Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

4. Onno Zwier van Harenaant.

Deze persoonlijke gegevens over Camphuis zijn later terechtgekomen in een uitvoeriger biografie Het leven van Camphuis, geschreven door de in de Nederlandse letterkunde nogal bekend geworden dichter en staatsman Onno Zwier van Haren. Hij bezat als dichter overigens niet het talent van zijn broer Willem, die in ieder geval één indrukwekkend

[p. 62]

gedicht schreef: ‘Het menschelijk leven’ en een veel groter aantal minder indrukwekkende regels, waaronder een lofdicht op de Gouverneur-Generaal Van Imhoff en een nog langer gedicht op de Chinezen-moord van 1740.

 
O bloeddorst! o geweld! Wat monster dorst bevelen
 
Zovele onnozelen onmenselijk te kelen?
 
Wie heeft het eerst de dolk doen trekken buiten nood?
 
Wat schrikdier was zo zeer van deernis ontbloot?

Ja, wie? Men heeft elkaar de schuld gegeven en getracht de verantwoordelijkheid op elkaar af te wentelen. Willem toont zich in zijn verontwaardiging in ieder geval een waardig Verlichtingsman. Hij eist ook vergelding en straf om de goede naam van Nederland.

Totzover Willem van Haren. Onno Zwier is behalve de biograaf van Camphuis ook de maker van het epos De geuzen (1776) en van enige treurspelen waaronder Agon, sultan van Bantam (1769). Hierover straks meer, maar eerst de vraag: hoe kwam Onno Zwier ertoe zich te verdiepen in het leven van Camphuis? En hoe is hij aan Camphuis gekomen? Door Valentijn. Wat Valentijn over Camphuis vertelde, moet hem een ‘schok van herkenning’ hebben gegeven. In Camphuis' leven zag hij als in een beslagen spiegel zijn eigen lot; in de mens, de figuur die hij in zichzelf graag zag: een waardig man temidden van lasterende en intrigerende vijanden en in zijn latere jaren geneigd tot een stil en teruggetrokken leven, zijn toevlucht zoekend in liefhebberijen, in studie en kunst. De overeenkomst moet hem frappant hebben geleken.

De gebroeders Van Haren waren Friese edellieden die beiden door hun nauwe relaties met de Oranjes zeer belangrijke en invloedrijke politieke functies bekleedden. Hun carrière leek oogverblindend. Wat Voltaire van Willem zei, geldt ook voor zijn broer: ‘Il paraît aimer la gloire.’ Ze dachten te kunnen schitteren voor de wereld, maar geraakten in een doolhof van intriges, laster en schandaal. Willems leven eindigde in zelfmoord; Onno werd tot een soort ballingschap gedwongen en sleet zijn latere jaren op zijn landgoed ‘Lindenoord’ bij Wolvega, troost zoekend in de dichtkunst. Hier ziet men de parallel met Camphuis; maar ze gaat verder, althans in de ogen van Onno Zwier. Zoals Camphuis tijdens zijn gouverneurschap omringd werd

[p. 63]

door naijverige en jaloerse vijanden, die zich achter zijn rug over hem beklaagden bij de Heren xvii en alles in het werk stelden om hem tot aftreden te dwingen, zo werd ook Onno Zwier door zijn tegenstanders belaagd, in dit geval door de Haagse hofkliek. Toen door de dood van Prins Willem iv en enige jaren later van de Prinses-gouvernante, de bescherming van de Oranjes wegviel, bracht men hem ten val door de openbaarmaking of enscènering van een schandaal, het bekende ‘schandaal in Holland’, waarover Du Perron in 1938 een roman schreef. Zijn schoonzoon Van Sandick en zijn aanstaande schoonzoon Willem van Hogendorp - de vader van Dirk en Gijsbert Karel - betichtten hem van ‘criminele badinerie’ of anders uitgedrukt, het plegen van bloedschande met twee van zijn dochters. Wat hier precies van waar is, weten we ook nu nog niet en het zal de vraag zijn of we dit ooit te weten komen. Onno tekende een verklaring - naar zijn zeggen onder dwang en bedreiging - die hij later weer introk. Vóór zijn vertrek naar Wolvega schreven hij en zijn vrouw - zij bleef aan zijn zijde staan - vier deducties, waarin zij het ongerijmde van de beschuldiging aannemelijk trachtten te maken. Zijn schoonzoons antwoordden. Het werd een hoe langer hoe onverkwikkelijker zaak die nu geheel in de openbaarheid kwam. Ten slotte werd ze voorgebracht voor het hof van Friesland. Dit sprak een ‘non liquet’ uit, maar Onno's carrière was voorgoed gebroken. Op de achtergrond van het hele gebeuren staat zijn grote politieke tegenstander en persoonlijke vijand, de Hertog van Brunswijk.

Onno Zwier had in tegenstelling tot zijn broer zich nooit in ‘gebonden stijl’ uitgedrukt. Eerst het noodlot deed de dichter in hem ontwaken. Zo kan men het althans uitdrukken. Hij was al drieënvijftig toen hij zijn eerste drama in verzen begon te schrijven: Agon, sultan van Bantam. Het verscheen in 1769 in Leeuwarden. De stof voor de inkleding van zijn spel - de titel zegt het al - vond hij in de geschiedenis van Bantam. Hij was bezig die te bestuderen, waarschijnlijk voor zijn levensbeschrijving van Camphuis, waarvoor hij onder meer Valentijn las. Het was overigens geen belangstelling voor Indië of het Oosten dat hem een episode uit de Bantamse geschiedenis deed kiezen. Hij had vier onderwerpen gevonden voor een treurspel en alleen de uiteindelijke verwerping van de drie andere om ‘technische redenen’, deed hem een episode kiezen uit de geschiedenis van Bantam. Het schrijven van een treurspel stond bij hem voorop. De keuze van de stof had hij

[p. 64]

afhankelijk gesteld van de mogelijkheden daartoe. Tegenover het Oosten stond Onno Zwier als een volstrekte buitenstaander. Slechts de plaatsaanduidingen, het noemen van enkele wapens (krissen, speren enz.) of van kledingstukken (als bijvoorbeeld een sarung) en vooral het gebruik van enkele historische namen zijn aanwijzingen dat we met de geschiedenis van Bantam te maken hebben. Voor het overige zijn de figuren achttiende-eeuwse toneelfiguren, de verkondigers van achttiende-eeuwse denkbeelden, zoals hij die bij Voltaire vond, met wie hij vermoedelijk ook gecorrespondeerd heeft. Het Oosten was louter decor en costuum. Dat Onno Zwier een Oosters onderwerp koos, was op zichzelf niets bijzonders; hij volgde hierin een mode, een litteraire mode welteverstaan.

Bewust of onbewust, maar vermoedelijk bewust, heeft Onno Zwier van Haren in Agon, sultan van Bantam ook zijn persoonlijk drama uitgebeeld. Hij heeft hiervoor lang met de historische stof geworsteld - op eenzame wandelingen in de bossen, naar hij zegt - maar zag ten slotte, om te kunnen voldoen aan de eisen van het Frans-klassieke treurspel, geen andere mogelijkheid dan een volledige ‘reshuffle’ van feiten en gebeurtenissen. Voor zijn Het leven van Camphuis reserveerde hij het ‘werkelijke gebeuren’, althans volgens de gegevens der historie-schrijvers van zijn tijd, waaronder Valentijn.

Dr. W.M.F. Mansvelt heeft in een Gids-artikel de ‘afwijkingen’ nagegaan, en we kunnen wel zeggen aangetoond dat talrijke veranderingen noodzakelijk waren om de gebeurtenissen te kunnen passen in het patroon van zijn individueel drama. De aanleiding van Mansvelts artikel was het betoog van een zekere J.A.F.L. van Heeckeren, die in Onno Zwier van Haren een ‘voorloper van Multatuli’ zag. Dit standpunt - door prof. Prinsen in zijn letterkundig handboek kritiekloos overgenomen - leek Mansvelt daarom al zo voor de hand liggend onjuist, omdat men daarbij gedwongen wordt typisch negentiende-eeuwse sentimenten in een achttiende-eeuws patroon te passen. Inderdaad, er kan geen sprake van zijn dat Onno Zwier een ‘voorloper’ van Multatuli was. Maar in zijn ontkenning gaat Mansvelt te ver. Hij ontkent ook als typisch vaderlandse liberaal - en in die richting wijst zijn hele loopbaan in Indië - dat Onno Zwier in de Bantamse oorlog voor iets anders heeft gekozen dan het Nederlandse standpunt. Men kan menen, al spreekt Mansvelt hier zelf niet over, dat de parallel met zijn

[p. 65]

eigen levensomstandigheden een vereenzelviging meebracht met het standpunt van de Bantammers tegen de Nederlanders die voor de Bantammers op dezelfde wijze de ‘buitenwereld’ vertegenwoordigden als de hele Hollandse kliek in Den Haag voor de Friese edelman Onno Zwier van Haren; aan de andere kant zijn de anti-Nederlandse uitlatingen in Agon op zichzelf zo nadrukkelijk en zozeer betrokken op de inmenging van de Nederlanders in de Bantamse zaken en hun optreden, dat we misschien eerder kunnen zeggen dat de ‘technisch’ noodzakelijke vereenzelviging met het standpunt van de Bantammers, ook een mentale vereenzelviging meebracht. Deze is volstrekt niet in strijd met de achttiende-eeuwse Verlichtingsdenkbeelden. Integendeel. Ze maakt alleen van Onno Zwier nog geen Multatuli avant la lettre. De plaatsen die Mansvelt elders uit het werk van Onno Zwier opdiept om het omgekeerde aannemelijk te maken (de vereenzelviging met het Nederlandse standpunt), blijken zodra men ze in hun context leest, weinig overtuigingskracht te bezitten. Bovendien, als men de argumentatie van Mansvelt zou aanvaarden, hangen de uitlatingen van Van Haren in de lucht en blijft het onbegrijpelijk waarom hij zo scherp over het optreden van de Nederlanders laat oordelen. Als men zich hiervan overtuigen wil, kan men, behalve het stuk zelf, Du Perron raadplegen die een aantal ‘gedurfde’ uitlatingen bijeenbracht. Nog één detail: vóór hij gouverneur-generaal werd, heeft ook Camphuis (die dus door Van Haren als bron gebruikt werd) zich in de Raad van Indië tegen een interventie in de Bantamse aangelegenheden verzet.

Hoe we het ook bezien, met Van Haren is een nieuw element gekomen in de verhouding tot de ‘andere wereld’. Met hem zijn we in de ochtendschemering van een andere tijd beland. Het is allemaal nog onduidelijk en onzeker, maar de eerste symptomen zijn er. Langzaamaan wordt het tijdperk van de Compagnie afgesloten, al zou het nog tot eind 1799 duren vóór zij als staatkundig lichaam geliquideerd werd. In ieder geval was in de laatste decennia allang geen sprake meer van de ‘Loffelijke Compagnie’, zoals ze heette. Ze was al jaren van binnenuit aangevreten.