Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

4. M.T.H. Perelaeraant.

Ook Perelaer (1831-1901) was officier, al was hij niet iemand van de Academie zoals Van Rees, maar ‘van de kazerne’, wiens gala-uniform daarom ook een rode in plaats van een oranje sjerp vertoonde. De vier jaren dat hij als onderofficier dienst deed waren pijnlijk, hij zegt het zelf. De behandeling was vaak grievend, maar eenmaal officier bleek ook hij een militaire loopbaan te verkiezen boven een plantersbestaan dat hem onafhankelijk en misschien ook rijk zou hebben gemaakt. Hij was een moedig militair die zich op expedities en als civiel gezaghebber onderscheidde. Hij kreeg dan ook de Militaire Willemsorde en nog een paar eretekenen. Ondanks zijn verbondenheid met het leger is zijn kijk op het militaire leven genuanceerder en onafhankelijker dan die van Van Rees en er waren tijden dat hij op het punt stond ‘uit te treden’, bekent deze militair die eigenlijk pastoor had willen worden. Eenvoudig omdat hij zichzelf enkele essentiële vragen stelde die nooit bij Van Rees zouden zijn opgekomen: ‘... of het wel waar is dat de ware beschaving in deze gewesten door de overheersing der blanken gebaat wordt.’ Iemand die zoiets denkt, heeft het in de kolonie moeilijk en nog moeilijker als officier. Alleen door zich telkens één Frans citaat voor ogen te houden: ‘l'abnégation du guerrier est une croix plus lourde que celle du martyr’, slaagde hij erin zijn positie als militair voor zichzelf te rechtvaardigen, zij het vaak met moeite. Eenmaal gepensioneerd en daardoor minder kwetsbaar, kon hij zich ontslagen voelen van de blijkbaar bij de militaire stand behorende zelfverloochening en zich ontpoppen als vurig Multatuliaan, zelfs in Multatuliaanse bewoordingen: ‘Mijn God! Is dan dat arme volk gedoemd tot op de laatste man misschien te boeten voor het onrecht aan Douwes Dekker gepleegd, voor het plichtsverzuim van een Gouverneur-Generaal die niet had mogen “rusten” vóór dat verzuim zoveel mogelijk was hersteld’ (in een brochure Nogmaals Bantam en Max Havelaar, 1882).

Maar in zijn gedeeltelijk autobiografische roman Een kwart eeuw

[p. 198]

tusschen de keerkringen (vier delen, 1884-1885) die zijn hele Indische loopbaan tot het einde, tot 1879 toe volgt, komt Multatuli slechts eenmaal ter sprake, hetgeen wel opvallend is. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Perelaer, evenals de meeste van zijn tijdgenoten, minder getuigenis heeft willen geven dan informatie, minder over zichzelf heeft willen schrijven dan over ‘het leven in Nederlands-Indië’ voor de militair.

Zijn doel ligt elders en naar dit doel wordt hij ook in de eerste plaats beoordeeld. In een bespreking van zijn roman, kort na de verschijning van het eerste deel Naar den equator, prijst de criticus de stijl die hij eenvoudig en natuurlijk vindt en hij schrijft ook dat het boek zich aangenaam laat lezen, maar, zo voegt hij eraan toe, ‘wat van ons standpunt van hoger belang is: de schrijver verkondigt juiste begrippen omtrent de militaire dienst in Indië.’ Trouwens Perelaer zelf legt de nadruk op het waarheidsgehalte van zijn inlichtingen en het nuttigheidseffect daarvan. Het litteraire arrangement, de ‘inkleding’, zoals het toen heette, zijn slechts het middel om het effect beter te bereiken. Perelaer heeft - hij drukt het zelf zo uit - ‘door middel van een licht romantische draad de verhalen tot een eenheid trachten te verwerken.’ Zijn werkwijze is dezelfde als die van Van Rees, Ten Brink, Wilsen. Zij allen schrijven met een bepaald doel voor ogen en ter inlichting van een Hollands publiek, maar toch met meer litteraire pretentie dan zijzelf hebben geformuleerd. Er is in deze tijd bij Perelaer c.s. duidelijk een conflict merkbaar tussen de informant die zij uitdrukkelijk zeggen te zijn en de schrijver die zij zich - alle ontkenning ten spijt - toch voelen. Zij staan allen op de grens.

Evenals zovele schrijvers uit Indië heeft Perelaer jarenlang buiten de litteratuur geleefd. Aan het schrijven kwam hij in Indië nauwelijks toe. Het is in die tijd bij losse stukken, fragmenten, aantekeningen en misschien één volledig manuscript gebleven, een Ethnografische beschrijving der Dajaks die in 1870, in het eerste jaar van zijn tweejarig verlof verscheen. Zijn eerste enigszins omvangrijke publicatie over De Bonische expeditiën (1872) schreef hij tijdens dit verlof. Het werk werd te Batavia gedrukt en uitgegeven. Het was geen roman, maar een verslag van krijgsverrichtingen uit de jaren 1859 en '60 op grond van de officiële documenten. Aan de beoefening van het litteraire genre moet hij zich pas later hebben gewaagd, na zijn repatriëring omstreeks 1880. Kort

[p. 199]

na dit jaar verschenen van Perelaer een aantal boeken waarvoor hij - het kan haast niet anders - in Indië de gegevens heeft verzameld. Daar is in de eerste plaats het bekende en rijk geïllustreerde werk (met litho's van J.C. Rappard) ‘ter meerdere kennismaking met Neêrlandsch Indië’ dat hij in samenwerking met W.A. van Rees schreef. In dezelfde tijd doet hij schuchter de eerste passen in de richting van de litteratuur, al was voor hem litteratuur niet meer dan een andere wijze van presenteren, een aantrekkelijker inkleding van een bepaalde stof. Zijn opvatting blijkt duidelijk uit zijn werkwijze als hij zijn Ethnografische beschrijving der Dajaks later herhaalt in een ‘ethnografische roman’ (1881).

Een jaar later, in 1882, bundelde hij hoofdzakelijk oudere stukken. Uit de oude doos, noemde hij ze. Het waren zijn ‘eerste schreden op litterarisch gebied’ uit zijn ‘heerlijke luitenantstijd’. Ter verontschuldiging overigens voor het ál te rooskleurige beeld dat hij heeft opgehangen. Hij kan zijn vroegere proza zelf niet meer lezen zonder dat hem een bittere glimlach op de lippen komt over zoveel naïveteit. Zijn latere ervaringen hebben hem over heel wat dingen anders doen denken. Welke die ervaringen zijn, kan men lezen in Naar den eindpaal eener loopbaan, het vierde en laatste deel van Een kwart eeuw tusschen de keerkringen. Deze ervaringen hebben hem ook als schrijver anders tegenover zijn stof geplaatst. Het nuttigheidsprincipe is op de achtergrond gekomen, heeft zich gemetamorfoseerd en duikt nu op als tendens. In 1885 en '86 schreef Perelaer zijn tendens-roman tegen de opiumpacht in Indië, getiteld Baboe Dalima. Hij stelt de tendens zelfs uitdrukkelijk voorop. In het ‘voorwoord’ brengt hij het ontstaan van zijn boek in verband met een lezing die hij in 1885 over ‘De opium in Nederlandsch-Indië’ hield. Eén van zijn toehoorders, zo vertelt Perelaer, betuigde zijn grote instemming met het betoog en de strekking ervan, maar vond ‘dat het ongenietbaar voor het grote publiek genoemd moest worden.’ Enige uren later - in een spoorwegcoupé - was in Perelaers brein het gronddenkbeeld geworteld van een roman. Ditmaal rijgt hij de gebeurtenissen niet aaneen ‘door middel van een lichtromantische draad’, zoals bij zijn vroegere werk, hij doet méér: hij verpakt het verhaal in een romantisch kleed, waarmee hij overigens niet bedoelt dat zijn boek geen waarheid zou bevatten. Integendeel, het bevat ‘niets dan de waarheid’, al zijn sommige gebeurtenissen gefingeerd en de figuren meer ‘grondtypen’ dan bestaande personen,

[p. 200]

zoals bijvoorbeeld de hoofdpersoon Baboe Dalima, die het type is van de ‘toewijdingsvolle geaardheid der Javaanse bedienden.’ Tenminste, wanneer zij goed behandeld worden, voegt Perelaer eraan toe.

Perelaer noemde zijn boek een ‘opium-roman’. Het opiummisbruik was in de negentiende eeuw een gruwelijk kwaad dat het volksbestaan aantastte, ook omdat het aanleiding gaf tot allerlei misstanden. De maatregelen die de regering nam - telkens andere - waren ontoereikend. Van een werkelijke bestrijding was geen sprake, wel van een beperking door de opiumverkoop te monopoliseren en te verpachten - meestal aan Chinezen - ten bate van de schatkist. Tegen deze opiumpacht richtten zich velen, om menselijke en politieke redenen. Ze was strijdig met de liberale beginselen, maar net zo min als de conservatieve bleken de liberale kabinetten in staat het opiumvraagstuk op te lossen. Het kwaad was te diep ingevreten. Hóé diep, wilde Perelaer laten zien. Daarvoor moest hij beschrijvingen geven van hetgeen in opiumkitten te zien was, hij moest knoeierijen en omkoperijen signaleren en schilderingen geven van menselijke depravatie, ‘zelfs van de hoogste ambtenaren.’ Zijn roman is in zekere zin een uitwerking, een aanvulling en een bekrachtiging van hetgeen hij reeds in verschillende brochures en voordrachten over de opiumpacht naar voren had gebracht. In zijn boek - hij zegt het zelf - komen ‘afschuwelijke taferelen’ voor. Menigmaal heeft hij onder het schrijven de pen moeten neerleggen, niet omdat hij uitgepraat was, maar omdat de walging hem belette voort te gaan. Toch ging hij voort (zijn boek telt bijna 800 bladzijden!). Hij was namelijk zo gelukkig, toen hij eens op het punt stond zijn werk af te breken, een artikel van Frans Netscher tegen te komen ‘Wat wil het Naturalisme?’ (in het tijdschrift Nederland van 1885) en wat deze schrijft helpt hem uit de impasse: ‘... de immoraliteit schuilt niet in de schrijver, maar in de maatschappij.’ Het klinkt voor Perelaer in 1885, als het naturalisme al jarenlang in Nederland geïntroduceerd is, nog als een openbaring. ‘Ziet,’ zegt hij, ‘dit is het standpunt hetwelk ik ook wens aan te nemen.’ Hoewel Baboe Dalima allesbehalve een naturalistische roman is - daarvoor zit Perelaer teveel vast aan allerlei verouderde conventies - moet een deel van het lezerspubliek het toch tot deze categorie hebben gerekend, omdat het een ‘vies boek’ was. Een criticus in De Indische Gids van 1886, deel ii, blz. 1085, moest beginnen met dit algemeen vooroordeel te bestrijden. Hij deed dit overigens niet uit

[p. 201]

naam van het naturalisme, maar door een ‘positieve tendens’ voorop te stellen. Een ander standpunt nam Perelaer zelf trouwens ook niet in.

Toch moet Perelaer kort daarop helemaal in Zola gedoken zijn. In 1892 verschenen twee Indische schetsen onder de titel Noordwest en Zuidoost, waarbij de reminiscenties aan Zola zó ver gingen, dat Perelaer van plagiaat werd beschuldigd. Er werd op een breed front een aanval op hem ingezet: ‘... een stapel couranten die slechts toorn en kwaadaardigheid jegens mij ademen.’ Perelaer heeft zich stikkend van woede verdedigd met een brochure De strandvonderij van M.T.H. Perelaer, een woord aan het Nederlandsch lezend publiek. Zijn verdediging met veel uitroeptekens, cursiveringen en hoofdletters is breed uitgemeten en niet altijd even helder. Toch krijgt men de indruk, als men de teksten naast elkaar ziet, dat de ‘strandvonderij’ (zoals het plagiaat genoemd werd) nogal meeviel. Maar hoe men het ook ziet, deze openbare beschuldigingen in verschillende periodieken geuit, moeten de toen reeds vrij bekende schrijver, diep hebben vernederd en gegriefd. Hij had enige jaren nodig om er overheen te komen. Eerst in 1899 kwam hij met een nieuw boek uit: Een wedstrijd op den oceaan. Hoe hoog hem de oude kwestie zat, blijkt uit de inleiding waarin hij ditmaal uitdagend zijn bronnen vermeldt.

In 1901 overleed hij zoals het een echte Indischgast betaamt: in Den Haag.