De betrekkingen tusschen Zweden en de Nederlanden op het gebied van letteren en wetenschap, voornamelijk gedurende de zeventiende eeuw


auteur: E.H.G. Wrangel


bron: E.H.G. Wrangel, De betrekkingen tusschen Zweden en de Nederlanden op het gebied van letteren en wetenschap, voornamelijk gedurende de zeventiende eeuw. E.J. Brill, Leiden 1901  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

Eerste hoofdstuk.

De conducendo loquitur iam rhetore Thule.
Juvenalis XV. 112.

Overzicht van Zwedens politieke betrekkingen met de Nederlanden gedurende de 17de eeuw. - Zwedens aanwervingen in de Nederlanden; Zweedsche hulptroepen in Nederland. - De Nederlandsche invloed op Zwedens handel en zeevaart. - Vestiging van Nederlanders in Zweden. - Nederlanders als ingenieurs en bouwmeesters bij de grondlegging van industrieele werken in Zweden. - De invloed van de Nederlandsche op de Zweedsche kunst.

Zweden en Nederland - de Vereenigde Nederlanden, om den oorspronkelijken naam te bezigen, of Holland, om den gewonen naam te gebruiken ontleend aan dien van de voornaamste provincie - hebben natuurlijk een geheel verschillenden oorsprong en in veel en velerlei opzichten verschillende belangen. Toch is er een tijd geweest, dat beider ontwikkeling nauw met elkaar samenhing en dat hunne wederkeerige betrekking bijzonder levendig was. Politiek en handel maakten in den beginne de belangrijkste factoren van die betrekking uit; toch was de geestelijke invloed in zekere opzichten van nog grooter beteekenis.

Het was gedurende de 17de eeuw, dat de betrekkingen tusschen beide landen van zulk een levendigen aard werden. Het was ook gedurende de 17de eeuw, dat elk der beide kleine, protestantsche staten zich ieder op zijne wijze tot eene groote mogendheid van Europa verhief. Bijna gelijktijdig, bij het begin der 17de eeuw, vingen de Republiek der Vereenigde Neder-

[p. 2]

landen en het Koninkrijk Zweden aan een overwegenden invloed op het Europeesch evenwicht uit te oefenen, en bijna gelijktijdig, bij het begin der 18de eeuw, daalden beiden, hoewel door verschillende oorzaken, van hun hoog standpunt af.

Het was gedurende den strijd voor het protestantisme dat Zweden zoowel als Nederland vrijheid en macht verwierf. De strijd der Nederlanders tegen Spanje om godsdienstige en staatkundige vrijheid werd den Zweden tot eene krachtige opwekking en weldra ook tot een steun in hun kamp tegen Polen en den keizer. De Nederlandsche schrijver N.G. van Kampen1), de geestdriftige lofredenaar van zijn vaderland, drukt dit misschien wel wat oneigenlijk, aldus uit: ‘Het was op Nederlands voorbeeld, dat reeds kort daarna de Zweden hunne belaagde geloofsvrijheid tegen eenen vreemdeling, slechts wettig door erfregt, tegen Sigismund van Polen verdedigden en dat de vader van den grooten Gustaaf Adolf ten troon werd verheven.’

 

Reeds gedurende de middeleeuwen had er een zeer levendig verkeer plaats gehad tusschen de voornaamste Nederlandsche zeehavens en Scandinavië. Het was echter voornamelijk met Denemarken, dat Brugge, Gent en andere belangrijke plaatsen in de Nederlanden handel dreven. Zelfs de persoonlijke betrekkingen tusschen Denemarkens bestuurders en de Vlaamsche graven waren reeds in de twaalfde eeuw zeer levendig, evenals in zeker opzicht de geestelijke betrekkingen tusschen die beide landen. In dien tijd waren het de Zuidnederlandsche gewesten, die wat beschaving betreft, aan de spits stonden.

Langzamerhand strekten de Nederlanden hunne betrekkingen ook tot Zweden uit. Doch eerst onder de regeering

[p. 3]

van Gustaaf Wasa valt er eene werkelijke toenadering te bespeuren. Na den val van Lübecks handelsgrootheid begonnen de Nederlanders meer en meer voet in Zweden te krijgen, en werden de handelsbetrekkingen door verdragen geregeld. Toen later de Nederlanders - of eigenlijk de bewoners der noordelijke provincies - hun grooten vrijheidsoorlog begonnen, was niets natuurlijker dan dat zij steun zochten bij de protestanten in het Noorden. Johan III was echter noch gezind noch in staat hen bij te staan1). Karel IX daarentegen schijnt zich zeer voor een verbond met Nederland evenals met de overige protestantsche staten te hebben geïnteresseerd. De Nederlanden stonden ook bij het begin der 17de eeuw zegevierend tegenover het groote, maar verzwakte Spanje; en door het Bestand van 1609 hadden zij gelegenheid op vreedzame wijze tot eene grootsche ontwikkeling te geraken.

De gezantschappen van Karel IX naar de Nederlanden leidden echter tot geen resultaat, behalve dat Zweden daar krijgsvolk mocht aanwerven. Dat geschiedde voortaan vaker, en niet alleen soldaten en zeelieden, maar ook zelfs oorlogsschepen werden in Nederland voor rekening van Zweden aangeschaft.

Onder de regeering van Gustaaf Adolf werd er in 1614 een verdrag gesloten voor 15 jaar, dat later vernieuwd werd. Dat verdrag betrof niet alleen den handel, maar strekte zich ook uit over ondersteuning in geld en manschappen. Op alle wijzen zocht Zweden nu Nederland aan zich te verplichten; de Nederlandsche handel en scheepvaart in de Zweedsche havensteden werd vergemakkelijkt door voordeelige uitzonderingsbepalingen. Toen Zwedens economische positie door den oorlog met Denemarken bijzonder slecht was, was het

[p. 4]

eene uitkomst, ter voldoening van den hoogen losprijs voor Elfsborg, in Nederland eene leening te kunnen sluiten op koper uit de groeven van Falun. Een der voornaamste inschrijvers op die leening was de Amsterdamsche koopman Louis de Geer, wiens betrekkingen met Zweden van het grootste gewicht zouden worden. Op die wijze werd Nederland meer dan eens Zwedens bankier; en niet alleen voor den Zweedschen staat, maar ook voor vele particuliere personen geschiedden de geldelijke transacties door Nederlandsche kooplieden.

De Staten-Generaal der Vereenigde Gewesten kregen in 1615 de vleiende opdracht bij den vrede tusschen Zweden en Rusland als bemiddelaars op te treden. De toenmalige gezant van Zweden in de Vereenigde Nederlanden was een geboren Hollander, Jacob van Dijck, dien we later bij de stichting van Göteborg zullen leeren kennen. Eenige van Zwedens latere gezanten en gevolmachtigden in Nederland waren eveneens Nederlanders of tenminste afstammelingen van Nederlandsche familiën: Janus Rutgersius, Pieter Spieringk - Siluercroen en zijn stiefzoon J. Ph. Bommaert - Silbercroon, P.J. Coijett; voorts voor korteren of langeren tijd met handelsopdrachten van de Zweedsche kroon en den Zweedschen koning belast, Abraham Cabeliau, R. Nieuland, Paridon van Hoorn, Sam. Blomaert, Er. Larsson v.d. Linde, Wilh. Usselincx, Th. van der Noot e.a. benevens Louis de Geer, diens zoon Laurens en kleinzoon Gerhard de Geer1). Deze namen zullen we later dikwijls ontmoeten. Hier is het ook de plaats om er op te wijzen, dat het meerendeel der Zweed-

[p. 5]

sche gezanten in de Nederlanden gedurende de 17de eeuw daar intieme persoonlijke relaties had: de gezant Joh. Skytte zond zijne zonen daarheen om hunne studiën te voltooien, evenzoo de gevolmachtigde Joh. Hoghusen, Peter Grönberg en Conrad v. Falkenberch; de gezanten P. Falck, Joh. Oxenstierna, Harald Appelboom, Lars Canthersten, Gust. Sparre, Pehr Sparre, E. Ehrensteen, Gabr. Turesson Oxenstierna en N. Lillieroot hadden in Nederland gestudeerd; Appelboom, die daar het langst verblijf hield, huwde tevens met eene Nederlandsche dame, evenals Joach. Fr. Preis1) Zweedsch minister in de Nederlanden in het begin der 18de eeuw.

Het gezantschap, dat Nederland in 1615 naar het Noorden zond, nam weliswaar geen deel aan de beslissende onderhandelingen met Rusland, maar het was toch van belang voor de verhouding tusschen de Nederlanden en Zweden. Deze zending is beschreven door den penningmeester van het gezantschap Antonis Goetheris in een in 1619 verschenen geïllustreerd ‘Journael der Legatie’. Over Zweedsche toestanden handelt slechts het slot van het boek; daarin wordt o.a. de plech-

[p. 6]

tigheid beschreven, waarbij de voornaamste persoon van het gezantschap, Reynout van Brederode, door Gustaaf Adolf met de waardigheid van vrijheer werd bekleed. Het verheffen in den adelstand was gedurende het eerste gedeelte der 17de eeuw eene gewone beleefdheid jegens een vreemden gezant, die zich het vertrouwen en de erkentelijkheid van den koning had waardig gemaakt. Men ziet later dan ook herhaaldelijk, dat een Nederlandsch gezant in den adelstand werd verheven.

Gedurende de volgende tientallen jaren werden verscheidene gezantschappen uit Nederland naar Zweden gezonden om als bemiddelaars op te treden tusschen Zweden aan de eene en Polen of Denemarken aan de andere zijde. Een der bemiddelaars voor den vrede met Polen, Simon van Beaumont, die tevens dichter was, maakte in 1627 naar aanleiding eener wonde die Gustaaf Adolf bij Dirschau bekwam, een gedicht getiteld ‘Sur la blessure du Roy de Suède’1).

Gedurende den langen oorlog in Duitschland was de jonge Nederlandsche republiek van veel nut voor Zweden en de protestantsche vorsten, maar meest indirect. Een bepaald verbond tegenover de katholieke tegenstanders bestond er niet tusschen Zweden en Nederland2); wel ondersteunde men elkaar met geld en manschappen. In 1633 werden er Zweedsche troepen, ongeveer 4000 man ruiterij, vanuit Westphalen naar Nederland gezonden, op herhaald verzoek der Staten-Generaal en op voorstel van Axel Oxenstierna. De geldsommen, die Neder-

[p. 7]

land aan Zweden had beloofd, het laatst bij het bezoek van Oxenstierna in 1635, werden echter ongeregeld of in 't geheel niet uitbetaald. Het verdrag met Nederland werd intusschen in 1640 vernieuwd.

Gedurende den dertigjarigen oorlog streden er verscheidene Nederlanders in de Zweedsche legers, en omgekeerd dienden er vele Zweden voor langeren of korteren tijd in Nederland. Karel IX reeds had de Zweedsche officieren aangemoedigd in Nederland de krijgskunst te gaan bestudeeren, en meer nog deed dit zijn zoon, die zich, zooals Axel Oxenstierna het uitdrukt ‘Prins Maurits van Oranje's uiterlijk en manieren van den beginne tot regel had gesteld’. Onder anderen had Gustaaf Adolf van hem geleerd bevestigde legerplaatsen door aardwerken beschermd, aan te leggen. Het was dan ook vooral in de vestingbouwkunde, dat de Nederlanders in militair opzicht de leermeesters van de Zweden werden. De ‘Castrametatio’ en de ‘Fortification par écluses’ van Maurits' beroemden ingenieur Symon Stevin - die op zijne reizen ook Zweden schijnt te hebben bezocht - werden ook in Zweden nagevolgd. Het systeem van ‘de natte gracht’ werd in Zweden o.a. aangewend bij Göteborg en Jönköping. Voor ingenieurs- en vestingbouwkunst, die tot de mathematische wetenschappen werden gerekend, waren aan de Nederlandsche universiteiten speciale leeraren, die, zooals we zullen zien, niet weinig Zweden onder hunne leerlingen kregen. Ook de latere Nederlandsche vestingbouwkunde - die van Coehoorn - deed haar invloed in Zweden gelden.

Onder de Zweedsche legeraanvoerders, die onder Maurits van Oranje de krijgskunst beoefenden, kunnen genoemd worden: Jacob De la Gardie, Nils Stiernsköld, Gustaf Horn, Harald Stake, Lars Kagg - die later een tijdlang onder Maurits' neef ‘den Winterkoning’ diende - en Lennart Torstensson. Onder Maurits' broeder en opvolger als stad-

[p. 8]

houder, prins Frederik Hendrik, streed Gustaaf Adolf Lewenhaupt met anderen, waarvan wij enkelen onder de studenten te Leiden zullen aantreffen.

Tegen het midden der eeuw werden de staatkundige betrekkingen met Nederland steeds levendiger. Door het bezit van de stiften Bremen en Verden naderde de ‘kring van Zwedens invloed’ Nederland meer en meer. Dit land onderhield met genoemde bezittingen een bestendig verkeer. De vele Zweden, die om verschillende redenen de Nederlandsche steden bezochten, namen dan ook gewoonlijk hun weg over Bremen; men kon toen, zooals Bengt Oxenstierna in 1644 deed, de Oostzee rondvaren en over de Oostzeeprovinciën Pommeren, Wismar, Stade enz. Nederland bereiken, en gedurende die reis van honderden mijlen voor het meerendeel in Zweedsche plaatsen het nachtkwartier opslaan. In de veelvuldig voorkomende moeilijkheden met de vrije rijksstad Bremen werden de Staten-Generaal dikwijls geroepen om als bemiddelaars op te treden.

De gewichtigste factor in de betrekkingen tusschen de Nederlanden en Zweden was intusschen de handel. Nederland was vooral een handelsstaat. Wie den Nederlanders maar handelsvoordeelen toestond, die hield hen te vriend, en omgekeerd. ‘Nederlands politiek bestaat daarin’ - zei de met de verhouding tusschen beide landen zoo uitstekend bekende Harald Appelboom in het jaar 16621) - ‘den handel en de scheepvaart zijner naburen te benadeelen en tegen te werken’; geen andere staat mocht de opperheerschappij ter zee voeren; indien het Zweden gelukte Denemarken geheel te overwinnen en eene groote zeemogendheid te worden, dan vreesde men in Nederland, ‘dat het den Nederlanders de nagels zou korten en hen overvleugelen in handel en scheepvaart’. Appel-

[p. 9]

boom verhaalt ook, dat Karel X Gustaaf een Nederlandsch gezant, die zich op den godsdienst beriep, moet hebben geantwoord: ‘ziehier uw godsdienst’, waarbij hij een rijksdaalder uit zijn zak haalde, en hem verder nog moet hebben toegevoegd: ‘Vous ne servez qu'à votre Idole, qui est le Commerce’. Dat was dan ook eene algemeene spreekwijze over de Nederlanders.

De landen aan de Oostzee waren Nederlands voornaamste handelsgebied geworden. In 1530-1540 passeerden jaarlijks gemiddeld 500 Nederlandsche schepen de Sont; honderd jaar later had zich dat aantal meer dan verdriedubbeld. Nederland had dus vooral in het Noorden voor gewichtige belangen te waken.

De tol, dien Denemarken op de Sont hief, was voor de Nederlanders evenals voor de Zweden bijzonder bezwarend, en die tol werd ten slotte onduldbaar door de verhoogingen, die Christiaan IV er steeds aan toevoegde. Daarom was het, dat de Staten in (1640 en) 1645 met Zweden een verdrag van garantie sloten, gericht tegen den Deenschen handelsdwang. Weliswaar vermocht men Nederland niet, toen Zweden de wapenen tegen Denemarken moest opvatten, tot een openlijk optreden tegen den toldespoot te nopen, hetgeen o.a. door Grotius diep betreurd werd juist terwille van Nederland, maar de Staten-Generaal lieten Zweedsche uitrustingen in Nederland toe, en één enkele Nederlander, Louis de Geer - die toen voorzeker reeds in Zweden het staatsburgerschap en een adellijken titel bezat - rustte één, ja twee vloten uit, wier werkzaam aandeel aan den strijd zooals men weet een grooten invloed op het verloop van den oorlog had. Toen werd het oude woord bewaarheid, dat de sleutels van de Sont te Amsterdam voor de palen lagen1). Bij een verdrag te Christianopel,

[p. 10]

dat op den vrede van Brömsebro volgde, bedong Nederland zich belangrijke handelsvoordeelen van Denemarken. Nog voordeeliger was het defensief verbond, dat die beide staten vier jaar later (1649) aangingen en dat in 1657 werd vernieuwd.

Sedert dien tijd begon Nederland zich meer en meer van Zweden af te wenden, ja het tegen te werken. Het vreesde, dat Zweden al te machtig zou worden en zich geheel van het zoo gewichtige en zoozeer betwiste ‘dominium maris Balthici’ meester maken. Reeds Axel Oxenstierna zocht door verschillende scheepvaartbepalingen in 1636 de vreemde d.w.z. de Nederlandsche handelsmacht te beperken; in dat opzicht dus was hij een voorganger van Cromwell. De Nederlanders wilden met alle macht de ontwikkeling van den Zweedschen handel verhinderen en verzetten zich zelfs gewapenderhand tegen Zwedens pogingen tot kolonisatie in Amerika (Nieuw-Zweden) en Afrika (Cabo Corso). Voor de politiek van Karel X was Nederlands optreden erg hinderlijk. Hij bedreigde ook trouwens de vrijheid van de voor Nederland zoo gewichtige stad Dantzig, en zocht verder eene toenadering met Nederlands mededinger Engeland. Ondanks de pogingen der Zweedsche staatslieden, vooral van Erik Oxenstierna, om door een nieuw verdrag, te Elbing gesloten in 1656, maar eerst vele jaren later geratificeerd, Nederland te winnen of tenminste te bevredigen, trad het twee jaar later openlijk tegen Zweden in het krijt. De aanleiding daartoe was Karel Gustaaf's gelukkige veldtocht tegen Denemarken en de vrede van Roskilde, waarbij o.a. werd bepaald, dat vreemde oor-

[p. 11]

logsvloten uit de Oostzee zouden worden geweerd. Hiermede wilde Zweden zich met Denemarken tegen Nederland verbinden. Op alle mogelijke manieren zochten nu de Nederlanders Denemarkens naijver op Zwedens toenemende macht op te wekken; hulpgelden werden toegestaan in den vorm van ‘leeningen’ en Denemarken werd opgestookt om de vredesvoorwaarden niet uit te voeren. Toen Karel X daardoor werd genoopt den vrede te schenden, kwam er eene Nederlandsche vloot onder den dapperen Obdam - die reeds vroeger in de Oostzee had gekruist om voor Nederlandsche belangen te waken - drong door de Zweedsche vloot in de Sont en ontzette het nauw ingesloten Kopenhagen. Door Nederlands krachtdadig optreden leden de plannen van Karel Gustaaf dan ook feitelijk schipbreuk. Nogmaals bewees de rijke handelsstaat, dat hij in het Noorden het evenwicht wist te handhaven, maar nu ten nadeele van Zweden. Tevergeefs trachtte Zweden door diplomatieke onderhandelingen den invloed van Nederland te neutraliseeren. Op de zoogenaamde concerten in Den Haag trad het tegen Zwedens belangen op, en slechts de vrees voor de beide andere daar confereerende vredebemiddelaars, Engeland en Frankrijk, hield Nederland terug van zich geheel van den alleenhandel op de Oostzee meester te maken. De door Zweden in 1659 goedgekeurde ‘elucidaties’ op den vrede van Elbing gaven den Nederlanders intusschen nieuwe voordeelen.

Reeds gedurende de eerste helft der 17de eeuw, maar vooral gedurende de oorlogen van Karel X en Karel XI, kwamen er in de Nederlanden talrijke geschriften over de Noordsche politiek uit. Daar werden politieke brochures bij menigten gedrukt, niet alleen over de verhouding van Nederland, maar ook over die van andere landen ten opzichte van Zweden; dikwijls kwamen ze uit in het Latijn, maar ook wel in de Nederlandsche of eene andere levende taal. Nederland was het beloofde

[p. 12]

land der politieke vlugschriften1). De vrijheid van drukpers was groot in Nederland, vooral als het vreemde landen gold. Naar aanleiding van de ‘atrocia scripta’, die in Nederland over Karel X het licht hadden gezien, schreef de Zweedsche resident in Den Haag, H. Appelboom, aan zijn vriend N. Heinsius, Nederlandsch resident in Stockholm, een verontwaardigden brief. Maar de klachten, die zich herhaaldelijk van verschillende zijden deden hooren over de traagheid der Nederlandsche overheden op dat punt, hadden weinig uitwerking.

De vrees voor Engeland, welks handelsmacht onder de krachtige leiding van Cromwell Nederland bedreigde, en zich daarna ondanks de zwakke regeering der Stuarts meer en meer ten koste van Nederland uitbreidde, bracht Nederland weer nader tot Zweden. Uit Zweden haalden de Nederlanders hun kanonnen voor den Engelschen zeeoorlog. Door de Haagsche conventie in Juli 1667 werd het elucidatie-verdrag opgeheven en aan Zweden vergoeding betaald voor het verlies van Cabo Corso; met Zweedsche bemiddeling werd terstond daarop te Breda de vrede tusschen Engeland en Nederland geteekend. En toen Zweden zich in het volgende jaar voegde bij de Triple-alliantie, door den schranderen raadpensionaris Johan de Witt in het leven geroepen en voornamelijk tegen Frankrijks veroveringszucht gericht, toonden Zweden en Nederland, ditmaal naast Engeland, zich nog eenmaal de machtige handhavers van den Europeeschen vrede.

Lang duurde die samenwerking echter niet. Zweden werd overgehaald Frankrijks zijde te kiezen en zelfs verlokt vijandelijk op te treden tegen de anti-Fransche coalitie. Eene Nederlandsche vloot ondersteunde de operaties der Denen in de Oostzee, en weer stonden de Zweedsche en Nederlandsche zeelieden

[p. 13]

tegenover elkaar1). Zweden had voornamelijk tegen Denemarken en Brandenburg te strijden, en van Zweedsche zijde werden herhaalde pogingen gedaan den vrede te bevorderen, ook tusschen Nederland en Frankrijk. De diplomaten faalden daarin echter, en toen Lodewijk XIV eindelijk, mede uit naam van Zweden, bijna zonder dat land er in te kennen, den vrede van Nijmegen sloot, moest Zweden zich op het punt van handel en scheepvaart aan zeer ongunstige bepalingen onderwerpen. In een afzonderlijk handelsverdrag met Zweden dreef Nederland zijn ouden stelregel door: ‘vrij goed, vrij schip’.

De bittere ervaringen, die Zweden van Frankrijks vriendschap had opgedaan, drongen de Zweedsche politieke leiders, vooral den door de Franschen te Nijmegen zoo overmoedig behandelden Bengt Oxenstierna er toe, zich bij Frankrijks tegenstanders aan te sluiten. Dezen hadden een krachtigen aanvoerder gevonden in prins Willem III van Oranje, die in 1672 tot Stadhouder werd benoemd - eene waardigheid, die anders na den dood van Willem II in 1651 was afgeschaft - en in 1689 tot koning van Engeland uitgeroepen.

Door het garantie-verdrag van 1681 tusschen de Nederlanden en Zweden, dat een volslagen defensief verbond bevatte, kwam er eene nieuwe orde van zaken in de politiek van beide landen, ja van geheel Europa. Bij dat verbond tot instandhouding

[p. 14]

van den vrede sloten zich ook Spanje en de keizer aan; het gold immers ook de integriteit van het Duitsche rijk, en daarvoor kon Karel XI niet onverschillig zijn, deels wegens de Zweedsche bezittingen aan de Oost- en Noordzee, deels wegens zijn eigen erfland Zweibrücken. Wilde Lodewijk XIV die vredelievende pogingen niet eerbiedigen, dan was hij gedwongen de wapens weer op te vatten.

De verstandige politiek van Bengt Oxenstierna, waardoor in 1691 eene gewapende neutraliteit met Denemarken tot stand kwam, in 1693 vernieuwd, bewaarde Zweden er voor om geheel in den verwoestenden oorlog te worden betrokken; maar het moest volgens verdrag wel troepen zenden, deels naar het leger der geallieerden in de Nederlanden, deels ter bescherming van Duitschland. Terwijl de tot het laatste doel afgezondene manschappen bijna werkeloos bleven, speelden de 6000 man troepen, die naar de Nederlanden werden gezonden, en vooral de Zweedsche officieren in Nederlandschen dienst, een belangrijker rol. In December 1688 vertrok de overste Gustaf Maur. Lewenhaupt met één regiment uit Göteborg; het overige gedeelte van het contingent kwam uit Duitschland en stond onder bevel van den overste C.G. Erskein, in wiens Zweedsch-Duitsch regiment vele officieren van Zweedsche nationaliteit dienden. Buiten deze regimenten streden nog vele Zweedsche officieren in het leger van Willem van Oranje, en gedurende de volgende jaren kwamen telkens nieuwe om hen, die er afvielen, te vervangen. Onder deze Zweedsche krijgslieden in Nederlandschen dienst - die eene bijzondere vermelding verdienen - muntten niet weinige uit door groote dapperheid en beleid. Vele namen deel aan de gevechten bij Fleurus, Namen enz. We behoeven ons slechts de namen van eenigen te herinneren, zooals die van den onderbevelhebber van Lewenhaupt, Anders Sparrfelt, een tijdlang commandant van Breda, later overste; Johan Gabriel

[p. 15]

Banér, ten slotte brigadier in Nederlandschen en dienst; Magnus Stenbock, die reeds in 1683 dienst deed bij het Nederlandsche leger in graaf Gustaf Carlsson's regiment; verder Adam Ludvig Lewenhaupt en andere personen, die zich tijdens de regeering van Karel XII zullen onderscheiden. Vele Zweedsche officieren bleven na het sluiten van den vrede in Nederlandschen dienst, waar men nog onder de oorlogen van Karel XII verscheidene Zweden kon aantreffen. Daar was bijv. Carl Wilh. Sparre, ten slotte luitenant-generaal en gouverneur van Ostende, en Isaac Cronström, veldmaarschalk en commandant van Bergen op Zoom. Johan Hoghusen, C. Em. Lewenhaupt en andere jongere Zweedsche krijgslieden ondergingen de vuurproef in Nederlandschen dienst. Het aantal Zweedsche officieren in Nederland was nog in het midden der 18de eeuw niet onbeduidend, al was het ook niet te vergelijken met dat in Frankrijk.

Bij den reeds bovengenoemden vrede, die te Rijswijk werd gesloten (1697-98), was de rol van Zweden vrijwat eervoller dan twintig jaren te voren te Nijmegen. Nu werd Zweden de bemiddelaar van den Europeeschen vrede, en zijne gezanten Lillieroot en Bondhe lieten zich geenszins door de eens zoo overmachtige staatslieden van Lodewijk XIV uit de hoogte behandelen. Dit was een van Zwedens laatste trotsche daden van grootheid.

Ondanks het verbond en de hulptroepen was de verhouding met Nederland niet schitterend gedurende den grooten coalitie-oorlog. Nederland had het geen roof geacht om, tegen het verdrag in, beslag te leggen op Zweedsche en Deensche schepen die de Fransche havens wilden aandoen. In de Sont nam Denemarken represaille-maatregelen, en het defensieve verbond tusschen beide Scandinavische rijken omvatte ook bescherming tegen kaperijen van den kant van Nederland1).

[p. 16]

Gedurende den grooten Noordschen oorlog was de verhouding tusschen Zweden en de Nederlanden niet zoo goed als men wel kon wenschen; daartoe droegen ditmaal de kaperijen van Zweedschen kant bij. Intusschen verloor niet alleen Zweden, maar ook Nederland langzamerhand zijn invloed in Europa. Terwijl Zweden aan zijn oostelijken nabuur de heerschappij in het Noorden moest overlaten, moest Nederland, na aan Engeland een groot koning te hebben geschonken, ook de heerschappij ter zee aan dit eilandenrijk afstaan1). Voorzeker besteeg met Frederik I een voormalig Nederlandsch generaal den Zweedschen troon, en de verhouding tusschen beide staten bleef voortaan gewoonlijk goed, aan den eenen kant bewaakt door J. Fr. Preis, Zweedsch resident in Nederland gedurende meer dan eene halve eeuw, aan den anderen kant door Ch. Const. Rumpf en zijne zoons Hendr. Willem en Charles, achtereenvolgens Nederlandsche residenten in Zweden in een tijdperk van vijf-en-zeventig jaar2). Maar op politiek en zelfs op economisch gebied werden Zweden en Nederland meer en meer vreemden voor elkaar, hunne belangen liepen meer en meer uiteen, de wederkeerige invloed werd steeds geringer.

 

‘Door gemeenschappelijke belangen reeds vroeg met Zweden verbonden, heeft Nederland gedurende het eerste gedeelte der 17de eeuw meer dan eenig ander land invloed geoefend op Zwedens innerlijke ontwikkeling’, zegt Odhner3). Die

[p. 17]

invloed van Nederland duurde voort gedurende het laatste gedeelte der 17de eeuw, ja tot ver in de 18de, zij het dan ook met afnemende kracht. Eene nauwkeurige beschrijving van dien invloed is niet de bedoeling van dit werk; slechts de letterkundige betrekkingen en haar invloed zullen meer uitgebreid worden behandeld. Het is echter van gewicht, ook voor een beter begrip van deze, die andere betrekkingen althans in hoofdtrekken te leeren kennen.

De bevordering van handel en scheepvaart was het voornaamste doel waar de Nederlanders naar streefden. In dat opzicht heeft ook Zweden veel nut ondervonden van hun vlijt en bekwaamheid, welke Gustaaf Adolf den Zweden reeds ten voorbeeld stelde.

In zeemanschap waren de Nederlanders hun model. Men zeide, dat eene boot, die door zes Nederlanders kon worden bestuurd, tien Zweden vereischte; en dat een Zweedsch schip slechts één reis kon doen tegen een Nederlandsch schip drie. Verscheidene Zweden, bijv. C.G. Wrangel en anderen, die we ook zullen aantreffen onder de studenten in Nederland, beoefenden daar de zeekrijgskunde. Vandaar werden de scheepstimmerlieden ontboden, en door den ijver van in Zweden gevestigde Nederlanders werden verschillende scheepswerven opgericht, zooals in Göteborg en in Vestervik; van de laatste inrichting was Louis de Geer de ziel en hij kreeg Axel Oxenstierna tot vennoot. Het Zweedsche zeerecht van 1667 draagt ook de sporen van Nederlandschen invloed, zooals in een volgend hoofdstuk zal worden aangetoond.

Menig kundig Nederlander werd in den Zweedschen zeedienst aangesteld. Bij de Zweedsche marine zijn de namen niet vergeten van Anckarhielm, Sjöhielm, Anckarstierna, Anckarcreutz, Heirmans, Sjöhierta en Cronhawen. De drie eersten behoorden tot De Geer's vloot, die werd aangevoerd

[p. 18]

door Marten Thijsen (geadeld als Anckarhielm), en Henrik Gerdtsson (geadeld als Sjöhielm). Diedric Thijsen trad ook in 1644 in Zweedschen dienst. Verscheidene zijner nakomelingen bewezen onder den naam Anckarstierna Zweden goede diensten op militair gebied; zijn zoon Cornelis, vrijheer Anckarstierna, was de eerste Zweedsche schout-bij-nacht - een titel uit Nederland afkomstig. Opmerkelijk is het, dat verscheidene in den dienst van Zweden overgegane Nederlanders gedurende de zeeoorlogen van Karel X en Karel XI tegen hunne vroegere landgenooten moesten vechten1).

Voor de ontwikkeling van den Zweedschen handel werden de naar Zweden verhuisde Nederlanders van het grootste belang. Van enkelen kon men misschien wel zeggen, dat zij het in Zweden verdiende geld uit het land brachten, maar zelfs dezen werkten door het voorbeeld van hun initiatief en hunne volharding ten algemeenen nutte.

Reeds onder Erik XIV hadden verschillende kooplieden en industrieelen, wegens de vervolgingen door Katholieken en Spanjaarden in de Nederlanden, hunne toevlucht tot Zweden genomen. Onder Karel IX had eene tweede immigratie plaats vooral naar Lödöse en vervolgens naar Göteborg. Onder Gustaaf Adolf en Christina kwam eene groote menigte landverhuizers uit de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden naar Zweden, deels naar Göteborg, deels naar de industrieele ondernemingen van De Geer. Het element, dat zich door deze landverhuizers met de Zweedsche natie vermengde, muntte voor het grootste gedeelte uit door degelijkheid, werk-

[p. 19]

kracht en spaarzaamheid, en was daardoor voor het Zweedsche volkskarakter van geen geringe beteekenis.

Te Stockholm, welke stad evenals Göteborg, als herinnering aan dien tijd haar ‘Hollanderstraat’ kreeg, en waar de ‘Hollandsche Tuin’ langen tijd een druk bezocht logement was, werden bij het begin der 17de eeuw vele in handel en nijverheid geachte huizen gevonden, door Nederlanders gegrondvest. We wijzen hier slechts op Leuhusen, Coijett, Grooth, (Larsson) v.d. Linde, (Paridaens) van Hoorn, Grootjohan, Winnantz en Grill, waarbij men ook nog zou kunnen voegen Insen (Insenstierna), van der Hagen, Indebetou, Hiddingh, Standaert, De Neef en Starbus. Enkele van deze families verwierven zich een beroemden naam en grooten invloed, zooals Coijett en Leuhusen, over wie in het vervolg dikwijls zal worden gesproken; verder v.d. Linde, die Zweden een veldmaarschalk schonk, en Grill, van wiens geslacht een tak zich weer in Nederland vestigde, en die in den loop van de volgende eeuw zijne grootste rol zou spelen.

Zelfs Norrköping, Nyköping en Kalmar kunnen eenige voorname Nederlandsche families aanwijzen: Norrköping De Geer en Trip, waarover later meer; Nyköping Potter (Lillienhoff) en Schnack (Snack en Sneckenberg); Kalmar Verklaes (Silfverlåås) enz.

Het merkwaardigste echter was de vestiging in Göteborg.

Reeds in Nieuw-Lödöse hadden zich tegen het einde der 16de eeuw Nederlanders gevestigd. In 1580 wenschte men in de Nederlanden daar eene stapelplaats te bezitten. En toen Karel IX besloot aan den mond der Göta-elf eene stad aan te leggen ter uitbreiding van den Zweedschen handel, had dat letterlijk eene kolonisatie uit Nederland ten gevolge1). Het

[p. 20]

oudste, op het eiland Hising gelegen Göteborg, waar eene gereformeerde Nederlandsche kerk moet hebben gestaan, werd enkele jaren na de stichting door de Denen verwoest. Gustaaf Adolf besloot in 1619 een nieuw Göteborg op eenigen afstand van het oude te stichten, op den linkeroever der Göta-elf. Dat besluit werd krachtig ten uitvoer gelegd door den generaal-stadhouder van Elfsborg, Nils Stiernsköld, en den commissaris Johan Salvius; beiden waren met de Nederlandsche toestanden bekend, en weer kwam, door J. van Dijck en A. Cabeliau, eene aanzienlijke schaar Nederlanders over1). Hun aantal was zoo groot, dat tusschen 1630 en 1640 meer dan de helft van de leden der Duitsche gemeente aldaar Nederlanders waren2). Nog na het midden dier eeuw kwamen Nederlanders naar Göteborg.

Voor Zweden, maar ook voor Nederland, werd deze haven van groot belang. Zij maakte de beide landen ten minste voor een deel onafhankelijk van den drukkenden tol op de Sont. Dat Göteborg de stapelplaats van den Nederlandschen handel in Zweden zou zijn, werd later ook door verschillende tractaten bevestigd. Ja, zelfs blijkt, dat Nederlanders hebben aangedrongen op het wederopvatten van het oude plan om van Göteborg uit een waterweg door Zweden te graven. De nieuwe stad werd voorzien van kanalen - ‘grachten’ zooals Linnaeus ze nog op zijn Nederlandsch noemt - op Nederlandsche manier door sluizen geregeld. Zelfs de huizen hadden in den

[p. 21]

beginne een Nederlandsen uiterlijk. Het stadsbestuur met zijn presidenten en zijn ‘Hooge Generale Stadsraad’ was oorspronkelijk ook volmaakt Nederlandsch; van de beide schrijvers notuleerde de een in 't Nederlandsch en de ander in 't Zweedsch. Drie van de twaalf raadsleden waren eveneens Nederlanders. Het stedelijk recht werd ook op Nederlandsche wijze ingericht, evenzoo de bepalingen omtrent den handel en de tollen. Dat veranderde weliswaar langzamerhand, en van de vreemde talen kreeg het Duitsch weldra het overwicht over het Nederlandsch, maar de sporen der Nederlandsche immigratie bleven toch lang merkbaar; ja men heeft zelfs beweerd, dat de werkzaamheid, de degelijkheid en de voorzichtig berekenende bedachtzaamheid, die de Göteborgers nog kenmerkt, eene erfenis van de Nederlandsche kolonisten is.

De Nederlandsche immigratie naar Göteborg, evenals naar de industrieele ondernemingen van De Geer, heeft ook eene gewichtige sociaal-religieuse beteekenis. Karel IX, die met de gereformeerde leer sympathiseerde, gaf aan de Nederlanders verlof eene Calvinistische kerk te stichten. Later werden de gereformeerde Nederlanders te Göteborg en op andere plaatsen in de vrije uitoefening van hun godsdienst beperkt door den invloed der Luthersche kerk. Onder hen, die zich in 1622 te Göteborg vestigden, bevond zich een Arminiaansch predikant; doch hij moest zijn, zooals Axel Oxenstierna aan P. Falck, den Zweedschen minister in Nederland, schreef, iemand ‘met wien men kon handelen’, en door wien men de Arminianen er toe brengen kon tot de Augsburgsche confessie over te gaan. Dit plan om alle in Zweden wonende Nederlanders tot het Luthersche geloof te brengen schijnt ook zoowel in Göteborg als bij de industrieele ondernemingen gaandeweg te zijn gelukt. Soms zag men zich genoodzaakt tot dwangmiddelen over te gaan, zooals toen in 1655 bepaald werd, dat de kinderen van de (bij de industrieele werken aangestelde)

[p. 22]

gereformeerden Luthersch moesten worden gedoopt. In Stockholm bleef echter eene, zij het dan ook weinig talrijke, Nederlandsche gemeente bestaan, door den Nederlandschen resident beschermd, en aan welke sedert 1660 altijd een predikant was verbonden1). Gedurende de daaropvolgende eeuw zou de komst van Nederlandsche (en Engelsche) gereformeerden naar de werken van Alströmer een nog machtiger drijfveer worden tot de erkenning van de godsdienstvrijheid.

In voortdurende herinnering leven nog de namen van verscheidene der in Göteborg gevestigde Nederlanders, die aan hun nieuw vaderland gewichtige diensten hebben bewezen: Cabeliau, van Dijck, van Eyck, van der Hagen, Du Rees, van Schoting, van Ackeren, Amija, Hartzen, van Egmont, Lambertsson (v. Scholten), Kuyl (Kuylenstierna), Brandt (Anckarcreutz), Braunjohan, Grootjohan e.a. Enkelen hunner verdienen hier eene bijzondere vermelding, op anderen zal later worden teruggekomen.

Abraham Cabeliau, koopman uit Amsterdam, nam deel aan de stichting van het oude en van het nieuwe Göteborg. Hij was het, die van Nederlandsche zijde het krachtigst werkte voor eene kolonisatie. In 1607 kwam hij zelf over. Hij werd burgemeester van het oude Göteborg, en stond er aan het hoofd van de munt en van andere belangrijke economische instellingen. Karel IX raadpleegde hem in verschillende zaken evenals Gustaaf Adolf. Voor de ontwikkeling van Zwedens handel werkte hij ijverig en hij trachtte zelfs eene ‘Perzische’ handelscompagnie op te richten. In het jaar 1614 vergezelde hij Gustaaf Adolf naar het Zweedsche leger in Lijfland. Zijne dochter Margaretha Cabeliau werd de minnares van Gustaaf Adolf en was de moeder van Gustaf Gustafsson van

[p. 23]

Wasaborg. Cabeliau, die weer naar Nederland was teruggekeerd, werd opnieuw naar Zweden geroepen toen het nieuwe Göteborg zou worden gesticht. Daarna werd hij door de regeering aangesteld tot generaal-boekhouder (1624) en hervormde in die betrekking de financiën geheel en al. In weerwil van voordeelige aanbiedingen van andere zijden bleef hij aan Zweden nuttige en trouwe diensten bewijzen tot aan zijn dood in 16451). Over zijn zoon Johan zal worden gesproken bij de behandeling der Amsterdamsche hoogeschool (Hoofdst. IV).

Tot gewichtige ambten werd ook doctor Jacob van Dijck uit Haarlem geroepen. Hij werd reeds door Karel IX tot diplomatieke doeleinden gebruikt. Het eerst werd hij als Zweedsch hofraad naar de Nederlanden gezonden om de Staten-Generaal in 1609 geluk te wenschen met het sluiten van het Twaalfjarig Bestand met Spanje. Het volgende jaar maakte hij met Gust. Stenbock, Ol. Stråle en Joh. Skytte deel uit van eene bezending om met Frankrijk, Engeland en de Nederlanden te onderhandelen over het door Karel IX beoogd Evangelisch Verbond. Later vertoefde Van Dijck, ridder en heer van Salnecke (Upland) verscheidene jaren, (van 1615 af) als gezant in Nederland. Hij regelde den verkoop van Zweedsch koper aan de Staten-Generaal en zocht in Nederland geld te krijgen voor Gustaaf Adolf, tegelijk met Janus Rutgersius, die toen juist door Van Dijck in Zweedschen dienst was gekomen, en die in het volgende hoofdstuk nader zal worden behandeld.

Jacob van Dijck was ook in zijn vroeger vaderland zeer geëerd en schijnt daar op grootsche wijze als beschermer te zijn opgetreden. Met Nederlandsche staatslieden, geleerden en dichters stond hij op intiemen voet. Van Daniël Heinsius

[p. 24]

te Leiden ontving hij met nieuwjaar 1616 diens heerlijken Nederlandschen ‘Lofsanck van Jesus Christus’ met bijschriften in proza en poëzie, deels van Heinsius' geleerden vriend P. Scriverius, deels van den schrijver zelf. In hetzelfde jaar wijdde Hugo de Groot hem te Amsterdam een Latijnsch gedicht. G.A. Bredero droeg zijne bewerking van Terentius' ‘Eunuchus’ (‘Moortje’, Amsterdam 1617) aan hem op. En toen hij in 1620 naar Zweden terugkeerde, na van de Staten eene kostbare gouden keten te hebben ontvangen, begroette Caspar Barlaeus hem met een Latijnsch gedicht:

 
Battaviae dilecte meae, dilecte Batavûm
 
Vatibus, et Regi, vir generose, tuo enz.

Door Axel Oxenstierna - voor wien hij, evenals andere Zweedsche gezanten, bijv. Cabeliau en Falck, in Nederland boeken kocht - kreeg Van Dijck nu in opdracht om als commissaris (opvolger van Salvius), van regeeringswege ‘het toezicht te houden op de justitie’ in Göteborg en ‘te ontvangen hen, die zich daar vestigen wilden’. Hij werd later tot burggraaf benoemd, een ambt dat hij tot zijn dood in 1631 bekleedde, en dat gedurende die eeuw vaker, doch niet geregeld, werd bezet.

In Göteborg kreeg Van Dijck bezoek van een Nederlandschen dichter, en dat wel van den grootsten: Joost van den Vondel. Op de terugreis uit Denemarken, waarheen Vondel zich voor zaken had begeven, maar waar hij, zooals het gedicht ‘De noordsche Nachtegael’ bewijst, zijne lier niet geheel liet rusten, kwam hij namelijk in 1628 in de jonge Zweedsche handelsstad, waar hij door Van Dijck gastvrij schijnt te zijn ontvangen. ‘Als een tol aan den Zweedschen koning, den heer Jacob van Dijck in Gottenburg betaald’ liet Vondel een sonnet achter, waarin hij de voorspelling uitsprak, dat, evenals de ‘Gotten’ vroeger Rome hadden overwonnen, Gustaaf Adolf,

[p. 25]

de koning der ‘nieuwe’ Gotten, het Roomsche keizerrijk zou overwinnen. Toen drie jaar later deze voorspelling door den slag bij Breitenfeld vervuld was geworden, gaf Vondel dit sonnet uit onder den titel ‘Orakel’, benevens een ander sonnet ‘Aen Gustaef Adolf’ met een grooter gedicht, getiteld ‘Lijckoffer van Maeghdeburgh’, waarin de schitterende wraak over Maagdenburg's val door den Zweedschen koning, den ‘Arm der Duitsche Vrijheit’, met gloeiende woorden wordt bezongen. ‘Vaer voort Gustaef, ghij vorsten-morgenwecker’, eindigt de dichter: ‘Wisch Adolf uit en schrijf: ‘Gustaef August’1).

Uit de andere bovengenoemde Nederlandsche families in Göteborg, waarvan sommigen reeds in Lödöse gewoond hadden, schonken v. Ackeren, v. Eyck en Braunjohan de stad presidenten (burgemeesters), v.d. Hagen, v. Schoting en Amija raadsheeren. Timon van Schoting, die gehuwd was met eene dochter van Jacob du Rees, een voornaam koopman, eerst in Amsterdam, daarna in het oude Göteborg en eindelijk in het nieuwe, werd evenals zijn schoonvader de stamvader van een Zweedsch adellijk geslacht. De familie Amija stond ook in hoog aanzien en ging de beste verbintenissen aan; het was David Amija Jr., die, als koninklijk commissaris in Göteborg, het in 1688 naar Nederland vertrekkende regiment van Lewenhaupt afmonsterde. Zijn bloedverwant Jacob Hartzen, wiens vader uit 's Hertogenbosch was gekomen, werd in den Zweedschen adel opgenomen onder den naam van zijn stiefvader Sam. Åkerhielm.

[p. 26]

Door dergelijke energieke mannen, daaronder geboren Zweden1), werd Göteborg spoedig eene belangrijke handelsplaats. Dat de stad vooral met Nederland handelsbetrekkingen aanknoopte, lag voor de hand; genoemd land bezat immers in dien tijd voor den Zweedschen handel over 't geheel de grootste beteekenis. Uit Nederland kwam ongeveer de helft der Zweedsche invoerartikelen: kleedingstoffen, zout, koloniale waren enz.; naar Nederland ging ook het grootste deel van den Zweedschen export: koper, hout, teer, weldra ook ijzer enz.

Bij de ontwikkeling van zijn eigen handel bediende Zweden zich ook van Nederlanders, vooral gedurende het eerste gedeelte der eeuw. Het was na A. Cabeliau een ander Nederlander, Willem Usselincx, die, in 1624 naar Göteborg gekomen, op de gedachte kwam van een direct handelsverkeer tusschen Zweden en de landen buiten Europa. Dezelfde Usselincx, een man met stoute en schitterende plannen, maar zonder genoegzaam inzicht en volharding om ze met succes ten uitvoer te leggen, had eenige jaren tevoren reeds het ontwerp gemaakt voor de Nederlandsche West-Indische Compagnie. De Zweedsche Zuidzee-Compagnie werd in 1626 geoctrooieerd, en Usselincx, die zich bij deze evenals bij andere gelegenheden deed kennen als een ijverig steller van memoriën en ontwerpen, deed her-

[p. 27]

haaldelijk pogingen Zweden tot eene kolonisatie in Amerika te bewegen. De acten betreffende de Zweedsche en Nederlandsche ondernemingen in West-Indië gaf Usselincx in 1633 in Frankfurt uit onder den titel ‘Argonautica Gustaviana’. Hij zocht later nogmaals de Staten-Generaal en ook andere regeeringen voor zijne denkbeelden te winnen, doch tevergeefs. In 1641 kwam hij in Zweden terug; hij vond weliswaar geen gehoor voor zijne plannen, maar hij werd eenigen tijd later aangesteld als handelscorrespondent van den Zweedschen staat in de Nederlanden.

Eene poging tot kolonisatie in Amerika geschiedde intusschen door Zweden in 1637 en stellig voor een groot deel met Nederlandsch geld en Nederlandsche krachten. De onderneming, die zeer werd bevorderd door den admiraal M. Thijsen-Anckarhielm, werd in den aanvang bestuurd door Nederlanders, P. Minuit e.a.; een groot gedeelte der kolnisten in Nieuw-Zweden kwam ook uit Nederland. Maar het waren evenzeer Nederlanders - de buren uit Nieuw-Nederland - die eenige tientallen jaren later deze Zweedsche kolonie ten gronde richtten. Evenzoo ging het, zooals boven reeds werd vermeld, met de kolonie Cabo Corso in Afrika, aan welker stichting in 1649 eveneens meest Nederlandsche kooplieden, vooral L. de Geer in Amsterdam en Abr. van Eyck in Göteborg, een werkzaam aandeel hadden genomen, en die gedurende den laatsten tijd, 1660 en volgende jaren, werd bestuurd door Isr. Lagerfelt, Henr. de Moucheron en Joach. Potter (Lillienhoff), die alle drie relaties in Nederland hadden. Van geen van beide koloniën echter hebben de Nederlanders lang genoegen gehad: ze werden hun al spoedig door Engeland ontnomen.

Eene Oost-Indische compagnie, die onder de minderjarigheid van Karel XI werd opgericht, was van nog korteren duur; de stichter er van, Olavus Bergh, ging later over in

[p. 28]

den dienst der Nederlandsche Oost-Indische Compagnie1). In de latere Zweedsche Oost-Indische Compagnie, in 1731 opgericht, die den Nederlanders een doorn in het oog werd, had weer menig Nederlander zijn geld gestoken. Het gebeurde ook niet zelden (in tijden van oorlog), dat Nederlandsche schepen zich van de Zweedsche vlag bedienden.

Nederlandsch geld en Nederlandsche werkkracht was ook van menige binnenlandsche onderneming in Zweden de drijfveer. De in verschillende tijden opgerichte kopermaatschappijen dreven grootendeels op Nederlanders; voor Zweden waren echter deze maatschappijen met de daaruit voortvloeiende overproductie, van minder nut, en de daarin betrokken, in Zweden meer of minder genaturaliseerde Nederlanders, voornamelijk Trip, De Geer en Er. v.d. Linde, ontgingen het verwijt van eigenbaat en kwade praktijken niet. Voor de opkomst der teerfabricatie werkte in 1620 en volgende jaren Hans van Schwindern, die met enkele andere Nederlanders eene in 1648 geoctrooieerde maatschappij ter bevordering van den teerhandel oprichtte. Intusschen deden deze en andere Zweedsche maatschappijen afbreuk aan de Nederlandsche vrachtvaart; de Nederlanders eischten daarom hare opheffing, en bij den vrede van Nijmegen dreven zij

[p. 29]

dien eisch door, maar slechts gedeeltelijk en voor korten tijd.

De Zweden zochten namelijk, zij het dan ook langzamerhand, handel en vrachtvaart in eigen handen te krijgen. De Nederlanders, die ten opzichte van den handel hunne ‘verdrukkers’ geweest waren, waren tevens hunne leermeesters geweest, en dat niet alleen op de zoo juist aangetoonde wijze, doordat Nederlandsche kapitalisten en kooplieden in het land werden geroepen, maar ook doordat de Zweden op de plaats zelf de handelstoestanden van Nederland bestudeerden.

Meer dan andere Zweden had Axel Oxenstierna veel van de Nederlanders geleerd, wier handelsbeginselen hij gelegenheid vond te leeren kennen, vooral in de door hen druk bezochte Oostzee-havens. Daardoor kwam hij zoo langzamerhand tot eene vrijere opvatting van het economische leven, die het systeem van alleenhandel en handelsmaatschappijen geheel verwierp; de omstandigheden verhinderden hem echter zijne denkbeelden altijd in practijk te brengen en de leer van Grotius over het ‘mare liberum’ geheel te erkennen. Het Nederlandsche handelsrecht heeft evenwel, zooals Odhner zegt, meer dan dat van eenig ander land, invloed uitgeoefend op zijne politiek. Juist de door de Nederlanders zoo gehate ‘licentiën’ in de Duitsche havensteden waren daar op hun eigen voorbeeld ontstaan, gelijk het toltarief van 1636 naar dat van Amsterdam was vastgesteld. Hoe Axel Oxenstierna's zonen evenals vele andere jonge Zweden naar Nederland werden gezonden om daar ‘de commerciën’ te leeren kennen, zullen we later, voornamelijk in het vierde hoofdstuk, vermelden1).

Evenals de koophandel werden vele andere bedrijven op

[p. 30]

de leest der Nederlanders geschoeid. Voor de visscherij bijv., vooral die op de Westkust, ging men bij Nederland in de leer; door een Nederlander Fr. Dennick werden in Göteborg de eerste haringbuizen gebouwd, en W. Usselincx kreeg in 1643 opdracht flinke visschers uit Nederland te doen komen. Ook bij den landbouw en vooral bij den tuinbouw volgde men Nederlands voorbeeld; Nederlandsche boeren vestigden zich in de buurt van Göteborg, en voor den aanleg van de groote tuinen, die nu een sieraad uitmaken van de adellijke kasteelen, werden dikwerf zaden, bollen en planten uit Nederland ontboden, waarvan we later voorbeelden zullen noemen.

In verscheidene takken van industrie was het ook zoo gesteld, maar niet in die mate als op het gebied van den handel. Voor weverijen, ververijen en meer dergelijke inrichtingen kwamen Nederlandsche werklieden naar Zweden1).

Vooral hebben de naar Zweden geroepen Nederlanders zich verdienstelijk gemaakt ten opzichte van den bergbouw en de metaalindustrie, inzonderheid van de in dien tijd opkomende ijzerfabrieken.

De vermeldenswaardigste toevoer van industrieele krachten kreeg Zweden door de komst van Louis de Geer. Door hem, zijne bloedverwanten De Besche en zijn neef M. de Geer ontstond er eene groote nijverheidsbeweging deels in Östergötland bij Finspong, op Godegård en in Norrköping, deels in Nerike te Skylberg, deels in Upland te Österby, Löfsta en Gimo. Vooral werd de ijzerindustrie bevorderd, maar ook werden er messingartikelen, staaldraad enz. in de fabrieken van De Geer vervaardigd. Vooral in Finspong,

[p. 31]

welke inrichting vroeger reeds tijdelijk door Nederlanders was beheerd, bereikte de ijzerindustrie eene tot dusver in Zweden ongekende hoogte. Daar en op Österby werden kanonnen vervaardigd. De Geer dreef, evenals zijn zwager Trip, bij voorkeur handel in ammunitie en geschut - een winstgevende handel in die oorlogzuchtige tijden. De ontwikkeling van Zweden heeft zeer veel aan De Geer te danken; wel werd hij gedurig tegengewerkt, maar, al kreeg hij zijne voorschotten aan het rijk niet altijd tot op den penning terugbetaald, toch werden zijne verdiensten, vooral door de Kroon, bij slot van rekening volledig erkend1).

Wat de door De Geer naar Zweden ontboden arbeiders betreft, moet worden opgemerkt dat de meeste hunner uit de Zuidelijke Nederlanden kwamen en Walen waren. Dergelijke arbeiders waren reeds in het begin der 17de eeuw voor De Geer naar Zweden gekomen, vooral naar Vermland en Dalarne. De arbeiders, die De Geer op aansporing der regeering naar Zweden ontbood, kwamen in verschillende groepen van 1618 tot aan het midden der eeuw. Onder hen bevonden zich behalve Walen ook verscheidene Vlamingen en ook enkelen uit de Noordelijke Nederlanden. Vele van deze werkmansfamiliën hebben zich - onder de zelfde namen - tot op heden in Zweden gehandhaafd2).

Naast de familie De Geer stond ook in groot aanzien de familie De Besche, op welke wij spoedig terugkomen.

[p. 32]

In de nijverheid was ook de familie Grill werkzaam. Antony Grill heeft op verdienstelijke wijze zijn naam aan de zilvergroeven van Sala verbonden. De Nederlander Tom. Blomaert arbeidde in het vak der ijzersmederij, evenzoo Marcus Kock in dat der koperbewerking (gaarkoperfabricatie).

Met sommige dezer laatste namen zijn wij gekomen op het gebied der kunstnijverheid, op hetwelk evenals op dat der werkelijke kunst, de Nederlanders vanouds beroemd waren om hunne vaardigheid. Ook naar het Noorden haalde men reeds vroeg de voortbrengselen der kunstnijverheid uit de Nederlanden, gedurende de 16de eeuw meest uit Antwerpen, en weldra werden vandaar kunstenaars naar Zweden geroepen.

Tot de verbetering van het muntwezen en voor de artistieke metaalbewerking bediende men zich onder de Wasa's van verscheidene Nederlanders. Gillis Coijett Sr. was goudsmid bij Johan III; onder hem werkte aan de munt Willem van Wijck, later pachter van Finspong. Gillis Coijett Jr. werd ook koninklijk muntmeester evenals zijn zwager, de goudsmid Ant. Grooth en diens gelijknamige zoon. Beide deze geslachten onderscheidden zich in hun nieuw vaderland gedurende de 17de eeuw weldra ook op ander gebied. Onder Gustaaf Adolf werd de uit de Spaansche Nederlanden afkomstige Govert Silentz muntmeester te Säter, waar zijn zoon burgemeester werd. De boven reeds genoemde goudsmid Antony Grill werd muntwaardijn. Het meest beroemd in de annalen van het muntwezen werd echter de familie Kock - Cronström, welke naar Zweden kwam met Marcus Danielsson Kock, directeur te Avestad, en die uit meer dan een geslacht nog gedurende volgende eeuwen Zweden menig kundig muntmeester schonk.

Als ingenieurs en bouwmeesters werden gedurende de 16de en 17de eeuw Nederlanders in Zweden gebruikt. Vooral in

[p. 33]

het aanleggen van waterwegen waren de Nederlanders ‘de eerste leermeesters van noordelijk Europa’1), en bijgevolg ook van Zweden.

Bij de Göta-Elf werden verscheidene voortreffelijke waterstaatswerken door Nederlanders uitgevoerd. De voor het oude Göteborg belangrijke sluis bij Lilla Edet werd voltooid door Joh. Claesson uit Nederland. In het nieuwe Göteborg werden kanalen gegraven door de Nederlandsche bouwopzichters J.v. Wierdt en J.v. Arents; aan de sluis- en vestingwerken dier stad werkte ook de reeds onder Karel IX naar Zweden geroepen Joh. Kuyl, wiens zoon en kleinzoon dappere zeelieden waren; de laatste was de stamvader van het geslacht Kuylenstierna.

Aan het graven van het Hjelmar-kanaal, het grootste, dat in de 17de eeuw werd tot stand gebracht, namen vele Nederlanders deel, bijv. de reeds genoemde Joh. Claesson, benevens Gerdt Gerdtsson, die bij de voltooiing in 1640 tegenwoordig was. Het kanaal moest intusschen dikwijls hersteld worden, en gedurende de laatste twintig jaren der 17de eeuw onderging het eene grondige verbetering door de Nederlanders Tilleman de Moll en De Bourg.

Nederlandsche sluisbouwers werden ook gebruikt bij andere waterwerken. Voor de sluiswerken bij Söderström in Stockholm bijv. en bij de verbouwing van de Lilla Edet-sluis, ontbood men uit Nederland bouwmeesters en materiaal, cement en baksteen, waarvoor men den Nederlandschen naam ‘klinkert’ heeft behouden. Bij de verbinding te water van de Noord- met de Oostzee hadden zelfs, zooals boven is aangeduid, ook de Staten-Generaal der Nederlanden belang. Na het ‘Karelskanaal’ bij de Göta-Elf werd met tusschenpoozen aan dien grooten water-

[p. 34]

weg begonnen. Onder den generaal-kwartiermeester Ol. Hansson Örnehufvud was kort na 1640 een uit Nederland ontboden bouwkundige ten westen van het Wettermeer werkzaam, en een ander ten oosten van dat meer. Later werd het werk weer opgevat door den inspecteur der vestingwerken Jac. Dijkman en diens zoon. Maar het bleef hoofdzakelijk bij onderzoekingen en plannen. Zelfs de kunde en de energie van een Polhem en een Swedenborg konden het grootsche plan niet verwezenlijken dat reeds onder Gustaaf Wasa was ontworpen, later door de Nederlanders weer werd opgevat, en eerst in de 19de eeuw is ten uitvoer gebracht.

De beteekenis van de Nederlandsche ingenieurskunst voor den Zweedschen vestingbouw is boven reeds vermeld. Er kan nog worden bijgevoegd, dat tijdens de minderjarigheid van Christina een regiment genietroepen werd opgericht, dat dienst deed in den Deenschen oorlog. De in Lijfland en Ingermanland werkzame ‘generaal ingenieur’ Joh. v. Rodenberg was een naar Zweden geroepen Nederlander, evenals vele andere genie-officieren.

Bij het droogleggen van meren en moerassen tot ontginning van den Zweedschen bodem, waarin zooals ieder weet de Nederlanders Zwedens meesters waren, werden ook Nederlanders aangesteld. Evenzoo bij het bouwen van molens en andere industrieele werken. En ook in de schoone bouwkunde maakten de Nederlanders zich voor Zweden verdienstelijk.

In de Nederlanden, vooral in de zuidelijke provinciën, stond reeds in de middeleeuwen de architectuur op een hoogen trap, en al namen de Nederlanders in dat opzicht geen zelfstandige plaats in, toch speelden ze eene belangrijke rol als tusschenpersonen, voornamelijk voor Skandinavië. Over de Nederlanden ging het transport van het schoone materiaal, de Rijnlandsche tufsteen, die in de 12de en 13de eeuw bij menig grootsch bouwwerk in Denemarken

[p. 35]

werd gebruikt, vooral in en om Ribe. Nu en dan werd door bijzondere persoonlijke betrekkingen de Nederlandsche bouwkunst tot voorbeeld genomen, waarvan de dom van Roskilde een bewijs levert. Ook ontbood men wel bouwmeesters uit de Nederlanden, zij het dan ook niet zoo dikwijls als uit de Duitsche Rijnstreken; zoo zal bijv. wel een Nederlander geweest zijn Adam van Duren, de kundige hersteller van de Domkerk te Lund, een beeldhouwer in het begin der 16de eeuw. Vooral moet Skandinavië de Nederlanden dank weten voor den baksteenbouw. Het was trouwens het eerst in de Nederlanden dat de overgang van het ‘opus francigenum’, de Fransche Gothiek, tot den Gothischen baksteenbouw plaats vond; en hoewel de Noordduitsche bouwtrant Zweden nader lag en daar weldra toongevend werd, mag men toch veilig aannemen, dat men sommige motieven rechtstreeks aan de Nederlanden heeft ontleend, vooral aan Brugge en Gent, die in levendige betrekking met het Noorden stonden.

De baksteenbouw, waarbij men gehouwen steen voor sommige détails gebruikte, werd ook gedurende de renaissance kenmerkend voor de Nederlanden. Ook toen ontstond er eene eigenaardige Nederlandsche wijziging der Fransche architectuur. Hoe die Nederlandsche renaissance ook tot het Noorden is doorgedrongen bewijst voldoende de stijl van Frederik II en die van Christiaan IV of de zoogenaamde Rosenborgstijl in Denemarken en Skåne. Ook Zweden ondervond den invloed daarvan, hoewel toch de ‘Wasastijl’ en later de renaissancestijl van Tessin enkele zeer bepaalde kenmerken bezaten1).

[p. 36]

Reeds Gustaaf I ontbood architecten uit Nederland, bijv. in 1538 door middel van den Amsterdamschen burger Cl. Jöransson en eenige jaren later door den schilder Jan van Scorel, den Utrechtschen kapittelheer. Bij de groote bouwwerken die onder Gustaafs zoons werden uitgevoerd, verleenden vele Nederlanders hunne diensten, namelijk aan het slot van Stockholm en aan dat van Kalmar, Örebro, Svartsjö, Nyköping en van Wadstena. Tot de voornaamste architecten en decorateurs ten tijde van Erik XIV behoorde Dominicus Ver Wilt, wiens naam in het bijzonder verbonden is aan de schoone ‘Koningszaal’ in het slot van Kalmar. Tusschen 1570 en 1580 was Arent de Roy werkzaam aan het slot van Wadstena; in 1576 kreeg hij de opdracht om het toezicht te houden op het bouwen van het slot in Linköping. Ludv. van Hoffwen was werkzaam bij Gullberg, waar hij plannen voor eene nieuwe stad moest ontwerpen; later ging hij als bouwmeester in dienst van hertog Karel over. Gedurende de volgende tientallen van jaren arbeidde de architect en beeldhouwer Hendr. van der Huffue te Stockholm. De door Johan III meest begunstigde kunstenaar was Willem Boij, architect, beeldhouwer en schilder; hij werkte o.a. gedurende een dertigtal jaren aan het slot van Stockholm, welks kapel voornamelijk zijn werk moet zijn geweest, en op Svartsjö, waar hij slotvoogd werd.

Een der voornaamste kunstenaarsfamilies in Zweden gedurende het begin der 17de eeuw was het geslacht De Besche. Niet minder dan vier zonen van Gillis de Besche Sr. werden daar als architecten en ingenieurs aangesteld. De oudste, Willem, die reeds in 1596 naar Zweden ging, legde o.a.

[p. 37]

de fabrieken van Forsmark aan en werd later De Geers zaakwaarnemer te Finspong. Met hem werkte zijn broeder Gerhard, die werd aangesteld tot architect bij de domkerk te Upsala, waar hij van 1613-1630 de bekende torenspitsen bouwde. Van Gillis de Besche Jr. zijn waarschijnlijk de teekeningen afkomstig voor het kasteel Wibyholm dat voor de weduwe van Karel IX gebouwd werd, en dat eene schoone proeve van Nederlandsche renaissance schijnt te zijn geweest; verder werd deze De Besche aangesteld tot architect van het slot te Nyköping. De vierde broeder Hubert, die zich ook op het gebied der nijverheid bewoog, bouwde van 1613-1618 den toren der Duitsche kerk te Stockholm en was tegelijkertijd architect van het slot. De uitbreiding en de nieuwe inrichting van het slot te Stockholm, door Gustaaf Adolf op touw gezet, werd verder na het jaar 1622 door den Nederlander Caspar Panten geleid, naar wiens plannen na zijn dood in 1630 werd voortgewerkt.

Onder de regeering van Christina en van de Karels haalde men de motieven der kunst liefst uit haar eigenlijk vaderland, uit Italië. Nicodemus Tessin Sr. schijnt echter ook in Nederland studiën te hebben gemaakt1), en zijn stiefzoon Abraham Winnantz - Svansköld, die onder Karel IX tot hofarchitect benoemd werd, was uit dat land afkomstig.

De beeldhouwkunst, die den Zweden meest tot decoratieve doeleinden diende, had eveneens uit de Nederlanden vertegenwoordigers. Over de decorateurs Ver Wilt en W. Boij is reeds gesproken. De laatste ontwierp bijv. de graftombe van Gustaaf Wasa in Upsala en die van prinses Elisabeth

[p. 38]

te Strengnäs. Aan Lucas van der Werdt heeft Zweden de monumenten van Magnus Ladulås en Carl Knutsson in de kerk op Riddarholm te danken. En Aris Claeszoon van Haarlem, die met Caspar Panten voor de werkzaamheden aan het Stockholmer slot naar Zweden was gekomen, maakte het grafmonument van G. Banér en diens vrouw in den dom van Upsala.

Reeds gedurende de 16de eeuw en waarschijnlijk ook vroeger reeds werden in de Nederlanden beeldhouwwerken op bestelling voor Zweden uitgevoerd. In 1674 werd te Antwerpen voor de domkerk te Upsala de graftombe van den veldmaarschalk Dohna door (Pieter?) Verbrugghen vervaardigd. Als krijgsbuit kwamen onder andere kunstwerken verscheidene beeldhouwwerken naar Zweden, waaronder vooral mogen worden genoemd de beelden van twee fonteinen, in het begin der eeuw vervaardigd door Adr. de Vries uit Den Haag, een knappen leerling van den geromaniseerden Vlaming Giov. da Bologna. Het meerendeel van deze beelden werd op Drottningholm geplaatst. Aan de beeldversiering in dat schoone slot van Hedvig Eleonora arbeidde, benevens andere vreemdelingen, de Nederlander Nic. Millich, die zich herhaaldelijk in Zweden ophield. Tezamen met Hendr. Cletcher, die Nederlandsch gezantschapssecretaris in Stockholm was geweest, en David Klöker (Ehrenstrahl) kreeg Millich in 1673 het uitsluitend recht tot exploitatie van alle marmergroeven in het rijk.

In de schilderkunst hadden de Nederlanders reeds vroeg eene hooge ontwikkeling bereikt, en de renaissance die gesignaleerd wordt door de Van Eycks en hunne volgelingen, kan zich volkomen met de gelijktijdige Italiaansche meten. Tot Italië, evenals tot andere Romaansche landen, strekte de invloed van deze Nederlandsche school zich ook wel uit, maar toch nog meer tot Duitschland. Ook in Skandinavië deed zij zich gelden, deels middellijk, deels onmiddellijk. Zij was

[p. 39]

bijv. merkbaar in eene heele serie altaarstukken uit het laatst der middeleeuwen. Deze waren voor een deel in de Nederlanden vervaardigd, zooals de fraaie triptiek te Strengnäs in Brussel. Maar in andere gevallen schijnen inlandsche kunstenaars gearbeid te hebben onder den invloed der Vlaamsche schilderkunst.

Vlaanderen stond op het gebied der schilderkunst, en van vele andere dingen, het hoogste van alle Nederlandsche gewesten gedurende de middeleeuwen en in de 16de eeuw. Evenwel werden toen ook uit Utrecht en andere plaatsen der Noordelijke provincies kunstwerken en kunstenaars naar het Noorden ontboden. Van den bovengenoemden Jan van Scorel, een der voornaamste schilders uit de 16de eeuw, ontving Gustaaf Wasa eene madonna, voor welke hij hem kostbare geschenken als belooning deed toekomen. Erik XIV gebruikte als portretschilders o.a. de decorateurs Ver Wilt en W. Boij. Als glasschilder wordt in het laatst der 16de eeuw genoemd Th. Prowost, en als decoratieschilders die triomfbogen en dergelijke werken uitvoerden, J.B. van Uther en Lambrecht Aertsen (Rycx); de laatste werd ook belast met de versiering van het slot te Svartsjö.

Reeds onder Gustaaf Wasa werden Zweden naar de Nederlanden gezonden om de schilderkunst te bestudeeren1). Behalve van Ottomar Elliger, een leerling van D. Seghers, die waarschijnlijk in Zweden niet veel heeft voortgebracht, wordt in de 17de eeuw gesproken over Koort Witholt, een leerling van Ph. Wouwerman te Haarlem, en Georg Waldau, die eerst in de leer ging bij Joach. v. Sandraert te Amsterdam, en later door den Zweedschen commissaris Appelboom aan den beroemden Jordaens te Antwerpen werd aanbevolen. Er zijn

[p. 40]

echter maar geringe sporen van het werk van deze Zweden overgebleven; meer daarentegen van verschillende naar Zweden geroepen Nederlandsche schilders.

De eigenlijke Hollandsche schilderschool stond in dien tijd niet zoo hoog in de gunst der voorname wereld als de Vlaamsche. De ‘grove’ stukken der Nederlandsche boerenschilders leken weinig geschikt tot pronk, en men had zelfs voor de fijne Hollandsche kabinetstukjes geen gevoel. Koningin Christina moedigde weliswaar D. Teniers Jr. en N. de Helt-Stockade, een aanzienlijk schilder uit Amsterdam, aan, maar de negen Hollandsche schilderijen, die zij van den resident Spieringk-Silfuercroen gekregen had - waarschijnlijk stukken van den thans zoo hooggewaardeerden Ger. Dou -, zond zij aan den gever terug. Wel had zij van 1647-1651 als portretschilder1) een Hollander David Beek uit Delft die ook haar eerste kamerdienaar werd, en aan wien men geloofde dat zij bijzonder gehecht was, maar hij hoorde tot de Vlaamsche richting en was een leerling geweest van Van Dijck. Tot de Italiaansche school weer behoorde de zooeven genoemde Joach. v. Sandraert, in Duitschland uit Nederlandsche ouders geboren, een schilder zoowel met het penseel als met de pen. Door hem liet Karel Gustaaf zich uitschilderen, en ook heeft hij het bekende groote tafereel ter herinnering aan den ‘Zweedschen vredesmaaltijd’ in Neurenberg geschilderd. Genoemde koning moet ook eene serie schilderstukken, het lijden van Christus voorstellende, bij den Vlaming Jordaens besteld hebben. Zijne gemalin liet haar portret maken door den bekwamen Nederlander Terborgh. Een ander Nederlander, Govert Camphuysen, die landschappen, dier- en genrestukken schilderde, woonde

[p. 41]

van 1655-1663 in Zweden; zijne schilderijen, waarvan er nog eenige in Zweedsche galerijen te zien zijn, geven - volgens C.G. Tessin - blijk van den invloed der Zweedsche natuur. Verder kwam gedurende die eeuw door de families De Geer, Grill en door enkele Zweedsche edelen, eene menigte stukken van Vlaamsche en Hollandsche meesters naar Zweden; die stukken vormen nog het kostbaarste gedeelte van de Zweedsche collecties, en buitenlandsche kunstkenners verwonderen zich over hun groot aantal.

De Zweedsche schilderkunst die door Ehrenstrahl tot bloei kwam, was geen loot van de Hollandsche. Eerder kan er sprake zijn van invloed der Vlaamsche kunst. Toch had Ehrenstrahl na 1648 zelf eenigen tijd in Amsterdam gestudeerd, en men heeft gemeend in zijne oudste portretten, bijv. in dat van Stiernhielm, Hollandsche trekken te herkennen. Later kreeg het Italiaansche manierisme de overhand.

Intusschen werd er werkelijk, naast de school van Ehrenstrahl en zijn neef Van Krafft, eene zwakke Hollandsche richting in de Zweedsche schilderkunst aangetroffen. Deze had haar ontstaan te danken aan Martin Isaacson Mijtens, die uit eene bekende Haagsche schildersfamilie gesproten, zich in 1677 te Stockholm vestigde. Zelfs hij helde echter zoo langzamerhand eenigszins over tot de heerschende neiging voor het pompeuze. Zijn zoon en leerling, die zich Van Meytens noemde, vestigde zich, na in Nederland en Engeland te hebben gestudeerd, te Weenen waar hij directeur werd van de Schildersacademie1). Een andere leerling van hem was

[p. 42]

zijn bloedverwant George des Marées, die zich eveneens, na zijne studiën in Nederland en elders, in Duitschland vestigde. Meer aan zijn vaderland en zijn leeraar getrouw bleef daarentegen Lucas van Breda, die in Stockholm uit eene Brabantsche familie was geboren. Met M.I. Mijtens deed hij in 1696 eene kunstreis en werkte vervolgens te Stockholm als portreten historieschilder; na 1718 hield hij zich echter voornamelijk bezig met industrieele ondernemingen, zijdeweverij en ververij. L.v. Breda heeft aan Zweden een geslacht van uitstekende kunstenaars en kunstverzamelaars geschonken; van den Nederlandschen oorsprong is echter in hunne kunst nauwelijks meer het geringste spoor te bespeuren.

Ook voor de graveerkunst, die, evenals de boekdrukkunst, in de Nederlanden reeds vroeg op een hoogen trap van bloei stond, kreeg Zweden uit Nederland zoowel modellen als kunstenaars. Daar werden ook reeds in de 16de eeuw op bestelling uit Zweden kopergravures vervaardigd, zooals eene voorstelling van het Stockholmer bloedbad, en meer nog in de 17de eeuw, gelijk zoowel historische werken, bijv. dat van Puffendorf, als losse platen b.v. over den slag bij Lund bewijzen. De meest bekende uit Nederland naar Zweden geroepen kopergraveurs waren Willem Swidde en Jan van den Aveelen, beide aangesteld om voor ‘Svecia antiqua et hodierna’ te werken. De laatstgenoemde, die een hoogen leeftijd bereikte, leidde vele Zweedsche leerlingen op.

Ook de ontwikkeling van nog eene andere kunst danken de Zweden aan de Nederlanden - maar meer aan de zuidelijke dan aan de noordelijke gewesten - t.w. die van de tapijtweverij.

De beroemde Vlaamsche weefkunst kwam al vroeg naar Denemarken en was reeds bij het begin der 16de eeuw op

[p. 43]

het Skandinavische schiereiland bekend. Voor Gustaaf Wasa moest Jan v. Scorel ook behangselwevers ontbieden. Voor de weverijen, die op Gripsholm, in Kalmar en in Stockholm werden opgericht, waren de Nederlanders van de grootste beteekenis; de bekendste namen onder hen zijn Dan. van Santhro, Gilius van Lönen benevens de ‘goudwever’ J. van der Heijden, welke laatste tot in de 17de eeuw leefde. De kartons van de door hen en anderen uitgevoerde weefsels werden eveneens door Nederlandsche kunstenaars ontworpen, bijv. door Dom. Ver Wilt. Als vervaardiger van weeftoestellen wordt zekere Per Hollendare genoemd. Het weefgaren liet men uit Nederland komen. Karel IX zocht anders de Zweedsche garenfabricatie aan te moedigen. Hij stelde het grootste belang in de Zweedsche weverijen en richtte eene nieuwe op te Eskilstuna. Zweden werden naar de Nederlanden gezonden om de weefkunst te bestudeeren. De inlandsche Zweedsche weverij raakte echter in de 17de eeuw gaandeweg aan het kwijnen.

Van de rijkdommen aan Vlaamsche tapisserieën in de Zweedsche kasteelen spreken nog de schoone overblijfselen van vele serieën van wandtapijten, deels van godsdienstigen, deels van allegorischen aard, of wel tafereelen uit de sagenwereld voorstellend. Voor de bruiloft van Gustaaf Adolf werd te Delft bij Fr. Aerts Spierinck eene groote tapijtenreeks geweven1). Ook andere behangseltapijten werden door

[p. 44]

genoemden koning in Nederland besteld. Van de kroningstapijten voor koningin Christina werden verscheidene in Delft door v.d. Gucht vervaardigd. Voor de serie ‘De maanden en de elementen’ ontwierp de schilder Jan v.d. Hoecke de schetsen. Volgens stukken van Rubens en andere Vlaamsche schilders werd in België, vooral in Brussel, eene menigte behangsels voor Zweedsche rekening vervaardigd; onder anderen nog voor de inrichting van het nieuwe koninklijke slot gedurende den ‘Zweedschen vrijheidstijd’. Evenwel begonnen de Fransche gobelins ook in Zweden de Nederlandsche weefsels te verdringen, totdat tegen het einde der 18de eeuw tapijtbehangsels niet langer in de mode waren.

Het is dus op menig gebied, dat de Nederlandsche en de Zweedsche beschaving gedurende de 17de eeuw met elkaar in verband staan, de eerste meest als de gevende, de laatste als de ontvangende. Nog hebben we een der gewichtigste dier terreinen niet besproken: het gebied der letteren. Er rest ons nog na te gaan, in welke mate Nederland invloed op Zweden heeft geoefend in de vakken van studie en wetenschap en in de fraaie letteren. Het onderzoek daarnaar zal het hoofdbestanddeel zijn van deze schildering der betrekkingen tusschen Zweden en de Nederlanden gedurende de 17de eeuw.

Aanteekeningen.

I (zie blz. 16). In het Zweedsche Rijks-archief beslaan de op het gezantschap van Preis betrekking hebbende documenten eene groote plaats. - Uit de rapporten van C.C. Rumpf en H.W. Rumpf, welke in het Rijks-archief in Den Haag bewaard worden, heb ik enkele uittreksels medegedeeld in een opstel ‘Bidrag till svenska dramatikens historia från utländska källor’, in het tijdschrift ‘Samlaren’ jaargang 1900 opgenomen. H.W. Rumpf en Charles Rumpf werden benoemd tot ‘envoyés’ aan het Zweedsche hof.

 

II (zie blz. 20). Emil Wolff heeft in eene verhandeling over ‘Göteborgs formyndareordning af den 10 Dec. 1640 och dess källa’ (Göteborg 1899)

[p. 45]

aangetoond, dat deze verordening, de eerste van hare soort in Zweden, bestaat uit eene op de plaatselijke toestanden ingerichte bewerking van de Amsterdamsche ‘Ordonnantie van de Weeskamer’ van den 27sten Januari 1563.

 

III (zie blz. 23). De archivaris Th. Westrin heeft mij omtrent Abraham Cabeliau zeer belangrijke mededeelingen verschaft, uit welke ik mij tot het volgende moet beperken:

Sedert 1604 beraadslaagden Zweedsche afgezanten met A.C. omtrent den opbouw van Göteborg en over de beraamde ‘Perzische compagnie’, wier directeur-generaal hij in 1607 werd, en in welke ook Paridon van Hoorn veel geld stak. Tot eenige ontwikkeling schijnt zij echter niet te zijn gekomen. C. verstrekte vaak geld aan den Zweedschen staat, zijne gezanten en zijn krijgsvolk. Gedurende den oorlog met Denemarken trad hij handelend op, verschafte en onderhield manschappen en rustte in 1612 verscheidene schepen uit, over welke hij zelf (in plaats van Mönnickhouven) het bevel kreeg. In 1615 was hij directeur geworden van de kopercompagnie, maar vertoefde de volgende jaren in Nederland. In 1621 keerde hij naar Zweden terug en werd in 1630 directeur-generaal van de compagnie voor scheepsbouw, in wier dienst ook zijn zoon Johan werd aangesteld. Hij mocht verschillende koninklijke gunstbewijzen ontvangen, kreeg eerst Lilla Edet bij Göteborg, later de landgoederen Ballesta en Eneby. Maar bij zijn dood hadden zijne erfgenamen nochtans eene som van meer dan 100000 zilveren daalders van den Zweedschen staat te vorderen.

 

IV (zie blz. 27, noot 1). Olof Wittman nam (zooals de archivaris Th. Westrin mij aangetoond heeft) als hofmeester van A. van der Burg deel aan eene zending van de compagnie naar Japan 1651-1652, en gaf daarvan en van het land eene beschrijving in twee belangwekkende verhalen, die in 1673-1674 te Wisingsborg gedrukt zijn.

 

V (zie blz. 42). Uit een in bewerking zijnd geschrift over David von Krafft door dr. August Hahr ben ik door 's schrijvers goedheid in de gelegenheid gesteld nog te wijzen op een paar Hollandsche schilders, die eenigen tijd werkzaam zijn geweest in Zweden, b.v. Henrik Münnichhofen, die tusschen 1648 en 1664 meerendeels in Zweden verblijf hield, òf bij M.G. de la Gardie, òf in koninklijken dienst; Juriaen Ovens, die in Sleeswijk geboren was, maar een leerling van Rembrandt is geweest in Amsterdam, van wien groote schilderijen, vervaardigd voor Karel X en diens gemalin. Over hem meer in het zevende hoofdstuk. Iets later vertoefden gedurende korten tijd in Zweden Toussaint Gelton en Abraham Wuchters die beiden later in Deenschen dienst traden.