Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 286]

XIII Het Indische kunst- en toneelleven

1. ‘Une société sans art, sans culture...’aant.

De spiegel die Bas Veth de Indische samenleving voorhield was een lachspiegel die een vertekend beeld gaf, maar waarin toch sommige trekken van de Indischman te herkennen waren. Die geen Indischman waren of zich geen Indischman voelden in de betekenis die Bas Veth eraan hechtte, zeiden dat hij ‘in de grond gelijk had’ - de anderen spogen terug omdat ze hun wereld bedreigd voelden. Deze wereld was een wat zelfgenoegzame wereld die zich juist had hersteld van een prestigeslag. Tegen het eind van de negentiende eeuw had de Europese samenleving kunnen herademen toen Generaal Van Heutsz zijn tocht naar Tangseh had volbracht en vanuit Sigli opereerde. De uitputtende Atjeh-oorlog leek ten einde te lopen. De Lombok-oorlog was al eerder voorbij en in de economische toestand kwam enige verbetering, leek het. In een stemming waarin het optimisme de boventoon voerde, ging men de nieuwe eeuw tegemoet en deze wilde men niet door Bas Veth laten bederven.

Om wat zich op het wereldtoneel afspeelde, bekommerde men zich nauwelijks. Spanje was in oorlog met Amerika (in 1898 viel Manilla in Amerikaanse handen), Kitchener bezette de Sudan, in Zuid-Afrika dreigde reeds de Boerenoorlog en in Frankrijk bracht de Dreyfus-affaire de gemoederen in beweging. Maar het raakte niemand in Indië. Er scheen een bijna landelijke rust te heersen, al begon Batavia steedse allures te krijgen en reed er in 1900 al een elektrische tram. De Europeanen leken één grote, tevreden familie, al maakten ze onderling, zoals het behoort veel ruzie om allerlei kleinigheden. Het is immers een teken van rust en tevredenheid als men hevige ruzies kan maken om toneelopvoeringen en muziekavonden of over de voorbereidingen

[p. 287]

tot de kroningsfeesten. Men was tuk op feestvieren, op tableaux-vivants met Bengaals licht, op dansen (wals, galop, polka mazurka, lancier en quadrille!) op opera's en operettes.

De kunstbeoefening is in Indië altijd vermengd of verward geweest met amusement en ontspanning. Ze werd als een gezelschapsspel bedreven, als een middel om wat afwisseling te brengen in het leven van alledag. Men kon samen picknicken, naar een bal gaan, homberen of een bloemencorso organiseren, maar ook samen muziek maken, toneelspelen of zingen. Het was - gezien vanuit maatschappelijk standpunt - eigenlijk om het even. In alle grote steden als Batavia, Semarang of Surabaja waren muziek- en toneelverenigingen die in de schouwburg hun voorstellingen gaven, maar ook in de kleinere plaatsen musiceerde men, of droeg men voor. In geen enkele sociëteit ontbrak een toneelzaal of toneelruimte hoe primitief de outillage soms ook zijn kon. Veel hing voor de kunstactiviteiten af van het hoofd van het plaatselijk bestuur of misschien nog meer van zijn vrouw of die van een andere notabele. Bezat zij artistieke en organisatorische gaven, zoals Eva Eldersma in De stille kracht, dan bloeide het kunst- en toneelleven. Maar vaak ook was het anders en beperkte men zich tot recepties, kaart- en dansavonden. Met ‘hogere genoegens’ moest men eigenlijk niet aankomen. Na een dag van hard werken, hitte en zorgen had men alleen maar behoefte aan afleiding. De reeds eerder genoemde Franse reiziger Chailley-Bert schreef in 1898 van deze Europese samenleving: ‘Une société sans art, sans culture, sans religion, sans idéal.’

In deze samenleving viel Otto Knaap binnen, en al was hij een Indische jongen, hij kwam er als een vreemde eend in de bijt. Hij was zelfs een heel vreemde eend, een jonge man met hooggestemde idealen, begaafd, kunstzinnig en critisch. Bovendien bezat hij zoveel temperament dat hij zijn idealen in praktijk wilde brengen. Otto Knaap was naar de getuigenis van zijn zoon musicus ‘met hart en ziel’ en hij voerde - zoals dat heet - op kundige wijze de pen.

Het kunst- en muziekleven was te Batavia geconcentreerd in de ‘Vereeniging Toonkunst Aurora’ (ontstaan uit een fusie van de ‘Lieder-tafel Aurora’ met de ‘Maatschappij van Toonkunst’), maar deze was toen Otto Knaap kwam, een schijndode die gelaten op de redder wachtte die haar wekken zou uit de lange slaap. Ze had haar verwachtingen gevestigd op de oude fotograaf en decorateur Van Kinsbergen,

[p. 288]

een romanticus uit de oude school, een man met ietwat bizarre fantasie, die bij de feesten ter gelegenheid van de teruggekeerde Lombokstrijders, de zaal van de ‘Concor’ versierd had. Het was zijn idee om uit een kanon bloemen in de zaal te schieten en hij was het, die in de grote zaal een fontein had ontworpen die Eau de Cologne in plaats van water spoot. Deze Van Kinsbergen had een staf van toneel- en muzieklievende dilettanten om zich heen verzameld, die onder zijn leiding een opvoering zouden geven van niets minder dan de opera Mignon. Het leek ondanks alle onderlinge intriges, een bijzonder stimulerende bezigheid voor de naar vertier hakende Batavianen. Maar Otto Knaap wierp een knuppel in het hoenderhok van klokkende dames en kakelende heren, en hij constateerde: ‘Beunhazerij is in dit land van primaire beschaving een welig tierend ongewas, ontkiemd in de lichtgelovigheid van het met voorbedachten rade dom gehouden publiek.’ Men was, net als op Bas Veth, razend en vroeg wie die man was, die daar onder de schuilnaam ‘De Kleine’ zoiets in Prange's Advertentieblad durfde schrijven? Maar Otto Knaap, met een beroep op de schoonheid en de liefde tot zijn geboorteland, ging rustig door. Toen nam men het gebruikelijke middel van de anonieme brief te baat. Men zou de recensent ‘op straat aanranden’; een ander wilde hem de lucht in laten vliegen en een derde zou het ‘oog om oog, tand om tand’ op de criticus toepassen - waarvan men toen de naam nog niet eens kende! Maar in de kleine Bataviase samenleving werd deze natuurlijk spoedig bekend en toen Otto Knaap in mei 1897 medewerkte aan een religieus concert te Buitenzorg, trokken vele Batavianen daarheen om de gehate man in levende lijve te zien. ‘Kijk, daar heb je 'm,’ zei men, ‘zijn viool is waarachtig groter dan hijzelf.’ Maar toen Otto Knaap speelde, was men muisstil - ‘een muis die bang is voor de kat,’ schreef het Nieuw Bataviaasch Handelsblad.

De criticus van dit blad noemde zich Saint-Bris, een nogal doorzichtig pseudoniem voor Hans van de Wall, met wie Knaap later een geweldige ruzie heeft gekregen. Van de Wall schreef in verschillende dagbladen, onder verschillende namen allerlei stukjes die Knaap begonnen te ergeren door hun gebrek aan vakkundigheid. Knaap verzocht Van de Wall allereerst zijn ‘komediespel’ te staken en de mensen niet voor de gek te houden met zijn talrijke pseudoniemen. Hij attaqueerde in de Java-Bode de bijdragen die Hans van de Wall vooral in

[p. 289]

Het Nieuw Bataviaasch Handelsblad schreef en hij sprak van Van de Walls ‘spreekwoordelijke onbehoorlijkheid’. Deze had namelijk geïnsinueerd dat de door Knaap opgerichte Muziek- en Toneelvereniging uitsluitend diende om diens persoonlijke belangen te behartigen. ‘Muzikale Praatjes’ heette de rubriek van Van de Wall. Otto Knaap schreef in een artikel dat hij ‘Van de wal in de sloot’ noemde: ‘Uw muzikale praatjes vereisen geen beantwoording; de titel, de titel is reeds ter snede.’ Het werd een verrukkelijke Indische rel, waarbij de hatelijkheden en insinuaties niet van de lucht waren - tot groot plezier van de Indische krantelezers.

Toch lag de grote controverse tussen Van de Wall en Knaap niet alleen in het persoonlijke vlak. Van de Wall, al was hij jonger dan Knaap, vertegenwoordigde als het erop aan komt, de romantische school. Otto Knaap was een ‘nieuwlichter’ die op het gebied van de muziek en de litteratuur op een ‘modern’ standpunt stond; dat wil zeggen: op het standpunt van de Beweging van Tachtig. Hij bewonderde Diepenbrock, de vriend van Kloos en Verwey, en sprak met grote eerbied van diens Missa Solemnis. In zijn stijl imiteerde hij soms Van Deyssel. Eenmaal schreef hij in één van zijn muziekkritieken - blijkbaar zéér onder de indruk van Van Deyssels ‘Ik houd van proza’ - in alle ernst en zonder blikken of blozen: ‘Ik min de muziek, omdat een omarming van haar mij zoeter is, mij in genotrijker zwijmel brengt dan één van elk harer zusterkunsten. Ik lief de muziek, omdat...’ enzovoorts.

Het hielp niet of hij de muziek minde, hij moest het op den duur afleggen en in 1904 of 1905 vertrok hij naar Nederland. De mislukking van het optreden van Otto Knaap is symptomatisch voor het Indische kunstleven, want wat in Batavia gebeurd was, kon ook in Surabaja of Semarang gebeuren, en overal elders, in de kleine steden en de talrijke ‘binnenplaatsen’. Het kunstleven werd verstikt door het Indisch provincialisme, door de onderlinge naijver, door voortdurende ruzies die altijd een persoonlijk karakter droegen - met de sociale status als inzet.

Toch begon juist in de eerste jaren na 1900 iets te veranderen: politiek, staatkundig en cultureel. Een symptoom was de oprichting van een weekblad met duidelijk culturele pretenties.