|
|
|
| |
II. Afleiding.
96-107 Afleiding van substantieven.
| |
96 Algemene opmerkingen.
Van ‘afleiding’ spreken we gewoonlijk alleen, wanneer aan een woord een bestanddeel toegevoegd wordt, maar het is ook mogelijk dat naast de werkwoordvormen de kortste vorm, d.w.z. de stamvorm zelfstandig gebruikt wordt. In uitdrukkingen als: van de kook raken, aan de kook brengen, in de week zetten, aan de rook gaan, aan de weet komen, in de maak zijn, dat is een hele aanpak; een hele sjouw, hij doet het om de heb, een zware klim, hebben deze substantivische woorden dezelfde betekenis als infinitieven. Vgl. ook: ‘'t is een hele eet, zo'n bordvol; 't is maar een weet; snoep en snoepje = snoepgoed; de huiver voor iets (als substantief nog niet vermeld in W.N.T.)
Binnen het gekozen kader laten we zulke voor het taalgevoel onherkenbare afleidingen buiten beschouwing, en bepalen wij ons in hoofdzaak tot die afleidingen, waarbij sedert de Middelnederlandse periode het laatste gedeelte nog als suffixen gevoeld wordt.
Woordvorming door suffixen achter een verbale stam is overoud, maar vele afleidingen uit voorhistorische tijd bevatten voor het taalgevoel geen suffixen meer. Bij nadenken zal men zaad licht in verband brengen met zaaien, bloem met bloeien, groen met groeien, stal met staan, maar de slotkonsonanten zullen alleen door etymologen als resten van suffixen beschouwd worden. Sommigen, als H. Paul, onderstellen dat ze eenmaal uit afzonderlijk bestaande woorden verschrompeld zijn. Dat is evenmin bewijsbaar als onmogelijk, wanneer men bedenkt dat een dergelijke degradatie van een samenstellend deel tot een suffix in een latere periode, tot op deze tijd, een zeer gewoon verschijnsel is.
| | | |
| |
97 Afleiding door suffixen: Verkleinwoorden.1)
Het hedendaagse Nederlands kent twee suffixen bij verkleinwoorden: -je (-tje, -etje, -pje, -kje, -ie) en -ke (-ske), waarvan de verspreiding over de Nederlandse gewesten dialekt-geografisch door W. Pée in kaart gebracht is. Algemeen bekend is, dat -ke hoofdzakelijk in de Zuidelijke streken thuis hoort, terwijl de Noordelijke provincies, die voor het Algemeen Beschaafd de toon aangaven, alleen de vormen met -je (-tje) kennen, al komt -ke in letterkundige taal voor. Dat intussen al die zo weinig op elkaar gelijkende vormen teruggaan op het Mnl. -kijn heeft Kloeke duidelijk en scherpzinnig bewezen. Vroegere onderzoekers werden misleid door het schrift. Zij hielden tje voor een verbinding van t + j + ə, zonder in te zien dat tj eenvoudig een palatale t aanduidt, die licht uit de onder invloed van de volgende ī in bepaalde streken ontstane gepalataliseerde k ontwikkeld kan zijn. De klank van kj en tj in riekje en rietje gelijken zoveel op elkaar, dat een vreemdeling het verschil nauwelijks opmerkt. Dat dit proces in Noord-Holland al vroeg in de M.E. begonnen is, heeft M. de Vries al opgemerkt, toen hij wees op eigenaardige verkleinwoorden in Egmondse rekeningen. Kloeke heeft dit onderzoek voortgezet: naast het oude -kijn, verzwakt tot -ken vond hij ook -tgin (tgen) en -tiaen (kiaen), met ae die waarschijnlijk een verlengde ĕ is. Zulke gepalataliseerde klanken waren niet tot Noord-Holland beperkt: men treft ze aan tot diep in Zuid-Holland (Leiden, Delft) en zelfs in Zeeland. Blijkbaar was men vaak verlegen met het schrijven van die vreemde, palatale consonant, en behielp men zich meestal met de combinatie tg2), zelfs nog bij Huygens -tgien. Dat de konservatieve schrijfwijze -kijn (ken) soms gehandhaafd werd, is geen bewijs dat er nog niet gepalataliseerd werd.
In streken waar de k de oude klank behield, verzwakte -kijn tot -ken en tot -ke. De nawerking van de ī blijkt in sommige dialekten (Oost-Brabant) door de umlaut van de voorafgaande klinker. Eindigde het woord op een k of ng, dan werd een s ingevoegd, dus: boekske, jongske.
In de meeste delen van ons land ontstond dus tjien, dat langs
| | | |
de weg van tjen tot tje en je zich ontwikkelde, terwijl de vollere ie-klank in Hollandse dialekten bewaard bleef (koppie, slokkie, doppie, happie, hoofie, lichie, nichie; Japie, dinchie, jochie, blom-mechie), maar in de beschaafde omgangstaal niet doorgedrongen is. In de geschreven taal handhaafden tot diep in de negentiende eeuw enkele auteurs de niet meer gesproken n in -jen.
On-historisch is het dus, gelijk vroeger meermalen gebeurde, in de t van beentje een overgangsklank te zien tussen been en het suffix -je. Ook koninkje zou uit koninktje ontstaan kunnen zijn. Daarentegen is de p van boompje (uit boomptje) inderdaad een fonetisch ontstane overgangsklank na de m.
Een uitbreiding tot -etje na woorden met korte vokaal, eindigend op liquidae, ng en g (tolletje, karretje, tangetje, vlaggetje) is te verklaren door analogie met dergelijke substantieven op -e. Ook na substantieven op m: kommetje, lammetje, boterhammetje, bloemetje.
Bij woorden op s (muisje, meisje) ontstaat meestal uit s + j één consonant š. Bij woorden op ft, cht en st valt de t uit (hoofje, lichje, vesje); de uitspraak hooftje, lichtje, vestje is dus hyper-korrekt. In het schrift komt dit feit nu niet tot uiting, maar in de zeventiende eeuw werden zulke woorden nog vaak fonetisch gespeld.
Eigenaardig is dat de diminutiva meermalen in het enkelvoud de vokaal van de meervoudsvorm vertonen: een scheepje, een vaatje, een slootje. Om dat te verklaren moet men bedenken dat van de meervouden schepen, vaten, sloten rechtstreeks de verkleinwoorden scheepjes, vaatjes, slootjes gevormd kunnen worden, waaruit weer naar analogie enkelvouden ontstaan. Vandaar de dubbelvormen dakje en daakje. Op dezelfde wijze ontstonden naast elkaar raadjes en radertjes, waaruit weer een radertje. Vgl. eiertjes, kindertjes, kleertjes.1)
Het gebruik van de Zuidelijke diminutiva op -ke(n) in letterkundige taal is reeds hiervoor vermeld. Zeldzamer is het nog te bespreken verouderde -lijn, b.v. bloemelijn, oogelijn, maagdelijn en de eigennaam Rozelijn, soms vermeerderd met tje: maagdelijntje, Knagelijntje.
In het Middelnederlands vindt men nog twee overoude diminutief-suffixen, die toen reeds geïsoleerd waren en nauwelijks voor analogische uitbreiding in aanmerking kwamen.
Het oorspronkelijke -în komt nog voor in Mnl. welpijn, hoekijn, libardijn, maghedijn, vingherijn (naast vingherlijn), tafelijn, vogelijn. De laatste voorbeelden hebben geen aanleiding gegeven tot het ontstaan van een nieuw suffix -lijn. Waar dit in het Mnl. voorkomt, b.v. geckelijn in de Minnenloep, is het navolging van het
| | | |
Duits. Evenzo bij Hooft: slotelijn (Ger. v. Velsen) en bij Krul het spreekwoord: ‘Goe wijn behoeft gheen kranselijn’.
Diminutieve kracht had ook het suffix -el in stippel, druppel, pukkel, stengel, kneukel, sommige met umlaut, als herinnering aan de oudere vorm -il. Dat dit suffix niet meer als verkleinend gevoeld werd blijkt, behalve uit de isolering van betekenis - een eikel b.v. is geen kleine eik - uit het feit dat dikwijls daarachter de verkleiningsuitgang -kijn geplaatst werd, waardoor feitelijk een nieuw suffix-elkijn ontstond, b.v. padelkijn, visselkijn, stickelkijn, cnapelkijn, scapelkijn, huselkijn, busscelkijn, wichtelkijn (naast wichterkijn) en in een inkunabel: bukelkijn, rugghelkijn, benelkijns (Gulden Throon). Het Mnl. menschelkijn vindt men nog terug als menschelkens bij Spieghel, en als menscheltjes bij Bredero. Na de zeventiende eeuw is dit suffix bijna verdwenen.1) In G. Gezelle's Schrijverke vindt men nog visselkes.
De betekenis van de verkleinwoorden vertoont grote verscheidenheid. Reeds L.A. te Winkel2) kwam tot de volgende groepering:
| 1o. | wat klein is in zijn soort: een olifantje; |
| 2o. | met een zekere geringschatting: een kleermakertje; |
| 3o. | met eufemistische kracht: een jaartje, een uurtje, een poosje, een centje, een aardig duitje, acht stuivertjes; |
| 4o. | als uiting van bescheidenheid: een kadootje, een sigaartje; |
| 5o. | als liefkozing: Maatje, schelmpje, schatje, dotje; |
| 6o. | geïsoleerd, als diminutief ontstaan: chokolaadje, dubbeltje, kwartje, halfje, praatje, bittertje, kadetje, standje, en van telwoorden afgeleid: een tientje, een vijf-en-twintigje.3) Als pluralia tantum: muisjes, spruitjes, theerandjes, broedertjes, poffertjes.4) |
Daarbij zou nog het ruim gebruik van verkleinwoorden opgemerkt kunnen worden als klein-burgerlijke gewoonte, waarmee reeds Van Effen in zijn Agnietjes de spot gedreven heeft. Verkleinwoorden klinken dan gemoedelijk-vriendelijk, b.v. Mooi weertje vandaag! Wat een verfrissend regentje! Zo'n zonnetje doet je goed.5) Eigenaardig was ook het buitensporige gebruik
| | | |
van verkleinwoorden in de achttiende-eeuwse sfeer van de ‘fijnen’, waarmee Wolff en Deken in Sara Burgerhart de spot drijven: goede werkjes, hinderpaaltjes, ontroerinkje, strijdje, enz.
Met het liefkozend karakter hangt samen het gebruik in erotische poëzie, b.v. bij Hooft.1) Ook de vrouwentaal maakt een ruim gebruik van verkleinwoorden, b.v. een aardig hoedje, blousetje, boordje, jasje, enz.
Bij de vorming van verkleinwoorden zijn nog de volgende biezonderheden op te merken:
Soms ontstaan verkleinwoorden: 1o. bij verbale stammen: zijn weetje weten (reeds bij Huygens: Hofw. vs. 257), een strijkje, dat niet verkort is uit strijkorkestje2), een moetje (= een gedwongen huwelijk), een zetje geven, zij wil ook haar zegje hebben; 2o. bij adjektieven: z'n natje en z'n droogje, 3o. bij pronomina: een ditje en een datje; 4o. bij telwoorden: op z'n eentje, met z'n drietjes, met ons beidjes; 5o. bij adverbia: een toetje = nagerecht (naar analogie ook voortje = voorgerecht), een uitje = uitgangetje, een vrolijk tussendoortje (A. van Duinkerken); het werd niet zo'n latertje als de eerste maal, een ommetje maken, iets dunnetjes overdoen; 6o. bij woordverbindingen: een onder-onsje, een niemendalletje, een bijdehandje.
Uit neiging tot afkorting ontstonden een bankje (= bankbiljet), een pasje (passe-partout) = trembiljet.
Op ‘verkleinwoorden als namen van spelen’, als: krijgertje, verstoppertje, schooltje-spelen; touwtje springen, haasje over, schuitje varen, soldaatje spelen, winkeltje spelen, pootje baaien heeft R.A. Kollewijn gewezen.3)
| |
98 Mannelijke persoonsnamen.
Eigenaardig is, dat het meest gewone suffix bij mannelijke persoonsnamen (-aar, -er) uit het Latijn stamt.4) Uitgangspunt waren woorden als molenaar, die in hun geheel uit het Latijn (molinarius) overgenomen werden. Het verdrong langzamerhand een ouder Germaans suffix -e, dat nog in het Middelnederlands voorkomt (herde, kempe, scinke; bij Hooft nog schutte en nu erve = erfgenaam), maar toen al niet meer produktief was.5)
| | | |
Tegenover -are was het te zwak, daar het niet voldoende expressief was.
Voor de hedendaagse onderscheiden toepassing van -aar en -er geldt de volgende regel: ‘Het suffix heeft de vorm -aar na n, l, r, als een onbeklemtoonde syllabe voorafgaat. In alle overige posities heeft het de vorm- er, behalve in leraar, minnaar, (over)-winnaar, dienaar en zondaar’.1)
In het Mnl. zijn afleidingen met -er (naast -re, b.v. dienre, leerre, minre) gewoner dan die op -aar.2) Een woord als over-winnaar b.v. is nog niet Mnl. Vgl. nu nog diender uit diener. Vandaar dat Kruisinga (Het Ned. van nu, blz. 69) de vormen op -aar als jonger en ‘deftiger’ beschouwt.
Naar analogie van woorden die op n of l uitgingen, b.v. tollenare uit Mnl. tolne of voghelare, ontstond een uitgebreider suffix -naar (-enaar) en -laar.3) Opmerkelijk is reeds in de Floris ende Blanchefloer de spelling voghellare met dubbele l.
Vóór de uitgang -er kon zich na n en r en l een d ontwikkelen b.v. porder, scheerder, mulder, in volkstaal diender = politieagent. Na r heeft de d zich in het algemene Nederlands gehandhaafd; na n geldt de invoeging van d niet meer als beschaafd, maar in de 17de eeuw werd dat niet zo gevoeld: bij Huygens vindt men b.v. doender, bij Vondel ziender.
Opmerking verdient dat juist bij deze afleiding de samenstelling door afleiding, in § 75 vermeld, veel voorkomt. Naast oude voorbeelden als beeldhouwer, dwarsdrijver kan men jongere gevallen plaatsen als negentiende-eeuwer, Bovenmoerdijker.4)
Naar de betekenis kan men de volgende groepering maken:
| 1o. | Nomina agentis, van werkwoorden afgeleid (bakker, dienaar). Als de afleidingen van substantieven de oudste zijn, dan lette men op gevallen, waar evengoed een substantief als een verbum het grondwoord kan zijn, b.v. rover van roof of van roven. Minder gewoon is de afleiding, als het verbum geen aktieve werking aanduidt, b.v. bij Huygens (Hofwijck, vs. 163) sterver5), maar woorden als dromer kunnen een overgang vormen. Coornhert gebruikt reeds afleidingen als zien- |
| | | |
| der, willer, weter, ruster (vgl. denker) en ook bij moderne auteurs vindt men afleidingen als bezinner, al-begrijper, voeler, belever (Fr. Coenen), een gelover in betere tijden en in het Vlaams: ontwaker, een ‘geloover in de poëzie’ (R. Herreman). Geheel passief is waarschijnlijk geestdrijver, dat reeds bij Vondel voorkomt, in de zin van: hij die door de geest gedreven wordt.1) |
| 2o. | Namen van personen, die met de genoemde zaak in een of andere betrekking staan: bultenaar, wagenaar, schuldenaar, kunstenaar. Een moderne afleiding is Tachtiger: letterkundige, behorende tot de beweging van Tachtig. Vroeger was tachtiger reeds in gebruik voor een tachtigjarige (vgl. zeventiger). |
| 3o. | De bewoners van een stad, land of plaats: Leidenaar, Keulenaar, Amsterdammer, Nederlander; kluizenaar, burger, in het Vlaams: landenaar.2) Ook als vrouwelijke diernaam: Barnevelders (kippen). |
| 4o. | Als de persoonsnamen zich uitbreiden tot diernamen, worden van de vrouwelijke namen duif en kat: doffer en kater gevormd. |
Over de nog verdere uitbreiding tot namen van voorwerpen en abstracta zal in de volgende paragrafen gesproken worden.
Van Romaanse afkomst is ook het suffix -aard, verzwakt tot -erd.3) Voor de verklaring zal men dus moeten uitgaan van uit het Frans overgenomen woorden als Mnl. gronjaert, goliaert, musaert, viliaert, grisaert, waarnaar analogisch woorden gevormd werden als dullaert, scalkaert, moiaert, behagelaert, bij Vondel grovaert (= grof mens) en partijnamen als Leliaert en Clauwaert. In een jongere periode komen er vele bij, als wreedaard, gierigaard, enz., in het Vlaams gaapaard (= domoor), afgunstigaard, enz. Juist in het Zuid-Nederlands zijn zulke afleidingen op -aard (en -erd) talrijk. Opmerkelijk is dat ze meestal een ongunstige betekenis hebben: dat blijkt o.a. uit een referein bij Jan van Doesborch (No. 138), waar een reeks van zulke woorden ter sprake komen. Voor de uitgang -erd geldt dat ten dele ook (lomperd, flauwerd, stommerd), maar niet als regel (vgl. dikkerd, leukerd, goedigerd, vluggerd.4)
| | | |
Bij afleiding van verbale stammen ontstaat verband met woorden op -er: sufferd, knoeierd, gluiperd, blufferd staan naast suffer, enz. Dit type komt al vroeg voor, o.a. bij Roemer Visscher: pruilert. Naar analogie gebruikt men ook: rakkerd, stakkerd, om zich meer expressief uit te drukken.1) Omgekeerd kan naast veinzerd weer de vollere vorm veinzaard gevormd worden.2)
Begrijpelijk is ook de begripsassociatie van het suffix -aard met het substantief aard: een gierigaard is iemand met een gierige aard. Vgl. ook luiaard, snoodaard, valsaard, gulzigaard. Bredero vormde b.v. vreckaert, Roemer Visscher en Passchier de Fijne: plompaert.
De uitbreiding tot zaaknamen zal weer in een latere paragraaf behandeld worden.
Een derde belangrijk suffix is -ing, -(e)ling (Mnl. -inc), waarvan de oorsprong terug gaat op persoonsnamen die de afkomst aangeven (Vlaming, Karoling); vgl. de vele eigennamen op -inga, -inge, -ink.3)
Met -inc werden in het Mnl. van adjektieven gevormd o.a. arminc, edelinc, jongelinc, ouderinc (later: ouderlinc).4) Evenals in het Duits krijgt het suffix eerst zijn grote verbreiding na de versmelting tot -ling (-eling). Van verbale stammen vormt men dan aktief: leerling, volgeling, loteling enz., passief: dopeling, bestedeling, kwekeling, zendeling, huurling. Voor een deel worden deze woorden ook op vrouwen toegepast, tenzij men daarnaast een vrouwelijke pendant met -e vormt (leerlinge) (§ 99). Van adjektieven: ouderling, eersteling. Opmerkelijk is bij deze laatste, vooral in jongere tijd, de veelal ongunstige betekenis: stommeling, beroerling, duisterling, slimmeling, onnozeling, politiekeling, enthousiasteling, geestdrifteling.
Eveneens uit eigennamen ontstaan is het suffix -rik (-erik)5), dat in het Mnl. nog zeldzaam is (b.v. wiveric: een man die onder de pantoffel zit) en bij Kiliaen loserick, doverick, maar dat later enige uitbreiding kreeg: luierik, botterik, stommerik, viezerik.
Dat type is vooral vruchtbaar in Zuid-Nederland: onbeleefderik, vadderik (= luiaard).
Reeds vroeg aan het Frans ontleend is het suffix -ier,
| | | |
-(e)nier.1) Uitgangspunt zijn weer de woorden die in hun geheel uit het Frans overgenomen zijn, als barbier, poelier, koetsier, bottelier, kassier, financier. Dan wordt de uitbreiding tot afleiding van Nederlandse woorden begrijpelijk: herbergier, scholier, en reeds vroeg met -enier: drapenier (naast drapier), frutenier, peltenier, piekenier, soudenier, warmoezenier, aalmoezenier, rentenier. De Mnl. uitbreiding van het suffix tot -erier (draperier, mercerier) heeft voor de latere taal geen gevolgen gehad. Zelfs moest het daarmee op één lijn gestelde kamerier wijken voor kamenier. Verouderd zijn woorden als koerantier (= journalist) en bij Vondel nog tooneelier (tonelist), maar dat het suffix nog produktief is, blijkt uit jonge woorden als stoepier (bediende die op de stoep reklame maakt), vliegenier en glazenier (ontwerper van glas-in-lood).
Van vreemde oorsprong is ook een derde, sinds de Middeleeuwen aan het Frans ontleend suffix, namelijk -ist,2) Onder invloed van het schrift overheerst de spelling-uitspraak met i; alleen enkele jongere ontleningen hebben ie: artiest, dentiest (vgl. modieste). In het Zuidnederlands is de uitspraak met ie gebruikelijk, b.v. socialiest.
In allerlei betekenisgroepen zijn deze afleidingen gebruikelijk geworden, b.v. als partijnamen: Mennist, Calvinist, Orangist, Epikurist, socialist, nihilist, communist; als militaire termen: artillerist, kavalerist, torpedist; als muziek-termen: organist (reeds Mnl.), fluitist, violist, pianist, komponist, korist; als taalkundige termen: Germanist, Anglist, Orientalist. Verder: bloemist, klokkenist, drogist, ovenist, en naar analogie: lampenist. Sommige daarvan zijn gevormd naar een ouder substantief op -isme, b.v. Epikurist (Fr. épicurien); andere zijn vertalend overgenomen (b.v. bloemist naar fleuriste) of aan andere talen ontleend (b.v. komponist uit het Duits).
Een bewijs dat men al vroeg vertrouwd was met deze woorden. zijn de eigenaardige nieuwvormingen als geldist bij Coornhert, kannist, naast drogist, bij Bredero, kamerist = rederijker bij Vondel. Joh. de Brune vormde naast novellist (= journalist) ook nieuwist, terwijl hij Susannist gelijk stelt met Susannaboef. Vondel kent zowel afgodist als ongodist (Besp. van G. en G.). Buiten gebruik is ook geraakt pennist, terwijl het o.a. bij Multatuli voorkomende urist (schrijver op uurloon) geen ingang gevonden heeft.3) Uitvoerig, met veel voorbeelden, is -ist naast -isme besproken door Gerlach Royen.4)
| | | |
Minder verbreid is het vreemde suffix -aan, ontleend uit aardrijkskundige namen als Venetiaan, Afrikaan, Indiaan. Daarnaar werden sekte- en partijnamen gevormd als Lutheraan, Voetiaan, Coccejaan. Door analogie werd -aan uitgebreid tot -iaan, b.v. Kantiaan, Bollandiaan, Kuyperiaan enz.
Daarnaast -ees, -nees: Chinees, Japannees, Balinees.
Zeldzaam zijn woorden op -ant: predikant, muzikant, fabrikant (vgl. intrigant, sollicitant). Zeldzamer nog -aris: falsaris (naast secretaris, notaris) en het schertsend gevormde plakkaris = aanplakker.
Volgens een gissing van Van Wijk1) zou op de Latijnse uitgang -us, in studententaal, het nauwelijks meer als suffix gevoelde -es (-is) teruggaan in woorden als lobbes, loeres, dreumes, smeris, te vergelijken met sulfes (= hals, bloed), dat bij Hooft voorkomt.
Persoonsnamen, waarbij het tweede samenstellende deel geleidelijk tot een suffix overgaat, of reeds als zodanig gevoeld wordt.
De overgang van samenstelling tot afleiding blijkt in een aantal gevallen, waar het tweede deel weliswaar nog zelfstandig bestaat, maar in deze verbinding verbleekt, en het karakter van een suffix krijgt, dat tot analogische vormingen aanleiding kan geven. Daartoe behoren
| 1o. | met persoonsnamen:
-man. Oud zijn al: ambtman (samengetrokken tot amman), schipman, kwakman = kwakzalver (WNT).
-mens: vrouwmens (> vrommes), krachtmens.
-broer: likkebroer, smulbroer.
-boer. Niet alleen groenteboer, maar naar analogie ook: visboer, voddeboer, lorreboer, koleboer.
-geest: plaaggeest, kwelgeest, woelgeest. |
| 2o. | met eigennamen:
-piet: keukenpiet, zeurpiet (schertsend daarnaast zeurmietje).
-kees: stamelkees, smeerkees.
-jan: mallejan, burgerjan, poppejantje (WNT VII, 194).
-janus: eetjanus, schrapjanus, gladjanus, grapjanus.
-hans: schraalhans, smalhans, pochhans, pofhans, praalhans (WNT V, 2114). Vgl. bij Bredero vederhanks (Griane, vs. 2653).
Waarschijnlijk hebben daarbij Duitse voorbeelden gewerkt. Vgl. Kluge Abr. § 44, die o.a. noemt: Prahlhans, Saufhans,
|
| | | |
|
Faulhans, Pochhans, en daarnaast wijst op dergelijke Duitse woorden met -bold en -rich.
-meier: kletsmeier, lulmeier en naar Duits voorbeeld: angstmeier. |
| 3o. | met namen van lichaamsdelen:
-kop: driftkop, domkop, stomkop, stijfkop, sufkop.
-bek: lafbek, lachebek.
-oor: domoor, druiloor.
-neus: wijsneus, zwamneus.
-bol: dronkebol (Vondel) (uit Hd. Trunkenbold?); losbol, zwierbol. |
| 4o. | met andere woorden:
-zak: naast dikzak, papzak ook lamzak.
Oudere voorbeelden: drafsack = vuylvraet (in de Twespraack 1584), drabsack (Bredero), leugenzak (Poirters), werkzak (Van Effen), smulzak (Van Lennep), droomzak. gelukzak (Streuvels).
-pot: knorrepot, brompot, zeurpot, zanikpot, likkepot, lijmpot, fleempot, rochelpot, morspot, knoeipot, mooschpot (Vlaams).
-lap: dronkelap, zatlap.
-kous: leuterkous, zemelkous, teutkous, slaapkous, sufkous, talmkous (Van Lennep). Vgl. WNT Suppl. i.v. achterkousig.
-broek: kletsbroek, leuterbroek.
-poes: smeerpoes, vuilpoes.
-beest: leugenbeest, knoeibeest.
-bak: bullebak, luibak.
-jak: schobbejak, vreetjak.
-jas: grapjas (naar paljas gevormd?), vechtjas, fuifjas, poedeljas.1) |
| |
99 Vrouwelijke persoonsnamen.
Een uit het oud-Germaans afkomstig suffix bij vrouwelijke persoonsnamen is: -in (Mnl. -inne).2) Dat dit suffix in het Nederlands, in tegenstelling met het Duits, het accent draagt, is te verklaren door de analogie met het aan het Frans ontleende suffix -es (vgl. godin met godés). Ook om de tegenstelling (boer-boerin, leeuw-leeuwin) kan het accent op -in gelegd zijn. Als aanduiding van een vrouwelijk beroep of waardigheid kunnen zulke woorden gevormd worden van een mannelijke naam: herderin, vijandin, heldin, Jodin. In de tweede plaats kunnen ze de vrouw aanduiden die bij de man behoort: gravin, hertogin, al kunnen ze
| | | |
ook tot de eerste groep overgaan; Bij namen als boerin, waardin vallen de beide betekenissen samen. In oudere taal komen zulke afleidingen voor, die ons nu vreemd aandoen, als het bijbelse mannin en dergelijke woorden bij Hooft (poëtin, maerschalkin en zelfs vaderin = parens, in de Tacitus-vertaling) en bij Vondel (nazaetin, eilandin, tyrannin, in Maria Stuart; landzaetin, in Salomon; schiltknaepin, afgodin in Bespiegelingen van G. en G.) en nog bij Bilderdijk: Heerin, Leenmannin, Ruwaerdin.
Van sociologisch standpunt is het interessant er op te letten, bij welke beroepen zulke afgeleide namen op -in reeds voorkomen, en welke zich tot nu toe tegen zulke ‘motie’ verzetten, als professor, lector, koetsier. In een advertentie trof mij onlangs het nieuwe woord cheffin.
In aansluiting bij de persoonsnamen ontstonden ook vrouwelijke diernamen: leeuwin, tijgerin, berin.
-ster.1) Dit suffix had een beperkte verspreiding in het Oud-Engels en het Nederlands, terwijl het in het Duits en het Fries ontbrak. Van Nederland heeft het zich dan langs de Noord-Duitse kust verspreid. Volgens een aannemelijke gissing zou het zeer vroeg uit het Romaanse suffix -istre (b.v. in citharistria) ontstaan zijn. In het Mnl. is het al zeer gebruikelijk, naast mannelijke namen op -er: bacster, bidster, naeyster, sangster, spinster, voester, waschester. In het Vlaams is het nog vermeerderd met het suffix -ige: spinstrige. naysterige.2)
In hedendaags Nederlands komt -ster rechtstreeks achter een verbale stam: werkster, naaister en in de jongste tijd: bedienster; of achter mannelijke persoonsnamen op -aar en -ier (molenaarster, herbergierster). Wisseling van -er en -ster in kwakzalfster naast kwakzalver. In overeenstemming daarmee werd baker in de volksmond vervormd tot baakster, gelijk Hildebrand constateerde.
In strijd met het taalgevoel van Noordnederlanders is de veldwinnende gewoonte in geschreven taal vrouwelijke persoonsnamen te gebruiken als men zaken bedoelt, benoemd met een naam van ‘vrouwelijk’ genus, b.v. ‘de uitgeefster voor een uitgeversfirma, of: de tegenwoordige generaties en haar voorgangsters’.
-es (Mnl. -esse) is in oorsprong een Romaans suffix (Latijn: -issa), dat meestal langs de weg van het Frans al vroeg in de Nederlanden doordrong. Abbatissa, profetissa, principessa zijn
| | | |
dus de voorgangers van abdesse (thans vrijwel uitsluitend: abdis), profetesse, princesse. Vaak wordt dit suffix geplaatst achter mannelijke namen op -aar en -er: lerares, dienares, meesteres, schilderes. Zulke woorden worden ook gevormd zonder Frans voorbeeld, b.v. barones = Frans baronne. Een jong woord als ponseres kan rechtstreeks uit ponsen gevormd worden, zonder dat er een woord ponser behoeft te bestaan.1)
-e is een suffix in opkomst, dat niet opgekomen en verbreid is in de levende volkstaal, maar opzettelijk toegepast, vooral in geschreven taal, om een vrouwelijke funktie of ambt van de mannelijke te onderscheiden. Enigszins kunstmatig is dus het onderscheid van echtgenote, lotgenote, bloedverwante, erfgename, weze, leerlinge als vrouwelijke pendanten van echtgenoot enz. Multatuli gebruikte in Vorstenschool al het vrouwelijke dieve. Daarbij sluiten zich vreemde woorden aan, als pianiste, telegrafiste, typiste, later ook presidente. Juist in de laatste tijd kan men allerlei dergelijke nieuwvormingen aantreffen, als predikante, passagiere, spionne, klerke, klante. Daarentegen ontmoette ik gidse al in een geschrift uit het midden van de negentiende eeuw. Merkwaardig is de aanhaling: ‘De Mei is de Maarschalke van de ontwakende natuur’.2)
Naast dit viertal algemeen bekende suffixen vermelden wij een ander viertal, dat òf plaatselijk slechts bekend, of reeds verouderd is, een drietal Zuidnederlandse en een uit de Noordoostelijke streken.
-érsse is speciaal Zuidnederlands en komt in Mnl. geschriften vaak voor: meestérsse, costérse, sondérse. Ongetwijfeld is het een metathesis van erésse, gelijk uit de accentuering blijkt.3) Het leeft nog voort in het Oostvlaams, zonder de r: meestésse (Teirlinck), naast het Westvlaamse meesterige.
-ege, ontstaan uit -egge, en later ontwikkeld tot -eie en -ei, en slechts voorkomend op beperkt gebied (Angelsaksisch en Nederlands).4) In het Mnl. is de vorming met -ege zeer gewoon: niet minder dan veertig woorden zijn opgetekend in het Mnl. Wdb., dikwijls met dubbele g: poortigghe, meesterigge, clappigghe, troesterigghe. De Bo kent in het Westvlaams nog vier verschillende vormen: -ege, -ige, -igge, -inge, en bovendien een uitbrei- | | | | ding tot -nege. Met een dubbel suffix komt in het Mnl. nog voor loddiginne naast loddege. Het wordt ook gevoegd achter mannelijke persoonsnamen op -er, -aar, -ier, en soms achter het vrouwelijke -ster, waarvoor De Bo voorbeelden bijeenbracht. Een gesyncopeerde vorm -erge uit -erige komt bij Ed. de Dene voor. In sommige streken treft men, volgens De Bo, bij voorkeur -eie aan: babbeleie, wasscheie, enz. Het algemene Nederlands kent slechts geïsoleerde, aan Zuidelijke taal ontleende woorden als dievegge en klappei (babbelachtige vrouw), labbei, kladdei.
-nede is eveneens speciaal Vlaams, maar sedert de M.E. verdwenen.1) Voorbeelden uit het Mnl. zijn: gebuurnede, graefnede, geselnede, swaesnede, rechtsweernede. Dat het suffix al vroeg zijn kracht verloren had, blijkt uit de Mnl. verdubbeling in graefnedinne.
In noordoostelijke dialekten vindt men, in overeenstemming met het naburige Nederduits:
-se, in oudere spelling -sche (uit isk ontstaan) in woorden als meesters(ch)e, mulders(ch)e, kasteleins(ch)e, dominés(ch)e d.w.z. de vrouw van de meester, de molenaar, de kastelein, de dominee. Ongetwijfeld is dit het gesubstantiveerde adjektief (vgl. een Hollandse, een Amsterdamse).
Zoals reeds opgemerkt werd, heeft dit suffix, ook blijkens de andere accentuering, een geheel andere oorsprong als het Vlaamse -érse.
| |
100 Voorwerps- en stofnamen.
-er. Zich aansluitend bij de persoonsnamen op -er kunnen ook voorwerpsnamen gevormd worden. Immers, ook het voorwerp kan een handeling verrichten: een stamper stampt, een gieter giet, een wekker wekt, een wijzer wijst, een vlieger vliegt, enz. De handeling wisselt met een toestand: een tegenligger (auto), een dwarsligger, langsligger (balk), zinker (van de waterleiding). Bij hanger zou men ook kunnen denken aan iets dat opgehangen wordt; vgl. loper (waarover gelopen wordt), trekker (waaraan getrokken wordt). Geheel passief is de voorstelling in: overgooier (een kledingstuk), een doorgooier (slappe koffie), een inlegger (blad papier), een onderlegger (dekentje), een aflegger (afgedankt kledingstuk), een achterlader (geweer dat van achteren geladen wordt). Aardige voorbeelden uit de Noordbrabantse Kempen zijn: eters, poters, schelders en zetters (aardappelen bestemd om gegeten, gepoot, geschild en gezet te worden), wender (een kaart die bij het spelen gewend wordt). Ook uit andere Zuid- en Noordnederlandse streektalen zijn veel voorbeelden
| | | |
opgetekend.1) Een jonge vorming is ook rokertjes (sigaartjes).
Ongewoner is dat ook het suffix -erd op zaaknamen toegepast wordt, b.v. een dikkerd, van een boom gezegd, of een dieperd voor een diepe kuil (in een bekend gedicht van De Genestet).2)
-sel wordt achter verbale stammen geplaatst en vormt dan substantieven met verschillende betekenis. Soms de naam van een voorwerp of een stof, die in een of andere betrekking staat tot de werking: actief in deksel, steunsel, welfsel, stijfsel (vaak als middel), passief in: aanhangsel. Als produkt van de handeling: baksel, brouwsel, zaagsel, strooisel, pluksel, knipsel en dan tot stofnaam geworden: verguldsel, schrapsel, kooksel, mengsel, vulsel. Ten slotte kunnen deze afleidingen ook abstrakte betekenis krijgen: toebereidsel, beletsel, aanwensel, voorwendsel, en dan weer meer konkreet in vertelsel. In woorden als stelsel, schepsel is de afleiding al verduisterd; leidsel, door het tegenwoordig geslacht gevoeld als afleiding met -sel (middel om het paard te leiden) is etymologisch te verklaren uit de samenstelling leidzeel. Sommige woorden op -sel hebben een pejoratief-gekleurde betekenis, b.v. verzinsel, bedenksel, uitvindsel, ook soms brouwsel.
In de zeventiende-eeuwse Noordhollandse volkstaal ontstond door metathesis de vorm -(e)les b.v. sageles (in Hooft's Warenar), stremmeles, hengeles, bij S. Coster: warles. Sporadisch treft men dit verschijnsel ook aan in Mnl. teksten, b.v. radeles of rales = raadsel, spokels = spooksel.
-(l)ing is vrijwel onvruchtbaar geworden.3) Het komt nog voor:
| 1o. | bij namen van planten: zuring, scheerling; |
| 2o. | bij namen van voorwerpen: vingerling, teerling (Mnl. terninc), en muntnamen: schelling, zilverling. |
Niet meer vatbaar voor analogische vorming is een oud suffix -el, dat alleen in enkele gevallen als prikkel, zetel, klepel, hevel, stekel nog als suffix herkenbaar is (vgl. Mnl. blouwel ‘stamper’ naast blouwen, stegel naast stigen), maar niet meer in woorden als lepel (Mnl. lapen = leppen), beitel (vgl. Mnl. biten = splijten), schoffel, nog minder met umlaut-vokaal: beugel, teugel, en geheel verborgen in peil (uit pegel), dweil (uit dwegel), spil (uit spinnel, Eng. spindle) en naald (met metathesis uit nadel).
Hybridische suffixen zijn bij deze groep zeer schaars. Het
| | | |
Franse suffix -el, in bastaardwoorden -eel, gaf aanleiding tot de vorming van bekkeneel, terwijl door klank- en begrips-associatie zich daarbij aansloten houweel (naast houwen) en toneel (naast (ver)tonen), hoewel deze woorden etymologisch een geheel andere oorsprong hadden.1)
Een unicum is ook helmet met de uitgang -et2); gewoner zijn, vooral in Zuid-Nederland, een aantal zaak- en persoonsnamen op -joen, eljoen, b.v. kwispeljoen, schampeljoen; vgl. bocheljoen = gebochelde.3)
| |
101 Kollektieven.
Ook zonder suffix kan een voorwerpsnaam kollektieve betekenis krijgen. Het Mnl. woord loof (b.v. niet een loof) kan zowel blad als gebladerte betekenen, evenals men nu nog zegt: het blad is al van de bomen. Koren is oorspronkelijk korrel (vgl. het wild). Bekend is dat glas, steen, enz. voorwerps-, stof- en verzamelnamen kunnen zijn.
Een speciaal middel om verzamelnamen te vormen is het suffix -te, samengaande met het praefix ge- (vg. § 104): gebladerte, gevogelte, gedierte, geboefte.
In sommige samenstellingen met kollektieve betekenis is het laatste deel reeds in meer of mindere mate tot suffix verbleekt, b.v.
-gerei: naai-, was-, eetgerei.
-tuig: vistuig. Meestal zijn zulke woorden voorwerpsnamem geworden: werktuig, rijtuig, vliegtuig.
-goed: strijkgoed, wasgoed, poetsgoed.
-werk: suikerwerk, glaswerk.4)
-waar, -waren: koopwaar, ijzerwaren.
Andere afleidingen met kollektieve betekenis zullen eerst in de volgende paragrafen ter sprake komen, bij suffixen die voornamelijk tot andere woordgroepen behoren.
| |
102 Abstracta.
Men onderscheidt naar de afleiding verbale en nominale abstracta, maar dezelfde suffixen kunnen vaak voor beide soorten dienen, b.v. kennis (van kennen) en duisternis (van duister).
| | | |
In § 96 zijn reeds de eenvoudigste verbale afleidingen behandeld, die met de stam samenvallen (slag, stoot) of die later door analogie ontstaan.1) Minder overeenkomst, door latere klank-verandering,2) vertonen slag van slaan, gang van gaan.
In de tweede plaats kan ook de infinitief gesubstantiveerd worden (het werken, het wandelen), waarbij -en niet meer als suffix gevoeld wordt.
Zeer gebruikelijk is daarnaast het suffix -ing (Mnl. -inge): werking, wandeling.3) Op te merken valt dat in Noord-Nederland -ing neiging heeft te verzwakken tot əng, wanneer het hoofdaccent, als bij werking, onmiddellijk voorafgaat. In Zuid-Nederland blijft ook in het laatste geval de ĭ, soms overhellend naar ie.
Eigenaardig is deze vorming in impressionistische taal, b.v. bij Boutens: ‘de wanding der bergen’, met een ‘zelfbewegelijk animistisch karakter’.4)
Minder gewoon dan in het Duits5) zijn in het Nederlands nomina actionis op -er b.v. een schuiver maken (Zuidnederlands: een schijver (= draai) maken), een slippertje maken, een opstopper6), het loopt met een sisser af.
Adjektieven konden, al of niet verbogen, zonder suffix, tot substantieven worden7), b.v. een euvel, het nut, het recht, Mnl. sonder valsch, dat waer = de waarheid; vgl. waarzeggen. Al vroeg ontwikkelde zich als speciaal suffix -de of -te, ontstaan uit de langere vorm -ede. Bij syncope van e werd dan de d na stemloze consonant verscherpt tot t, of de beide consonanten bleven stemhebbend: vandaar naast elkaar b.v. liefte en lievde uit lievede. Intussen verschijnt t schijnbaar onregelmatig; ook in gevallen waar men d zou verwachten, b.v. volte, stilte, zwaarte, warmte, gemeente, gewoonte, gedaante. J.H. Kern heeft dit verklaard uit de neiging om na liquidae de consonant te rekken, waaruit dan verscherping ontstaan zou zijn8), maar ook
| | | |
analogie naar afleidingen als dikte blijft mogelijk. In oudere periode komen afleidingen met -te voor, die nu verdwenen zijn, ook bij substantieven als diefte; bij Vondel schroomte.1)
Opmerking. Niet alle woorden op -te hebben een abstrakte betekenis; hetzelfde suffix kan ook verzamelnamen vormen (groente) en voorwerpsnamen (diepte, hoogte, steilte, sterkte).
Dit suffix heeft een korter, oud-Germaans suffix verdrongen, namelijk -e, dat in het Duits nog voortleeft (Liebe, Tiefe), in het Mnl. nog vrij gewoon was, b.v. diepe, gesonde enz., in de zeventiende eeuw nog sporadisch voorkomt, o.a. bij Vondel: oude, ronde2) en in koude, waarde, nog een enkel spoor nagelaten heeft.3)
Dezelfde behoefte aan duidelijkheid, die veroorzaakt heeft dat -de het gewonnen heeft van -e, verhinderde ook dat de vooral Noordnederlandse neiging om de slot -e te doen afvallen, navolging gevonden heeft. Een aanloop daartoe is reeds in het Mnl. te constateren, b.v. ruumt uit ruumte (vgl. Engels health, wealth = weelde); in de zestiende eeuw schaamt, bij Hooft (Warenar) warmt, bij Huygens (Dagw.) weeld. Al deze woorden eindigen nu, zonder uitzondering, op -e.
-(e)nis (Mnl. -nisse en in het Vlaams de oudere vorm -nesse).4)
De langere vorm -enis is weer door analogie ontstaan. Wanneer een e toegevoegd wordt, blijft de verscherping van de consonant in de auslautpositie van de syllabe, gehandhaafd, b.v. beeltenis, droefenis. Dit verschijnsel komt reeds in het Mnl. voor o.a. gevankenesse, ghetuechenesse.
Het suffix sluit zich niet alleen aan bij adjektieven en substantieven (duisternis, droefenis, beeltenis; een jong neologisme is lichternis (naar duisternis) bij P.N. van Eyck en A. Roland Holst), maar ook bij verbale stammen (heuchenis, Vlaams: treurnis), of verleden deelwoorden (geschiedenis, verrijzenis, gebeurtenis, bekentenis, erkentenis, gevangenis), waarbij de twee eerste geen verscherping van consonant vertonen.
In schennis (van schenden) treedt assimilatie op; evenzo in vonnis uit vondenis, van een verl. deelw. afgeleid.
De betekenis van deze afleidingen is niet beperkt tot toestanden en werkingen: ook een resultaat (kennis), een middel
| | | |
(lafenis), een kollektief begrip (vuilnis), of andere konkrete voorstellingen (hindernis, wildernis) komen daarbij voor.
Bij een drietal suffixen, nl. -dom, -schap en -heid kan etymologisch nog aangetoond worden dat ze uit zelfstandige woorden ontstaan zijn.1)
-dom (verkort uit Mnl. doom) betekende oorspronkelijk: toestand, waardigheid. De betekenis van de afleiding is:
| 1o. | staat of toestand: adeldom, ouderdom, maagdom, rijkdom, Mnl. wijsdoem = wijsheid; |
| 2o. | grondgebied: hertogdom, bisdom (uit bisschopdom); |
| 3o. | kollektief: mensdom, christendom. Sommige auteurs toonden biezondere voorkeur voor deze soort, o.a. Vondel2) bij wie -dom achter meervoudige substantieven met s geplaatst wordt: riddersdom, schenckersdom, ballingsdom, en naar analogie een bindings-s krijgt: koningsdom, engelsdom. Hij vormt zelfs woorden als redendom: alle met rede begaafden. Bilderdijk volgt hem in dergelijke formaties na. Reeds Mnl. wijsdoem = de geleerden. Schertsend gevormd in studententaal: ploertendom; |
| 4o. | konkreet: eigendom, heiligdom. |
-schap (Mnl. -scap, -scepe, -scip; vgl. Fries -skip) samenhangend met scheppen, en dus oorspronkelijk: gestalte, gedaante, hoedanigheid, toestand. Het Mnl. kende reeds afleidingen als haetscap (= hatinge), viantscap, nutscap, heidenscap, joodscap, paepscap. Behalve achter substantieven en adjektieven komt -schap soms ook achter een infinitief: wetenschap, zeggenschap, waarvan weer medezeggenschap afgeleid is. In hedendaags Nederlands is het zeer gebruikelijk, en nog steeds zeer produktief, vooral in kollektieve zin. Het aantal (bedrijfschap, produktschap, landbouwschap, plassenschap, strandschap enz.) neemt in de laatste jaren door wettelijke regelingen zo sterk toe, dat zelfs een nieuw znw. schap bezig is zich daaruit te ontwikkelen: wet op de schappen, het werk der schappen enz. De betekenis kan zijn:
| 1o. | gesteldheid: blijdschap, gevangenschap; |
| 2o. | waardigheid: koningschap; |
| 3o. | grondgebied: graafschap, waterschap.
Naar analogie van waterschap ontstond de term wegschap, jachtschap. In het Oostmnl. was houtscap een dorpsgemeente en maelscap onverdeeld gemeente-eigendom. |
| 4o. | kollektief: broederschap, nakomelingschap, vroedschap, gezelschap. Verouderd is manschap = bemanning. |
| 5o. | een persoon: heerschap, vriendschap en het plurale tantum:
|
| | | |
|
manschappen. In het Mnl. ook boelscap en geselscap = gezellin. |
| 6o. | een zaak: boodschap, gereedschap, nalatenschap. |
-heid (Mnl. -heit, -hede). In het oud-Germaans bestond een overeenkomstig substantief met de betekenis: stand, staat, waardigheid, hoedanigheid, dat in later tijd alleen als suffix voort-bestond. Doordat het dikwijls achter adjektieven op -ig kwam te staan (heiligheid) ontstond door analogie een uitgebreider suffix -igheid.1) Een woord als zoetigheid kan nog gevormd zijn uit zoetig, maar zal licht met zoet in verband gebracht worden; kleinigheid, nieuwigheid, zwarigheid, gauwigheid, malligheid kunnen alleen ontstaan zijn met het uitgebreide suffix.2) In de taal van de rederijkers en de vroege renaissance waren zulke woorden op -igheid (b.v. schoonigheid) in de mode. In dialekten, o.a. in de Noordbrabantse Kempen, zijn ze nog talrijk.
Deze afleidingen worden aangetroffen bij allerlei adjektieven (schoonheid, waarheid, reinheid, vermetelheid, spaarzaamheid, onbeduidendheid), bij substantieven (Godheid), bij telwoorden (eenheid, veelheid) en een enkele maal bij een adverbium (overheid). Soms ook achter een woordgroep: de al-of-niet-mogelijkheid. De betekenis kan zijn:
| 1o. | een hoedanigheid (schoonheid); |
| 2o. | een toestand (kindsheid); in mystieke taal voor allerlei abstrakte begrippen als Mnl. selfsheit, anderheit, bij Ruusbroec: isticheit (naar Duits model) en zelfs brootheit ‘het begrip brood’; later nog bij Vondel: wezenheit en isheit.3) Het WNT wijst op allerlei ‘wanschepsels’ uit de zestiende-eeuwse rederijkerstaal, als: bevroedheid, geruischheid, overvloedheid e.d.; |
| 3o. | overgang naar een meer konkreet begrip: een aardigheid, geestigheid, grofheid; |
| 4o. | die van een kollektief: de mensheid, geestelijkheid, meerderheid, overheid. Bij Vondel: gescapenheit = al het geschapene. Als nieuwvorming de gezamenlijkheid der arbeiders; |
| 5o. | aanduiding van een individu: Zijn Hoogheid, Edelheid, Heiligheid, een schoonheid (Fr. beauté); schertsend bij De Genestet (St. Nic. avond): Mijn Zotheid; bij Werumeus Buning: een magere langwerpigheid; en familiaar: ‘zo'n akelige broer, zo'n naarheid, akeligheid’; |
| 6o. | voorwerpsnaam en stofnaam: zoetigheid, vuiligheid. |
| | | |
Wanneer naast elkaar afleidingen met -heid en -te staan, dan is het eerste meestal abstrakt, het tweede ook konkreet: vergelijk hoogheid, laagheid met hoogte, laagte, die tweeërlei betekenis kunnen hebben.
-wezen. Van jonge datum zijn een aantal woorden, waarschijnlijk naar Duits model, samengesteld met wezen, waarin dit bestanddeel op weg is om tot suffix te verbleken: krijgswezen, muntwezen, loodswezen, postwezen, armwezen, bibliotheekwezen, archiefwezen.
-rijk. Dicht bij koninkrijk, keizerrijk staan nog aardrijk, hemelrijk, maar dierenrijk, plantenrijk, delfstoffenrijk worden eenvoudig kollektieven, zonder het begrip ‘gebied’.
| |
103 Hybridische vorming.
Een zestal suffixen zijn van Romaanse oorsprong; sommige zijn zozeer ingeburgerd en door talrijke analogie-vormingen verbreid, dat ze niet meer als vreemd gevoeld worden. De grootste groep wordt gevormd door:
-ij, uitgebreid tot -arij, -erij, -enij, -ernij. De oorsprong van dit suffix is te vinden in het Frans. Woorden op -ie moeten al lang vóór de schriftelijke overlevering aan het Frans, en aan het geschreven Latijn ontleend zijn1); anders zou het onverklaarbaar zijn dat reeds omstreeks 1300 zoveel analogie-vorming op te merken valt, b.v. duvelie, heerschappie, momborie, voghedie, gokelie, wapenie. In het Middelnederlands vindt men ook nog de oudere vorm, -îë, b.v. baelgië2), waaruit later ontstond -ije (Turkije, Barbarije) waarnaast -je (Spanje, Brittanje).
In jongere perioden werden opnieuw veel Franse woorden op -ie overgenomen. Slechts bij uitzondering (als rijmklank) ging daarbij ie over in ij (poezij, melodij.3)
Zeldzaam is een uitbreiding van dit suffix tot -dij of -derij. Naar analogie van abdij, proosdij, voogdij ontstond makelaardij. Het ontstaan van boerderij is niet duidelijk, maar misschien was dit het model voor het volks-etymologische gaanderij (= galerij).
Doordat -ie (-ij) zo vaak achter woorden op -aar, -er kwam,
| | | |
ontstond een uitgebreider suffix -arij, -erij. Naar bakkerij, brouwerij kon ook smederij gevormd worden. Visserij kan dus zowel van visser, als rechtstreeks van vissen gevormd zijn. Hooft gebruikt al praterij (Granida). Vgl. verder: afgoderij, landerij, boekerij enz. Pejoratief b.v. bij Multatuli: letterkunderij, publicisterij, kritiekerij.
Evenzo gaven woorden als artsenij, woestenij (uit Mnl. woestene), komenij (uit coopmannij) aanleiding tot het uitgebreidere -enij en dit versmolt met -erij tot -ernij: Vondel kent nog razerij, moorderij, waarnaast razernij, slavernij.1) Evenzo spotterij en spotternij. Reeds oud zijn Mnl. dorpernie, scalkernie, waarbij later: glotternie, loddernie, truffernie, smekernie.2)
Een dubbel suffix komt voor in heerschappij, maatschappij.
De betekenis van woorden op -ij is:
| 1o. | waardigheid of bedrijf: voogdij, koopvaardij, makelaardij; |
| 2o. | plaats waar het bedrijf uitgeoefend wordt: bakkerij, brouwerij, kuiperij, gieterij; |
| 3o. | toestanden en werkingen: slavernij, bedelarij, afzetterij; |
| 4o. | hoedanigheid: hovaardij, Mnl. dorpernie; |
| 5o. | kollektieven: boekerij, burgerij, ruiterij; |
| 6o. | gebied: Meierij, grietenij, abdij; |
| 7o. | voorwerp: artsenij, rijmelarij; |
| 8o. | pejoratief: ambtenarij.3) |
-age komt eveneens eerst voor in uit het Frans overgenomen woorden.4) Oorspronkelijk werd het waarschijnlijk uitgesproken als adžə: vandaar de weifeling in de schrijfwijze: pelgrimaedse, pelgrimaedje, pelgrimagie; in de zeventiende eeuw b.v. zeilagie. maar ook zeilazie. Hooft schrijft al op z'n Frans: boelage, maar nog in de spelling van Siegenbeek was -aadje gebruikelijk.
Naar de vele, reeds vóór de schriftelijke overlevering ontleende woorden, werden al in het Mnl. o.a. analogisch gevormd: drivage, lackaedsie, sculaedse, timmerage enz. De stroom gaat steeds door: zowel van verba (vrijage, boelage, kijvage, kwellage, slijtage
| | | |
lekkage) als van substantieven (bosschage, dijkage, zeilage, tuigage, pakkage, stoffage) worden telkens nieuwe woorden gevormd. Opmerkelijk is, dat zoveel van deze woorden weer verdwenen zijn, b.v. de in het WNT vermelde schuivage, stuwage, en dat ook late afleidingen door hun ‘slang’-karakter vergankelijk zijn, b.v. foppage (nog bij Vosmaer), kullage, bibberage, dierage.
Wat de betekenis betreft, kan men onderscheiden:
| 1o. | namen van werkingen: slijtage, vrijage, strijkage; |
| 2o. | kollektieven: bosschage, pluimage, takelage; |
| 3o. | voorwerpsnamen: stellage; |
| 4o. | pejoratief: dierage, duvelderage (Wolff en Deken) = geduvel. |
Bij pelgrimage = pelgrimstocht sluit zich aan het zeventiende-eeuwse zeilage (o.a. bij Gerrit de Veer) = zeiltocht.
(-i)teit komt oorspronkelijk voor bij geleerde, aan het Frans ontleende woorden als majesteit, kwaliteit.1) In enkele daarvan, als antiquiteit, kon men het eerste deel in verband brengen met een adjektief (antiek). Dat opende de mogelijkheid voor analogievormingen als rariteit, stommiteit, flauwiteit, gemeniteit, naieviteit, alle in familiare taal, wellicht tendele afkomstig uit dezelfde kringen als de soortgelijke Duitse woorden.
-ment komt oorspronkelijk voor in geleerde woorden uit het geschreven Latijn: torment, instrument, element, regiment, fragment e.d.2) In het Mnl. werkte reeds analogie, blijkens woorden als boetement en boerdement. In hedendaagse taal zijn bekend: dreigement en de min of meer familiare woorden mankement en gruzelementen (pl. t.); en als typisch ‘slang’: kakement, zielement, bollement, donderement, prevelement (= praatjes), pierement (= draaiorgel). Wolff en Deken kennen naast complimenten ook buigementen.
-isme, in het Zuidnederlands, onder Franse invloed, veelal met ie gesproken, komt voor in internationaal gebruikelijke woorden (uit Latijn -ismus), die een of andere geestesrichting, geleerde of maatschappelijke beschouwing aanduiden, als Calvinisme, Darwinisme, socialisme, anarchisme, klassicisme; verder ook gallicisme, anglicisme. Ze zijn voor enige uitbreiding vatbaar: de term
| | | |
germanisme moet in ons land ontstaan zijn. Familiaar is b.v. idiotisme = een idiote streek.1)
-atie. Geleerde woorden op -atie (uitgesproken als -asie of -aatsie) kwamen ook in omgangstaal voor, b.v. felicitatie. Hybridische afleiding is daarbij zeldzaam, b.v. redenatie = redenering. Naar woorden als falsificatie vormde men in ‘slang’: lullificatie, kletsificatie = kletspraat.
-aria: prullaria.
| |
104 Afleiding door praefixen.
ge-2) heeft bij substantieven verschillende betekenis.
| 1o. | kollektief: gepeupel, gespuis, Mnl. gesinde, waaruit later: gezin. Boven zeer gewoon in de reeds in § 101 vermelde verbinding met het suffix -te (geboomte, enz.); |
| 2o. | stofnaam: gebak, gemaal, geslacht (= vlees); |
| 3o. | persoonsnamen met de kracht van ‘samen’: gebuur, gezel, genoot, genan, Mnl. gegade, gespele (bij Vondel: gespelen) en als plurale tantum: Mnl. gevriende, geviande, geneven, gemage, en nu nog: gebroeders, gezusters, en in de Noordbrabantse Kempen: geneefs en genichten. |
| 4o. | verbaal-abstracta: geschreeuw, geloop, gehuil, gedraaf, gebel, geklaag, gegiechel, gezeur, getoast, gehannes, enz. Deze groep is zeer produktief, in tegenstelling met de weinig produktieve vijfde groep. De impressionistische dichtertaal kent neologismen als: lichtgestijg, lichtgedaal (Boutens). |
| 5o. | voorwerpen: gewelf, en als voortbrengsel van de handeling: gebouw. Vgl. ook onder 2o gebak. |
on-. Vóór substantieven heeft on- (met klemtoon) drieërlei betekenis:3)
| 1o. | ontkennend: oneer, ondeugd, onmin, onkunde, onzin; |
| 2o. | pejoratief, ontwikkeld uit de ontkenning. Vergelijk: ‘dat is géén mens’ met onmens; ‘'t is géén weer om uit te gaan’ met onweer. In gevallen als ondank, ondienst, ongeloof ziet men reeds de overgang; uitsluitend pejoratief is b.v. ondier, onmens, onweer, onding, onkruid en het plurale tantum onkosten, te vergelijken met het Mnl. ongelt = buitengewone belasting. In de zeventiende eeuw spreekt Hooft van een on-Hollander en een onman. Vondel gebruikt onspijs (Gebroeders, vs. 388) en onwegh, Huygens: onwerck (Hof- |
| | | |
| wijck). Bilderdijk vormt Ongeest, een nietig ondeel, drogregels van Ondichters; |
| 3o. | versterkend (zeldzaam en verouderd): ontal1), bij Vondel ondiepte = peilloze diepte, onmoeite = grote moeite; Mnl. onscout = zware schuld.2) |
wan3) heeft dezelfde verslechterende betekenis als on-. In het Mnl. komt al een vrij groot aantal afleidingen voor, merendeels weer verdwenen: wangelaet, wangelove, wanhoge (= droefheid), wanonste, wanlust, wanraet, wansede, wantale, wantroost, wanvermoeden, wanverstant. Eigenaardig is de levenskracht van dit oude praefix. In schipperstaal kent men wankoers, wantij, wanvracht en daarnaast allerlei vrij jonge woorden als wanklank, wangedrag, wanbedrijf, wanverhouding, wansmaak, wanspelling en zelfs een familiaar woord als wanbof. Mevr. Bosboom-Toussaint gebruikte wanheb, in tegenstelling met hebben. Intussen treft men een schijnbaar jong woord als wanbetaling al in de zestiende eeuw aan.
De rekking tot waen in het Mnl. (b.v. waenhope, waenmate, waentroost, waenwise) staat mogelijk onder invloed van bijgedachte aan wanen. Dat kan vooral het geval zijn bij een woord als waenglorie. Vgl. waenweten bij Bredero en het adjektief waanwijs; daarentegen kan waanzin ‘Rückbildung’ zijn uit waanzinnig, dat mogelijk aan het Duits ontleend is.
mis-4), een pendant van wan-, is in het Mnl. ruim vertegenwoordigd: het Middelnederlands Woordenboek somt een veertigtal op, die, nu verdwenen zijn (b.v. misval, misbroke = vergrijp, miscanse = slechte kans, ongeluk, mistale enz.). Ook na de Middeleeuwen tot op onze tijd blijft het praefix vruchtbaar: misslag, misgewas, misbruik, misbaksel, miskraam, misgreep, mispunt, misverstand (oudtijds = onenigheid, o.a. bij Huygens), misstap, enz.5)
| |
105 Verouderde praefixen.
Een viertal oud-Germaanse suffixen zijn slechts in spaarzame overblijfsels bewaard, en hebben door hun onherkenbaarheid en
| | | |
onvruchtbaarheid, al sedert het Middelnederlands voor het tegenwoordige Nederlands alleen historisch belang. Het zijn:
a- ontkennend-pejoratief, slechts bewaard in drie Mnl. substantieven: asage = beuzelpraat, awech = afgelegen plaats en awint = windstilte; bovendien versterkend in abolge = verbolgenheid.
et = weder, opnieuw, in Mnl. etgras, etgroede (nu nog: etgroen), etmael en edwijt - smaad.
ant- = tegen, alleen bewaard in antwoord, maar in het Mnl. nog in antwerde = tegenwoordigheid, andach (uit anddach) = oktaaf van een kerkelijk feest, en anthooft = waterkering (vgl. Antwerpen).
oor- = uit, nog bewaard in oorkonde, oordeel, oorlof, oorsprong, oorzaak, oorlog.1) Voor het Mnl. komen daar nog bij: orate = overgebleven eten2), orsate = schadeloosstelling, orvede = belofte geen wraak te zullen nemen, en de mystieke term orewoet, bij Hadewijch (= geestvervoering).
| |
106 Hybridische praefixen.
aarts- (Mnl. aerts-, erts-) is vroeg ontleend aan het Romaans (arci-), blijkens de umlaut in het Duitse erz.3) Naar aartsengel, aartsbisschop, aartsvader werden woorden gevormd als aartsmoeder, aartsherder, aartsketter, enz.4)
Met pejoratieve verruiming van betekenis werden schertsend woorden gevormd als: aartsschelm, aartsschavuit, aartsdeugniet, aartsbedrieger. Etymologisch verborgen is het in arts (Mnl. arsatere = Grieks archi-iatros); als jongere woorden werden architekt, archipel in veel latere tijd uit het Frans overgenomen.5) Vgl. voor de uitbreiding tot adjektieven § 117.
oer- is etymologisch hetzelfde praefix als het boven besproken oor-, maar is daarmee niet te vereenzelvigen, omdat het in veel later tijd en met andere betekenis uit het Duits overgenomen werd, al is het voor verbreiding in het Nederlands vatbaar gebleken, b.v. oerbos, oermens, oertaal, oervorm, oertekst. Ontaalkundig was dus Van Helten's voorstel om het door oor- te
| | | |
vervangen en daardoor meer Nederlands te maken.1) Vgl. voor de ontwikkeling van oer- als versterkend praefix bij adjektieven § 117.
Eigenaardig is, dat ook een aantal Latijnse voorzetsels en bijwoorden meermalen aan Nederlandse woorden gekoppeld worden, en dan het karakter van praefixen krijgen, namelijk:
ex- in ex-minister, ex-keizer enz. (= gewezen). Het gebruik is afkomstig uit het milieu van Latijnse beambten en soldaten. Uit het Latijn ging het eerst in de tijd van de Revolutie in het Frans over. In het Nederlands is het een navolging van het Frans.2) De oudste voorbeelden in het WNT dateren uit het einde van de achttiende eeuw; bij Wolff en Deken: ex-koopman, bij Staring: de ex-kreupelen, bij De Wacker van Zon: ex-herder, ex-dichter, ex-minnaar.3)
vice-: naar vice-president analogisch ook vice-voorzitter.
sub- Het WNT noemt: sub-ontvanger, naar woorden als subaltern.
anti- Naar de vele vreemde woorden (b.v. anti-Christ) wordt dit woord voor allerlei Nederlandse geplaatst. Huygens vormde al, schertsend, anti-woord in tegenstelling met antwoord. Uit later tijd dagtekenen: b.v. anti-revolutionair, anti-semiet, anti-papist, anti-kritiek, anti-clericalisme, anti-dienstvervangingsbond.4)
non- in vreemde woorden als non-valeur, non-combattant vonden navolging b.v. in non-betaling (Van Dale), non-stoprit.
extra: extra-korting, extra-premie.
quasi: quasi-geleerdheid.
pseudo: een pseudo-student.
hyper: hyper-critiek.5)
De drie laatste praefixen komen ook bij adjektieven voor (zie § 117).
Uit sommige van de bovengenoemde praefixen emanciperen zich substantieven of adjektieven (§ 117): de ultra's, de anti's, een extraatje, iets extra's, een prae hebben.
| | | |
| |
107 Praefixen in wording, uit samenstellingen.
Parallel met wat reeds opgemerkt werd bij de suffixen, zien we ook bij de praefixen het verschijnsel dat het eerste deel van een samenstelling door analogie produktief kan worden en dan min of meer de funktie krijgt van een praefix. Een voorbeeld daarvan uit het Mnl. is de pejoratieve betekenis van hage, oorspronkelijk = van buiten af, b.v. in hagemunt; d.i. munt van slecht allooi. In de zestiende eeuw kent Kiliaen reeds: haeghklerck, haeghpape, haeghpoorter, haeghschole, haeghspel, haeghtap.1)
Omgekeerd diende puuc (oorspronkelijk: laken van de beste soort) om iets voortreffelijks te kenmerken (b.v. in het Mnl. adjektief puucgoet = puikbest), dat door Vondel als melioratief praefix gebruikt wordt in puicksteen en puickstof (Jos. in Dothan, vs. 124 en 130); vgl. puikdichter, puikschilder, puikjaweel, puiksieraad.
Bij persoonsnamen kent de Groningse en Drentse volkstaal als vergrotend praefix baas: niet alleen baaskerel, maar ook baasklimmer, baasmeid, baasboom.2)
Vooral in platte volkstaal en ‘slang’ kan men in verschillende tijden zulke praefixen-in-wording aantreffen, vooral pejoratief, b.v. reeds in de 16de en 17de eeuw kak- (bij Coornhert kackjoffer, bij Bredero kacknaaister, later kakmadam enz.), snert- en stront- in tal van verbindingen3), evenals nu nog een rotkerel, een soep-boel e.d. Daartegenover staat weer waarderend het praefix reuze-, b.v. een reuze-onderneming. Verscheidene van zulke praefixen zullen we bij de adjektief-vorming terugvinden.
| |
108-118 Afleiding van adjektieven.
| |
108 Algemene opmerkingen.
De stamvorm van werkwoorden kan niet alleen als substantief (§ 96) maar ook als adjektief in gebruik komen, b.v. klef van kleven, kies van kiezen, braak van braken, klem, knijp (vast-gedrukt: 't Schip loopt klem of knijp), in een gedicht van Revius swoeg (hijgend) van zwoegen.4) Ook adverbia, voor
| | | |
buiging vatbaar geworden, kunnen tot adjektieven overgaan1). Bij adverbia: de nabije zon (Hooft), veraffe geluiden, een terloopse mededeling; bij bijwoordelijke uitdrukkingen: een bijdehante jongen, een doordeweekse dag.
| |
109-113 Afleiding door suffixen.
| |
109 Het suffix -en.
Van ouds is de afleiding door middel van suffixen zeer gebruikelijk om nieuwe adjektieven te vormen. Wij laten weer ter zijde die gevallen waarin een suffix uit een ver taalverleden alleen voor etymologen nog herkenbaar, schuilt in een slotklank, als de t-klank van kond (naast kennen), de r van bitter (naast bijten) enz. Nu verouderd, maar in de M.E. blijkens tal van adjektieven nog produktief, is het suffix -el, b.v. middel, wandel, wantrouwel, behaghel, aenhanghel, nu nog vermetel, schamel, onnozel, en wellicht verborgen in onvergetelijk (Mnl. vergetel)2), kregelig (Mnl. crighel).
Voor het tegenwoordige taalgevoel nog herkenbare suffixen zijn:
-en, bij stoffelijke adjektieven, ontstaan uit het Mnl. -ij.3)
In het Mnl. komen niet alleen veel afleidingen voor van namen van metalen (guldijn, selverijn, coperijn, houtijn) en stoffen (sidijn, wollijn), maar ook van allerlei diernamen (hondijn, hertijn, calverijn, berijn, wederijn, lammerijn, coninijn, verkort tot conijn), die met het substantief later tot samenstellingen konden versmelten (hertenvlees, berenhuid), doordat ze niet meer als adjektieven herkend werden. In jongere tijd ontstaan telkens nog nieuwe afleidingen van deze soort als: bronzen, gipsen, papieren, rieten, een veren bed, een touwen mat, e.d. In moderne poëzie komen herhaaldelijk dergelijke adjektieven als neologismen voor, o.a. wolken, stralen, vuren (Boutens), weerlichten (Marsman).
| |
110 Het suffix -ig.
-ig uitgesproken -əg), uitgebreid tot -erig.4) De vokaal kan zowel teruggaan op a als op i; vandaar in de oudere periode al of niet met een umlaut (b.v. Limburgs mechtig uit macht), waarvan nog sporen aanwezig zijn bij behendig, bestendig, amechtig. In het Mnl. ging -ich soms samen met het praefix be- (besondich,
| | | |
bedroevich, bebloedich), die zozeer op participia geleken, dat ze zich daarbij aanpasten (besondicht enz.)1)
Dit suffix kan geplaatst worden: 1o. achter substantieven, om een eigenschap aan te geven, met die voorstelling samenhangend, b.v. voorzien van wat het substantief aanduidt: bloedig, rotsig, glanzig, of: de eigenschappen vertonende: bazig, bokkig, glazig, dievig; 2o. achter adjektieven: waardig, levendig, droevig, zoetig, gelig; 3o. achter verbale stammen: de neiging vertonend tot de handeling; inhalig, gelovig, bedrijvig, begerig; bij Huygens: lesigh; 4o. achter adverbia, b.v. nietig, innig, overig, vorig (vgl. ook enig uit een telwoord, sommig naast Mnl. some). Een woord als toenmalig, voormalig, is waarschijnlijk gevormd naar het model van het Duitse damalig.2). Zeer gebruikelijk is ook de verbinding met adjektief + substantief in de betekenis van een possessieve samenstelling: langarmig, zwartharig, roodwangig, zwaarlijvig, scherpzinnig, vrijmoedig, vrijzinnig enz.
Bij Mnl. adjektieven als nieuwsgier, wispeltuur, onderdaan, eenpaer e.d., bij adjektieven op -el als korzel, kregel ontstonden adjektieven op -ig, die de kortere vormen verdrongen hebben. Soms heeft het de schijn dat de oorspronkelijke vormen verkortingen zijn, b.v. vocht (= vochtig), deft (= deftig), spicht (= spichtig). Omgekeerd ontstonden in dichtertaal inderdaad door analogie dergelijke afgekorte vormen, als veil = veilig, lafharte = lafhartige (Bilderdijk), almachte, gifte, standvaste, godvruchte, doorluchte.3)
Uitbreiding van dit suffix tot -erig kan zowel veroorzaakt zijn door afleiding van verba op -ĕren (huiverig) als van substantieven op -er (dromerig, schreeuwerig, blufferig). Analogie-vormen zijn dan kleverig, beverig, rillerig, en verder bij substantieven: weelderig, winderig, zanderig, zangerig, katterig, en in damestaal: beelderig, snoeperig, dodderig (naast doddig). Staan afleidingen met -ig en -erig naast elkaar, dan hebben de laatste meermalen een ongunstige gevoelswaarde, b.v. bloederig naast bloedig, zanderig naast zandig. Vgl. voor de ongunstige betekenis ook: landerig, katterig, houterig, hokkerig.
Tegenover deze uitbreiding van het suffix staat in dichtertaal een inkrimping door de weglating van de vokaal, b.v. zaal'ge, veil'ge, zeer veel voorkomend bij Bilderdijk en onder de modernen
| | | |
bij Albert Verwey. Oorzaak is dat zulke woorden met twee opeenvolgende zwakbetoonde lettergrepen in alternerend versritme niet bruikbaar zijn, dezelfde oorzaak dus, die voorheen tot de algehele ‘afkapping’ leidde.
Op verschillende andere wijzen komt -ig voor, als bestanddeel van uitgebreidere suffixen, nl.
-achtig (Mnl. achtich) en -haftig (haft), dat in het Mnl. nog ontbreekt en eerst in de 16de en 17de eeuw voorkomt in woorden, uit het Duits overgenomen of naar Duits model gevormd.1) Ze zijn etymologisch van dezelfde oorsprong (haft = hebbende, houdende). Ten onrechte meende M. de Vries dat dit beklemtoonde -achtig (b.v. waaráchtig) te scheiden was van een minder betoond -achtig (b.v. bláuwachtig), dat afkomstig zou zijn van een substantief acht (b.v. in: acht geven, acht slaan.2)
De oude betekenis van het suffix (hebbende) komt nog uit in deeláchtig (= deel hebbend), woonáchtig, vreesáchtig, minder al in waaráchtig en twijfeláchtig, alle gevormd van substantieven, met het accent op het suffix. Het laatste woord kan men ook horen als twíjfelachtig, terwijl ook veel jongere dergelijke afleidingen als bérgachtig, régenachtig, kérnachtig, léugenachtig het accent op het hoofddeel hebben. Evenzo bij -achtig, 1o. na allerlei substantieven: persoonsnamen (diefachtig), diernamen (aapachtig), stofnamen (steenachtig), ziektenamen (teringachtig); 2o. na adjektieven (oudachtig, roodachtig, bitterachtig); 3o. na verbale stammen (babbelachtig, schrikachtig enz.) met de betekenis: geneigd tot de handeling. Dat deze in ongunstige zin gebruikt worden, ligt meer aan de ongunstige zin van de meeste werkwoorden waarbij -achtig voorkomt, dan aan dit suffix: vergelijk b.v. het niet ongunstige weigerachtig.
De aan het Duits ontleende woorden op -haft, als naamhaft, schaamhaft, zeeghaft, ernsthaft, heldhaft, manhaft, schelmhaft zijn alle verdwenen, en hebben alleen sporen nagelaten in het uitgebreidere, eveneens Duitse suffix -haftig. Vondel gebruikt zeeghaftig (Bericht voor Jeptha), naemhaftig; nu is nog in gebruik gebleven: krijgshaftig, heldhaftig, manhaftig.
Met -ig zijn nog enige uitgebreidere suffixen gevormd, die ten dele nog als woorden of afleidingen van woorden beschouwd kunnen worden, nl. -matig, in middelmatig, regelmatig, gelijkmatig, nog enigszins gevoeld als afleidingen van maat, maar stellig niet meer in doelmatig, kunstmatig, stelselmatig, rechtmatig, plichtmatig. Ze komen reeds vroeg voor, o.a. bij Coornhert
| | | |
schriftmatig, bij Hooft waerheidmatig, bij G. Brandt wetmatig1), maar vermeerderden zich tot op onze tijd, ten dele onder Duitse invloed: riddermatig, fabriekmatig, toneelmatig, volksmatig, instinktmatig. Als neologisme tekende ik nog aan: etsmatig.
-vuldig en -voudig. Het Mnl. kent reeds anxtvoudich en sorchvoudich (= zorgvuldig) naast eenvoudich en sedert de zestiende eeuw veelvoudigh, nu: veelvuldig. Volgens Van Wijk werd dit suffix oorspronkelijk achter telwoorden gevoegd.2)
-vallig, in angstvallig (waarschijnlijk uit angstvaldig)3) schroomvallig, wisselvallig bewaard, en dus nu geïsoleerd4), in tegenstelling met het Duits5), had in de zeventiende eeuw een merkwaardige tijdelijke verbreiding verkregen in letterkundige taal. Verdam kende treurvallig, minvallig, schemervallig, roervallig, windvallig; bij Hooft: rampvallig, sluymervallig (G.v. Velsen vs. 616); bij Johan de Brune minvallig en nog bij Bakhuizen van den Brink schaamvallig.
-vaardig wordt nog duidelijk als adjektief gevoeld in reisvaardig, hulpvaardig, slagvaardig, strijdvaardig, minder al in bereidvaardig, maar krijgt de waarde van een suffix in rechtvaardig en lichtvaardig.
-zalig nadert tot een suffix in rampzalig, armzalig en lamzalig.6) Armzalig zou ontleend kunnen zijn aan het Duitse armselig.7) In het Mnl. seghesalich (Walewein) heeft zalig nog de oude betekenis, maar reeds in mindere mate in werkzaligh (Spieghel's Hertsp. IV), arbeidzalig (bij Hooft), en jammerzalig, als germanisme bij Bilderdijk.8)
| | | |
| |
111 De suffixen -s en -er.
-s (in oude spelling sch), Mnl. (e)sch, en -ies (gespeld -isch) gaan beide etymologisch terug op -isk, maar staan historisch niet op één lijn. In het Mnl. is de i verzwakt tot ə (hovesch) of reeds uitgevallen (hoofsch), terwijl de ch waarschijnlijk alleen nog in de schrijfwijze bestond of dialektisch als sk klonk. In de late Middeleeuwen zal het suffix stellig al s geweest zijn. De oudere volle vorm met ie werd in het Duits bewaard, en dringt in de hervormingstijd eerst in kerkelijke taal, later in litteraire taal uit het Duits in Nederlandse geschriften door. Opmerkelijk is, dat dit suffix van vreemde oorsprong, zozeer burgerrecht verkregen heeft, en voor verbreiding vatbaar gebleken is. Daaraan zal de invloed van de kerkelijke taal, vooral van de Statenbijbel, wel niet vreemd geweest zijn. De Duitse oorsprong blijkt nog uit de oude schrijfwijze met i in gesloten lettergreep. De spelling -iesch, o.a. bij Alberdingk Thijm, en -ies volgens de regel van Kollewijn, c.s., heeft geen ingang gevonden.
Het oude suffix s komt nog voor:
| 1o. | achter substantieven
a) (vaak ingekorte) namen van landen en steden: Zwitsers, Zweeds, Deens, Gelders, Amsterdams, Haags, enz. Doordat Rooms een nieuwe betekenis kreeg, ontstond daarnaast, wellicht opzettelijk, van een persoonsnaam afgeleid: Romeins (vgl. als nieuwvorming Israëlisch ter onderscheiding van Israëlietisch).
b) tijden: daags, zondags, winters (bij Hooft b.v. wintersche zee);
c) stofnamen: lakens, duffels, neteldoeks (vgl. het suffix -en bij andere stofnamen);
d) andere substantieven: hemels, hels, steeds, boers, slaafs, kinds; |
| 2o. | achter adjektieven: groots, stuurs; |
| 3o. | achter verbale stammen, met de betekenis: neiging hebbende om de handeling te verrichten: waaks, goedlachs, goedgeefs, sleets, broeds, loops, bij Vondel: haetsch = haatdragend, en als aardige nieuwvorming in de Rommelpot (str. 35): ‘Ben jij huppels, ick ben sprinks’.1) |
Wanneer naast adverbia met adverbiale s als vergeefs, dagelijks, zijdelings, zijwaarts een adjektief voorkomt, dan is dat voor het tegenwoordige taalgevoel een overgang van betekenis zon- | | | | der vormverandering. De verbogen vormen vergeefse, dagelijkse, zijdelingse, zijwaartse krijgen eenvoudig een e. Het onderscheid in de oude spelling tussen vergeefs (adv.) en vergeefsch (adj.) was kunstmatig, en is in de hedendaagse spelling terecht vervallen.
Als in de zestiende eeuw -ies (isch) zijn intrede doet, dan vindt men het begrijpelijkerwijze eerst in woorden uit de kerkelijke sfeer: evangelisch, afgodisch, profetisch e.d. bij Marnix eerdisch, hoerisch, overspelisch, cortwijlisch, ketterisch, oproerisch, en later in de kanttekeningen op de Statenvertaling b.v. huychelisch, jodisch, slavisch, spottisch, uytlandisch.1)
Met het suffix -ies worden gevormd adjektieven
| 1o. | van geografische namen: Arabisch (Mnl. arabijn), Frankisch, Pruisisch, Russisch; |
| 2o. | bij vreemde woorden: romantisch, fantastisch, retorisch, chemisch, fysisch, vooral ook bij persoonsnamen op -ist: socialistisch, anarchistisch, egoïstich2), terwijl andere uitgaan op -arisch: legendarisch, vegetarisch. Opnieuw werkt hier Duitse invloed. Jong zijn ook afleidingen als wettisch, nieuwmodisch. De bovengenoemde woorden uit de 16de en 17de eeuw zijn bijna alle spoorloos verdwenen3). Sommige afleidingen met -isch komen voor naast veelal oudere woorden met het Franse suffix -iek: komisch-komiek, elastisch-elastiek, identisch-identiek. Vaak wordt dan het adjektief op -iek door het konkurrerende op -isch verdrongen, b.v. electriek door electrisch. |
-er in afleidingen van plaatsnamen: Haarlemmer, en, met inkorting: Groninger4).
| |
112 De suffixen -zaam, -baar, -lijk.5)
Een drietal in het oud-Germaans wortelende en zeer vruchtbaar gebleken suffixen zijn:
-zaam, ontstaan uit een adjektief met de betekenis: verbonden, samengaande met het begrip van het hoofdwoord. Het wordt geplaatst:
| | | |
| 1o. | achter substantieven: deugdzaam, minzaam, reeds Mnl. lofsaem, eersaem. In woorden als werkzaam, arbeidzaam valt dit substantief samen met een verbale stam. Dat kan de overgang bevorderd hebben tot de tweede groep. |
| 2o. | achter verbale stammen: gehoorzaam, spaarzaam, behoedzaam, duurzaam. In de taal van Vondel: schaemzaem, nutzaem, stichtzaem, onbegrijpzaem. Ook bij transitieve werkwoorden, waar het gaat betekenen: een neiging hebbende, b.v. buigzaam. |
| 3o. | achter adjektieven: langzaam, gemeenzaam, en bij een telwoord: eenzaam. Hiertoe behoorde oorspronkelijk niet zeldzaam, dat uit een ouder Mnl. selsiene ontstaan is. |
-baar gaat terug op een verbale stam, die dragen, voortbrengen betekent. Dat is nog duidelijk in vruchtbaar (vgl. Latijn: fructifer), maar reeds minder in dankbaar, eerbaar, kostbaar, dienstbaar, ruchtbaar, waar het suffix gaat betekenen: met zich brengende, verbonden met. Uiteraard komt -baar dus voor:
| 1o. | achter substantieven, maar in woorden als strijdbaar, feilbaar, weerbaar valt het substantief samen met verbale stammen. Door analogie komt het dan |
| 2o. | achter verbale stammen: eerst transitieve met passieve betekenis: breekbaar, drinkbaar, eetbaar, buigbaar, deelbaar; dan ook intransitieve met aktieve betekenis: vloeibaar, ontplofbaar, wankelbaar, bestaanbaar. De overgang kan weer bevorderd zijn door afleidingen als brandbaar, die vatbaar zijn voor tweeërlei opvatting. In de achttiende eeuw werd deze uitbreiding door Huydecoper veroordeeld, hoewel deze afleiding reeds in de zeventiende eeuw zeer gewoon was, b.v. bij Vondel leefbaer, waarschijnbaer, lijbaer, soms gelijkstaande met een participium: een verkwikbre vrucht.1) |
| 3o. | zelden achter adjektieven, bijwoorden en voorzetsels: dierbaar, openbáár (met klemtoonverschuiving); Mnl. vorebaer ‘voornaam’; zonderbaar. |
Al vroeg komen afleidingen met -baar voor, met uitzonderlijk afwijkende betekenis, als leegbaer (bij Spieghel, Hooft en Brandt) = ledig, kalm, rustig, of reisbaer (bij Vondel) = geschikt voor de reis. Het laatste is te vergelijken met wandelbaar weer, onwerkbare dagen, in hedendaagse volkstaal. Ook bloeibaar is eerst in de laatste tijd in gebruik gekomen.2)
In de letterkundige taal van de negentiende eeuw werd van dit suffix ruim gebruik gemaakt voor allerlei nieuwvorming, op
| | | |
voorgang van Bilderdijk, die adjektieven vormt als hartbeweegbre, verlokbre, afleidbre.1) Daarbij valt op te merken zijn voorkeur voor de verkorte vorm, die mogelijk werd omdat -baar met zwakke klemtoon tot -bər kon worden, en die in het alternerend ritme van het vers beter past.2) Vandaar dat -bre ook in de moderne versbouw (b.v. van Kloos en Verwey) in talrijke gevallen voorkomt.
De funktie van -baar viel al vroeg soms samen met die van -zaam, b.v. in de zeventiende eeuw groeibaer (Camphuysen) = groeizaam, en bij Bilderdijk duurbre = duurzame.
Wanneer adjektieven op -baar en -lijk naast elkaar staan, dan heeft het eerste gewoonlijk de meer letterlijke betekenis, b.v. onmeetbaar-onmetelijk; onverzetbaar-onverzettelijk; verkiesbaar-verkieselijk; ondraagbaar-ondragelijk. In andere gevallen gaat dat niet op: schrikbaar, gruwbaar, afgrijsbaar staan gelijk met schrikkelijk, gruwelijk, afgrijselijk.
Opmerkelijk, maar toevallig, is, dat enige adjektieven op -baar uitsluitend gebruikelijk zijn met het praefix on-: onmiskenbaar, onloochenbaar, onuitstaanbaar, ontwijfelbaar.
-lijk, Mnl. lijc, waarin de i door verzwakking van de klemtoon tot ə werd. Of de spelling met i in de Statenbijbel (lick) daarop reeds wijst, is niet zeker.3) Immers in Vondel's taal treft men herhaaldelijk rijmen aan als liefelijck: muzijck; sterfelijcken: bezwijcken, die op een ie-uitspraak wijzen. Een uitspraak ĭ is niet met zekerheid op te maken uit Hooft's rijm: ‘wanneer ick: heel begeerlick’, want daar kan ick enclitisch te lezen zijn, maar wel uit een geaccentueerd ick in een binnenrijm bij Stalpaert van der Wielen: ‘End' al wat ik, waer 't mogelik Hem meer zou kunnen geven.’ Bij Vlaamse schrijvers, in de spelling-Kollewijn, en nu nog in het Afrikaans is -lik spelling voor lək. Het Antwerpse dialekt kent nog -laik met diftongering van de i.4) Etymologisch is dit suffix verwant met het substantief lijk (lichaam, gedaante), waarvan ook ge-lijk (dezelfde gedaante hebbende). In de zeventiende eeuw herleeft -lijk in een suffix gelijck, b.v. bij Huygens menschgelijkck, bij Cats roosgelijck, bij Hooft songelijck.5) De
| | | |
oorspronkelijke betekenis, in b.v. mannelijk is geweest: de gedaante, de aard hebbende van een man.
Vóór dit suffix ontwikkelde zich een e (ə), wellicht naar analogie van woorden als vrouwelijk, maar ook na verbale stammen: belachelijk, dragelijk, moeielijk, waarnaast de vorm zonder e in gebruik blijft. Uit de kortere vorm is de verscherping van de voorafgaande consonant te verklaren (in het schrift, bij de g niet altijd aangeduid, b.v. draaglijk naast heuchlijk). Door analogie bleef die verscherping ook in de verlengde vorm, b.v. erfelijk, verkieselijk, heuchelijk. Uitgezonderd is de d, die onverscherpt blijft, b.v. dadelijk, maar in de zeventiende eeuw vindt men ook datelijck, nootelijck, entelijck.
In enige gevallen ontstond na de n een t: eigentlijk, opentlijk, wezentlijk, gezamentlijk, vormen die grotendeels in onbruik geraakt zijn, behalve erkentelijk, en met accentverspringing ordéntelijk uit órdentlijk. Een ander geval is de invoeging van d in fatsoendelijk, dat tot de lagere volkstaal beperkt gebleven is, terwijl zindelijk (in de zeventiende eeuw nog sinnelijck) in het Algemeen Beschaafd doorgedrongen is.
Het suffix -lijk vond plaats:
| 1o. | achter substantieven met de betekenis:
a) bij persoonsnamen: de hoedanigheden of kenmerken vertonende: goddelijk, koninklijk, ridderlijk, mannelijk, kinderlijk, en met uitgebreider betekenis: vriendelijk;
b) bij iets behorende: huiselijk, landelijk, fatsoenlijk, zuidelijk, nachtelijk;
c) aan iemand of iets toebehorend; en dus meer of min naderend tot een genitief-bepaling: het koninklijk paleis, gemeentelijk grondbezit, vaderlijk gezag. Duidelijker nog bij Vondel: het broederlijcke vee, de moederlijcke schim, de hoffelijcke gevels; |
| 2o. | achter adjektieven, waarbij de betekenis niet in vaste rubrieken te brengen is. In ziekelijk, ouwelijk komt -lijk overeen met -achtig. Heel anders is de betekenis weer in liefelijk of in kouwelijk = overgevoelig voor koude. Veelal komen ze oorspronkelijk als adverbia voor: openlijk, eigenlijk.
Een verkorte vorm vertoont goelijk en, voor het tegenwoordige taalgevoel onherkenbaar, ook kwalijk en lelijk (uit leed-lijk); bij vrolijk is het oorspronkelijke adjektief niet meer in gebruik; bij billijk, liederlijk, olijk, is het grondwoord verloren gegaan. |
| 3o. | achter adverbia: achterlijk, voorlijk, innerlijk, uiterlijk; |
| 4o. | achter verbale stammen, met de betekenis:
a) de handeling kunnende verrichten: bekoorlijk, schadelijk, verrukkelijk, verschrikkelijk;
|
| | | |
|
b) de handeling kunnende ondergaan: doenlijk, begrijpelijk; of moetende ondergaan: verwerpelijk, berispelijk.
Er zijn afleidingen op -lijk die zowel aktieve als passieve betekenis kunnen hebben: aandoenlijk, onbegrijpelijk, verachtelijk. |
Het toeval wil, dat sommige alleen met het ontkennende ongebruikelijk zijn, b.v. onvergetelijk, onmetelijk, onherroepelijk. Schijnbaar heeft men een dubbel suffix in wonderbaarlijk, dat een afleiding is van het adjektief wonderbaar.
Over het gebruik in oudere letterkundige taal valt nog het volgende op te merken: de zestiende-eeuwse rederijkerstaal had een grote voorkeur voor de omschrijving van het werkwoord door een adjektief op -lijck + sijn, b.v. begeerlijck sijn = begeren, wat gemak opleverde voor het dubbelrijm, als: betruerlijck sijn: besuerlijck sijn. Bij Vondel vindt men, met suffix-substitutie leerlijck = leerzaam, zienelijck, zichtelijk = zichtbaar, keurlijck = keurig.1) Evenzo bij Bilderdijk: nabuurlijk = naburig, onkunstlijk = kunsteloos.2) In hedendaagse letterkundige taal naast nachtelijk3) ook avondlijk, morgenlijk (Boutens).
| |
113 De suffixen -loos, -vol, -rijk, -ziek.
Ten slotte volgen nog een viertal suffixen, waarvan de oorsprong uit adjektieven, hoewel meestal niet meer bewust, nog herkenbaar is, namelijk:
-loos, verwant met het adjektief loos (een loze noot, een loos alarm); vandaar de betekenis: ontberende, zonder4), b.v. waterloos, bodemloos, eerloos, ademloos. In hopeloos, trouweloos, hulpeloos, roekeloos, haveloos behoorde de e oorspronkelijk tot het substantief. Door analogie ontstond daaruit het verlengde suffix -eloos in goddeloos, machteloos, werkeloos, bewusteloos, dat ook tot gebruik achter verbale stammen uitgebreid werd: reddeloos, duldeloos, waarbij een geval als zorgeloos (van subst. zorge of ww. zorgen) de overgang bewerkt kan hebben. Ten onrechte beweerde Van Helten5), daarin voorgegaan door Huydecoper, dat ‘derivata op -loos van verbale stammen in onze taal niet bestaan’. Huydecoper had bij Vondel woorden
| | | |
als heelloos = onheelbaar, wegeloos = niet te wegen verworpen, maar Bilderdijk werd daardoor niet afgeschrikt om adjektieven te vormen als beweegloos, laafloos, lijdloos, trefloos.1)
De wisseling van -loos en eloos hangt samen met het ritme.2) Na een zwaar geaccentueerde lettergreep bestaat vanouds voorkeur voor -eloos b.v. werkeloos, vruchteloos, belangeloos, behalve na l en r: doelloos, talloos, gevoelloos, eerloos, weerloos. De semantische onderscheiding van werkeloos en werkloos (vrijwillig en onvrijwillig zonder bezigheid), door Verdam voorgesteld, was kunstmatig en is beperkt gebleven tot schriftelijk taalgebruik: de volkstaal kent slechts werkeloos. De bovengenoemde onderscheiding gaat niet meer op voor de jongste taalperiode; wij kennen draadloze telegrafie, een naamloze vennootschap, rookloos kruit, maar zulke afleidingen staan, gelijk Hesseling opgemerkt heeft, sterk onder de invloed van Duitse voorbeelden. Waarschijnlijk eveneens onder Duitse invloed heeft de betekenis een wijziging ondergaan: in oudere taal slaat -loos meestal op een gemis; nu is het vaak slechts een ontkenning.3) Bovendien is, evenals bij -vol, de betekenis verzwakt, blijkens comparatieven als goddelozer, weerlozer, gevoellozer.
-vol, betrekkelijk jong; woorden als eervol, roemvol, zorgvol komen nog niet in het Mnl. voor. Ze geven het omgekeerde te kennen van de afleidingen op -loos, maar staan nog dichter bij de samenstelling. Onder Duitse en wellicht ook Engelse invloed (b.v. gefühlvoll, verhängnisvoll; hopefull, sorrowfull) zijn ze talrijk in de taal van Bilderdijk, die zelfs adjektieven vormt als mijmeringvol, krijschingvol, soms met s: juichensvol, veinzensvol, rampspoedsvol.4) Door dichtertaal en onder voortdurende Duitse invloed hebben ze ook in algemeen taalgebruik ruime verbreiding gekregen, b.v. gevaarvol, genotvol, smartvol, kommervol, berouwvol, talentvol, waardevol. Een groot aantal vindt men reeds bij Coornhert (Comedie van lief en leed, 219).
-rijk is eveneens het tegengestelde van -loos, b.v. waterrijk, boomrijk tegenover waterloos, boomloos. Het begrip rijk komt nog duidelijk uit in menige afleiding als bosrijk, schaduwrijk, visrijk,
| | | |
volkrijk; minder al in troostrijk, genotrijk, luisterrijk, vindingrijk, geestrijk, invloedrijk. Dat het geheel tot suffix gaat verbleken, blijkt uit de verzwakking van ij tot ə, die men al kan horen in belangrijk, talrijk en vooral in liefderijk. Zo ook in het Afrikaans, waar men in dergelijke gevallen dan ook de spelling -rik toelaat (liefderik).
-ziek, met de betekenis: een afkeurenswaardige neiging hebbende tot de handeling, die meestal zelf ook reeds een ongunstige betekenis heeft, als plaagziek, twistziek, praatziek, pronkziek, spilziek, behaagziek, mijmerziek, muitziek. Verscheidene hebben naast zich een samengesteld substantief met zucht; als adjektief wordt het nog gevoeld in moderne analogievormen als reisziek, dansziek, bioskoopziek; omgekeerd is het geheel suffix geworden, als Potgieter spreekt van vrijheidsziek, van ‘daverzieke wielen’. Hoewel het vooral in de negentiende eeuw zijn grootste verbreiding krijgt, vindt men de oudste voorbeelden al in Spieghel's Hertspiegel: weenziek, waanziek, sluimerziek; in de zeventiende eeuw o.a. bij J. van Heemskerck: speelsieck, praetsieck, tuymelsieck. Verder bij Bilderdijk: belgziek, wrevelziek (Floris V) en in de romantiek, o.a. bij W. Hecker: balkzieke ezels, een wisselzieke autheur, en zelfs kleumzieke kou (Hipp. Ontzwaveling) en vooral bij Potgieter en Van Vloten (dwang-, baat-, gril-, weifel-, vervolg-, konkel- en knoeiziek). Minder gebruikelijk is het in het Zuidnederlands, maar toch schrijft ook Conscience over ‘mijn aandoeningszieke geest’.
| |
114 Afleiding door praefixen: Ontkennende en pejoratieve.
Dezelfde praefixen die wij bij de substantieven aantroffen, vinden we terug bij de adjektieven. Met terzijdelating van een overoud a-1) kennen wij als voornaamste praefix
on-, dat zowel zuiver ontkennend kan zijn (ongelukkig, onwaar) als pejoratief (ongesteld). Een aantal adjektieven zijn uitsluitend met on- in gebruik, b.v. onstuimig, onachtzaam, ondeugend, ongerijmd. Daarmee zijn te vergelijken een aantal opmerkelijke participia praet. met on- die aktieve betekenis hebben, als onverwijld, onbeholpen, onverdiend, onbewimpeld, onverholen, ongelogen, die al voorlopers hebben in het Mnl. als onghespaert = zonder sparen, onghedaen = zonder gedaan te hebben, onghecocht = zonder gekocht te hebben. Het oude onguur werd niet meer als ontkennend gevoeld, zodat guur de oude pejoratieve betekenis kon overnemen.
| | | |
Opmerkelijk is de toeneming van zulke adjektieven met on-, wellicht te verklaren uit hun synthetische gedrongenheid als geconcentreerde vervangers van veel gebruikte maar omslachtige negatie-konstrukties.1)
wan-, dat in het Mnl. voorkomt in participia als wanscepen, wanraect, wanbacken of in afleiding van substantieven met wan-(wantrouwel, wanhopich), komt ook voor bij rechtstreeks gevormde adjektieven als wanwittich, wangelovich: later bij Vondel wanschikkelijk, en nu nog in wanhebbelijk, wanvoeglijk, wanstaltig, wanluidend.2)
| |
Verbleekte intensitieven.
ge-, oorspronkelijk waarschijnlijk met intensitieve kracht, komt nu nog voor in getrouw, gestreng, geruim, gestadig, die alleen vormelijker zijn dan de adjektieven zonder ge-. Niet meer te scheiden is het in gedwee, gering, gewaar, gezond, gezwind. Met gedifferentiëerde betekenis staat nu gedienstig naast dienstig, gerecht naast recht, gewis naast wis.
| |
115 Echte en schijnbare participia (participia praeverbalia).
ge- vormt ook verleden deelwoorden, die door hun aard adjektivische funktie hebben. Er zijn echter een groot aantal normaal gevormde deelwoorden, die voor ons taalgevoel geheel adjektief geworden zijn en soms door hun betekenis geïsoleerd zijn van de daarnaast staande werkwoorden, b.v. gemaakt, gepast, geregeld, geschikt, geslepen, gezien, gezocht.
Andere adjektieven met ge- gelijken wat hun vorming betreft op deelwoorden, maar zijn van substantieven afgeleid, als gespierd, gelaarsd, gebloemd, gespikkeld, geharnast, geletterd, genaamd, met de betekenis: voorzien van wat het grondwoord aanduidt. Zulke afleidingen, door Van Haeringen participia preaverbalia genoemd,3) bieden ‘een praktisch middel om een meer omslachtige constructie met voorzetsels of voegwoorden te vermijden.’ Vandaar dat ‘de mogelijkheid tot het maken van zulke woorden haast onbeperkt is, al doen sommige nieuwelingen op het eerste horen wat gedurfd en komisch aan’. Terwijl b.v. gelaarsd en gespoord gewoon klinkt, doet gejast en gedast vreemd aan. In Van Haeringen's opstel zijn veel aardige voorbeelden bijeengebracht, aangevuld met soortgelijke met be- en een dentaal suffix: behuisd.4) In het Mnl. kon men zulke adjektieven
| | | |
ook vormen zonder participale t, b.v. gehaer = voorzien van haar. De aanpassing aan de vorm van participia kan bemiddeld zijn door woorden die al op t eindigden, b.v. gegoed (Mnl. ghegoet), getand, gebaard, maar vooral door echte participia als gevlekt, gekroond, die zowel aan vlekken, kronen, als aan de substantieven vlek, kroon deden denken.
Een uitbreiding kregen deze adjektieven door voorvoeging van een adjektief, dat bij het substantief aansloot, b.v. breedgeschouderd, grofgespierd, snelgewiekt, witgedast, goedgeluimd.1)
be-2) doet soortgelijke dienst als het bovenstaande ge- in woorden als behuisd, bemiddeld, bespraakt. Ook hier is de toevoeging van de slotconsonant te verklaren enerzijds door afleidingen van substantieven die al op t (d) eindigden (bebloed, bevriend, belust), anderzijds door analogie naar echte participia als bepakt, bevolkt, van bepakken, bevolken, maar herinnerend aan de substantieven pak, volk.3)
Op dezelfde wijze is ook uitbreiding mogelijk door een voorgevoegd adjektief of adverbium: dichtbebost, kleinbehuisd, welbespraakt. Naar buitenlands voorbeeld zijn daarnaast samenstellingen ontstaan als bloedbevlekt, waarin het eerste deel met een voorzetselbepaling gelijk staat (§ 83).
| |
116 Versterkende praefixen.
Bij hoedanigheidswoorden ontstond begrijpelijkerwijze al vroeg de behoefte aan middelen ter versterking van de gevoelswaarde. Dat kon geschieden door een adverbium, dat aanvankelijk als zelfstandig woord gevoeld werd, maar ook met het adjektief een samenstelling kon gaan vormen. Bij ruime analogische toepassing kon dan de eigen betekenis zozeer verbleken of verloren gaan, dat het tot praefix werd. Dat betekent in dit geval geen verzwakking: integendeel hebben ze door hun gevoelskarakter veelal juist een krachtig accent. De grens tussen samenstelling en afleiding is ook hier vervloeiend. Er is ook wisseling naar tijd en plaats, een bepaalde voorkeur, waar de keuze zo ruim is. Soms verdwijnt er een, als het Mnl. ute (utewel, utegoet, utescone, utegerne; vgl. in Walewein 3421 uut ende uut), maar andere handhaven zich, met toenemend of afnemend gebruik, tot op onze tijd. Tot die oudste behoren:
in- b.v. ingelukkig, ingoed, inzindelijk; vooral in damestaal: inlief, ingezellig. Reeds in het Mnl. inabel, ingloedich, ingroene,
| | | |
inscone, vooral in het proza van Jan van Leeuwen: inbitter, ingerecht, inclaer, inscaerp.1) In de zeventiende eeuw bij Bredero indieft, dat de lexicograaf Halma omstreeks 1700 als minder beschaafd beschouwt.
door- is tegenwoordig weinig gebruikelijk, al noemen de woordenboeken nog als hedendaags Nederlands doorbraaf, dooreerlijk, doorgeleerd, doorkundig (vgl. het bijwoord dóór-en-dóór en doornat, dat waarschijnlijk los van die oudere woorden ontstaan is, en waarin door m.i. niet als praefix te beschouwen is). In het Mnl. is dit praefix gebruikelijker: Verdam noemt ruim vijftig van zulke adjektieven o.a. dorearm, dorebequame, doreblode, dorediep, dorediere. Ook in de zeventiende eeuw waren ze meer bekend dan nu.
over- in overhéérlijk, overgelukkig, overbekend, overrijk enz. Reeds Mnl. overarm, overbitter, overblide, enz.
al- in aloud, algemeen, algeheel, almachtig. Reeds Mnl.: albereit, alweldich.
aller- bij superlatieven, met de bijvorm alder, ook in het Mnl.: allerhoogst, allerbest, allerliefst, allerheerlijkst, allergenadigst, allereerst, alleraardigst.
wel- De verbleking van ‘goed’ tot ‘zeer’ is in het Mnl. nog nauwelijks waar te nemen, wellicht in welbedacht = verstandig. Later wordt wel- in toenemende mate versterkend praefix, b.v. bij Hooft: weldienstigh = zeer eerbiedig, welgeleerdt, wellukzaligh, welmanhaftigh, welrechtvaerdigh. Nu nog: weledel, weleerwaard, welbekend, weltevreden, welverdiend, welbeklant, welbespraakt, welgegrond. In gevallen als de laatste is het begrip ‘goed’ nog min of meer aanwezig.
vol- Uit het zeventiende-eeuwse adverbium vol (volle) = zeer (b.v bij Hooft: volle smal) schijnt eerst laat, en betrekkelijk zelden, een praefix ontstaan te zijn. Van Dale noemt slechts volschoon en volzalig (vgl. volijverig). Als voorlopers zou men kunnen beschouwen Mnl. volbodich = ten volle bereid, en, met dezelfde betekenis, volvaerdich, terwijl ook in participa als volwassen, voldragen, volwrocht een aanknopingspunt te vinden is. Bilderdijk maakte er weer ruim gebruik van, o.a. volblijde, volplichtig, volrijp, volschoon, volschrander, volstatig, volvrolijk, volwijs, volzeker, volzuiver.2)
diep- in diepbedroefd, dieptreurig, diepongelukkig is vergelijkbaar met het bovengenoemde in.
hoog- Aanknopend bij hooggeacht, hoogbejaard, hooggeleerd worden gevormd: hoognodig, hoognoodzakelijk, hoogrood, hooggeel. Wellicht heeft hier ook Duitse invloed gewerkt (vgl. het germanisme hoogfijn en het eufemisme hoogblond).
| | | |
Enige zeldzame praefixen zijn nog:
veel- in veelgeliefd, bij Bilderdijk: ‘veelgeachte vriend’. In het Mnl. is vele versterkend adverbium (vele wel, vele stille), maar nog geen praefix.
puur- in puurmal, puurzot, puurerg, puurarm, puurstekeblind. Blijkens de plaatsen in WNT nu verouderd, maar nog bij Kloos puurmooi.
opper- in opperbest. Daarentegen is oppermachtig eer een afleiding van het substantief oppermacht.
on- komt in dialekten voor ter versterking: ongroot, onlastig, onzoer.1) Vondel gebruikt ondiep in de betekenis: peilloos diep.
| |
117 Hybridische praefixen:
aarts-: aartsdom, aartslui, aartsgek, aartsgierig. Het WNT beschouwt deze adjektieven als geabstraheerd uit substantieven (aartsdomkop, aartsluiaard en dergelijke), maar dat gaat toch niet op voor alle gevallen.2)
oer-: oerkomisch, oergrappig, oerleuk, oersaai, door een tijdelijke mode in bepaalde kringen gebruikt.3)
Verder nog sporadisch enige Latijns-Griekse praefixen, gedeeltelijk ook bij de afleiding van substantieven vermeld, als super (superfijn), hyper (hypergevoelig), extra (extrasterk), quasi (quasideftig), ultra (ultramodern), pseudo (pseudogeleerd), semi (semigemeentelijk), pro, contra, anti (reeds in een tekst van 1802 trof ik aan: antibevallig).
| |
118 Afleiding door praefixen, uit verbleekte substantieven ontstaan.
dood (s)-. Aanknopend bij doodziek, doodzwak, doodstil, doodsbleek, doodsbenauwd, ontstonden: doodarm, doodeerlijk, doodeenvoudig, doodgewoon, doodleuk, doodkalm, doodenkel, dood-natuurlijk, doodgemakkelijk.4)
ziels- in zielsblij, zielsbedroefd, zielslief, zielsveel.
wonder- nadert al in het Mnl. tot een versterkend praefix in wondergroot, wonderheet, wondergoedertieren, wonderclaer, bij Plantijn: wonderseltsaem; bij Hooft: wonderzoet. Zeer geliefd zijn zulke adjektieven bij Cats. Daarna raken ze in onbruik. Als ze in jongere tijd weer te voorschijn komen, zal Duitse invloed daar niet vreemd aan zijn, b.v. wondermooi naar wunderschön.
| | | |
Analogisch gevormde adjektieven als wondergoed, wondersterk, wonderknap zijn niet algemeen gebruikelijk. In het dialekt van Oerle (bij Eindhoven) werden nog opgemerkt: wonderdik, wonderduur, wonderoud, wonderwijd.
stok- in stokoud, stokdoof, stokstijf is van twijfelachtige afkomst. In het laatste woord zou stok verklaarbaar zijn, in stokoud is bijgedachte aan stock = oude man mogelijk, want stocout is al Mnl., evenals stocstille, stocvast, terwijl Kiliaen stockblind kent en Marnix stockdonker, stockduister; andere zeventiendeeeuwers stokdom, stokstom. Invloed van het Duitse stock (stockfinster, -dumm, -still) is niet onmogelijk, in sommige gevallen zelfs waarschijnlijk. Bij Vondel en Bredero komt als substantief stocknar voor.1) In Groningse volkstaal is nog bekend stokarm en stokverlegen; in Zuidnederland stokkedood.
Een praefix dat spoorloos verdwenen is, maar in het Duits nog voortleeft (grundfalsch, grundehrlich) is grond-, in het Mnl. grontrike, grontootmoedich en bij Jan van Leeuwen nog grontgierich, grontonderworpen.
Schaars vertegenwoordigd zijn verder nog:
pik- in pikvers, piksplinternieuw, wellicht onder invloed van pikzwart, pikdonker.2) Verwant is het aan het Duits ontleende piekfijn.
pot-. Naast potdicht ook potdoof, potdonker, potduister, de laatste wellicht ook onder invloed van Zuidnederlands potzwart,
Een jong praefix, dat enige tijd in de mode was, is reuze, dat ook bij substantieven, maar vooral bij adjektieven opgeld deed: reuzeleuk, reuzefijn, reuzeknap, reuzemoeilijk enz.3)
Ook verbale stammen kunnen als praefix versterkende funktie krijgen, als
stik- in stikvol, stikdonker, stikziend (= bijziend), stikdronken, stikjaloers. Naast stikblind (Bilderdijk) het onverklaarde stekeblind, en ouder stekblind, stekdood (Kiliaen). Met versterking: hardstikkedood, hardstikkevol, hardstikkedoof, hardstikkezat.
schuw- in schuwlelijk, schuwduur, schuwvervelend.4)
smoor-: smoorheet, smoordronken, smoorvol, smoorverliefd, Vlaams smoorrijk (De Bo).
kraak- in kraakzindelijk, kraakhelder, kraaknieuw, kraakfris.
Het is niet te verwonderen dat zulke versterkende praefixen juist in minder beschaafde taal, in familiare omgang en ‘slang’
| | | |
een welige groei vertonen. Daarvan noemen wij nog de volgende, stellig niet volledige reeks:
dol-: dolgezellig, dolprettig.
stom-: stomdronken, stomvervelend.
bar-: barvervelend, barduur.
gek-: gekdruk, gekduur, gekgroot.
woest-: woestduur, woestgeleerd.
foei-: foeilelijk.
rot- (in soldatentaal): rotzwaar.
vies-: viesduur, viesdiep.
gods-: godsonmogelijk, godsliederlijk, godseenvoudig (Vermeylen)1).
Opmerking. Deze praefixen, grotendeels in ‘slang’ voorkomend, zijn te vergelijken met adverbiale krachttermen als bliksems, donders, verdomd, verrekt, verdraaid, deksels e.d., in § 162 besproken.
| |
119-125 Afleiding van werkwoorden:
| |
119 Denominativa.
Terwijl de sterke werkwoorden, als oud erfgoed een slinkende groep, alleen bij etymologisch onderzoek ontleedbaar zijn, worden de zwakke werkwoorden nog steeds gevormd, en zijn de bestaande voor een deel als afleidingen herkenbaar of bewust.
Een grote groep zijn de denominativa:
I. Van substantieven. Wanneer men zegt dat die afleiding plaats heeft door middel van het suffix -en (-e in een groot deel van ons land), dan gaat men uit van de infinitief. Eigenlijk is dat maar ten dele juist, want de vorming van de infinitief behoeft niet vooraf te gaan aan die van andere verbale vormen. ‘Ik fiets’, ‘ik heb gefietst’, is niet jonger dan de infinitief fietsen. Een participium als wolkend stof (Potgieter) of kransend touw (Bogaers) kan gevormd worden zonder dat er een werkwoord wolken of kransen bestaat. Terecht spreekt Wilmanns (II, 79) dus van ‘blosse Verbalisierungen des Stammwortes durch Anhängung der Flexionsendungen’. Voor zulke afleiding komen in aanmerking namen van levende wezens (knechten, kalven), van zaken (hengelen, fietsen), van handelingen of toestanden (arbeiden, hongeren). De betekenis en verhouding tot het grondwoord is zo verscheiden, dat elke indeling onvolledig blijft. Soms is een vrij uitvoerige omschrijving nodig, als men de betekenis ontleedt, b.v. boeken = in een kasboek inschrijven, kranten = in een krant zitten lezen, kaarten = een spel met kaarten spelen, winkelen = winkelbezoek doen, kelderen = naar de kelder (d.i.
| | | |
te gronde) gaan, schoolmeesteren = bemoeizucht tonen gelijk een schoolmeester, schipperen = tussen de moeilijkheden doorsturen gelijk een schipper, enz. Wel kan men enkele duidelijke groepen onderscheiden, nl.:
| 1o. | ornatieven: kleden, verven, voederen, oliën, zouten, stempelen, enz.; |
| 2o. | privatieven: schillen, bolsteren, schuimen, stoffen (= stof afnemen), enz.; |
| 3o. | die welke voortbrengen of vertonen wat het grondwoord uitdrukt: bliksemen, hagelen, roken, schimmelen, wonden, enz. |
Op te merken valt nog, dat soms een werkwoord slechts schijnbaar denominatief is: dan is het jongere substantief uit het werk woord geabstraheerd, b.v. doop, roof, slok, hoon, duur.
II. Van adjektieven. Hierbij is, gemakkelijker dan bij de substantieven, een splitsing te maken in drie groepen:
| 1. | Factitieven: drogen, harden, sterken, warmen, bleken, ledigen, enz. Minder herkenbaar zijn vormen met umlaut, als krenken (uit krank = zwak), netten (uit nat), pletten (uit plat), vesten (uit vast). Nog minder letten, beletten (Mnl. lat = traag). |
| 2. | Inchoatieven: drogen (intr.), rotten, rijpen, dorren, gelen, enz. |
| 3. | Duratieven: een eigenschap bezitten of vertonen, b.v. de kust blauwt. Vooral in het impressionistische taalgebruik van de Tachtigers, b.v. de daken roden, de boter geelt e.d., d.w.z. doen zich voor als rood, geel; bij Boutens: een toon heldert. |
Een uitbreiding vertoont het suffix bij werkwoorden op -igen, ontstaan naar analogie van denominatieven als matigen, zondigen, waarbij men zowel aan matig, zondig, als aan maat en zonde kan herinnerd worden; evenzo bespoedigen, aanmoedigen e.d. Zo ontstond dus het nieuwe suffix in: huldigen, pijnigen, kruisigen, stenigen, eindigen, behartigen, enz. De verbreiding sinds de M.E. blijkt door de vergelijking van bevredigen, vergiftigen, verzadigen, verenigen, verkondigen met Mnl. bevreden, vergiften, versaden verenen, verconden.
Van hybridische oorsprong is het suffix -éren.1)
De zeer talrijke bastaardwoorden op -éren, reeds in de vroege Middeleeuwen aan het Frans ontleend, gaven de stoot tot het toevoegen van die uitgang aan zuiver Nederlandse woorden, b.v.
| | | |
bij Hooft: boeléren, voetéren, hovéren, en later: kleinéren, halvéren, waardéren, trotséren. Quasi-Frans is b.v. pauzéren. Opmerkelijk is hantéren, etymologisch ontstaan uit Fr. hanter, maar nu door begripsassociatie met hand feitelijk een nieuw werkwoord, met nieuwe betekenis geworden. Een parallelle ontwikkeling vindt men in het Duits, waar het aantal nog groter is (buchstabieren, skizzieren enz.).
| |
120 Deverbatieven.
Voor de vorming van werkwoorden door middel van suffixen uit andere werkwoorden moet men tot een ver taalverleden teruggaan. Dat is alleen etymologisch van belang; slechts voor een klein deel is het van betekenis voor de levende woordvorming. In de k van Vlaams horken (= luisteren) naast horen wordt geen suffix meer gevoeld, evenmin een suffix s in Westvlaams meersen, klaarsen, en tegenwoordig grijnzen (naast Mnl. grinen). Naast -ken komt voor -ĕken (ook gespeld -iken) in een reeks, grotendeels dialektische werkwoorden, met een betekenis die verwantschap toont met de in § 121 te bespreken afleidingen met -ĕren en -ĕlen. B.v. grinneken (naast ginneken, gninneken; vgl. ginnegappen), hinniken (vgl. Hd. hinnen), punneken (vgl. purreken, pulken = peuteren), veziken (= fluisteren), zaniken, zieriken (sjirpen van mussen). Dat de k in het laatste woord niet het oud-Germaanse suffix behoeft te zijn, maar evengoed klank-expressief ontstaan mogelijk is, blijkt uit een dergelijk werkwoord woereken (woerken) voor het kwaken van kikkers.
Bij de eveneens tot het Germaanse verleden behorende vorming van causatieven is het suffix verdwenen. Ze zijn te herkennen aan umlaut van de vokaal of klinkerwisseling, maar voor het tegenwoordige taalgevoel is het verband met het grondwoord zelden meer bewust. Sedert het Middelnederlands is de groep van dergelijke causatieven sterk ingekrompen, terwijl analogische vormen niet mogelijk zijn. Een eenvoudiger middel om het causatieve begrip uit te drukken is de betekenisverandering, doordat men het intransitieve werkwoord transitief ook kan gebruiken in causale zin, b.v. naast: de aardappels koken: de meid kookt de aardappels. Vgl. braden, bakken, buigen, breken, genezen, smelten, splijten, enz. Waar dit niet mogelijk is, omschrijft men het causatief door de hulpwerkwoorden doen of laten.
Oude causatieven, waarbij nog enigszins het verband gevoeld wordt, zijn: drenken naast drinken, leggen naast liggen, zetten naast zitten, vellen naast vallen, zogen naast zuigen. Bij andere is het verband verbroken, doordat het oorspronkelijke werkwoord òf voorgoed verdwenen is, òf alleen in de oude betekenis niet meer gebruikt wordt als kwellen naast Mnl. quelen = pijn lijden,
| | | |
voeren naast varen (= gaan), leiden naast Mnl. liden = gaan, wenden naast winden = draaien, genéren naast Mnl. genesen. neigen naast Mnl. nigen.
Het Mnl. heeft nog causatieven gekend, die sedert verdwenen zijn, als sprengen naast springen, sweigen naast swigen, scheinen naast schinen, beten naast biten, senken naast sinken.
Wat voor de causatieven geldt, is ook toepasselijk op een aantal intensieven met gegemineerde consonant, door oude suffixen veroorzaakt, maar waar voor het tegenwoordig taalgevoel het verband geheel of grotendeels verduisterd is. Ook hier is analogie-vorming, en dus levende afleiding, buitengesloten.1)
Voorbeelden zijn: stikken naast steken, wikken naast wegen, knippen naast knijpen, hikken naast hijgen, bukken naast buigen.
| |
121 Frequentatieven, Iteratieven.2)
Werkwoorden die een herhaalde of voortdurende werking aanduiden worden gevormd door suffixen die ook voor het tegenwoordige taalgevoel van betekenis zijn. Ze eindigen op:
-eren, dat alleen verklaarbaar is door de voorgang van denominatieven van woorden op -er: substantieven b.v. timmeren (Mnl. timmer = bouwmateriaal) of ontbladeren (naar meerv. blader), adjektieven b.v. aanwakkeren, vermageren, comparatieven b.v. ergeren, verouderen. Daaronder zijn er die door hun betekenis reeds frequentatief zijn, als verouderen = telkens ouder worden, en hameren, dobberen, waaieren, die een herhaalde korte beweging aanduiden. Daarbij komt de indruk die het daktylische ritme van deze infinitieven maakt.3) Door analogie ontstonden daarnaast werkwoorden als stotteren (vgl. stoten), bibberen (beven), blikkeren, enz., waarbij dus ook geminatie van de consonant kan optreden. Het is volstrekt niet nodig dat steeds - gelijk De Jager meende - een korter werkwoord de grondslag gevormd heeft; ook rechtstreeks konden nieuwe verba op -ĕren ontstaan. Bij woorden als fluisteren, haperen, bulderen, flikkeren e.d. zal men in ouder Nederlands vergeefs naar een grondwoord zoeken. Vanouds kunnen de frequentatieven ook produkt zijn van wat Paul4) ‘Urschöpfung’ noemt. Niet alleen herhaalde beweging, maar ook indrukken van licht en klank kunnen dan tot zulke vormingen aanleiding geven. Vergelijk b.v. fladderen
| | | |
met flakkeren en flikkeren of schateren, schetteren, schitteren.1) Dat dit suffix nog levend is, blijkt uit de vele nieuwvormingen in de expressionistische taal sedert 1880. Den Hertog2) tekende b.v. aan: schokkeren, grommeren, jankeren, glimmeren en zelfs glimlacheren. Bij Jac. van Looy vindt men o.a. brommelen, lachelen, knorrelen.
Niet minder gewoon dan -ĕren is
-elen, waarbij opnieuw denominatieven van substantieven op -el (spiegelen, beteugelen, lepelen) en van adjektieven (wankelen) voorgegaan zijn, terwijl dan woorden die uiteraard een herhaalde werking weergaven als trommelen, schommelen, schoffelen, stempelen de rechtstreekse voorbeelden konden worden voor vorming van frequentatieven naast werkwoorden als krabbelen (krabben), schuifelen (schuiven), hakkelen (hakken); waarnaast zelfstandig, min of meer onomatopeeën: gaggelen, gichelen, kakelen, rammelen, roffelen, wauwelen, kittelen.
Dat deze vorming nog steeds produktief is, blijkt ook door woorden uit de kindertaal: indertijd tekende ik b.v. aan: krimpelen, wippelen, stompelen.3)
Behalve de geminatie, waarop hiervoor al de aandacht gevestigd is, valt hier nog de verscherping van de consonant op te merken in gevallen als schuifelen, wentelen (naast wenden), weifelen (verwant met wuiven), die te verklaren is door invloed van de gesyncopeerde vormen (schuiflen, enz.).
Niet produktief is een zeldzame uitbreiding van het suffix -en tot -enen, waar weer denominatieven als regenen, effenen, toeeigenen de stoot gegeven hebben tot vormingen als Mnl. lossenen, merenen, porrenen en wellicht ook rekenen4). Verduisterd was de afleiding reeds in tonen (uit togenen) en tronen = lokken (uit trogenen). Een schaars overblijfsel is het dialektische lijkenen = gelijken.
| |
122 Werkwoorden van andere woordsoorten afgeleid.
Een gering aantal werkwoorden is gevormd van adverbia, nl. uiten, innen, naderen, en met praefixen: bejegenen, vernederen, veroveren. Opperen zou ook rechtstreeks terug kunnen gaan tot op5); vgl. Mnl. uteren, nog voorkomend in Hooft's Baeto, vs. 509, en het aan het Duits ontleende herinneren.
| | | |
Afleidingen van pronomina zijn: mijnen (afmijnen), jijen en jouwen (vgl. Fr. tutoyer, Duits dutzen).
Afleidingen van interjekties: verfoeien, hemmen (in Bredero's Sp. Brab. =hm zeggen), uitjouwen, foeteren (foudre!) en sakkeren (sacre!)1), achen (bij Boutens). Wellicht ook ermen. armen (uit acherm?)
Verwant is ook lieve-moederen (= lieve moeder! roepen).
Afleidingen van klanknabootsingen: ploffen, sussen enz. zijn in § 137 besproken.
| |
123 Werkwoorden met praefixen gevormd: be-, ge-, ont-, ver-, veront-.
De meest voorkomende praefixen bij werkwoorden zijn het volgende vijftal:
be- ontstaan door verzwakking van het bijwoord bi in samenstellingen2), die reeds in het Mnl. de overgang naar afleidingen vertonen b.v. bigaen (vgl. begeleiden), bicomen = naderen, bislapen (vgl. beslapen). De grondbetekenis is dus lokaal geweest, namelijk rondom, b.v. belegeren (Mnl. beleggen en beliggen), Mnl. beringen (vgl. omsingelen), begrijpen (= omvatten; vgl. Lat. comprehendere), Mnl. begraven (vgl. Lat. circumvallare), of: over de gehele oppervlakte, b.v. bezitten, bedekken, of aanraking, b.v. bereiken, behalen.
De oorspronkelijke betekenis van be- komt niet meer uit bij intransitieve werkwoorden als bestaan, behoren, bevallen, bezwijken e.a., waar de funktie van het praefix nauwelijks meer te omschrijven is, en die ook niet tot één groep te brengen zijn. Veel groter is het aantal transitieve werkwoorden, waar groepering wel mogelijk is. Ze zijn òf deverbatief òf denominatief.
| I. | Afleidingen van intransitieve werkwoorden: de werking strekt zich over personen of zaken uit: beheersen, beoorlogen, bearbeiden, bedenken. |
| II. | Afleidingen van transitieve werkwoorden:
a) de werking strekt zich uit over een bepaald oppervlak: bebouwen, begieten, beplanten.
b) de werking geschiedt kompleet, of aan alle kanten: be-kijken, bestuderen, betasten, bedwingen. Daar geeft be-aan het werkwoord vaak perfektieve betekenis.
c) met nawerking van de oorspronkelijke betekenis: iets of iemand in zijn nabijheid of in zijn bezit krijgen of trachten te verkrijgen: bereiken, bezeilen, bejagen, bespreken, beroepen. |
| | | |
| III. | Afleidingen van substantieven. meestal ornatief: bekleden, bemantelen, bewapenen. Er valt op te merken dat zich hierbij aansluiten afleidingen die rechtstreeks als participia gevormd worden. dus feitelijk als adiektieven. zonder bijbehorende infinitieven of tijdsvormen, b.v. betraand, begaafd, bij Vondel reeds betulband, die dus te vergelijken zijn met de vroeger besproken adjektieven met ge-, naar analogie van participia gevormd (§ 115). |
| IV. | Afleidingen van adjektieven: bekoelen, bekorten, benauwen, beveiligen, bespoedigen. Naar analogie van deze laatste ontstonden verscheiden werkwoorden met het suffix -igen, gecombineerd met het praefix be-, b.v. begiftigen, beledigen, bezoldigen, beëindigen. |
Evenzo gaat het praefix be- soms samen met het suffix -ĕlen of -ĕren. beduimelen, belemmeren. Bijna onherkenbaar is de verkorte vorm in blieven (wat blieft u, alsjeblieft) en Mnl. bagen = behagen; geheel onherkenbaar in blussen (naast lessen) en blijven.
ge- heeft ter vorming van werkwoorden in de hedendaagse taal eigenlijk geen betekenis meer. Waar nu nog een werkwoord met ge- naast het simplex staat, is er geen onderscheid in betekenis: alleen is de langere vorm deftiger b.v. geraken, gewennen, geleiden, genaken naast raken, wennen, leiden, naken, of klinkt de kortere vorm meer familiaar of minder beschaafd, b.v. lukken, beuren naast gelukken, gebeuren. Vaak bestaat het simplex niet meer; b.v. geloven, geschieden, genieten; bruiken = gebruiken komt alleen nog in het Noord-Oosten van ons land voor.
In het Middelnederlands heeft dit praefix nog een belangrijke funktie. De oudste betekenis (nl. samen) is nog bewaard in gerinnen = samenlopen (vgl. geronnen bloed) en gemoeten. Daaruit ontstaat het begrip van veelvuldigheid: men noemt één zaak, maar genoemt er meer (= opsommen) en van de intensieve, de voltooide werking, b.v. gegripen = omvatten. Vandaar dat het dient om uit te drukken dat de handeling ten volle in alle delen tot stand komt, b.v. iets gedoen.1) Zeer gewoon is het dan in ontkennende konstruktie, b.v. ‘En es geen clerc diet ghescreve’; ‘In weet hoe ict u gheloven sal’. Zulke werkwoorden met geworden ook van bastaardwoorden afgeleid (gefinieren, gebenediën).2)
Talrijk zijn de werkwoorden met ge- in de zestiende eeuw, o.a. bij Marnix, afnemend in de zeventiende eeuw. In het Vlaams zijn er verscheidene bewaard. Nu bestaan er slechts schamele resten, in uitstervend gebruik; iets niet kunnen gebeteren, met iets niet kunnen geworden, zich laten gezeggen.
| | | |
Ge- ter vorming van participia is reeds bij de vormleer ter sprake gekomen (§ 69).
ont- gaat terug op een oud-Germaans praefix, dat tevens praepositie is.1). Het is o.a. bewaard in ons antwoord, terwijl het Mnl. nog een praepositie ont kent in onthier (= totdat) en een voegwoord ont dat (vgl. Engels unto).
De grondbetekenis: tegen, tegenover kan zich naar twee kanten ontwikkelen, namelijk nadering en verwijdering. De eerste betekenis vindt men in ontmoeten, ontbieden (= laten weten), ontzien (= opzien tegen). Uit het begrip verwijdering ontstaat dat van scheiding: ontnemen, onthouden, ontlopen, ontvallen (vgl. de samenstellingen met weg), daartoe behoren dus de privatieven, die aangeven het ontdoen van wat het grondwoord uitdrukt. Ze kunnen gevormd worden van substantieven en zijn dan het tegengestelde van de ornatieven met be-: ontvolken, ontwapenen (naast bevolken, bewapenen), of van adjektieven: ontheiligen, onteigenen. In de derde plaats betekenen ze het tegengestelde van de werking, door het grondwoord uitgedrukt: ontbinden, ontknopen, waaruit zich weer de ontkenning ontwikkelt in het Mnl. ontworden, ontvoeden, en het zeventiende-eeuwse ontminnen, ontleven (= sterven), ontslapen (= wakker worden). Vandaar dat er aanraking ontstond tussen ont- en on- zodat in het Mnl. naast elkaar voorkomen: ontsconen en onsconen, ontreinen en onreinen, ontsuveren en onsuveren.2) Uit de ontkennende kon zich dan weer de pejoratieve betekenis ontwikkelen: ontstellen (= bederven), ontredderen.
Uit het begrip verwijdering is ook te verklaren dat ont-inchoatieve betekenis kan krijgen en het begin van de werking aanduiden, b.v. ontbranden, ontdooien, ontwaken, ontslapen.
Naast deze groepering in het WNT wijst Verdam nog op de versterkende betekenis, die hij aanneemt in woorden als ontbloten, ontruimen, ontnuchteren, waarvoor hij een parallel aanwijst in het Middelnederd. ent-, dat met Hd. er- gelijk staat, b.v. entopenen - eröffnen, vergelijkbaar met Mnl. ontopenen, waarnaast ontminderen, ontvruchten ‘vrezen’, ontbeven enz. Hij verwerpt de onderstelling van het WNT, dat Romaanse voorbeelden invloed gehad zouden hebben, b.v. ontbloten naar denudare, ontaarden naar degenerare, ontcijferen naar Fr. déchiffrer. M.i. is die invloed volstrekt niet onaannemelijk.
Door de velerlei mogelijkheden kan dus een werkwoord met ont- soms in verschillende tijd of taalkring tegengestelde betekenissen krijgen, als het reeds genoemde ontslapen. Onthoren
| | | |
kan zijn: naar iemand luisteren, maar ook: niet naar iemand luisteren.
Ten slotte valt nog te wijzen op een betekenis in het Mnl., die geheel uitgestorven is, nl. bij een groep van afleidingen van adjektieven, uitdrukkende dat de eigenschap of toestand in te hoge mate aanwezig is, b.v.. ontdieren = te duur zijn, ontnauwen = te moeilijk zijn; vooral in de taal van de mystici: onthogen, ontdiepen. Daarbij behoort dan een substantief in de datief.
Opmerking. Bij sommige werkwoorden met ont- (ontginnen, ontberen e.d.) komen de simplicia niet meer voor.
ver- Evenals bij ont- vinden we bij dit praefix velerlei betekenissen, ten dele verklaarbaar doordat ver- ontstaan kan zijn uit drie oud-Germaanse praefixen1), zodat ver- soms als verzwakking van voor te beschouwen is. Sterkere verzwakking doet ver-overgaan tot vr (vreten uit ver-eten; Mnl. vreischen uit ver-eischen). De volgende betekenisgroepen zijn duidelijk te onderscheiden:
| 1o. | met verkeerd doel of gevolg: verleiden, verdwalen, verwennen, zich verslikken, vergrijpen, vergissen. Soms uitlopend op vernietiging: vergaan, verdoen, verworgen, Mnl. verbiten = doodbijten; |
| 2o. | met het begrip ‘weg’: verbannen, verstoten, verkopen, verbruiken, verteren, verspelen; |
| 3o. | met ontkennende betekenis: verachten, verbieden, Mnl. verhoren = ongehoorzaam zijn; |
| 4o. | met het begrip verandering: van plaats, b.v. verhuizen, verplanten, verzitten. Van wijze: vertimmeren, verkleden, verdopen; |
| 5o. | maken of worden wat het grondwoord uitdrukt: a) van adjektieven: verarmen, verkoelen, b) van substantieven: verkolen, verstenen; |
| 6o. | met inchoatieve betekenis: vernemen, verlieven, vooral gewoon in het Mnl.: versien (= in het oog krijgen), verruken, verminnen; |
| 7o. | versterkend: vertwijfelen, vertroosten, Mnl. verhaten; |
| 8o. | soms als transitief naast een intransitief grondwoord: verzwijgen, verschrikken, vervloeken; |
| 9o. | ten slotte meermalen zonder merkbare betekenisverandering: vermenen, vermelden, vereisen, verwisselen, vermissen. |
De oude verwantschap met voor blijkt uit het Mnl. versluten = voresluten (vgl. verleden met voorleden). Minder waarschijnlijk is dat bij werkwoorden waar ver- een bedekking met dat wat het
| | | |
grondwoord betekent, aangeeft: verzilveren, verbloemen, verzanden, verzegelen.
Soms zijn naast ver- parallellen met over- aan te wijzen, b.v. vernachten, verwinteren, verwinnen (vgl. verrassen met Hd. überraschen).
Opmerkelijk is daarnaast het dubbele praefix
veront- b.v. verontschuldigen, verontrusten, verontreinigen, dat Verdam1) terecht verklaart als een kontaminatie van ont- en ver-on. Het Mnl. kent namelijk afleidingen als veronachtsamen, veronedelen, veronreinigen, veronledighen, veronwerden (= geringschatten), die nog bij Plantijn en Kiliaen opgetekend zijn, maar daarnaast ook reeds verontwerden en verontschuldigen. Verontschamelen, verontstercken e.a. komen bij Kiliaen voor. In het verwante Middelnederduits is de vorming met ver-un- nog regel, terwijl in de tegenwoordige taal veronachtzamen en verongelijken bewaard bleven. Al deze gegevens bevestigen dus de opvatting van Verdam.
| |
124 Werkwoorden met praefixen gevormd: er-, her- en wan-.
Een vrijwel uitgestorven, onvruchtbaar geworden praefix, van oud-Germaanse afkomst, is
er-, in oorsprong gelijk aan het nominale praefix oor- (zie § 105), dat de betekenis had van ‘uit’. In het Duits is het lang bewaard gebleven; in het Mnl. komt het vooral voor in Oostelijke streken b.v. in de Limburgse Sermoenen, maar ook de Vlaamse Ferguut heeft b.v. erspringen, ertrecken.2) In de zestiende eeuw neemt het aantal toe, waarschijnlijk onder Duitse invloed. Bij Roemer Visscher vindt men zelfs het germanisme erweelen = uitkiezen. Van Zuylen van Nijeveld gebruikt erdenken en er-dichten. Hooft maakt er in zijn proza ruim gebruik van, b.v. behalve het germanisme zich erneren, ook erbieden, erdichten, erduchten (= vrezen), erhouden (= terughouden), erleggen (= overleggen), ervoelen (= zich misnoegd tonen), erschijnen (= verschijnen).3) Geen van die woorden heeft deel uitgemaakt van de volkstaal. Het bij Hooft voorkomende erkaauwen4) is vervormd tot herkauwen; het aan het Duits ontleende erinneren is herinneren geworden, onder invloed van het hieronder volgende praefix her-. Verder zijn in latere taal alleen bewaard: erkennen, ervaren, erbarmen, erlangen. Jonger is de reeds verouderde, deftige verbinding mijns erachtens = naar mijn mening, mijns inziens.
| | | |
her- vertoont een bedriegelijke overeenkomst met er-, waarmee het, blijkens de bovenstaande voorbeelden, een enkele maal samengevallen is, maar het is van geheel andere oorsprong: met de betekenis ‘opnieuw’ komt het in geen andere Germaanse taal voor, en de verklaring is lange tijd twijfelachtig gebleven. Men dacht aan her = hierheen, dat in sommige gevallen de oorsprong zou kunnen verduidelijken, b.v. hercomen (vgl. herkomstig), herbringen of herhalen = weer terughalen, mogelijk ook aan invloed van een voorbeeld als herinneren = zich weer te binnen brengen, maar dit kan de talrijke gevallen, waarin her- duidelijk opnieuw betekent, niet aannemelijk verklaren.1) Verrassend was de nieuwe verklaring van Van Ginneken2), die uitging van er-, als metathesis van het Franse re-, en als uitgangspunt wees op Mnl. woorden als erstoren = restorer, ermonteren = remonter. De h zou dan een dialektische toevoeging zijn, vooral in het Vlaams. Deze opvatting wordt versterkt door de omstandigheid dat dit praefix vooral Zuidnederlands is geweest, en daar nu nog in de volkstaal leeft.
Het Mnl. Wdb. heeft al 60 werkwoorden met her, waarvan sommige als herademen (in de bijbel van 1477) er modern uitzien. Van Dale noemt er zelfs 200, een bewijs van de grote vruchtbaarheid. Voor het Westvlaams somt De Bo er vele op, die in het Noorden ongebruikelijk zijn als: herbeginnen, herbiechten, hergaan, herderschen e.a. Men zegt b.v.: ‘het duurt en herduurt’, ‘het regent en herregent’, d.i. het blijft maar regenen. Opmerkelijk is dat her- zelfs uit de verbinding losgemaakt wordt met adverbiale betekenis; b.v. doe dat her, zeg dat her = herdoe, herzeg dat. Vgl. zelfs: van nieuws en her = opnieuw.3)
wan-, dat wij reeds aantroffen als praefix bij substantieven en adjektieven, kwam oudtijds ook bij allerlei werkwoorden voor, b.v. Mnl. wandanken, wanhagen (= mishagen), wangonnen, wanconnen, wanhogen, wannieten, wanloven, wanleren, wantroosten, wanvermoeden. Nog enige tijd blijft het praefix produktief - Kiliaen kent nog een 40-tal van zulke afleidingen - maar na de zeventiende eeuw sterft het uit. Terecht houdt Den Hertog wanhopen en wantrouwen voor denominatieven van wanhoop en wantrouwen. Zo zou ook een jong woord als wanboffen naar wanbof gevormd kunnen zijn, maar rechtstreekse afleiding van het simplex boffen is even aannemelijk.
Opmerking. Geheel uitgestorven is het Mnl. praefix: te-, in betekenis overeenkomende met het Duitse zer (ouder: ze) = uiteen, stuk, b.v. tebreken,
| | | |
tebiten, tebersten, teblouwen, tesliten, tescoren, testoren, tewriven1). Het leeft nog voort in tebroken, dat in Zuidhollandse dialekten voorkomt (vgl. ook tebersten) en in het Fries.
| |
125 Werkwoorden met praefixen gevormd: vol-, weg- en af-.
Een praefix, dat reeds in het Mnl. als zodanig gevoeld werd, al ontstond het uit samenstellingen met een adjektief, is:
vol-, in betekenis gelijkstaande met het perfektieve ge-, b.v. voldecken, voldencken, voldienen, voldichten, voldogen, volscriven, enz. Vondel voelt nog de oude kracht van het praefix, als hij in de Bespiegelingen van G. en G. werkwoorden vormt als volwaerderen (III, 277), voltellen (III, 292) en volloven (III, 654). Nu is de oorspronkelijke betekenis meestal verduisterd; soms voelt men er nog in: ten einde toe, b.v. volbrengen, volharden, volmaken, volvoeren, voldoen, maar in voleindigen is het eenvoudig versterkend, in voltooien, als etymologisch onherkenbaar, zelfs zonder eigen betekenis. Hetzelfde vol- vindt men in participia (dus adjektieven): volkomen, volleerd, volslagen.
Op de grens van samenstelling en afleiding staan ook werkwoorden ingeleid door
weg-, als bijwoord uit Mnl. ewech (= op weg) ontstaan. Dat dit de funktie van een praefix begint te krijgen, blijkt uit gevallen waar het gelijk staat met andere praefixen, b.v. weglopen = ontlopen, wegwerpen = verwerpen, wegstoten = verstoten, wegstoppen = verstoppen. Vgl. ook wegbrengen, wegleggen, weggeven e.d. Door de scheidbaarheid van zulke werkwoorden blijven ze nog ten dele het karakter van samenstellingen behouden.
Datzelfde geldt voor de samenstellingen met af- als afraden, dat weer te vergelijken is met ontraden. Reeds in het Mnl. vindt men werkwoorden als afcrighen, afverdienen, afverraden, afvermoorden (= door moord beroven): vgl. in de Camera Obscura: of-aangerand = door aanranding ontroofd.
| |
126 Afleiding van pronomina.
De vorming van persoonlijke voornaamwoorden binnen de perken van de Nederlandse taalontwikkeling is reeds besproken in het Hoofdstuk over de woordsoorten, en onder de samenstelling (§ 91).
De bezittelijke voornaamwoorden zijn stamverwante adjektivische vormen naast de persoonlijke, of vallen daarmee samen (je, u, jullie).
Een verborgen suffix -lijk (lək) dat tot een oudere taalperiode
| | | |
behoort, is op te merken in elk, zulk, welk, malk (ander), in een dialektisch hoelk (in het meervoud verkort tot hoeke, hokke, hukke, vgl. hoe'n) en in het zeventiende-eeuwse dusk, in de verbinding dusken = duslijk een (geassimileerd tot dussen, gespeld dusschen), te vergelijken met zo'n en verdubbeld in het oude elckerlijck; met het praefix ge in een iegelijk (Mnl. ook iewelic en iegewelc).
Een suffix -ig treft men aan in zo-danig (Mnl. soghedaen), dusdanig, hoedanig, sommig (naast Mnl. some) en zeventiende eeuws genich = geen (o.a. bij Bredero).
Een ontkennend praefix ne treft men aan in niemand (vgl. geen mens) en niets (Mnl. niewet; met s uit des), terwijl het afgevallen is bij geen (Mnl. negeen, waarbij de g oorspronkelijk bij de ontkenning behoorde).
| |
127 Afleiding van telwoorden.
De afleiding van rangschikkende telwoorden met het suffix -de, -ste is reeds in § 47 behandeld. Bij de breukgetallen gebruikt men, substantiverend, de afkorting: twee derde (n), drie achtste (n).
Het Vlaams kent nog een kollektieve vorm met het praefix ge- (getweeën, gedrieën = met z'n tweeën, met z'n drieën).
Met een oud suffix -s ontstond, naaf analogie van eens, in de zestiende en zeventiende eeuw dries of drijs = driemaal.
Opmerking. Van telwoorden worden ook abstracta op -heid gevormd: eenheid, veelheid, in 't Mnl. drieheit = drieeenheid.
| |
128 Afleiding van bijwoorden.
De afleiding van plaatselijke adverbia uit pronominale stammen, in een ver verleden (hier, Mnl. hare = hierheen; vgl. herwaarts, daar, Mnl. danen; vgl. daar van daan, waar, Mnl. wanen) blijft hier onbesproken. Evenzo de onherkenbaar geworden casusvormen, in tijdsbepalingen verscholen (gisteren, heden, wijlen, somwijlen, vaak, uit vaken1)).
Als praefixen komen voor: be- in beneden en met verdwijning van de klinker, en dus verduisterd, in buiten, binnen, boven2), Vlaams bachten, Mnl. bandersiden.
al-, oorspronkelijk versterkend, maar later verbleekt in alhier, aldaar.
In hedendaags Nederlands kunnen tal van adjektieven ongewijzigd als adverbia gebruikt worden. Bij adjektieven als trots,
| | | |
boers, slaafs, die in de oude spelling met sch geschreven werden, liet men bij het adverbiale gebruik de ch weg: een kunstmatige onderscheiding, die in de nieuwe spelling vervallen is (§ 111).
In oudere perioden onderscheidde het bijwoord zich van het adjektief door een suffix, namelijk -e (verzwakt uit een oud-Germaanse o), nog bewaard in gaarne, dichtebij, bij lange na, van verre, op verre na, in Noord-Holland: volle groot, in Groningen schrikkelijke z.d. Het Mnl. kende er meer, b.v. herde, lude en stille, lange; bij Vondel vindt men in zijn oudere periode nog: hooge, stilíe, lange, kloecke, die later regelmatig verkort worden.1) Afgezien van ambtelijk en litterair-archaïstisch taalgebruik, zijn zulke adverbia in hedendaags Nederlands, op de genoemde uitzonderingen na, uitgestorven.
Dit weinig expressieve suffix werd verdrongen door het duidelijker:
-like, in het Mnl. ook -liken, later verkort tot -lijk en verzwakt tot -lək. Vondel gebruikt in zijn oudere periode nog -lijcken b.v. rijckelijcken, wonderlijcken.2) Ook deze afleidingen verouderden - waarschijnlijk omdat ze als omslachtig en overbodig beschouwd werden. Enkele handhaafden zich in bijbeltaal (b.v. bitterlick wenen) of in deftig en vormelijk gebruik: bepaaldelijk, hogelijk, wijselijk, vrijelijk, valselijk3); andere, als rijkelijk, waarlijk, gewoonlijk, werden omgekeerd tot adjektieven.
Een zeer gebruikelijk suffix is de adverbiale s,4) die voorkomt:
| 1o. | achter adjektieven: anders, reeds, onverhoeds, onvoorziens; |
| 2o. | achter participia met uitvallen van de slotconsonant: vervolgens, doorgaans, willens en wetens. Bij Vondel: stilzwijgens; |
| 3o. | achter voorzetsel + adjektief: insgelijks, vannieuws; |
| 4o. | achter substantieven: deels, smorgens, savonds, snachts, daags, trouwens; |
| 5o. | achter adjektief + substantief. Deels ontstaan onder invloed van ‘absolute naamvallen’, als: blootshoofds, goedsmoeds, waarbij de s een buigingsvorm was. Voor het taalgevoel zullen deze later wel op één lijn geplaatst zijn met verbindingen als luidkeels, heel(s)huids, ruimschoots, dikwijls; |
| 6o. | achter voorzetsel + substantief: onderhands, voorshands, buitenslands, aanstonds, bijtijds, achterbaks, bijkans (uit kant), bij Vondel: namaels (vgl. hiernamaals); |
| 7o. | achter voorzetsel + verbale stam: terloops, tevergeefs; |
| | | |
| 8o. | achter de suffixen -lijk, -ling, -waart, -je en -ke (zie verderop). |
Hierbij valt nog op te merken, dat midden in het bijwoord, onder invloed van de slot-s en wellicht van de oude absolute naamvallen, herhaaldelijk een s ingevoegd wordt, b.v. insgelijks, buitenslands, binnenskamers, ondershands, voorshands1), (vgl. de ‘voorbarige’ n in alten groten). Ook de s van smorgens, savonds is niet te beschouwen als een verkorting van de genitief des, al schrijft men wel, hyperkorrekt, des morgens.
Een uitbreiding krijgt het suffix s tot
-ens, waarschijnlijk naar Duits voorbeeld, in hoogstens, minstens, overigens. Al ziet men daar soms verwerpelijke germanismen in, te vervangen door ten hoogste, ten minste, ze zijn door het gebruik ingeburgerd.
In oudere taal werden verscheiden van deze afleidingen zonder s gebruikt, b.v. bij Vondel: trouwen, dicwijl (Mnl. dicwilen), ter loop, ter sluick.2) Ook nu zijn er talrijke bijwoorden zonder dit suffix, nl.
| 1o. | uit voorzetsel + adjektief: binnenkort, voorgoed, voorwaar, opnieuw, overdwars, enz.; |
| 2o. | uit voorzetsel + substantief: bijgevolg, bijdehand, tevreden, terug, voorhanden, inzonderheid, en met oude naamvalsvormen: inderdaad, naderhand, terstond, achterwege; |
| 3o. | uit voorzetsel + voornaamwoord: bovendien, bovenal, vooral; |
| 4o. | uit voorzetsel + bijwoord: eergisteren, overmorgen, vanhier, vooreerst; |
| 5o. | uit voornaamwoord + voorzetsel: desniettegenstaande, dienaangaande; |
| 6o. | uit substantief + bijwoord: bergop, trapaf. Op de grens tussen woordgroep en samenstelling staat reeds: jaarin-jaaruit (vgl. § 182); |
| 7o. | uit verbinding van twee bijwoorden: achteraan, bovenin, onderdoor, rechtsom; ook wanneer het eerste bijwoord uit een adjektief ontstaan is: kortom, kortaf, volop, rechtuit, rondom, veraf enz.; |
| 8o. | uit absolute naamvallen met een vrouwelijke naamvalsvorm -er: langzamerhand, enigermate, gelijkerwijze, middelerwijl, halverwege; met een meervoudig woord (analogisch?): zienderogen; |
| 9o. | door verkorting: ondersteboven. |
Verder zijn er een aantal suffixen die ter vorming van bijwoorden dienen, namelijk
| | | |
-lijks: dagelijks, wekelijks, tweemaandelijks, jaarlijks, nauwelijks.
-ling en -lings, bij Vondel nog de oudere vorm -linge b.v. onderlinge, plotselinge1), in het Mnl. ook -linc en -lingen.2) Zonder s bij een aantal woorden, die tevens als adjektief dienst doen: mondeling3), plotseling, onderling.
Met s:
| 1o. | van substantieven: zijdelings, beurtelings, ruggelings; |
| 2o. | van adjektieven: blindelings, kortelings; |
| 3o. | van werkwoorden: rakelings, ijlings, schrijlings. |
De betekenis vertoont overeenstemming met -lijk. Vergelijk b.v. Mnl. haestelinge en haestelike.
-waart en -waarts geeft nu de richting aan; in oudere taal ook wel de plaats, terwijl dan de vorm zonder s de gewone is, b.v. Mnl. te middenwaert (= in het midden), te landewaert; nog bij Vondel en Huygens: te zeewaert = ter zee, steewaert. In Staring's gedichten: derwaart, bergwaart, zeewaart. Waarts komt nu voor:
| 1o. | achter substantieven: hemelwaarts, huiswaarts, noordwaarts, zijwaarts; |
| 2o. | achter adverbia: voorwaarts, opwaarts, binnenwaarts, herder-, werwaarts. |
-tjes (-jes) en -ke(n)s, het diminutief-suffix met adverbiale s: stilletjes en stillekes, zachtjes en zachtkens, warmpjes, knusjes, netjes, eventjes. Deze adverbia kunnen in het praedikaat weer het karakter van adjektieven krijgen; b.v. ‘'t is frisjes vandaag’; ‘hij blijft altijd netjes’.
-wijze en -gewijze werd reeds in het Mnl. als suffix gevoeld, b.v. ridderwise vechten. Wellicht werd viants ghewise, pelgrims ghewise nog als twee woorden beschouwd, maar cruusgewise of cruuswijs stellig niet meer. Dat het ook nu nog produktief bleef, blijkt uit woorden als groepsgewijze, trapsgewijze, amphitheaters-gewijze e.d. die ook adjektivisch gebruikt kunnen worden (een trapsgewijze overgang).4) In de zeventiende eeuw is de kortere vorm -wijs gewoon, b.v. bij Cats: stucxwijs, bij Rodenburg: schuilwijs; en nog onbegrijpelijkerwijs (naast begrijpelijkerwijze).
-halve, ontstaan uit een substantief dat zijde, kant, richting betekent (vgl. derhalve, Mnl. allenthalve) is tot een levend, nog zeer produktief suffix geworden, hoewel niet in de dagelijkse
| | | |
omgangstaal. Het komt achter substantieven met s: eershalve, ambtshalve, fatsoenshalve, gemakshalve, vaak na woorden op -heid: kortheidshalve, veiligheidshalve, zekerheidshalve, kiesheidshalve, in de laatste gevallen als bepaling van reden of doel.
-weg achter adjektieven b.v. gewoonweg, leukweg, losweg, brutaalweg, e.d. is ook voor nieuwvorming vatbaar; bij Kloos b.v.: iets holweg verzekeren. Opgang maakte in de laatste tijd domweg = gewoon, zo maar. Waarschijnlijk is het onder Duitse invloed ontstaan1), maar er kan ook gedacht zijn aan uitdrukkingen als ‘langs z'n neus weg’, ‘voor 't vaderland weg’.2)
| |
129 Afleiding van voorzetsels.
Voorzetsels kunnen gevormd worden door het praefix be-, dat reeds bij andere woordsoorten besproken is als verzwakking van bi, b.v. benoorden, bezuiden, behalve, benevens en met versmelting van de klinker in binnen, buiten, boven, Vlaams bachten, die ook als bijwoorden voorkomen (§ 128).
Talrijk zijn de afleidingen met het suffix -s, dat ook bij de adverbia aangetroffen wordt:
| 1o. | van substantieven: ondanks, omstreeks, in het Vlaams spijts (= ten spijt van); tijdens (= ten tijde van), krachtens (= uit kracht van), waarschijnlijk ontstaan onder invloed van Hd. kraft, dat al vroeg in deze betekenis voorkwam3), wegens (= van wege), een vrij jonge praepositie, die Kiliaen nog niet kent. Bij deze laatste voorbeelden is de uitgang -ens opvallend. Analogie naar de hieronder volgende voorzetsels levert de aannemelijkste verklaring4): |
| 2o. | van participia, met wegvallen van de slotconsonant: volgens uit volgends), nopens (nopen = raken), blijkens, behoudens. Hiertoe behoort niet luidens (= naar luid van), want een deelwoord luidende heeft niet bestaan5). |
Hoe bij voorzetseluitdrukkingen (§ 94 en 210) de oorspronkelijke konstruktie tot één voorzetsel versmelt is uit het Mnl. aardig aan te tonen. Naast: tenden levens, tenden rades komt reeds voor:
| | | |
tenden sijn spere; naast: ‘in midden van desen paradise’, ook ‘inmidden die stat’. Vergelijk in het hedendaagse Zuidnederlands: ‘tenden zijnen langen hals, te midden eene toegestroomde bende’, en algemeen Nederlands: teneinde raad, bezijden de waarheid (Stoett § 127, Opm. I). Bij Vondel vindt men nog naast elkaar: ‘Aan dees zij der Jordaen’ en ‘Aan geen sij Sloterdijck’. In de 15de en 16de eeuw ook om wille met datief of acc. (Vgr. § 158).
|
1)De grondige studie van de Nederlandse verkleinwoorden is betrekkelijk jong. De stoot werd gegeven door Duitse studiën vooral die van F. Wrede: Die Diminutive im Deutschen ( Deutsche Dialektgeografie Heft I, 1908). Sedert Kloeke zijn belangrijke verhandeling over het ontstaan van - tje publiceerde, is een uitgebreide literatuur over dit onderwerp ontstaan, waarvan wij hier alleen nog noemen W. Pée's proefschrift over de verspreiding van de diminutiva in de Nederlandse dialekten. Overigens verwijzen we naar de uitgebreide gegevens in Schönfeld's aantekeningen bij § 151-153.
2)B.v. uit Delft, omstreeks 1600: knechtgen, emmertgen, pannetgen, Marytgen, Adriaentgen, en reeds in de tweede helft van de 15de eeuw: boectgen (Catal. Barbara-klooster).
1)Vgl. N. van Wijk in Taal en Letteren XV, 395.
1)Verdam beschouwde, waarschijnlijk ten onrechte, ook - ik in woorden als Mnl. hiltic, deuvik als een diminutief-suffix ( Ts. XVI, 176). Bij de suffixen - es en - ing is wel eens zonder voldoende grond diminutieve betekenis verondersteld (zie Ned. Spr. van Cosijn-Te Winkel).
2)In De Taalgids IV, blz. 81.
3)Zie nog meer voorbeelden in § 140.
4)broeder en poffer zijn waarschijnlijk door ‘Rückbildung’ ontstaan, evenals, schertsend, een baan (betrekking) uit baantje. Evenzo zijn bros (uit broche) en moes (uit mouche) als ‘Rückbildung’ te verklaren, doordat de langere vormen, voor het taalgevoel tot verkleinwoorden werden.
5)Vgl. de verkleinwoorden uit adjektieven met adverbiale - s: 't is frisjes vandaag. Er warmpjes in zitten. Ik kom maar eventjes. Zo is 't al welletjes.
1)Busken Huet ( Lit. Phant. en Kr. VII, 138) maakte er Soera Rana een verwijt van, dat in zijn poëzie zoveel verkleinwoorden voorkomen.
3)Taal en Letteren III, blz. 91 vlg.
4)Mogelijk heeft een deel van deze woorden, na plaatsnamen, een andere oorsprong: - warja = bewoners, b.v: Ampsivarii; dus o.a. Rômware als voorbeeld voor * burgware, waaruit burger ontstond. Zie verder Schönfeld § 143.
5)Vgl. in het Duits Schütze, Scherge, Geselle. en in eigennamen Beck uit Becke.
1)Aldus geformuleerd door Van Haeringen in zijn artikel - aar of - er ( N. Tg. XLIV, 260 vlg.).
2)Vgl. voor het ontstaan van - re: Franck § 127, 1.
3)Zo is in het Duits - ler van betekenis geworden; vgl. Raabe PBB. LXXVIII, 45 vlg. Vgl. voor zulke ‘secundaire suffixen’ het artikel van Gerlach Royen in Taal en Leven V, 50.
4)Van Haeringen: Nieuwe Synthese, blz. 23. Daarentegen kunnen de door hem als vertegenwoordigers van dit type genoemde voorbeelden als boomkweker, klokkenverzamelaar m.i. weer gelden als normale samenstellingen.
5)Nog bij A. Roland Holst. Vondel gebruikt sterver in de betekenis van sterveling ( Besp. van G. en G.).
2)Zie voor Franciscaner e. dgl. Van Haeringen N. Tg. XLVII, 24 vlg. Schijnbaar is - er suffix in: Duitser, reiziger. Pleonastisch in Batakker, Dajakker; ook in gladakker, wegens de ongewoonheid van woorden op - ak.
3)Dit - ard is hogerop afkomstig uit het Germaanse - hard, dat in eigennamen veel voorkwam. De overgang tot een middel om mannelijke persoonsnamen te vormen wordt dan begrijpelijk. Vgl. Schönfeld § 146a.
4)Het verband met - aard wordt in het schrift verbroken, als men - ert spelt, b.v. bij Potgieter vluggert, bij Busken Huet stumpert. Vgl. Van Haeringen's opmerkingen Over z.g. ‘paragogische’ consonanten in het Nederlands in N. Tg. XXXII, 261 vlg.
1)Zie het artikel rakker in WNT.
2)Bredero gebruikt droomaert = dromer; Anna Bijns clappaert.
4)Vgl. lerinc (later leerling).
3)Vgl. Van Haeringen Ts. LXII, 252; LXXI, 281.
1)Etym. Wdb., 393 i.v. lobbes. Voor dreumes en smeris neemt Van Haeringen ( Supplement, blz. 38) jongere oorsprong aan.
1)V.d. Meulen Ts. LXX, 286 vlg.
2)Daarnaast bestond een korter suffix - jô dat verdwenen is en alleen etymologisch enkele sporen nagelaten heeft, als merrie naast mare, henne naast hane en wellicht hinde.
2)Vgl. in het Engels het dubbele suffix in seamstress, in het Middelnederl.: spinsterinne, spinstersche.
1)Verwarring van dit suffix - esse met het verderop te bespreken - erse uit eresse blijkt uit het in rederijkerstaal voorkomende Princersce.
2)Vgl. Van Haeringen in N. Tg. XXXI 328 vlg., die denkt aan Franse invloed ( châtelaine, étudiante enz.), en Gerlach Royen in Taal en Leven II, 10 vlg.
3)Edw. Schröder vereenzelvigt het ten onrechte met het later te noemen - sche. Kluge (§ 47) dacht aan een s-suffix.
4)Zie voor de oorsprong uit het vulgairlatijn Schönfeld § 145.
1)Zie voor de mogelijke oorsprong Schönfeld § 154.
1)Zie verder De Bo s.v. - er (blz. 308), Corn.-Vervliet s.v. - er (blz. 407), W. de Vries: Iets over Woordvorming, blz. 118, K. ter Laan, blz. 213, G.S. Overdiep: De Volkstaal van Katwijk aan Zee, blz. 64.
2)Terloops merken wij op dat - aart in het Bargoens voorkomt om zaaknamen te vormen als flakkaart (kaars), glimmaert (ruit), blankaert (melk), evenals - rik, b.v. porterik (deur), zitterik (stoel), snuiterik (neus). Vgl. Is. Teirlinck: Het Bargoens, Inleiding blz. X.
3)Het homonieme - ing bij abstracta wordt in § 102 besproken.
1)Nl. uit Oudfr. houel en tinel. Zie J.W. Muller's artikel in Ts. XVIII, 219 vlg.
3)Zie WNT III, 13, waar nog sukkeljoentje genoemd wordt, en IX op - oen, en vgl. - ioen (J.W. Muller: Ts. 63, 100 v.v.).
4)Ook het Duits kent Zeug, Gut, Werk als wordend suffix ( Spielzeug, Schreibzeug; Erbgut, Frachtgut; Backwerk, Zuckerwerk enz.); zie Van Dam II 344. Het in taalkundige geschriften wel gebruikte woord taalgoed wordt nog als germanisme gevoeld.
1)Buiten ons bestek valt de historische beschouwing van zulke afleidingen, die oorspronkelijk een vokaal-suffix hadden b.v. Mnl. dat ghelove. Eveneens afleidingen met de suffixen - t en - st ( vlucht van vliegen, kunst van kunnen), waarin voor het tegenwoordige taalbesef de afleiding verduisterd is.
2)Voor dergelijke afleiding, maar met het praefix ge- vgl. § 104 onder 4 o.
3)Zie WNT VI, 1611; Schönfeld § 138. Vgl. voor paren als deelneming: deelname De Vooys N. Tg. XLVII, 77 v. En zie voor het homonieme - ing bij voorwerpsnamen § 100.
4)Jac. van Ginneken: De taaltechniek van Boutens (Studiën 1919).
5)In woorden als Fehler, Seufzer.
6)Zie WNT i.v. opdonder en vgl. uitbrander, uitschijter, meevaller, tegenvaller.
7)Kluge ( Abr. § 17) merkt op dat dit de oudste vorm is, b.v. Mhd. falsch; vgl. Stolz, Gehorsam e.d.
8)Zie zijn betoog in de Handel. van de Maatsch. der N.L. 1895-96, blz. 191. Hij wijst op hetzelfde verschijnsel in de Skandinavische talen en in het Engels (b.v. dwel t, sen t, gir t).
1)Van Helten Vgr. II § 73.
3)Zie Schönfeld § 155. Woede is een jongere vorm, die ± 1600 naast Mnl. woet opgekomen is. Omgekeerd werd Mnl. coude wel verkort tot cout.
4)Zie voor de Germaanse oorsprong en de anorganische n Schönfeld § 140.
2)Van Helten Vgr. I, blz. 72.
1)In het Duits ontstond uit - icheit het moderne - keit.
2)De redenerende taalkundigen van de achttiende eeuw, als Huydecoper, achtten nieuwigheid onbestaanbaar, aangezien een adjektief nieuwig niet bestond.
3)Het laatste woord ontbreekt in het WNT. Het komt voor in Besp. van G. en G. I, 1914: ‘ Isheit = 's werelts wezenheit’.
1)Zie Salverda de Grave: Essai sur quelques groupes de Mots, empruntés par le Néerlandais au Latin écrit, blz. 60 vlg. en Franse woorden in het Nederlands, blz. 339. Verder Schönfeld § 148 en de daar genoemde litteratuur.
2)Soms naast elkaar, b.v. in de Rose als rijm meestrie: vrie en even verder vrië: simonië.
3)Salverda de Grave, a.w. blz. 308, merkt op, dat daarbij de analogie opnieuw werkte, en aanleiding gaf tot quasi-Franse woorden als botanie, gymnastie, pedagogie, waarvan de beide laatste verdrongen werden door gymnastiek en pedagogiek.
1)Vgl. het artikel razernij in het WNT.
2)Daarnaast komt voor: smekerdie met een niet produktief gebleven suffix - die dat ook voorkomt in makelaerdie (Ned. makelaardij), waarvoor koopvaardij als voorbeeld gediend kan hebben, evenals proosdij en kanunnikdij naar abdij. Vergelijk een dergelijk uitgebreid suffix - derij, door Schönfeld uit de Groningse volkstaal aangehaald, maar dat ook in de Noord-brabantse Kempen gewoon is, b.v. dokterderij (het dokteren), handelderij (het handelen), huurderij (het huren) enz. Vergelijk ook Teirlinck, Klank- en Vormleer, blz. 117b en Cornelissen Bijv. XII. Een uitbreiding tot - elij (gelijk in het Duitse Liebelei e.d.) komt in het Nederlands niet voor; makelij = maaksel had daar aanleiding toe kunnen geven.
3)Schönfeld, t.a.p., wijst op de parallel met het Duits. Een woord als zwijnerij zal oorspronkelijk wel een germanisme zijn ( Schweinerei).
4)Zie voor de oorsprong uit Lat. - aticum en de verdere klankontwikkeling in het Romaans Salverda de Grave De Fr. W., blz. 306, 339.
1)Het Duitse - tät heeft slechts zeldzame hybrieden als grobität (16de eeuw), albertät (17de eeuw), schertsende vormingen, wel uit studentenkringen afkomstig. Zie Holmberg PBB. 1937 afl. 1-2; Van Dam II 365. Vgl. voor naieviteit Gerlach Royen in N. Tg. XLIII, 275.
2)Salverda de Grave, Essai, blz. 80, WNT IX, 570.
1)Meer voorbeelden zijn besproken door Gerlach Royen in Taal en Leven VII, 73.
2)Zie over dit uit Oudgerm. ga- verzwakte praefix en de eventuele samenhang met Latijn co(n)-: Van Wijk Etym. Wdb., en Schönfeld § 160c.
1)Vgl. Duits: Unzahl, Unmenge, Unmasse.
2)Op één plaats bij Maerlant, en wellicht Reinaert I, 2512.
3)Zie voor de ontwikkeling uit een zelfstandig oud-Germaans woord Schönfeld § 159. Mnl. wan = ledig.
5)Een vierde pejoratief suffix: bal- schijnt reeds in 't Mnl. niet meer produktief geweest te zijn; het komt maar voor bij drie substantieven: baldaet, balmont (slechte voogd) en het twijfelachtige ballast, waarvan alleen het laatste nog bestaat en het eerste in baldadig bewaard is. Verder zijn nog in gebruik gebleven: balorig en balsturig. Geïsoleerd in dezelfde pejoratieve betekenis is ook af- in afgod (= ongod) en afgunst, wellicht ook in afgrond, maar hier wekt af herinneringen aan het bijwoord af in samenstellingen als afdak.
1)Zie voor de onzekere etymologie Franck-Van Wijk Etym. Wdb.
2)Later orete > orte; vgl. geörte spise (J.W. Muller in Ts. XIII).
3)Vgl. Salverda de Grave De Fr. W., blz. 23. In Mnl. eertsche bisscop blijkt dat volksetymologisch verband ondersteld werd met eerde, maar daarin zal wel niet, met Van Wijk, de verklaring van de t gezocht moeten worden. Veeleer is te denken aan een Romaanse palatale t.
4)Zie meer voorbeelden in WNT I, 579 vlg.
5)Naar de betekenis zijn samenstellingen met opper te vergelijken, dat ook de funktie van een praefix begint te krijgen: opperadmiraal, -kanselier, -officier, -priester, -rabijn, -rechter, -stalmeester, -stuurman; opperbestuur, oppergezag. In de Noordbrabantse Kempen: opperdeugeniet = aartsdeugniet, oppervlegel.
1)Ook volgens het WNT is het ‘verkeerdelijk als voorvoegsel gebruikt’.
2)Zie daarvoor een artikel van J. van Wageningen in Neophilologus 1920.
3)Te vergelijken is de voorvoeging van oud in oud-minister, oud-burgemeester.
4)Zeer uitvoerig is anti- behandeld in het Supplement van het W.N.T. (ald. ook anti).
5)Bij super vormt men o.a. superdividend, superintendent, supernaturalisme, maar het W.N.T. geeft geen voorbeelden met zuiver Nederlandse znw.
1)Mnl. Wdb. i.v. hagemunt.
2)Niet vermeld in WNT Vergelijkbaar is het Mnl. meester-duvel (L.o.H.).
3)Zie daarvoor de artikels in WNT XV en XVI.
4)Deze voorbeelden zijn ontleend aan een artikel van Chr. Stapelkamp ( N. Tg. XLIII, 141).
1)Substantieven (stofnamen en kleurnamen) kunnen adjektivisch gebruikt worden. Dan verandert wel de betekenis, maar niet de vorm (zie § 141).
2)Vgl. echter: begrijpelijk, onverzettelijk, vergefelijk, e.d.
3)Zie Schönfeld § 151. Vgl. voor - e naast - en § 26.
1)Zie Verdam in Ts. VI, blz. 40.
2)In het Duits zijn zulke afleidingen gebruikelijker: dortig, hiesig, jetzig, sofortig.
3)Bij Vondel komen ze in groten getale voor; zie de plaatsen aangegeven bij Van Helten Vgr. I, blz. 113 en vgl. W.N.T. VI, 1390. Veel voorbeelden geeft ook Bogaers in de Taalgids VIII en andere artikels over die ‘afgekapte uitgang -ig’ in datzelfde tijdschrift IV, 231 en VI, 122, 265. Vgl. ook Mnl. Wdb. i.v. ongedoude = ongedoudich, waar Verdam als Mnl. parallellen aanhaalt: ongedenke, ongelove, ongenade, ellende, ongedure, onscame.
2)In WNT V i.v. haft is die onderstelling prijsgegeven. Vgl. nu ook het Supplement i.v. - achtig, waar men een heldere uiteenzetting vindt.
2)Etym. Wdb., blz. 827: ‘hoe het tot deze groep doordrong, is onzeker’. Het Mnl. en ook latere taal kent wel een adjektief eenvout, maar niet een substantief eenvoud, dat dus als ‘Rückbildung’ te beschouwen is.
3)Zie Franck-Van Wijk Etym. Wdb. In de Teuth. angstfeldich.
4)Volgens WNT (III, 806) niet te verwarren met bouwvallig en Mnl. grasvallich = in het gras gevallen, als afleidingen van vallen (vgl. Hd. hinfällig). Het substantief bouwval is dan weer als ‘Rückbildung’ op te vatten. Zie over schroomvallig en wisselvallig de verklaring van Mej. J.H. van Lessen (blz. 117): in schroom, en afwisseling zijnde.
5)Vgl. bann-, busz-, straf-, zinsfällig; daarnaast schwerfällig.
6)Deze woorden zijn door A. Kluyver besproken in Ts. v. Ned. T. en L. V, 186 vlg. Het Duitse - selig is een uitbreiding van - sal (Mnl. sael = geluk): vgl. mühsal met mühselig; verder trübselig, saumselig. Vergelijk ook het artikel rampzalig in WNT.
7)Kluyver, t.a.p. geeft de voorkeur aan de verklaring uit een kopulatieve samenstelling, dus zalig = arm (b.v. Warenar, vs. 203). Lamzalig zou onder invloed van lamlendig gevormd kunnen zijn.
8)M.i. ten onrechte beschouwde Verdam indertijd ook - waardig ( bewonderenswaardig e.d.) en - spoedig ( rampspoedig) als wordende suffixen. Rampspoedig staat in verband met rampspoed (vgl. voorspoed - voorspoedig. Bij Coornhert ook tegenspoedig uit tegenspoed). Verdere analogie is mij niet bekend.
1)In de zeventiende eeuw ook bij uitbreiding: gesteld zijnde op, b.v. bij Bredero goet arms ( Sp. Brab. vs. 1332) en bij Hooft ( War. vs. 1354): ick bin wel te helfte beter Claertjes as Vaers. Te vergelijken is ook kerks = gehecht aan de kerk.
1)Vgl. De Jager, Latere Verscheidenheden, blz. 265 en WNT I, 2248, J. Heinsius in De Statenvertaling 1637-1937, blz. 167.
2)Dit ies na ist is een aanwinst; de enkele s zou onbruikbaar zijn, door de lastige verbinding sts.
3)De Duitse woorden op - alisch: musikalisch, orientalisch zijn in het Nederlands niet doorgedrongen.
4)Zie A. van Loey in Handelingen voor Toponymie en Dialectologie XVII, 279 vlg.
5)Schönfeld § 134 en 135.
1)Ook van Helten Vgr. § 107 acht alleen de passieve betekenis geoorloofd en veroordeelt op die grond dergelijke adjektieven bij Vondel.
2)Zie De Nieuwe Taalgids XLI 192; 205.
1)Zie meer voorbeelden bij A. Bogaers, Woordenboek op Bilderdijk, blz. 442.
2)Dat is dus hetzelfde geval als de bovenbesproken verkorting van - ige tot - ge in poëzie.
3)Vergelijk over - lijk bij Vondel de Bijdrage tot het onderzoek van Vondel's werken van L.C. Michels, blz. 177.
4)Bredero drijft daarmee de spot in zijn Spaensche Brabander, een bewijs dat het Amsterdams van de zeventiende eeuw de verzwakte vorm als normaal beschouwde. Een bewijs dat î al vroeg verzwakte in Noordelijke streken, is dat daar geen enkel dialekt de diftongering kent.
5)Vgl. in het Engels naast de verzwakte vorm - ly ook - like ( godly en god-like), ook Zwitsers - li.
2)De Jager, Verhandeling, blz. 38.
3)Evenals landelijk door Bilderdijk als ‘mofferij’ afgekeurd, en ook door M. de Vries op doctrinaire gronden verworpen. Ook later, in WNT IX, 1434, wordt het gebruik van nachtelijk, als navolging van, het Duits, ontraden. Een nieuwvorming is landelijk - voor het gehele land, b.v. een landelijke meeting, waar ‘nationaal’ niet zou passen.
4)Zie Schönfeld § 133. Vgl. ook B.v.d. Berg N. Tg. XLVI, 259 v.
1)Zie Bogaers, Wdb. op Bild., blz. 442.
2)Ritmisch is ook de accentverspringing te verklaren in voorbééldeloos, meedógenloos. Door analogie waarschijnlijk werkelózen naast werkelóósheid. Bij goddelóós, trouwelóós denkt Verdam aan invloed van het vreemde suffix - oos (orgelióós, perikelóós), Hesseling aan het substantivisch gebruik.
3)Vgl. A. Kluyver in De N. Tg. I, 151. Hesseling's onderzoek ( N. Tg. II, 249) heeft dat bevestigd: hij vond in het Mnl. slechts drie woorden met ontkennende betekenis ( boetloos, brokeloos, costeloos) tegenover ± 40 andere, en in de 18de eeuw alleen nog: belangeloos.
4)Bogaers, Wdb. op Bilderdijk, blz. 442.
1)Alleen bewaard in Mnl. awijs, awisich, abollig en nu nog: amechtig, bij Vondel amachtig, bij Hooft aamhegtigh, door klank- en begripsassociatie met adem in verband gebracht. Vgl. bij Plantijn: ademachtigh.
1)Aldus Van Haeringen: Nieuwe synthese blz. 22.
4)Bezwaren daartegen zijn ontwikkeld door Mej. J.H. van Lessen: Bestaan er ‘participia praeverbalia? ( N. Tg. XLIII, 153).
1)Vgl. ook W.N.T. IV, 362-364.
3)Met dit verschijnsel te vergelijken is de vroeger besproken vervorming van Mnl. bebloedich tot bebloedicht (§ 110).
2)Bogaers Wdb. op Bilderdijk.
1)Zie WNT V, 1314 i.v. guur.
2)Vgl. aarts- bij substantieven; § 106.
3)Vgl. oer- bij substantieven: § 106. In het WNT, waarschijnlijk als germanisme, onvermeld gebleven.
4)Vgl. op z'n dooie gemak.
1)Zie Mnl. Wdb. VII, 2177 2, WNT XV, 1841 en Taal en Letterbode V, 238.
2)Zie WNT XII, 1764. Uit kindertaal tekende ik indertijd op: pikwit, pikeng, piknieuw, pikdroog; vgl. ook naast spierwit: spiernaakt, spierdun, spierkoud ( N. Tg. X, 99).
3)Deze mode werd door Charivarius geestig bespot in zijn Ruizerijmen.
4)Volgens WNT XIV, 1260 is schuwlelijk Noordhollands.
1)Tot een enkel geval beperkt bleven nog: piep-jong, steen-goed (heel goed; naar analogie van steenhard?).
1)Vgl. Schönfeld § 132 en de ald. aangehaalde literatuur; zie vooral Salverda de Grave in Ts. XXI, blz. 297 en De Franse Woorden in het Nederlands, blz. 318. Daar wordt ook besproken de verhouding van - éren tot - iëren (b.v. harmoniëren) en - iséren (b.v. kritiseren). Uit een oudere laag van ontleningen aan het vulgair-Latijn en het oud-Frans, zijn bewaard: dichten, vieren (vgl. Mnl. prenden).
1)Vgl. Paul D. Gr. V § 91, die spreekt van ‘Urgermanische Gemination des Wurzelauslauts’, Schönfeld § 22 Opm.
3)Een lange reeks van zulke ‘Schijnbare frequentatieven’ stelde De Jager samen ( Taal- en Letterbode I-VI), toen hij het materiaal voor zijn uitgebreid Woordenboek van Frequentatieven bijeengebracht, ging schiften.
4)Prinz, § 125. Hij noemt b.v. flodern, flunkern, flispern, flüstern.
1)Vgl. mijn artikel over Klanknabootsing, klanksymboliek, klankexpressie in Meded. der Kon. Akademie 1942, blz. 16, herdrukt in Verz. Taalk. Opst. III en voor de grillige klankwisseling ook hierna § 137.
4)Wilmanns § 78, blz. 101 wil het niet van het ww. reken, maar van een adjektief afleiden. Ook in het Hoogduits is van dit uitgebreidere, reeds Oud-germ. suffix weinig overgebleven.
1)Zie Taal- en Letterb. V, 52.
2)Zie voor de oorsprong Schönfeld § 160.
1)Vgl. vol ( volscriven) (§ 125).
2)Zie verder Schönfeld § 160.
2)Vgl. verderop ook veront- naast veron-.
2)Zie Mnl. Wdb. en gloss. Limb. Serm. Verder Schönfeld § 149.
3)Zie Uitlegkundig Wdb. op Hooft en WNT.
4)Dat (h)erkauwen etymologisch teruggaat op ederkauwen werd al vroeg niet meer gevoeld.
1)Vgl. Mnl. Wdb. III, 348.
3)Vergelijk met dit verschijnsel het los worden van het praefix ont- in Drentse volkstaal, b.v. die griffel valt mij ont.
1)Vgl. WNT XVIII, waar deze afleiding betwijfeld wordt.
2)Een verlengde vorm: van bovenen is te verklaren naar analogie van: van onderen, van achteren (zie WNT).
1)Meer voorbeelden gaf Verdenius: N. Tg. XXXIII, 361 vlg. Vgl. ook Van Helten Vgr. § 149.
2)Van Helten Vgr. § 148. Men vergelijke Engels - ly en ook het Franse - ment
4)In oorsprong een flexie-vorm, die echter door analogie grote verbreiding kreeg.
1)Vgl. Gerlach Royen Buigingsverschijnselen II, 98; 117.
3)Dialektisch ook wel mondelings.
4)Zie Gerlach Royen: N. Tg. XLI, 156; vgl. Buigingsverschijnselen II, 229.
1)Het Duits kent o.a. schlechtweg = schlechthin, kurzweg, leichtweg.
2)Het oudere eweg is nog bewaard in tal van afleidingen in het dialekt van de Noordbrabantse Kempen: blankeweg (publiek, openlijk), dooreweg, boteweg, gewooneweg, gruuneweg (groen, rauw, ongekookt), stikeweg, vlakeweg (ronduit), veuleweg (veelal, merendeels), weeteweg (verreweg).
4)Ook jegens = Mnl. jegen kan als voorbeeld van invloed geweest zijn.
5)Daarnaast komen ook participia zonder s voor, met de funktie van voorzetsels, b.v. betreffende, aangaande, rakende, soms uit absolute konstrukties ontstaan; gedurende, staande, hangende; uitgezonderd, ongeacht, onverminderd.
|
|