Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 3


auteur: J.F. Willems en [tijdschrift] Belgisch Museum


bron: J.F. Willems (red.), Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands (Derde deel). Maatschappij tot Bevordering der Nederduitsche Taal- en Letterkunde, Gent 1839.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 105]

Over het gedicht De Leuvensche kampvechter.
(Belgisch Museum, I, bl. 26.)

By het bewerken myner uitgave van Jan de Klerk's Brabantsche Yeesten, bemerkte ik, dat het gedicht van den Leuvenschen kampvechter reeds gedrukt was in Lelong's uitgave van Velthem's Spiegel historiael, en ik heb dan ook van deze myne bevinding naricht gedaen1 (natuerlyk, dat ik, te voren, de Brabantsche Yeesten voor gansch onuitgegeven hield). Op dezen vroegeren druk maekten my ook de heeren L. Ph. C. Van den Bergh en Ph. Blommaert opmerkzaem, en nu ontvang ik daerover den volgenden brief, dien ik gaerne hier eene plaets inruime.

 

J.F.W.

 

sGravenhage, 13 Februarij 1839.

 

Weledele Heer!

 

Toen ik vroeger in Uw geacht Museum, Ie deel, bladz. 26-32, het stukje las, getiteld: De Leuvensche kampvechter, ten jare 1236, kwam het mij voor dat dit gedicht mij niet vreemd was, en ik hetzelve reeds elders had gelezen, zonder dat ik mij echter op dat oogenblik konde herinneren wáár. Eindelijk is het mij gelukt de

[p. 106]

plaats op te sporen, waar ik het onderhavige stuk vroeger had gevonden. Bij het herlezen van Velthem's Spiegel historiael vond ik het gedicht bijna letterlijk zoo als het in uw tijdschrift voorkomt (hoewel met eenige toevoegselen en kleine veranderingen), weder, en wel in het I boek, cap. 28, 29 en 30.

Dikwijls heldert uwe uitgave het gebrekkige werk van Lelong op; maar ook op sommige plaatsen wordt uw afschrift door Velthem verbeterd, wiens tekst, dit zij in het voorbijgaan opgemerkt, veelal meer met het Brusselsche HS. overeenkomt dan met dat van Affligem, welk eerste ook door prof. Bormans voor zuiverder van tekst verklaard wordt (Belg. Museum, I, bl. 457.)

Dan, om op onze verbeteringen te rug te komen: zie hier een paar voorbeelden. Men leest bij U, vers 55:

 
‘Want si alle vernamen sgeens gedane
 
En dorster niemant comen ane.’

hetwelk geen zin oplevert, en waarvoor men by Velthem leest:

 
‘Want als si vernamen ......’

hetgeen blijkbaar de ware lezing is, en ook met uwe verklaring overeenkomt. -

Achter vers 72 ontbreekt een regel; want wien ontbloot de hertog? - Lees dus liever met Velthem, l.c.c. 29 (p. 40):

 
‘...... ende ontboet saen
 
Genen man, datti te hem quame.
 
Die gene metter bloden name
 
Es voor den hertoge comen houde,
 
Ende vraechde: wat.....’ enz.

Daar UEd. Velthem wel zal houden voor eenonzer historieschrijvers,’ zoo vervalt natuurlijk uw aangemerkte in het naschrift.

[p. 107]

Mogten deze letteren u voorkomen, Mijnheer, als niet geheel ongeschikt voor uw Museum, zoo zal het mij aangenaam zijn.

Ik heb de eer met hoogachting mij te noemen,

 

Weledele Heer!

 

Uw Ed. D. Dienaar,

W. JONCKBLOET.