De werken van Vondel. Deel 7. Vertalingen uit het Latijn van Vergilius, Horatius en Ovidius


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Zevende deel: Vertalingen uit het Latijn van Vergilius, Horatius en Ovidius. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1934  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. II]



illustratie

Cornelis de Graeff te Soestdijk, naar de schilderij van Salomon van Ruysdael en Thomas de Keyser. Museum Dublin.


aant.

[p. 3]

Het leven van Vondel door Dr. J.F.M. Sterck
VII 1656-1660 (vervolg)

ER zijn twee gelukkige redenen om terug te komen op de jaren van Vondels leven, in het vorige deel behandeld.

De eerste is een schilderij van Salomon van Ruysdael en Thomas de Keyser, dat uit het museum van Dublin de gastreis maakte naar land en stad, naar de historische sfeer dus van den opdrachtgever die er tevens het onderwerp van is, - en dat eenigen tijd te zien is geweest in ons Rijksmuseum.

Het schilderij is een al te verrassende toelichting bij Vondels leven in dezen tijd, om het niet met voldoening hier te vermelden en af te beelden (men zie de titelprent van dit deel).

De andere heuglijke reden is de, op zich zelf weinig beduidende, en poëtisch niets beteekenende, vondst van een gedichtje op Lieven Coppenol, waarin Vondel zich over Rembrandt uitlaat op een gewoon vriendelijken toon, die niet zonder geschiedkundige beteekenis is voor de hedendaagsche Vondel-critiek.

Het voorgaande deel gaf ons Vondel te zien1) in zijn vereering voor den machtigen Burgemeester Cornelis de Graeff, dien hij in Parnasloof, bij de opdracht van de dichterlijke Virgilius-vertaling, huldigde. Hij teekent hem daar ook, als op zijn buitenplaats te Soestdijk, verpoozing en rust zoekend:

 
Wanneer uw ampt den boogh der zorge een wijl ontspant
 
Die nacht en dagh, ten dienst van stadt en vaderlant
 
Te streng gespannen stont.

Het genoemde schilderij nu van Salomon van Ruysdael en

[p. 4]

Thomas de Keyser, vertoont ons den grooten Burgemeester zooals Vondel hem toespreekt, rijdende naar zijn buitenverblijf te Soestdijk in een karos met een zwart vierspan, en al de weelde en staatsie, die zulk een regent zich kon veroorloven:

 
Nu mooghtge, langs de Grift,1) uw hofstê, bosch, en laen
 
Zien groeien, graetigh vee, uit uwen stal gelaeten,
 
Het gras afsnoeien, en de lammers hooren blaeten,
 
Of onder 't lindeloof, in eenen stillen hoeck
 
En eenzaem, spreecken met een stom en landnut boeck,
 
Staetregels, spreucken uit uw' Tacitus erkaeuwen;
 
Terwijl de galm van 't Sticht belust is na te baeuwen
 
Den schellen nachtegael, die, voor uw lustprieel,
 
Zich uit den adem zingt, op 't orgel van zijn keel.

Hier zien we den Amsterdamschen ‘Koning’, met zijn gade, te midden van een heuvelachtig, boomrijk landschap, gezeten in een staatsiekoets, zelfgenoegzaam uit het rijkbekleede portier kijkend naar twee jeugdige ruiters, zijn beide zoons Pieter (geb. 1638) en Jacob (geb. 1642), die op een bruin en een zwart ros gezeten, den stoet vergezellen.

Als illustratie van Vondels vers is dit schilderstuk van te meer beteekenis, omdat van Cornelis de Graeff alleen een jeugdportret door Thomas de Keyser in het Kaiser Friedrich Museum te Berlijn, en het oudere medaillon door Quellinus bekend zijn, en de Burgemeester zich hier vertoont vacantie nemend, zooals volgens den dichter de romeinsche ‘Burgemeester’, die, het Gouden Kapitool vergetend, rust gaat nemen: ‘daer de lelie, en viool, En roos, en thijm de by op zoete honinghgeuren Verleckerde, en verleide in levendige kleuren’. Te oordeelen naar den leeftijd der zoons, dagteekent dit schilderij vermoedelijk uit ± 1662, twee jaar voor den dood van den Burgemeester.

De verhouding van Vondel tot Rembrandt, die voor eenigen tijd tot veel geschrijf aanleiding heeft gegeven, is onlangs in een nieuw licht verschenen door de vondst van drie gedichtjes op den

[p. 5]

bekenden schrijfmeester Lieven Coppenol, uit het jaar 1658, in één waarvan de dichter den schilder met name prijst in deze versjes:

 
't Is niet genoegh dat Rembrant eêl
 
Hem maelde met zijn braef penseel.

Al blijkt hierin misschien meer Rembrandt's kunst dan zijn persoon door Vondel te worden geprezen: ‘Rembrandt maelde Coppenol edel met zijn braef penseel’, toch heffen deze beide regels volkomen de veronderstelling op door Dr. Schmidt Degener gemaakt, dat de dichter uiterst vijandig tegen den kunstenaar zou zijn opgetreden, en hem slechts éénmaal in ‘een zouteloos rijmpje’, weinig complimenteus tegenover een bekend meester, zou hebben genoemd. Dergelijke conclusies, zonder stellig bewijs, passen beter in een roman dan in een toongevende kunsthistorische studie.

 

Verder valt er uit dezen tijd tot en met 1660 nog veel belangrijks aan te teekenen.

Een jaar na de gedichtjes op Coppenol, 1659, was een ‘Vorstelijcke Bruiloft te Amsterdam’ voor Vondel de aanleiding tot een uitvoerig huwelijksgedicht. Henriëtte Katharina, Prinses van Oranje en de vorst van Anhalt, Johan George, vormden het bruidspaar. Een stoet vorstinnen was door Burgemeester Johan Huydecoper genoodigd om Amsterdam te bezoeken en het nieuwe stadhuis te bezichtigen. Amalia van Solms, Maria I Stuart, de weduwe van Willem I, de keurvorstin van Brandenburg, Louise Henriëtte en Caroline, de gemalin van den Prins van Anhalt, waren de gasten van het gemeentebestuur. Een zinnebeeldigen optocht van zestien praalwagens, door Jan Vos samengesteld, kregen de vorstinnen te bewonderen.

In een geestig ‘Bruiloftsliedt’, en door een geboortedicht voor Prinses Amalia, die toen verjaarde, begroet Vondel de gasten. Eindelijk toonde ook Prinses Amalia hierop eens haar waardeering voor de veeljarige sympathie, die Vondel haar en haar gemaal zoo belangeloos in verzen had bewezen. Zij schonk hem een gouden eerepenning met het portret van Frederik Hendrik.

[p. 6]

Hoe diep Vondel was getroffen door dit geschenk blijkt uit zijn brief aan Huygens van 16 December 1659, geschreven te midden van het zielsverdriet, dat zijn ondankbare zoon, pas naar Oostindië gezonden, den dichter toen had berokkend. (Zie bij de Aanteekeningen). Hij dankte de Princes, als voor ‘Een Princelijcke Genadepenning’. De burgemeesters vereerden den dichter honderd gulden.

 

Zeer talrijk is het aantal bruiloftsliederen op minder hooge paren, door Vondel in deze dagen gezongen. Zij zijn in de uitgave op de jaren te vinden; maar geven geen aanleiding tot bijzondere vermelding; meestal waren het blijkbaar bestelde verzen.

Een huwelijkszang, zeker niet op bestelling gemaakt, dichtte Vondel in Mei 1659 op den zoon van den beroemden Atlas-uitgever, Dr. Johan Blaeu, den advocaat Willem Blaeu en Anna van Loon. De Blaeuen behoorden tot 's dichters goede vrienden, en deze beroemde drukkers gaven eenige van zijn treurspelen uit.

 

Zwaar heeft Vondel zich twee sterfgevallen in 1660 aangetrokken: het overlijden van Govert Flinck en van Petrus Scriverius. De eerste was de schilder, die Vondel het best had begrepen, zooals blijkt uit het waarlijk sprekende portret, met den genialen arendsblik, toch zoo diep peinzend, van den dichter van Lucifer. Flinck had pas van de Stadsregeering de opdracht gekregen, om in de hoeken der gaanderijen van het nieuwe Raethuis acht groote doeken voor de bogen te schilderen ter uitbeelding van den strijd der Batavieren tegen de Romeinen. Vondel betreurt dat de opdracht door Flinck niet uitgevoerd is kunnen worden:

 
Dus leefde Appelles Flinck, te vroeg de stadt ontruckt,
 
Toen hy, behantvest van haere edele overheden
 
Het heerlyck raethuis met historien zou kleeden,
 
Gelyckze Tacitus van outs heeft uitgedruckt.
 
Die Rome strycken leert voor 't recht der Batavieren.
 
Bekranst dien schilderhelt met eeuwige laurieren.

Rembrandts schitterend meesterwerk, de nachtelijke samen-

[p. 7]

zwering van Claudius Civilis, later voor een der bogen bestemd, werd door de vroedschap niet aangenomen. Men kon de grootheid van zijn palet nog niet begrijpen.

aant.De dood van den ouden Peter Schrijver voerde Vondels gedachten weer terug naar de dagen van 1619, naar het wreed schavot van Oldenbarneveldt. Toen was Schrijver met boete gestraft wegens zijn bijschrift op het portret van Hoogerbeets.

Vondel herinnert daaraan in zijn lijkgedicht:

 
Nu rust de ronde oprechte heer,
 
Die Hoogerbeetsen, Barnevelden,
 
En Grooten, Hollants grootste helden,
 
Toen al de weerelt hen verliet,
 
Vervloeckte en met de voeten stiet,
 
In hunnen kercker dorst bezoecken,
 
En spreecken, onder schijn van boecken,
 
Waerin zy lazen, versch gedruckt,
 
Wat valsche rechters, helsch verruckt
 
Van gout en staetzucht, daeghlijx brouden,
 
Om 't leeushof by den toom te houden,
 
In eene ondraeghbaere slaverny.1)

De ‘schijn van boecken’, laat zien, hoe schrander die geleerden met elkaar in correspondentie wisten te blijven, zelfs in gevangenschap. Die boeken waren de gedichten van Janus Secundus, waarvan de drukproeven voor een nieuwe uitgave, die Schrijver bewerkte, door hem werden aangevuld met eigengemaakte verzen, allerlei vernuftig ingelaschte berichten over de politiek bevattend, om De Groot en anderen, die de proeven ter keuring ontvingen, geregeld op de hoogte te houden. -

Heeft Vondel Descartes gekend? Het is niet bewezen; maar wanneer men ziet, hoe goed bevriend de dichter is met katholieke geestelijken als Ban en Bloemaert, die door hun muzikale bijeenkomsten in nauwe relatie stonden met den wijsgeer, dan is het haast ondenkbaar dat Vondel dezen in hun kring niet ontmoet zou hebben. Meer wellicht dan Spinoza's monistische wijsbegeerte, was de philosofie van den katholieken Cartesius een studie, welke den dichter moet hebben aangetrokken.

[p. 8]

Augustijn Alsten Bloemaert, een voornaam Haarlemsch priester, stierf in November 1659. Vondel troostte hem nog in zijn laatste ziekte door de toezending van zijn dichtwerk: ‘Onderwijs van het geloofshoofdpunt der H. Dryeenigheit’. Dit zijn 380 verzen uit zijn groot theologisch leerdicht: ‘Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst’, ter bestrijding van Spinoza, waaraan hij toen werkte. Vondel bezong den priester in een bloemrijk grafschrift. Ook bij het ‘Lyckbedde van wijlen Heer Joan Banning Wuytiers, Priester’, in 1647 overleden, maar in 1660 door Matham in een gravure afgebeeld, heeft Vondel een vers gedicht. Talrijken had Wuytiers gebracht tot een terugkeer naar het oude geloof.

Ook blijdere gebeurtenissen in de geestelijke wereld, die den dichter steeds meer belang in boezemde, kon Vondel bezingen. ‘De E. Jongeling Joannes Wandelman’, een convertiet en later pastoor in verschillende kerken te Amsterdam, ontving in 1659, als bekeeringsgeschenk Vondels ‘Harpzangen’ met een dichterlijke opdracht.

Eén der weinige1) van Vondel bekende Latijnsche uitingen is het briefje aan pater Carolus Couvrechef, een Antwerpschen Carmeliet, die te Amsterdam de geestelijke bediening vervulde en meermalen door Vondel bezongen is. Het is een uitnoodiging om met den schrijver samen te komen in den tuin van Dina Noortdijck, het klopje:

‘D. Carole, optime Pater. Expecto Reverentiam tuam cras, hora secunda. Invitavit nos in hortum pia Virgo Nordicia. Adventus noster illi gratus erit. Tuus ex animo J. Vondelius’.

Heer Karel, beste Vader. Ik verwacht UEerwaarde morgen, om twee uur. De vrome juffrouw Noortdijck heeft ons in haar tuin genoodigd. Onze komst zal haar aangenaam wezen. De uwe van harte J.v.d. Vondel’.

Dit briefje van 1654, waarin Dina Noortdijck, de in 1651 bij

[p. 9]

haar ‘Staetsie’, of inkleeding als geestelijke dochter van de Krijtbergskerk, door Vondel bezongene, in haar tuin buiten de Regulierspoort, aan het Otterspad gelegen, dichter en pater samen brengt, is vooral opmerkelijk, omdat van den vertrouwelijken omgang tusschen geestelijken en leeken in die dagen ons zoo weinig bekend is. Slechts gedichten, en officieele stukken lichten ons daarover in. Hier zien we een sprekend tafereeltje, een Vermeer waardig.

Tusschen dit gemoedelijke, rustige dagelijksche leven, werd Vondels dichterhart ontvlamd voor de vaderlandsche zeehelden in hun strijd tegen Zweden en Engeland. Hij beleefde weer een echt heldentijdperk: de triomfen van Wassenaer, De Ruyter, Tromp, Van der Hulst op de vijandelijke vloten. De Hollandsche vloot behaalde een schitterende overwinning op de Zweedsche zeemacht, toen in 1658 de Nederlandsche koopvaart in het gedrang was geraakt. Door den oorlog tusschen Zweden en Denemarken dreigde de Sont voor den handel te worden afgesloten, indien Zweden overwinnaar zou worden. Een Hollandsch smaldeel onder Luitenant-Admiraal Van Wassenaer viel de Zweedsche vloot aan onder commando van Wrangel. De Zweden werden verslagen, doch de beide Hollandsche Vice-Admiralen De With en Floriszoon sneuvelden. Door deze overwinning was ‘De Vrije Zeevaert’ in het Oosten verzekerd, zooals Vondel het in een lofdicht bezong. Den held van de overwinning, Jacob van Wassenaer, eerde Vondel nog in een bijzonder bijschrift. Kopenhagens ontzet werd het onderwerp van een nieuwen triomfzang.

Als gold het zijn eigen zaak, zoo gevoelde Vondel zich steeds belangstellend voor die van het vaderland. De Staten spoort hij aan, door een ‘Staetwecker’, tot waakzaamheid tegen de lafheid van matrozen en kapiteins. Toch was van zulk een gebrek toen niets gebleken; maar de dichter schijnt het dreigende gevaar gevoeld te hebben, als bij intuïtie; evenals hij onder den schijn van een liedje, getiteld ‘De Noortsche Nachtegael’, dat door de matrozen in de Sont gezongen zou zijn, wees op de groote belangen voor Holland bij de vrije doorvaart van de Sont, het keelgat, waardoor

[p. 10]

het vaderland zijn granen uit Polen en Pruisen kreeg toegevoerd.

Zeven jaar later vertaalde een in Holland vertoevende Duitscher (wellicht Philip von Zesen; of was het Vondel zelf?) den ‘Staetwecker’ in zijn eigen taal met een uitvoerige toelichting. Toen werd Vondels waarschuwing inderdaad bevestigd door den zeeslag bij Lowestoff op 13 Juni 1665 onder den Luitenant-Admiraal-Generaal Van Wassenaer van Obdam, tegen den Hertog van York. Het admiraalsschip vloog met Obdam in de lucht. De jammerlijke nederlaag werd geweten aan plichtverzuim van eenige Staatsche kapiteins die, door slechts van verre te schieten, zich met hunne schepen buiten gevecht wisten te houden. Maar we zijn hier vooruitgeloopen op de chronologische orde.

Vijf jaar vroeger was het nog ‘pais en vreê’ tusschen de Britten en Holland, zoodat Vondel in Juni 1660 kon zingen van ‘De Bruiloft van den Teems en Aemstel t'Amsterdam’, toen de Prinses Royaal, de zuster van Engelands koning met den jongen Prins van Oranje door Burgemeesteren was uitgenoodigd tot een vorstelijk bezoek aan de hoofdstad. Op de eerewacht van ruiters, die den stoet begeleidde, dichtte Vondel: ‘De Ridderschap van Amsterdam, onder Zijne Koninghlijke Hoogheit, Willem van Oranje’. Als gebruikelijk werd een symbolische optocht, samengesteld door Jan Vos, en een groot feestmaal op het nieuwe stadhuis gegeven.