afgunst op haer stuit. 16
Iuno kome om hoogh vry pralen
Met haer' paeuwen, en gewaet,
Rijck van majesteit en stralen,
20
Trots van opzicht en gelaet; 20
Deze komt met Leeuwen brullen, 21
Die in 't wapen, trots en heet, 22
Manen schudden, staerten krullen.
Deze zaeit haer kroon in 't kleet.
25
Zy vergeet het vrouwentimmer, 25
Daer de manlijcke achtbaerheit 26
Heur naer d'oogen ziet, en nimmer
| | | |
Dan verwondert van haer scheit. 28
Ioffers zijn slechts aengenamer, 29
30
Daerze 's avonts rusten gaet,
Of zich kleet in hare kamer,
's Morgens voor den dageraet.
Wanneer Overste en Kornellen,
Daerze draeft, of zit, en staet,
35
Haer omringen, of verzellen,
In het hof, op wegh, en straet,
Komtze als een Minerve aenstooten; 37
Schijntze een Pallas, braef van aert, 38
Uit heur Vaders brein gesproten, 39
40
Daerze 's Vaders roem bewaert.
Een kastoor bedeckt de vlechten, 41
Een pluimaedje den kastoor;
Ofze zonder helm wou vechten:
En zoo stuiftze alle andren voor.
45
Laet haer zon en muggen steecken;
Zy ontziet noch zon, noch lucht.
Zoo betoomtze de gebreken
Van de traegheit, dieze vlught.
Ziet Le Blon heur locken zwieren,
Naer den gaerde van de dieren; 51
Hy belacht den bleecken Nijt, 52
Daerze blixemt met pistolen,
Schermt, en springt, en loopt, en rent,
55
Als Achilles in de scholen
Van zijn Chiron was gewent. 56
Thetis zoon in Joffrekleeren, 57
Vlamde op schilt, op helm, en speeren, 59
60
En rechtschape krijghsmans stof, 60
Als KRISTYN op zwaert, en wapen, 61
Op een bus, of op een' boogh. 62
| | | |
Laet Vorstinnen bloemen rapen;
Wapens flickren in haer oogh. 64
65
Themis spreeckt geleerde Orakels
Door haer' mont, waerme zy 't volck
Leit, gelijck met goude schakels,
Als een Godtheit uit een wolck,
Van een ieder aengebeden, 69
70
Toegejuicht, terwijlze rijdt
Door haer Rijcken, rijck van steden,
Dieze voor gewelt bevrijt.
Maer indienze schiep behagen
In het kriecken van den dagh
75
Door het woudt het Wilt te jagen,
En het vreeslijck Boschzwijn, zagh
Elck heur aen voor een Diane,
Die het spits biet beer en zwijn, 78
Op het spoor, of van de baene, 79
80
In een heide, of een woestijn.
Zoo quam Dido 's morgens stappen
Uit haer kamer, van 't pallais,
Daer een jaghtpaert, by de trappen
Van den hove, reis op reis
85
Stont en trappelde, en grootmoedigh
Speelde op 't montstuck, wit van schuim, 86
Brieschte, en haeckte snel en spoedigh 87
Laetze zich met riemen roeien
90
Naer heur lustprieel, Zwart-zee; 90
Venus kan niet schooner bloeien
In haer' opgang, daerze alreê 92
In het parlemoer komt vaeren 93
Naer het Cypersch eilant heen,
95
En zich spiegelt in de baren,
Daer noit zon zoo schoon op scheen:
Of z' is Thetis op het water, 97
Daer gansch Pelion op wacht: 98
| | | |
Z' is een kuische Kleopater.
100
Cydnus voert geen schooner vracht,
Daer Antoon zijn Bruit bejegent,
Haer galey van rijckdom blinckt, 99-102
Al de stroom haer groet en zegent,
En de riem van zilver klinckt.
105
Kleopatre dreighde Augusten
Op te komen met een maght, 106
Diep verzopen in haer lusten, 107
Zonder nadruck, zonder kracht: 108
Maer KRISTYN gewent haer leden
110
Door een mannelijcke vlijt,
Schuw van wulpsche dartelheden, 111
Tot een spiegel van haer tijt.
Zoo gewenden Hippolyten 113
D'Amazonen; trots in 't velt,
115
Meir en stroomen op te bijten, 115
Af te stooten helt op helt, 116
Sneeuw en hagel te verduren,
Bergh noch afgront aen te zien,
Op te klautren steile muren,
120
Daer de mannen weer uit biên. 120
Daeltze in een ontdeckte mijne, 121
Z'is een andre Proserpijne, 123
Rijck van koper, yzer, stael;
125
Rijck van onderaertsche schatten:
En die schoonheit loopt gevaer
Dat haer oock een Godt magh vatten,
Eer 't de lijfwacht wort gewaer.
Zou de Graengodin van Pruissen, 129
130
Haere moeder, niet bestaen 130
Lant en strant, en zee te kruissen,
Langs een ongebaende baen,
Om deze eedle spruit te zoecken,
| | | |
Die ze by Gustavus won, 134
135
En doorsnufflen alle hoecken,
Of menze ergens vinden kon.
Och, zy zou met Zweden schreien,
Op het water met galeien,
140
Of in bosch, en bergh, en dal;
Och, wie heeft mijn kint beloert?
Jaeght hem na met heele troepen.
Och, wie heeftze wechgevoert?
145
Blon gelooft de Rijcksraên zouden
Staecken al dat Duitsch gevecht,
Quaem een Godtheit hun 't onthouden
Zulck een Rijckspant tegens recht: 148
Zweden zou kortouwen planten 149
150
Voor de poort van 't naere hof, 150
En dien muur van diamanten
Brijzelen tot gruis en stof.
'k Zaegh den Helhont by de Gotten 153
Door Stockollem omgevoert,
155
Door heel Zwedenrijck bespotten,
En dien dollen muil gesnoert
Met een' ysren bant van Zweden,
Om drie halzen stijf en vast, 158
Door die barsse wapensmeden, 159
160
Daer hy langer bijt noch bast.
Laet d'aeloude Faem onze ooren
Niet verbazen met een' smoock 162
Van volmaecktheên en Pandoren;
Kluchten, droomen, wint, en roock:
165
Vrouw Natuur smolt al heur gaven
In dit eenigh Schoon, wiens lof
Zonder schaemroot wel magh draven
Tegen 't wijdtberoemtste Hof. 167-68
Want heur May draeght bloem noch blaren, 169
| | | |
170
Maer een herrefst, rijp van ooft;
En haer jeught, zoo jong van jaren,
't Geen een ouderdom belooft.
Welck een lot wil hem gebeuren 173
Die haer trouw wort toegeleit, 174
Van dees frissche Majesteit.
't Rijck verwacht uit haer zijn zonen,
En het Koningklijcke bloet, 178
Toegeheilight aen drie Kroonen, 179
180
En den hoogen Koningshoet 180
Met een' weereltkloot geladen,
Daer 't gekroonde hooft me praelt,
Trots op zoo veel wapendaden,
En den palm, door 't sneeuw gehaelt. 184
185
Magh dees Noortstar triomfeeren 185
Al dat woeden hem ontleeren, 187
't Bloedigh slaghzwaert in zijn schee
Zeeglen, en het stormen staecken, 189
190
Moe van wraeck, en wapenroof;
Geen robijn zal schooner blaecken
Aen haer Kroon als Pallas loof. 192
|
*Van 1647. Afgedrukt volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in folio ( Unger: Bibliographie, nr. 443).
In 't opschrift: Afzetsel: afbeeldsel, nabootsing. In dit verband: schildering in woorden naar het portet van koningin Christina met de beschrijving, die Michiel le Blon, Agent van het Zweedse hof in Engeland, Vondel toegezonden had. Van Lennep onderstelt dat Vondel hem eerst om inlichtingen verzocht had. Op grond van vs. 4 en 9 is het omgekeerde waarschijnliker: misschien heeft Le Blon het gedicht uitgelokt om het aan het Zweedse hof aan te bieden. Het Latijnse motto, ontleend aan Aeneïs I, vs. 501, betekent: ‘zij gaat alle godinnen te boven’. Dat duidt dus op de inhoud van het gehele gedicht: een vergelijking met alle godinnen van de Oudheid.
vs. 4uw wit en zin: uw eigenlike bedoeling.
5doove verve: doffe kleur.
8slecht: eenvoudig, onwaardig.
9Mag mijn hand, die schroomt om dit werk aan te vatten, niet werkeloos blijven ( vieren).
11zwieren: trekken (van het portret).
12uw schaduw: uw toelichting in woorden.
13Kroon der Koninginnen: uitnemendste der koninginnen.
14in eenen ringk besluit: in één cirkel omvat.
20opzicht en gelaet: blik en houding.
21Leeuwen: nl. in het Zweedse wapen.
25vrouwentimmer: vrouwenverblijf.
28verwondert: vol bewondering.
29zijn slechts aengenamer: hebben slechts de voorkeur.
39Pallas Athene was geboren uit het hoofd van Zeus. Zo is ook Christina's krachtige geest voortgekomen uit die van haar vader, wiens roem zij handhaaft.
41kastoor: een hoed van kastoor (bevervilt).
51gaerde van de dieren: dierentuin.
56Chiron: een wijze Centaur, leermeester van Achilles.
57Thetis zoon: Achilles, die door zijn moeder in vrouwekleren verborgen was aan het hof van Lykomedes, om te beletten dat hij aan de Trojaanse oorlog deelnam, verried zich als man, door uit aangeboden geschenken een zwaard en een helm te kiezen.
59Vlamde op: zag begerig naar.
78het spits biet: weerstaat, aandurft.
79de baene: het gebaande pad.
86Speelde op 't montstuck: knabbelde op het gebit.
87haeckte: verlangde er naar.
81-88Zinspeling op de beschrijving van Dido, ter jacht uitrijdend, in de Aeneïs IV, vs. 135-39.
88op het ruim: in het vrije veld.
90lustprieel: lusthof, waarvan de naam waarschijnlik vernederlandst is tot Zwart-zee.
92opgang: geboorte, uit het zeeschuim.
93In het parlemoer: in een schelp.
98Pelion: berg in Thessalië, bij de Olympus; eveneens woonplaats van goden.
99-102Kleopater: Cleopatra voer met een prachtige galei langs de rivier Cydnus om Antonius een bezoek te brengen.
106Op te komen: aan te vallen.
107verzopen (bij Vondel geen plat woord): verzonken.
111Schuw van: afkerig van.
113Hippolyten (accusatief): Hippolyte was de koningin der Amazonen.
115op te bijten: open te hakken.
116Elk huweliksaanzoek, ook van voorname helden, af te wijzen.
120weer biên: weerstand bieden, zich verdedigen.
121een ontdeckte mijne: de Zweedse mijnen waren juist in deze tijd meer en meer ontgonnen.
123andre: tweede; Proserpijne: Proserpina of Persephone heerste in de onderwereld, nadat zij door Pluto geschaakt was. Daarop zinspeelt hetgeen volgt, want haar moeder Ceres ging de geroofde dochter overal zoeken.
129Met de Graengodin (Ceres) van Pruissen (het graanland) is Christina's moeder, Maria Eleonora van Brandenburg, bedoeld.
134Gustavus: de Zweedse koning, vader van Christina.
148Rijckspant: kostbaar bezit van het Rijk.
149kortouwen: scheepsgeschut.
150't naere hof: de sombere onderwereld, de hel.
153den Helhont: Cerberus, door Hercules uit de onderwereld gesleept. Evenzo zouden de Zweden ( Gotten) dit monster in triomf rondvoeren ( omvoeren, vs. 154) in Stockholm; by: door.
158drie halzen: de Cerberus was driekoppig.
159die barsse wapensmeden: die ruwe Zweedse wapensmeden: Zweden was om zijn ijzerindustrie bekend.
162verbazen: overbluffen; een' smoock: een verward en waardeloos verhaal.
167-68magh draven tegen: de prijs kan winnen van.
169heur May: haar jeugd. Ondanks haar jeugdige leeftijd, heeft zij de rijpe wijsheid die de ouderdom kenmerkt ( een herrefst, rijp van ooft, vs. 170).
173wil: zal; gebeuren: te beurt vallen.
174toegeleit: geschonken.
178het Koningklijcke bloet: de koninklike afstammeling.
179drie Kroonen: van Zweden, Noorwegen en Denemarken; vgl. het gedichtje op Michiel le Blon in Dl. 4, blz. 587.
180Koningshoet: koningskroon met de wereldbol ( weereltkloot, vs. 181).
184sneeuw: bij Vondel onzijdig.
185dees Noortstar: Christina.
189Zeeglen: verzegelen, zodat het niet meer getrokken mag worden.
192Pallas loof: de olijftak, als zinnebeeld van de vrede.
|
|