II. Zelfstandige Naamwoorden.

19 Algemene opmerkingen.

Zelfstandig naamwoord is een vertaling van nomen substantivum. Het nomen 3)   is het noemende woord, naast het pronomen, het aanduidende woord. Wat genoemd wordt, kan zijn òf een ‘zelfstandigheid’ òf een eigenschap daarvan. Daartussen is niet altijd een scherpe grens te trekken, sedert de verdwijning van oude flexie-verschillen de uiterlijke kenmerken heeft uitgewist. Helder is dat uiteengezet door Jespersen, in zijn Philosophy of Grammar. 4)   Dat blijkt trouwens reeds, als men tracht een ‘zelf-

 3)  Door de grammatici eerst eenvoudig vertaald met ‘naam’, naast ‘woord’ = verbum; termen die later verduidelijkt werden tot: naamwoord en werkwoord, terwijl dan de naamwoorden weer als zelfstandig en bijvoegelljk onderscheiden werden.
 4)  Substance and Quality, Specialisation, blz. 74-75.


[p. 45]

standigheid’ te definiëren. Den Hertog, 1)   ontwijkt de moeilijkheid door een splitsing in vieren: namen van zinnelijke, van onzinnelijke zelfstandigheden, namen van eigenschappen, toestanden en werkingen, namen van ruimten, tijden en hoeveelheden. Hij doet dit tevens om aan de traditionele onderscheiding in konkrete en abstrakte substantieven, te ontkomen. 2)   Namen van eigenschappen kunnen intussen ook adjektieven zijn: zowel hardheid en dikte als hard en dik doelen op de eigenschappen van een voorwerp.

Doordat een persoon of een ding genoemd kan worden naar een opvallende eigenschap, wordt het begrijpelijk dat een adjektief zo licht tot substantief kan worden: armen en rijken, lief en leed, een vlak, een afgevaardigde; in oudere taal: een siec, een doot, dat seer, het gemackelick (Huygens). 3)   Omgekeerd kan een substantief tot adjektief worden, b.v. een stofnaam: een nikkel horloge; vooral wanneer het substantief als praedikaat gebruikt wordt: dat is jammer; vgl. Mnl. dat is scade, redene, of in verbinding met een adjektief: gi sijt sot ende kint. 4)   Vergelijk in hedendaagse taal: ‘Wij zijn schoolmeester genoeg om dat te begrijpen’.

De namen van personen en dingen, de zogenaamde ‘konkrete’ substantieven, kunnen weer ingedeeld worden in eigennamen enerzijds, soortnamen en stofnamen anderzijds; bij de soortnamen kan òf de eenheid òf de veelheid (kollektieven) onderscheiden worden: boom, schaap - geboomte, kudde. 5)  

De eigennaam noemt slechts één bepaald invididu of één bepaalde zaak, die ook een meervoudige vorm kan hebben, b.v. de aardrijkskundige namen de Alpen, de Verenigde Staten. Eigennaam is ook Jan of Smit; al zijn er meer personen die zo heten, wie die naam gebruikt of hoort, denkt op dat ogenblik niet aan andere Jannen of Smitten. Wel kan een eigennaam tot soortnaam worden als schimp- of spotnaam, b.v. een saaie piet, een stijve of houten klaas, een Jan hen, een kwaaie griet. 6)   Vooral in de oude kluchtentaal zijn zulke spotnamen in trek, b.v. Hannen (een zot), Jan (een horendrager), Jan Duyt, Hughe (een bedrogen echtgenoot), Flueren (een sukkel), Maes en Klaes (dwaas), Mer-

 1)  Den Hertog III, blz. 39.
 2)  Zie over de term ‘abstract’ Jespersen, t.a.p. blz. 133 vlg. en vergelijk de artikels van M.J. Langeveld en van J.E. van der Laan over Abstrakt en konkreet in N. Tg. XXVI, waar o.a. gewezen wordt op de bezwaren die deze termen bij het onderwijs opleveren.
 3)  Zie meer voorbeelden in § 25.
 4)  Vgl. Stoett Mnl. Synt. § 23.
 5)  Deze groepering is door Sweet en Jespersen (blz. 201) aangenomen.
 6)  Vgl. A. Sassen: Overgang van eigennamen in soortnamen in It Beaken, Juli 1949.


[p. 46]

colphus (domoor) 1)  . Later ook in samenstellingen: zeurpiet, pochhans, babbeltrien, lulhannes, hannekemaaier 2)  . Omgekeerd kan ook Vader, Oom tot eigennaam worden; evenzo stad, als daarmee door omwonenden een bekende stad bedoeld is (‘naar stad gaan’; vgl. ‘naar zee gaan’).

Dat ook de andere genoemde groepen onderling niet scherp te scheiden zijn, is bekend. Een verzamelnaam kan het karakter krijgen van een voorwerpsnaam: gebergte, familie, of van een stofnaam: groente, geld, afval; een stofnaam kan voorwerpsnaam worden: steen, laken; een persoonsnaam kan soortnaam worden: een Rembrandt, enz. (§ 143).

Aangezien de definitie van de ‘zelfstandigheid’ allerlei bezwaren oplevert en ons meer op filosofisch dan op linguistisch gebied brengt, heeft men soms zijn toevlucht genomen tot een formeel kenmerk, en substantieven die woorden genoemd, die met een lidwoord verbonden kunnen worden. Dan zijn ook gevallen inbegrepen waarbij andere woordsoorten of woordverbindingen gesubstantiveerd worden, als: het voor en het tegen, het waarom (in Hooft's Historien: de waarom), er is een maar bij, geen ‘maren’! allerlei ditjes en datjes; dat vervelende ‘'t-kan-mij-niet-schelen’. Toch is substantivering zonder lidwoord niet uitgesloten, b.v. ‘veel is u gegeven’, er werd rechtsomkeert gekommandeerd.

Er zijn ook andere eigenaardigheden van de substantieven die echter niet bij alle voorkomen, namelijk de vormveranderingen die samenhangen met genus, numerus en casus, verschijnselen die samengevat kunnen worden als ‘buiging’ (flexie).

 1)  C. de Baere: Van voornaam tot schimp- en spotnaam in Album Dr. Jan Lindemans (1951).
 2)  Vgl. mijn artikel Scheldnamen, spotnamen, vleinamen in Verz. Taalk. Opstellen III, blz. 272.

20 Genus en Sekse.

De vreemde term genus verdient de voorkeur boven de vertaling met geslacht, omdat dit woord dubbelzinnig is; het kan zowel de sekse aanduiden als een nominale klasse. 3)  

Men zou eerst de vraag kunnen stellen: komt door middel van het substantief ook de sekse soms tot uiting? Dat geschiedt inderdaad door verschillende woordkeuze, vooral bij personen: man - vrouw; jongen - meisje; zoon - dochter; haan - hen. Daarnaast staan indifferente namen, vooral bij dieren, wanneer de sekse òf niet opvallend is (b.v. muis) òf uit bepaald oogpunt

 3)  Jespersen (t.a.p. blz. 226) heeft de noodzakelijkheid om sex en gender te onderscheiden, nadrukkelijk betoogd. Hier te lande heeft Gerlach Royen er op aangedrongen o.a. in een artikel De kerfstok van de term geslacht (N. Tg. XXIII, 180).


[p. 47]

onverschillig (b.v. paard als trekdier; hond en kat als huisdieren). Zodra de sekse onder de aandacht komt of gebracht moet worden, ontstaat differentiëring, òf door afzonderlijke namen: reu - teef, kater - kat, òf door koppeling met mannetjes- of wijfjes- (b.v. - olifant). In de tweede plaats kan het suffix een sekse-aanduiding geven; mannelijke persoonsnamen op -er, aar, vrouwelijke op -in, -es, -ster.

De vraag in hoeverre het genus in verband staat met de sekse, is niet eenvoudig. In de tijd van de romantiek meende Jacob Grimm dat de toekenning van mannelijk en vrouwelijk ‘geslacht’ bij namen van het levenloze op persoonsverbeelding berustte. De neogrammatici, o.a. Brugmann, beschouwden dat als een ‘unglaubwürdiges Axioma’; die namen behoorden alleen door overeenkomst van stamvorm tot dezelfde klasse als de persoonsnamen. Maar ook deze opvatting bleek te simplistisch. De studie van andere, primitieve talen, bracht het onderzoek, sedert Wundt, op ethnopsychologisch en sociologisch-religieus terrein. Bij verscheiden primitieve volken rust de nominale classificatie op waardering: men onderscheidt b.v. levend en levenloos (d.w.z. animistisch onderscheidend), hogere en lagere dingen. De klasse-tekens kunnen gehandhaafd worden als de betekenis van die klassen zich wijzigt: dan heeft dus een reïnterpretatie plaats. Aan de driedeling in het Indo-Germaans kunnen dus andere indelingen voorafgegaan zijn. Het neutrum schijnt van ouds de funktie gehad te hebben om het levenloze aan te duiden. Bij de splitsing in mannelijk en vrouwelijk gold meer de macht dan de sekse: mèt het neutrum stond het femininum in een lagere waarderingsklasse. 1)  

In latere perioden, toen de waardering van het levenloze in het taalbesef geen onderscheidende factor meer was, wordt de overeenkomst van stamvorm belangrijk: bij bestaande en nieuwe woorden wordt de analogie beslissend. Daardoor zijn pogingen als die van J.M. Hoogvliet 2)  , om nu nog uit te maken welke woorden op grond van hun betekenis onzijdig moeten zijn, bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Wanneer nu nog, vooral in poëzie, persoonsverbeelding optreedt, dan behoeft die niet onverbrekelijk met het mannelijk en vrouwelijk genus samen te gaan, en b.v. van de voornaamwoordelijke aanduiding bij abstracta afhankelijk te zijn. In talen als het Engels en het algemene Nederlands, waar de onderscheiding van mnl. en vr. genus óf niet meer bestaat, òf in het taalbewustzijn geen rol meer speelt, doordat het tot schriftelijke traditie beperkt is, kan de personificatie in strijd komen

 1)  Uitvoerig is dit vraagstuk behandeld in het proefschrift van Josselin de Jong: De waardeeringsonderscheiding van levend en levenloos (1913) en in dat van Gerlach Royen: De jongere veranderingen in het Indo-Germaanse nominale drieklassensysteem (1926), onderdeel van Die nominalen Klassifikations-Systeme in den Sprachen der Erde (1929).
 2)  Ts. XXXV, blz. 72.


[p. 48]

met het van ouds overgeleverde genus: bij de dichter Gorter is de Mei een meisje, bij H. Roland Holst de zee een ‘hij’. 1)   Mogelijk heeft ook personifikatie de neiging doen ontstaan om bij namen van landen en steden zij en haar te gebruiken (§ 34).

Een eigenaardige personificatie komt in zeemanskringen voor bij schepen, zoals ook in het Engels een schip ‘she’ genoemd wordt. Bij De Hartog (Hollands Glorie, blz. 176) leest men van een schip: ‘Na háár gezien te hebben zou men zich niet meer verbazen de jongens altijd over schepen te horen spreken alsof het vrouwen zijn.’

In het algemene Nederlands worden twee nominale klassen onderscheiden, op grond van het begeleidende lidwoord (een de-en een het-klasse) of deels van andere adnominale woorden; in Zuidelijke volkstaal drie nominale klassen (een den-, de- en het-klasse), die tot de zestiende eeuw waarschijnlijk ook in de Noordelijke gewesten nog een zekere vastheid hadden. Sedert zijn de mannelijke en de vrouwelijke klasse samengevallen; ze hadden eenzelfde lidwoord, terwijl de oude verbogen mnl. casus den met de nominatief de samenviel, en de genitieven en datieven steeds meer in onbruik geraakten.

Het is bekend dat de renaissance-spraakkunst, enerzijds gesteund door het gezag van Hooft, Vondel en hun geestverwanten, anderzijds door de Statenbijbel en kerkelijk taalgebruik, een kunstmatige onderscheiding bij schriftelijk taalgebruik trachtte te handhaven of in te voeren, grotendeels steunend op een vanouds bestaand gebruik in dialekten, dat echter verre van uniform was. David van Hoogstraten zorgde voor de vastlegging in een woordenlijst, waarin evenwel tweeërlei, zelfs drieërlei geslacht geoorloofd verklaard werd, indien men zich op klassieke zeventiende-eeuwse voorbeelden beroepen kon. Moonen zocht in zijn Spraakkunst naar regels, o.a. afgeleid uit de slot-letter. Lambert ten Kate onderzocht het geslacht van een 750-tal woorden. In de negentiende eeuw brachten De Vries en Te Winkel wijzigingen aan, op wetenschappelijk-etymologische grondslag. Dank zij de kritiek van R.A. Kollewijn en de sterke toenadering van het schriftelijk taalgebruik en het taalonderwijs tot de levende taal, werd in de twintigste eeuw een begin gemaakt met het prijsgeven van de zo lang gehandhaafde, kunstmatige onderscheiding in mannelijk en vrouwelijk genus.

Hoewel voor de meeste substantieven vaststaat of ze tot de de-klasse dan wel tot de het-klasse behoren, is er ook een vrij groot aantal waarbij verschuiving en verscheidenheid op te merken is, zodat scherpe grenzen ontbreken. Allereerst is er plaatselijk

 1)  Andere voorbeelden bij R.A. Kollewijn: De geschiedenis van de geslachten der zelfst. nw. in het Nederlands (1892). Interessant is de uiteenzetting bij Jespersen: Philosophy of Grammar, Cap. XVII: Sex and Gender.


[p. 49]

onderscheid. Dat geldt voornamelijk voor de streektalen in Zuid-Nederland, gelijk door A.E. van Beughem in uitvoerige lijsten, door J.L. Pauwels ook cartografisch vastgelegd is. 1)   Maar ook in Noord-Nederland hebben de streektalen soms afwijkingen van het algemeen gebruik, b.v. in Drente de bos, in Twente de dons, in Katwijk de strand. Het gevolg is dat, mede onder invloed van het plaatselijk gebruik, in onze spraakkunsten sinds lang een dubbel geslacht bij een vrij groot aantal substantieven als gangbaar wordt erkend, en ook in de woordenboeken wordt opgenomen. Vast omlijnd is die groep weer niet en het oordeel of iets meer familiaar of minder beschaafd is, zal vaak subjektief zijn. Daartoe behoren o.a. fabriek, matras, schilderij, school (het Latijnse school, al bij De Genestet), telegram, zadel. In oudere spraakkunsten werden ook lijsten opgenomen van substantieven die zowel ‘mannelijk’ als ‘vrouwelijk’ gebruikt werden, maar dit was alleen van belang voor de buiging in de nu verouderde ‘schrijftaal’, want voor de aanduiding met hij en zij geeft die onderscheiding de doorslag niet. 2)   Op gezonder basis staat de nieuwe officiële Woordenlijst, waarin de aanduiding met m.v.o. wil zeggren, hoe naar de mening van de Commissie de voornaamwoordelijke aanduiding is of althans behoort te zijn.

Er zijn ook gevallen waarin het genus-verschil samengaat met betekenisonderscheid, b.v. diamant, kurk, steen, die als stofnamen tot de het-klasse, als voorwerpsnamen tot de de-klasse behoren. Ten onrechte worden daarmee op één lijn gesteld de woordparen die, hoewel etymologisch verwant, zozeer van betekenis verschillen, dat ze voor ons taalbesef homoniemen zijn, b.v. de patroon (chef) en het patroon (voorbeeld), de stof (voor een jas) en het stof (op een meubel), de want (handschoen) en het want (touwwerk), de Schrift (bijbel) en het schrift, de Fortuin en het fortuin (vermogen).

Historisch beschouwd, is de geslachtsonderscheiding, ook in letterkundig taalgebruik, aan allerlei wisseling onderhevig geweest. Dat blijkt duidelijk uit de lijsten die B. Huydecoper uit de geschriften van Hooft en Vondel samengesteld heeft en ook uit het taalgebruik van latere geslachten vóór de officiële vaststelling door De Vries en Te Winkel. Afwisselend mannelijk en vrouwelijk genus blijkt b.v. uit oude datieven in versteende

 1)  Bijdrage tot de studie van het geslacht der zelfstandige naamwoorden in de Zuidnederlandsche dialekten door A.E. van Beughem (Handelingen Comm. voor Toponymie en Dialectologie VIII, 1934). - Bijdrage tot de kennis van het geslacht der substantieven in Zuid-Nederland door J.L. Pauwels (1938). Daarin wordt natuurlijk gelet op het onderscheid van drieërlei genus.
 2)  Voor Zuid-Nederland is dit niet zonder belang, omdat daar de voornaamwoordelijke aanduiding gewoonlijk afhangt van het drieërlei genus. In de Noordbrabantse Kempen zegt men van een paard altijd hij, ook van een merrie die moet ‘veulenen’.


[p. 50]

vorm, als: ter dood brengen en ten dode opgeschreven, mettertijd en ten tijde van; afwisselend vrouwelijk en onzijdig genus blijkt uit de versteende datief-vormen in ter harte nemen, ter ore komen. Wat in ieder afzonderlijk geval de genus-wisseling veroorzaakt heeft, is niet gemakkelijk na te gaan. Voor de hand liggend is de werking van analogie. Als de beest plaats maakt voor het beest, dan kan het genus van dat dier invloed geoefend hebben. Wellicht zijn ook fonetische faktoren in het spel geweest. De feest, gesproken als dfeest kan verscherpt worden tot tfeest, maar regelmatig treedt dat verschijnsel niet op. Een andere biezonderheid is, dat bij samenstellingen, die in de regel het genus van het tweede lid overnemen, soms het genus van het eerste lid beslissend wordt, b.v. het ogenblik naast de blik 1)  ; de bessensap naast het sap; de appelmoes naast het moes; de zeepsop naast het sop; het elftalkommissie naast de commissie.

Bij stofnamen is er vaak weifeling tussen de en het, maar het de-genus is aan de winnende hand. Veel namen die in de woordenboeken uitsluitend onzijdig genoemd worden, klinken nu met de heel gewoon 2)  , b.v. katoen, lak, pek, pluche, satinet, trijp, vernis, was, zuivel, zult.

Oudere spraakkunsten kennen de term ‘zelfslachtig’ en daarnaast ‘gemeenslachtig’, waarmee bedoeld wordt dat een substantief door zijn betekenis zowel mannelijk als vrouwelijk is, b.v. bode, genoot e.d.; ook gesubstantiveerde adjektieven als de zieke. Dit kan in geen geval op het genus slaan, dat door het begeleidende woord bepaald wordt; de dialekten leveren het bewijs dat het genus onafhankelijk is van de wisselende sekse. Hier heeft dus verwarring plaats gehad met de voornaamwoordelijke aanduiding: de persoon kan natuurlijk naar omstandigheden een hij of een zij zijn, evengoed als bij personen van het onzijdig genus, als kind. Gemeenslachtig kan dus alleen slaan op sekse-aanduiding, en zou zin hebben, als men met Van Wijk meeging, 3)   die de termen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ wilde laten afhangen van de aanduiding met hij of zij. Dit is echter niet aan te bevelen, omdat die aanduiding bij niet-persoonsnamen voor de overgrote meerderheid van Nederlanders of niet vaststaat òf - bij abstracta - ongebruikelijk is.

 1)  Bij de genuswisseling van ogenblik zou ook het tijdstip van invloed geweest kunnen zijn.
 2)  Uitvoerig en met veel voorbeelden is dit besproken door Van Haeringen: Genusverandering bij stofnamen (N. Tg. XLIV, 7 vlg.).
 3)  Nederlandse Taal § 72.

21 Numerus.

Voorzover het begrip het toelaat, kunnen substantieven meestal door hun vorm meervoudigheid uitdrukken. Alleen in het enkelvoud komen voor:



[p. 51]

  • 1o. Eigennamen, tenzij ze in soortnamen overgaan.
  • 2o. Namen van wat enig in zijn soort is: de aarde, het heelal, de noordpool.
  • 3o. De meeste verzamelnamen: gebladerte, nakomelingschap etc. Daartegenover: gebergten, kudden, zwermen.
  • 4o. Stofnamen, tenzij ze soortnamen worden, b.v. oliën.
  • 5o. Sommige abstracta: aandacht, achting, afgunst. Vergelijk echter de in § 102 genoemde verbaal-abstracta.
  • 6o. Op grond van gebruik, dus toevallig: buit, klimop. Weinig gebruikelijk ook is het meervoud bij b.v. gelaat, ruim (van een schip).

Opmerking: Het Mnl. ging in de meervoudsvorming van abstracta verder dan het hedendaagse Nederlands (Stoett Mnl. Spr. § 202), wellicht onder Franse invloed. Bij Vondel vindt men pluralia als b.v. verdrieten, raden (Vgr. § 75), die bij moderne dichters ook aan te treffen zijn.

Talrijk zijn ze ook in De Geuzen van O. Zw. van Haren, blijkbaar als navolging van het Frans.

 

Alleen in het meervoud komen voor:

  • 1o. Al wat de indruk van een veelheid maakt: hersenen, inge-wanden, of wat steeds als veelheid gedacht wordt: mazelen, pokken, zemelen.
  • 2o. Behalve door de betekenis, ook door hun vorm: gezusters.
  • 3o. door het toeval van het gebruik: onlusten, toebereidselen, aanstalten, fratsen, lurven, paperassen, hanebalken.
  • 4o. Enkele internationale geogr. namen: Alpen, Pyreneeën.

Er zijn ook substantieven die geen meervoud vormen, maar naast zich een meerv. synoniem hebben: lid - ledematen, genot - genietingen, hoop - verwachtingen, bedrog - bedriegerijen etc.

22 Meervoudsvorming in hedendaags Nederlands. 1)  

De overgrote meerderheid van substantieven is te rangschikken in twee groepen, de eerste met de uitgang -e of -en (beide geschreven met -en, en beide, plaatselijk verschillend, in beschaafd spraakgebruik), de tweede met de uitgang -s.

Daartussen staat een groep die met beide meervouden voorkomt, en die als volgt gesplitst kan worden:

  • 1o. Beide vormen in algemeen beschaafd spraakgebruik, b.v. appel, direkteur.
  • 2o. Het meervoud op -en is plaatselijk; dat op -s algemeen: knecht.
 1)  De meervoudsvorming door e(n) en s is zeer uitvoerig besproken door C.B. van Haeringen in de Mededelingen van de Kon. Ned. Akademie 1947. Rijk materiaal, met zorg bijeengebracht, vindt men ook in Gerlach Royen's Buigingsverschijnselen.


[p. 52]

  • 3o. Het meervoud op -s is plaatselijk; dat op -e(n) algemeen: haring, zitting.
  • 4o. Het meervoud op -s is algemeen; dat op -e(n) is litterair, of plechtig (bijbeltaal): broeder, zoon, dochter, lelie, vinger.

Hierbij wordt gewoonlijk ook het geval gerekend, dat de meervouden op -s en -en verschillende betekenis hebben, b.v. patroon, portier, stuk, letter enz. maar zulke homoniemen zijn feitelijk verschillende woorden.

 

Meervouden op -s komen voor:

  • 1o. achter een bepaalde reeks suffixen (b.v. -el, -er, -je);
  • 2o. achter een volkomen klinker (b.v. kwesties, piano's; echter niet bij Nederlandse woorden op ee, b.v. zeeën); en achter de e van horloge, loge, page;
  • 3o. bij een aantal moeilijk te groeperen substantieven, b.v. vele eensyllabige persoonsnamen: koks, ooms enz.
    Over het algemeen is de s aan de winnende hand.

Opmerking: De uitgang -en komt voor in het beschaafd van de Noord-Oostelijke gewesten; meer dialektisch hoort men dan de sonantische n, na labialen m (lipm). In het overgrote deel van ons land ontbreekt de n, behalve in verbinding met en en of: heren en dames, mannen of vrouwen, dan ook wanneer het volgende woord met een vokaal begint: ‘de vrouwen aan 't werk’, ‘als dat soms van de heren is’.

 

Familiaar-beschaafd is een meervoud op -s na -e, b.v. gewoontes, leemtes, waar de meervouden op -en vormelijker zijn. Dialektisch is de s in beddes.

Rekking met klinkerverandering heeft plaats bij eenlettergrepige substantieven met korte vokaal: vat - vaten, weg - wegen, hol - holen, schip - schepen. De rekking is bewaard in de verkorte vormen: een pak slaag, veertien daag (vgl. ook: de vaat wassen = vaten).

Een zeer beperkte groep onzijdige substantieven, een vijftiental (nl. been, blad, ei, gemoed, gelid, goed, hoen, kalf, kind, kleed, lam, lied, rad, rund, volk) hebben een meervoud op -ere(n) of -ers, waarvan het eerste het meest gebruikelijk is. Kalf en volk hebben daarnaast een meervoud op -e(n); bij kleed, blad en been heeft het meervoud op -en een andere betekenis.

Verborgen zit de oude uitgang in lovers en spaanders.

 

Opmerking: In de Oostelijke streken van ons land bestaat nog het oude meervoud op -er (eier; kinder), dat ook bewaard is in eiersaus, kinderschoen. In beenderen, hoenderen is een d tussen n en r ingevoegd. De verkleinwoorden vertonen een dubbel meervoud: eitjes en eiertjes, kindjes en kindertjes. Naar de meervouden daagjes, lootjes wordt weer een enkelvoudig daagje, lootje gevormd.

 

Enkele meervouden zonder uitgang komen voor in geïsoleerde uitdrukkingen: op de been, onder de voet. Als overbodig wordt

[p. 53]

de meervoudsvorm gevoeld, bij substantieven die een voorafgaand meervoudig woord (alle man) hebben, of met een telwoord dienst doen als bepaling van maat, gewicht of prijs (drie meter, twee kilo, tien cent, vijf gulden). 1)   Bij: tien centen, vijf guldens denkt men meer aan de losse munten dan aan de gezamenlijke waarde.

 

Opmerking: In oostelijke dialekten kent men nog oude onzijdige meervouden zonder uitgang, als: de schaap. Ook in Brabantse en Limburgse volkstaal vindt men meervouden zonder uitgang, waar historisch een uitgang -e bestaan heeft. Een bewijs daarvoor levert de umlaut, b.v. meerv. scheuf naast schŏof, beum naast bŏom (Mnl. scove en bome). Zie Gerlach Royen: Buigingsverschijnselen I § 68.

 

Overgangsklanken vertonen koeien, vlooien, (waarnaar soms weer een enkelvoud koei en vlooi, die nog als minder beschaafd gelden) 2)  , maar ook zee(j)en, knie(j)en, bui(j)en, waar deze klank in het schrift niet aangeduid wordt, en zwaluwen, waar omgekeerd de althans in Holland niet gesproken w in het enkelvoud zwaluw naar analogie in de spelling voorkomt.

Aan het Latijn ontleende woorden behouden in het meervoud de Latijnse vorm, zolang ze nog als vreemde, geleerde woorden gevoeld worden, b.v. centrum - centra, dosis - doses, examinandus - examinandi, index - indices. Zijn ze meer of minder ingeburgerd, dan komen de vreemde en de Nederlandse meervouden naast elkaar voor: musea - museums, gymnasia en gymnasiums, examina en examens. Quasi geleerdheid veroorzaakt soms foutieve meervouden als prospecti, waar prospectussen het enig mogelijke is, evenals cursussen, albums, atlassen. 3)  

Bij ontleende Italiaanse woorden treft men soms Italiaanse meervouden aan als porti, saldi, colli (soms ook foutief colli's). Met tal van voorbeelden uit hedendaags taalgebruik is dit verschijnsel, zowel voor echte als voor pseudo-meervouden bij Latijnse, Italiaanse, Franse en Engelse woorden, toegelicht in het artikel Polyglottisch meervoud van Gerlach Royen 4)  .

 1)  Ook bij Vondel reeds duyzent pont, dry etmaal enz.
 2)  Vgl. de kaart van koe in de Taalatlas.
 3)  In het Duits is Atlanten in gebruik.
 4)  In N. Tg. XLII, blz. 125-134.

23 Hoe de hedendaagse toestand uit het oudere Nederlands ontstaan is.

Terwijl de oud-Germaanse splitsing der substantieven naar de stamvorm aanleiding gaf tot sterk afwijkende meervoudsvorming, zijn daarvan reeds in het Middelnederlands slechts schrale resten bewaard, doordat de onbetoonde heldere vokalen afvielen of tot ə

[p. 54]

verzwakten 1)  . De vroeger verschillende klassen vielen dus samen, doordat funktieloze vormverschillen prijsgegeven werden, maar daartegenover werden de vormen met duidelijke funktie, nl. ter onderscheiding van enkelvoud en meervoud, gehandhaafd of uitgebreid.

Het resultaat van deze ontwikkeling is, dat in het Middelnederlands nog meer groepen van meervouden onderscheiden werden dan in het hedendaagse, namelijk de volgende vijf:

  • 1o. Een talrijke groep met meerv. op -e, waarbij echter datief-vormen op -en (dach - daghe, in desen daghen). Voorzover ze in het enkelvoud reeds op -e uitgingen en dus oorspronkelijk een meervoud gelijk aan het enkelvoud hadden, bestond er een begrijpelijke neiging om ze aan te passen aan de groep met n-meervouden (b.v. sone - sonen, mordenare - mordenaren enz.).
  • 2o. Een talrijke groep met meerv. op -en (de oude n-stammen: here - heren, vrouwe - vrouwen), waarbij zich vele andere aansloten, die oorspronkelijk zowel in enkelvoud als in meervoud op -e zouden uitgaan (b.v. de in de vorige groep vermelde, de oude vrouwelijke ô en -stammen).
  • 3o. Een beperkt aantal 2)   meervouden van onzijdige woorden op -er (met klankomzetting -(e)re), b.v. kint, cleet - kinder (kindre), cleder (cleedre). In de Datief: kindren, cleedren.
  • 4o. Zeer zeldzame meervouden op -s, aanvankelijk alleen bij substantieven op -are of -ere (riddere - ridders). 3)   Van Loey (§ 12) heeft opgemerkt dat daarbij ook te letten is op plaatselijke verschillen. Terwijl ridders reeds in de dertiende eeuw West-Vlaams is, kende het Brabants ridderen en het Limburgs riddere.
  • 5o. Een aantal meervouden gelijk aan het enkelvoud. Daaronder zijn oude consonantstammen als vader, broeder, vrient, man, maar ook andere die een slotklinker verloren hebben, òf reeds vóór het Mnl. als woort, dinc òf betrekkelijk laat: woorden op -el, -en, -er (voghel, schepen, vingher) (Schönfeld § 92; 87; 86). Door analogie werden later duidelijker meervoudsvormen op -e of -en meer gebruikelijk.

In de late Middeleeuwen en in de zestiende eeuw is de scheiding tussen de beide eerste groepen steeds meer weggevallen. In een groot deel van de Frankisch-Friese gewesten is al vroeg de n na ə afgevallen, behalve wellicht voor klinkers. De werke-

 1)  Soms is er nog klinkerwisseling in de stam, b.v. stad-steden, tenzij steden als meervoud van stede te beschouwen is.
 2)  Opgenoemd door Van Loey I § 12.
 3)  De oorsprong van deze s is verschillend verklaard: zie Schönfeld § 86.


[p. 55]

lijke toestand kon verborgen blijven, doordat -en zich als traditionele schrijfwijze handhaafde, ook waar -e gezegd werd.

In streken waar de slot-n na -e niet afviel, kan door het bekende samenvallen van datief en accusatief, ook bij woorden die tot de e-klasse behoorden, een accusatief en tevens een nominatief op -en naar de datief gevormd zijn. 1)   Leerzaam is de toestand in een aantal Hollandse teksten van het Nieuwe Testament, geschreven tussen ± 1400 en 1450. 2)   Daar vindt men bij oude enkelvouden op -e, onafhankelijk van de oorsprong, een duidelijke voorkeur voor meervouden op -en: herten, profeten, duven, oghen, scaren, netten, sonden, gedachten, naast: dinghe, maende, woerde, daghe, scepe, vate. Maar wisselend: visschen en vissche, vianden en viande, manden en mande. In de laatste gevallen zijn visschen, vianden, manden waarschijnlijk schrijfvormen voor meervouden op -e. Gelijktijdig kan dan in Noord-Oostelijke gewesten het -en-meervoud reeds algemeen geworden zijn.

In het begin van de zestiende eeuw vindt men in oude drukken (naar Mnl. handschriften?), maar ook bij Anna Bijns en Colyn van Ryssele nog vaak e-meervouden (Kolthoff § 13 en 20). Maar weldra verbergt de uniforme drukkerstaal de werkelijke toestand, doordat het -en-meervoud daarin regel wordt. Een minder geschoold schrijver als Bredero laat nog meermalen de n weg, niet alleen in hande, lede, lude, maar ook in mensche, prophete (Nauta § 47). Hooft doet het in de vroegste taal een enkele keer, b.v. in de rijmen van de Granida, maar volgt het reeds gangbare gebruik; evenals Vondel. Van Helten (Vgr. § 71) noteerde bij hem alleen alle daghe en sijn levedage. 3)  

Onder de heerschappij van de ‘schrijftaal’, in de achttiende eeuw, zijn de vormen met -e in de geschreven deftige taal spoorloos verdwenen, en ook in de negentiende eeuw blijven ze contrabande, zodat menigeen ze voor onbeschaafd begon te houden, en ze schriftelijk gebruikte om ‘platte’ taal weer te geven. Opmerkelijk is, dat ze in moderne poëzie, o.a. bij H. Roland Holst en Karel van de Woestijne, vooral in rijmklanken, verre van zeldzaam zijn.

Grote uitbreiding kreeg het duidelijke meervoud op -s, in de

 1)  Gewoonlijk wordt ondersteld, o.a. door Schönfeld, dat eerst alle substantieven in beide groepen door analogie, een uniform meervoud op -en kregen, en dat daarna in een groot deel van de Nederlanden de n afviel. Deze opvatting wordt ook door Van Haeringen gedeeld. Dit is m.i. onwaarschijnlijk.
 2)  Hs. Lett 243.
 3)  Ook: alle daegh, evenzo bij Huyghens, Zeestraet vs. 602, 607. Vgl. nog: veertien daag. Bij Vondel zijn: alle dinck, in de wapen geïsoleerde resten van oude meervouden zonder uitgang. In een kluchtspel (Van Moerkerken, blz. 63) ook: ‘op mijn been can ick niet staan,’ (vgl. hiervóór het tegenwoordige op de been).


[p. 56]

late Middeleeuwen, maar vooral daarna. Bij Kolthoff (§ 14 en 21) zijn tal van voorbeelden te vinden, waarvan sommige zich niet hebben kunnen handhaven, als Arabiers, nabeurs, arms, schoorsteens, schoens 1)  , naast de gewonere op -en. Bredero (Nauta § 62) kent guyts, roers, beuls, en Vondel (Vgr. § 72): schelms, leerlings, reisgenoots. In zeventiende-eeuwse volkstaal bovendien: gevangens, kreupels, geweers, in de achttiende eeuw bij Poot nog: spions.

Opmerkelijk is in de zeventiende eeuw het streven van grammatici om meervoudsvormen met -s en -en te differentiëren; de eerste dienen dan voor de onverbogen, de tweede voor de verbogen vormen in genitief en datief, b.v. der rechteren naast de rechters. Dit voorschrift werd reeds gevolgd door Hooft en Vondel en gesanctifieerd door Moonen en zijn vele volgelingen. 2)   Het gezag van deze grammatische regel bleef, onder invloed van de schooltaal, nog merkbaar tot diep in de negentiende eeuw. Van Helten (Vgr. § 72) merkt bij Vondel voorkeur op voor -en-pluralia bij persoonsnamen op -er en - aer, maar hij zag over 't hoofd, dat deze bij Vondel juist als verbogen naamvallen bedoeld kunnen zijn. Bredero voelt de -en-meervouden blijkbaar als ‘deftiger’ (Nauta § 62a). Huygens, die geen grammatisch verschil in acht neemt, toont inderdaad een zekere voorkeur voor -en-meervouden bij woorden op -er en -el (letteren, schepselen, maeckselen, regelen, cameren, alle in de Zeestraet).

De vormen op -ere(n), -ers, worden verklaard als door analogie ontstane dubbele meervouden 3)  . Voor -ers is dat stellig het geval, maar -ere kan tevens een voortzetting zijn van de bovengenoemde metathesis -re (kindre), in de datief -(e)ren. Het aantal woorden dat hiervóór genoemd is, breidde zich in de late Middeleeuwen en in de zestiende eeuw nog uit, grotendeels onder Duitse invloed. In een vertaling van Barth den Ingelsman komen voor: dingeren, gateren, glaser. 4)   Kolthoff (§ 25) tekende uit zestiende-eeuwse teksten op: gateren, goeder (en), kruyder(en), wichters, wiver(en). Zestiende-eeuws is ook glenders bij glent = hek (vgl. Hgd. Geländer). Coornhert kent ampteren, gemoeder, Utenhove en Marnix: volckeren. Huygens gebruikt nog cruyderen, Bredero: ampteren (Nauta § 62). Het aantal woorden op -er(e) is in modern Nederlands sterk geslonken. Van de latere aanwinsten hebben zich echter gehandhaafd, waar-

 1)  In een zeventiende-eeuws kluchtspel (Van Moerkerken, 236) vindt men naast elkaar: een paer schoen, om schoens te koopen, en haer oude schoenen.
 2)  Vgl. mijn Verz. Taalk. Opstellen I, blz. 319, 362.
 3)  Dat -er oorspronkelijk geen meervoudsuitgang is, blijkt uit de historische ontwikkeling.
 4)  In de oude, Duits gekleurde Brandaen-tekst reeds: brander en riemer.


[p. 57]

schijnlijk onder Duitse invloed: goederen, gemoederen, liederen, gelederen. 1)  

Een ander dubbel meervoud, dat voor het eerst in de vijftiende eeuw voor den dag komt, gaat uit op -ens. Het Mnl. Wdb. (IX, 1841, 1875) vermeldt uit een Goudse tekst webbens en uit een Dordtse: weddens. Sterke uitbreiding is reeds merkbaar in de zestiende eeuw: bij Kolthoff (§ 15, 22, 50) vindt men: hoekens, liedens, beddens, beeldens, bésiens, moeytens. 2)   Bij Bredero: liens, boeyens, moeytens (Nauta § 62); bij Vondel is slechts opgetekend: geraemtens (Vgr. § 72). Wie daaruit zou willen opmaken, dat zulke meervouden in deftiger taal niet meer als volwaardig werden beschouwd, zou zich vergissen. In het proza van de achttiende eeuw zijn ze zeer gewoon: in de Boekzael der leesgierigen vindt men o.a.: actens, begeertens, groentens, gedaentens, dieptens, ruimtens, oppervlaktens, behoeftens, gedeeltens, eindens, voorwaerdens, gewoontens, belangens. Bij voorname prozaschrijvers, opgenomen in Van Vloten's Bloemlezing: geneugtens, belangens, behoeftens, gewoontens, gildens. Betje Wolff gebruikt groetens, vereistens; Jer. de Bosch: gezegdens; De Perponcher: uiterstens; Multatuli, met minachting: wijshedens, kwaadaardighedens, lastighedens. Schertsend hoort men ook wel gewichtighedens e.d.

De vraag kan rijzen of deze vormen te identificeren zijn met de vroeger vermelde, nu dialektische of familiare meervouden beddes, ziektes e.d., die zelfstandig ontstaan kunnen, naar analogie van bastaardwoorden als modes. Inderdaad vindt men bij Wolff en Deken: modens, en daarnaast b.v. bediendens. Men zou dus kunnen veronderstellen dat reeds oudtijds -ens een verdeftigde schrijfvorm voor -es geweest is, maar daartegen pleit het bestaan van de Afrikaanse meervouden beddens, vrouens, die uit de Hollandse volkstaal afkomstig zullen zijn, en die dialektisch nog Zuid-Brabants zijn (beddens, kousens) en Zeeuws (kousens, vurkens = vorken, koszakkens = kussenslopen). Dat oude meervouden op -ens de jongere op -es beïnvloed hebben blijft in elk geval aannemelijk, maar dat ze beide afgezakt zijn tot minder beschaafd taalgebruik, is niet zo gemakkelijk te verklaren: wellicht heeft de gangbare grammatika en het onderwijs daar invloed op gehad.

Etymologisch beschouwd, schuilt er een dubbele meervoudsuit-

 1)  Omgekeerd zijn in Vondel's taal nog gebruikelijk de en-meervouden: goeden, gemoeden, lieden, loven, lammen, geleden (Vgr. § 73).
 2)  De daar vermelde vormen beddenen, liedenen, woordenen, cuddenen zullen wel alleen op papier bestaan hebben, al blijven ze opmerkelijk, omdat daaruit blijkt dat men een verduidelijkende meervoudsuitgang nodig achtte.


[p. 58]

gang in schoenen en tenen, 1)   maar voor de tegenwoordige taalgebruiker bestaat natuurlijk alleen een enkelvoud schoen en teen met een regelmatig meervoud. Omgekeerd heeft men de oorspronkelijk enkelvoudige woorden raven, hekken, baken, eisen, zeisen wegens de vorm geïdentificeerd met meervouden, waardoor daarnaast nieuwe enkelvouden raaf, hek, baak, els, zeis ontstonden. De tussenvorm bake bij Hooft zou er intussen op kunnen wijzen, dat eerst de n en daarna de e in Hollandse volkstaal afgevallen was. 2)  

 1)  In het Mnl. komt een enkele maal coenen = koeien voor. Vgl. de kaart van koe in de Taalatlas.
 2)  Een aardige parallel is in het Groningse dialect djoak = diaken, naast djoak'n (Schuringa § 159).

24 Casus.

De term naamval 3)   is vaak dubbelzinnig gebruikt: men bedoelt er mee: de verschillende vormen van het substantief of van adnominale woorden, dienende om de funktie aan te geven die het woord in het verband vervult, maar ook wel die funktie zelf, in het zinsverband. Het laatste gebruik is niet aanbevelenswaardig. Deze funkties zijn velerlei; de casus zijn ook in vormenrijke talen beperkt in aantal: elke casus heeft dan verschillende funkties. Ten onrechte 4)   spraken dus oude grammatici in het Nederlands van zes naamvallen, in navolging van het Latijn; evenmin kan men in hedendaags Nederlands spreken van vier naamvallen: door woordorde, door voorzetselbepalingen wordt uitgedrukt wat het Latijn, met minder gebonden woordorde, door casus deed. Jespersen geeft daarvan een aardig voorbeeld door het zinnetje ‘Petrus Pauli filio librum dat’ te vergelijken met het aequivalent in een gedeflecteerde taal: ‘Piet geeft de zoon van Paul een boek’, of: ‘geeft aan de zoon van Paul een boek’. Andere varianten zijn nog: ‘Pauls zoon’ of ‘Paul z'n zoon’. 5)  

Deze s van Pauls is vrijwel de enige, schaarse rest van buiging bij het substantief. Deze is beperkt tot voorgevoegde persoonsnamen, eigennamen en daarmee gelijkgestelde persoonsnamen: Jans, Vaders, Nederlands, Europa's, en met voorgevoegd lidwoord: 's konings, 's prinsen, ook wel 's mans; 6)   later uitgebreid tot vrouwelijke persoonsnamen: Moeders, tantes; soms ook bij meervouden: zijn ouders huis, zijn ouweluis wens, een allemans

 3)  val is de vertaling van casus, dat weer uit Grieks πτωσις vertaald is en ontleend aan de val van de dobbelsteen; naam - nomen.
 4)  Ten onrechte ook daarom, omdat het getuigt van bewondering van flexie; in het andere uiterste verviel Jespersen, die in deflexie vooruitgang zag.
 5)  De laatste verbinding is in § 178 besproken.
 6)  Vgl. Van Haeringen (N. Tg. XL, 250 vlg.) en Gerlach Royen's Buigingsverschijnselen II, 265 vlg.


[p. 59]

vriend 1)  ; in dichtertaal ook bij voorgevoegde abstracta: lentes. Genitieven door verbinding met lidwoorden of pronomina (des, der, eens, ener etc.) komen in litteraire en ambtelijke- en kanseltaal voor, maar vergeleken met vroegere perioden, in afnemende mate, waarbij de mannelijke zeldzaam beginnen te worden: de vrouwelijke, wellicht door de steun van het meervoudige der zijn talrijker, doordat daarbij het substantief onverbogen blijft (§ 29). Verbindingen als: de heer des huizes, 's werelds loop, de dag des heren, des harten zijn in meerdere of mindere mate stereotiep. In de laatste voorbeelden heeft men een rest van een oude, zogenaamd zwakke genitief op -en, die ook bij vrouwelijke substantieven voorkwam, en verborgen zit in eigennamen als Geertruidenberg, Mariëndaal, Vrouwenparochie.

De oude spraakkunst schreef ook voor dat woorden als bode, bediende een genitief op n behoorden te hebben, gelijk oudtijds, maar buiten archaïserende stijl, zal men die in hedendaagse geschriften vergeefs zoeken.

Een datief van mannelijke en onzijdige substantieven is uitgestorven, en slechts nog in enige vaste uitdrukkingen bewaard: in den beginne, met dien verstande, ten onrechte, diensten den lande bewezen, heden ten dage. Nog minder herkenbaar zijn de datieven als de -e afgevallen is: vandaag, scheepgaan (< te schepe). In het meervoud blijven de substantieven in alle funkties onveranderd.

Gaan we terug tot het Middelnederlands, dan is de deflexie van het substantief ook reeds ver gevorderd. Genitieven op -s en -en (des dages; des heren, graven, hertogen, mensen; der vrouwen, des harten) zijn nog levend. Evenzo de vele mannelijke en onzijdige datieven op -e na voorzetsels. In het meervoud hadden de mnl. en onz. meervouden op -e, -re een datief op -en, -ren. De meervouden op -en en de zeldzame op -s bleven dus onveranderd.

Wanneer tegen het einde van de M.E. en vooral in de 16de eeuw, ook vrouwelijke woorden een genitief -s krijgen (werelts, crachts, bruuts) dan is dat niet met Van Helten (Vgr. § 64) te beschouwen als een Oud-germaans overblijfsel, te vergelijken met Oud-Saksische vormen: daarvoor is het verschijnsel te jong. De verbinding met het lidwoord des, waarvan Kolthoff (§ 44) tal van voorbeelden geeft (des bruyts, des hants, des maechts enz.). is het beste bewijs dat dit schrijftaalvormen geworden waren, die geen grondslag meer vonden in de levende taal. Als Marnixdes maeghts’ schrijft, durft Spieghel, in de Twe-spraack, des vrous als genitief aanbevelen, en volgt Hooft hem na, door in de

 1)  Vgl. Gerlach Royen: De ‘meervoudige’ praegenitief in N. Tg. XXXVII. 11 vlg. Zie ook § 175.


[p. 60]

Granida: des siels te schrijven. 1)   En wanneer Warenar stadhuistaal wil spreken, dan noemt hij zich ‘de vader des bruyts’.

Aan dit ‘misbruik’ hebben latere zeventiende-eeuwse grammatici een eind gemaakt door strenge scheiding tussen mannelijke en vrouwelijke buiging.

De zwakke genitief op -en is in de zestiende eeuw nog gewoon, maar het gebruik neemt reeds af. Vondel kent ze vooral in de oudere periode (Vgr. § 67 en 68); ook Bredero (Nauta § 57).

Opmerkelijk is de eveneens kunstmatige dubbele genitief: des hertens, des artsens (Vgr. § 67); bij Bredero zelfs: zielens, liefdens, deuchdens, siecktens (Nauta § 57).

Een datief op -e bij mannel. en onz. substantieven was vooral na praeposities in de zestiende en zeventiende eeuw nog gewoon, 2)   maar waarschijnlijk - afgezien van vaste uitdrukkingen - toch meer in litteraire dan in omgangstaal, b.v. bij Vondel en Hooft: uyt zynen monde, van den paerde e.d. In het proza van Hooft zijn ze talrijk; minder bij Huygens, hoewel men daar ook vindt: uyt den bedde, en zonder -e: ten deel, ten overvloet (Zeestraet vs. 285, 313).

In het meervoud onderscheidde men een datief op -en, bij nominatief-acc. op -e; door het samenvallen van datief en accusatief (eventueel ook nominatief) is dit verschil verdwenen. Dat de zeventiende-eeuwse grammatika getracht heeft in het meervoud soms casus-verschil te scheppen door de vormen met s en -en te differentiëren, is hiervóór (§ 23) besproken. Onder invloed van Weiland's Grammatica heeft dat nog lang nagewerkt: in 1833 vindt men b.v. bij Wiselius: der hedendaagse Duitscheren.

 1)  Ook in de Geeraert van Velsen en in de Baeto komen deze genitieven voor. Evenzo bij Bredero (Nauta § 57).
 2)  Voor de zestiende eeuw geeft Kolthoff (§ 11) een statistiek waaruit blijkt dat de vormen met datief-e toen nog de meerderheid vormden.