Geschiedenis der Vlaamsche letterkunde


auteur: Th. Coopman en L. Scharpé


bron: Th. Coopman en L. Scharpé, Geschiedenis der Vlaamsche letterkunde. De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen 1910   


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 259]

[De dichters]

J. Nolet de Brauwere. - Pr. Van Duyse. - J.-M. Dautzenberg. - Jan Van Ryswyck. - Jan Van Beers. - Julius De Geyter. - Frans De Cort. - Jan Van Droogenbroeck. - Emanuël Hiel. - J. Vuylsteke. - G.-J. Dodd. - R. en V. Loveling. - C.-J. Hansen. - J. Staes. - P-C. Verhulst. - N. Hendrickx. - Fr. Willems. - W Rogghé - H. Claeys. - Fr. De Potter. - K. Bogaerd. - Mathilda van Peene. - Am. De Vos. - P.-J.-W. Brouwers. - D. Claes. - D. Traets. - L. De Bo. - A. Beernaert. - Guido Gezelle. - E. Van Oye. - K. De Gheldere.

Sedert het begin der jaren '50 nemen de Vlaamsche dichters, evenals de prozaschrijvers, in aantal en beteekenis toe. Naast Van Beers en Dodd, De Cort en De Geyter, Van Droogenbroeck en Gezelle, de gezusters Loveling, Vuylsteke, Hiel, en anderen meer, die meêleven met hunnen tijd, ieder op eigen wijze dichten van en voor hunnen tijd, maken Blieck, Maria Doolaeghe, Blommaert, Stroobant, Rens, allengs den indruk, dat zij inderdaad tot een ouder geslacht behooren. Niet aldus Dautzenberg, - alhoewel hij reeds sedert 1837 aan de Gentsche jaarboekjes medewerkte, - noch Jan Van Ryswyck, waar deze als Antwerpsch volksdichter, de stappen drukt van Theodoor; evenmin Nolet noch Van Duyse.

Wat Nolet betreft, deze hoedde zich, Bormans' raad indachtig, de epische trompet nog op te steken. De stukjes welke hij, niet al te kwistig, voor Rens' jaarboekjes, of naar aanleiding der feesten

[p. 260]

van het kortstondige Vlaamsch-Duitsch Zangverbond(1), of van de Nederlandsche Congressen schreef, zijn met dezelfde zorg als vroe-

illustratie

Handschrift van Max Rooses.


[p. 261]



illustratie

Handschrift van Julius Vuylsteke


[p. 262]

ger bewerkt, en ook flink met bijtende ironie gekruid. Niet immer fijne ironie evenwel. Zwart op Wit, een bundeltje ‘verscheidenheden’ dat hij in 1853 te Amsterdam bij C.-L. Van Langenhuysen uitgaf, en dat J.-A. Alberdingk inleidde met een geestigen brief over de Hollandsche ‘mizoromie’, d.i. den blinden afkeer voor alle letterkunde met een Roomsch reukje, - brengt weliswaar zeer deftige verzen; een treurdicht, onder andere, op den vroegen dood onzer eerste koningin, en ook een langgesponnen bewerking der legende van Beatrys. Maar de meeste plaats is voor lichter kost, en de oude verbittering tegen den onzachten beoordeelaar van Ambiorix uit zich even schamper in Half en Half, open brief aan Dr Snellaert, als in de Snuif der vroegere Dichtluimen. De gemoedelijk jokkende Vaderles aen eenen ter Hoogeschool trekkenden zoon, in Kortum's hinkende maat, is vrij van stekende angels. Achteruit, en het daaropvolgende gedicht Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap teekenen misschien het scherpst Nolet's zwak voor paradoxen:

 
Voorwaerts zij de stem der eeuw:
 
Achterwaerts! ziedaer de mijne....

Zoo, de uitdagende aanhef van het eerstgenoemde. Slotregelen als ‘Witbroodjongens, achteruit’, ‘Malle sloeries, achteruit’, ‘Kale jakhals, achteruit’, ‘Looze dompneus, achteruit’, ‘Kankervaten, achteruit’, zeggen overigens hoe weinig deze uitboezeming uitstaans heeft met poëzie. Hoogstens valt bij dergelijke stukjes te prijzen de gevatheid waarmede flikkerende invalletjes en aardigheidjes tot mozaïek werden ineengewerkt.

In 1859 verzamelde de eergierige schrijver, in twee bundels, nagenoeg alles wat hij sedert 1839 aan ernstige en luimige verzen gedicht had. Een derde bundel, de stukken van 1860-1870 behelzende, volgde in 1871(1). De gedichten waarin Nolet zijn Pruisen-

[p. 263]

haat lucht geeft, vooral na de inlijving van Hannover in 1866, zijn hier de opmerkelijkste: Onno Klop neemt plaats onder de beste. In de diatribe op Pruisen's vorst en op Bismarck, de Begenadigde, is hij daarentegen vergeten dat de Muze eerbied vergt:

 
Hier plak ik dan, van God-zelf begenadigd,
 
Met 't begenadigd achterste op mijn stoel!

Zulke woorden, in den mond van den vorst, zijn lang nog 't platste niet in dezen maatloos schimpenden uitval.

 

Welk een sprong tot Van Duyse!

Het valt niet te bewimpelen dat tallooze gelegenheidsverzen, welke hij jaarboekjes en tijdschriften toezond, meestal niet gunstig stemmen, al vonkelt hier en daar in die ontijdige rijmelarij een verloren edelsteen. Warme bewondering wekken daarentegen vele onder die gedichten, welke Van Duyse zelf waardig gekeurd heeft om in Het Klaverblad (1848) en den Nazomer (1859) te worden samengelezen.

Een aanzienlijk deel dezer poëzie blijft gewijd aan den Vlaamschen taalstrijd en aan Vlaanderen's helden. Het stil geluk van den huiselijken haard dat zijne kindergedichtjes bezielt, de verkleefdheid en vereering van enkele vertrouwden, als Blieck, Dautzenberg, Mevrouw Van Ackere, vergoedden den teervoelenden en

[p. 264]

rechtschapen man menige ontgoocheling en miskenning(1). Vreedzaam en vruchtbaar spoedden de luttele jaren heen, die hem nog beschoren bleven. Doch, nadat pas, in 1859, de verschijning van zijn Jacob van Artevelde gunstig was onthaald geworden, velde de dood, op 13 November 1859, hem plotseling neder(2).

De Gedichtjes voor Kinderen, en de Nieuwe Kindergedichtjes, van 1849, het bundeltje, dat hij - een vriend van scherts en lach, - in 1853 te Leeuwarden uitgaf onder den titel Vrolykheid; het paar elegiën, en de Bespiegelingen naar a Kempis waarmede hij in 1856 de tweede uitgaaf van Natalia verrijkte; de vertaling in dichtmaat van Virgilius' Herderzangen (1856); elk van deze werken draagt bij tot het bevestigen van de vruchtbare veelzijdigheid, welke dezen bevoorrechte onderscheidde, en verkondigt zijne Bilderdijkiaansche meesterschap over de taal.

Het Klaverblad bestaat uit drie boeken romancen, legenden, sagen: stoffen aan de geschiedenis, aan vrome overlevering, of aan de glimlachende sprookjeswereld ontleend. Het storende van al te zwakke gedichten tusschenin, dat in de Vaderlandsche Poëzy van 1840 zoo zeer treft, moet nochtans ook hier, ofschoon minder, Van Duyse tot een verwijt worden gemaakt. Bijzonder lief en snaaksch is het halfdozijn vertellingen, waarin de gefopte Sint-Pieter de voorname rol speelt. Hooger gestemd, en meesterlijk van behandeling, zijn de drie Bergluiden in Koetenberg, - Sint-Augustijn en het Kindeke; van vaderlandsche geestdrift trilt het verhaal van Zanne-

[p. 265]

kin's heldendood; aangrijpend is de tweemaal behandelde saga der gestorven moeder, die 's nachts uit het graf oprijst en hare verschopte kleinen zoogt en verzorgt. De ballade van den Blankenbergschen Visscher en die van Ondine, welke aan eene der schoonste van Schiller herinnert, munten uit door zangerigheid. Na den rijken inhoud van Het Klaverblad kunnen alleen nog stukken als

illustratie

G. Antheunis.
1840.


de Weduwe en de Krijgsgevangene Spanjaards, uit Nazomer, aan Van Duyse's roem als balladendichter iets toevoegen.

In Jacob Van Artevelde, met dien schoonen voorzang aan de stad Gent, stijgt hij bij poozen zeer hoog. De beraadslaging der Gentsche gemeentenaren over vrede of krijg, in den vierden zang, is wel het glanspunt. Maar het geheel mangelt aan eenheid, en Artevelde treedt al te dikwijls of blijft soms te lang in de schaduw. Ook is het wonderbare, in deze moderne epische proeve, niet overeen te brengen met de ontnuchterde begrippen van den nieuweren tijd.

Een eénig lied, zoo forsch en verheven, is De Zang des Germaenschen Slaefs (1848). Germanje is gekneveld. Nu ademt Rome vrijer en juicht bij de intrede van den zegevierenden Caesar. Somber stappen in den praalstoet de verwonnelingen; in hun midden

[p. 266]

Rotholf de zanger. Eene lier wordt dezen gereikt, tot zingen wordt hij gepraamd, - tot het roemen van Caesar! Doch het lied dat de ontstelde Romeinen in het oor dreunt is een zegekreet van de geboeide vrijheid, eene uitdaging tot den verdrukker, een lofzang op Wodan, eene verheerlijking van Ambiorix en zijne helden; en stijgend in geestdrift en kracht, barst het los in de rampvoorspelling van Rome's jammerlijken val(1).

 

Geheel anders is de aanleg van Prudens' trouwen vriend, den Limburger Dautzenberg. Deze was twee en veertig jaar oud voor hij er toe besluiten kon zijn eerste verzenbundeltje uit te geven(2). Een tweede bundel, de Verspreide en nagelaten Gedichten, zag eerst in 1869 het licht. Het jaar voordien was de dichter, aangezet door het gevoel, dat de wreede ziekte, die hem langzaam ondermijnde, hare ontknooping naderde, zijn latere verzen gaan verzamelen en nazien; maar hij kon nog slechts een deel van den arbeid verrichten en overleed reeds den 4n Februari 1869; Frans De Cort, zijn schoonzoon, moest de uitgave bezorgen. De vertaling van een vijftigtal Oden van Horatius, enkele fragmenten en eenige hoogduitsche gedichten, schikte deze bijeen te brengen in een lateren bundel, maar zijn vroege dood verijdelde dit voornemen.

[p. 267]

Johan Michiel Dautzenberg was den 6n December 1808 te Heerlen geboren. Na wat lager onderricht op de dorpschool, had de vlugge knaap, die meende geestelijke te worden, latijn mogen leeren bij Kapelaan Mienis, wiens innemend beeld hij later zoo aandoenlijk zou schetsen. Ten gevolge van Koning Willem's verbod aan de Bisschoppen, seminaristen aan te nemen, die niet eerst een paar jaar te Leuven gestudeerd hadden, was hij gedwongen secretaris te worden bij den ouden graaf van Belderbosch, die te Heerlen groote eigendommen bezat; in 1826 nam deze hem mede naar Parijs. De jonge Dautzenberg kende reeds wat Duitsch, dat hij bij zichzelf aangeleerd had. Zijn verblijf in Frankrijk was kort van duur; weldra trok hem het bericht van den dood zijner moeder onweerstaanbaar naar huis terug. Hij schreef bij den notaris, daarna bij den ontvanger, en werd eindelijk ondermeester. Maar dat alles gaf geen bestaan. Als hulponderwijzer vinden we hem weldra te Maastricht aangesteld; hierop te Bergen; dan te Doornik; altoos ijverig bijstudeerend en zich oefenend; sedert vier maanden was hij te Gent leeraar in het Fransch, dank zij de voorspraak van Graaf Dumonceau, wiens kinderen hij les gaf, toen de Omwenteling losbrak. Dautzenberg's beschermer verliet het land, en onze Limburger ging, als huisleeraar der kinderen, met deze naar Vilvoorden; hij bleef daar tot 1838 op het landgoed der grootmoeder. Mej. Maillart, eene ontwikkelde en met kunstzin begaafde vrouw, maakte hem dit jaar tot den gelukkigsten der echtgenooten en voortaan, tot zijn dood toe, bewoonde hij de hoofdstad, als ambtenaar van de Société Générale(1).

Het heimwee naar 't schilderachtige geboortedorp, en de volgemeten zaligheid van den stillen huiselijken haard, worden van dit oogenblik af voor zijn fijnvoelend gemoed de zachtborrelende bronnen van zijne bezieling.

Alles is levenslust en lieflijkheid in deze poëzie. De natuur in haar meigewaad, herinneringen aan den kindertijd, speelsche minnerijmpjes, gekozel en gekeuvel, soms een gauw weggepinkt weemoedstraantje, vullen meestal beide bundels. Diepe ontroering

[p. 268]

is even zelden als gloed of hooge vlucht. De vorm heeft den voorrang op den inhoud. Letterkundig aristocraat, gevoelde Dautzenberg niets dan minachting voor volksgunst en bijval bij gewone lezers:

 
Zinge wie wil voor het gemeen, hy verlaegt zich
 
Nimmer zoo diep; hy bestaet edelen geesten
 
Met melodische kunstgewrochten
 
Lieflik te streelen het oor.

Aldus spreekt hij tot zijnen vriend Van Duyse(1). En in een ander vers zijne opvatting der poëzie toelichtend, verklaart hij:

 
Kunstzin, Liefde en Natuer, huizen ze samen hier
 
In eens stervelings borst, zalig voorwaer is hy,
 
Want zyn kleinste gewrocht draegt der onsterflikheid
 
Kenmerk, goddelik ingeprent.

Voor De vormen der Tael breekt hij eene lans in een der metrische stukjes der Gedichten. Hij snakt ‘naer vryheid’. Als muiter zal hij den Vlaamschen Helicon betreden. Hem wacht berisping, kleineering en spot. Hij weet het; en terwijl de meeste zangers halsstarrig zuidwaarts blijven blikken, zal hij naar 't Oosten uitzien om een kundigen gids:

 
Het is Platen vooreerst, dan Rückert de bard, twee sterren des uchtenden hemels,
 
Die hebben der vorm voortreffelikheên met de louterste stralen beschenen,
 
Die hebben getoond, dat het Dietsch inderdaed voorgeene gesprokene tael zwicht;
 
Dat 's lands speeltuig, zoo verheven, zoo grootsch, uit alle gewesten en tyden
 
In het eigene schoon, en met zoeter gestreel, de bewonderdste liederen weêrgeeft. -
 
Rykkleurig zy ook in vinding en vorm de gezangmelodie van den Vlaming,
 
Des hang' hy de luit, de éentoonige luit in de kamer der antiquiteiten,
 
En het orgel alleen begeleide met zwier èn het hoog- en het Neêrduitsch volkslied!
[p. 269]

Aldus werd hij te onzent, op het gebied der metrische versmaten, een baanbreker: en bij het voorbeeld gaf hij tevens de leer(1). De kunstige naar Grieksch of Latijnsch model gebouwde lyrische strophen, welke hij trachtte ingang te verschaffen, hebben evenwel, als spelerij of als oefening, slechts zeldzame navolgers gevonden; maar de lenige en afwisselende hexameter is eene blijvende verrijking gebleken van onzen dichterlijken vormenschat.



illustratie

J. Adriabnsen.
1847.


Dautzenberg's tweede bundel staat beduidend, wat inhoud en vorm betreft, boven de Gedichten van 1850. Doch ook hier wordt men 't meest getroffen door de sierlijkheid van maat en rijmenspel. Bloempjes, beekjes, lente en liefde, zijn er insgelijks meest maar een voorwendsel om met woorden en klanken te goochelen. Het oor bewaart nog een stond de kristalheldere trilling van zilveren geluiden, maar 't is een uitzondering als er in den geest een beeld blijft. Ook de Romancen en Balladen, behoudens weinige uitzonderingen, bereiken geen buitengewoon peil. Zangerigheid, deze eerste vereischte van een lied, en afwisseling, onderscheiden Dautzenberg's

[p. 270]

liedekens; in ettelijke, de geestige Koekoekszangen onder andere, tintelt zijn jolige humor, terwijl beminnelijke naïefheid eene heele reeks onderscheidt, ‘in oude form ghegoten,’ naar het voorbeeld der ‘Loverkens’ van Hoffmann von Fallersleben(1). Eene andere reeks gispt de lauwheid der Vlamingen in den strijd voor hunne taal. Warm, innig gevoel nochtans bezielt schier alleen de tafereeltjes van stil huiselijk geluk, en de weemoedige uitboezemingen, waarin de dichter zijn heimwee naar 't geliefkoosde Heerlen wil sussen; inzonderheid het drietal Herinneringen aan Limburg: Heimreize, Mienis, en de schoonste en aandoenlijkste der drie, De Doop(2).

 

Evenals bij Theodoor, had vader Van Ryswyck ook bij zijne twee andere zonen, Jan-Baptist en Lambrecht, van jongsaf den rijmlust aangekweekt. Van Lambrecht (1822-1894), in 't zilverdrijven een meester, vindt men meer dan eene bijdrage in het Taelverbond en elders(3). Jan, verscheidene jaren jonger dan ‘de Door’, - hij was den 14n December 1818 geboren, - wachtte vrij lang vooraleer iets in druk te laten verschijnen. Ook hem was de echtsinjoorsche humor ruimschoots toebedeeld; dat bleek al spoedig uit zijne eerstelingen, b.v. uit den Lof der Onderdeur, in 't Muzen-Album voor 1846, en uit de ontmoeting van Jan Zonderland met den Wandelenden Jood, in dat voor 1847. Vlot berijmd, in de uitdruk-

[p. 271]

king soms plat, zijn het reeds echte staaltjes van den eigenaardigen Van-Ryswyckschen trant.

De Filter, een hekelend weekblaadje in verzen, dat hij met Theodoor van 27n Mei tot 23n September 1848 uitgaf, had Jan in ruimeren kring bekend gemaakt; maar het nummer van 24n Juni, waarin het hoofd van den Staat al te vrijpostig bejegend werd, kostte hem zijn plaatsje van ondermeester. Zijne rijmvaardigheid kwam hem nu goed te stade, om met gelegenheidsversjes voor het dagelijksch brood te zorgen. Kort nadien, op het graf van Theodoor, vatte hij het besluit dezes zending, als rijmenden tolk van Antwerpen's lof en blaam, voort te zetten.

Van Ryswyck's gedichten zijn doorgaans satirisch. Waar de gelegenheid zich aanbood, was hij dadelijk klaar met een liedje of een verhaal, en Rubens en Van Dyck moesten, als 't pas gaf, eens even uit den hemel naar de Scheldestad afzakken, om kunstenaars, burgerij en adel hunne ontaarding voor te houden. Van 1849 tot 1861 verscheen telkens, met Nieuwjaar, in het Handelsblad, later in Van Ryswyck's eigen vinnig dagblad de Grondwet (Sept. 1857 tot Febr. 1865) een bespiegelend gedicht op 't afgeloopen en op 't aanbrekende jaar; gezonde levenswijsheid predikt hij er op afwisselend jokkenden en ernstigen toon: laat ons 't leven nemen, zooals God het geeft, dankbaar, met zijn zoet en zijn zuur, en doen wij ons best om ons te volmaken. Hij vergelijkt het nieuwe jaar bij een versche ton, bij eene kaars, bij eene pijp, of verzint ergens een wonderlijken droom, en vindt steeds gelegenheid om te slaan en te zalven. Met hunne gemoedelijke mengeling van ernst en luim, waarin de dichter zich geeft als hij is, behooren deze Nieuwjaarverzen tot de beste in zijn werk.

Voor de vele bijtende spotrijmen welke Jan Van Ryswyck in 1861 tot een bundel verzamelde, kon geen passender titel uitgedacht dan die van Politieke Zweepslagen. Er liggen geweldig snerpende knoopen in zijn ongenadige zweep, en Verfransching en Militarisme doen best den geeselaar uit den weg te blijven.

Maar evenals Theodoor dacht ook Jan dat dit voor een volksdichter niet genoeg was. ‘Luimige poëzie aenzie ik als eene toespys, eene versnapering of dessert, op de tafel van het lezend publiek,’ schreef hij in 1853, in de Voorrede zijner Bespiegelingen op het Woord Gods; ‘en juist daerom, wil men een waer volks-

[p. 272]

dichter wezen, moet men de menschen daarby een krachtig en voedend stuk in de maeg geven opdat zy gezond blyven.’

In deze tien zangen, die elk een van Mozes' geboden tot onderwerp hebben, is de toon zóo ernstig, en zedepreekend aan-een-stuk, naar den ouden trant, dat men er den Jan der hekeldichten niet in herkent. Ware poëzie komt er wel bij poozen in voor; flink getroffen zijn sommige gedeelten; maar toch staat doorgaans rhetoriek voor natuurlijk gevoel, en is de toon meer hoogdravend dan waarlijk verheven; de blonde Ceres, de jeugdige Pomona, Hymen's kust en Nereus' waterbergen, vindt men met verbazing onder dezelfde pen die den lof der korte Broek, en Adam's klachten nog maar kort geleden op rijm had gebracht.

Na de stichting zijner Grondwet rukte de maalstroom der politiek onzen dichter verder en verder mede. In de Scheldestad speelde hij, tevens als medesleepend volksredenaar, eene rol van belang, en droeg machtig veel bij tot het oprichten van de Antwerpsche Meeting. Het zuur en bitter van 's mans laatste jaren gaf den knak aan zijne veerkracht, nadat de polemist den dichter in hem reeds geruimen tijd tot zwijgen had gebracht. Hij stierf den 5n Juli 1869(1).

 

De wijdst bekende onder de Antwerpsche dichters is Jan Van Beers. Conscience's Leeuw van Vlaenderen en de verzen van Tollens wekten van op de schoolbanken, - toen hij te Mechelen leerling was in het Klein-Seminarie(2), - zijne liefde tot de moedertaal en zijn dichterlijken aanleg. De jonge knaap behoorde tot eene gegoede Antwerpsche burgerfamilie. Hij zag het levenslicht den

[p. t.o. 272]



illustratie

Max Rooses.
1839.


[p. 273]

22n Februari 1821 en was de zoon van eenen jeneverstoker; de vader stierf kort na de geboorte van het kind, en de kleine Jan groeide op, vertroetelde lieveling van zijne moeder en vier godvruchtige en teergevoelige zusters. De weekhartige trek in de gedichten uit Van Beers' jongelingstijd mag gedeeltelijk aan deze opleiding toegeschreven worden, alsook de aanzienlijke plaats welke hij in zijne verhalen aan vrouwelijke karakters inruimt. Gelukkig

illustratie

R. Styns.
1850.


maar dat de lustige kwâjongensjaren, en de vroolijke verlofdagen, te Houwaart bij Aarschot, op de kosterij bij Grootvader, te gelijker tijd zijn zin voor lijn en kleur, voor volkseigenaardigheid en natuurschoon ontwikkelden en op zijn palet de kleuren zamelden voor den Bestedeling en voor Begga.

Aanvankelijk meende Van Beers zich tot den geestelijken staat geroepen, doch reeds op het Klein-Seminarie werd hij door twijfel aangetast, en, eens in de wereld, wendde hij zich ‘treurig-zwijgend’ af van de Kerk(1), wat echter op de Gedichten zonder

[p. 274]

invloed is gebleven: hemel en engelen zijn een geliefkoosd motief in de Jongelingsdroomen, en Van Beers' schoonste verhaal, Begga, bevat geene treffender bladzijden dan de beschrijving van het Lof der Zielen-octaaf.

Onder de leerlingen der hoogere klassen bestond te Mechelen, zooals thans nog in de meeste Colleges, eene letterkundige ‘Academie’. Eene oogkwaal had Van Beers eenigen tijd te huis gehouden. Terug in Mechelen, verraste hij, op de bijeenkomst der Academie, den 20n Maart 1840, zijne leeraars en medeleerlingen door de gloedvolle voordracht van zijn eerste Vlaamsch gedicht: de Kermis in de Hel. De inhoud van dit stuk dat, met een paar andere uit denzelfden tijd ongedrukt is gebleven(1), was van 't zelfde gehalte als de nuchtere aanhef:

 
Op een hoop van gloênde rotsen
 
Midden in een solfermeer,
 
Waer de golven eeuwig klotsen,
 
Staet de troon van Lucifeer.

Het gedicht maakte nochtans ophef; waartoe Van Beers' aangeboren gave van zeggen wel het hare bijdroeg.

Rechts en links verspreide stukjes gaven weldra blijk van zijn ontluikend talent. Aldus de dochter Jefta's(2), Op de Schelde(3) en Licht(4), deze hartstochtelijke groet aan de blijde zonneklaarte, bij de genezing der oogkwaal welke den jongen dichter met blindheid bedreigd had. Een zestal andere gedichten dragen het jaartal 1844: de Rozelaer op mijn venster, Rosa mystica, Maneschijn, Lelie en Roos, Daer is een geest, Weenen. Zeer vruchtbaar is Van Beers nimmer geweest. Het liep tot 1853 aan, vooraleer hij zijnen bundel

[p. 275]

Jongelingsdroomen in het licht gaf; doch verscheidene zijner eerste proeven bleven kieskeurig eruit verwezen(1).

Na voltooide studiën was Van Beers als leeraar aan het College te Mechelen verbonden gebleven. Zijne oogziekte dwong hem het volgende jaar naar huis te keeren. Toen hij hersteld was, bleef hij te Antwerpen, als stedelijke onderbibliothecaris, van 1844 tot 1849. Bevriend met Conscience en met al wie aldaar aan het hoofd stond der Vlaamsche beweging, nam hij deel aan de geheime werkzaamheden van Het Heilig Verbond en van den Olijftak. Hij hielp Voor Tael en Kunst oprichten en behoorde mede tot de trouwe bezoekers van Hendrick's hooggelegen Parnassus. Het jaar na zijne benoeming tot leeraar aan 's Rijks Normaalschool te Lier (1849), werd Hendrika Mertens, de bevallige dochter van den Antwerpschen hoofd-bibliothecaris, zijne echtgenoote. Het gedicht, dat hij haar zou wijden in den avond van zijn leven, Grijze Liefde (1884), herdenkt zóo warm het ongestoord met haar gedeelde huiselijk geluk, dat al de vroegere liefdeverzen er gloed- en kleurloos bij uitzien. Van 1860 tot zijnen dood, onderwees Van Beers het Nederlandsch aan het Athenaeum te Antwerpen. Sedert 1875 zetelde

[p. 276]

hij in den gemeenteraad zijner vaderstad. Zijne redevoering Het Vlaamsch in het Onderwijs (1876), en inzonderheid zijn welsprekend pleidooi Het Hoofdgebrek van ons Middelbaar Onderwijs (1879) hebben niet weinig bijgedragen tot de wording van de taalwet van 1883.

Hij overleed den 14n November 1888 Met koninklijke eer ter

illustratie

Is. Teirlinck.
1851.


aarde besteld, rust hij op het Kiel-Kerkhof nevens zijnen vriend Hendrik Conscience.

 

In de Jongelingsdroomen heerscht meestal eene ziekelijk-weemoedige stemming.

Het getreur en getraan is den dichter van den Zieken Jongeling (1846), en zijne toenmalige lezers en toehoorders mede, een wellust. Gelouterd, schiep deze weekhartigheid, in Livarda (1847) eenen meesterzang. Welk een streelend geluid in die vloeiende rythmen, en hoe vaart op den ruischenden vleugelslag van den Engel onze fantasie met Livarda's bezwijmende ziele ten hemel, van het lommerplekje weg, waar de ontrouwe geliefde zijne gestorven bruid verloochent!(1).

[p. 277]

Eene Bloem uit het Volk (1848), Bij 't Kerkportael (1851), en Op de Kermis (1852) duiden eene nieuwe richting aan: somber gekleurde tafereelen uit het leven der arme naaister, - der rouwhebbende gevallene, - der oude verschopte bedelares, vroeger een pronkzieke dorpsschoone, wegkrimpend thans onder de wroeging.

illustratie

V.A. de la Montagne.
1854.


Ditzelfde streven van den dichter om in de treurige toestanden van het werkelijke leven zijne bezieling te putten, vindt men terug in verscheidene stukken(1) van den volgenden bundel, Levensbeelden (1858), tegelijk met toenemende verfijning van den vorm. Doch ook de stemming zelve wordt op den duur minder somber. Reeds overheerscht in het weemoedig vriendelijke beeld van Tante Geertruid, het begijntje (1858), een verteederde luchtige toon; in Kaetje by de

[p. 278]

koei (1855), was de toon zelfs opgewekt. De kleurige tafereelen van den Bestedeling (1868), in kunstige hexameters, voltrekken den ommekeer. Niet langer is de wereld uitsluitend een treurtooneel; er komen ook blijde dagen. De blik is ruimer, de hand vast geworden, en de fikschgeteekende karakters zijn voortaan vrij van de vroegere klagelijke mijmerzucht(1).

Een tegenhanger van den Bestedeling, maar met nog grooter kunst bewerkt, al wenschte men de ontknooping minder melodramatisch, bracht tien jaar later de bundel Gevoel en Leven (1868). In Begga (1868) wordt Van Beers de schilder van het Antwerpsche volksleven. Een arm volksmeisje, tot laat in den nacht over haar kantkussen gebogen, door eene booze stiefmoeder verstooten, maar stil en trouw bemind door Frans van den kuiper, haar levenslustigen speelmaat van vroeger, is de heldin.

Meer dan gelijk welk ander onder Van Beers' verhalen behelst dit gewrocht flink geteekende karakters, breed aangelegde of, al naar 't pas geeft, vluchtig geschetste tafereelen. Men ontlede Begga, bemerkt Max Rooses, en men zal het gedicht in rijkgekleurde brokken zien uiteenvallen: ‘paneelen, die samengevoegd zijn om een tafereel te maken, maar waarvan men gemakkelijk de naden ziet; het in slaap wiegen van een kind, eene stadkermis, een veldbal, een besteek, een zielenlof enz. Men ontlede op hunne beurt die paneelen, en men zal zien, dat onze dichter is te werk gegaan als onze koloristen van vroeger. Hij heeft het gevoel van de kleur, hij geniet ze, hij leeft er in(2).’

Ook als lyrieker bereikt Van Beers in Gevoel en Leven zijne volle rijpheid. Zijn Maerlant, bekroond ter gelegenheid der Maerlantsfeesten te Damme in 1860, is een alleszins heerlijk stuk poëzie. En alleen het slappe slot van den Stoomwagen (1859), insgelijks een prijsgedicht, laat niet toe dezen zang, waarin verheven gedeelten voorkomen, met den Maerlant op eene lijn te plaatsen.

Na dezen bundel, zal de dichter gedurende vijftien jaar in het

[p. 279]

zwijgen volharden. Eindelijk, in 1884, verschijnen zijne Rijzende Blaren. Alhoewel Van Beers er den vijfjaarlijkschen prijs mede verwierf, sluit zich deze bundel minder aan, zooals Pol de Mont doet uitschijnen, bij Gevoel en Leven dan bij de zooveel zwakkere Jongelingsdroomen(1).

 

Dat een jong Antwerpsch dichter, met gansch bijzonderen aanleg voor de lyriek, zijne beste krachten aan verhalen uit het volksleven ging beproeven, hangt wellicht samen met den invloed der verhalende poëzie van Jan Van Beers. Sedert 1847 reeds, naar het schijnt(2), had Zetternam zijne Antwerpsche vrienden verrast met eene Ode aen Vlaenderen, door eenen buitenjongen. Het volgende jaar kwam de zanger dier Ode, Jan De Geyter, naar de Scheldestad over, en sloot zich aan bij de mannen van Het Taelverbond. Van hem verschenen een paar gevoelerige romancen in den jaargang 1850-'51, waarin ook Fr. De Cort, toen zeventien, en C. Hansen, destijds achttien jaar, hunne eerste verzen zagen opnemen, - De Cort een Strydzang der Eburonen, en de toeko-

[p. 280]

mende apostel der Dietsche Beweging, zijne fantastische middeleeuwsche legende Het slot Helstein.

Achtereenvolgens onderwijzer, commis-griffier bij de Arrondissements-rechtbank, sedert 1868 pleitbezorger bij de rechtbank van eersten aanleg, eindelijk, sedert Januari 1874 bestuurder van den Berg van Barmhartigheid, neemt De Geyter plaats onder de vurigste liberale vlaamschgezinden.

Reeds in zijne allereerste proeven, - het duidelijkst misschien in eene Ode aen Vlaenderen(1), - schemert door wat gaandeweg kenschetsend zal worden voor zijnen trant: het zilverheldere klankenspel, het bevallig huppelend maatgeluid, tevens het gejaagde, hortende, sprongwijze in vorm en opvatting; terwijl de hem eigene sterke trek naar overdrijving meest treft in het mateloos-sentimenteele herfsttafereel, het Vallen der Bladeren, waar een paar wegterende verliefden Van Beers' Zieken Jongeling akelig nafantaseeren(2).

Gelukkig duurde dat alles niet lang. Ziekelijk droomen was De Geyter's zaak niet.

In 1855 bracht de bekroning van zijn gedicht Belgies wedervaren zijnen naam op aller lippen. De prijskamp, door de Regeering uitgeschreven om de vijfentwintigjarige onafhankelijkheid te bezingen, had te Antwerpen nogal opspraak verwekt. In het Nederlandsch Kunstverbond was Jan Van Ryswyck er voor opgekomen, dat het plicht der Vlaamsche dichters was niet meê te dingen(3). Was De Geyter voor Van Ryswyck's oproep doof gebleven, toch had hij er de aanleiding in gevonden om krachtig in zijnen slotzang de klachten der Vlamingen uit te spreken.

In October van datzelfde jaar was Zetternam gestorven, en om bij te dragen tot oprichting eener grafzuil, verzamelde De Geyter in zijn Bloemen op een Graf (Antwerpen 1857) het beste wat hij tot dan toe geschreven had. Het is duidelijk dat de jonge dichter nog immer zijne baan aan 't zoeken en in de war is onder vreemde letterkundige invloeden. Vaderlandsche poëzie, met hier en daar

[p. 281]

een gloedvolle brok, maar te zeer Ledegancksch of Van Duysesch, zwartgekleurde tafereelen uit het volksleven op zijn Van Beers: Arme Moeder, - Kinderloos, - Moeder en Kind, nemen veel meer plaats in dan de luchtiger lyrische uitboezemingen, waarin Johan van Rotterdam, in zijne merkwaardige bespreking van het bundeltje(1). 's dichters beweeglijk gemoed het best vertolkt vond.

De goede wenk vond geen gehoor. De Geyter droomde ervan,

illustratie

Dr L. Simons.
1857.


in een breed uitgewerkt verhaal, zijn staatkundige en wijsgeerige denkbeelden te belichamen. De eerste zang zijner Drie Menschen van in de wieg tot in het Graf verscheen in 1861. Drie jaar later opnieuw, met den tweeden zang erbij. Een tendenz-roman in verzen, eigenlijk; zooals het berijmde liefdeverhaal Hendrik en Rosa (Amsterdam, 1868), met zijne warme verheerlijking van 't vrije Amerika, eene tendenz-novelle mag heeten.

Eigenaardig genoeg was het denkbeeld, om de lotgevallen van drie Antwerpsche knapen uit verschillende standen, op eenzelfden dag geboren, door malkaar te weven. Maar het is duidelijk, dat de nog onvaste greep van den dichter de stof niet omklemmen kan; en - komen er ook, tusschenin, kleurige schetsjes en levendige tooneeltjes voor in de wijdloopige geschiedenis, - toch moet er-

[p. 282]

kend, dat zoowel de gemeenzame toon waarop de schrijver inzet, als de niet zeer gelukkige opvatting van den held, Willem, een soort van flauw-grappigen Uilenspiegel, en van den gluipschen Pater Vredecus, het tot heden onvoltooid gebleven gedicht al te laag bij den grond houden(1).

Jammer is het, dat De Geyter geene tweede maal zijne verspreide stukken van lyrischen aard te zamen heeft gelezen. De bezielde noodkreet, op het Gentsche Taalcongres van 1867, tot het wekken van stamgevoel bij Noord- en Zuid-Nederlanders, toen de mare rondging dat Duitschland Holland's en Frankrijk onze onafhankelijkheid bedreigden, blijft een der vurig-krachtigste gedichten onzer Letterkunde(2).

[p. 283]

Hetzelfde jaar als De Geyter's Bloemen op een Graf, zond de levenslustige Frans De Cort zijn eerste bundeltje de wereld in: Liederen, eerste reeks. De tweede reeks volgde in 1859. Twee jaar later wordt hij Dautzenberg's schoonzoon, en vestigt hij zich te Brussel, waar hij tot zijnen dood het ambt van secretaris van den Algemeenen Krijgsauditeur waarneemt. Hij vervangt Dautzenberg aan het hoofd van De Toekomst; geeft in 1862 zijne Schoonste liederen van Robert Burns, uit het Schotsch vertaald, in het licht, en verrijkt nogmaals onze letteren, in 1866, met een bundeltje liederen, Zing-zang, meest op Dietsche of Engelsche volkswijzen gedicht.

Den 21n Juli 1834 te Antwerpen geboren, was deze geestvolle volksjongen, na volbrachte studiën aan het Athenaeum, beurtelings bediende geweest op een handelskantoor, mede-opsteller aan Jan Van Ryswyck's Grondwet, en, het jaar vóor zijn vertrek naar de hoofdstad, rekenplichtige bij eene stoomvaartmaatschappij. Het uitbundige der gulle liedekens uit dezen Antwerpschen tijd, maakt weldra plaats, onder den invloed van het stille huiselijk geluk, voor inniger gevoel, en de dichter, Dautzenberg's volgeling, legt voortaan het grootste gewicht op onberispelijke keurigheid van den vorm. Zijne gestrengheid blijkt vooral duidelijk uit de keuze welke hij, in 1858, uit zijne vroegere stukjes bijeenlas, onder den titel Liederen(1). ‘Wie de te kwader uur door den dichter veroordeelde zangen herleest’ - meende Heremans(2), - ‘zal het zeker met ons eens zijn, dat de toekomende verzamelaar van de werken van De Cort wel zal doen bij het publiek in beroep te gaan tegen het harde, ja volgens ons onrechtvaardige vonnis, dat de dichter over vele zijner eerste voortbrengsels heeft geveld.’

Na de Liederen van 1868 verscheen geen enkele bundel meer. Menig kruimig en luimig vers ligt in de Toekomst en elders ver-

[p. 284]

spreid. Bijzondere melding verdienen Flaminganten-begrafenis, - en de epistels in hexameters aan De Geyter, waar De Cort er zich over verschoont dat zijne Muze in de laatste jaren zoo weinig van zich liet hooren, - en aan Paul Fredericq, gewijd aan het ontroerd herdenken van Tony Bergman.



illustratie

Em. van Goethem.
1847.


In menig zijner liederen heeft De Cort den echten toon van het veredelde volkslied getroffen. Ach wat heb ik U misdreven, De Meid van hierover, en Het Klooster, zijn zonder weerga in hun soort; en vlekkelooze juweeltjes zijn de innige minneliederen Bekentenis, Moeder en Kind, In het zonnige hoveken. De geestdrift voor taal en vrijheid, in onze letterkunde zoo overvloedig vertolkt, boezemde hem verscheidene kernachtige liederen in: Mijne Moedertaal, Voor ons recht, te Waterloo, de Franschen. Vertaalde stukjes als Storm op Zee, Findlay, Jan Gerstekoorn, Het ledige Stoeltje, leveren daarenboven het bewijs eener ongewone vaardigheid in dit ondankbare vak(1).

[p. 285]

Nog meer dan op De Cort oefende Dautzenberg invloed uit op een jongen ondermeester te Schaarbeek, - Jan Van Droogenbroeck. Reeds te Lier, op de Normaalschool, had Van Beers den aanleg opgemerkt van dezen zijnen leerling, die, als achttienjarige jonge man, bij het verlaten van zijn dorp (St-Amands-op de Schelde,

illustratie

Aug. Hendrikx.
1846.


waar hij den 18n Januari 1835 geboren werd) zoo frisch en zoo roerend den geliefden stroom zijnen afscheidsgroet toezong:

 
Ik zal dyn hertetroostend zanggetoover,
 
Dat heimvol ritslen in het riet,
 
Dat drupplen van het bevend loover,
 
Dyn vroolyk klaetrend golvenlied,
 
Neen! 'k zal dyn stemme niet meer hooren,
 
O Schelde, ik zal aan dijnen zoom,
 
In denkend voelen als verloren,
 
Niet meer zoo als te voren
 
't Heelal vergeten in een zoet gedroom!(1)
[p. 286]

Een asklepiadisch bewerkt versje, - Moedeloosheid betiteld, - gedagteekend van December 1855, en verschenen in den tweeden jaargang der Vlaemsche School toont ons reeds Van Droogenbroeck als beslist aanhanger der metrische vormen.

Op een wenk van Dautzenberg bestond hij weinige jaren later het waagstuk eenige van Rückert's Makamen in onze taal over te brengen. In dit gerijmd proza, met verzen afgewisseld, bewees de jonge dichter een ongemeene kunstvaardigheid; de moeilijkheden schijnt hij spelend te overwinnen. Hoe de Duitsche verskunstenaar mag goochelen met klanken en woorden en spitsvondige zetten, Ferguut weet hem bij te houden. Door eigen woordspel, en eigen vrije fantasie vervangt hij wat niet te verdietschen was.

‘Wat in de behandeling bleef aan den vingeren kleven’, verwittigt hij in de Voorrede, ‘- heb ik uit eigener borze bijgegeven; - was er een woord van ouderdom beroest, - ik heb het gepoetst; - een wapenschild door den tijd half verwoest, - ik heb het hertoetst’.

Het werk verscheen in 1866(1), en bevatte negen der drie en veertig Makamen van Hariri, naar Rückert's bewerking. De Voorrede, insgelijks in Makamenvorm, is oorspronkelijk, en tegelijk eene lofspraak op de Dietsche moedertaal en eene hulde aan het streven van den Meester, Dautzenberg. Een tiental lyrische stukjes, de liefde bezingend en den wijn, in den gekunstelden vorm der Ghazelen, zooals Rückert dien mede in de Duitsche poëzie had ingevoerd, besloten het merkwaardig boek(2).

[p. 287]

Toen de Regeering in 1864 voor de eerste maal een wedstrijd voor eene Vlaamsche cantate uitschreef, naast den sedert jaren uit-

[p. 288]

sluitend Franschen prijskamp, behaalde Emanuel Hiel's gedicht, De Wind, den uitgeloofden lauwer. ‘Het bleek dat dit werk eene groote oorspronkelijkheid van opvatting bezat, naast uitnemende letterkundige eigenschappen, zoowel onder opzicht van rythmus, van verdeeling en toonverscheidenheid, als onder dit van veelvoudigheid der middelen, welke het den toonkunstenaar aanbiedt.’ In dier voege prees de verslaggever, Bon de Saint-Genois, het eenparig bekroonde stuk. De lof was verdiend(1). Al klinken de verzen dikwijls hol, en al zijn de denkbeelden niet zelden onduidelijk, - gebreken die Hiel's latere gedichten soms in nog grootere mate ontsieren, - door het wonderspel zijner klanken en rythmen bereikt hij evenwel ten volle zijn doel: achtereenvolgens blijheid en angst te wekken in het gemoed van den toehoorder.

Den 30n Mei 1834 te St-Gillis (Dendermonde) geboren, gevoelde Em. Hiel, onder Van Duyse's invloed, zich al vroeg tot dichten bewogen. Na zijne mislukte poging om in zijn vaderstad een Vlaamschen boekhandel op te richten, was hij te Brussel een tijdlang octrooi-bediende geweest. ‘Glückliche Stadt, wo die Poesie am Thore Wache hält!’ riep Mevr. von Düringsfeld hierbij snedig uit. Sedert 1855 had de jonge dichter in de Gazette van Dendermonde medegewerkt. Een bundel Looverkens bij onze stambroeders de Hoogduitschers geplukt (1859) gaf blijk van zijn zangerig talent, en hetzelfde jaar waarin dit boekje verscheen, verkreeg Hiel eene betrekking bij het Vlaamsch bureel aan het Ministerie van Binnenlandsche zaken. Een deeltje Nieuwe Liedekens volgde in 1861, een bundel gedichten in 1863. Tot leeraar van Nederlandsche uitgalming benoemd aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel (1864), bekwam hij daarenboven (1869) de plaats van Bibliothecaris van het Nijverheidsmuseum.

Toen had hij reeds het oratorio Lucifer geschreven (1866) dat, door Benoit op muziek gebracht, uitbundigen bijval verwierf. Alhoewel niet van duisterheid vrij te pleiten, is Lucifer de stoutste en machtigste schepping van onzen dichter. In dat werk(2) worden

[p. t.o. 289]



illustratie

Alb. Rodenbach
1856-1880.


[p. 289]

de Nacht en hare schrikbeelden belichaamd door den trotschen engel des verderfs, die de geesten van Aarde, Water en Vuur oproept om den Mensch te verdelgen Maar de Dageraad stelt paal en perk aan de macht van den Booze: Licht en Liefde overwinnen Haat en Dood, en de vervaarlijke elementen worden de menschen tot een zegen.

Insgelijks voor Benoit had hij de Schelde (1867) gedicht, een lofzang op Vlaanderen's stroom, onderbroken door visioenen van 's lands heldhaftig verleden(1).

De Droom uit de Duinen, en vooral de even fantasierijke doch minder in het onbepaald philosopheerende Koning Helgo(2) behooren tot Hiel's genietbaarste gewrochten. Een van zijne teekenachtigste stemming-beelden is het tafereel der zee, onder de manestralen sluimerend, waarmede Koning Helgo aanvangt.

 
Wat schoone nacht!
 
De lentewinden waaien
 
En blazen weidegeuren over zee;
 
De baren bobblen, buitlen, draaien.
 
De mane schemert zacht
 
Rein is haar glans als verschgevallen snee;
 
Ze drijft door 't wolkloos ruim, gelijk een beeld van vree,
 
En lacht
 
Met blijde tintelingen op zee....
 
Wat schoone nacht!
 
Des hemels grijs gewelf,
 
Met starrenpracht
 
Besprankeld,
 
Schijnt 't kille water zelf,
 
Waarin het spiegelbeeld des eilands wankelt,
 
Tot minnelust te lokken....
 
En Helgoland, met lichte nevels overtrokken,
 
Door 't gul geklots der golf in slaap gesust,
 
Rust
 
Als een bruid die sluimrend d'ega wacht....
 
Wat schoone nacht!
[p. 290]

Ook de liederen en kleinere gedichten onderscheiden zich door zangerigheid. Onze toonkunstenaars, in de eerste plaats Benoit, hebben met voorliefde in Hiel's woord en vers hunne bezieling gezocht. Den rijk met natuurgaven bedeelden dichter mag de roem niet onthouden worden, dat hij veel heeft bijgedragen tot den opbloei onzer liederenpoëzie, hoe dikwijls ook hij enkel niets-zeggende rijmen en rythmen brengt, of door onverzorgde taal, ruwen toon, en niet altijd kieschen inhoud, de verwachting van den lezer te leur stelt.

Liefdeliederen, veelal oostersch-zinnelijk, warme zangen op vaderland en moedertaal, kleurige natuurindrukken, zijn de meest voorkomende thema's ‘schoonheden van vorm zijn er in de gedichten in overvloed aanwezig, maar zij worden verborgen en verstikt door de nog overvloedigere nuttelooze uitspruitsels, zoodat men ze hoeft op te delven van onder het ongenietbare dat ze overdekt’, meende Max Rooses(1) naar aanleiding van den bundel Gedichten(2), die vooral merkwaardig is om de over-forsche, verontwaardigde trilogie aan de Vlaamsche Vrouwen, de Vlaamsche Mannen, en de Vlaamsche Jonkheid.

De Liefde in het Leven (1870) bestaat uit eene reeks van 61 gedichtjes, elk drie strophen tellend, en zeer ongelijk van waarde. Het vaderlijk gevoel, dat zich in blijheid en smart lucht geeft, zet enkelen groote innigheid bij(3).

Om de jaren '70 had Hiel het plan opgevat, bij Brockhaus te Leipzig, eene Nederlandsche Bibliotheek (bloemlezingen uit de beste Zuid- en Noordnederlandsche dichters) uit te geven. Het eerste deel verscheen in 1874. Het bracht, onder den titel

[p. 291]

Gedichten, eenen herdruk van verscheidene zijner vroegere stukken met vele nieuwere, rijp en groen. Als de verdienstelijkste dienen aangestipt de Stroom, en enkele schetsen uit de afdeeling Van God en de Wereld vergeten(1).

 

Zwaar omlijnd beeldt zich in de gedichten van den Gentenaar Julius Vuylsteke zijne forsche persoonlijkheid uit. Vurig Vlaamschen volksgezind is hij als De Geyter, en even driftig, antikerksch; maar kloeker, beradener, een denker en een willer, en ook van jongs af een man van de daad.

Nog op de banken van het Atheneum zijner geboortestad, had hij in 1852, op zestienjarigen leeftijd, 't Zal wel gaan helpen oprichten(2). Hij bleef de ziel van den kring, toen deze met zijne stichters naar de Hoogeschool overging, er een brandpunt werd van vrijzinnige vlaamschgezindheid, en door de strekking en 't letterkundig gehalte van zijne Almanakken dadelijk opzien baarde(3).

[p. 292]



illustratie

Handschrift van Alb. Rodenbach.


[p. 293]

Slechts twee bundels gaf Vuylsteke in het licht: in 1860 den liederkrans Zwijgende Liefde (uit de jaren 1856 en 1857); en,

illustratie

Handschrift van Pol de Mont.


eerst in 1868, Uit het Studentenleven, eveneens vroeger ontstaan. De jaren 1853 tot 1870 omvatten heel Vuylsteke's dichterleven.

[p. 294]

Het sterkst spreekt, bij Vuylsteke, de invloed van Heine, en dit vooral in Zwijgende Liefde. In zijne blooheid kan de jonge man er niet toe geraken de aangebedene zijne liefde te verklaren. Hij droomt en dweept, blijft zweven tusschen hopen en bangen, vindt zich zelf op den duur dwaas in zijn sentimenteele stemming, zoodat hij, ontnuchterd, boos en bitter zijne fantasie met een ruk naar beneden laat buitelen. Maar een Nazang sloot den eigenaardigen liederkrans. De Plicht vordert wat anders dan liefdegebeuzel:

 
Ja, de tijd is slecht gekozen voor het weeke mingekweel.
 
maneschijn en lenterozen, - daarvan heeft men maar te veel.
 
Sterker tonen zouden passen in het algemeen geschok,
 
tonen, die het oor verrassen, als 't geklep der storremklok;
[p. 295]
 
strofen vol van warme woede, vol van hartstocht voor het Recht,
 
treffend, als een geeselroede, d'onmoed van den laffen Knecht,
 
d'overmoed der taaie Meesteren, beide vreemd aan Rede en Plicht,
 
zangen, die het brein begeesteren, flitsend als een bliksemschicht!

Niet dat hij verzuimen zal in den volgenden bundel ook de liefde, en ook de studentenminnarijtjes te huldigen, naast wijn, gezang en gulle vriendschap; al was het maar om zich te verhalen voor de gedwongen vereering der koude, der trotsche, der bittere Wetenschap. Maar de warme liefde tot volk en taal blijft het hoogste: ‘de liefste warmste jongelingsdroom, de heilige waan zijner kindsheid’.

Bijzondere melding verdienen de Mijmeringen, waar de dichter zich zoo geheel geeft, de ontoereikende krachten weemoedig metend aan de grootsche taak die volbracht moet worden. Ze treffen meer door kracht van welsprekendheid dan door vlucht der fantasie. En soms verschillen deze rijmlooze iamben alleen door de maat van het meest prozaïsche proza. Het merkwaardigst is de tweede, waar de havelooze slavenstoet der Gentsche fabriekwerkers voor den Koning optrekt:

 
Dát zijn de mannen die wij moesten winnen!
 
Ziedaar wat Volk geheeten wordt!...
 
Aan ons die mannen, Flaminganten!...

Dit klinkt als 't program van heel Vuylsteke's later streven. Toen het Willemsfonds, - in 1851 door Snellaert en de Saint-Genois gesticht, - in 1862 onder zijne krachtige leiding kwam en opbloeide, ijverde hij om door het inrichten van volksboekerijen en volksvoordrachten de massa uit hare onverschilligheid te wekken. Na het uittreden van de katholieke leden, die zich sedert 1874 in het Davidsfonds groepeerden, zou ook deze Maatschappij, naast het liberaal geworden Willemsfonds, dezelfde middelen tot vervlaamsching blijven aanwenden(1).

[p. 296]

Bij den gevoelvollen en gemoedelijken Dodd ruischt insgelijks den zang van Heine's vers uit de verte. Al vroeg, sedert 1843, vindt men versjes van hem in de meeste jaarboekjes en tijdschriften, maar zijne eerste proeven, o.a. het prijsgedicht Jacob van Artevelde (1846) waren niet van aard hooge verwachtingen te wekken. Een eerste bundeltje Liedjes en Deuntjes dagteekent van 1858. In 1864 volgde Liefde-lief en -leed, een liederkrans met menig voortreffelijk stukje. In 1870 verscheen een derde deeltje: Gedichten, ‘een van de genietbaarste bundeltjes die ik ken, zoo door zijn levendigen vorm als door zijn geestigen inhoud’, schreef Rooses(1). De weemoed die uit Zieke Moeder, Uit den Kindertijd, Eene begrafenis te Hansweert tegenklinkt, is echt en eigen, en stempelt deze versjes, alsmede het vriendelijke beeld van Grootmoederken, tot eenige der keurigst getoetste paneeltjes onzer letterkunde. En echt en eigen insgelijks glimlacht elders de innemendste humor. In het weergeven van juist dat onschijnbare wat stemming wekt, verraadt zich de zeker keurende blik van den oud-schilder.

 

De zooeven genoemde stukjes van Dodd vertoonen verrassende overeenkomst met de kleine tafereeltjes vol ontgoocheld berusten en vol waarneming der gezusters Rosalie en Virginie Loveling. Sedert 1856 bracht het Gentsche Jaarboekje telkenmale van hare versjes. Rosalie had daarenboven in 1864 eene vertaling uitgegeven van Klaus Groth's Trina, deze wondere zielestudie van een vereenzaamd landmeisje, en twee jaar daarop had het Nederduitsch Tijdschrift Virginie's vertaling van Detel, en van Anton gedrukt, een paar kleinere prozavertellingen van den dichter van

[p. 297]

Quickborn. Op de letterkundige vorming van beide zusters is Groth's invloed blijkbaar beslissend geweest.

De kwijnende Rosalie zou reeds den 4n Mei 1875 aan onze letteren ontvallen. Zij was den 19n Maart 1834, Virginie den 17n Mei 1836, te Nevele geboren. Eene verzorgde en veelzijdige opvoeding viel de kinderen in den beschaafden huiselijken kring ten deel. ‘Reeds in de kinderjaren’, vertelt W. Stellwagen,

illustratie

Fr. Gittens.
1842.


‘maakten Virginie en hare zuster Rosalie dichtjes over alles, wat in huis of op straat, in 't dorp en 't omliggende voorviel. Van versificatie hadden de meisjes wel nooit iets geleerd, maar zij lazen in poëzie, wat ze machtig konden worden uit vaders studeerkamer. Eene bloemlezing uit Tollens was haar een schat, en haar exemplaar van Ledeganck's Bloemen mijner Lente was letterlijk versleten van het dagelijksche lezen en van buiten leeren’(1). In 1846, na den vroegen dood van den vader, ging Mevr. Loveling naar Gent wonen, waar Cesar Fredericq, haar zoon uit een eerste huwelijk, zich als geneesheer gevestigd had. Haar huis werd een middelpunt van vrijzinnig geestesleven. De hoogleeraars Huet, Callier, de Laveleye, de vrienden van haren zoon, waren dagelijksche bezoe-

[p. 298]

kers. Na eenige jaren verblijf te Gent keerde Mevr. Loveling naar Nevele terug. Te midden der landelijke verlorenheid werden studie en letterkunde voor de jonge meisjes meer dan ooit eene verpoozing, eene behoefte. De oude gewoonte in rijmende regels te verhalen wat rond haar voorviel was niet afgelegd, en het gadeslaan van 't bedrijf der menschen, het ontleden der eigen indrukken en verlangens, het mijmeren over 's levens raadselen, leverde nu de stof voor de bonte verzameling waaruit zij met het bundeltje Gedichten, in 1870 eene blij onthaalde keuze brachten(1). ‘Alleen in de kleine wereld rondom zich kiezen zij hare onderwerpen’, oordeelt Max Rooses, ‘en hare nederige helden laten zij gevoelen en spreken, zooals in de werkelijkheid gebeurt. Hare tafereeltjes zijn niet uitvoerig afgewerkt, zij bestaan dikwijls alleen uit een paar penseeltrekken, maar deze zijn met zooveel juistheid en vastheid aangebracht, dat de kleine schetsjes ons levend en sprekend voor oogen staan’(2). Teleurstelling en smart is de grondtoon. Diep medegevoel voor de kleinen, de zwakken, de misdeelden is een milde bron van de bezieling. Eentonigheid en dorheid is wel niet immer vermeden, al ontbreekt het niet aan lichtende vonken van humor. Maar het enkel noemen van het Geschenk, de Verzoening, Moeders Krankheid, de Gouden Bruiloft, door Rosalie, van het Ontwaken, de Schoone Reis, Grootmoeders portret, de Inhaling van den Pastoor, door Virginie, wier stemming tegenover het leven overigens verzoenlijker is, ontslaat toch van verdere lofspraak.

 

Tot omstreeks 1870 valt nog eene heele reeks schrijvers op te noemen(3). Enkelen lieten het blijven bij een eerste bundeltje;

[p. 299]

velen verspreidden hunne verzen in tijdschriften en talrijk is, als immer, de achterhoede der onberoepen rijmlustigen.

De groote ingenomenheid met Klaus Groth deelde vooral C.-J. Hansen (1833-1910), wiens spokend Slot Helstein, - een verhaal uit de Middeleeuwen, misschien het meest ultra-romantische werk is waar Jong Antwerpen het licht aan geschonken heeft, - en die in 1868 eene verdienstelijke vertaling bezorgde van Groth's Roodgieter Meester Lamp. Zijne rechts en links verspreide gedichtjes werden nooit tot een bundel verzameld(1).

Ook J. Staes (Antwerpen, 1828-1903), P.-C. Verhulst (geb. te Contich 1835-1873) en P.-J.-N. Hendrickx (1822-1879) staan geheel onder den ban der sentimenteele Romantiek.

Wordt er in het vijftal deeltjes verzen van den eerste, die lange jaren medeopsteller aan Het Handelsblad was, onverkwikkend druk getreurd, gezucht en geklaagd(2), bij den met Lamartine dwependen buitenjongen Verhulst, - wiens beeld door Staes in De

[p. 300]

Vlaemsche School zoo gemoedelijk geschetst werd(1) - is de weemoedige zangerige poëzie oneindig meer taal des harten(2).

Hendrickx, met zijne overgevoelige inborst en zijne onbeteugelde fantasie, wiens zonderling gestoffeerde zolderkamer de jonge Antwerpsche schrijvers zoo dikwijls bijeen zag, liet in 1847, op het paar Fransche dichtbundels waarmede hij begonnen was, een onrijp, vreemdsoortig heldenspel in vijf bedrijven volgen, op achttien dagen geschreven, De laetste dag der eerste wereld. Van het hoogstrevend, zinnebeeldig bedoelde, dramatisch gedicht Don Juan, dat op drie deelen berekend was, zijn alleen de twee eerste verschenen. Uitmuntende tafereelen en toestanden vergoeden er ruimschoots het wonderlijke der samenstelling. Uit menige plaats blijkt de invloed van Goethe's Faust. Later doofden zware beproevingen, - 't verlies van vrouw en kind, - in den gansch terneergedrukten man den eenmaal zoo gloeienden drang tot de dichtkunst.

Bij Frans Willems, geb. te Oolen in 1839, die sedert 1860 als onderwijzer, nadien als schoolopziener, gevestigd was te Antwerpen, waar hij in 1896 overleed, mangelt daarentegen de fantasie al te zeer. Nadat hij in 1864 zijne krachten beproefd had aan eene metrische vertalíng van Goethe's Herman en Dorothea, gaf hij, in 1870, drie bespiegelende zangen op Jezus' leven, leer en lijden, de Heiland, in het licht. Het verheven onderwerp vergde gloed en kracht van bezieling; van het gedicht kan slechts getuigd dat geene zorg gespaard, en dat het met smaak werd bewerkt(3).

 

Evenals Dr. Hansen heeft Willem Rogghé nooit kunnen besluiten tot het bijeenlezen van zijne verzen, waaronder zeer lieve(4).

In nog veel hoogere mate is dit te betreuren van wege den als redenaar en dichter rijkbegaafden Hendrik Claeys. Geboren te

[p. 301]

Zomergem, den 7n December 1838, studeerde hij aan het later door hem bestuurde Klein Seminarie te Sint-Nikolaas en aan de Hoogeschool te Leuven. Toen hij nog maar een veertienjarige schoolknaap was, voorspelde Van Duyse hem de schitterendste dichterlijke loopbaan. Slechts enkele onder de vele vormschoone stukken, van vóor 1870, treffend door gloed, godsdienstige bezieling en zeldzamen zwier, vindt men terug in den bundel Gemengde Gedichten(1) van 1877.



illustratie

Nestor de Tière
1856.


Van zijnen vriend Frans De Potter was in 1861 een deeltje Volksliederen verschenen, eenvoudig, en met geschikte afwisseling van luim en gevoel. Eerst in 1889 zou deze vruchtbare Schrijver eene keuze doen uit zijne vele verspreide verzen. De balladen en dichterlijke verhalen van heldendaden uit onze geschiedenis staan duidelijk onder den invloed van Prudens Van Duyse Het genietbaarst zijn de hartelijke gedichtjes aan zijne kinderen.

[p. 302]

De krachtige rythmus van Prudens' vers dreunt mede na in dat van Karel Bogaerd. Uit warme vereering wijdde hij in 1861 aan Willems, Ledeganck en Van Duyse een geestdriftigen huldezang, en in zijne achtereenvolgende bundels(1) blijven vaderlandsliefde, wetenschap of erkentelijkheid meestal de bron van zijne bezieling. Maar de dichter, die als eenvoudig smidsgast(2) eens bij hamer en aambeeld zijne eerstelingen forsch in de maat zette, weet in zijne latere bundels vorm en inhoud derwijze af te wisselen, dat eentonigheid zoude geweerd blijven, terwijl zijne taal gaandeweg smediger is geworden, en hij zich als denker heeft ontwikkeld.

In 1886 kweet zich Bogaerd van een plicht der piëteit tegenover de bevriende Mev. David, geb. Mathilde Van Peene(3), door het uitgeven van haar nagelaten Nevelbloemen. De goed afgekeken schets hierin, van een Zeeuwschen Koopdag, steekt levendig af tegen het afgekleurde en mijmerzieke van de overige stukjes uit dit, en ook uit het vroegere bundeltje Mirtebladen (1870).

Met zijn auto-biographischen roman Een Vlaamsche Jongen en zijn dichtbundel Langs ruwe paden behoort ‘Wazenaar’ tot het tijdperk van letterkundige vernieuwing ná 1870. Maar reeds voordien was Dr Amand De Vos niet meer een gansch onbekende, en zoowel de bezielde huldezang bij de onthulling van Philip Verheyen's borstbeeld te Verrebroek (1862), als de innig gevoelde gasthuisschets Mijn Zieke (1865) blijven eervol hun plaats behouden naast het rijpste uit lateren tijd(4).

 

Limburg's aandeel is, in vergelijking met de andere Vlaamsche gouwen, maar gering. Buiten de namen van het paar boezemvrienden P.-J.-H. Brouwers (z. bl. 253), en Désiré Claes (geb. te Neerlinter, 1836, thans rustend leeraar te Namen), vallen weinige te noemen. Brouwers en Claes tokkelen met voorliefde de

[p. 303]

patriotische snaar; de eerste is nogal sentimenteel daarbij, terwijl de tweede meer oog heeft voor 't schilderachtige en trek naar het puntige. Brouwers' eerstelingen (Lentebloempjes 1852, een Winteravond te Stockheim 1853) zijn buitengewoon zwak. Meiloover (1862), Zomerbloei (1869) en Hartelust (1874) bestaan grootendeels uit vertalingen naar 't Fransch of het Duitsch. Enkele goedgeslaagde liedjes uit Hartelust herinneren aan De Cort. Van D. Claes verscheen in 1862 een bundel Roozen en Doornen; twee zangen van de Kempen volgden: de Herschepping (1864) en de IJzeren Spoorbaan in de Kempen (1866); terwijl een aantal stukjes, uit de jaren '60 tot '70, het liefst het hebben over 't vriendelijke Limburg, zijne eenvoudige zeden en zijn trouwhartig volk, en naderhand plaats vonden in den bundel Gedichten, van 1885.

Men heeft het waarschijnlijk te wijten aan de afzondering waar Limburg in zekeren zin ook thans nog verkeert, dat het letterkundig leven er nooit recht is kunnen opkomen. De drie bundels Letteroefeningen van het taalminnend genootschap der leerlingen van het Klein Seminarie te St.-Truiden (1852, 1857, 1893) bewijzen anders hoe de beoefening der Vlaamsche letteren aan dit onderwijsgesticht, sedert zijn ontstaan in 1843, steeds in eere stond; vooral de eigenaardige heroï-comische bijdragen van G -B. Truyens(1) de Ontschaekte Worst, in zes zangen (1851) en de Kermis-pyp van Jupiter (1852), alsmede het ridderverhaal Franko van Zeelhem, van J. Maris (geb. 1836, thans pastoor-deken te Landen), in beide eerste bundels; de losse stukjes van Alf. Maris, en de epische proeve Judith (1862) van den tegenwoordigen bisschop van Luik, Mgr.M. Rutten (geb. 1841)(2) in den derden bundel, verraden meer dan gewonen aanleg. En ook Hekel en Luim, een strijdlustig vlaamschgezind maandschrift dat in 1855 en 1856, onder 't bestuur van David Traets, te Hasselt verscheen, laat merken dat het in Limburg zoomin als elders aan kiemen van krachtiger leven ontbrak. Slordig als kniedichten, treffen de bijtende versjes van Traets

[p. 304]

niettemin door hun pittigheid; aan medewerkers uit Limburg was geen tekort, en zelfs uit West-Vlaanderen werd de wakkere man herhaaldelijk door den jongen Gezelle met bijdragen vereerd(1).

West-Vlaanderen bleef insgelijks buiten de eigenlijke algemeene beweging, en de omstandigheden waren tenauwernood minder ongunstig dan in Limburg; Gezelle's invloed was echter de omstandigheden te machtig. Evenwel zouden eerst een volle half eeuw

illustratie

K.-A. De Cock
1850.


later de oogen opengaan voor de verrassende frischheid der letterkunde, die met Gezelle opgebloeid was; destijds had men geenen vrede met de on-schoolsche poëzie van den Westvlaamschen meester(2).

[p. t.o. 304]



illustratie

Pol de Mont
1857.


[p. 305]

Buiten dezes school vallen alleen de namen aan te stippen van L.-L. De Bo(3), overigens een vriend en geestverwant van Gezelle, van Ad. Beernaert, die als notaris te Alveringem gevestigd was (geb. te Evergem, 1825-1883) en, in zekeren zin, ook van Dr Eug. Van Oye. In 1874 verzamelde De Bo, in een bundeltje Gedichten, zijne verzen uit de twintig voorgaande jaren; ze zijn de uiting van een kalm en vroom gemoed; die stukjes staan het hoogst in kunstgehalte

illustratie

Mej. M.-E. Belpaire
1853


waar de dichter, weemoedvol terugdenkt aan langgeleden stiltevreden vacantiedagen, en in vriendelijke schakeering van grijs

[p. 306]

het beeld laat opdoemen van duin en strand. - Voor Beernaert was de dichtkunst wel degelijk eene zielsbehoefte. Zijn eerste verzen, het bundeltje Verlaten Veldbloemen (1851), zijn naar taal en vorm uiterst gebrekkig, en bestaan grootendeels uit vertalingen van sentimenteele Fransche of Duitsche stukjes. Ook in de latere, gaandeweg verdienstelijker bundels (Mijne ledige uren 1863, de Taal des Harten 1877, Schetsen en Beelden 1878, Kunstdroomen 1880, Fantazie en Leven 1882) is de taal dikwijls stroef en gewrongen, maar men wordt er aangegrepen door 's dichters diepe, ongeveinsde zwaarmoedigheid; in de laatste bundels komt Beernaert's fantasie telkens opnieuw onder de bekoring van grafrust en dood, en niet een andere Vlaamsche verzenbundel vertolkt zóo als de Kunstdroomen het troostelooze worstelen van een gekneusd en ontredderd mannenhart tegen ontgoochelde levensmoeheid.

Gezelle zelf staat als dichter, en mede als woordkunstenaar en als taalvorscher, ongeëvenaard in onze Vlaamsche letterkunde. Jaren lang meende men dat zijn vonnis geveld was, als men hem, om de onbegrepen eigenaardigheid zijner taal, ‘particularist’ gescholden had; maar straks, nu dat ook Noord- Nederland met hem ging dweepen, is dat voorgoed verleden tijd. Algemeen beseft men thans dat de geniale priester-dichter reeds in de jaren van zijn leeraarschap te Roeselare, kophoog boven de meesten uitstak.

Hij werd geboren te Brugge, den in Mei 1830. ‘Guido’ - vertelt S. Dequidt(1) - ‘ was de oudste van vijf kinderen. Hij ontving van

[p. 307]

zijne ouders alles wat hun vroom gemoed hem geven kon. Moeder leerde hem godvruchtig zijn, en op de laatste dagen van zijn leven vertelde de dichter nog, ontroerd, hoe hij dikwijls met haar naar het lof had mogen gaan in het Engelsch Klooster waar hij nu bestuurder was. Vader - een bloem- en boomkweeker - lokte hem geerne in zijnen hof, liet er den nog schaars loopveerdigen knaap in plukken en snoeien, en wekte, zonder het te weten, de eerste liefde van den dichter tot de heerlijke schepping.’

Van October 1850 tot het einde van 1853 deed Guido zijne priesterstudiën aan het Seminarie te Brugge, en keerde toen als leeraar naar Roeselare terug; hier was hij, van Oct. 1846 tot 1850, aan 't Klein Seminarie student geweest, en had er, achttien jaar oud, zijn eerste gedrukt vers, het lieve stukje De Mandelbeke, gedicht. Gelukkige, gezegende jaren bracht hij er als leeraar door, te midden van studenten die hem vergoodden, een edele wekker onder hen van gedachten en geestdrift, een ‘levenswekker’. naar het treffende woord van den schitterendsten onder hen, Hugo Verriest. Gedurende anderhalf jaar, sedert 1857, was Gezelle leeraar der klasse van Poësis; dit was het zonnegetij; afbrekend met den gemakkelijken drentelgang van een verdord onderwijs, ging hij zijnsweegs, naar eigen wijs, en stortte in zijn jonge toehoorders van zijn geestdrift voor het schoone uit oude, en vreemde, en eigen letterkunst. Ook voor de studie der taal zelve wekte hij hunne belangstelling. ‘Gedurende dezen korten leertijd,’ - herinnerde G. Verriest in zijne feestrede te Kortrijk, - ‘had Gezelle met breede lange teugen gedronken aan de bronne der groote dichters van oude en nieuwe talen; het was voor hem, nog meer dan voor ons, als een hooge bedevaart door al de schoonheden der menschelijke ziel. Middelerwijl werkte ook, op en binnen hem, het verkeer met de ontwakende jeugd, daar, lijk overal en altijd, vol edelmoedigen geestdrift. Een warme straal brak uit zijn hart, en altijd inniger werden de uitstortingen zijner ziel. De klassieke vorm, het conventioneele dat nog voorheerscht in zijne Dichtoefeningen wijkt voor immer, en onvergelijkelijke brieven, gedichten, gezangen en gebeden vloeien uit de gronden van zijn mensch- en priesterherte. Hij

[p. 308]

stijgt en drijft in de zuiverste lyriek, en is als bedronken van het hoogste ideaal.’

De zooeven genoemde Vlaemsche dichtoefeningen verschenen onder het schoolverlof in 1858. Ze brachten eene keuze uit Gezelle's verzen sedert tien jaren. In vele merkt men den schoolschen invloed nog van traditioneele klassiek; in andere, wat latere, den invloed der romantiek (O 't ruischen van het ranke riet, Excelsior,

illustratie

G. Segers.
1848


het Stoomgevaarte, Berechtinge), meest de dweepende, maar zoo fijnvoelende en zangerige romantiek van Longfellow; sommige zijn niets meer dan gelegenheidsrijmen. Het bonte Pachthoftafereel, de geestige Boodschap der opgezette vogels, de heerlijke Waterspegel, schenken vooral den bundel hooge waarde, en klinken als een zoekend voorspel van de wondere natuurpoëzie uit 's Dichters nazomer. De kritiek, had ze het echte van Gezelle's bezieling erkend, en het billijke van zijn streven om zijn innigste wezen uit te beelden in het passendste, eigenste woord, al was 't ook geen gewoordenboekt, zou onze Vlaamsche letteren een onschatbaren dienst bewezen hebben. Ze deed het niet, ze zweeg.

Kort te voren, datzelfde jaar 1858, had Gezelle, op twee dagen tijds, na het bijwonen der landelijke begraving van een zijner leer-

[p. 309]

lingen, afwisselend in proza en verzen zijn gemoed laten uittrillen, en onze letterkunde met een meesterstuk verrijkt. Geheel de eenvoudige en roerende plechtigheid wordt herleefd en verheerlijkt in die ‘Kerkhofblommen, geplukt en bewaerd ter nagedachtenesse van zaliger Mijnheer Edewaerd van den Bussche’, het uitgebreidste en verhevenste onder de talrijke gedichten(1) waarin Gezelle het mysterie van den dood bezongen heeft.

Dezelfde diepe godsdienstzin bezielt de overige gedichten, uit

illustratie

Fr. Van Cuyck
1857.


Gezelle's omgang van elk oogenblik met zijne leerlingen ontbloeid. De bundel, waarin twee dier leerlingen, Hugo Verriest en Hendrik van Doorne ze verzamelden, is kenschetsend genoeg betiteld Gedichten, Gezangen en Gebeden, een Schetsboek voor Vlaemsche studenten, en verscheen in 1862.(2)

De stoute hervormingsdrift door Gezelle in zijn onderwijs betoond, moest noodzakelijk tegenkanting uitlokken. Hij zelf boette

[p. 310]

al te spoedig voor zijne roekeloosheid: zijne geliefde klasse van Poësis werd hem ontnomen, en het laatste jaar dat hij te Roeselare doorbracht was hij enkel nog leeraar van vreemde talen in de hoogere klassen. In 1860 keerde hij naar Brugge terug, op zoek naar een nieuwen werkkring. 't Zou hier alles tegenspoed en beproeving zijn. Zijne poging om met Dr Algar eene Engelsche kostschool te stichten, mislukte. Nu bleef hij, vier jaar lang, tot 1865, als onder-rector en leeraar in de wijsbegeerte aan het Seminarie voor Engelsche zendelingen werkzaam. In October van laatstgenoemd jaar werd hij vervolgens onderpastoor in St.-Walburgis-parochie: een toonbeeld van nederigen volkspriester, een toonbeeld ook, tijdens het woeden der cholera, van menschenliefde en zelfverloochening.

Voor den dichter, in hem, waren deze jaren noodlottig. Wel zweeg hij niet geheel, maar de geestdrift lag bekneld, en het grievende leed om de miskenning zijner edelste inzichten, was voorzeker niet vreemd aan de verbittering die zijn vinnige, kamplustige hekelluim al dien tijd kenmerkt. Vleeschouwer's Reinaert telde ‘Spoker’, - dat was Gezelle - van aanvang aan onder zijn flinkste medewerkers; de Franschen en de Franschgezinden moeten het telkens weer ontgelden; reeds in het tweede nummer (van 1n Juli 1860) uit zich zijne driftige Vlaamschgezindheid in het uitdagende

 
Gij zegt dat 't Vlaemsch te niet zal gaan,
 
't En zal!

Zijne laatste bijdrage, een meesterstukje van snaaksche persiflage, - Garibaldi, - verscheen in het nummer van 26n Maart

[p. 311]

1865.(1) Sedert 17n Juli 1864 had hijzelf voor een eigen weekblad te zorgen, 't Jaar 30 of politieke wegwijzer voor treffelijke lieden. Af en toe schreef hij nog wel een versje hierin, maar 't is alles weinig anders toch dan rijmwerk over dagpolitiek; het blad zelf, wellicht ondanks Gezelle, daalde allengs af tot een hevig kiespamflet. Na 1870 werd het gestaakt. Overigens stichtte Gezelle weldra, ten einde een band te sluiten om de verspreide krachten in West-Vlaanderen, een weekblad, met prentjes bij gelegenheid, van gansch anderen aanleg, Rond den Heerd, een leer- en leesblad voor alle lieden, waarvan het eerste nummer den 2n Dec. 1865 het licht zag: een volksblad over letterkunde, wetenschap, geschiedenis, folklore. Gezelle torste er tot 1871 toe den zwaren last van; des te zwaarder, daar de bijval geenszins aan de opofferingen beantwoordde. En nu kwam het ergste; terwijl de strijdblaadjes zijner politieke tegenstrevers hem met smaad en laster overlaadden, viel hij, naar het schijnt, bij zijne oversten zelf in ongenade. Den 20n September 1871 werd hij als onderpastoor der L.V. Kerk naar Kortrijk verplaatst, nadat een zijner medewerkers aan Rond den Heerd, E.H. Ad. Duclos, eene maand te voren het bestuur van dit blad had overgenomen(2).

Gelaten, maar ontmoedigd, geknakt, ziek, ging hij te Kortrijk in eenzaamheid en afzondering rust zoeken en vrede.

Alhoewel eerst in 1880 verschenen, behoort de bundel Gedichten, Eerdichten en Reliqua, om zijn inhoud, voor het grootste deel tot deze tien bewogen jaren; ja, het uitgebreide Eergedicht voor het jubelfeest van Philip Verhulst dagteekent nog van 1855. De eigenaardig leuke luim van den Torrebrand, de Varende Vroue, de Viervlaghe, in den voorvaderlijken rijmtrant, oude bijdragen uit Vleeschouwer's blad, is kenschetsend voor deze verzameling(3).

Onder Gezelle's leerlingen bleven er twee, met talent, de poëzie

[p. 312]

beoefenen: Jhr. K. de Gheldere, en Eugeen van Oye, beiden van Tourhout, waar de eerste in 1839, de tweede in 1840 geboren werd; allebei geneesheeren ook, deze te Oostende, gene te Koekelare gevestigd. In 1861 droeg de Gheldere zijn frissche eerstelingen,

[p. 313]

Jongelingsgedichten, aan den vereerden leeraar en vriend op, wiens belangstelling ze gekoesterd had. Eerst vele jaren later, in 1883, volgde een tweede bundel, Landliederen; Herdenken, met zijn diepgevoelde treurnis, het bonte beeld der dorpsprocessie, zoo bezield geschetst dat Gezelle zelf het niet verloochend hadde, het pifferarilied met zijn innigheid van heimwee, beantwoorden,

illustratie

J.-L. Mercelis
1857.


alsook zoo menig schelkleurig landtafereel en de speelsche kinderliedjes, aan de verwachtingen door de Jongelingsgedichten gewekt. Maar, behalve enkele verspreide stukjes, verschenen sedert dien maar een enkel bundeltje nog, de soms lieve Rozeliederen (1893) en voorts de uitgaven, met lof te vermelden, van een Middelnederlandsch Ghetidenboec (1893), en van een bundel oude geestelijke gedichten, Dietsce Rime (1896). - Van Oye liet slechts twee bundels drukken: in 1874 Morgenschemer (1856-70) en in 1889 Vonken en Stralen (1870-76). Vele gedichten, en daaronder verdienstelijke vertalingen van uitheemsche meesterwerken, liggen in tijdschriften verspreid Van Oye's droomerige Muze mint klank en melodie, maar omtrek en kleur der beelden zijn dikwijls omneveld; ook maakt zijn weeke fantasie zijne gedichten voor velen niet ten volle genietbaar.