Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]

3. W.A. van Reesaant.

Dichterbij de waarheid nog dan Wilsen staat de officier W.A. van Rees (1820-1898), wiens Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier (1862) in zijn tijd veel gelezen werd. Van Rees werd door Jan ten Brink in De Tijdspiegel van 1862, deel ii, blz. 192, zeer geprezen, omdat hij met zijn Herinneringen zo'n voortreffelijk ‘handboek voor jonge Indische soldaten’ had geschreven. Hier werd hij naar beoordeeld. Ook bij Van Rees zelf staat de informatie voorop. Deze, zegt hij, laat hem geen afwijking van de werkelijkheid toe. Zijn ‘natuurlijk verlangen om boeiende lectuur te scheppen’ offert hij er zelfs aan op. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Zijn informatie gaat in de anecdote over en loopt hier en daar zelfs uit in een kennelijk gejokt verhaaltje, in een ‘sentimentaliteit’, zoals men het toen zeggen zou, omdat de liefde ten slotte ook bij het militaire leven hoort, in ieder geval bij dat van de officier. Het is hem een vreugde tot die stand te hebben behoord en aan iedere jonge man zou hij willen zeggen: blijf niet bij moeders pappot, maar ga naar Indië, daar ligt een ruim veld open ‘om lauweren te plukken en roem te oogsten.’ Dat het in de praktijk weleens anders uitviel, Van Rees verzwijgt het niet. Zijn waarheidsliefde gebiedt hem ook de schaduwzijden te laten zien van het ‘intieme militaire leven’, in het bijzonder dat van de soldaat. Wat Van Rees daarvan vertelt is zonder meer gruwelijk. Ten Brink werd erdoor geschokt. Zo keurde hij het af dat Van Rees de executie van een soldaat beschreef of de onmenselijke disciplinaire straffen, maar het schokkende ligt in de wijze waarop Van Rees deze gebeurtenissen vertelt, zonder één ogenblik te twijfelen aan het systeem, zonder één protest tegen zoveel onmenselijkheid. Een rebelse soldaat wordt aan boord opgesloten in het hok waar de ankerkettingen worden opgeborgen, ‘vierkante kokers van circa drie voet in doorsnede.’ Vierentachtig dagen en nachten moet hij daarin doorbrengen op bevel van de toen twintigjarige Van Rees, want ‘discipline moet er wezen.’ Een paar bladzijden tevoren heeft hij meegedeeld dat de scheepsdokter zó weinig te vertellen heeft, dat deze in opdracht van de kapitein het vlees goedgekeurd heeft ‘waar de maaien uitlopen.’ In het kampement te Batavia krijgt Van Rees bevel het peloton te commanderen dat een ter dood veroordeelde soldaat naar de galg moet leiden. ‘Bijgestaan

[p. 194]

door twee knechten bindt de beul hem de polsen bijeen op de buik, scheert het touw tussen de benen door om daarna de ellebogen op de rug vast te sjorren. Ook de benen worden bijeen gebonden. Nu werpt hij hem het koord om de naakte hals en sleurt de ongelukkige naar de ladder. De beul gaat voor en sleept het slachtoffer, reeds half geworgd, met zich. De beulsknechten tillen de misdadiger van onderen op. Het uiteinde van de strik wordt om de pin geslagen, het lichaam in de ruimte geslingerd en de beul springt als een aap op zijn schouders. Met een doodsbleek gelaat ligt de geestelijke op de knieën te bidden voor de ziel van de zondaar.’ ‘Maar genoeg,’ vervolgt Van Rees, ‘wenden wij de blik van dit ontzettend toneel af.’ En wat is zijn commentaar? ‘Het Indische leger telde een schandvlek minder.’ Geen woord van afkeuring over de wijze van terechtstellen of over de rechtspraak!

Ergens zegt Van Rees dat de militairen een gesloten samenleving vormen en dat ze eigenlijk buiten de burgermaatschappij staan. Men kan het aan hem merken. Hij denkt geheel formeel, overeenkomstig de codes van het militaire leven. Hij spreekt van braafheid, gehoorzaamheid, plicht en tucht, van stand en eer. Het is een kwellende vraag voor hem of de gouverneur-generaal op de parade in burger- of in militair tenue zal verschijnen en het is een grote opluchting voor hem en zijn makkers als deze besluit in uniform te komen. Nu behoeven zij als militair niet voor een burger te defileren! Het stáát er allemaal. En we vragen ons af wat er van worden zal als Van Rees straks zal gaan schrijven over de wereld buiten zijn kleine wereld, over algemeen Indische toestanden, over de verhouding tot andere bevolkingsgroepen enzovoorts. Onze angstige voorgevoelens worden inderdaad bewaarheid. Nog minder dan voor Ten Brink bestaat de inlandse wereld voor Van Rees of het zouden alleen ‘de Javaantjes’ moeten zijn waarmee hij de Javaanse soldaten bedoelt (die zeer goed bruikbaar zijn als je ze maar als apen of honden africht). De sociale en rasvooroordelen in de Europese samenleving die Ten Brink herhaaldelijk signaleert en kritiseert, gaan ongemerkt aan Van Rees voorbij, omdat hij ze vanzelfsprekend vindt. Ze zijn ook de zijne. Wat hij over de Indo's (de ‘sinjo's’ en ‘nonna's’) schrijft, de manier waarop hij dit doet en hun ‘krompraat’ imiteert, herinnert aan een uitlating van Ten Brink in Oost-Indische dames en heeren: ‘niets onbarmhartigers, niets laatdunkenders [...] dan de hoogmoed van Hollanders tegenover kleurlingen’ of aan deze:

[p. 195]

‘Er scheen geen aangenamer amusement dan de taalfouten der sinjo's in de voorgalerij van de soos aan elkaar te vertellen.’ Van Rees zelf doet het onbekommerd, zonder enige terughouding en intussen gaat hij door, soms gemoedelijk keuvelend, dan weer allerlei wijsheden verkondigend van hoe het moet en niet moet en natuurlijk ontbreken daarbij niet de uitvoerige uiteenzettingen over kleine ruzies en kleine plagerijen die hij van zijn superieuren te verduren krijgt. Daarnaast geeft hij werkelijk aardige beschrijvingen van een bal in de sociëteit De Harmonie bijvoorbeeld, of van een stadje als Semarang. Hij beschrijft de huizen en de straten, de bandjirs (overstromingen), en de nonna's wier harpspel hij prijst evenals hun wijze van lopen en dansen (‘hare aanrakingen zijn zo zacht als de lichte stof van het golvend kleed waarmede zij zich tooien, de bloemengeur die u uit haar kleren tegenkomt heeft iets bedwelmends...’). Maar als advies aan zijn jonge makkers: trouw nooit zo'n nonna!

Overal verkondigt hij opvattingen die gemeengoed zijn: over het huwelijk, over het concubinaat, over rangen en standen, over geldverdienen en rijkdom, over de verhouding tussen kolonie en moederland, over een ouderwetse en moderne resident, over de godsdienst, over heldenmoed en wat al niet meer in zijn boeken te pas komt. Behalve Van Rees' schrijfwijze die iets converserends heeft, iets wat direct aanspreekt, kan alleen zijn conformisme het succes verklaren van zijn vele boeken. Hij is voor de Indische lezer duidelijk herkenbaar als één der hunnen, hij spreekt hun taal, hij deelt hun opvattingen. Hij is een schrijver die zo plezierig vertellen kan over dingen en mensen zoals de Indischman die kent en zoals hij die ook zou beoordelen. Hij is voor hen een schrijver die tot instemming uitnodigt en geen tegenspraak uitlokt. Niet één, maar verschillende van zijn boeken zijn enige malen herdrukt tot in het eind van de negentiende eeuw. Ja, zelfs in 1941 kwam in Bandung nog een herdruk uit van zijn Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier. Er verscheen ook een Duitse vertaling van, hetgeen niet verwonderlijk is als men weet dat in het Indische leger zeer veel Duitsers waren.

Welbeschouwd is Van Rees niet zo heel lang Indisch officier geweest. Hij ging in 1841 naar Indië en keerde in 1852 met verlof naar Nederland terug. In 1854 werd hij gepensioneerd. Hij is toen pas gaan schrijven, evenals Ten Brink, Wilsen en anderen aan de hand van

[p. 196]

aantekeningen of puttend uit een dagboek. In 1858 verscheen zijn eerste ‘geschied- en krijgskundige bijdrage’ Montrado dat over de Chinezen-opstand in Borneo gaat. Hij wist prof. Veth over te halen er een voorrede bij te schrijven. Op het beschrijven van krijgsverrichtingen heeft Van Rees zich nogal toegelegd. Zijn procédé berust om der wille van de leesbaarheid, op het vanouds bekende compromis tussen ‘waarheid en verdichting’; historische feiten in een geromantiseerd kader. Een jaar na Montrado verscheen Wachia, Taykong en Amir of ‘het Nederlandsch-Indische leger in 1850’. Verder beschreef hij - veel later en blijkbaar gebruik makend van officiële stukken - De Bandjermasinsche krijg van 1859-1863 en nog een aantal krijgsverrichtingen in verhaalvorm die hij bundelde onder de titel Historisch-Indische schetsen, ‘leesboek voor den militair’ (1873). Ze vormen een bloemlezing uit zijn andere werken als Indische typen en krijgstafereelen (1881) en zijn biografieën van krijgshelden als Vermeulen Krieger (1870) en Toontje Poland (1867) of zoals hij ze noemde ‘pioniers der beschaving in Neêrlands Indië.’ Vooral het tweedelige boek over de bekende held uit de Padri-oorlog Toontje Poland, is goed leesbaar en het fragment dat in de Historisch-Indische schetsen staat over diens redding door zijn njai Fine (of Pien) is zelfs zéér goed leesbaar.

Van Rees' ‘natuurlijke verlangen om boeiende lectuur te scheppen,’ heeft hij kunnen uitleven in enkele verhalen, waaronder de 265 bladzijden lange ‘novelle’ Wijnanda die voor een groot deel in Indië speelt. Ze verscheen in 1881 in boekvorm. Er zijn historische gegevens in verwerkt: het voorspel, het uitbreken en de eerste jaren van de Atjeh-oorlog. Tussen de beschrijvingen van oorlog door en zijn kritiek op de oorlogsvoering, slingert zich naar de eis van de conventionele romantiek het verhaal van het tot armoede geraakte meisje Wijnanda van aanzienlijke afkomst en de jeugdige luitenant Van der Mulen, een specimen van trouw, moed en beleid. Alle ingrediënten van de romantiek van dolk en geween - waarin vooral de damesschrijfsters uitblonken - vindt men ook bij Van Rees: de travesti van de heldin als soldaat (om haar geliefde te kunnen volgen), de gevaarlijke creoolse die een gifmengster blijkt te zijn enzovoorts.

Van Rees kan levendig vertellen en hij kan ook aardig een situatie oproepen, maar litterair gesproken is zijn werk weleens overschat. Sociaal-historisch is het bijzonder interessant. Het is, juist omdat het

[p. 197]

algemene meningen verkondigt, uniek als bron van informatie over de samenleving en over hemzelf, en soms op een wijze die hij niet bedoeld kan hebben.