|
|
|
| |
| | | |
Vyf en dertigste brief.
De Heer Cornelis Edeling aan den Heer Hendrik Edeling.
Lieve broeder!
‘En gy ook, Brutus!’ En gy ook, Hendrik! Ja, Jongetje, het deviesje, onder een fraai Cupidootje geplaatst, is maar de fyne waarheid:
‘Tel que je suis, voila ton maitre;
Je le fus, le suis, ou dois l'être.’
Zie daar, myn Philosoof, myn redelyken Broeder, hals over kop verlieft. Schone stukken! En dat op een Meisje, dat hy niet dan van één namiddagje kent. 't Is toch voor my, en soortgelyke Vrienden, troostlyk, als wy zien, hoe de deftigsten uit onze kudde ook hunne zotte vlagen hebben. Had ik myn Hein niet door en door gekent, uw Brief zou my waarlyk verschrikt hebben. Nu dagt ik; ‘och, Broertje zal benaauwt gedroomt hebben; et zal een klein kibbelpartytje met Vader zyn voorgevallen, of hy zal mooglyk wat verkouwen zyn.’ 't Was echter noch veel
| | | |
minder te beduiden. - Myn Broêr is verlieft, en over zulk eene beuzeling is al dat lamentabel romanesk getier! Hoor eens, Kereltje, is het den mensche dan niet zo wel gezet eenmaal te trouwen, als te sterven? Kom aan! noem my eens, van Adams tyd tot op den huidigen dag, één hupschen Jongen, die het niet voor het blinde Ventje moest opgeven. En kan men wel in forma verlieft wezen, zonder in den tyd der minne stapel zot te zyn? Je moet het magtig voor je hart hebben; want je plagt een gansche knaap te zyn, die zich door geen blaas met bonen liet bang maken. En zie daar, nu laat men zich door een lief schalkje, met een paar mooije oogen, zo maar in een stenen Roeland transformeeren. Ik weet trouwens, dat lieve brave Meisjes niet dan een deel Toverhexjes zyn: zy maken my myn leven ook zuur genoeg. Ik meen ook, zo dra ik myn Jaantjes man ben, het hele Zootje een Proces aantedoen, om hare schadelyke inwoning onder ons.
Loop Hein, waarom zou dat Schatje niet voor u zyn kunnen? Wat drommel weet ik, voor wien zy die manchetten maakt! Knoopt een Meisje nooit lubben, of zy moet juist haar woord gegeven hebben? Waarlyk, Broêr, dat gevolg gaat kreupel. Oh, ho! zulke vive meisjes raken niet ligt aan de liefdekoorts; 't vergif wil niet voort. Alles diverteert haar zo
| | | |
zeer, dat hare gewaarwordingen den tyd niet hebben, om tot gevoelens op te groeijen. En 't is haar taamlyk onverschillig, of zy met een goejen Jongen dan met een schoothond dartelen. Gy zyt myn lieve Broêr; buiten dat hield ik alle myne vrouwkundige observatien voor my; niet om dat ik denk, dat het aan een verstandig man meer past om Rypen en Vlinders dan om Vrouwen te observeeren, maar om die fraaije ontdekkingen toch alléén te bezitten. Luister dan: Indien vive Meisjes verstand hebben; (en een mooi zottinnetje zal nooit uwe Vrouw worden,) dan vinden zy veel meer behagen in mannen zo als gy, dan in die slegthoofden, waar toe ik de eer hebbe te behoren; Jongens, die haar slegts diverteeren; Jongens, die nog niet half zo veel verstand hebben als zy zelve. Zy zyn wel gemeenzamer met ons, doch dat is, om dat wy niet gevaarlyk voor haar hart zyn. Och, zy rekenen ons geen Peulschil. Hoe, zei de Marquise Sabliere: ‘Ik heb niemand by my dan myn Kat, en myn la Fontaine.’ Zo uw meisje by hare bevalligheid ook gezont oordeel heeft, dan zullen uwe opwagtingen niet te vergeefsch zyn. Wat henker! gy zyt een knap kaerel, hebt Hollandsche beenen en Fransche tanden, zyt gezont en sterk, kleedt u wel, hebt eene goede opvoeding gehad. Uw ernst is u natuurlyk, en dus niet droog. Gy komt
| | | |
niet, als een malle ryke Amsterdammer, met de houding van een toneelprins in eene kamer. Liflaffen kunt gy niet, maar gy zyt altoos beleeft. Gy zyt geen Grandison, doch wie heeft dit van uwe hand geëischt? Kort gezeit, ik zie in uw geval niets, dat naar hopeloosheid zweemt. De moeilykheid der overwinning is geen kleine pret. Zo gy in de liefde, als Cesar in het veroveren, gaarn zeit: ‘Ik kwam, ik zag, ik won;’ dan zyt gy een zo groten Lompert, als er ooit een halfmillioen 's jaars in de Negotie uitzette. Postthausent! toen ik het 't eerst voor myn hart kreeg, vond ik myne grootste gelukzaligheid in myn Hexje maar aan te zien; ik dronk het vergif met volle teugen in; ik durfde het er niet van nemen een eenig woord te spreken. Dan verslond ik haar met myne verwyderde oogen; dan sloot ik haar als weg, myne oogleden toedoende. Een Lintje, een stukje Blonde, was een heiligdom; en na dat ik zo ettelyke uuren als een zotskap gehandelt had, ging ik naar myne kamer, wonderbaarlyk in myn schik met my en met myn meisje; hoe weinig reden ik ook in beiden opzichte hebben kon.
Wat raad ik u? Dit; tracht de Juffer nader te leren kennen; zo haar hart niet vry is, gy kent uw pligt. Zo zy niet voldoet aan uwe verwagting in wezenlyker dan veldiepe verdiensten; gy verstaat uw belang: maar is zy vry,
| | | |
en verdient zy uwe achting, zit haar agter de vodden, Hein! Wat is moeite, wat is al wat je wilt, zo de beloning eene Vrouw van verdiensten is, die u bemint, en wier schoonheid u verrukt? Gy weet, gierigheid is eene zo lage ondeugd, dat die nooit in Vaders pot kon; al hadt het schaapje dan eens veel minder dan gy. Hoe het zy, uw Broeder is uw Vriend. Al wat hy voor u doen kan, zal, wil, moet hy doen. à Propos! Het geen gy omtrent die waardige Vrouw gedaan hebt, verwagtte ik van u; ik benyde u met dit alles deeze gelegenheid. Hemel! Broêrlief, myn hart klopt op het zalig denkbeeld: Ik heb eene ongelukkige geholpen... Nagt beste Jongen. Ik moet aan 't studeeren.
T.T.
Cornelis Edeling.
|
|
|