+Deze Eeuw, vooral het laatste gedeelte derzelve, is gelukkiger geweest in het voortbrengen van begaafde Dichters.
Wanneer men met een enkelen opslag van het oog de geschiedenis van ons Vaderland inziet, zal men bemerken, hoe in deze Eeuw, en Staatkundige, en Godsdienstige verbeteringen, ondanks vele beroeringen, ons Gemeenebest hebben gestut, en kunde en wetenschap allengs voortgeplant.
Wij zullen eenige der Godsdienstige en Staatskundige voorvallen, zoo ver zij tot ons oogmerk dienen, mededeelen.
Ter afwisseling en meerdere duidelijkheid, zullen wij de vermelding der voornaamste Dichters en hunne werken, tusschen het verslag van de Godsdienstige en Staatkundige voorvallen, die op de Dichtkunde zoo groot een' invloed hadden, plaatsen; zoo dat wij de Dichters als in het midden onzer overwegingen zullen gadeslaan.
De Hervorming, door Luther begonnen gedurende het eerste deel van deze Eeuw, deed ook hier te lande haren gunstigen invloed gevoelen. Desiderius Erasmus, dat licht van ons Vaderland, die de mannelijke standvastigheid van
(1)Luther met de zachtmoedige overredingskracht van Melanchton paarde, en in geleerdheid alle Roomschen en Onroomschen overtrof, heeft voorwaar der goede zaak geen minder voordeel toegebragt, dan die beide groote Hervormers. In den jare 1467 te Rotterdam geboren, waren zijne schriften in ons land bijzonder bekend. (2)Zijne overzetting der Heilige Schrift was niet ongeacht bij Philippus van Bourgondien, omtrent het begin der Zestiende Eeuw Bisschop te Utrecht: met dezen onderhield hij briefwisseling omtrent den jare 1518. (3)De werken zoo van hem als van Luther ontdekten velen hier te lande de misbruiken en bijgeloovigheden in den Godsdienst. (4)Onaangezien het Plakkaat van Worms, en alle andere Plakkaten hier te lande uitgekomen, maakte de Hervorming in de Nederlanden grooten opgang. De Landvoogdes Margaretha deed haar best
door toegevendheid den voortgang der Hervorming te stuiten; doch 't gelukte niet. (1)Gansch Holland, bijzonderlijk Amsterdam en Delft, werden in den jare 1527 van Lutheranerije beschuldigd. (2)De oneenigheden tusschen Luther en Zwinglius en (3)het Protesteren van de Duitsche Vorsten in den jare 1529 tegen het Plakkaat van Keizer Karel, had alhier vele gevolgen. (4)De Keizer liet in Wijnmaand van dat zelfde jaar alhier een gebod uitkomen, waarbij alle hardnekkige Ketters, de Mans ten zwaarde, en de Vrouwen tot de put, (dat is, om levendig begraven te worden) veroordeeld werden. Relapsen, of zulken, die eerst, tot den Roomschen Godsdienst te rug gekeerd, andermaal afgevallen waren, werden ten vure gedoemd. Maar het bloed der omgebragte menschen werd, gelijk (5)Brandt te regt zegt, een zaad van hun geloof. (6)Zulk moorden, dat een groot aantal van personen, meest eenvoudig, onnoozel, en die gewisselijk niet dan God en hunne zaligheid zochten, wegnam, strekte velen tot
ijver: het verwekte liefde tot de lijders en haat tegen de vervolgers. (1)Het Plakkaat van 1529 werd in den jare 1531 en vervolgens met kracht gehandhaafd door den Keizer, toen hier te lande tegenwoordig; deze verklaarde, dat hij een vijand zijn zou van zijn eigen Vader, Moeder, Broeder of Zuster, indien ze Luthersch waren. De onlusten der Herdoopers en Naaktloopers in Amsterdam, en op vele andere plaatsen, zouden wij hier met stilzwijgen voorbijgaan, zoo niet ons aanmerkenswaardig voorkwam, dat men bij die onlusten, op den noodlottigen 10den van Bloeimaand 1535, Burgemeesteren van Amsterdam aandiende, dat er onder andere driedubbelde geladen handbusschen boven de Wage op de Rederijkerskamer gereed gezet waren, om in den aanval op het Stadhuis gebruikt te worden. ‘Misschien’ zegt Wagenaar, (2)dit verhalende, ‘waren de Amsterdamsche Rederijkers, of eenigen derzelven, die ook in later tijd de hand hadden in de Hervorminge der Stede, thans den Herdooperen genegener, om dat hun Koning, Jan Bokelszoon, te Leijden Rederijker geweest was.’ De vernieuwing der Plakkaten tegen de Hervorming in Holland in den jare 1544, het dwingen van den Keizer hier te Lande in het volgend jaar, om hem
met geld bij te staan, ten einde de Protestanten in Duitschland te beoorlogen, de schending der Privilegiën omtrent de veroordeelde Ketters, en andere vervolgingen bijzonder omtrent de Doopsgezinden in den jare 1549, verwekten meer en meer haat tegen den hand over hand toenemenden gewetensdwang; en, schoon deze vervolgingen, voor het oogenblikkelijke, der Wetenschappen, en der Dichtkunde, uit hare natuur vrij en ongedwongen, niet voordeelig waren, grondvestten zij echter, als door terugwerking, bij onzen edelen, en nu naar vrijheid dorstenden landaard, langzamerhand die standvastigheid van ziel, dien haat tegen de ondeugd, die liefde tot de verdrukten, die geestdrift tot vereeuwiging der onwankelbare deugd, die allen met regt kunnen genoemd worden zoo vele grondslagen van den bloei der Dichtkunde in later tijd. Men begon zijne waarde als Mensch te gevoelen, in spijt van Moordschavotten en Brandstapels. Godsdienstijver, verlichting en beschaving van den geest deden den dood weinig achten, en (gelijk onder duizend anderen zekere Ellert Janszoon, volgens (1)Brandt, met er daad betoonde) bij 't naderen van de martelingen zoo gerust zijn, zich in zulk eenen zaligen staat bevinden, zoo geschikt zich gevoelen, om zijne offerande te doen, dat, ook bij het openstaan des kerkers, men niet vlugten wilde, en de dag van den marteldood voor velen de blijdste van hun leven was. Zulke voorvallen leeren ons, dat 's menschen geest eene vrije en standvastige gesteltenis zich
in die tijden eigen maakte; welke zielsgesteltenis, zoo in het Staatkundige als Godsdienstige geworteld, eenen vruchtbaren oogst voortbragt van Helden, Redenaars, Geschiedschrijvers en Dichters.
Wij zullen nu nog van het Staatkundige, gedurende de eerste helft der Zestiende Eeuw, met een enkel woord gewag maken.
De tweedragt tusschen Hoekschen en Kabeljaauwschen, de woelingen van het Kaas- en Broodsvolk, en andere onlusten op het laatst der Vijftiende Eeuw, gestild zijnde, was het de Geldersche Oorlog vooral, die ons Land benaauwde. Het bewind van zaken, door den dood van Vrouwe Maria van Bourgondiën, aan het Huis van Oostenrijk overgaande, werd hetzelve in het begin dezer Eeuw den toen minderjarigen (1506) Karel opgedragen, onder voogdijschap van Keizer Maximiliaan, welke Margaretha, zijne Dochter, tot Landvoogdesse aanstelde. Nadat Karel in den jare 1517 als Koning van Spanje gekroond en Keizer Maximiliaan in den jare 1519 gestorven was, werd de eerste tot Keizer verheven. In het jaar 1521 werd door François den I de oorlog tegen den Keizer begonnen, welke, te gelijk met den Gelderschen woedende, ons Land zeer drukte, en vele buitengewone beden veroorzaakte; doch in 1528 de vrede tusschen den Keizer en den Koning van Frankrijk te Kamerijk gesloten, en die met den Hertog van Gelder dat zelfde jaar getroffen zijnde, begonnen deze Landen, nu onder Voogdijschap van Maria, door het overlijden van
Margaretha, geraakt, zich een weinig weder te verheffen; tot dat de onlusten met Denemarken, Frankrijk, en Gelderland, tegen het midden dezer Eeuw, telkens weder ontvlamden, en het Land met ongewone lasten bezwaard werd. Men kan ligt nagaan, dat zulke oorlogzuchtige tijden der Wetenschappen niet zeer bevorderlijk waren. De ijver van den Landaard, door zware beden gedrukt, werd uitgebluscht, als men zag, dat de met zoo veel moeite en gevaar door Koophandel verzamelde gelden, tot, voor ons Land geheel onnutte, ja nadeelige einden, werden gebruikt; en ziet hier eene der redenen, waarom de eerste helft dezer Eeuw, gelijk anders te vermoeden was, zoo weinige vernuften opleverde. Dan het wordt tijd, dat wij tot de beschouwing der verdiensten van de voornaamste Dichters en hunne Werken overgaan.
Vooraf dienen de volgende aanmerkingen; te weten: dat wij, zoo hier, als bijzonder in het vervolg, geenszins van alle Dichters gewag kunnen maken, maar alleen van hun, die bijzondere beroemdheid of waarde hebben, en wier werken wij zelve onderzocht hebben; dat men eene trapswijze vordering, bijzonder in deze Eeuw, zal zien, zoo zeer overeenkomende met de ontwikkeling dier tijden; dat men een merkelijk onderscheid tusschen de Vlaamsche en Hollandsche Dichters zal ontwaren; en eindelijk, dat in eens, op het laatst der Eeuwe, het licht der Dichtkunst met dat der Vrijheid doorbrak. - Dan treden wij ter zake.
(1)ANNA BIJNS, die omtrent den Jare 1520 schijnt geleefd te hebben, heeft bij hare tijdgenoo-+ten met regt veel roem verworven. Sierlijkheid kenmerkt nu en dan hare gedichten. Hoewel deze van bastaardwoorden geenszins vrij zijn, en de dichttrant gebrekkig is, geven zij echter blijken van eene meer levendige verbeelding, en meer vernuftitige invallen; hare Refereinen en rijmen rollen ook eenigzins losser, dan die, welke bij de volgende Vlaamsche en Brabandsche Rederijkers gevonden worden. Zij was eene Kinderonderwijsster te Antwerpen. Eene Geestelijke Dochter zijnde, was zij de leer van Luther zeer vijandig, zoo dat daar tegen de meeste harer Gedichten gerigt zijn. De kundige Huijzinga Bakker brengt in zijne Verhandeling bij het Leijdsche Genootschap een paar voorbeelden bij, die tot proeven strekken kunnen van haar dichtvermogen. Ziet hier het laatste:
Is dit geene ware en krachtige poezij, die ons over deze oude Dichteres met reden doet verwonderd zijn?
(1)Drie Verzamelingen van Rijmen heeft men van deze Geestelijke Dochter.
(2)Een harer lezenswaardigste en beste Rijmen in den derden bundel is dat, waarin zij de oude zeden en godsdienstigen ijver tegen de nieuwere over stelt, en waarin zij bijzonder den rijkdom en de overdaad harer tijdgenooten gispt; zie b.v. deze regels:
Men ziet, dit Klopje is zinrijk en poogt dikwerf door verschikking van woorden eenige kadans in
hare regels te brengen; en inderdaad het is gelijk Huijzinga Bakker zegt: ‘Indien men de rijmen der Rederijkers, die, ten dezen tijde, of twintig jaeren laeter, geschreeven zijn, inziet, zal men erkennen moeten, dat deeze luiden de rijmkunst zo wel niet verstonden als deeze geestelijke Zuster; en dat die kunst, welke bij haer, als een kind, te school gaende, en tamelijk door haer op 't spoor gebragt was, om voort te leeren, bij de Rederijkers niet slegts een kind gebleven is; maar zelfs verleerd heeft, 't gene het van haer geleerd hadt.’
+(1)MATTHIJS de CASTELEIJN, van Oudenaerde in Vlaanderen, bloeide mede omtrent dezen tijd. Schoon met den eernaam van Excellent Poëet Moderne betiteld, moer hij voor Anna Bijns in verdiensten wijken. Zijne verzen zijn met bastaardwoorden overladen, en zeer gebrekkig van maat. Hij heeft eene Kunst van Rhetorijeke in het licht gegeven, welke destijds hoog geprezen werd, doch waarvan men de waarde eenigzins kan nagaan uit deze regels:
(2)Dat een reghel duert / ongheteld / onghemeeten
Also langhe als 't eenen aesseme heerden mach.
Over het vernuft van dezen Casteleijn kan men oordeelen uit hetgeen (1)Kops, sprekende van deszelfs Historie van Pyramus en Thisbe, ons verhaalt. Bij het einde van dit Gedicht laat Casteleijn zich dus hooren:
Waarna hij Pyramus bij den Zaligmaker, en Thisbe bij de menschelijke natuur zoo belagchelijk als lasterlijk vergelijkt. Deze Exellent Poëet Moderne was Factoor der Oudenaardsche Kamer Pax vobis. Zoo zien wij, dat de Rederijkers wel is waar de zucht voor de beoefening der Dichtkunde alom hebben opgewekt en levendig gehouden, doch dat toen althans het ware en voortreffelijke der kunst bij hen nog onbekend was.
Het zoude hier misschien de plaats zijn om te spreken van de Gentsche, Antwerpensche, Rotter-+damsche en andere beroemde Spelen van Sinne, waaruit men duidelijk de zoo even gemaakte aanmerking zou bevestigd zien. Kortheidshalve verwijzen wij den onderzoeklievenden naar het uitvoerig verslag van den Heer Kops, en gaan over tot
+(1)CORNELIS van GHISTELE, mede Factoor eener rederijkerskamer, die omtrent het midden dezer Eeuw leefde. Hij bezong de offerhande van Iphigenia, begroette met dicht den Koning van Engeland, en Spanjes Vorst. Hij was in de Latijnsche taal zeer geoefend, en gaf in het licht vele vertalingen uit (2)Virgilius, Horatius, Terentius en Ovidius. Tot eene kleine proeve, dat hij boven Casteleijn in zuiverheid van taal uitmunt, kan strekken de volgende vertaling uit den brief van Leander aan Hero. Ovidius doet Leander nieuwe krachten onder het vermoeijend zwemmen gevoelen, bij het zien van het torenvuur van Hero. Van Ghistele vertaalt dit, zoo mij voorkomt, niet zonder eenige verdiensten:
Wil men een voorbeeld uit Terentius, men neme de vertaling van de bekende woorden van Parmeno uit den (2)Eunuchus tegen zijn' verliefden meester:
Men ziet in hem, hoe geleerd en beroemd, geene bijzondere verheffing. Zijne dichtwijze is eer minder dan beter in vergelijking van die van Anna Bijns.
+Omtrent dezen tijd leefde ook (1)COLIJN van RIJSSELE, wiens Spieghel der Minnen, eene verzameling van Ses Batement-Spelen, in 1561 gedrukt met eene narede van den beroemden Coornhert, en door Huijdecoper in zijne Proeve dikwerf aangehaald, bekend is. Zijn dichttrant schijnt van die zijner tijdgenooten echter niet veel te verschillen; de taal is onzuiver; zie slechts het begin:
Hier en daar, doch zeldzaam, zijn zijne verzen zuiverder; b.v. dus hoort men in het vijfde Spel van
dit Dichtwerk, bevattende de Liefdegevallen van Katherina Scheermertens en Dierick den Hollandere, de eerste spreken:
Of wil men een ander voorbeeld:
Men ziet, dat zijne Verzen somwijlen zinrijk, en niet onwelluidend zijn.
(3)EDEWAERD de DEENE, van Brug-+ge, berijmde ook in deze Eeuw zijne Warachtighe Fabulen der Dieren, volgens prenten van Marcus Gheeraerts, van welke ook Vondel
zich bediende in zijne Vorstelicke Warande der Dieren, doch (1)met geen gering verlies van derzelver oorspronkelijke fraaiheid. Niet geheel te verachten is zijn dichttrant; somwijlen is hij schilderachtig en eigenaardig.
+Meerderen lof verdient in dezen tijd (3)JAN FRUITIERS, een man van opgehelderd verstand, die, der Reformatie toegedaan, toen, om de woorden van den Schrijver van het Geletterd Zeeland over te nemen, het gemeen, door verscheidene geschriften, tegen de verleiding des Pausdoms gesterkt heeft en gesticht. Hij was Requestmeester des Prinsen van Oranje. Men heeft van hem uitnemende Werken, zoo in rijm als onrijm. Uit de eerste zullen wij alhier zijnen Ecclesiasticus, oft de wyze Sproken Jesu des Soons Syrach, deurdeelt en ghestelt in Liedekens, slechts noemen. Dit Werk draagt kenmerken van eenige dichterlijke verdiensten. Men leze b.v. de beschrijving van
den hagel in dezen Lofzang aan God over het geschapene:
Of van den Donder.
Hoe gaarne voegde ik hier bij meerdere trekken van geestige speling, het zij over den Wind of Sneeuw, waarvan gezegd wordt:
Of van den Rijm:
Of van het IJs:
Doch wij moeten ons niet te lang bij een en den zelfden bepalen; ook biedt Jesus Syrach hier meestal de beelden aan; dezelve zijn echter, mijns oordeels, door Fruitiers wel bewerkt; ook zijne taal is veel zuiverder; er heerscht wezenlijk reeds meer kadans in deze Liedekens, en men kan zien, dat hij zich moeite gaf, om, door verschikking, de rolling der Verzen eenigzins te gemoet te komen. Zoo blijkt, dat de, in het Godsdienstige en Staatkundige verlichte man, ook helderder begrippen omtrent de Poëzij aan den dag poogde te leggen.
Is dit in Fruitiers waar, gelijk het niet wel kan geloochend worden, veel duidelijker en heerlijker blinkt dit uit bij den man, tot wien wij thans overgaan, wiens eerlijk hart en helder verstand mij altijd bovenmate bekoord heeft; een man, die voor onze Staatkundige en Godsdienstige verlichting datgeen geweest is, hetwelk een Luther voor het gansche Christenrijk was; ieder merkt +reeds dat ik spreke van (1)DIRK VOLKERTZ. COORNHERT.
In den jare 1522 geboren, ontwikkelden zich bij hem ras uitnemende vermogens. Hij was, gelijk (1)Brandt getuigt, een geslagen vijand van ketterdooden en conscientiedwang, wien Pontanus onder de geleerdste mannen telde, wiens kloek verstand de Groot verhief, en Hadrianus Junius Goddelijk noemde. Hij zag zichzelven aan als (2)van God gebruikt tot een willig breekijzer van de moordelijcke kercker der conscientien. Hij heeft, zoo wel als zijne broeders, zeer aanzienlijke posten in de toen zoo onrustige tijden bekleed. Door zijne vermaagschapping en vriendschap met den Heere van Brederode, en de achting, die hij zich verworven had bij den Prinse van Oranje, werd hij in zaken van gewigt dikwerf gebruikt. Hij was Secretaris van de Stad Haarlem in 1562, en van Burgemeesteren aldaar in 1564. Als Geheimschrijver der Staten van Holland (1572) kenmerkte hij zich door opregtheid en standvastigheid. De Etsnaald en vooral de Dichtpen waren zijne toevlugt in doodsgevaren en gevangenis; den lof der laatste bezong hij in dezelve onder andere aldus:
Op zijn 3oste jaar voelde hij, wat zijne meerdere vorderingen in de Dichtkunde tegenhield, en oefende zich in het Latijn en de oude Letterkunde, waardoor hij zijnen natuurlijken aanleg met de noodige beschaving versierde. In zijne menigvuldige werken heerscht overal een meer gezuiverde smaak, dan in die zijner voorgangeren en tijdgenooten; vergelijkt men hem met dezen, hij blinkt als een ster van de eerste grootte. Wel is waar, op het werktuigelijke der kunst schijnt hij zich niet genoegzaam te hebben toegelegd, en zijne verzen zijn hier en daar niet minder stroef, dan die van vele zijner kunstgenooten; doch in rijkheid van beelden, in tegenstelling, zinrijkheid, kracht van uitdrukking, en merg van zaken, overtreft hij buiten tegenspraak alle de Dichters van zijnen tijd zeer verre. Zijne taal is kiesch en zuiver; want ook dit moeten wij Coornhert dank wijten, dat hij met Spieghel en Visser, van wien wij straks zullen gewagen, onze taal den Vlaamschen tooi ontrukt heeft, hare ruwheid beschaafd, hare fraaiheid en verhevenheid aan het licht gebragt, en alzoo het eerst de fakkel der beschaving en verlichting ook te dezen opzigte voor volgende vernuften heeft ontstoken en vooruitgedragen.
Om u met zijne poëzij nog eenigzins beter, gelijk hij verdient, bekend te maken, zal ik slechts zijn werkje Recht Gebruyck en Misbruyck van Tijdlicke Have, openslaan.
Hoe verstandig, zinrijk en waar is dit alles?
Dat hij van dichterlijke tegenstelling en stoutheid van denkbeelden niet vreemd is, kan uit deze proeve blijken:
Waar hij geboren en gestorven is, leest men in dit Bijschrift op hem door Pieter Cornz. Hooft(1).
Was Coornhert kiesch op eene zuivere taal+ als Hollander, de vermaarde Vlaminger Schrijver, Dichter en Schilder(2) CAREL van MANDER bekreunde zich, in zijne jeugd althans, hier minder over. Hij, een man van goeden huize, in taalkennis en onderscheidene kunsten bedreven, was ter dezer tijd een der eerste vernuften. Naar Italië gereisd, maakte hij bij zijne terugkomst zijne landgenooten opmerkzaam op de meerdere vorderingen der Italianen. In Holland de laatste jaren zijne woonplaats gevestigd hebbende, was hij niet ongezien bij de kunstminnende Haarlemmers en Amsterdammers. Zijn dichttrant is, als die der Rederijkers van dien tijd, zonder de minste verheffing. Om uit zijne vertalingen iets tot proeve te kiezen, strekke het begin van den Ilias van Homerus:
Zijne Refereinen en Gezangen hebben nog veel mindere verdiensten, en zijn onzuiver, b.v.
Welk een verschil bij den mannelijken dichttrant van Coornhert! Zoo verre overtroffen de Hollanders reeds toen de Vlamingers.
+Wij wenden ons tot (3)PETRUS DATHENUS en PHILIP van MARNIX(4),
beroemd door hunne gehechtheid aan de zaak der Hervormden, en bekend door hunne Psalmberijming. Beider werk, hoe gebrekkelijk, is voor hunnen tijd zeer verdienstelijk. Dathenus, een man van driftig bloed, woelzieken geest, en wiens werk, naar het Fransch gevolgd, hem als afgedwongen werd, moet, hoe zuiver en zinrijk van taal, echter in vele opzigten voor den kieschen en krachtigen Marnix wijken. Deze laatste, een man van ongemeene schranderheid en geleerdheid, de steun van Prins Willem, en de bedaarde handhaver der waarheid, zoo in het godsdienstige als staatkundige, toont overal zuiverheid van taal, naauwkeurigheid van spelling en keurigheid van uitdrukking. Zijne Psalmen zijn uit het oorspronkelijke Hebreeuwsch overgebragt. Beider vertaling is in den jare 1617 te Leijden bij Elzevier keurig uitgegeven, met de vertaling van Dathenus tegen over die van Marnix gedrukt. Wij behoeven, om beider Dichttrant te doen kennen, het boek slechts open te slaan.
Of iets verder.
Die van Marnix vloeijen, zoo men ziet, ook iets gemakkelijker; dan wij herhalen het, beide deze vermaarde Dichters verdienen, onzes oordels, lof.
+Niet minder vermaard was in deze dagen de Dichter (1)JAN BAPTIST HOUWAERT. Hij
was Raad en Rekenmeester van Braband, en een man van groote geleerdheid en aanzien. Zijne Gedichten, hoe menigvuldig en hoe geacht op het einde der 16de en in het begin der 17de Eeuw, toonen, dat hij als Vlaminger voor den nieuwen en toen ontluikenden Hollandschen dichttrant wijken moet. Hij schijnt zeer gemakkelijk gedicht te hebben, en heeft iets eentoonigs in zijne Gedichten, die wel vloeijen en anders vol zijn van verstandige invallen en wetenswaardige zaken; te dezen opzigte zou men hem den Brabandschen Cats kunnen noemen. Zijne taal is nu en dan zeer onzuiver.
Hij was, ziet men, een middelmatig Dichter, en bleef dus hierin getrouw aan zijne (1)Spreuk. Hij stierf in 1586, en niet, gelijk Val. Andreas, Sweertius en Foppens schrijven, in 1599.
+(2)PEETER HEIJNS, een Schoolmeester en voornaam Aardrijkskundige, werd ter dezer tijd beroemd door de Spieghel der Werelt, getrokken uit het groote Werk van Ab. Ortelius. Hij was een Vlaminger. Zijn Dichtwerk is niet zonder bastaardwoorden. Heijns, hoe beroemd ook, behoort, mijns oordeels, niet onder de Dichters van den eersten rang. Vinding noch beelden zal men bij hem ontmoeten; het is bijna de Kronijktrant. De aanhef des Werks beviel mij nog het best; daarin ten minste is nog iets geestigs, hetgeen in het Werk zelve meestal ontbreekt.
Bij deze gelegenheid kunnen wij niet met stil-+zwijgen voorbijgaan zijnen Zoon ZACHARIAS, die meerdere verdiensten had, waarom wij van dezen ook hier iets breeder zullen gewagen, schoon hij eigenlijk later eerst aan de beurt ligt.
In den jare 1570 geboren, vestigde hij zich te Zwolle, en bragt niet alleen als Drukker veler Dichtwerken van anderen, maar ook door eigen arbeid het zijne toe tot opbouw der Nederduitsche Dichtkunde. In zijne Emblemata geeft hij vele blijken van eigen vinding, en dat hij zich gemeenzaam gemaakt had met de Hollandsche zuiverheid en verbeterden dichttrant. Hij was te regt zeer gezien bij zijne tijdgenooten. Zijne Verzen zijn zinrijk en zuiver, ook nu en dan vloeijend en welluidend. Hij verdient, mijns oordeels, veel lof, als Dichter van zinnebeelden. Men oordeele zelve;
Men ziet, opdat wij dit als ter loops aanmerken, welk een onderscheid tusschen den Vader en den Zoon hier plaats heeft; zoo groot waren de vorderingen der Dichtkunst. Dan laten wij ons zelve niet vooruitloopen, en liever nog een ander voorbeeld van dezen Dichter bijbrengen.
Hoe veel gemakkelijker gaat hier alles, hoe schilderachtig en natuurlijk is b.v. dat bobbeligh gesnater. Dan men bedenke ook, dat hij bijna tot het midden der 17de Eeuw leefde, en dus toen reeds met de Werken van Hooft en Cats gemeenzaam bekend was; waarom ik, gelijk wij gezegd hebben, eigenlijk later van hem melding had moeten maken.
Daar wij ons haasten moeten ten besluite van de+ opgave der Dichteren dezer Eeuw, gaan wij nu over tot een edel paar vrienden, (1)ROEMER VISSCHER en (2)HENRIK LAURENSZ. SPIEGHEL, welke met Coornhert, tot eer der Amsterdamsche Kamer in liefde bloeijende, als verdienstelijke Rederijkers, tot zuive-
ring en beschaving der Nederduitsche taal, en opbouw der Dichtkunde, zoo veel hebben toegebragt. De Dichter Bredero geeft dit onder andere krachtig te kennen in eenen brief aan gemelde Kamer. (1)‘Ick hebbe vermerckt,’ schrijft hij, ‘dat eenighe van uwe Kamer-broeders, over eenighe jaren, doende waren de Nederlandtsche spraack te verrijcken en te eijgenen, die door 't innebreken der uijtheemscher talen heel verarmt en verbastert scheen: - Dese schandelijcke kancker heeft soo seer inghegheten, dat menigh waenden, dat dese wonden ongheneeslick waren: over sulcx sijn eenighe van u voornaemste Cameristen, als voornamelick Heijnderick Spiegel, Gedeon Fallet zaligher, en Roemer Visscher, beweeght met een kloecksinnighe ijver dese noodeloose Pracherije eens af te schaffen, en de trogghel-sack met al de Bedelbrocken eens nae Vranckerijck (ofte elders daer sij armer van schoone woorden als wij sijn) te senden.’
Spreken wij eerst van Roemer, en vergeten wij zijne Dochters niet.
Gerard Brandt noemt Visscher (2)den
Hollandschen Martiael en Voestervader der Wetenschappen, teffens verhalende, hoe Hooft, Reael en Vondel bij Visscher gemeenzaam aan huis kwamen. (1)Wagenaar zegt mede van Visscher, dat aan zijn huis de schranderste geesten van dien tijd plagten te vergaderen. (2)Hooft noemt hem den ronden Roemer. Zijne dichtwerken bestonden meest uit Puntdichten, welke hij Brabbeling noemde, en in Schocken en Quicken verdeelde. Rommelso, Tuijters, Jammertjens, Tepelwerken en meer dergelijke namen gaf hij zijne Gedichtjes, waarin nu en dan eenige geest en vinding heerscht. Smaak of hooge vlugt zal men zelden bij hem aantreffen; over het geheel is zijne grootste verdienste zuiverheid van taal; somtijds echter stoort hij zich ook hier weinig aan. Zie b.v. dit anders allerliefst gedichtje:
Vele zijner gedichtjes zijn uit Martialis
vertaald; van Martiaelsche vuiligheid is hij des niet vrij. Zie hier evenwel een verstandig woord:
Zijn dichttrant is, gelijk men ziet, veel vloeijender, en beter dan men in die dagen gewoon was.
+Zijne Dochters (2)ANNA en MARIA TESSELSCHADE VISSCHER, welke ik hier invoege, schoon zij beter tot de volgende Eeuw gebragt werden, waren ten tijde van Hooft en Huijgens zoo geacht wegens geleerdheid, dichtvermogen en velerlei wetenschappen, dat men ze als de Hollandsche Zanggodinnen vereerde. De laatste bovenal hield eene vertrouwde briefwisseling met Hooft, Huijgens, Barlaeus, en andere eerste vernuften. Zij vertaalde uit het Italiaansch het verloste Jerusalem van Tasso, en an-
dere Werkjes. Zij dichtte in den geestigen en lossen trant van Hooft, en heeft uitmuntende verdiensten van zoetvloeijendheid, gemakkelijkheid, en menigerlei liefelijkheid van natuurlijke aardigheden. Anna, die meer gemeenzaam met Cats was, dichtte in den smaak van dezen Zeeuwschen Dichter. Zij verdient wegens eenvoudigen, leerzamen en nuttigen rijmtrant mede veel lof. Beide overtreffen zij verre hunnen Vader, wiens schriften Anna(1) verbeterde, en met haar werk versierde. Wil men eene proeve van Anna's rijmwerk, men zie b.v. in den derden Schock van Roemer's Zinnepoppen, waar men dit zoetvloeijend Gedichtje van haar vindt:
De volgende beschrijving van den Nachtegaal is het gedicht ter eeren van Maria Pilt, uijtnemende Zanghster, kan eene proeve van Tesselschade's zeldzame verdiensten opleveren:
Oogelijn uwer Eeuwe! wie uwer Zusteren overtrof u in latere tijden! Hoe verschilt dit bij Anna Bijns, Coornhert, en andere beste Dichters der zestiende Eeuw! De edelste vernuften zongen tot beider Zusteren eer. Cats droeg Anna zijne Zinnebeelden op, waar voor zij met een gedichtje, dat haar verstand, hart en poëzij tot uitnemende eere strekt, heusch bedankte. Dan wij zouden te verre uitweiden, indien wij verder in den lof dezer sieraden van het begin der 17de Eeuw hier wilden uitweiden. Wij moeten ten slotte nog iets breeder gewagen van Spieghel, den vriend van haar en haren Vader.
Spieghel heeft veel meer verdiensten dan+ Visscher. In den jare 1549 te Amsterdam uit een deftig geslacht geboren, wijdde hij zich van jongs af met ijver aan de Letteroefeningen. In het Grieksch en Latijn was hij ervaren; ook was hij een liefhebber der Schilderkunst, en won schatten met den Koophandel. De opbouw zijner moedertaal ging hem bijzonder ter harte, zoo dat Vollenhoven zegt:
Zijne Hertspieghel munt onder zijne Gedichten bijzonder uit. Hij is krachtig, ernstig, deftig, zuiver en zinrijk van taal; zoetvloeijendheid en gemakkelijkheid zocht hij niet altijd, doch scheen ook deze in zijne macht te hebben. Wil men eene kleine proeve uit dit uitnemend Werk, men leze b.v. de volgende regels:
Ook zijne Versificatie, hoe zeer minder dan die
van Hooft en deszelfs tijdgenooten, is beter dan die van Coornhert en anderen. Rijk is hij in beelden, doch duister wegens volheid van zaken, en somwijlen wonderbaar van uitdrukking. Hoe schilderachtig is deze morgenstond:
Men ziet, hoe hij vinding en vernuft, zoo zeldzaam in zijnen tijd, doet schitteren. Dit werk heeft met regt tot in onzen leeftijd nog zijne waarde behouden. (1)Poot en anderen hebben er veel fraais
aan te danken gehad bij gebrek van oude taalkennis. (1)Huijzinga Bakker noemt hem onzen Ennius, van wien men zeggen mag:
(2)Ennius ingenio maximus, arte rudis;
tevens verklarende, hoe hij op welluidendheid en maat beter gelet heeft dan Coornhert en Visscher; waaraan wij van ganscher harte ons zegel hechten, betuigende hem te vereeren als een der eerste en voornaamste Opbouwers en Handhavers van onze Letterkunde in het algemeen, en van een verbeterden Dichttrant in het bijzonder.
De Dichtkunst had dus in deze Eeuw, over het geheel genomen, zeer groote vorderingen gemaakt.
Wel is waar, geene regte zoetvloeijendheid, geene stoutheid, geen geestig bespieden der bevallige natuur, heerschte in dezelve. Men was echter eenige merkelijke schreden nader gekomen; vooral op het einde hadden zuiverheid van taal, kracht en zinrijkheid van uitdrukking veld gewonnen.
Niemand zal ontkennen, dat het verschil tusschen het eerste en laatste gedeelte dezer Eeuw omtrent de voortbrengselen der Poëzij zeer groot geweest is. Van waar, mijne Vrienden, en dus komen wij langzaam en ongevoelig tot ons doel, van waar deze meerdere bloei? Van waar deze verandering, deze ijver? Is het te zoeken bij de Dichterlijke gezelschappen, te wijten aan de uitgeloofde Eereprijzen? dan voorwaar komt de eer den Rederijkers toe. Dan neen, de Kamer in liefde bloeijende te Amsterdam uitgezonderd, moet men zich verwonderen, over de gedrochtelijke en gebrekkige werken dezer Genootschappen. Gebrek aan smaak heerschte zoo in hunne Intreden en Blazoenen, als in hunne Spelen van Zinnen en Refereinen. Onzuiverheid van taal, verwaarloozing van zoetvloeijendheid maken hunne Gedichten, ook omtrent het laatst der XVIde en het begin der XVIIde Eeuw, naauwelijks leesbaar, ten minste niet zonder pijniging. Men moet echter bekennen, gelijk wij zien zullen, dat zij der hervorming en der vrijheid behulpzaam waren. Wilt gij de ware oorzaak des dageraads onzer Poëzij weten, de ware reden, waardoor Coornhert en Spieghel, en na hen, Hooft en
Vondel in staat gesteld zijn, een heerlijk gebouw der kunst op te rigten, raadpleegt met ons de Geschiedenis, en gij zult zien, dat (om nu niet weder te spreken van de herleving der Letteren en den algemeenen invloed van de uitvinding der Drukkunst) de zucht en hoop naar, en de eerste ontluiking van de Vrijheid in Godsdienst en Burgerstaat, dien spoorslag tot bevordering van kunsten en wetenschappen gegeven hebben, waardoor de edelste vernuften, als ontwaakt, ten strijdperk van eer hebben begonnen te ijveren.
Laat ons, na de vermelding der voornaamste Dichters en hunne Werken, nu, volgens onze belofte, tot de verdere beschouwing van de Godsdienstige en Staatkundige voorvallen van de laatste helft dezer Eeuwe overgaan.
De invloed van den Godsdienst op den Staat is in dit tijdperk zoo groot geweest, dat het ten uiterste moeijelijk zoude zijn, het eene te vermelden en het andere niet aan te roeren, waarom wij beiden niet meer zullen afzonderen.
_______
In den jare 1555 deed Karel de V openlijk afstand van de Nederlanden aan zijnen Zoon Philips. Onder dezen werden ras (1556) de Plakka-
ten tegen de Hervormers, en de drukkende beden, hernieuwd. Nog niet lang waren Margaretha van Parma tot Landvoogdesse (1559) en Willem van Oranje tot Stadhouder over Holland enz. aangesteld, of het misnoegen tegen het Spaansche Krijgsvolk, door Philips in het Land gelaten (1560), en tegen den Kardinaal de Granvelle, wiens staatzucht en den grooten en het gemeen hatelijk was (1561), brak uit. De onlusten der Hugenoten in Frankrijk (1562), het zoeken van Oranje, Egmond en anderen naar verbetering en vrijheid van Godsdienst (1564), en het handhaven der Inquisitie (1565), gaven aanleiding tot het Verbond der Edelen, en het inleveren van een verzoekschrift aan de Landvoogdesse, de eerste steen van het gebouw der vrijheid (1566). De openbare prediking onder de Hervormers, de Beeldstorming van een gemeen, altoos gewoon onbesuisd grooteren te volgen, en gevoelens tot uitersten en gewelddadigheid te drijven, hadden eenen aanvang genomen, toen Alva met een Leger herwaarts trok (1567). Toen week Oranje naar Duitschland, en het zoude met het Bondgenootschap gedaan geweest zijn, zoo niet het instellen van een Bloedraad vele duizenden had doen vlugten, een hoop Wilde Geuzen, tot wanhoop overgeslagen, had doen zamenscholen (1568), en Oranje gelegenheid gegeven krijgsvolk te verzamelen. Het vonnis tegen Oranje, het onthalzen van Egmond en Hoorn, de zware vervolging, en de poging tot invoer des Tienden Pennings (1569), deden zulk eenen afkeer tegen de
Spanjaarden geboren worden, dat de Prins, moedig geworden, ter zee zijn geluk beproefde (1570), en de Briel door de zijnen werd ingenomen (1572). Dit geluk, door andere voordeelen gevolgd, noopte Alva tot zijn vertrek (1573). De aanstelling van Requesens, de ongelukkige slag op de Mokerheide, het Ontzet van Leijden, en de oprigting eener Hooge School aldaar (1574), de onderhandelingen te Breda, en met Elizabeth Koningin van Engeland (1575), de dood van den Landvoogd, de muiterij van 's Konings volk, het in hechtenis nemen van den Raad van State te Brussel, de Pacificatie van Gend (1576), de aanstelling van Don Jan van Oostenryk, de bijval van verscheidene steden, het vertrek der Spanjaarden, het inroepen van Matthias tot Landvoogd (1577), het aannemen van Anjou tot Beschermer der Nederlandsche vrijheid, en de Krijg tegen Don Jan en zijn opvolger Parma (1578), - alle voorvallen, zoo gewigtig, als schielijk op elkander volgende, leerden den Spanjaard, dat de Nederlander, zijn juk ontworstelende, zich tot iets groots ontwikkelde: welke ontwikkeling, door het hoogst belangrijk sluiten der Unie (1579), de verheffing der Hervormden boven de Roomschgezinden, en het vervallen verklaren van Philips van zijn regt op deze Landen (1581), eenen vasten voortgang en weligen wasdom erlangde.
Hierop volgden het Verdrag (1581) met, en de dood van Anjou (1583), en kort daarop die des Prinsen van Oranje (1584). Het gezag aan Maurits
toebetrouwd (1584), de handelingen van Frankrijk en Engeland over de Opperheerschappij, de komst van Leycester in de Nederlanden, de aanstelling van Maurits tot Stadhouder (1585), gaven wrijving, en door wrijving vuur en ontvlamming. Zal ik nu nog gewagen van de wisselende kans des oorlogs tusschen Maurits en den niet minder dapperen Parma? van het misnoegen tegen Leycester, die zich kort daarop verwijderde (1586-1599)? Zal ik nog melding maken van de kloekheid en ijver van Maurits in het verdedigen en bevestigen van den Staat, van zijn aangroeijend krijgsgeluk bij den dood van Parma? van de overdragt der Nederlanden aan Albertus en Isabella, en den dood van Philips? met één woord van de gebeurtenissen der laatste jaren dezer Eeuw (1588-1599)? - gebeurtenissen, die den opmerkzamen doen zien, dat de jonge boom der vrijheid, hoe meer geschokt hoe vaster geworteld, reeds schoone vruchten voortbragt, en op nog betere en edeler hoop gaf. Neen, mijne Heeren, gij kent dezelve, en met dezelve de geschiedenis der ontluiking van onze welvaart.
De reden, waarom wij zulk eene korte herinnering van de gebeurtenissen dezer Eeuw u hebben medegedeeld, moge in den eersten opslag sommigen verwonderen. Wanneer men zich echter met ons overtuigd houdt, dat de opkomst en bloei der Dichtkunst, voornamelijk der opkomst en den bloei des Lands, en der vestiging van ons Gemeenebest
te danken is, zal men ons oogmerk duidelijk bevatten. Om dit in helderder licht te stellen, zullen wij over het aandeel, dat de Dichtkunst in de handhaving der vrijheid in dezen tijd gehad heeft, nog een enkel woord gewagen, voor wij tot de volgende Eeuw overgaan.
‘Onder het gemeen,’ zegt (1)Wagenaar, ‘vond de Hervorming meer en meer ingang, onaangezien de vervolging om 't geloof, omtrent dezen tijd, heviger dan te voren woedde. De Rederijkers schroomden niet in openbaare Spelen van Zinnen, of zedelijke Tooneelspelen, den volke de gebreken der Kerkelijken te vertoonen, en tegelijk de onredelijkheid der vervolging om zaaken van Godsdienst, al 't welk greetiglijk gehoord en geloofd werdt.’ (2)Hooft verhaalt het aldus: ‘Eene ouwde oeffening in meest alle Nederlandsche Steeden, en veele Dorpen, was die van de rijmkonst; waartoe de aartighste, blijgeestighste vernuften hunne vergaaderingen hielden, op plaatzen hun bij de Wethouders verschaft, die Rhetorijkkamers genoemd werden. Deeze waaren gewoon niet alleen verscheide Gedichten uit te geeven, en va