Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 298]

Zeven en zestigste brief.
De Heer Abraham Blankaart aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.

Myn beste meisje!

Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens by slegt volk belant waart, en gy hadt eens mêe moeten doen: Gy weet, die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zó goed, en geeft my zó veel vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en draag het my tot gedagtenis; en doe altoos uw pligt, zult gy? Gy moogt héél wél met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn.

[p. 299]

De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy, Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind ik hoop u nog gelukkig getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen; maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat gy my dit zult melden.

Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal beletten uwe keuze te volgen, ‘indien brave en verstandige lieden, die u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet.’ Ik zie niet op geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt.

[p. 300]

Maar ik denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen, die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt, daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse maling wou geven.

Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen; - die gy immers wel pront kent, hoop ik? - dit tot het dertiende maken: ‘Ik geloof, dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt.’ Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel.

Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde! Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in uw harssens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet, om dat hy zyn koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft moest gaan opsluiten.

Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods geboden veracht, de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden speelt; met één woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker is,

[p. 301]

naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepzel ooit de beste Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in het gestorm der driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt: maar een Lichtmis is zo bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de allerslegtste uit die bende, die hy bedorven heeft.

Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot. Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken, als zy ooit op deeze waereld zyn kan.

Ik zal hier niets meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en om onderrichtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel

[p. 302]

spreekt, insgelyks: Wel, ouwe Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen. Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is de man.

Nagt, myn lieve kind.

 

Uw liefhebbende Voogd,

Abraham Blankaart.

 

P.S. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order, van uwe Tante halen.