Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 134]

Zes en dertigste brief.
Mejuffrouw Anna Willis aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.

Lieve vriendin!

Om u te pryzen over uwe levendigheid, kan ik niet; om u te bekyven over uwe bekoorlyke boertery, mag my niet van 't hart. Zie daar dan de twee Brieven te rug. Myn lief schepzel, wees op uw hoede! Ik denk van den Heer Brunier niets kwaads; myn Broêr Willem zegt, dat hy een goed slag van een jongen is, en zyne zaken beyvert. Ik weet wel, dat gy hem slegts duldt, om dat gy iemand nodig hebt; uwe redenen daaromtrent zyn, hoewel wat potzig, echter gegront. Maar heeft de jonge Heer verstand genoeg, om zyne nietigheid by u te zien; wagt hy niets meer; of is hy zulk een Beuzelaar, dat myne bevallige Vriendin in zyne oogen eene Vrouw is als alle Vrouwen? Kunt gy dulden, dat hy, die niet ryk is, om u onkosten doet? Dat begryp ik niet, Saartje! Kunt gy u onder verpligting brengen van iemand, met wiens goedaartigheid gy uw voordeel doet, en met wiens zotternyen gy rail-

[p. 135]

liëert? Waarlyk, Lief, gy zult op de tong raken. Men ziet u altoos met dien Heer; 't is waar, zyne Zuster is altyd by u, maar men ziet haar ligtlyk voorby, daar gy u vertoont. Ik wensch wel eens, dat gy hem niet nodig hadt, of dat hy een waardiger Jongeling was. Overweeg ook eens, of het wel voorzichtig is, met zo een Jongetje Briefwisseling te houden? Denk aan Claartje Harlowe. 't Is waar, hy ziet wel dat gy hem fopt, doch kan hy niet grootsch genoeg zyn op de eere die gy hem doet, om uwe Brieven in de vreugd van zyn hart te laten lezen; en zoude u dit wel aanstaan? overweeg dit zelf! Ik wilde u zo gaarn aan het denken hebben. Uwe vermogens zyn te schoon, om die dus te verkwanzelen. Het hoofdoogmerk onzer schepping is zeker niet gelegen in onzen tyd te verbeuzelen, maar in ons wyzer en beter te doen worden. Trouwens, dit weet gy zelf; dit stemt gy ook toe. Leest gy niet meer, liefste Vriendin? ei lieve, zeg my dit eens eenvoudig. Zyt gy niet te groot, om een modepop te worden? Kunt gy u verlagen om mee Bontonnetje te spelen; om iets in 't klein na te kruimelen, dat gy in 't grote verfoeit? - Wat zegt gy?

Nu van wat anders. Toen wy te Rotterdam kwamen, was myne waarde Tante tot aan den kant des grafs, maar zedert drie dagen bevindt

[p. 136]

zy zich iets beter: myne dierbare Moeder wykt niet van hare tederbeminde Zuster. God geve, dat het haar wel ga! wy denken niet om in de eerste zes weken t'huis te komen. Tantes ziekte zal van langen duur zyn; immers naar het zich laat aanzien. Ik zende u hier nevens de sleutels van myn Cabinet, en van myne Moeders grootste Commode, met verzoek dat gy daar uit neemt, wat op het Lystje staat: wy zyn met zo veel haast vertrokken, dat wy bykans niets mede namen. Groet onze goede Meiden voor ons, en zo gy Willem t'huis vindt, hem insgelyks; maar dat denk ik niet, de Jongen heeft geen oogenblik tyd, en zal, nu Moeder uit de stad is, niet veel t'huis zyn. Schryf my veel; ik zal u zo veel schryven als ik kan. Myne Moeder groet u met minzaamheid; ja, Saartje, ik zou wel jalours op u worden. De Heren Edeling zyn bekent voor brave en zeer ryke Kooplieden; meer weet ik niet.

 

Vaarwel, Vriendin.

A. Willis.