Architectura moderna ofte bouwinge van onsen tyt


auteur: Salomon de Bray


editeur: Ed Taverne


bron: Salomon de Bray, Architectura moderna ofte bouwinge van onsen tyt (ed. E. Taverne). Davaco Publishers, Soest 1971 (facsimile van uitgave 1631)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

Aen den Leser.

ICK hebbe u dit tegenwoordige Boeck, gunstigen Leser, onder den name van de Bouwinghe van onsen tijdt willen voordragen, en dat wel eygen, alsoo in het selvighe geene ghebouwen en zijn begrepen, ofte hare Stichtingen en werden niet alleen van de daghen onser Ouders: maer by naer meest alle van onse vroege jaren bereyckt; En selfs onse ooghen hebben vele der selver plaetsen ledigh: of met andere namen bekleedt ghesien. Een saeck niet sonder verwonderingh, oock voor den naerkomelingen, dat in so weynige Iaeren is herbouwt een so vasten gedenckenisse, voor vele volgende Eeuwen, van onsen wel-geluckigen bloeyenden tijdt. In de eerste tyden als onse oude Voor-vaderen in hen eenvoudigheydt, yder alle zijns selfs noodtlijckheden besorghden en alle Konsten, en Hand-wercken, sonder onderscheyd aen yder waren ghemeen, en zy hen selfs wooninge bouwende; of met de besluytinghe van eenigen Bergh-hol, of met de t'samen-bindinghe van eenigh rijs of riedt met Leem beplaystert, en met bladeren, of eenighen dichten mosch ghedeckt: hen van het wyde ruym af-sloten, ('t zy dan of dat het licht der Bouw-konste noch tot hen niet gekomen: oft met een voorigen wyseren tijdt by hen vergeten was) so en zijn ons van dese, geen andere ghedenckenisse gebleven, als de verdrooghde lichamen, van so matige zielen, overdeckt met de in-ghevalle daecken, van hen onvolmaeckt ghetimmer. En heeft also vermits de swacke beginselen, en 't verval; de schuyl-plaetse van hen leven, met eenen oock gedient tot een herberge voor haer doode beenderen; En hebben soo alsdoen beyde den Werck-man en 't werck een gelijck eynde ghehadt. Maer hier naer, als door 't vermenighvuldighen der Na-neven, de +gemeenschappen, en t'samen-handelinghen, de wetenschappen, en oeffeninghen deden verwackeren, en dattet eerste Peltkleeden (van Gode ghekomen tot den menschen) als een bysonder konste onder haer aenghenomen was; alsdoen segh ick, heeftmen oock begost de Wetenschappen, Konsten, en Hand-wercken (nu verdeels-gewijs onder den menschen verspreyt) te onderscheyen, en elck naer zijn aerdt, en geslacht, met een bysonderen name te noemen; En is van dien tijd voorts, oock een yeder naer de konste die hy sich aentrock, benaemt gheworden: Als, Aerdt-kender, Ster-kenner, Hemel-meter, Telder, Bouw-meester, Reedenaer, Zedeformer, VVet-gever, VVijs-liever, en so voorts. Onder alle dese, en is de Bouw-konst geensins de minste, of ondergeblevenste geweest, maer heeft altoos by de eerste plaets gehouden. En seecker so 't eerste van de noodt-saeckelijckheden des levens, is het voedsel, het tweede de kleedinge, het derde, is sonder weder-segghen de woon-plaetse, en 't vertreck voor ons ghesin; En al hoe wel de t'samen-wooninghe der Volckeren, besluytinghe van Steden, Burgerlijcke Verbintenissen, en de Zedenforminge, en Wetten, zijn saecken van onweerspreeckelijcke waerde; Soo zijn nochtans alle dese maer dienende tot de behoudenis, en versekeringhe der drie eerst-gheseyde noodtsaeckelijckheden; Maer dese drie, sonder ander tusschen-middel, dienen tot behoudenisse van ons selven. Eener dese dan, te weten, de kennisse der Bouwinghe, oft Bouw-konst (welcke soo wel bevat beyde het Timmeren en Metselen, als alles wat tot de op-maeckinghe van een geheel gesticht behoort) sal my (suy veren Leser) dy lusten voor te dragen in hare eygene waerde, voor so vele my doenlijck, en dy bevattelijck sal zijn. En vervolgens, wy sullen spreecken van hare Oudheydt, waerheyd, en waerdigheyd.

Nopende hare Oudtheydt, achterstellende de Griecken, wy komen tot den Hebreen als veel ouder: En selve wy lesen in +de H. Schrift dat Cain d'eerste Stadt Enochia heeft gebouwt. Seth (volgens Iosephus) heeft de eerste Zuylen oft Pilaren gemaeckt. +Iabel, Lamechs sone, timmerde de eerste Hutten: Maer Noë heeft dat overmachtighe werck, de behoudenisse van +alle Zaeden de Arcke gebouwt. In alle dese wercken en is het niet al slechtelijcken toegegaen, ghelijck 't gemeen gevoelen is, dat alle eerste vonden onvolkomen zijn; maer het is seker, dat de selve zijn ghedaen met een volkomen wetenschap, en spiegelingh, met klare kennisse, van de ware. Even-redenheden, en verdeelinghe der leden en deelen van 't gheheel. Want doen noch de onbedurven aerde toe liet, de suyvere zielen der eerste Vaderen, de heylsame wetenschappen te bevatten. En +waerom, en soude oock niet dese konste, so wel als de Pelterye en 't kleeden, van Gode tot de kinderen van Adam zijn ghekomen? ofte immers den Voor-vaderen door een bysondere verlichtinghe zijn gheopenbaert? Doch eyschtmen bewijs? +Godt selve heeft Noë de Timmeringe der Arcke ghewesen. En nu naer dat de hooghe vloedt versweene, en het vlottende +Huys op de soppe der Bergen van Armenien rustende was; en dat alle levendighe Zielen uyt de ghevangenisse verlost, bewandelde +een gesuyverde Aerde, den Rechtveerdigen Noë heeft den Heyligen, Hoogen een Altaer, ofte Offer-steen ghebouwt. En voorts vervolgens, wat sullen wy seggen van de Bouw-konst en haren wasdom, ja tot hoe verre isse by den kinderen +der Menschen mis bruyckt? dervende inde dagen van Nemrod, self den Hemel tergen, en hertneckelijck d'eene hooghde +op d'ander hoopende: hebben niet af-gelaten voor dat het Babel Taclwerren, hen dwaes voornemen met beschaminge verydelden. Noch blyve ick onder de kinderen van Heber, en sie de eenvoudige bewoonders en Burgers der Hutten, de Godvruchtighe +Vaders, Abraham en Isaac Gode Altaren timmeren: Iacob stelt den merck-steen van zijn Hemel-droom, en de Verbond-steenen tusschen hem en Laban werden gericht: De Koorn-solders van den suyveren Ioseph raecken over eynde. En +voorts gaende, Iacobs Naer-neven werden vermoeyt met de aNaelden van Egypten. En uyt-geleydt van den VVonder-heylighen bVondelingh: swervende door de onbewandelde Wildernisse van Sinai, hebben naer 't voor-beeldt van Gode gethoont, ghetimmert ++de heylige overlommer de Hutte van den Almachtigen, ende de allerheylighste Arcke, en Genaden-stoel. Den verlichten +Bezeleel en Oliab zijn uytvoerders geweest van de wercken des Heylighdoms, en haere handen hebben ghemaeckt de +Rust-plaetse des Alderhooghsten. En noch, als de cNieuwelingen Iacobs, by den onschuldighend Dagh-lenger: in hen beloofde Erfdeel zijn in gheleydt door de gedrooghde Iordane. Siet sy hebben hen Steden van het slaefsche Chanaan al voorens ghebouwt gevonden. Maer ey ed'eerste stercktste deser heeft alleen voor 't gesichte des Heyligdoms geschuddet, en haren getoornden Ringhmuur is gevallen voor 't geluyt van de Priesterlijcke Basuyne. Maer Israel, Chanaan voorts op de necke tredende, heeft alle zyne vaste Sterckten gemaeckt tot een vervallinghe, en zyne ghetimmerde Steden tot steen-hoopen. Nu om voorder oudtheyd der Bouw-konst en ghebruyck van dien te bewysen, sal onnoodigh zijn neerwaerts te dalen tot de tyden van den VVijsten Koningh, ofte oock te verhalen van dien soo wijdt beruchten Tempel, by hem den God Israels ghetimmert. Houde genoegh met het voorigh verhaelde verklaert, hoe vroegen begin dese konste heeft gehadt, en tot hoedanigen volkomentheyd die al in de tijdt van Iosue geraeckt was; 't welck naer de ghemeene rekeninge is gheweest ontrent 2495 jaer naer de scheppinge, en 1469 jaer voor de geboorte onses Salighmakers. En gemerckt, dat de kinderen van Israel achter hen hadden ghelaten de Koorn-solders, en Naelden van Egypten, en hier voor hen vonden soo vaste Steden des Landts Chanaan. 't Is als seker te houden, dat dese konste als doen al 't behulp van eenighe voor-ghegane wyse tyden, of immers van eenen moet gehadt hebben; En of wel te ghelooven is, dat by den volcke Israels, soo vermidts henne lange doolinge, als oock vermidts de Oorloghe, met haer in-trede int lant van Beloften, door de welcken alles 't onderste boven ghekeert wert: Meest alle goede wetenschappen: daer onder oock de Bouw-konst zijn inverval gheraeckt; Soo en is doch de selve, daer deur niet +geheelijcken uytgeblust, oft vergeeten geweest. Want noch by Iosue selfs is opgerecht en ghebouw: een gedenck-teken van +den overtocht der Iordane; Oock hebbē de Rubeniten en Gadditen, met eē gedeelte van Manasses aen dees zyde der Iordane een +Offer-steen tot ghedachtenis van hen verbondt met d'andere stammen opgerecht. Soo oock mede hebben de kinderen Israels, ++dewyle sy de meeste Steden van Chanaan uyt geroeyt hadden, noodlijck voor hen weder nieuwe steden en woon-plaetse moeten timmeren. Waer door te gelooven is, datse dese konste ghedurighlijck by den Hebreen is ghebleven, al-hoe-wel

[p. 2]

+vermidts de vele oorlogen en verdruckinge by hen (geduerende de Rechteren tot op Samuel toe) van de overghebleven gheslachten der Chananiten en ombuerige Volckeren geleden, niet in evener volmaecktheydt, ja 't schijnt wel dat dese konste +een weynigh voor de Koningen by naer te niete moet zijn ghekomen; doch heeft inde tyden van den Koningh David, +weder begonnen op gequeeckt te werden, en eenigen luyster gekregen, ja is onder den Koningh Salomon (soo 't blijckt uyt +alle Ghedenck-schriften van dien tijdt) weder gekomen en geraeckt tot op zijn hooghsten trap. Nu sal misschien yemandt +seggen, ick hebbe wel bewesen de outheyd der Timmeringe van Steden, Huysen en anders, alle 't welck waer is, en niet tegen +gheseydt kan werden; maer daer uyt en volght niet klaer genoegh de oudtheyd van een konstige Bouwinge in sodanighe regulen bestaende, als nu onder den name van de ware Bouw-konst der Ouden wert voor-ghedragen, 't welck nochtans geseyt was: want den grooten Bouw-meester Marcus Vitruvius selve en gaet in zijn beschryvinge deser konste niet verder +als tot de Griecken, die hy stelt als Vinders dier konste, ja het Corintisch Capiteel, seyd den selven Vitruvius gevonden te zijn +van eenen Calimachus by genaemt (om zijn seltsaemheydt in dier konste) Cachizotecnos, welcken dit Capiteel in de Stadt van Corinthen eerst in de wercken gebruyckt heeft, waer uyt volght, de Bouw-konst niet van soodanighen oudtheydt te zijn als voorheen gestelt. Hier tegens willen wy nochtans met vaste redenen onse geseyde outheydt haer bewysen; En dat niet alleen een slechte en gemeene timmeringe, maer oock een cierlijcke en konstige, welcke alle saecken der Bouwinge te gelijck bevat, is van so hooghen ouderdom, en al so vroegh in ghebruyck geweest, als vooren verhaelt is. Voor eerst wy ontkennen de Griecken eerste Vinders der Bouw-konst te zijn, en dat uyt dese redenen; om dat al de bewysen van de Griecksche oudtheden, en dese vindinghen, meest alle zijn ghenomen uyt de erdichte versierselen der oude Griecksche Schryvers en Dichteren, en daerom heel onseker; om 't welcke te betoonen, wy sullender eenige weynige aenroeren. De vindinghe der Sage, Byl, en andere Timmer-reedtschappen, schryven sy Dedalus toe; die even voor, of ontrent Theseus tijdt moet geweest zijn; daer nochtans by de 800 jaer daer te vooren, by Moses de H. Hutte, en ontrent 1040 jaer de Arcke by Noë gemaeckt is,'t welck sonder Byl, en allerley Timmer-gereetschap niet en heeft konnē geschieden. Sy seggen de eerste Geschied-schryvinghe te zijn ghedaen, by eenen Cadmus Milesius, die een weynigh voor der Persier krijgh op de Griecken, heeft gheleeft, daer nochtans de Boecken Moyses, over de 900 jaer daer voorens geschreven zijn. Amphion en Orpheus, werden by hen de +vindingen der Sing-konst, en Snaren-spel toe geschreven, en de Cicloppen 't Smeden: Daer teghens Iosephus, en boven dien de +H. Schrift seyt de Sang-konst en 't spelē van Iubal, en 't Smeeden van Tubalcain, Lamechs sonen gevonden te zijn, etlijcke honderde jaren voor dat Amphion, of Orpheus gheweest konnen zijn; Dit 's genoegh van de Griecksche onsekerheden in 't ghemeen, nu willen wy noch in 't bysonder aentasten de ghestelde vindingh van 't Corintische Capiteel, en met dien de gheheele ordine; Desen Calimachus Cachizotecnos welcken sy dit toe eygenen, heeft gheleeft, naer al dat wy daer van hebben konnen vinden, ontrent oft een weynigh voor de tijdt dat Pericles t'Athenen 't meeste bewint hadt, 't welck mach zijn geweest in 't +3500 jaer van de Scheppinge: En nochtans wy lesen in Iosephus van den bouwe des Koninghs Salomons; inden welcken onder ander vermaendt werden van 16 Pilaren met Corintische wercken (dat de Capiteelen oft Hooftstucken zijn) ghedeckt; dit is wel over de 500 jaer voor desen Calimachus geweest: waer uyt nootlijcken volght: dat isset hier, en soo vroegh ghebruyckt, dat het noch al vorens, en niet soo laet: by desen Calimachus binnen Corinthen gevonden moet zijn: wel kan 't zijn, dat Calimachus den eersten is gheweest die aldaer die ordine van elders her-over ghebracht, of inden wercke ghebruyckt heeft, en dat daer door naderhand de Griecken zyn in de meeninge geraeckt, van daer, en by hem te zyn gevonden. Aengaende +de vertellinge die Vitruvius daer af doet: te weten van 't graf des Corintische Magets, en den Teyl, met haer Speelgoet geset op de wortel van fBerenclauw, dit alles komt so eygen, en uyt genomen aerdigh ten voornemen, dat door de behaeghlijckheydt der vertellingh, den meesten hoop sonder verder naersoeck, sulckx gaerne voor waer aenneemt. Iae my is selve leet dat ick tegens een saeck, soo over een komende met de Natuur, schryven moet. Doch de waerheydt moet by ons meer wegen, so oock en is dit de eerste schoone onwaerheyt niet, die by de Griecken is te vinden. Maer nu, dese saeck noch wat nauwer ondersoeckende; yemant mocht vragen uyt welcke redenen dan dat Josephus dese wercken Corinthische noemt? Waer op wy seggen, dat sulcx gheschiet in dier manieren; als of hy wilde seggen, soo-danighe wercken, alsmen nu Corinthische noemt. 't welck blijckt. daer hy seyt, sprekende van eenige wercken der H. Hutte, de welcken hy seght de Dorienser +gelijck te zijn. daer nochtans also dit by de 500 Iaer voor Salomon was, te ghelooven Staet, ick laet staen de wercken, den name Doris noch onbekent, en niet in wesen was, of oock en heeft Josephus misschien int Griecx geen ander naem gevonden +om de selve mede te noemen, en den Griecken te doen verstaen: Nu noch tot nader bewijs, int selve Capittel wat voorwaerts daer hy schrijft van den bouwe des Tempels, en onder dies van de twee metale Pilaren die den Tyroschen Bouw-meester +Chiramum (welcke den Koning Ironius van Tyro te deser saecke aen de Koning Salomon geschickt hadde) maeckten, +seyt hy dat boven op dese Pilaren wierden geset knoppen, als Lelien ghegoten, 't welck eygentlijck het Corintischeg hooftstuck +is, alle dit selve wert in de heylige Schrift noch immer so klaerlijcken uytgedruyckt, daer geseyt wert: Maer de Capiteelen ++die boven op de Columne waren, die waren konstelijck gemaeckt ghelijck een Lelienwerck, en voorts doorgaens +in de heylige Schrift waer van den bouwe des Tempels vermaent wert, en oock mede alle Schryveren (oude en nieuwe) die van de bouwinge des Tempels gheschreven hebben, getuygen datse int geheel al van Corinthischen werck is geweest, welcke maniere van wercken, so men daer wel op let alsdoen niet nieuwelinghs en was, of aldaer eerst gevonden, want als wy dese plaetsen van 't verhael vande bouwinge des Tempels: met dien van de H. Hutte ten tyde van Moyses gevallen, wel teghen een houden, wy sullen bevinden, dat dit van Salomon in 't meerdeel al maer een gevolgh is, van 't ghene Moyses alvorens +(naer 't voorwerp by Gode ghethoont) met hulpe van den verlichten Beseleel gedaen en gemaeckt heeft. En wort in de bouwinge der H. Hutte klaerlijcken van Pilaren met hare voeten en hooftstucken gesproken; en niet alleen Iosephus seyt dat by Beseleel veel nieuwe konsten en vindingen wierden bekomen: Maer oock de H. Schrift selve ghetuyght sulcx klaerlijck, +seggende van Beseleel en Oliab dat sy allerhande nieuwigheden vinden souden: over sulcx gelijcke onsekerheyt als dit +seggen van Pausanias heeft, te weten dat desen voorgemelden Calimachus (neffens dien) noch d'eerste soude gheweest zijn die de Marber door boort, en so dun gehouwen en gewrocht heeft; als nochtans in het tegendeel de H. Schrift alle dit den +Beseleel toe schrijft, so is oock al het ander te achten. Want zijnde dese wercken (nu Corinthische) en oock mede de Dorische: al in gebruyck ten tyde van Moyses wel bet als 200 jaer eer dat de Stadt Corinthen, (eertijds Corcyra oft soo andere segghen Ephyra genaemt) den name van Corinthen van eenen Corinthus heeft bekomen, welcken Corinthus is gheweest den soon van +Pelops, en Pithius Theseus moeders vaders broeder: dit soo zijnde, hoe konnen die dan met recht Corinthische ghenaemt werden? sal het eerder benaemt werden naer het gene dat noch niet en is? of sal yemand de moeder naer 't kindt noemen; dit 's ongerijmt. Dit alle aengemerckt, wy bevinden de onsekerheyd der Heydenscher Schryveren stellingh, en over sulcx, datse hebben ghedoolt, die haer soo licht gheloove hebben ghegheven: nu oft schoon door sulck mijn bewijs den juysten tijdt der vindinge, en den name der vinder of vinders deser konste heel onseker werden gemaeckt, daer is weynigh aen gelegen, als de konste maer seker is. Want oock van de VVereld-schriften, Hemel-loop, Tellinge, en Meetkonste, de Vinders heel onseker zijn, doch dese wetenschappen daer-en-tusschen werden in haer achtinghe hier door in 't minste niet vermindert: Doch is yemandt soo begeerigh om de vindinge deser konste yemand toe te duyen, ons staet (de meeste waerheyd plaets gevende) te ghelooven die by de H. Outvaderen ende den volcken Godts ghevonden te zijn, en is onder die den verlichten Bouw-meester Beseleel wel voor een voornaemsten vinder deser konste te houden. Wy besluyten dan hier mede klaerlijck de oud-

[p. 3]

heydt van een konstige Bouwinghe (als geseydt was) bewesen te hebben, en soo noch yets mochte ontbreecken, 't selve sal int volgende van de waerheyd, en ghewisheyd deses konsts vervult werden. En treende uyt de vermoeyenisse des Ouderdoms, wy komen tot de Waerheyd; de welcke onveroudet, en door geene langhduerigheyd verslindelijck, door alle Eeuwen heen blinckt, en niet soo duyster, als de vergetelbare oudtheyd door alle tyden heen gesleept, is op te soecken, noch en sullen om de selve niet behoeven, so vele wits den Letter-druck te doen lyen.

Komende dan te spreken van de waerheydt of gewisheytder Bouw-konst, Wy seggen dat het is een ware, en wiskonstige wetenschap, en niet: als wel by eenighe wert gevoelt, een ydele waninghe, of Sindrift, gheen eyghentlijcke reden, wet, of noodsakelijckheyt hebbende, van dus, of soo te moeten wesen. Maer slechts al wel te zijn, naer dan yders (segh met een oock der onwetenster) gheval, of behaghen is; 't welck wy bewysen sullen, 't geschil dan sal hier niet zijn, offer oock eenige waerheyt is, of van de ydelheydt der dingen in 't ghemeen, want ten aensien van het eenighe waerachtighe en den Schepper alles ydel, en ydelheyt is; Maer of dese konste heeft een waerheyt en ghewisheydt in hare regulen, en oock soo vele als wel andere konste, en wetenschappen die by den Ouden verhandelt, en oock nu bekendt, en in swanghe zijn. dan ofse maer is een ydele waninghe, niet hebbende eenighe nootlijckheydt van dus, of soo; maer alles so 't valt. Om 't welcke, en wat van deser sake is eyghentlijck te verklaren, wy sullen eerst eyndtscheyen ofbepalen wat de Bouw-konst zy, op datmen verstae wat en hoedanigh het zy daermen af spreke, de welcke dan bepalende seggen:

De Bouw-konst is een overste wetenschap, en werckelijcke kennisse, de welcke: te gelijck bevattende alle de deelen der Bouwinghe, en met een overste beschickingh alle de verscheydene saken der werckinge, daer onder behoorende, in haer eynde te samen brengende, leerd wel Bouwen.

DEse bepalingh dus gestelt zijnde, wy sullen eer wy voorder gaen die noch wat breeder verklaren. Hier moet verstaen werden dat niet het Timmeren, of Metselen, elck alleen is bouwen, maer yder voor sich, 't eene maer timmeren, en 't ander metselen; van gelijcken oock 't Steenhouwen, en Smeden, en alle dergelijcke, dat alle saecken der werckinghe zijn, en zijn geen bouwen, maer yder blyve het selve, dat hy van sijn eyghen aert zy, maer de samenvoegingh, en gelijcke makinghe, en mede-wercken met den anderen, bestiert door een Overste beschickinghe tot een begeert eynde is Bouwen. de bestiering van dese: zijnde een doenende, of werckelijcke kennis, die alle de deelen der Bouw-konst: als sijn de kennisse der redenen, en evenredenheden, bouw-regulen, en formen, de bewegende oorsaken, begin en eynde des Bouws (alle welcke boven de saken der werckinge zijn) bevat, deselve noemen wy een overste wetenschap; om datse alle de verscheyde sakē der werckinge als gebiedende geleyt, en in haer uyterste over-een-brengende: tot het begeert eynt, welck is een vol-bouwinge te samen knoopt. oversulcx den genen die met een kennisse als vooren geseyt is, 't algemeen bestier, en bewint heeft over den gantschen bouwe, is eygentlick (blyvende in tusschen dē Timmerman, Metser, en Steen-houwer, yder dat hy zy) een Bouw-meester, of Bouw-konstenaer. Maer eener die sulck bewint heeft sonder de geseyde kennisse, wy noemē die tot onderscheyt van de konstigen, Bou-Heer; als sulcx zijnde by macht-hebbing, of Overstéschap, gelijck gemeynlick by ons de Stee-Fabrijcquen alsulcx sijn. Welcke dickwijl so veel van 't pit der sake weten, als een blindē Mol. En of nu, dat dickwils gebeurt: sonderling in gemeyne Burger-bouwen, dewelc so veel waernemens niet en vereysschen: of den Metzelaer, ofden Timmer-man sulck bestier aen sich trect, en onderneemt, so moet verstaen werdē dat dit niet en is eygentlijck het Ampt oft 't doen van een Metser, of Timmer-man, want dat is. maer metselen, en timmerē. 't welcker uyterste eynde de Bou-konst maer stucx-gewijs bereycken, maer voor so vele als hy Timmerman, of Metser sulcx gedaen heeft, heeft hy bedient 't Ampt van een Bouw-Meester. doch naer de mate van zijn wetenschap want het en zijn al gheen Kocks, die lange messen dragen dan dat sulcx geschiet, en is niet al oneygen; Want alle dese Timmeren, Metselen, Steenhouwen, Leydecken, Schrijnwercken, Smeden, Glazemaken, en dergelijcke handwercken, zijn alle saecken der werckinge, en behooren eygentlijck onder 't Bouwē, als haer opperste ageslacht, waer van zy bafkomstē zijn, en door dies den anderē vermaegschapt. Maer de Meet-konst, Deurschouwing, Schijn-beschryving, of Schilderen, en Beelt-houwen, zijn de Bouw-konst vermaeg-schappende in evenen grade, dan nietemin, laten sich dickwils, en doorgaens tot, en onder de selve buygen, en ghebruycken. Nu valt noch te segghen dat hier eyghentlijck te pas komt, nopende 't beduncken van eenighe, welcke meenen dat een Bouw-meester oock noodtlijck of een Timmerman, Metser of Steen-houwer, of wel alle drie behoort te zijn, of immers dat het beter waer, waer op wy seggen neen, noch en heeft oock in 't minste geen reden van nootsaeckelijckheyt, en al-hoe-wel dit uyttet voorgaende volcht, en genoegh te bevatten is, wy sullen 't evenwel om genoegh te doen, wat naeckter verklaren en dat met dese redenen, ten eersten: vermidts d'onmeughlijckheyt alsoo alle wetenschap niet by een mensch te deghen bevat, en gedaen konnen werden, ten tweeden, vermidts d'onnootsakelijckheyt selve, want als by den Bouw-Meester, maer alleen de eynde waer in de werckinghe haer in 't bouwen versamen, wel verstaen werden, is ghenoegh, en in dit te verstaen en komt niet te pas, noch de kundschap der werck-tuygen, of oock hoe die te gebruycken, of alle derghelijcke werckelijcke saecken, want alle dese volgens 't voor beschreven eynde des bouw-Meesters, daer den Metser, en Timmerman en allen andere naer gewrocht hebben, al volkomen en gedaen zijn, en schort maer de samen brengingh; Over sulckx 't is genoegh, als den Bouw-meester maer klare kennisse heeft van deser werckingen eynde. doch soo hy oock deser sake yets kundigh is, en bevat, 't geeft eenige meerder gereetheyt. Hier mede genoeg, en wy gaen voorts en komen tot ons geseyde bewijs, 't welck wy door drie wegen sullen hervoor brengen, en eerstelijck door de noodtsaeckelijckheydt des ghebouws teghens 't welcke geen ontkennen valt. Want dewyle het bouwen al vorens gheseyt is, is de derde noodtsaeckelijckheyt onses levens, welcke door den noot-dwangh om sich tegens alle buyten ongemack te versekeren, tot de kennisse der menschen ghekomen is, en uyt dies zijn oorsprongh en begin heeft ghenomen. Wie kan met reden segghen dattet maer een ydele wetenschap is? ende noch meer, gelijck de menschen en oock d'huys-gesinnen vermenighvuldighden, en meerder wierden, alsoo is dese nieuwe konste benoodight geweest, sich oock te meerderen, en grooter sake te ondernemen, werdende intusschen aldoende door de samen handelingen, en oeffeninge, de vernuften oock verwackert, sulcx dat alles welckx eerste rede was door de noot oock een seeckeren reghel en wegh, door 't ghebruyck bekomen heeft, en of ons schoon vande eerste noodt-reden gheenighe gheschriften, of overblijfselen en zijn ghebleven, nochtans konnen wy deselve in de beoeffeninghe der konste, wel bemercken, en inder daedt ghewaer werden hoe-danigh, en welcke die zijn gheweest. want ons af te scheyen, te besluyten, grooter en kleender, naer meer en min ghesin; inganghen, en lucht-gaten, mede heyrt-stede, ende legher-plaetse in dien. dit alle zijn noodtsakelijcke, en noch sedert de samen-wooninghe der volckeren, en 't Stee besluyten oock meerder benoodigingh, want willende soo groote plaets besluyten, welcke de lenghde der balcken niet over konde recken; hier zijn in de voegingh, en elders stijlen gestelt geweest, tottet selve is men oock gedronghen geweest, in de opene zyden der galderijen, en voor-portalen. seker heeft dit weten geen waerheydt, 't welck bevat ware, en noodtlijcke saken, so weten wy daer geen. Maer nu komen wy tot het geen, over welcke de reden gheleydt van het oordeel, het gebiedt, en de keure heeft aen-aengenomen; de welcke, gelijck als alles bestaet in maet en gewichte, door het wicken, en tegen een houden der dingen, en saecken, die uyt een gront ontstonden tegen dier beweeghden, heeft ghevonden de cevenredenheyt; hier is voorts uyt ghevolght de Bouw niet alleen of grooter, of kleender; maer oock of kostelder, of slechter, of stercker te maecken. En door de

[p. 4]

noot had geleert ingangē, lucht-gatē, en heyrt-stede te makē, daer heeft de rede gewese waer, hoedanig en van wat grootte, en oock mede 't eerste enckel ruym, gheleert te verdeelen, of te versellen met meer plaetsen, uyt welcke de forme des gebouws eyndlijck is herkomē, en gelijck ons hooft, neuse, mont, en alle eenige en voorneemste leden int midden zijn, also heeft de natuurlijcke reden oock gewesen den ingang en voorneemste, en alleen wesende plaetsen, 't midden te gevē, en weder de zijde, en eyndel-plaetse te paren als vleugelen, armē en handē. nu de ledē van desen hebben oock redelicke hervorminge becomē en daer de noot stijlen maecten, daer is by gecomē, maet, form, plaets, en getal; alle 't welck so lang verbeteringe heeft gehad, alsser verbeterende redenen gevolgt zijn. tot datmen eyndlijck tot de uyterste schoonheyt is gecomē, en waerachtelijck het ronde,'t welck de pylaer toegevoegt is, is de volmaeckste gestalte van alle wis-konstige forme, en nochtans om bewegende redenen, is de dposte echter vierkant gebleven, en voorts wat heeft oock meerder over eencomē met de natuur, als die te geven evoet, fhooft, en glijf, en menschelijcke redens lengde. En voorder noch, die weder tot versekeringe met hoverbalcken, en istijl banden samen te binden en daer boven de krust-plaet voor de dwars bintē welcke voor dē water-drop versekert wiert, met de boven lhoornig overstekende dack-lijst, en weder willede de Pilaren meerder verheffinge geven, men heeft tot behulp de mzoole, en nvoet-stijl gevondē, en nopende der otusschen wijde der Pylaren, uyt de eerste redē des Bouwers, men heeft niet een Pylaer, maer de tusschenheyt het midden gegeven. waer uyt volgt, altoos oneve vacken, maer evene stijlen te moeten zijn. Maer de breede der tusschen-wijde heeft sijn maet gekregē na den macht des stijls, bestaende uyt zijn dicte, oock gemerck nemende op de last des over-balcks, en willende meerder wij de hebbē, men heeft de pboogē en qboog-posten te hulp genomen, maer siet eens welc een schoonen saeck en hoe nauw oock gesocht de even-redenige grootheyt der lichten tot hare plaetsen, hebbense uyt de waerneming der Son, en daghlicht-schauw ... gevonden, en̄ de wintstreken hebben met onderscheyt voorste, en achterste doen kiesen. Siet dit sijn de redenen en bewegende oorsaken, door, ofte uyt de welcke de eerste vinders, en waernemers der konste, de oorspronckelicke, en eerste rbeginselen hebben genomen, en erdacht. Ic geve nu den wederspreker selve te oordeelen, of in dese eenige waerheyt, of gewissigheyt van natuurlijcke redenen ontbreect, om voor een suyver verstant bevat te werden, blijft hy hertneckig? Ic houde voor alle redelijcke, nu door dē weg des redens, en voorens door de nootsakelijckheyt, genoeg myne meeninge en geseyde, verklaert te hebben; Nu sullen wy seggē van de gebruycken, dewelcke waerse aflaten de redene te volgen sonder onderscheyt goede, en oock quade saken tot sich trecken. Door 't gebruyck en̄ de oeffeninge dan heeft dese konst gevordert, en oock eenige vastigheyt bekomē; 't welck is geschiet, vermits de vlytigste waernemers, onder de eerst-volgende in dier konste, de eerste vonden, en beginsselen van dien, welcke hen ter handen gecomen zijn; hebbē of met proevelijcke redenen verbetert, of bevestigt. En voorts uyt, en van de selve sekere forme en regulen samen gestelt, 't welck also 't door 't verspreyden by eenige, en oock vele gelijcklijcken wert beoeffen[t,] en ter hant getrocken, heeft oorsake gegeven dat door dese samen oeffeninghe, en gemeene ter hand-treckinghe de kons[te] heeft becomen een gantsch sekeren en vasten voet, beydes in hare regulen, en formen; dan alsoo dese oeffeninghe geschied[e] by verscheyde geslachten, talen ende volck, 't is oock gevallen datse in haer regulen, en gestelde formen, alhoewel nochtans gegront op een en de selvige beginselen, hebben gescheelt, en verscheyden geweest, welcke verschelinghe oock met onderscheydelijcke namen by den nakomelingen sijn onderscheyden en genoemt geworden, of naer de plaetse daer die waren gevonden, of dan die de outste gedenckenisse van 't gebruyck desselfs hadden na gelaten; Als Barbarische, dat 's woeste of ongeregelde, so genaemt van de Barbaros, met welcken name de Oude Griecken alle buyten volckeren plegen te noemen, rechts gelijck als wy hedensdaegs de volckeren van beyde de Indien, ende die van Guinea, Angola, en Brasilien alle te gelijck Wilde noemen. Attische van het lant Attica, Dorische, en Jonische van de landen Doris en Ionien. So oock mede Tusschaensche en Corintische van Tusschana, en der stadt Corinthen. Alle welcke verscheyde soorten oste wijse van Bouwinge: alsoo zy in hen beginselen (als vorens geseyt) noch oock in hen Ampten en eynde niet en verscheelde, maer over een quamen, zijn by de vernuftigste der Bou-Meesteren des naerder Eeuws (onder de welcken wy de overgebleven schriften van onsen Vitruvius bekennen) sorgvuldelijck en met allernauwste waerneming en op-merck by een versaemt en vervangen in vier wyse of soorten, als Tusschaensche, Dorische, Iorische, en Corintische, welcke alsse waren geschickt, dat blyvende yder in zijn forme suyver en onverandert, men altoos van grover tot teerder, en teerder voorts ginck, en door sekere algemeene regulen, nopende hen gebruyck daer by gegeven, de selve als bereyt en bequaem gemaect, om teffens ende te gelijck in een bouwe (doch met onderscheydelijcke schickinge) gebruyct te werden. Boven dien heeftmen in de aller bloeyenste Eeuwe des Roomschen Rijckx, noch een nieuwe of effer soorte of geschick van Bouwe (vermenght uyt eenige der voorgenoemde soorten) samen geset, welcke naer haer samen settinge, heeft den name van Gemenghde, maer naer Roomen de plaetse haerder vindinghe of eerst ghebruycte, de Roomsche. Hier merct den onzijdigen Leser wel in hoedanigen schickelijcke wyse dese konste al deur sy gheclommen, en gevordert, welcke door de gebruycken, en gemeene oeffeninge der vlytigste so sekeren wer, en vaste regulen heeft becomen, dat de selve sijn noch te weer spreken, ofte te erbeteren. Ick late staen te wroegen van eenigen ongewissigheyt, of onwaerheyt. En soude dese gewisse waerheyt, welcke deur noodsakelijcke, natuurlijcke, en wis-konstige redenen is bevestigt, vaste proeve houdē, wanneermen onse konstige bouwinge, en haer regulen, vergeleke tegens de Barbarische (herkomen vande Gotthen) van onsen tijt, welcke tot onlangs voor onse Eeuwe in dese Landen alomme is in swange, en gebruyk geweest. Nu door 't betuygen van so vele wichtige redenen, bewesen hebbende onse konstige bouwinge te hebben een gewisse waerheyt: willen 't selve met de Achtbaerheyt van eenighe aengetrocke getuygenisse uyt de H. Schrift vorder bevestighen. doch eer wy daer toe komen, sullen kortelijck betoonen dat de Bouw-konst niet alleen en besta uyt het noodsakelijcke, als makende een +huys; Maer oock boven dien konstigh en uytstekende moet zijn, 't welck in de bouwinghe der H. Hutte en oock Salomons +Tempel blijckt, in welcke de mogentheyd Gods, als met een uytmuntentheyt, van konst, nieuwe vindinghen, cierlijcke gesnede +wercken, en kostelheyt heeft al heerlijck willen uytsteken, en den sterffelijcken door dies als met een verwonderingh +verbasen, en also tot hooger aendacht trecken. De natuurlijcke reden wijst sulcx als noch in Kercken, Raets-huysen, alle gemeyne +gestichten, en oock aensienlijckster borgeren gebouwē vereyscht te werden, Komende nu tot ons geseyde, Ick vrage +(achterstellende de onderwysing Noës) als den Heere in Exodus sprekende van Bezeleel, seydt; Ick hebbe hem vervult met de Geest Gods, met wijs heyt en verstandigheyt, ende b kennisse in alderhande werck omme te verdencken alle dingen diemen konstelijck maken mach; of dit nu een waerachtige verstandelijcke wetenschap sy geweest? of maer een gewaende ghewisselijck een ware en wie sou derven anders dencken? dit selve wert eenig Capittelen verder noch weder herhaelt als volgt: Aldus +hebben Bezeleel en Oliab en alle wyse mannen, welcken den Heere wijs heyt en verstant gegevē heeft dat sy soude konnen konstelijcken wercken, alle datter noodlijck was tot behoef der Heylighdom-Stede, en̄ al dat den Heere bevolen hadde: oock +wort van Salomons Bou-Meester Hyram, (en door dies de konste) betuygt dat hy was een konstigen werck-man, vol wijshedē ++en verstant, en noch by Esaias wort vermaent. van de wyse in Architectura, en in Ecclesiasticas wert oock vermelt van dē arbeyt +en vernustige wercken der Architects, of Bou-meesters. Siet nu eens hoe claerlijck, en overvloedigh, de H. Schrift ons voorgestelde bevestigt, sprekende hier van hooghe wijsheyt en kennisse; daer weder van de wyse, en constenaers, en vernuftighe wercken. Alle welcke getuygenisse niet en passen op ydele, en gewaende wetenschap of persoonen, oeffenende vergeefse, of ydele consten. over sulcx, wy comen tot besluyt, en proevende wy seggē: de Bou-konst heeft een gewissigheyt en waerheyt door de nootsakelickheyt, by natuurlijcke redenen, door de gebruycken en proeve; en oock by getuygnis der H. Schrift; soo dan de Bou-konst heeft een waerheyt, en voor de keurigste, en die dese beweeghlijcke bewijs-redenen niet ghenoegh sy, wy sullen sulcx met een schickelijcke bewijs-reden vorder bewysen, als volght:

[p. 5]
Alle konst bestaende uyt gewisse, seeckere, en waerachtige kennisse; heeft een waerheyt. De Bouw-konst, bestaet uyt ghewisse, seeckere, en waerachtighe kennisse: Soo dan, de Bouw-konst heeft een waerheydt.

MAer nu der Bouw-konstens oude en waerheyd daer zijnde: Wy zijn gekomen tot te bewysen hare waerdigheydt, en wat kan ons doch lichter vallen? Alle waerdigheydt is eyghen, of vreemt. Eyghen waerde, is die wy noemen achtbaerheyd; welcke vermits zijn eygen waerde, sich selven achtingh baert, en dese is altoos waer; maer vreemder is die, welcke door 't ghevoelen van anderen van buyten aen komt, en wy achtinge noemen welcke beyde is waer, en valsch: Ware, die uyt waerheydt bestaet: maer valsche, die uyt gewaende herkomt. Spreeckende eerst van de eygene waerdigheydt en die sich selven achtinge baert; dewyle wy vande Bou-konst bethoont hebben hare ontwijffelbaere oudheyd, en van Gode of zynen volcke herkomē te zijn, en oock mede bewesen een soo sekeren waerheyd van dien. Seker wie sal een meerder eygen waerdigheyd vereysschen? ende de dese niet genoegh zijn? Nu nopende hare achtinghe, welcke op dese eygen waerdigheyd is gegrondt, wy sullen om tijdt te winnen, weynighe doch heel sekere her voor brenghen. En +eerst den waren God heeft in en door dese konste willen ge-eert zijn, ende zyne glans en Mogentheyt als verbeelden laten. +En tredende lager trappen, en menschen gangen, indien wy weder de paden der outheyt doorliepen, en van de eerste tot de +hedendaeghsche Eeuwe af traden, wy souden eer den Leser vernoegen, als, aen voor-beelden ontbreecken: Maer ey! staet eens maer een weynigh, en siet in wat achtinge die in de tijdt van Salomon is geweest, en wat werck van den Bouw-konstenaren is ghemaeckt, de welcken versocht van den eenen Koningh tot den anderen zijn in eeren op-gheklommen: en wordt +den Bouw-meester Hieram van den Koningh van Tyrus selve zijn vader genoemt. Wat ware al her voor te halen vande Assyrier, +Persen, en Egyptenaren: doch met versser geheugnisse gedencken wy de Griecken, en sullē wy spreken van de heerlijcke Bouwen van Piricles, wiens Bouw-meester Phidias een awrocke zijnder nyders is gheweest, oft sullen wy des bWerelts Dwingh-heers wonderen Dinocrates her voor halen, en van zynen wonderen cAthos seggen: maer noch een naerder Eeuw sal ons bekender zijn. Siet de Roomsche volckeren wat een werck hebben sy van de Bouw-konst en hare Bouwinghe ghemaeckt, welker opperste bewint onder den name van d Bouw-heeren hen allerdappertste mannen altoos is bevolen geweest: Waer uyt zijn ghevolght soo over machtighe wercken, van de welcke noch vele ten spyte des slytenden tijds hen hooft en hoornen, door de af-gebrande assche en puyn-hoopen op steecken, en siet een allerliefste neve, en behouden sone Augusti is onledigh met den Bouwe der Speel-plaetse noch hedendaeghs met zijn e naem genoemt, en voorts alle de na-zaten der Cesars hebbens geen onwaerde geacht hen met dies te bekommeren. En onder ander Vespasianus heeft der f Gotthen spijt het wondere Coliseum, of Schouw-hof ghebouwt, en meest alle volgende hebben niet min ghedaen, van den welcken ons zijn nae gebleven soo vele wondere wercken, als Tempels, Hoven, Baden, Schouw-hoven, Speel-plaetsen, Zeegh-boghen, Ren-banen en Graven, van de welcke eenige al gantsch vervallen, ende mede ander noch tē deele in wesen zijn, en van den Beschouweren niet sonder verwonderingh besien werden. Alle dienende tot een seker bewijs, in hoedanighe achtinghe de Bouw-konst by hen is geweest, dat eyntlijck de magere Eeuwe Constantini, nu bedurven door de oorloge, gedwongen is geweest uyt de vervallen Steen-hoopen, af-ghebroken leden, en gheroofde Bouw-stucken; den eersten Christen Keyser een Zeeghboogh van verscheyden lappen t'samen geset, te bouwen: hier mede dan genoegh tot bewijs van de waerdigheyd, en achtinge deser konst ('t leste van ons voor-gestelde) waer mede, als mettet voorgaende, wy houden in overvloet, en ghenoegh bewesen te hebben, de oudtheyd, waerheyd, en waerdigheyd der Bouw-konst: 't welck wy houden een aengename saecke te zijn, en hebbent gheacht voor een bequame, en schickelij[c]ke ordeningh, eerst klaerlijck te spreken van het ghene waer door yet zy, voor dat wy komen tot de dingen, die daer door zijn en haer wesen hebben: omme also, door de eygenwaerdigheyd, en t'aenmerckelijckste des Saecks, den Leser tot aendacht en opmercken te trecken: Want bevattende uyttet verhael der oudheyd en waerheyd, eensdeels de oorsprongh, en vroege beginselen, ende de wyse van Bouwen der eerste tyden, als oock mede de redenen die een konstige Bouwinge vereysschen, en mede merckende de verscheydentheden door de gebruyckē herkomen: en weder dien vergelijckende by den Bouwe des tegenwoordigen tijds; seker, hier uyt sal volgen een onderscheydelijcke kennisse, welcke den vlytigen Aenschouwer van dese Bouwinge onses tijds, sal doen met smaeck, en oordeel onderkennen de schickelijcke Gebouwen uyt de Barbarische, en sal also yder van de genen de wy vervolghens in desen Boecke sullen vertoonen, ontsangen de eygen eere, en lof die hem toe komt.g

Nu 't is gantsch bekend dat onlangs voor onse Eeuwe: 't welck wy vollerhands uyt alle oude gestichten bemercken, al-omme in dese Landen een seer Barbarische wyse van Bouwen is in gebruyck geweest; den welcken van de Gotthen, en VVandalen (die met een ingedroncken haet, het Roomsche Rijck, en alle gedenckenisse van dien, trachten te verdelgen en uyt te roeyen: oock dese maniere van Bouwen al vreemt, en verbastert van de oude, en voorige wyse, in plaetse van de ware hebben ingedrongen) is herkomen, en vermits eenige gedurigheyd der selver Heerschappye in Italien, en Lombardien, is in so vasten gewoonte en gebruyck geraeckt, dattet een nieuwigheyd heeft geschenen als korts en effen voor onse Eeuwe weder in eenige van onse Steden, de oude maniere van Bouwen (welcke eenighe jaren te vorens onder de Konst-lievende Pausen op de been geraeckt was) heeft sien her-voor-brengen, en gebruycken: de welcke wy alsnoch onder de burighe Ghebouwen, rechts als een seltsaemheyd zijn uytsteken: Waer uyt oock de dolinghe en het gemeen gevoelen is ontstaen, de outste wyse van Bouwen, rechts als een nieuwigheyt te houden. Maer nu desen onsen tegenwoordige bloeyendē tijd: inde welcke wy de waerachtige Bouw-konst zijn als errysen: geeft ons de selve soo vollerhands, van de welcke de aensienlijckste en merck-waerdighste, die in desen Boecke verthoont en voorgedraghen sullen worden vaste bewysen zijn, dattet te hopen staet de Bouw-konst, met sulcke schreden voortgaende weder op haren hooghsten trap te sullen geraecken, en sal also uyt de volgende daet, de eygen-waerdigheyd der Bouw-konst van de welcke wy vorens breetlijcken gesproken hebben, blijcken en bekend werden. Maer om nu by sonderlijck te spreken vande Bouwinge van onsen tijd, 't selve sal doorgaens desen Boeck gheschieden, en der selver eygentlijcke in-houd zijn: En met der selver tegenwoordige naeckte af-beeldinge, so der gronden als opstallen alles ten sekertsten gedaen op zijn maet, in so kleenen forme doenlijck zijnde, vervolgens in orden vertoont en voor-gedragen worden; waer uyt wy hopen den vlytigen Beschouwer genoegen en vermaeck te sullen scheppen: mogende naer zijn wel-gevallen en eygen selfs oordeel, dese onse tijdsche Gebouwen, by die vande oude vergelijcken, ende de selve met de ware redenen der wilkonstige Bouwinge proeven, en naer meten. Biddende alleenig dese onsen Bouwe eenige nootsaeckelijcke gebreeckinge te verontschuldigen; so vermits onse weecke en Moerachtige gronden (al-hoe-wel geheyd) noch niet alle toe en late datmen geerne soude willen, als oock vermits in dese landen alle steen van so juysten en begeerden grootte, als wel by den ouden is geweest, niet en zijn te bekomen; boven dien heeft onsen Bouw-meester, staende onder de Bouw-heeren, en zyne Meesters, oock dickwils benepen, en gedrongen geweest: meer haer believē, als zijn selfs geweten te volgē. So vele heeft ons goet gedacht die te verontschuldighen: maer om weder ter ander zyde deselve te loven, en met prysinghe hooge te verheffen, dat en sullen wy niet doen, dewyle alle goede saecken sich selven prysen, maer sullen 't selve met meer eeren, en benoegen vandē konst-verstandigen beschouweren verwachten: 't welck wy ten hoogsten wenschende. Wenschen allen verstandelen lief hebberen der ware Bouw-konste, en alle den ghenen die desen onsen by-een gebrachten Bouwe, en arbeydt met verwaerdinge sullen sien, heyl en voorspoet.