Architectura moderna ofte bouwinge van onsen tyt


auteur: Salomon de Bray


editeur: Ed Taverne


bron: Salomon de Bray, Architectura moderna ofte bouwinge van onsen tyt (ed. E. Taverne). Davaco Publishers, Soest 1971 (facsimile van uitgave 1631)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. I]

[Architectura moderna ofte bouwinge van onsen tijt]



illustratie

[p. III]


illustratie

Aen de E.E. Hooghe-Achtbare,
Wyse ende seer Voorsienige Heeren,
De Regeerende Heeren
Borgemeesteren
Dirck de Vlaming, Abraham Boom, Iacob de Graef, ende Geurt Dirckz Beuning.
Mitsgaders de Eerentfeste
Thesavrieren
Anthoni Oetjens, out Burgemeester,
Pieter Bas, out Schepen,
Der VVijt-beroemde Koop-Stadt
Amstelredam.

Myne heeren,

Boven de naturelijcke verbintenisse, en schuldighe plicht, die alle Onderdanen verbonden ende gehouden maeckt, omme te eeren en te achten hunne (van Godt gestelde) Overheden, en regeerende Machten, als Opper-Hoofden geboren om te gebieden. Soo isser boven dien noch eene sekere invvendige neyginge, oft inclinatie, die dese verplichtinghe vergeselschapt ende bindt, met eenen sachten bandt van liefde, en gunstige geneghentheyt, doende beminnen, met een vyerige treck van goetvvilligheyt, en dienen, met een onverbrekelijcke getrouvvigheyt, dese aertsche Goden, vanden Hemel, met ontallijcke gaven begonstight, om mildelijck, en goet dadighlijck, hunne mindere, oft onderdanen, daer af de vruchten te doen ghenieten. VVelcke ghenoemde invvendige neyginge, spruyt, ofte synen oorspronck neempt, uytte gedenckenisse van ontfangene vveldaden. VVaer van my geprickelt voelende, Eerweerdige Heeren, bevvust de rechtvaerdige vloeck en laster der ondanckbaerheyt: So hebbe ick uwe Hoogheden dit Boeck; in-

[p. IV]

houdende de voornaemste konstige Gebouvven onses volck-rijckende Amsteldam, verselt met eenige der voornaemster onser buur-Steden, alle ghedaen by den vvijdt-beroemden, en vernuften Mr. Hendrick de Keyser, in syn leven uwer E.E. geliefden Dienaer, en Bouvv-meester der genoemder Stadt, onderstaen op te dragen, ende toe te eygenen. Vertrouvvende uwer E.E. het selve als een schuldige Danck-offer sult aennemen, ende uwer E.E. doorsiende oogen daer gunstigh over laten gaen.

Voorsienige heeren,

Sonder de aenmerckinghe, het by allen tyden een loffelijcke ende prijs-vvaerdighe sake geacht ende gehouden gevveest is, dat een privaet borgher sich bevlytight ende betracht heeft, de eere, ende de uytnementheyt synes Stadts, oft geboort-plaetse, beroemt ende bekent te maken, ick soude bevreest gevveest hebben desen mynen geringen arbeyt te besteden, in het uytgeven deser Gebouvven, ende uwe Hoogheden die toe te eygenen. Dan door dese voorseyde aenmerckinge gehart ende verstout zijnde, ick hebbe dit tegenvvoordighe dus verre gebracht: streckende, tot grootmakinge uwer E.E. gunstige neyginge, tot verbeteringhe onses Vaderlijcke (en uwer E.E. regeerende) Stadt, bevvesen: en om; derselver konstige vercieringhen, vvijdt en verre te doen sien, ende te vertoonen. Ontfangt dan Mogende Heeren, dese kleene Gifte, ten offer geleyt, aende voeten van uwe Hooghe Achtbaerheden, het eerste teecken der danck-schuldige genegentheyt.

 

Vwer E.E. toe-gedane

 

CORNELIS DANCKERTSZ: van Sevenhoven.