Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
DBNL - Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
DBNL - Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren

Hoofdmenu

  • Literatuur & Taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw

meer over deze tekst

Informatie terzijde

Onze Taal. Jaargang 70
Toon afbeeldingen van Onze Taal. Jaargang 70zoom

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (16,84 MB)

Scans (423,81 MB)

ebook (21,09 MB)

XML (1,88 MB)

tekstbestand






Genre

sec - taalkunde

Subgenre

tijdschrift / jaarboek


In samenwerking met:

(opent in nieuw venster)

© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Onze Taal. Jaargang 70

(2001)– [tijdschrift] Onze Taal–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende
[pagina 246]
[p. 246]

Reacties

Kortrijk
Francis Goemaere - Kortrijk



illustratie

In het juli/augustusnummer van Onze Taal besteedt Ewoud Sanders aandacht aan uitdrukkingen met een woordspeling op een plaatsnaam.

Onder het kopje Kortrijk valt onder meer te lezen: ‘Naar Kortrijk in Wallonië.’ Kortrijk ligt evenwel sinds mensenheugenis in West-Vlaanderen (weliswaar op 12 km van Frankrijk, maar toch) en kent zelfs geen faciliteiten voor de Franstaligen.

Hugo Claus was een van zijn beroemdste inwoners. Het verdriet van België, een van zijn belangrijkste werken, speelt zich grotendeels af in Kortrijk (Walle, waar een groot deel van de roman zich afspeelt, is een wijk van Kortrijk). Wie niet weet dat Kortrijk in Vlaanderen ligt, is veel van dit literaire meesterwerk ontgaan. Terug naar school!

Overigens: Bellegem is een deelgemeente van Kortrijk en ligt dus in West-Vlaanderen en niet, zoals Sanders schrijft, in Oost-Vlaanderen.

Ironieteken
Gertjan Duiker - Velserbroek

Etteke de Boer stelt in Onze Taal van april 2001 dat het te denken geeft dat Harry Mulisch een ironieteken nodig meent te hebben. Mulisch staat daarin echter niet alleen: ook Willem Frederik Hermans was een voorstander van een dergelijk leesteken. Aan het slot van een interview door Adriaan Venema (gepubliceerd in de KRO-gids Studio van 1 februari 1970 en opgenomen in de verzameling interviews Scheppend nihilisme, 1983) zegt Hermans: ‘U hoort nu hoe ik dit zeg, een beetje ironisch, maar als u het opschrijft, verdwijnt die ironie. Je zou eigenlijk een ironieteken moeten hebben om erbij te zetten. Of wacht, dat moet bestaan. Ergens op een machine moet zo'n tekentje staan, een soort combinatie van een vraagteken en een uitroepteken. Moet ik toch eens nagaan.’

In een voetnoot schrijft Hermans vervolgens: ‘Een dergelijk teken bestaat (point d'ironie). Het ziet eruit als het spiegelbeeld van een vraagteken en is voorgesteld door Alcanter de Brahm.’

Het nut van een ironieteken zal waarschijnlijk een van de weinige onderwerpen zijn waarover Mulisch en Hermans niet van mening verschilden.

Apenstaartje [1]
Henri van der Laan - Lille, Frankrijk

In het kader bij het stuk van Ad Welschen over het apenstaartje (Onze Taal mei) staat dat het @-teken in het Frans aangeduid wordt met a rond (‘ronde a’) en dat dit fonetisch gelijk zou zijn aan aronde (‘zwaluw’). Dit wil ik met klem betwisten.

Allereerst zijn er wel degelijk fonetische verschillen tussen a rond en aronde: in a rond wordt geen [d] uitgesproken, in aronde wel. En op de tweede plaats staat het @-teken, ondanks wanhopige pogingen van puristen om er chez (‘bij’) van te maken, in Frankrijk wijd en zijd bekend onder de naam arrobas.

Arrobas komt via het Spaans en het Portugees van de Arabische gewichtsof inhoudsmaat al rub (‘een kwart’). In de Franse computerwereld is arrobas overgenomen uit de letterzetterij, waar dit teken deze naam draagt, maar in wezen niets te maken heeft met een e-mailadres. De etymologische verwarring ontstond toen men in de Angelsaksische landen, waar door de handel en financiën @ gebruikt wordt voor at (‘at $ 1 each’), deze aanduiding door homonymie begon te verwisselen met at in de zin van ‘bij, per adres van’.

Apenstaartje [2]
Jacques de Jong - oud-journalist, Kockengen

In het juli/augustusnummer van Onze Taal staan nogal wat reacties op het stuk over het apenstaartje (Onze Taal april). In enkele van die reacties is er sprake van slingeraapje, een term uit de jaren zestig. Toen de computer net zijn intrede had gedaan op de krant waar ik voor werkte, heette dat teken nog, niet geheel onlogisch, een ‘slinger-a'tje’. Zou het kunnen dat dit woord in het spraakgebruik via slingeraapje verbasterd is tot apenstaartje?

Rembrandt
M. Siesling - Den Haag

Prof. dr. P.C. Paardekooper gaat er in zijn stuk ‘Hoe zacht is saft?’ in het juninummer blijkbaar van uit dat Rembrandt een geboren Amsterdammer was. Hij was echter een geboren en getogen Leidenaar. Pas op zijn vijf- of zesentwintigste vestigde hij zich te Amsterdam, waar hij weliswaar het grootste deel van zijn roem heeft vergaard, maar waar een volwassen schilderschap te Leiden aan voorafging.

Scandinavische aa's
D. Thoenes - Dwingeloo

Riemer Reinsma schrijft in het juli/augustusnummer over de oorsprong van het woordje aa, dat ‘rivier’ of ‘meertje’ betekende. Reinsma wijst erop dat het woord al voorkomt in het Gotisch, een Germaanse taal uit de vierde eeuw na Christus. Omdat het Noors, het Zweeds en het Deens óók Germaanse talen zijn, is het niet verwonderlijk dat in Scandinavië ook het woordje å (uitgesproken als [oo]) voorkomt, dat vroeger in het Deens werd geschreven als aa. Het wordt in het Zweeds en Deens algemeen (en in mindere mate in het Noors) gebruikt om een kleine rivier aan te duiden, en ook - net als in Nederlands - bij de naamgeving van riviertjes: Helge å, Mörrums å, Ronneby å, alsmede in plaatsnamen: Luleå, Umeå, et cetera.

Egg Harbor
B. Jörgers - Maasland

Naar aanleiding van het artikel van Riemer Reinsma in het juli/augustusnummer over de Aa en het IJ (met de oorspronkelijke betekenis ‘water’) citeer ik uit A Concise Dictionary of American Place-Names (van G. Steward): ‘Egg Harbor in New Jersey is a translation from the Dutch;

[pagina 247]
[p. 247]

a name given by the Dutch in the early 17th century.’

Ik heb sterk de indruk dat onze voorvaderen, voor ze emigreerden, in ‘het IJ’ misschien nog wel water zágen, maar de naam niet meer als ‘water’ interpretéérden.

Dit geval doet denken aan het wapen van Broek op Waterland, dat een kledingstuk (een broek) vertoont, en dat terwijl broek vroeger zoveel betekende als ‘laag, langs rivieren of beken gelegen, al of niet ingedijkt groenland, dat 's winters onder water staat’.

X-rijke woorden [1]
Aad van de Wetering - Driebruggen

Battus schrijft in het juli/augustusnummer over de x-rijkste woorden (waarbij op de plaats van de x een willekeurige letter kan worden ingevuld). Bij sommige letters wil ik wat opmerken.

 

-In het Groene Boekje staat herstructureringsreserve (met 6 r'en) en ook nog herstructureringsprogramma (6). Dat is dus één r meer dan in harrewarrerij, dat Battus noemt.
-Jammer dat het bekende hottentottententententoonstelling (10 t's) in geen der naslagwerken staat; vermeldenswaard is het wel.
-Jazzmuziek (3 z'en) is wel mooi, maar het in Van Dale vermelde kizzebizzen (4) is nog mooier.
-Bij het woord met 7 t's (tetterettetten) viel me nog op dat Van Dale bij tetterettet geen meervoud of werkwoord vermeldt. Ik vrees dat tetterettet (6) recordhouder is, als de elektronische Van Dale gerespecteerd wordt.
-In de elektronische versie van mijn Groene Boekje komt het door Battus genoemde vijvervis niet voor, wél visvijver. Omdat de auteur eerder zegt: ‘Bij de letters (...) v (...) geef ik het oude Groene Boekje-record, omdat Van Dale het niet verbeterde’, lijkt mij de vermelding vijvervis incorrect.

X-rijke woorden [2]
Rutger Kiezebrink - Tilburg

Battus noemt in het juli/augustusnummer de x-rijkste woorden uit het Groene Boekje en Van Dale. Sinds kort weet ik hoe je op de Van Dale-cd-rom ‘fulltext’ kunt zoeken [zie ook het bericht op blz. 254 van dit nummer - red.]. Op deze manier kun je niet alleen zoeken op trefwoorden, verbindingen en namen, maar op alle woorden die voorkomen op de cd-rom (met uitzondering van de gevleugelde woorden en citaten). Als je álle woorden in Van Dale wilt meerekenen, breken de volgende woorden een paar van Battus' records (tussen haakjes het lemma of de lemma's waar het desbetreffende woord wordt genoemd).

 

-Rabarberrabarberrabarber (lemma rabarber): 6 b's en 9 r'en (twee records: Battus had bij beide 5 als record).
-Micrococcaceae (lemma's diplococcus, microkok, stafylokok): 5 c's, maar korter dan het door Battus genoemde catch-as-catch-can.
-Individualistisch-anarchistisch (lemma autonomen): 7 i's (Battus had er 6).
-Grootvorst-troonopvolger (lemma's grootvorst en cesarewitsj) of chloorfluorkoolstofproducten (lemma freon): 7 o's (net als het door Battus verworpen kruip-door-sluip-door-doolhof) (Battus had er 6).
-IJselijk-zijn (lemma ijselijkheid): 3 ij's, maar korter dan tijdschrijflijst, dat Battus noemt.

 

Verder kwam ik er nog achter dat er bij de h een korter trefwoord bestaat dat even h-rijk is als huichelachtigheid: hoekhechtmachine. Bij de k (Battus noemde hier koekoeksklokken) is er ook een iets korter voorbeeld: koekoekklokken.

Max en Anne
Arend van der Spoel - Peize

In het juli/augustusnummer van Onze Taal staat dat de meest gegeven voornamen Max en Anne zijn. Sinds 1996 houd ik de voornamen bij van de kinderen voor wie in NRC Handelsblad een geboorteadvertentie wordt geplaatst.

Hoewel ook daar de populaire voornamen voorkomen, is er toch verschil. In 2000 waren Floris met 25 vermeldingen en Charlotte met 38 vermeldingen de meest genoemde. Max kwam 24 keer voor en Anne 29 maal. In 2001 stond tot 1 september wederom Floris met 25 bovenaan en is Anne met 9 vermeldingen verdrongen door Anna (19). Max werd 12 keer genoemd, Charlotte zakte af tot 15 vermeldingen.

Overigens zijn de tellingen gebaseerd op de eerste voornaam van de kinderen. Tweede, derde, vierde en eventuele volgende namen zijn in de tellingen dus niet opgenomen. De uitkomst zou dan weleens geheel anders kunnen zijn. Denk aan Maria als derde of vierde naam.

Articulatieluiheid
J.G. Dullaart - Delft

Na het lezen van het artikel van Marc van Oostendorp over het proefschrift van Klarien van der Linde (Onze Taal juli/augustus) moet mij iets van het hart. De uitspraak [schoow] i.p.v. [school] wordt in het artikel verklaard als een verandering van klinkerachtigheid. Het zou niet per se gemakkelijker zijn om een w te zeggen in plaats van een l. Dit laatste zou ik willen bestrijden.

Er wordt steeds slechter gearticuleerd, zowel door schoolkinderen als door volwassenen. Dit is naar mijn mening een vorm van luiheid. In plaats van [school] kun je ook [schoo] zeggen en daarna je mond sluiten, waardoor een soort w ontstaat. Dat is veel gemakkelijker dan een echte l te maken. Steeds meer mensen nemen niet meer de moeite goed te articuleren. Niet alleen de l aan het eind van een woord, maar ook de p en de b aan het begin van woorden hoor ik vaak als een zwakke w uitgesproken worden, gewoon omdat men de moeite niet meer neemt om de lippen stevig op elkaar te zetten. Het is gewoon luiheid en geen klankverschuiving of zoiets. Spraakles is mijns inziens de enige remedie.

Naschrift Marc van Oostendorp

Dat ‘steeds meer mensen niet meer de moeite nemen goed te articuleren’ is een eeuwenoud bijgeloof dat door geen enkel wetenschappelijk onderzoek wordt gesteund. Integendeel, door de vooruitgang in de medische wetenschap worden de mensen steeds gezonder en zijn ze dus beter in staat te articuleren. Wie jong is en door een mobiel telefoon-
[pagina 248]
[p. 248]
tje wil praten, moet zelfs heel erg zijn best doen dit duidelijk te doen. Ook dat de verandering van [l] naar [w] ‘gewoon’ luiheid is, is een opvatting die geen enkele ondersteuning vindt in de werkelijkheid. Als het echt zo gemakkelijk was, zouden veel ‘gewoon’ luie mensen ook [woop] moeten zeggen in plaats van [loop], maar dergelijke mensen bestaan niet. Dat de [p], de [b] en de [w] elkaar afwisselen, is overigens een verschijnsel dat in Nederlandse dialecten al bestaat zolang deze dialecten worden opgetekend.

Geen KB voor kilobyte
Ruud Paap - Papendrecht

Briefschrijver Rob Geutskens signaleert op bladzijde 175 van het juli/augustusnummer dat de term kilobyte (kB) niet voor 1000 byte staat, zoals je zou verwachten, maar voor 1 × 210 byte, oftewel 1024 byte. Hij wil verwarring voorkomen door de k te reserveren voor de ‘kleine kilo’, en een K in het leven te roepen voor de ‘grote kilo’. Dan is 1 kB 1000 byte en 1 KB dus 1024 byte.

Het lijkt een aardige oplossing, maar het principe gaat niet op voor MB (megabyte) of GB (gigabyte), want mega- en giga- worden, in tegenstelling tot kilo-, altijd met hoofdletter weergegeven. En als je dan toch kleine letters zou willen invoeren, is er een ander knelpunt. Want de kleine m is al gereserveerd voor milli-.

Bovendien snap ik ook niet waarom die K nodig is. Ik heb er nog nooit behoefte aan gehad. In de praktijk komt kilobyte in de betekenis ‘1000 bytes’ nooit voor.

Blaffetuur [1]
Frans Debrabandere - Brugge

Marc van Oostendorp brengt in het juli/augustusnummer onder meer een verslag van het referaat van Koen Jaspaert (blz. 190-191). Over wijlen prof. J.L. Pauwels wordt gezegd: ‘Hij streed voor het Vlaams (...).’ Dat is schromelijk overdreven. Pauwels was een overtuigd voorstander van de Nederlandse standaardtaal, maar verdedigde tegelijk een zekere Vlaamse inbreng. Tijdens mijn Leuvense studietijd was Pauwels de enige hoogleraar bij wie ik Nederlands geleerd heb. Dankzij hem ben ik begonnen de Vlaamse afwijkingen uit mijn taal te weren. En het is zeker fout als er beweerd wordt dat Pauwels in de Woordenlijst van de Nederlandse taal, oftewel het Groene Boekje, Aarschotse woorden zou hebben binnengesmokkeld. Blaffetuur zou een Aarschots dialectwoord zijn, dat Jaspaerts zoontje, hoewel hij met de secretaris van de Taalunie dialect spreekt, niet meer zou kennen. Ook dat is merkwaardig. Blaffetuur komt in zowel de Limburgse, de Brabantse als de Vlaamse dialecten in België voor. En dáárom vond Pauwels dat blaffetuur als bovengewestelijk woord een plaats verdiende in de Woordenlijst. Pauwels zou er nooit aan gedacht hebben een zuiver Aarschots woord in de Woordenlijst een plaats te gunnen. Ik verwijs hier naar mijn bijdrage ‘Blaffetuur en plaf(fe)ture’ in Nederlands van Nu van mei 2000, blz. 47-48. Bovendien wees Pauwels zijn studenten er telkens weer op dat de Woordenlijst een spellinggids is en geen taalgids. Opname van Vlaamse woorden in de Woordenlijst verleent die woorden geen standaardtalige status, maar geeft alleen de correcte spelling aan voor wie ze wil gebruiken.

Blaffetuur [2]
Koen Dille - Berchem, België

Marc van Oostendorp schreef in het artikel ‘Hoe meer dialecten, hoe beter’ in het juli/augustusnummer over het woord blaffetuur. Het is best mogelijk dat dit een Aarschots dialectwoord is en dat ‘een gemiddeld Aarschots jongetje van elf (...) allang niet meer [weet] wat een blaffetuur is’, zoals in het artikel staat, maar in andere dialecten is dat woord nog springlevend.

Laatst kwam ik het woord plaffetuur bijvoorbeeld tegen in een toneelkritiek van een stuk dat, naar ik vermoed, door een Oost-Vlaming is geschreven. Vandaar misschien plaffetuur in plaats van blaffetuur. Hoe het ook zij, in Antwerpse volksbuurten - en waarschijnlijk niet alleen daar - is het woord nog springlevend. Dat blijkt uit het succes van die opvoering in Antwerpen en uit de reacties van het publiek op het personage Plaffeturen Pol, een handelaar in rolluiken, die een stropdas droeg in de vorm van een miniatuurrolluik, die hij naar believen met een touwtje kon op- en afrollen.

Hieruit blijkt overigens ook dat blaffetuur in Antwerpen en in het dialect van de auteur van het toneelstuk niet betekent ‘een naar binnen openslaand luik voor het raam’, zoals Van Oostendorp schreef.

Zondagsletter
Hans van Maanen - Amsterdam

De Taaladviesdienst gaat in de juniaflevering van ‘Vraag en antwoord’ in op het woord schrikkelen. Volgens de naslagwerken betekent schrikkelen ‘verspringen’ of ‘overslaan’, hetgeen inderdaad een vreemde aanduiding lijkt voor een jaar waarin er een dag bij komt. Toch werd er in een schrikkeljaar wel degelijk iets overgeslagen, namelijk de zondagsletter.

In de Middeleeuwen vroeg men zich niet af op welke dag 1 januari viel, maar wat de eerste zondag van januari was. Was dat 1 januari, dan kreeg het jaar de zondagsletter A, was het 2 januari, dan was de zondagsletter B, enzovoort. Het jaar 2001 begon op een maandag en heeft dus zondagsletter G. De zondagsletter speelde bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de berekening van de datum van het paasfeest - een klus die tegenwoordig nog weinig mensen tot een goed einde kunnen brengen.

Er waren handige ezelsbruggetjes om van elke maand snel de zondagsletter te vinden als die van januari bekend was. Bij elke jaarwisseling schoof de zondagsletter een letter op, want 365 dagen is 52 hele weken plus een dag. Het jaar 2002 krijgt zondagsletter F, 2003 heeft zondagsletter E. In schrikkeljaren zijn er twee zondagsletters, doordat de schrikkeldag de zaak in de war stuurt: één voor de dagen voor 29 februari, en één voor de dagen erna. Zo heeft 2004 de zondagletters D en C. Na een schrikkeljaar wordt dus ten opzichte van het jaar ervoor een letter van het alfabet overgeslagen, want 2005 krijgt de zondagsletter B. Zou dat de herkomst van schrikkeljaar kunnen zijn?


Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Algemene gebruikersvoorwaarden
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken

Over dit hoofdstuk/artikel

auteurs

  • M. Siesling

  • Rutger Kiezebrink

  • Marc van Oostendorp

  • Frans Debrabandere

  • Koen Dille

  • Hans van Maanen