Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. Valentijn, Rumphius, Camphuisaant.

Het is merkwaardig dat in een tijd waarin men de poëzie zo niet als de enige dan wel als de hoogste vorm van litteratuur beschouwde, het proza het van de poëzie wint. Het proza was evenals de poëzie - zoals bij het epistolaire en enkele andere genres - onderworpen aan formele wetten, maar daarnaast kon het zich ook vrijer bewegen en zich levendiger gedragen dan het rijmwerk dat al te dikwijls tot een louter formele aangelegenheid was geworden. Het proza had een dubbele functie gekregen, want het kon ook in dienst gesteld worden van een doel

[p. 49]

dat buiten de litteratuur lag, zoals het vertoog, de historiografie, de beschrijving van landen en volken, van planten en dieren of wat dan ook.

Een schrijver van zulk ‘dienstbaar proza’ was ds. François Valentijn. Hij werd op 17 april 1666 in Dordrecht geboren (zijn vader was conrector van de Latijnse school) en stierf in Den Haag op 6 augustus 1721, waar hij overigens nog maar zes maanden woonde. Hij werd in zijn geboorte- en vaderstad met staatsie begraven, ‘met koetsen zes boven het ordinaris getal’. Valentijn was in zijn tijd een beroemd en gevierd man, met een buitengewone encyclopedische kennis. Hij bezat een zeer veelzijdige belangstelling. Behalve ‘bedienaar des Goddelijken Woords’ en bijbelvertaler (in het Maleis), was hij een groot muziekliefhebber en een hartstochtelijk verzamelaar van curiosa als schelpen, zeehoorntjes en zeegewassen. Valentijns verzameldrift blijkt ook uit zijn belangrijkste arbeid als historiograaf van het gebied waar de Loffelijke Compagnie zich gevestigd had of invloed uitoefende en dat was toen heel wat groter dan het voormalige Nederlands-Indië. Overal in Azië had zij haar comptoiren en factorijen: in Tonkin, Cambodja, Siam, de kust van Coromandel, Malaka, Ceylon, Japan, Kaap de Goede Hoop, Mauritius enzovoort. Valentijn heeft lang niet al deze landen bezocht; hij kende eigenlijk alleen Batavia, verschillende delen van Oost-Java en vooral de Molukken en daarvan in het bijzonder zijn geliefde Amboina of Ambon. Hij was voor zijn ‘wijdlustige’ verhandelingen en beschrijvingen hoofdzakelijk aangewezen op aantekeningen, waarnemingen en verhalen van anderen - die hij al dan niet bij name noemt. Hij was afhankelijk van het materiaal - gedrukt, geschreven of gesproken - dat hem langs verschillende wegen bereikte. Daardoor zijn sommige hoofdstukken onevenredig kort en andere onevenredig lang. Naar onze begrippen is zijn Oud en Nieuw Oost-Indiën (1724-1726) een vreemdsoortig geschiedwerk: onevenwichtig van bouw, grillig van structuur en onoverzichtelijk van indeling, maar het materiaal is ontzagwekkend van hoeveelheid.

Valentijn heeft vele jaren aan zijn boek gewerkt. De idee een groots historiewerk te ondernemen ‘dateert al van den jaren 1688 en zulks sedert zijn eerste reize naar Oost-Indiën’, schreef de Boekzaal der geleerde Wereld in 1722. Hij heeft dus eigenlijk altijd met het denkbeeld rondgelopen. Toen hij in 1705 voor de tweede keer naar Indië ging,

[p. 50]

moet hij begonnen zijn met het verzamelen van zijn bouwstoffen; de uitwerking geschiedde later, na zijn terugkeer in Nederland, in 1714. ‘Vraagt men mij’, aldus Valentijn in zijn inleiding, ‘wat mij bewogen heeft dit werk te schrijven? Niets anders dan om ere bij de Verstandige Wereld in te leggen, om te tonen dat ik mijn tijd, terwijl ik nog geen vast beroep weer kreeg, neerstig waargenomen heb ...’ Dat hij zijn tijd neerstig had waargenomen, blijkt uit de geweldige omvang van zijn werk. In 1724 verscheen het eerste deel, in hetzelfde jaar nog het tweede; in vier jaar was alles gedrukt. Het was een uitgave geworden in groot folio-formaat, gedrukt in twee kolommen, bestaande uit vijf delen, in acht banden bijeengebracht. Het aantal bladzijden was ongeveer vijfduizend. Het werk bevatte bovendien talrijke illustraties (‘prentverbeeldingen’) en een groot aantal kaarten. De uitgave was een grootscheepse onderneming. Men beschouwde het werk van Valentijn algemeen als een standaardwerk en dit is het zeker één eeuw of meer gebleven. Ja, zelfs nu nog, zal men voor verschillende gegevens alleen bij Valentijn terecht kunnen en nergens anders. In het midden van de negentiende eeuw werd zijn werk voor de kennis van de koloniën nog zó belangrijk geacht, dat de toenmalige hoogleraar mr. S. Keyzer van de Delftse Academie (waar de ambtenaren voor Indië opgeleid werden) uit de volledige werken een keuze deed, bestaande uit drie delen (1856-1858). Een herdruk in 1862, in een handiger formaat, heeft jarenlang gediend als een soort gids voor bestuursambtenaren, speciaal in Ambon. De wijze van uitgeven - met een ietwat aangepaste tekst en aantekeningen - is echter meer dan eens scherp gekritiseerd.

Langzamerhand kwam er ook een kentering in de waardering voor het werk zelf. Terwijl in 1839 de bekende Bataviase predikant Baron van Hoëvell nog sprak van ‘eerste rang’ en zelfs een paar maal het woord ‘groot’ of ‘groots’ liet vallen, deed dertig jaar later, in 1867, de Indië-kenner prof. P.J. Veth (de schrijver van het zeer bekend geworden boek over Java) Valentijn met slechts enkele misprijzende woorden af en hij vermeed hem opzettelijk te noemen als één van de schrijvers over Java. Busken Huet stond met gemengde gevoelens tegenover Valentijn. De eeuwwisseling bracht de grote afrekening. Het requisitoir werd gevoerd door dr. De Haan in het Rumphius gedenkboek (1902). In zijn bijdrage ‘Rumphius en Valentijn als geschiedschrijvers van Ambon’ laat hij zien hoe Valentijn de onuitgegeven

[p. 51]

handschriften van Rumphius (die na Rumphius' dood in zijn handen waren gekomen) ‘geplunderd’ heeft en hoe Rumphius' droog, maar betrouwbaar relaas van Ambons geschiedenis door Valentijn geparafraseerd werd op een wijze die De Haan eenvoudig ‘gewauwel’ noemde. De Haan beschikte bij zijn bestrijding over scherpe wapens: zijn geestigheid, zijn spot en ironie. Daarmee heeft hij Valentijns reputatie vernietigd. Na De Haan kon Valentijn bij niemand meer iets goeds doen. Brom in Java in onze kunst overlaadde hem met hoon, maar eigenlijk heeft Brom niet veel anders gedaan dan De Haan napraten zonder diens argumenten getoetst te hebben aan eigen lectuur. De argumenten die De Haan gebruikte, snijden hout, maar toch is het merkwaardig voor een historicus dat hij de betekenis van Valentijn voor diens eigen tijd buiten beschouwing heeft gelaten en er evenmin rekening mee heeft gehouden dat men in de zeventiende en achttiende eeuw andere denkbeelden had over geschiedschrijving en andere denkbeelden over oorspronkelijkheid en het recht van ontlening. Oud en Nieuw Oost-Indiën is een grootscheepse compilatie en als zodanig moet men het ook zien, als een verzameling documenten die zo volledig mogelijk de kennis - en niet Valentijns kennis - van de beschikbare stof uit die tijd moest bevatten. De ijdele Valentijn moet zijn werk ongetwijfeld gezien hebben als een belangrijke prestatie, maar dan omdat hij het was die deze kennis bijeenbracht, toelichtte en van commentaar voorzag. De Haan kan Valentijns parafrasen van de tekst van Rumphius (en van anderen) ‘gewauwel’ noemen, het was één van de wijzen waarop Valentijn trachtte de stof toegankelijk te maken. Men kan over de wijze waarop Valentijn dit deed oordelen zoals men wil en direct toegeven dat hem de stof uit de hand is gelopen, we moeten óók kunnen inzien dat Valentijn in ieder geval getracht heeft een zekere eenheid aan te brengen door een schrijfwijze die bij Huet in betere aarde viel dan bij De Haan. De beschrijving van landen en volken, van zeden en gewoonten, de mededeling van historische feiten, heeft hij telkens trachten te verlevendigen door het vertellen van eigen ervaringen, door een persoonlijk commentaar of door het inlassen van een verhaal. En een verhaal vertellen is iets wat Valentijn kán, zo nodig met een pointe. We kunnen hem veel verwijten, maar één ding zullen we moeten blijven erkennen: dat sommige stukken in de dorre woestijn van achttiende-eeuwse geschiedschrijverij, een bron van ver-

[p. 52]

kwikking zijn, omdat hij levendig schrijven kon als geen ander uit die tijd, vaak schilderachtig en kleurrijk, met gevoel voor het dramatische en met een ondergrondse humor. Op de meest onverwachte plaatsen, temidden van bladzijden-lange opsommingen en beschrijvingen duikt plotseling een detail of een anecdote op, zo levend en tegelijk tekenend voor de situatie, dat we hem veel, zeer veel kunnen vergeven, zelfs zijn schijnheiligheid.

Valentijn is op z'n best als hij uitgaat van zijn eigen ervaringen, zoals in zijn door Huet geprezen ‘Uijt- en thuisreize’ (te vinden in het vierde deel). Het relaas is op zichzelf zeer leesbaar, maar bepaald aardig wordt het als Valentijn een ‘gekke gebeurtenis’ gaat beschrijven, zoals de diefstal van een pruik na het aan land gaan bij St. Jago, aan de Portugese kust. ‘Wij voeren naar land, van onze schipper gewaarschuwd zijnde wel op onze hoede te zijn en verder goed op te passen, aangezien daar niet dan bandieten en geboren gauwdieven woonden. [...] We zagen één van deze fidalgo's (ik meen, van deze geboren gauwdieven) zo als ik wegens de zware branding aldaar, door twee matrozen op hun schouders aan land gedragen werd, zijn proef aan Monsieur Langle doen, want zó als de matrozen hem wilden nederzetten, kwam er van achteren een Portugees die met een volle greep zijn fraaie hoed handig boven de bol en ook zijn fraaie blonde pruik zeer proper van zijn hoofd nam en daarmede zeer gezwind langs strand een wedloop met één van onze matrozen aanging, die hem kort met een blote sabel op de hielen volgde, rechtoe rechtaan naar het klapper- of kokosbos. Onderweg ontviel hem de pruik, die de matroos opraapte, waardoor de ander zoveel tijd won dat hij hem in het bos uit het gezicht verloor en zonder hoed weer bij de bedrukte sieur kwam, die zich echter over het wederzien van zijn schone pruik nog enigszins verblijdde en nu zolang hij aan land was, voor het nemen van zijn hoed - gelijk als wij - niet behoefde bekommerd te zijn - waarmede wij hem vertroostten. Het misstond hem enigszins, dat wáár wij gingen, hij alleen onbedekt was. De zware hitte die wij daar gevoelden, belette ons hem hierin te volgen.’ Later, als ze door de Portugese landvoogd ontvangen worden, begrijpt Valentijn voor wie de hoed en de pruik gestolen moesten worden. Het is trouwens een prachtig tafereel, deze ontvangst bij de landvoogd in zijn versleten kleren, in gezelschap van ‘een grote paap, met een lange zwarte en vrij oude rok aan en met een breedgerande

[p. 53]

hoed op zijn kaal hoofd.’ We zien deze Hollanders en Portugezen tegenover elkaar zitten, op wrakke stoelen en banken, steeds maar weer de ‘barre Madeirawijn’ drinkende.

Het grootste deel van zijn Indische loopbaan als predikant heeft Valentijn in Ambon gesleten. De beschrijving van Ambon is niet alleen het uitvoerigst - dank zij vermoedelijk de bronnen waarover hij beschikte, als Rumphius en de Ambonees Ridjali - maar het levendigst, omdat Valentijn hier van eigen waarnemingen kan vertellen. Hij kent Ambon en hij heeft er veel meegemaakt. Opvallend is dat Valentijn een bijna geboren modern gevoel voor ‘cruelties’ heeft. Zijn geschiedenissen van Ambonse en Ternataanse wreedheden - op zichzelf gruwelijke verhalen - vertelt hij zonder enige emotie, bijna in een hedendaags ‘understatement’. De beschrijving van een executie is te fraai om hier niet te citeren, al was het alleen maar om de slotzin. Het verhaal volgt onmiddellijk op een stadsbeschrijving van Ambon (deel ii; tweede boek; vierde hoofdstuk): ‘Het oud hospitaal of ziekenhuis dat aan het einde van de Burgerstraat, dichtbij de rivier Way Tomo staat, is mede een fraai stenen gebouw dat 90 voeten breed en 24 voeten hoog is, behalve het dak. Het placht vroeger tot een ziekenhuis te dienen, waartoe het een schone gelegenheid was, maar sedert er een nieuw schoon hospitaal gemaakt is, dient het benedendeel nu tot woonhuis van de chirurgijn en het bovendeel tot de raadkamer van justitie, van de landraad, de weeskamer en van de commissarissen der huwelijkszaken. Het is ook zeer geschikt voor de rechters om uit de bovenvensters te liggen wanneer er iemand gerecht zal worden, omdat daar een stenen schavot met een hechte galg en gerechtspalen ertegenover, aan de andere zijde van de weg staan. Ik zeg: een hechte galg, omdat ik aan de vorige een deugniet heb zien ophangen die zeer toevallig driemaal gehangen werd. De beul, met hem naar die galg, die zeer zwak en van hout was, geklommen, stortte met de misdadiger, zodra hij hem van de ladder stiet, met galg en al van boven neer; dat wel enig ongemak zou hebben kunnen geven zo de troep soldaten, die bij zulk een geval altijd rondom het schavot geposteerd is, zich niet wel gesloten had. De scherprechter die een wakker kerel en niet verlegen was, maakte de misdadiger op order van de fiscaal ten eerste los, bracht hem weer op het schavot en hing hem aan één van de palen daaromtrent, doch door het breken van de lijn kwam hij ten tweeden male beneden. Hij meende daarmede

[p. 54]

vrij te zijn en de borst wist niet hoe hij het nu hebben zou, doch ingevolge van zijn vonnis moest hij hangen tot er dood na volgde, waarop dan de beul hem de derde maal zo wel en zeker ophing dat hij een inwoner van de lucht bleef.’

Als een soort appendix vinden we in deel iv de ‘Levens der Opperlandvoogden’, waarin Valentijn zegt zo kort mogelijk te willen vertellen (hij heeft nu eenmaal moeite met zich te beperken) over ‘wat van hen gedenkwaardigs verricht is’. Deze korte biografieën zijn niet veel meer dan een opsomming van gebeurtenissen, namen en jaartallen. Naarmate Valentijn echter zijn eigen tijd nadert, worden zijn levensbeschrijvingen persoonlijker en doorspekt hij zijn verhaal met wat hij heeft horen zeggen en met wat hij zelf weet of meegemaakt heeft. Onder deze twintig landvoogden was er één die geheel uit de toon viel. Hij was anders dan de anderen, ook door zijn gedrag en optreden. Het was Joannes Camphuis (1634-1695), een zachtaardig man die niet veel sprak, omdat hij zijn omgeving niets te zeggen had. Zijn verachting voor de parvenu's om hem heen drukte hij alleen maar uit door ze zoveel mogelijk te negeren en daarbij bleek hij - merkwaardig genoeg - te kunnen rekenen op de bescherming van de Heren xvii in Nederland. Valentijn vertelt ook met welgevallen hoe Camphuis' benoeming tot gouverneur-generaal eigenlijk op een misrekening van de andere leden van de Raad van Indië berustte, die hierdoor hun intriges ingepeperd kregen.

Camphuis die als zilversmidsleerling opklom tot gouverneur-generaal, was - om het algemeen uit te drukken - een ‘man van cultuur’, een beschermer van wetenschappen, een liefhebber van muziek en dichtkunst. Toch wordt hij hier niet in de eerste plaats genoemd als een bewonderaar en navolger van de renaissance-dichter Jan Baptista Houwaert, maar als de schrijver van een goed geschreven verhandeling over de stichting van Jacatra (Djakarta), een historische studie die door Valentijn dan ook prompt in zijn Oud en Nieuw Oost-Indiën werd opgenomen - met toestemming overigens van Camphuis zelf. Behalve naar de geschiedenis ging zijn belangstelling uit naar planten en dieren, kortom naar de natuur en de studie van de natuur. Camphuis bezat een grote collectie schelpen en hoorntjes die hij in de baai van Batavia, aan de stranden van de duizend eilanden zelf gezocht had of had laten zoeken. Ook Valentijn verzamelde ze, zoals we reeds weten. Hij was

[p. 55]

in Dordrecht - zo vertelt hij zelf - de oprichter van het Neptunus-Cabinet, een vereniging van verzamelaars die hun bagijndrollen, lobbetjes, pimpelkens, navelkens, zeehandschoenen en vlooienscheten uitwisselden. Valentijns verzameling was de grootste en mooiste van alle. Ook dit schrijft hijzelf. Maar nog rijker en nog fraaier was de collectie van de beroemde natuuronderzoeker Georg Everard Rumphius, de Indische Plinius, zoals hij genoemd werd. Hij woonde in de Molukken, op het eiland Amboina en heeft zijn leven lang gewijd aan het verzamelen en bestuderen van de tot dusver onbekende werelden van kruiden en planten, van schaaldieren, vissen en mineralen. Camphuis en hij waren bevriend. Ze hebben vermoedelijk vrij geregeld met elkaar gecorrespondeerd. We zijn tenminste geneigd deze gevolgtrekking te maken als we letten op de toon van de schaarse brieven die behouden zijn gebleven: één van Camphuis aan Rumphius en het antwoord daarop. Camphuis schrijft dat hij langs de kust van het eiland Edam naar schelpen gezocht heeft voor zijn steeds groeiende verzameling en ook op andere eilanden heeft laten zoeken en dat hij al heel wat heeft. Rumphius antwoordt hem op 29 juni 1665: ‘Ik heb mede nieuw toegehoord dat UEdelheid door zijne dienaars op de eilanden Edam en Alkmaar zoveel zeerariteiten van hoorntjes en schulpen heeft opgezocht dat ze de Ambonse en Molukse zoude konnen tarten, hetwelk met mijn oude gissinge accordeert en mij verzekert dat het ten dele waar zij, vermits ik al ruim veertig soorten van verscheidene vrienden bekomen heb, op de Batavische stranden en eilanden bijeengezocht. Doch of ze in fraaiigheid en mooiigheid van soorten de Ambonse zouden konnen tarten, dat raakt de eer der Ambonse monarchie die wij zo lange jaren over de zeerariteiten gevoerd hebben. Ik hebbe derhalve goed gevonden onder UEdelheids welnemen een proef hiervan te doen en tot dien einde omtrent honderd soorten uit de Ambonse voorvechters gecommandeerd, tezamen gepakt in dit neffens komende tomtommetje, om de Batavische uit te dagen, hopende van die batallie te zijner tijd een goed succes te horen. Verliezen ze het spel, zo behoeven ze niet weder te komen, maar mogen in de gevangenis blijven.’ Zo'n toon is door de brief typerend voor de onderlinge verhouding.

Georg Eberhard Rumf, die zich Rumphius noemde (1627 of 1628-1702), was een Duitser van geboorte. Op zijn achttiende jaar - hij had

[p. 56]

toen het gymnasium afgelopen - besloot hij naar het beloofde land, dat was toen Italië, te gaan, gedeeltelijk uit zucht naar avontuur, gedeeltelijk om zijn kleinsteedse omgeving te ontvluchten. Hij liet zich voor het leger ronselen, maar in plaats van in Venetië kwam hij op Texel terecht met Brazilië als eindbestemming (de West-Indische Compagnie had soldaten nodig). Maar zo ver kwam hij niet. Zijn schip werd door de Portugezen gekaapt en hij zelf werd naar Portugal gezonden, waar hij weer in krijgsdienst kwam, half in vrijheid, half als gevangene. Hij bleef er drie jaar. Die drie jaar zijn beslissend voor hem geweest. In Portugal moet hij over de rijke en wonderbaarlijke flora van Ambon hebben gehoord, waar de Portugezen al veel eerder dan de Nederlanders waren geweest. Hier moet hij zich zijn levensdoel bewust zijn geworden: ‘de onderzoekingen van de Ambonse gewesten,’ zoals hij zelf zegt. Maar om toen in Ambon te komen, moest hij in dienst treden van de Oost-Indische Compagnie. Op zijn vierentwintigste jaar vertrok hij als adelborst met het jacht ‘Muijden’ vanaf Texel. Na een reis van een half jaar kwam hij te Batavia aan om een maand later naar Ambon getransporteerd te worden. Hij zou er zijn hele leven blijven; Ambon zou zijn tweede vaderland worden. Hij huwde er een Ambonse vrouw, stichtte een gezin en vond daar zijn levenswerk.

Rumphius was eerst in krijgsdienst, maar ‘tot de militaire chargie was hij niet wel gehumeurd’. De Gouverneur deelde dit inzicht en benoemde Jeuriaen Rumf - zoals hij toen nog heette - als hoofd van een nederzetting op het noordelijke schiereiland Hitu. Naast zijn officiële werkzaamheden (uit de officiële stukken blijkt dat hij een uitstekend en plichtsgetrouw ambtenaar was) begon hij aan wat hij als het eigenlijke doel van zijn leven zag, en in alle vrije tijd die hem blijkbaar ruim ter beschikking stond, ging hij kruiden zoeken waarvoor hij ‘alle stranden en heuvelen doorkroop, geen ongemak noch zonnebrand achtende’. Hij werd op deze tochten vaak door zijn vrouw vergezeld. Zij was de eerste die hem in de Ambonse plantenwereld inleidde. Aan de Hoge Regering schrijft Rumphius dat hij zich op een geheel onbekend terrein heeft begeven, waar ‘de paden overal verwerret door malkander lopen’. Langzaam maar zeker groeit zijn kennis.

Op zijn tweeënveertigste jaar gebeurt er iets: hij wordt blind, in een ziekteproces van drie maanden. In een brief van 9 mei 1670 schrijft de Gouverneur van Ambon: ‘De koopman Rumphius is nu sedert enige

[p. 57]

weken blind geworden.’ Niets meer en niets minder. Het is niet moeilijk zich voor te stellen wat dit voor Rumphius betekende. Even leek het alsof zijn wereld zou instorten. Hij voelt zich gedompeld, schrijft hij, in een ‘droeve lange nacht’. Er was eerst nog enige onzekerheid van de kant van Rumphius' superieuren, maar ten slotte besloot de Gouverneur-Generaal Joan Maetsuyker, Rumphius met behoud van zijn rang en gage te benoemen tot enige commissariale betrekkingen. Het was een geluk dat Maetsuyker zelf een geleerd man was, een man van wetenschap en cultuur. Wie de bewindhebbers en de Hoge Regering uitsluitend belust wil zien op geldelijk voordeel, wordt gedwongen een kleine correctie aan te brengen. Rumphius kreeg volop gelegenheid zich aan zijn studie te wijden. Hij kreeg er zelfs een medewerker, een kopiist en een tekenaar bij. Later werd hij ook door zijn zoon terzijde gestaan. Deze is het die het bekende portret van zijn vader getekend heeft, met de ogen en de klauwvingers van een blinde, gezeten aan een tafel waar enige planten en zeegewassen op liggen. Waar Rumphius de kracht vandaan gehaald heeft, is bijna onvoorstelbaar. Hij gaat verder, zoals hij zegt, ‘met geleende ogen en een geleende pen’.

In 1674 treft hem een nieuwe ramp. Zijn huisvrouw Susanna (hij heeft naar haar een zeldzame orchidee genoemd, de Flos Susannae) en twee van zijn kinderen worden tijdens een aardbeving onder een omvallende muur bedolven en gedood. In het Daghregister van het kasteel Victoria staat te lezen: ‘Erbermelijk was het die man bij zijn lijken te zien zitten, alsmede aan te horen zijn weeklacht, beide op dit toeval en zijn blindheid gepast.’ Nog een derde slag trof hem in 1687 toen bij de grote brand van Ambon zijn boeken en een deel van zijn handschriften verloren gingen, alsmede alle tekeningen voor zijn Kruidboek. Hij werd ook dikwijls bestolen. Verschillende van zijn handschriften of kopieën daarvan verdwenen op onbegrijpelijke wijze in andere handen. Het door hem geschreven Amboinsch Dierboek is geheel verdwenen. Men vindt er stukken uit terug bij de bekende ds. Valentijn, die meedeelt dat zijn vriend Rumphius hem het handschrift schonk.

Zijn werk wordt voortgezet, gedreven door een sterke wil en discipline. In 1697 is Het Amboinsch kruidboek gereed en enige jaren later, in ieder geval vóór 1700, D'Amboinsche rariteitkamer. Het zijn indrukwekkende werken: een herbarium en een zeekabinet, en niet alleen indrukwekkend om de omvang en de daarin verzamelde kennis. Farma-

[p. 58]

cologen, zoölogen, carcinologen, entomologen, ornithologen en hoe ze nog meer mogen heten, die in het Rumphius memorial volume (1959) schreven, zingen zijn lof als pionier voor hun eigen afzonderlijk deelgebied. ‘Rumphius certainly had the modern touch when it came to fieldwork, opening his eyes to all he saw and critically examining his observations,’ schrijft een van hen. De litteratuur waarin Rumphius als geleerde onderzoeker genoemd wordt of besproken, is bijna overstelpend, maar nog nooit heeft iemand, anders dan terloops, geschreven over Rumphius als de visionaire en dichterlijke beschrijver van al die planten, vissen en mineralen die te zamen zijn wereld vormen, en over zijn verhouding daartoe. Rumphius' observatie van een toen nog onbekende wereld kent de verwondering om het onbekende en de vreugde om de ontdekking. De kruiden, de bomen, de bladeren, de schelpen, de schaaldieren zijn een wonderwereld die hij waargenomen en gekend heeft en die hij - nu blind geworden - alleen nog maar in zijn verbeelding oproepen kan. Zijn vingers zijn een nieuw zintuig voor hem geworden. Zijn tastzin activeert zijn toch al verbazingwekkend geheugen. Zó alleen kan hij de verloren wereld bereiken: door haar terug te halen en te beschrijven. Rumphius, die men de ‘blinde ziener’ heeft genoemd, schrijft uitermate beeldend. Opvallend voor een blinde is zijn gevoeligheid voor kleur en kleurnuances, meer nog dan voor lijn en vorm. Er zijn vele voorbeelden hiervan te geven. Hier volgt er een, als hij een kwalsoort beschrijft, de holothuria of bezaantjes: ‘Het lijf is van koleur doorschijnend alsof er een kristallijnen fles met groen-blauw aqua fort gevuld was. De zeiltjes zijn wit als kristal en het bovenste zoompje heeft wat purper of violet, schoon om aan te zien, alsof het gehele dier een kostelijk juweel was. Wanneer de zeiltjes gespannen zijn, is het lijf schier driekantig, waarvan hij het hoofd opwaarts kromt, en het achterste trekt hij uit de buik die blauwer is dan het bovenlijf, alsof het aqua fortis daar lag en het bovenlijf van kristal was. [...] Aan de ene, naar mijn onthoud rechterzijde, en achter rondom hangt een menigte van lange, dunne draden. Haar koleur is schoon blauw, doch zo dat er altijd wat groen onder speelt. Ze zijn zo teer dat ze licht afbreken en blijven hangen aan hetgeen waarmede men ze aanraakt.’

Rumphius voelt zich soms zo sterk een deel van zijn wereld dat zijn beschrijvingen vaak uitlopen op verwijzingen naar menselijke vormen. Over de zeebintangorboom schrijft hij: ‘hebbende een zeldzame manier

[p. 59]

van wassen, zodanig dat indien de oude poëten in deze landen waren geweest, zij aan hem stof hadden gevonden tot een rare metamorfose, want hij schijnt een landman te zijn en naar iets te zoeken en te kijken in zee dat hij bemint, omdat hij altijd met zijn wortel aan de rand van het bos staat, durvende niet één stap daarbuiten op het blote strand te komen en voorts hangt hij zodanig over dezelve in zee alsof hij alle omzien vallen wilde.’

Voor Rumphius is de zichtbare wereld ook altijd verbonden met de onzichtbare wereld. Het verband is niet toevallig, zoals niets in de natuur toevallig is, maar ‘een bestendig en vast voorgenomen werk’ van de Schepper. Daardoor ontstaat een wisselwerking tussen werkelijkheidsbeschrijving, tussen geloof, ‘bijgeloof’ en mythologie. Zijn beschrijving van de agaten of widuri's is daar een sprekend voorbeeld van, maar ook dat wat hij van de zeebintangorboom vermeldt: ‘Een magisch gebruik hebben de Inlanders, meest van Boeroe, die deze zeer geheim voor ons houden. Want zij planten de vruchten van deze boom in een doodshoofd van een mens dat ze tot dien einde vers afkappen, de ogen uitgraven, de voorgeschreven korrels daarvoor in de plaats steken, met slechts een weinig aarde, latende daaruit een boom groeien, wiens gebruik zij aan haar kinders overlaten.’

Het gaat Rumphius als typisch kind van zijn tijd allereerst om de afzonderlijke ‘kleine dingen’ van de natuur, maar een enkele keer speelt zijn bewogenheid zo sterk mee dat hij het hele landschap daarin betrekt zoals bij zijn beschrijving van de bergmossen: ‘Wij zijn met onze beschrijving gekomen tot aan de hoogste bergen van de Ambonse eilanden, daar wij met de mistige wolken zodanig omgeven zijn, dat men ook op de middag de zonne kwalijk bekennen kan, welke mist gedurig druipt en daarbij met een moeilijke koude reizende, gans mat en stijf maakt. Hier ziet men nu bijkans anders niet dan de koudaardige en zure bomen gelijk wij reeds beschreven hebben. Daar hoort men geen stem, noch van mensen noch van gedierten, noch van vogelen, vermits alle het gedierte deze koude en ongure toppen des werelds schuwt. Een eeuwige stilte met een naar schemerlicht en een klein suizen van de wind regeren daar. Men mag ook niet hard spreken, maar men moet ze passeren met een geduldige stilte, want hard roepen beweegt de lucht tot regen. Dit alles onderhoudende, kan men echter niet voorkomen nat te worden, zo van de stofregen als van het aanraken van de bomen en van de grond,

[p. 60]

daar alles nat is en daarenboven bekleed met dik mos, hetwelk de reizigers bedriegt als men daartegen wil leunen of zitten. Alleenlijk onder alle levende dieren werd daar gezien een hagedisje dat tegen het blinken der zonne somtijds zijn hoofd buiten het mos uitsteekt. Dit mos dan, zijnde lange draden, vier en zes duimen lang dragende, niet dikker dan gemeen naaigaren, door malkander verwerd, met bosjes bij malkander gevoegd en de bomen schier bedekkende, schijnt het wilde en droevige aanzien dezer plaatsen te volmaken.’ Rumphius gaat nog enige regels door om dan plotseling over te gaan tot de gebonden vorm van het sonnet. Op zich zelf een wonder voor een Duitser die eerst op zijn vierentwintigste jaar naar Oost-Indië kwam.

Achter Rumphius' zeer precieze observatie voelt men een sterk betrokken zijn bij de dingen die hij beschrijft. Ter wille van de voorstelling zoekt hij steeds weer naar vergelijkingen, die dichterlijke metaforen worden - en wat vooral veel zegt - die geheel vanzelfsprekend zijn, zonder dat hij ook maar een poging doet litteratuur te bedrijven. Zijn beeldspraak is functioneel. Ze dient ergens voor, ze ondersteunt de voorstelling; het treffende beeld is nooit een doel op zich zelf.

Op hetzelfde principe van associatie en beeldvorming berust ook zijn naamgeving die plastisch en evocatief is en soms zeer persoonlijk; ze is vaak karakteristiek voor zijn eigen verhouding tot ‘die wonderlijke kleine dingen der natuur’. Een korte bloemlezing uit de nomenclatuur: witoogjes, zwartmondjes, paddetjes en knoddekens, ossekoppen, eendebekken, zeenavels, buikjes, hammetjes en billetjes, tepelbakjes, melknapjes, venushaartjes, vliegescheetjes (uit de Rariteitkamer); vader van de vliegen, vlam der bossen, het blad van vorstinnen, het haar der nymfen, memoriekruid, langlevendhout, het duivels campernoelje, de blauwe clitorisbloem en het oprechte aanhangsel, het droevig kruid, het kleine kruipend gras, het smekend gras, het verwijtend gras, de droevigblijde plant en het verwonderingskruid, het blad van de brandende koorts, vuurwortel, spatwortel, bloedmoes, wortel-etter en doodkruid, nachtliefste, nachtboom, boom der blinde ogen en de kleine praatjes der bossen (uit het Kruidboek).

Het had overigens weinig gescheeld of het handschrift van het Kruidboek was verloren gegaan. Dank zij de Gouverneur-Generaal Camphuis werd het gered. Hij liet het te Batavia kopiëren alvorens het naar Holland te zenden. Achteraf bleek de waarde van zijn voorzorgs-

[p. 61]

maatregel: het schip waarmee de handschriften werden verzonden, is door de Fransen tot zinken gebracht. Camphuis was het ook die de Duitse chirurgijn in Compagniesdienst, dr. Engelhard Kaempfer, naar Japan stuurde met de opdracht een beschrijving van het land te vervaardigen. Hij voegde daar later zijn eigen aantekeningen aan toe. Het werk verscheen pas in 1729 en heeft, ook doordat er een Engelse vertaling van uitkwam, veel bijgedragen tot een betere kennis van Japan. Camphuis' eigen liefde voor Japan en de Japanse leefwijze deed hij als opperhoofd van Deshima op, op welk kleine eiland, zoals men weet, de Hollanders als enige westerse natie het recht van vestiging hadden gekregen.

Camphuis keerde (evenals Rumphius) nooit meer naar zijn vaderland terug. Hij bleef in Indië wonen; hij werd met andere woorden een ‘blijver’. Na zijn ‘op zeer honorable en reputatieuze wijze’ verkregen ontslag, trok hij zich terug op zijn landhuis in Jacatra en op het eiland Edam, gelegen in de baai van Batavia. Hij had dit van de Bewindhebbers ten geschenke gekregen uit waardering voor zijn wijs beleid. Daar liet hij zich een huis bouwen in Japanse stijl. Valentijn bezocht hem daar. Het was toevallig op een donderdag en het was de gewoonte van Camphuis op die dag zijn gasten een Japanse maaltijd voor te zetten, compleet met eetkommetjes en stokjes. Valentijn, voor wie de Hollandse pot toch maar boven alles ging, zweette bloed. Camphuis - en dat merkt Valentijn zelf op - had er een stil plezier in. Hij toonde zijn gasten ook altijd zijn schelpen- en mineralenverzameling. In zijn tuinen groeiden zeldzame gewassen. In een deel ervan was zijn privé-dierentuin ondergebracht, met talrijke op Java voorkomende dieren. Daaronder waren twee zeldzame apen, een spierwitte en een gitzwarte. Dit alles heeft historie gemaakt - dank zij Valentijn.