Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 150]

Veertigste brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan den Heer Willem Willis.

Myn lieve Willem!

Is de man een kind geworden? - Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb, wiens Moeder en Zuster myne hoogst-geachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk, op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk, dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene theatrale houding, zal toevoegen:

Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais.

In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene Prude was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan ééns voor altóós tonen, dat gy schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat, Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht, om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes van negentien

[p. 151]

jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne heuschheid niet zult misbruiken.

Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat gy myn Broêr niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als 't maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk Meisje, zo vrolyk, en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my gezegt hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen? Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de omstandigheden, waar

[p. 152]

in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom: ja dat gy onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt.

Wel Willem, wel Willem, moet gy u óók in het Satirique omtrent de Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars vóór hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt. Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben, om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deeze fraaiheden niets zyn dan bywerk; dat zy zo wel denken kan als haar Broêr Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal

[p. 153]

dier Meisjes is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heren en Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons idoliseeren om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is ook wáár, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige Druilöoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor.

Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u, dan ik ooit zyn kan. Zo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen, zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben

 

Uwe ware Vriendin,

S.B.