Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde


auteur: Jeronimo de Vries


bron: Jeronimo de Vries, Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde. Twee delen. Johannes Allart, Amsterdam 1810  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 95]origineel

Tweede afdeeling.
Opgave der dichters dezer eeuw.

Één voorbeeld is meer, dan duizend raadgevin-+gen; één stout voorganger, één schitterend vernuft is meer der Dichtkunst bevorderlijk, dan een honderdtal van de uitgewerktste vertoogen, waarin betoogd wordt, hoe de Dichtkunst 's menschen geest veradelt, tot de hoogste hemelkringen opvoert, ja, een goddelijke, geen menschelijke kunst mag genaamd worden. Zulk een voorbeeld nu was, in het begin der 17de Eeuw, (1)PIETER CORNELISZOON HOOFT.

Nadat zoo vele verdienstelijke Mannen, ook in onzen leeftijd, den lof van Hooft hebben ver-

[p. 96]origineel

meld, zou het overdadig schijnen, iets daarbij te willen voegen; hoe zouden ook wij een lauwerblad hechten aan dien nooit te verwelken krans, dien Hooft even regtmatig omtrent onze Taal- en Dichtkunde heeft verdiend, als Petrarcha den zijnen voor de Italiaansche Poëzij en het doen herleven der Letteren. (1)Hooft zeg ik, zonder d'allerminste titel, want ik en kan geen bijwoorden ter wereld vinden, die mij niet en schijnen of in dien naam besloten te wezen, of die niet oneindig minder en zijn, als die naam is;

Hooft, zeg ik, wien ik vereer als:

(2)Dat Doorluchtig Hooft der Hollandsche Poëten,

als: (3)den keurigsten Opbouwer der Duitsche Taele, den Hooftdichter des Vaderlands, een wonder van Geleerdheid, den Vorst der Nederlandsche Vernuften, de opgaande Zon der Hollandsche Letterwijsheid, wien nog jongeling de oude Wijsheid ten pen uitvloeide, en grijze hersenen in het hooft droeg, die onze verbasterde tael gezuivert heeft, en het cieraet der Onlatijnsche, de triumpheerster over alle de Barbarische

[p. 97]origineel

talen heeft doen worden, die de palen der Hollandsche tael uitgebreid heeft, zo ver als de dag strekt. - Dan, mijne Heeren! verlaten wij den weelderigen Brandt, en volgen wij liever den meer bezadigden schrijftrant van eenen Huijzinga Bakker, als hij zegt: (1)Hooft, reeds in zijne vroege jeugd een Lid van de vermaerde Kamer in Liefde Bloeijende geweest zijnde, reisde in den jaere 1598, nog maer agtien jaeren oud, naer Frankrijk en Italie. 't Gene hij voor dien tijd gerijmd hadt, was plat en zenuwloos. Leest men nu den Brief, welken hij uit Florence, in 1601, aen zijne Amsterdamsche Kunstbroederen schreef, dan moet men zig verwonderen over de verbeteringe in den zwier, trant en stijl deezer versen, en vraegen, van waer toch heeft de jonge Hooft die bekwaemheid, en zulke eene vordering, in een vreemd gewest, zoo ras gehaeld? Waer dat nodig iet geleerd, welk hem en zijne konstgenooten tot heden ontbroken hadt? 't Antwoord is gereed: In Italië heeft hij 't geleerd; van daer heeft hij 't te huis gebragt. Te weeten: Hooft, een jongeling zijnde van veel verstand, van een ongemeen vernuft, opgevoed in de beschaevende taelen en wetenschappen, van nature een Dichter, en heet naer kennis, verkeerde met de schranderste geesten van dien tijd te Florence en elders; las en sprak de zoetvloeiende Dichters

[p. 98]origineel

van Italie in hunne eigene spraeke: vondt bij deezen dat zagte, dat tedere, dat zangrijke, in de Poëzije, welke hem in Ovidius behaegd hadt, maer dat hij als nog in zijne Vaderlandsche taele niet hadt weeten naer te volgen. Hij wordt verrukt, ontmoetende die bevallige melodij in de gedichten eener levende spraeke. Hij ziet het den Italiaen af: past het toe op zijn Nederduitsch. - Toen ontdekt hij de Cadans, het hooge en laege der lettergreepen, kunstig bij een geplaetst: voorts de maet, de rust, de snede, den trant, den dans en de muzijk in zijne vaderlandsche versen, en keert met deeze kundigheden naer huis. Alhier deelt hij zijnen kunstbroederen zijne ontdekking, opmerking en gedagten mede: hij schrijft Zangen en Minnedichten naer den trant en aertigheden der Italiaenen.’ En wat verder: (1)‘Die muzijk en melodij der versen, dat verhevene en bevallige, en te gelijk die kragt van zeggen, waervan Hooft meester was, waren bij de ovrigen nog verre te zoeken. Het begin deezer Eeuwe dan, van 1601, toen Hooft uit Italie te huis kwam, tot 1650 of 1625, noem ik het tijdperk, waerin de Nederduitsche Versen hunne bevalligheid, en den tegenwoordigen trant en toon verkregen hebben. - De eer van den aenvang en voortgang deezer fraeiheden geef ik, en met reden meen ik, den Heere Hooft alleen.’ Inderdaad, deze getuigenis is naar waarheid. Hooft, uit

[p. 99]origineel

een aanzienlijk geslacht, en van een braven en kundigen Vader afkomstig, gevoelde van jongs af eene sterke neiging tot de Dichtkunst. Hij had van de natuur eenen helderen en vluggen geest. Dezen gelukkigen aanleg beschaafde hij door zijne waarnemingen in andere landen. Daar was het, dat hij zich eigen maakte die musicale zachtheid en gehoorigheid, welke aan hem en aan zijne tijdgenooten die ruwheid en stooterigheid ontnam, welke de Werken van Coornhert, Spieghel en anderen ontsieren. Met de ware verhevenheid van denkbeelden en 't gevoel voor het schoone had hij zich reeds te voren bekend gemaakt aan Hollands Hoogeschool; den goeden smaak had hij te voren reeds gezogen uit de Grieksche en Latijnsche bloemen. Deze Schrijvers bleven zijne geliefdste metgezellen. Men slaat in der daad als versteld, wanneer men ziet, hoe dezelfde Hooft kracht, merg en stoutheid vereenigt met al wat bevallig, liefelijk, zacht en zoetvloeijend mag genoemd worden. Kort in een gedrongen, vol kern en pit, mannelijk is zijn proza, ook somwijlen zijn rijm; echter rollen zijne Gedichten meestal zoo vol melodij, zoo lieftallig, dat men niets geestiger, niets natuurlijker, niets liefelijker kan verlangen.

 
(1)Haasjen op het rennen stelde
 
Beid' haar' loopertjens; zoo gauw,
[p. 100]origineel
 
Dat ze met haar' zoolen nauw
 
Kreukte 't kruidtje van den velde,
 
Dat gelaên was met den dauw.
 
Denkt oft 't binnenst haerder ziele
 
Was van vrees in zwaare smart.
 
Geeraardt was haar op haar' hiele'.
 
Welhem lagh haar in haar hart.

Of wil men, onder zoo groot eene menigte aller-uitnemendste Gezangen, die ons hier belemmert, een ander voorbeeld:

 
(1)Klaare, wat heeft 'er u hartjen verlept,
 
Dat het verdrietjes in vroolijkheidt schept,
 
En t' aller tijd even beneepen, verdort,
 
Gelijk als een bloempjen, dat dauwetjen schort?
 
 
 
Krielt het van vrijers niet om uwe deur?
 
Moogh je niet gaan niet te kust' en te keur?
 
En doeje niet branden, en blaaken, en braên,
 
Al, waar 't u op lust een lonkjen te slaan?
 
 
 
Anders en speelt 'er 't windetjen niet
 
Op elzetakken, en leuterigh riet,
 
Als: lustighjes, lustighjes. Lustighjes gaat
 
Het watertjen, daar 't tegen 't walletjen slaat.
 
 
 
Ziet d'openhartige bloemetjens staen,
 
Die u tot alle blijgeestigheidt raên.
 
Zelf 't zonnetjen wenscht' u wel beter te moê;
 
En werpt u een lieffelijk oogelijn toe.
[p. 101]origineel
 
Maar zoo ze kunnen, door al hun vermaan,
 
Niet steeken met vreughd uw' zinnetjens aan,
 
Ik leg u te maaken aan 't schreijen de bron,
 
De boomen, de bloemen, de zuivere zon.

Welk eene zachte, gemakkelijke en liefelijke Versificatie, welk een onderscheid bij de stootende en harde Verzen zijner voorgangeren! ‘Bij Hooft’ zegt zeker (1)Schrijver te regt, ‘eindigt onze gebrekkelijke Versmaekkunde, en van hem begint derzelver beschaevinge. Hooft staet dus in het midden; hij keerde der ruwheid de rugge, en boodt de waere schoonheid en bevalligheid onzer Nederduitsche Poëzije zijne hand, en veel vermogende hulp.’

In den jare 1581, waarin wij gezien hebben, dat zoo vele aanzienlijke Mannen, de Amsterdamsche Kamer in liefde bloeijende, versierden, was Hooft geboren; negentien jaren oud zijnde, was hij reeds lid van dit gezelschap. Men moet, naar mijne gedachten, in het beoordeelen der Rederijkers groot onderscheid maken tusschen de zoo even genoemde Kamer, en de overige, in dezen tijd bloeijende. De eerste alleen was, om met (2)Brandt te spreken, een vrugtbaare enthof van schrandere geesten, een vermaard oefenschool van taal- en dichtkunst; zij hield geene of zeer geringe gemeenschap met de laatste, (3)wier ongeregeldheden, in den jare

[p. 102]origineel

1595 en 1596, door de Staten van Holland moesten bedwongen worden. Dat zij zich van de overige Kamers eenigzins afzonderde, kan daaruit blijken, dat zij bij die talrijke en plegtige zamenkomst van zoo vele Kamers in het naburig Haarlem, de aanzienlijkste die in Holland voorviel (1606), niet tegenwoordig was. Deze vermaarde bijeenkomst is omstandig beschreven in het (1)Constthoonend Juweel, zijnde eene verzameling van Spelen van Zinnen, Intreden, Refereinen, Balladen, Blazoenen, en wat bij die gelegenheid meer te borde kwam. Dit zoogenaamde Juweel ligt voor ons, en nevens hetzelve is de Granida van Hooft, omtrent dezen zelfden tijd vervaardigd, opengeslagen. Welk een onderscheid! Men behoeft inderdaad hier geen geoefend Kenner te zijn, om tusschen het valsche en echte Juweel te kiezen. Verwerpen wij dan het eerste, en beschouwen wij met verwondering het laatste, een Treurspel, dat, volgens getuigenis van den kundigen (2)Siegenbeek, op bevalligheid van uitdrukking en schildering, op welluidendheid

[p. 103]origineel

en zoetvloeijendheid van Verzen roemen kan. De Dichters hadden tot dus verre zich weinig toegelegd, om door kunstige en natuurlijke vergelijkingen hunne Gedichten leven en zwier bij te zetten. Hooft ging hen ook hierin voor; men leze b.v. in hetzelve de volgende:

 
(1)Wanneer als d'aarde van des ruwen winters plaagen
 
En zijn ontijdigh koudt omhelzen wordt ontslaagen,
 
Gevoelt zij in haar hart oprekenen de schier
 
Heel uitgedoofde kracht van haar begraven vier;
 
Doordien de zoete Lente in haar' verliefde weeken
 
Haar streelt, en ondergaat met minnelijker treeken,
 
Wanneer dat die vernieuwt den oudts - bekenden brandt;
 
Een leefbre ritseling doorkruipt haar 't ingewandt.
 
Alzoo gevoel ik, enz.

Hoe wel gekozen, hoe natuurlijk, hoe schilderachtig is hier bijna ieder woord! Meerdere proeven zoude ik uit dit Treurspel kunnen bijbrengen, en alsdan zoude ik den (2)Aanvang, en de uitnemende Alleenspraak, beginnende:

[p. 104]origineel
 
(1)Vaart schepters wel, vaartwel, vaartwel verheven tronen, enz.

niet vergeten, maar ik wil liever nog iets uit den Geraardt van Velzen bijbrengen. Uitnemend is bij voorbeeld al aanstonds de alleenspraak, waarmede Machteld van Velzen hetzelve begint. Hoe zacht, dieptreurig, gevoelig en verstandig, is daarin het volgende!

 
(2)Doch, is de doodt, de doodt, een van de zwaarste vloeken,
 
Te waard een gast, om mij verfoeide te bezoeken?
 
Zo zijt ghij welkoom mij in mijnen bangen noodt,
 
O zorghzachtende slaap, ghij naamaagh van de doodt,
 
Die stillen kunt alleen het knaagen van mijn smarten,
 
Die u ontsarmen laat der afgepijnde harten,
 
En noodight 't matte lijf, en afgetreurt gemoedt
 
Nu tot den vollen kroes van het vergeetelzoet.
 
Och oft de togen zoo mijn harssenen bevingen,
 
Dat 's lighaams rust den geest beschutte voor 't bespringen
 
Der beelden ijsselijk, voetstappen diep geplant,
 
Van 's daaghs verloopen' angst, in 't weekelijk verstandt!
[p. 105]origineel

Is het begin van dit Treurspel fraai, veel schooner is nog het slot, de (1)Aanspraak van de Vecht, waarvan de vermaarde Broekhuizen getuigt, dat ‘(2)de Hollandsche Poëzij, zijns oordeels, niets diergelijks aan den dag heeft gebragt, nochte in verhevenheid van gedachten, nochte in deftige zwier van sterk gezenuwde Verzen.’ Zal ik nu nog den Rei uit het vierde bedrijf aanheffen:

 
(3)Den openbaren Dwingelandt
 
Met moed te bieden wederstandt,
 
En op de harssenpan te treeden;
 
Om met het storten van zijn bloedt
 
Den Vaderlande 't waarste goedt
 
De gulde Vrijheid te bereeden, enz.

Neen, liever melde ik u, hoe Hooft omtrent dien zelfden tijd, waarop hij het zoo evengemelde Treurspel uitgaf, eene Klucht Warenar (gevolgd naar de Aulularia van Plautus) in het licht bragt, en vier jaren daarna (1617) den (4)Baeto, hetwelk hij voor het beschaafdste en vol-

[p. 106]origineel

komenste zijner Tooneelspelen hield. Twijfelt gij aan het oordeel van Hooft, zoo ziet Baeto vlugten met de zijnen:

 
(1)Hier
 
Voeteert de Vrouw van kinde groot.
 
Deez' draaght den zuigling in haar schoot,
 
En tsiddert, duchtend' even zeer
 
Voor man, voor kindt, voor lijf, voor eer,
 
Waar dat zij hoort den minsten schreeuw.
 
Hier gaat de naegelate Weeuw
 
Zo kinderrijk, als zonder kindt:
 
En elk zijn' staat bekommerst vindt.
 
Hier gaat de rijpe maaght verlooft;
 
Die minnewalmt den boezem stooft:
 
En treedt voor haren bruigom uit,
 
In plaats van ingehaalde bruidt.
 
Hier gaat de deirne vol van vrees,
 
Der wereldt onverzocht: de wees
 
Onmondigh, voor zijn' vooghden heen.
 
Hier strekt de stok het derde been
 
Den ouden man, die niet als slaaf
 
Gezind te vaaren is te graaf. enz.

Waarom kan ik het geheel u niet mededeelen? Vergelijkt dezen dichttrant bij dien van Coornhert, Spieghel en Visscher, en ziet wat reuzenstappen Hooft gedaan heeft.

[p. 107]origineel

Zijn zijne Treurspelen krachtig, menschkundig en schilderend, niet minderen lof verdienen zijne Minnedichtjes, waarvan ik reeds een paar tot proeven heb bijgebragt. Keur van zachtvloeijende woordjes, liefelijkheid en bevalligheid blinken allerwegen. Hooft kneedt de taal tot allerlei buigzaamheid en minzaamheid.

Onder de uitnemendste Gedichten van Hooft behoort ook (1)de Klagte der Prinsesse van Oranjen over 't Oorlogh voor 's Hartogenbosch. Wij bevelen het den onderzoeklievende aan, en spoeden ons ten besluite met te vermelden, hoe ook Hooft in het moeijelijk Werk der Bijschriften lof verdient. Tot een voorbeeld strekke dat op den grijzen Vossius:

 
(2)Een' inborst, blanker noch van deught,
 
Dan 't hooft van vlokken, die 't besneeuwen,
 
Draaght Vossius. ô Griek, wat meught
 
Ghij van uw Nestors kennis schreeuwen?
 
Heughd' hem van drie: den onzen heught
 
Van meer dan een half hondert Eeuwen.

Om ook met Brandt weder (3)de handt van dit tafereel, of deeze schets, zoodanig als ze is, af te trekken, betuigen wij: de Poëzij van Hooft is tot dat punt van lof opgeklommen, dat haar lof door geen laster vermindert, noch door geen lof vermeerdert kan worden. Niemandt aanschouw

[p. 108]origineel

dan des Drossaards Vaerzen met oneerbiedige oogen.

 

+Daar de meeste Gedichten van (1)JACOB CATS na die van Hooft zijn vervaardigd, hebben wij gemeend, eerst van den laatsten, schoon in orde van geboorte later dan de eerste, te moeten spreken. Hooft dichtte bijna geheel alleen in zijne jeugd; Cats veelal in zijnen ouderdom. Cats, schoon in stouten stijl, bondigheid, zenuwkracht en hoogdravendheid voor Hooft verre moetende wijken, heeft weder zijne eigene en inderdaad groote verdiensten. Geen onzer Dichteren is zoo miskend, als Cats. ‘Zo iemand, schreef de schrandere (2)van Effen in den jare 1732, met lof van 's mans werken durft spreken, men ziet hem, als of hij uit de andere wereld kwam, en het hem in de herssenen scheelde. - Bij de meesten onzer Rijmers is er zo weinig onderscheid tusschen Cats en Jan van Gijsen, dat het bijkans de moeite niet waard is daarvan te spreken.’ Waar zulk een dwaas oordeel aan

[p. 109]origineel

te wijten geweest zij, is niet moeijelijk na te gaan; aan de waanwijsheid der zoogenaamde Vernuften dier tijden, die, ongedachtig aan het zeggen van Horatius:

(1)Ubi plura nitent in carmine, non ego paucis
Offendar maculis,

zich stoorden aan ik en weet niet wat kleine gebreken, de deugden over het hoofd zagen, en niets fraai noemden, dat niet, als sommige plaatsen van den ouden Vondel en vele van den jongen Antonides, luid en schel klonk.

Cats was een man van groote belezenheid en diepe kennis, niet alleen der Grieksche en Latijnsche, maar ook der levende talen. Hij was niet ontbloot van vernuft, had een helder verstand, een scherp oordeel, en grondige kennis van 't menschelijke hart, waarin hem geen Schrijver overtreft. Zuiverheld, zoetvloeijendheid, gemakkelijkheid, schildering, sierlijke wending en velerlei natuurlijke bekoorlijkheden schitteren in zijne Gedichten. De Dichtkunst was voor hem, met de grootste waardigheden bekleed, eene verlustigende uitspanning. Zijne Dichtwerken zijn menigvuldig. Het is waar, het hoogdravende, stoute en verhevene, dat in de Werken van Hooft en Vondel

[p. 110]origineel

heerscht, is dun gezaaid in zijne Schriften; echter zij, die Cats goed gelezen hebben, en die zijn inderdaad niet zeer menigvuldig, zullen op vele plaatsen sporen van een stout vernuft ontmoeten. Cats kon zich tot eenen vurigen toon stemmen, gelijk onder andere uit deze eenvoudige aansporing van Neêrlands Zeevolk blijkbaar is:

 
(1)Zeehelden, wacker volck, peck-broeken, rappe-gasten,
 
Op, rukt nu wederom de vlaggen van de masten;
 
Gaet, jaegt eens op een nieuw den Spanjaert over boort,
 
En haelt eens wederom dat ghij ter Zee verloort.
 
't Is lang genoegh gegeeuwt, 't is al te lang geslapen!
 
Komt word' eens dat je waert, en als je zijt geschapen! -
 
De Leeuw vegt met de klaeuw, de Stier gebruickt den horen,
 
Het Peert slaat met den voet, een Haen met felle sporen;
 
De Zee is uw geweer, gebruickt daer uw gewelt.
 
Daer is geen twijfel aen; de Spanjaert moet gevelt.

Dan wij moeten Cats in zijnen meest gewonen

[p. 111]origineel

dichttrant leeren kennen, om zijne waarde met juistheid te bepalen, en duidelijk te zien, welk een schat in dezen Cats besloten is, om den mensch met goede en vermakelijke zedekunde te verrijken.

Om hem als naief Minnedichter te leeren kennen, behoeft men zijne Galatea slechts in te zien. Kan er iets naiever en eenvoudiger gedacht worden, dan de taal van Daphnis over zijne Karsseboompjens?

 
Dese worden nu geplant
 
In mijn alderbeste lant;
 
En, terwijl ick spit en delf,
 
Zegh ick sagjens bij mijn self:
 
‘Spaar die boompjen, kerssedief!
 
D'eerste vrucht is voor mijn lief.’

Het is bij zulk een overvloed van liefelijke Gedichtjes, welke bij Cats te vinden zijn, ten uiterste moeijelijk eene goede keuze te doen; laat het ons des geoorloofd zijn, onzen Daphnis te blijven volgen, daar hij zijne Galatea van de steedsche pracht en onrust tot de eenvoudige en kalme genoegens des landlevens poogt te lokken.

 
Wie sijn schaepjens 's avonds telt
 
Alsse komen uijt het velt,
 
En hij vint het vol getal,
 
Die en vraeght dan niet met al,
 
Wat eens Koopmans treurigh hooft
 
Van den soeten slaep berooft.
[p. 112]origineel
 
Hij en vreest niet, dat sijn schip
 
Mocht verseijlen op een klip;
 
Dat sijn waren hier ofdaer
 
Mochten komen in gevaer;
 
Dat een roover met gewelt,
 
Mochte nemen schip en gelt;
 
Dat sijn schipper is een dief;
 
Dat men sijnen wisselbrief
 
Mochte laeten onbetaelt.
 
Denckt! hoe een, die leijt en maelt
 
Op dees saken nacht en dagh,
 
Wijf en Kint vermaken magh.
 
Ik en houw niet van het goet,
 
Dat moet sweven metten vloet,
 
Dat moet komen over zee.
 
Ik ben liever bij het vee,
 
Bij den ploegh, en bij de biên;
 
Daer kan ick mijn rijkdom sien,
 
Daer speel ick een geestig liet
 
Op een mousel, of een riet;
 
Daer heb ick een stille siel,
 
Schoon de gantsche hemel viel.

En vervolgens:

 
Dan soo dees al niet te min
 
U mocht komen in den sin,
 
Somtijts eens de stadt te sien,
 
En al wat er magh geschiên,
 
Soo woud' ick mijn beste peert
[p. 113]origineel
 
Geestigh vlechten aen de steert,
 
En dan nemen eenigh kleet
 
Overlangh hiertoe gereet,
 
En soo lustigh van ter sij
 
U geen setten nevens mij.
 
Als je dan geseten waert,
 
Wel gesint en wel gepaert,
 
Reed ick eerst om onsen bou,
 
Eer ick elders rijden wou:
 
Daer soo wees ick metter hant
 
U de vruchten van het lant. -
 
En als 't peert dan op de baen
 
Eens wat harde mochte gaen,
 
Sou je mij, als tot u scherm,
 
Vaster grijpen in den erm,
 
Vaster hangen aen het lijf,
 
En dan zeggen: niet te slijf.
 
Maer soo aengenaemen hant,
 
En soo langh-gewensten bant,
 
Soo een knoop om mij geleijt,
 
Die mij soete dinghen seijt,
 
Sou mij soo bevalligh sijn,
 
Dat ick uijt een loosen schijn,
 
Ligt om onsen gantschen bou
 
Vrij wat harder reijden sou. -
 
Als ick dus geseten waer
 
Soo en gaf ick niet een haer
 
Om het gelt of om het goet,
[p. 114]origineel
 
Daer men soo om leijt en wroet;
 
Oock niet om een hoger staet,
 
Enckel nijt en enckel haet.
 
Wat heeft nu het Steeds gerij,
 
Wat heeft hier een wagen bij?
 
Wat een koets, vol enckel pracht,
 
Onlancks hier in 't lant gebracht,
 
Daer gheen joffer in en rijt,
 
Als om meer te zijn benijt,
 
Daer men eeuwigh sit en praet,
 
Wat er elders ommegaet,
 
En schier niet een woort en spreeckt,
 
Als dat iemants eere breeckt?
 
Ick en wilse niet benijen,
 
Die soo prachtigh henen rijen,
 
Schoon sij voeren menigh peert
 
Dicwijls hondert kroonen weert;
 
Want haer sorrigh is soo groot,
 
Datse weeght, gelijck het loot,
 
En tot soo een swaeren geest
 
Hoeft men ja soo menigh beest,
 
Overmits een kleijn gespan
 
Haer verdriet niet trecken kan.

Zoo eenvoudig sprekende zien wij den boer, en hij behaagt ons met zijnen ongekunstelden praat. Op spraakregelen gaf Cats niet veel acht; zijne taal is echter doorgaans zuiver.

In beelden en vergelijkingen is Cats meestal

[p. 115]origineel

oorspronkelijk, hierin geheel ongelijk aan dezulken, die, met eenen kleinen kring van beelden te vrede, zulke alleen verwerken, die zij uit vreemden of landgenooten hebben overgenomen; niet dat wij zulks geheel afkeuren, maar het heeft oneindig meerdere moeite en verdiensten, nieuwe voorwerpen ter vergelijking en toepassing op te sporen. De Ouden bevlijtigden zich hieromtrent zeer in hunne Zinnebeelden; dus b.v. zingt Cats in een derzelve:

 
(1)Als van twee gepaerde schelpen
 
D'eene breeckt of wel verliest,
 
Niemant sal u konnen helpen,
 
Hoe men soeckt, hoe nau men kiest,
 
Aen een, die met effen randen
 
Juijst op d'ander passen sou.
 
D'oudste zijn de beste panden,
 
Niet en gaet voor d'eerste trou. enz.

Of wil men eene andere proeve, men sla Cats Werken slechts open; overal heerscht eenvoudigheid en oorspronkelijkheid, b.v.

 
(2)Als de most, te nau bedwongen
 
Leijt en worstelt, leijt en sucht,
 
Sonder adem sonder lucht;
 
Siet! dan doet hij vreemde sprongen,
[p. 116]origineel
 
Siet! dan rieckt de gansche vloer
 
Nae de dampen van de moer:
 
Alle banden, alle duijgen,
 
Die het vrij, het edel nat
 
Hielden in het enge vat,
 
Moeten wijcken, moeten buijgen
 
Voor de krachten van den wijn;
 
Hoe geweldigh dat se sijn.
 
Als een Koningh vrije lieden
 
Op een ongewoonen voet,
 
Uijt een trotsen overmoet,
 
Al te vinnigh wil gebieden,
 
Daer en is geen twijffel aen,
 
Of het moet 'er qualick gaen. enz.

In zijne meer uitgebreide zedekundige Gedichten, waarin Cats zoo uitnemend is, geeft deze oorspronkelijkheid en rijkheid van beelden overal leven en schildering. Een enkel voorbeeld is uit vele honderden genoeg.

 
(1)Wel schijdt dan, weerde ziel, van dit ellendig leven,
 
Als sachtjens wechgelijdt, en niet als uijtgedreven.
 
Doet als een eerlijck man, die van de tafel gaet
 
Niet vol, maer sonder dorst, niet sat, edoch versaet.
[p. 117]origineel
 
En, op dat u de doodt reijsveerdigh moghte vinden,
 
Als God te sijner tijdt u leden sal ontbinden,
 
Soo lieft u leven niet, als op den eijgen voet,
 
Gelijck een kreupel mensch sijn houte krucken doet.
 
Wie swack van beenen is, bemint sijn houte krucken,
 
Ja draeght se met 'er handt, gelijck als weerde stucken.
 
Doch 't waer hem echter lief, indien 'er ijemant quam,
 
Die van hem sijn gebreck, en oock de krucken, nam.

Zijn zulke en dergelijke vergelijkingen niet nieuw en door hare eenvoudigheid treffend? Zijn zij niet juist berekend voor de bevatting van allen? Dat spreukrijke, dat eenvoudige, zelfs die herhalingen maken Cats tot den besten Zededichter. Waarheid verzelt overal zijne Gedichten, en eenvoudigheid bezegelt dezelve.

Het is derhalve buiten tegenspraak, dat Cats zijne bijzondere verdiensten heeft. Ik beken, zijne Gedichten heeft hij voor een ieder te verstaanbaar willen maken. Zij zijn hier en daar plat, vol van stopwoorden en herhalingen. Ook maakt de juiste snede altijd in het midden der verzen door een-

[p. 118]origineel

toonigheid dezelve op den duur vervelend. Wij geven dit toe, gelijk ieder onpartijdig beoordeelaar zulks moet toegeven. Maar zijn ze niet levendig en natuurlijk? Zijn ze niet verstandig, niet der deugd bevorderlijk? En blijkt het niet, dat het doel van Cats zulks geweest is? Hij schikt zijn stijl, zijn dichttrant naar zijn onderwerp. Cats is niet hoogdravend, als Hooft en Vondel, en moet het ook niet zijn, omdat zijn doel, zijne stof niet dezelfde is: ‘Waar vindt men Schilders,’ zegt de geestige (1)Spectator, ‘die eene keukenmeid met fluweel bekleeden, of eene vischvrouw, met paerlen, diamanten en goudlaken opgepronkt, baars en carper doen schoonmaken? Is het derhalve niet oogschijnlijk, dat hoogdravendheid van Cats te vorderen, en stoffen als de zijne daartoe te willen verheffen, de dwaaste pedanterie is, die ooit beschimpt kan worden?’ Doch wij herhalen het, toegegeven, dat dit ook gebreken zijn, hebben deze hem niet doen worden de nuttigste en vermakelijkste Dichter, die ooit geleefd heeft? ‘Ik hoorde,’ zeide reeds voor bijna twee eeuwen een toen vermaard (2)Schrijver: ‘Ik hoorde onlanxs de boecken van den Heer Raadpensionaris Cats, de Bibel des Jeugts, noemen. Gewisselik zijnder honderden van jongelui, dewelke die schriften neerstiger doorneuzelen, dan zij de heilige blaren doen.’ En inderdaad, de eenvoudige,

[p. 119]origineel

godvreezende en deugdlievende eerbiedigt nog heden ten dage, in spijt der waanwijsheid van, zoo zij meenen, meer verlichte betweters, Cats als een heiligen Schrijver, en zijne Gedichten als godgewijde Werken, die hem vermaken en stichten tevens.

Ik weet wel, dat sommigen het onderwerp geheel en al van de beoordeeling der Dichtwerken afzonderen, en voorzeker kan men alle onderwerpen dichterlijk behandelen, maar het is daarom niet om het even, welke onderwerpen er behandeld worden.

Geen onpartijdige kan aan Cats den roem betwisten, van zeer vloeijend, bevallig, schilderachtig, levendig en menschkundig gedicht te hebben. Onder hoe vele bekleedselen weet hij zijne denkbeelden duidelijk te maken! Hoe rijk is hij in vinding en wending! Hoe kunstig bovenal in ééne zaak van vele kanten met geestig bewijs voor te dragen! Hoe leerzaam door voorbeelden, zoo verstaanbaar bijgebragt! Welk een schat bezat hij van geleerdheid en diepe kennis van 't menschelijk hart! Cats, vooral in den tijd, waarin hij leefde, beschouwd, heeft uitnemende verdiensten. Hij moge de gebreken van Ovidius hebben, hij heeft ook de verdiensten van dezen. Daarenboven de brave, de eerlijke man straalt door in alle zijne Gedichten. Ik wil met (1)van Effen toegeven, dat de eerlijke man van den Dichter moet onderscheiden worden; maar ook dit weet ik met de-

[p. 120]origineel

zen, dat niets den Dichter, en vooral den Zededichter, zoo krachtdadiglijk ondersteunt, als het geluk van den eerlijken man tot zijn onafscheidelijken gezel te hebben, en dat afbeeldingen der deugd, die uit het hart opwellen, vrij wat sterker en levendiger zijn, dan die genen, die maar uit de harsenen geparst worden.

+(1)LAURENS REAEL, de vriend van Hooft, Vondel en andere vermaarde Dichters, heeft ter dier tijd de Nederduitsche lier mede niet zonder roem en bevalligheid bespeeld. Een man van het grootste aanzien en geleerdheid, deed hij zijn Vaderland en der Dichtkunde de gewigtigste diensten. Hij was onder andere Ridder en Gouverneur-Generaal der Indiën, vanwaar hij onmetelijke schatten naar Holland telken jare afzond. Als Vice-Admiraal en Gezant is hij mede beroemd. Naderhand had hij te Amsterdam hoog gezag en veel invloed. Jan Vos noemt hem:

Een Febus op de lier, een Tijfus op de baren.

Zijne Gedichten, hoe weinig in getal, geven blijken van uitnemende begaafdheden. Hoe gemakkelijk is zijne Versificatie! Zie b.v. het Gedichtje Oorsprongh van de Kusjens:

 
(2)Aen een van Idaes beecken
 
Had sich Aeneas Soon
[p. 121]origineel
 
Eens heijmelijck versteecken,
 
Als kleene Minnegôon
 
Hem hadden doen vermoeijen
 
Door haer stoeijen.
 
 
 
Als Venus 't schoone knaepjen
 
Ontstelt sagh door 't gewoel,
 
Bevangen met een slaepjen
 
In lommers dicht en koel,
 
Leijse op viooltjens teder
 
Hem wat neder.
 
 
 
En om sijn sachte zijtjes
 
Een wolck sij henen schoot,
 
Van soo veel bloempjens blijtjens,
 
Van roosjes wit en root,
 
En bleef aen 't lieffelijck slapen
 
Sich vergapen.
 
 
 
Terstondt quam ingekroopen
 
In haer vermandt gemoedt.
 
En, eer sij 't wist, gesloopen
 
Adonis eerste gloedt;
 
Dies 't vijerigh hart ontrusten
 
D'ouwe lusten.
[p. 122]origineel
 
Hoe dick wou sij omvangen
 
Haer lieven neefjen teer,
 
En in haer armpjens prangen;
 
‘Dus plagh’ seijd sij ‘wel eer
 
Adonis uitgeleesen
 
Oock te wesen.’
 
 
 
Doch schreumende te steuren
 
Het soete sluijmrend wicht,
 
En uijt sijn slaep te scheuren,
 
Soo kuste sij wel dicht
 
De naestgelegen roosjens
 
Al met poosjens.
 
 
 
De roosjens die ontstaken,
 
Beginnende terstondt
 
Rondom haer blancke kaecken
 
Tot aen haer roode mondt
 
Veel kusjens in te aemen
 
Al te saemen.
 
 
 
Vrouw Venus gingh vergaren
 
Dees levendige blaên,
 
Die niet als kusjens waren
 
Als sijse raeckten aen,
 
En voer met dit gewemel
 
Soo ten Hemel.
 
 
 
Dees' schat had sij gekregen
 
Maer dees Godin was mildt,
[p. 123]origineel
 
En heefts' als in een regen
 
Weêr mildelijck gespilt,
 
En daer mee gaen bedouwen
 
Schoone vrouwen.
 
 
 
Dit is de soete waesem
 
Op lipjens lief gesprenght,
 
Met daeuw van geurigen aesem
 
In 't roode roodt gemenght,
 
Die minnaers veel kan geven,
 
Jae doet leeven.
 
 
 
Wilt dan soo schaers niet wesen,
 
Mijn waerde Rosemondt!
 
Met die gift uijtgelesen
 
Waer meê u lipjes rondt,
 
Soo mildelijck van hier boven,
 
Zijn bedooven.

Hoe geestig is hier gespeeld! Hoe gemakkelijk rolt hier alles! In het minnedicht schijnt hij bijzonder uitgemunt te hebben. Hij is overal zuiver, zachtvloeijend, natuurlijk, geestig en schilderachtig. Tot eene andere proeve kunnen deze regels dienen uit zijne Maeghdeklacht, waar eene Herderin, eenen rozenkrans voor haren Herder gevlochten hebbende, onder andere dus zingt:

 
(1)Moght ick nu mijn krans van roosen
 
Stellen op sijn lieflijck hooft,
[p. 124]origineel
 
Dan sou 't immers zijn gelooft,
 
Dat ick d'Herder heb verkoosen;
 
En of 't niemandt looven wou,
 
Met mijn mondt ick 't zeeglen sou.
 
 
 
Als mijn lief zijn vee gaet weijen
 
En hij op zijn rietjen fluijt,
 
Andre weijmans komen uijt;
 
Kan ick, laes! mijn lust niet peijen.
 
Doch, 't en waer uijt loutre schaemt,
 
k Seij wat meer dan mij betaemt. -
 
 
 
Dickmaels wensch ick mij verandert
 
In een lam of geijtjen teer,
 
Want dan sou mijn waerde Heer
 
Mij oock streelen neffens d'ander,
 
Als hij doet zijn lieve veê,
 
'k Wensch mij in 't geselschap meê.
 
 
 
Lieve vee, gedooght mijn quellen,
 
Klapt als ghij mijn Herder siet,
 
Schaduw, klaeght hem mijn verdriet!
 
Boomen, wilt het hem vertellen.
 
Liever ick hem selver spraeck,
 
Daer ick, arme wicht, nae haeck.
 
 
 
Windt, die al 't geboomt' doet drillen,
 
Seght hem, wat ghij hebt gehoort,
 
Alles vrij van woordt tot woordt;
 
Opdat hij mijn klaght magh stillen;
[p. 125]origineel
 
Ruijscht met sulcken soeten toon,
 
Dat ick weerliefd' krijgh tot loon.

Met regt is zijn lof wijd en zijd verspreid in de schriften der eerste vernuften dier tijden, die zijn vertrek uit het vaderland betreurden, zijn afwezen rusteloos droegen, zijne terugkomst met blijdschap te gemoet zagen, zijne gevangenis te Weenen euvel namen, en hem als een Maecenas der kunst ten vaderlande weder inhaalden. Om hem nog als Puntdichter te doen kennen, strekke dit Grafschrift op den dapperen Zeeheld Kornelis Janszoon de Haen:

 
(1)Hier rust die Helt, die van sijn vijands schepen
 
In sevenmael quam seven vlaggen sleepen,
 
En gaf voor 't laetst op twee soo dapper vonck,
 
Dat 't eene vlood, en 't andre bij hem sonck.

Het was niet genoeg, dat hij als Vroedschap, Bewindhebber der Kompagnie, Schepen, Weesmeester enz. in zijne geboortestad in het grootste aanzien was, maar men noemde zelfs een gedeelte der stad naar zijnen naam: Het Reaalen Eiland. Hij overleed in 1637.

 

Onder de vermaarde Dichters van het begin de-+zer Eeuw mogen wij niet voorbijgaan (2)GERBRANT ADRIAENSZ. BREDERO. Zijne Dichtwerken zijn echter met die van Hooft

[p. 126]origineel

en andere beroemde tijdgenooten, waarmede hij gemeenzaam verkeerde, niet te vergelijken. Zij zijn boertig, doch meestal (1)plat, onbeschaafd en zonder eenige merkelijke verheffing. Hier en daar is hij echter zinrijk. Zijn rijmtrant is meestal vrij vloeijend.

 
Wist een dwaes, dat hij waer zot,
 
En bad den goeden grooten God;
 
Hij zou, dat's wis, wel haest geneesen.
 
Maer zotheid is van dier gedaent',
 
Dat zij haer zelf de wijste waent.
 
Dus blijft de nar in 't narre wesen.

Men heeft in zijne losse Gedichten meer proeven van geestigen ernst. Bijzonder troffen onzen aandacht deze regels uit een zijner aandachtige liederen:

 
't Sonnetje steeckt zijn hoofjen op,
 
En beslaet der bergen top
 
Met zijn lichjes.
 
Wat gesichjes,
 
Wat verschietjes, verd en flauw
 
Dommelter tusschen 't grauw en blauw!
[p. 127]origineel
 
't Vochtige beeckje blinckt verciert,
 
't Vrolijck vinckje tiereliert
 
Op de tackjes
 
Wild en mackjes,
 
En weer strackjes op een aer
 
Huppeltet met zijn weder-paer.
 
 
 
d'Hemelen werden meer begroet
 
Van de Diertjes kleijn en soet,
 
Als van Menschen,
 
Die maer wenschen
 
Nae het aerts vergancklijk goet;
 
Dat men hier doch al laten moet, enz.

Had hij in dezen trant meer gedicht, hij zou nog heden zijnen roem behouden hebben; of liever, was Bredero niet zoo (1)vroeg gestorven, en had zijn geest de noodige beschaving erlangd, hij had misschien als een ster van de eerste grootte geschitterd. Hij was van de kennis van de zoogenaamde geleerde talen geheel verstoken. Vondel vervaardigde op hem dit Grafschrift:

 
(2)Hier rust Brero, heen gereist,
 
Daer de boot geen veergelt eischt
 
Van den Geest, die met zijn kluchten
 
Holp aan 't lachen al die zuchten.
[p. 128]origineel

+Was Bredero als Blijspeldichter toen in aanzien, (1)SAMUEL COSTER, de beroemde Treurspeldichter en Oprigter van den eersten Schouwburg in Amsterdam, in den jare 1617, onder den naam van Academie, verdient niet minder melding. Hij voerde beteren smaak in de Treurpoëzij in, bragt Vondel's stukken ten Tooneele, en verbande allengskens van daar de duistere en smaakelooze Zedespelen der Rederijkers. Hij geeft hier en daar in zijne Treurspelen schitterende blijken van vernuft, doch schijnt alles niet genoeg bewerkt te hebben. (2)Brandt zegt te regt van hem, dat hij de grootste Dichters hadt naar de kroon gestooken, indien hij zijne geestige invallen hadt willen bearbeiden. Wij zullen, om zijnen dichttrant te doen zien, deze plaats uit zijne Iphigeniae bijbrengen, waar Calchas den twist der Grieksche Vorsten dus poogt tot bedaren tebrengen:

 
t'Is oock geen orbaer, dat men sich begeef op Zee
 
Met dit onstuijmigh weêr van deze luwe reê.
 
Wij mochten licht'lijck op een lager wal vervallen,
 
Daer wij't door quade grond af-reden geen van allen.
 
Laet dus, o Vorsten, doch 't onweer van u gemoed
 
Bedaren, so sult gij niet anders doen dan goed
[p. 129]origineel
 
In dese handeling. Blijst bij natuur en rechten,
 
Dan sult ghij dese saeck noch onder u wel slechten;
 
Want daer is niet so swaer, dat de natuur en 't recht
 
In den gestoorden mensch met reden niet en slecht.
 
Maer so ghij 't niet en doet, en soeckt dus eijgensinnigh
 
Te drijven dat ghij wilt, soo sie 'k u noch soo vinnigh
 
En bits te worden, dat de binnenlandsche twist
 
Sal moeten worden van uijtlanders noch beslist.
 
Dan wast met ons ghedaen; dan sijn wij so bedurven.
 
Gelijck een schip, dat mast en kabel heeft gekurven
 
Hoop'loos op lagerwal, daar 't strandend stuckend stoot. enz.

Of wil men liever iets uit zijne Polyxena? Men zie het tafereel, waar Ulijsses Astyanax, ondanks den tegenstand van de moedige Andromache, uit het graf van Hector rukt. Ulijsses, te vergeefs gepoogd hebbende Andromache over te halen tot het aanwijzen der plaats, waar Astyanax verscholen is, spreekt vol drift zijne rotgezellen aan:

 
Ulijsses.
 
Krijghsluijden! breeckt het al van boven uit den top
 
Tot in den grondt, vernielt en delft de graven op!
[p. 130]origineel
 
Laet self de dooden niet in d'onderaerdsche huijsen
 
Berusten, ruckt haer uit haer akelige kluijsen,
 
En werpt de rompen op tot aes van 't wild gediert'!
 
Andromache.
 
Ghij die der grote Goden Kercken niet gheviert
 
En hebt, maer die verdelgd, sult, denck ick, oock wel durven
 
Na uw' manhafticheid de graven der versturven
 
Bestormen. - Zo welaan! - Aanschouwt ghij dit, o Goôn?
 
So Griecken so, bevecht de weerelose doôn! -
 
Ulysses! och! laet af! laet af! en laet berusten
 
Mijn Hector in zijn graf. Wat mach u bloeddorst lusten? -
 
Astyanax.
 
Mijn moeder! -
 
Andromache.
 
Och, sal u sijn kindsheid dan niet moeijen? enz.

Dit is immers de ware taal van den Tooneeldichter? Men ziet dat hij de hartstogten zeer wel uitdrukte. Zijn dichttrant is krachtig. Zijne verzen rollen, gelijk men ziet, tamelijk wel; dit is doorgaans in zijne Treurspelen; in zijne overige Gedichten, in sommige Bloemlezingen van dien tijd hier en daar voorkomende, zijn dezelve echter meer hard en stootend.

[p. 131]origineel

De Geleerden dier tijden rekenden het zich tot+ genoegen, beurtelings de Latijnsche en Nederduitsche lier te bespelen. Bijzonder moeten wij te dezen opzigte roemen (1)DANIEL HEINSIUS, Casparus Barlaeus en Hugo Grotius, waarbij sommigen zouden voegen Petrus Scriverius, die met Samuel Ampzing en anderen toen te Haarlem bloeide, doch die, onzes oordeels, minder verdiensten heeft, waarom wij ook van hem geen gewag zullen maken.

Heinsius, te Gent omtrent den jare 1580 geboren, oefende zich in alle wetenschap en smaak hier te lande te Middelburg, Franeker en Leijden, in welke laatste Stad hij zelf naderhand tot Hoogleeraar verkoren werd. Was het ons oogmerk, hier iets van zijnen levensloop te melden, wij zouden niet voorbijgaan te berigten, hoe de Koning van Zweden hem tot zijnen Geschiedschrijver en Raadsheer van Staat verhief, hoe Venetie hem de Ridderorde van St. Marcus vereerde, hoe hij in 1619, als Geheimschrijver der Politieken op het Dordsche Synode, bij sommigen gunst, bij anderen ongunst behaalde, en vele andere levensbijzonderheden van dezen beroemden Geleerde hier aanstippen; nu zij het genoeg te melden, dat hij, die zich eenen uitnemenden roem bij landgenooten en vreemden ver-

[p. 132]origineel

worven heeft als Latijnsch Dichter, ook als Neduitsch Dichter zeer loffelijke vorderingen gemaakt heeft. Wat deze zijne Dichtwerken betreft, in 1616 door Petrus Scriverius bij een verzameld en uitgegeven, onder den naam van Danielis Heinsii Nederduitsche Poëmata; wanneer hij zich op dit vak meerder had willen toeleggen, blijkt het uit dezen kleinen bundel, dat hij met de eerste vernuften zou hebben gewedijverd. Met Cats door vriendschap en eenstemmigheid van gevoelens verbonden, schijnt hij als Dichter in deszelfs verdiensten en gebreken tevens deel genomen te hebben. De Verzen van Heinsius zijn zachtvloeijend, verstandig, en vol van geestige en natuurlijke vergelijkingen; maar alles is hier en daar te zeer gerekt, vol van herhalingen, en somwijlen laag van uitdrukking. Er heerscht echter overhoops meer kracht en stoutheid bij Heinsius dan bij Cats. Getuige zij het Gedicht op de doot ende treffelicke victorie van Jacob van Heemskerck. Hier is de Zeeslag bij Gibraltar met fiksche en stoute trekken geschilderd:

 
(1)Neptunus swam int bloet. Men sach zijn baren rollen
 
En steijgeren om hooch van dooden opgeswollen.
 
De Zee was heel ontstelt. De menschen op het landt
 
Vergingen half van vrees, en storven half van schandt. enz.
[p. 133]origineel

Meer in den trant van Cats is deze vaderland en vrijheid-lievende aanspraak tegen de Spanjaarden:

 
(1)Al daer de Hemel streckt en daer de Wolcken drijven,
 
Ist even waer men woont, als Kinders ende Wijven
 
Sijn buijten slavernij, sijn verre van u handt;
 
Al daer ghij niet en sijt, daer is ons vaderlandt.
 
De voghel is alleen geboren om te snijden
 
Met vleugelen de locht, de peerden om te rijden,
 
De Muijlen om het pack te dragen, of de lijn
 
Te trecken met den hals; en wij, om vrij te sijn.

Op schilderachtige trekken en roerende beelden mag het Gedicht op de Beschrijving van Leijden, door Jan Orlers, roemen.

 
(2)De honger was in stadt, de vijant voor de wallen.
 
De moeder sach haer vrucht voor haere voeten vallen.
 
Zij selve menichmael, nae datse sonder broot
 
Veel dagen was geweest, viel met haer kinders doot
 
Noch hangend aen de borst, noch besich om te buijgen
 
Haer leden naer het werck, en gevend' haer te suijgen.
[p. 134]origineel

Is het niet uit deze proeven duidelijk, dat Heinsius, indien hij zijn dichtvermogen verder door oefening vermeerderd en beschaafd hadde, den roem van Cats en velen zijner tijdgenooten niets zou hebben toegegeven.

Hoe gaarne zouden wij hier nog iets uit zijn Gedicht op het Belech van Oostende, uit zijn Pastorael of Herderslied, uit zijne Minnebeelden, of den Lof van Bacchus bijbrengen, alle vol blijken van een geleerd verstand en spelend vernuft; dan liever bepaal ik mij voor een oogenblik tot den Hijmnus of Lofsanck op Jesus. Deze is levendig en vol van geestige vergelijkingen; zie hier een enkel voorbeeld:

 
(1)Gelijck een jongelinck met soete min ontsteken
 
Volght overal zijn lief; het herte moet hem breken,
 
Indien hij niet en siet, indien hij niet en vindt
 
De gene die hij soeckt, en grondelick bemint,
 
Gaet overal haer nae: telt altemael haer gangen,
 
Bewaert haer, siet haer aen met innerlick verlangen:
 
Zijn oogen staen op haer: de geest is hem beswaert,
 
Is nimmermeer van haer, tot dat hij met haer paert.
 
Soo was het oock met dij. enz.

Hij overleed in den jare 1655, na een lang leven vol van roem en aanzien.

[p. 135]origineel

Het is geen blijk van verdiensten vele gedichten+ vervaardigd te hebben, maar hoogen lof verdient het, goede te kunnen vervaardigen. Dit kon, dit deed de vermaarde (1)KASPER van BAERLE, beter bekend onder den naam van Casparus Barlaeus, een man van zacht gevoel, edelaardig karakter, en verrijkt met keur van wetenschap.

Zijn levensloop, geschokt door menigerlei wederwaardigheden, het zij hij den Predikdienst op het vreedzaam Over-flakkee waarnam, en als Onderbestuurder het Staten-Kollegie regelde, het zij hij als Hoogleeraar te Leijden, en daarna te Amsterdam, zijnen lof, en met denzelven den nijd, tot eene aanmerkelijke hoogte gestegen zag; zijn levensloop, zeg ik, heeft zoo vele treffende, en om zoo te spreken, zoo vele fijne punten van schoonheid, dat het mij verwondert, dat er geene lofrede over dezen gevoeligen en kundigen Geleerde te vinden is; een Geleerde, die, door smaak en liefde tot de Zanggodinnen gedreven, lust tot de Letteren overal verspreidde, en, mijns oordeels, niet minder nut gedaan heeft, dan zijn meer diepgeleerde ambtgenoot Vossius. De vriend van Tesselschade Visscher, Huijgens, Baek en anderen, deelde

[p. 136]origineel

hij in de overbelangrijke verkeering op het Huis van den beroemden Drossaard zijnen boezemvriend. Dagelijksche gesprekken werden alsdan wetenschappelijke kout, en onze van Baerle, die zich anders meer aan de Latijnsche dan Nederduitsche Dichtkunde overgaf, sloeg dan met zwier en bevalligheid de hand aan de Hollandsche lier. Hij was, met Tesselschade, het zout, de vreugd van het gezelschap. Van nature tot schielijk afwisselende aandoeningen gevormd, was hij levendig, en even willig tot luchtige vreugde als statigen ernst. Wanneer eens Tesselschade de Vrienden met een geestig bewerkt en versierd Festoen van Herfstvruchten verraste, bedankte hij haar op staande voet met dit geestig Gedichtje:

 
(1)Geluckige Sale, daer 't Weeutjen in spoockt,
 
Geluckige Schouw, daer 't selden in roockt!
 
Wie schildert u dus, wie stelt u te pronck;
 
Wie maeckt u dus kruijdigh, dus aerdigh, dus jonck?
 
Is Flora gevallen uijt Junos Paleijs?
 
Is Pales in aentocht? Is Ceres op reijs?
 
Heeft Hebe gevlochten dit trots Festoen?
 
Pomona getempert het root met het groen?
 
Neen, 't is noch Goddinnen noch Goden hun vondt;
[p. 137]origineel
 
Selfs staen sij verbaest, en seggen in 't rondt:
 
De wasdom is ons, die konst van een handt,
 
Die self de nijdt door haer geest heeft vermandt.
 
Ick sie, seijde Ceres, mijn lof en mijn halm;
 
Ick hoor, seij Pomoon, mijner bladeren galm;
 
Ick rieck, seij Flora, de vrucht en de blom,
 
Die 't Sonnetje van 't Oost treckt Westewaert om;
 
Ick voel, sprack Juventa, mijn appeltjens rondt;
 
Ick proeve, sprack Pales, mijn pruijmtjens gesondt.
 
Doe seij de Poëet: 't Is Tesseltjens doen,
 
Die het oude maeckt jonck, de steenen maeckt groen.
 
O Tessela! leeft van Goden gekust,
 
Die al de vijf sinnen kunt geven haer lust.
Op 't Huijs te Muijden, in de Pruijmtijdt, 1639.

Naderhand zond hij haar nog een dergelijk, dat niet minder aardig is, en toont, hoe van Baerle hetzelfde onderwerp in denzelfden trant, en toch met nieuw tooisel en zwier van woorden en denkbeelden, kon behandelen; zie hier het begin:

 
(1)Ziet met aandacht die Festoen,
 
Dat alleen geen enckle zoen,
 
Maer meer kusjens waerdig is,
 
Als 'er blaên staen schoon en fris;
[p. 138]origineel
 
Die de handt gevlochten heeft
 
Van de zoetste, die daer leeft.
 
Dit zijn wond'ren van ons eeuw,
 
Dat een ongepaerde weeu,
 
Rontsom aen een geestich Lint
 
Goden en Godinnen bint;
 
Die zij met haer kruijt en loff
 
Ruckt van buijten uijt den hoff,
 
En doet hangen op haer glans
 
In de Zalen aen een Krans.
 
Ziet Pomona schoon van blos, enz.

In beide Gedichtjes rolt alles gemakkelijk en luchtig. Alles is kunstig, maar niet gekunsteld. Misschien hindert dezen of genen het gebruik maken van Heidensche Godheden; dan, mijns oordeels, schaadt dit weinig of niet. In later dagen heeft de wering van dergelijke beelden groot nadeel aan de Poëzij toegebragt.

Bij van Baerle ziet men overal een gemakkelijke dichtpen. De teedere gesteldheid van ziel en ligchaam, die zelfs schokte door eene norsche behandeling van den Schout Bont, hem op openbare strate een papier uit den zak rukkende; die tedere gesteldheid, zoo zeer getroffen door de ondankbare afdanking als Hoogleeraar aan Leijdens Hoogeschool, die zelfde gevoeligheid, waarvoor hij bezweek bij het verliezen zijner gade en het missen van zijnen boezemvriend Hooft, die zelfde zachtheid en teederheid heerscht in zijnen

[p. 139]origineel

dichttrant; men leze het zoetvloeijend Lof-gedicht op het Eeuwighstroomende Beeckjen van den Heer Baeck:

 
(1)Beeckjen, daer het duijn haer droppen
 
t'Saem vergadert in een bron,
 
Als sij met haer witte toppen
 
Glinstert in de morgen-son.
 
 
 
Beeckjen, opent al uw ad'ren,
 
Die verhoolen gaen door 't sandt.
 
Wilt op mijne komst vergad'ren
 
Al de stroomtjens van het landt.
 
 
 
Streelt mijn opgetooge sinnen
 
Met uw heldre waterval,
 
Soo sal ick uw lof beginnen
 
In het haselare dal. -
 
 
 
Waer Acteon komen vluchten
 
Naer dit Beeckjen uijt sijn duijn,
 
Nooijt en had men hem sien suchten
 
Om de hoorens op sijn kruijn.
 
 
 
Had Apollo willen loopen
 
Naer sijn Daphne bij uw stroom,
[p. 140]origineel
 
Nooijt en waer sij wegh gesloopen,
 
Of verandert in een boom.
 
 
 
Had Narcissus, schoon van wesen,
 
Sich gespiegelt aen uw boort,
 
Nooijt en waer hij sonder vresen
 
In sijn eijgen liefd versmoort.
 
 
 
Waer Leander hier gedompelt,
 
Als hij naer sijn Ero keeck,
 
Nooijt en waer hij overrompelt
 
In de golfjens van dees Beeck.
 
 
 
Al de dropjens die daer dringen
 
d'Een op d'ander door de steen,
 
Doen de Minne-aertjens springen,
 
En verquicken al ons leên. -
 
 
 
Beeckjen, als men u siet vloeijen,
 
Als men hoort uw soet geruijs,
 
Voelt men al sijn geesjens gloeijen,
 
En verhuijsen druck en kruijs.
 
 
 
Hier is 't beeckje der Poëeten,
 
Niet in 't liegend' Grieckenlandt:
 
Hier heeft Perseus paert gesmeten
 
't Hippocreentjen uijt het sandt.
[p. 141]origineel
 
Hier heeft Hooft gescherpt sijn veder,
 
Als hij wrocht sijn krachtigh dicht;
 
Hier sat Vondlen dickwijls neder,
 
Als hij, van der aerd gelicht,
 
 
 
Drongh om hoogh door al de wolcken,
 
Boven bergen, boven locht,
 
En verliet de aerdsche kolcken,
 
Van dit Beeckjen nat bevocht. -
 
 
 
Lachjens, kusjens, lieve woordjens,
 
Lusjens sonder argh of list,
 
Groejen aen dees waterboordjens,
 
Haet en nijdt wordt hier gemist.
 
 
 
Beeckjen vol van minlijckheden,
 
Beeckjen vol van alle lust,
 
Vloeijt in alle eenwigheden,
 
Nooijt verdroogh uw vochte kust.

Is dit niet vol geest en overaardig? En echter kent men Barlaeus naauwelijks bij naam als Hollandsch Dichter. Zoo luisterrijk waren die schitterende tijden, of zoo hoog loopt men thans met nieuwe voortbrengsels! Hoe gaarne deelde ik nog iets mede van zijne Gedichtjes op de Treurspelen van Vos en Brandt, van het Treurdicht over de dood van Catarina van Overbeeck, en andere stukjes, vol van gevoel en leven! Van Baerle had de zeldzame kunst

[p. 142]origineel

zijn onderwerp regt natuurlijk te behandelen; men leze slechts het eerste gedeelte van het geestig Gedichtje op ons hengel-visschen in 't Veen met Haags-geselschap.

 
(1)Visschjen, dat ons rust kan breecken
 
Midden in de nare nacht,
 
Eer de Sterren zijn geweecken,
 
Eer de dag'raet met ons lacht:
 
Zwemt met ongeruste zinnen,
 
In uw klaer en glazich nat,
 
Laet van droefheijt al uw Vinnen
 
Hangen, heel verbleeckt en mat:
 
Ziet, die op het aertrijck zweven,
 
Vallen in uw waet'righ Rijck.
 
'k Zie haer loeren op uw leven,
 
En u dreijgen al gelijck.
 
Visschjen, schuijlt in 't kroost of blaatjens,
 
Wacht de Hengel met zijn haeck;
 
Bercht u in verhoole gaetjens,
 
Gaept niet met uw graege kaeck.
 
Laet de Hengelaer staen wachten,
 
Laet hem soecken, waer ghij zijt.
 
Hoort zijn vloecken en zijn klachten,
 
Als het visschen niet bedijt.
 
Bijt niet, maeckt hem tot een misscher,
 
Zuijcht het wormtje van den haeck.
[p. 143]origineel
 
Geeft maer nop en hoop den visscher,
 
En verijdelt al zijn zaeck.
 
Al de werelt gaet uijt visschen,
 
d'Een om eer, en d'een om gelt,
 
Dees verkrijght, en die moet misschen,
 
Dus is 't visschen oock gestelt. enz.

Het geheel zouden wij gaarne overnemen, ja alle de Gedichtjes van van Baerle, die slechts in de Verscheijde Dichten 1651, Klios Kraam, en andere schaars voorkomende Bloemlezingen kunnen opgespoord worden, bijbrengen, zoo ons niet een ander groot vernuft als tot zich riep; een vernuft, wiens lof dáár nog weergalmt, waar ook de naam van eenen Barlaeus onbekend is; een vernuft, bij In- en Uitlanders voor Hollands pronkjuweel gekeurd, dat leven zal, als alle andere Hollandsche vernuften, buiten Erasmus en de Groot, ook bij namen zullen gestorven zijn. - Gij merkt reeds, mijne Heeren! dat ik het genoemd heb - ja, (1)HUIG de GROOT, dat wonder van+ Letter-wijsheid, moet onder de verdienstrelijke Nederduitsche Dichters dezer Eeuw gerekend worden.

Het uitgebreide Werk, Bewijs van den waeren Godtsdienst, oorspronkelijk in Nederduitsch dicht in 1611 te Loevesteijn vervaardigd, is alomme te regt geroemd. Het onderscheidt zich niet zoo zeer

[p. 144]origineel

door eene hooge vlugt en keurige speling van het vernuft met zwier van uitdrukking, maar door eene eenvoudige taal en eene krachtig beredeneerde en overtuigende voordragt. Alles is hier van harte, en somwijlen lieftalig en geestig. Men zie slechts aan het einde de aanspraak aan zijn vaderland:

 
Neemt niet onwaerdig aen dit werkstuk mijner handen,
 
O des aerdbodems merkt! o bloem der Nederlanden!
 
Schoon Holland! laet dit sijn in plaets van mij bij u,
 
Mijn Koningin! ik toon soo als ik kan nogh nu
 
De liefde, die ik heb altijd tot u gedragen,
 
En draegh en dragen sal voorts alle mijne dagen.
 
Vindt gij hier iet, het welk u dunkt te wesen goed,
 
Bedank hem sonder wien geen mensch iet goeds en doet.
 
Is hier of daer gemist, erinnert met meêdoogen
 
U selven wat een wolk bedwelmt der menschen oogen.
 
Verschoon veel liever 't werk, dan dat gij 't bitter laeckt,
 
En denk: ‘och Heer! het is te Louvesteijn gemaekt.’

Nog meerder verdiensten hebben zijne losse Gedichtjes, die, weinig in getal, in geestige eenvoudig-

[p. 145]origineel

heid iets behagelijks met zich voeren, dat ons vooral in den grooten man, de wellust der geleerde wereld van alle tijden, bijzonder streelde. Door de ondankbaarste geestelijke en politieke dwingelanden vervolgd, en op het akelig Loevestein met zijne dierbare Maria gevangen zittende, vereerde hij haar een verjaardichtje, hetwelk wij hier geheel zullen mededeelen, zoo, omdat het door eenvoudigheid en belangrijkheid zal behagen, als omdat het bij zeer weinigen zal bekend zijn.

(1)October VII. 's Jaars CIↃ IↃC XIX.
 
Waert dat mijn drousf gemoedt kond' eenigsins gehengen
 
Te maaken eenigh dicht, gelijk ik eertijds plagh;
 
Ik sou niet laaten, lief, te voorschijn iet te brenghen,
 
Daer meede dat gij soudt gedenken deesen dach.
 
 
 
Och deesen lieven dach! ô voorbeeld aller vrouwen!
 
Die, tot u oorspronk-tijd van Godt was toegepast,
 
Die u het heemel-light heeft eerstmaal doen aenschouwen,
 
Op dat gij eens met mij soudt draegen deesen last.
[p. 146]origineel
 
Hoe weinigh daghten doen uw ouders ende maeghen,
 
Hoe weinigh daghten doen uw vrienden altemael,
 
Dat gij noch soo veel druckx om mijnnen 't wil soudt draagen,
 
Beslooten in een huis, beset met Maes en Wael.
 
 
 
Misschien sij wenschten doen, dat gij soudt moogen paaren
 
Met een van Godt begaafd met taamelijk verstand,
 
Die reedelijkke wel gevordert naar zijn jaaren,
 
Hem maaken sou bequaam te dienen 't Vaaderland.
 
 
 
Heelaas! wat isser doch van stervelijkke menschen?
 
Wat isser datmen doch kan noemen goed of quaat?
 
Nadien dat selve een saak, daar wij met reên naar wenschen,
 
Door 't raasend ongeluk ons alderdierste staat.
 
 
 
't Is waar, de goede Godt heeft mij verstandt gegeeven,
 
Daar meede dat ik wel behoorde sijn te vreên.
 
Ik hebb ook niet versuimt te leeren al mijn leeven
 
Wat datter strekken kon tot nut van land en steen.
 
 
 
Het bitter ongeval laat daarom niet te raaken
[p. 147]origineel
 
Mijn eer, mijn naam, mijn goed, mijn vrijheid, als gij siet.
 
Ja selver het kan sijn, dat die gepreesen saaken
 
Een oorsaak sijn geweest van 't schandelijk verdriet.
 
 
 
Maar doch die groote Godt, die alles kan bestieren,
 
Die goed trekt uit het quaad, ô alderliefste vrouw!
 
Die heeft aldus gewilt in allerleij manieren
 
Besouken mijn gedult, en uwe vaste trouw.
 
 
 
Voorwaar een vaster trouw, als in voorleeden tijden
 
Die toonden, die haar mans navolgden in de dood;
 
Soo veel het swaarder is gestadelijk te lijden,
 
Dan haast te sijn verlost van allerhande noot.
 
 
 
Maar gij, ô soeten dagh! hoe sijt gij hier gekoomen?
 
Wie heeft u deur de poort en waghten laaten gaan?
 
Weet gij niet datter is een hard besluit genomen,
 
Dat niemand ons alhier magh koomen spreeken aan?
 
 
 
Nadien u dan staat vrij, dat and'ren missen moeten,
[p. 148]origineel
 
Dat gij vrij onbelet meugt op en af van 't slot,
 
Gaat eens naar Zeeland toe. Wilt onse vrienden groeten;
 
Segt dat wij leeven noch, en troosten ons met Godt.
 
 
 
End' als gij na dit maal ons weederom sult vinden,
 
Koom niet te Loevestein; maar gaa doch ellewaart,
 
Daar ons met goet getal van onse welbeminden
 
Gebeuren mach met rust te eeten uwe taart.

Zie daar de beminnelijke taal van het hart; zie daar een dichttrant niet zwierig en weelderig als die van Barlaeus, maar eenvoudig en hartelijk. Krachtiger zijn de (1)Klagte der Vrouwe van Mechlen over de Min des Princen van Oranje, en dat (2)aan mijn Huijsvrouw M. Reijgersbergh, over mijn verlossingh uit d' eeuwige gevangenis. Dan wij haasten ons tot andere Dichters van dien tijd.

 

Het ruime doel, ons voorgesteld, belemmert ons in dezen weligen tijd niet weinig, wanneer wij de Bloemlezingen dezer tijden inzien. Gaan wij dus met stilzwijgen voorbij den Zeeuwschen Nach-

[p. 149]origineel

tegaal, Klios Kraam, de Hollandsche Parnas en andere verzamelingen, uitstekend in dichtverdiensten van nu pas bij naam gekende Dichters; als van eenen (1)Siemon van Beaumont, (2)Lenard Peutemans en dergelijke. Bepalen wij ons kortheidshalve bij andere, meer bekend door hunne uitgebreide verzamelingen.

+Eenvoudig als de Groot is (3)DIRK RAFAELSZOON KAMPHUIJZEN, maar krachtiger in denkbeelden, korter in uitdrukking. Somwijlen is hij levendig in schildering. Iets zenuwrijks, iets stevigs, iets zakelijks en verstandigs heerscht in bijna alle zijne Gedichten, zoo wel de Psalmen als Gezangen. Zijn doel was altijd krachtig, doch tevens eenvoudig in uitdrukking te zijn zonder beeldspraak of speling van vernuft. Dit had natuurlijk eenigen nadeeligen invloed op zijn anders

[p. 150]origineel

tot levendigheid zeer wel geschikten dichttrant. De bekende (1)Maijsche Morgenstond is, mijns oordeels, het beste en schilderachtigste zijner Rijmen. Om de mindere bekendheid willen wij liever hier iets uit een ander gedicht, Spels Mate, bijbrengen, hetwelk, hoe eenvoudig, ons de ernstige en verstandige dichtwijze van dezen godvrezenden man duidelijk toonen zal:

 
(2)Elk heeft zijn bijzonder drijven:
 
Elk heeft zijn bijzondre lust,
 
Daar zijn geest op werkt en rust,
 
Die hij gaarn 't liefst laat blijven,
 
Daar hij gaarn van spreekt en queelt;
 
Elk heeft wat, daar hij meê speelt. -
 
 
 
d'Een heeft lust in ver te varen,
 
d' Ander koestert hond of paard.
 
Dees' doorgrondt der dingen aard,
 
Die bemindt gezang en snaren.
 
Sommig vogel-vangt en vischt;
 
Menig stookt en alchimist.
[p. 151]origineel
 
Hier bemindt men fraaije boeken;
 
Ginder 't moije huisgeraad;
 
Daar een nieuwe tijnkjes praat;
 
Elders 't diepe onderzoeken.
 
Overal of dit of dat;
 
Nergens of men vindt er wat.
 
 
 
Uws gebuurmans lust is tuijnen,
 
Of te zien op kruijden kracht;
 
Uw vermaak is op de jacht,
 
Of met fret en net in duijnen.
 
Rijmpjes maken is het mijn.
 
Met één woord, elk heeft het zijn.
 
 
 
Elk nochtans heeft wel te letten
 
Op zijn eijgen dat of dit;
 
Waar, en hoe zijn popjen zit.
 
Goed noch quaad heeft mee zijn wetten.
 
Vraagt gij wat zo zijn? In 't kort,
 
Dat de pop geen afgod wordt.
 
 
 
't Popjen kan een afgod teelen,
 
Als een al te groote waan
 
Tot de lust wordt toegedaan,
 
Daar gaat spel dan boven speelen;
 
Daar wordt pleister-plaats verblijf;
 
En het lust-paard draaft te stijf. enz.

Deze proeve toont, dat hij ook tot zoetvloei-

[p. 152]origineel

jendheid zich schikken kon. De meeste zijner Gedichten zijn echter meer zinrijk, ineengedrongen, en vol merg van zaken, gelijk ieder bekend is.

Deze brave Dichter, een leerling en hoogachter der gevoelens van Arminius, deelde niet weinig in de vervolgingen van dien tijd, en overleed in den jare 1627.

 

+Nu komen wij tot hem, op wien de (1)Heer de Bosch niet ten onregte het zeggen van (2)Ovidius wegens Homerus toepast:

 
á quo, ceu fonte perenni,
 
Vatum Pieriis ora rigantur aquis.

(3)Den vader der allerzuiverste en volkomenste Poëzij - van wiens lof gewaagt al wat Hollandsch spreekt of verstaat, en Poëzij bemint. - Wien men wel in staat is te berispen, doch op geen duizendste gedeelte in zoetvloeijendheid, hoogdravendheid, zuiverheid van stijl en aardigheid van zin te evenaaren. Dan, zien wij hem wat meer van nabij.

(4)JOOST van den VONDEL, was wel

[p. 153]origineel

te Keulen in den jare 1587 geboren, doch als een kind naar Amsterdam met zijne ouders getrokken, waar hij zich daarna bestendig ophield. Zijne neiging tot de Dichtkunst, hem als aangeboren is van jongs af zoo groot geweest, dat (1)Hooft hem, volgens Brandt, nog geen 13 jaren oud, onder de aankomende vernuften met lof noemde. Jammer dat hij in zijne jongelingsjaren zich niet in de Grieksche en Latijnsche talen geoefend heeft; dit veroorzaakte, dat hij in het eerst die heerlijke gaven van dichtvermogen niet ten toon spreidde, welke naderhand

[p. 154]origineel

zoo heerlijk hebben uitgeblonken. (1)Hier was wel geest van Poëzije, zegt Brandt, maar het geen dien geest most leiden en aanqueeken ontbrak hem, kennis van taalen om de oude Latijnsche en Grieksche Poëten te leezen en hoonig uit dien tijm te zuigen en allerlei geleertheit, die deeze kunst, zelf in de schranderste geesten, nooit kon ontbeeren. Hij had dan anders geen behulp dan het geen in Duitsch wordt geleezen. Zijn eerste rijmen waaren plat en zenuwloos, zich zelven dikwils ongelijk, somwijl voortrollende, somwijl hortende en stootende, somwijl zwetsende met woorden, - die luidt schreeuwden en weinig zeiden. Dan ook dit kwam Vondel door eene onvermoeide vlijt te boven. (2)Het voorbeelt van Koornhert en anderen, die in hunnen ouderdom taalen leerden, en zijn liefde tot de kunst, maakte hem gaande. Hij getrooste zich dien moeijelijken arbeid in het (3)26ste jaar zijns levens. In het Latijn oefende hij zich daarna dagelijks.

Zeer wel weetende, zegt (4)de Bosch, dat de ommegang met verstandige mannen van eene onbegrijpelijke kragt was, zoo zocht hij altoos het gezelschap van de zulken, met welker kundigheden hij zijn voordeel kon doen. Hij ging dus dagelijks bij die twee uitmuntende en geleerde mannen van zijnen tijd Vossius en Barlaeus: hij hield

[p. 155]origineel

geduurig briefwisseling met den Drost van Muiden P. Cornelisz. Hooft, en met dat uitmuntend sieraad van Holland, den alomberoemden Huig de Groot, dien hij raadpleegde en ondervroeg over de beste Schrijvers der Oudheid, over de gepastheid en sierlijkheid hunner uitdrukkingen, over hunne Poëtische beschrijvingen en wat dies meer zij. Hier door en door het vlijtig lezen van de Werken van Hooft, maakte hij in de Dichtkunde langs hoe voortreffelijker vorderingen. Hoe veel Vondel aan Hooft verpligt was, leert ons de Dichter Vollenhoven in eenen (1)Brief aan Brandt, nog bij het leven van Vondel geschreven, zeggende: dat Vondel geen Vondel zonder Hooft waar, zou hij zelf, meen ik, naar zijne openhartigheid, niet ontkennen, en ik hebbe diergelijk eene taal wel uit zijnen mond gehoort.

Door deze vlijtige bearbeiding der Schristen van oude en nieuwe Dichters, had hij nu zijnen natuurlijken en verhevenen aanleg versierd; hier door kreeg hij die levendigheid van denkbeelden, die kracht van schilderen, dien rijkdom van vinding, die kennis van het

[p. 156]origineel

menschelijk hart, die stoutheid door zachtheid afgewisseld, die hoogdravendheid door zoetvloeijendheid getemperd, die vlugheid van geest, ja, die schitterende verbeeldingskracht, waardoor de Dichter zich de voorwerpen volgens hunne ware natuur weet voor oogen te stellen, en gevoegelijke kleuren uit te vinden, om die tasereelen met dezelfde kracht en levendigheid op de gemoederen van anderen te doen werken, het hart te vermeesteren en aan zijne verwen te binden; met één woord, hierdoor maakte hij zich eigen alle die overheerlijke dichtverdiensten, welke aan de beste Dichters der oudheid eenen onsterfelijken roem verschaft hebben. Niet weinig tot meerdere beschaving zijner Gedichten heeft toegebragt zijne leergierigheid; hij wilde niet alleen zuiver van taal, maar ook eigenaardig en gepast in zijne woorden zijn; om op elke stof en zaak, zegt (1)Brandt, de rechte spreekwijsen te vinden, onderzocht hij bij allerlei slag van menschen, wat Duitsche woorden elk ontrent zijn werk, handteering en kunst gebruikte. De Landluiden vraagde hij, hoe zij spraken ontrent den landbou, en hoe ze 't geen daar toe behoorde noemden en uitdrukten. Ontrent den huisbou vraagde hij op gelijke wijze de Timmerluiden en Metzelaars: ontrent de zeevaart en 't scheepstuig de Zeeluiden: ontrent de schilderkunst en wat daar toe behoorde de Schilders, en zoo voort ontrent alle ander bedrijf, weetenschappen en kunsten. Dit strekte tot opbou der taale en om van al wat hem

[p. 157]origineel

voorquam, met woorden, die de zaake eigen waaren, te spreeken. Onberekenbaar veel nut geeft zulk een rijkdom van eigenaardige woorden, gelijk alle uitnemende Dichters en geoefende beoordeelaars zullen erkennen. Voeg hier bij, dat hij gaarne met andere kundige lieden over zijne gedichten raadpleegde. Deze noemde hij (1)Mecenaten, Aristarchen en Keurmeesters, die hem ook in 't vertaalen behulpzaam waaren. Ook plagten zij in 't leezen zijner Treurspeelen en andere Dichten, volgens zijn verzoek, scherp te letten op het duitsch, op het dicht, op den zin: en indien ze onzuiverheit in de taal, hardigheit of lamheit in het dicht en rijm, of kreupelheit ontrent den zin meenden te zien, zij weezen 't hem aan: en 't geen men met reden berispte, zocht hij strax te verbeteren. Ziedaar eene zedigheid en leergierigheid in onze dagen niet zeer gemeen, doch waardoor Vondel echter zijne Poëzij der onsterfelijkheid heeft toegewijd, daar hij gaarne zijne Gedichten hoorde beoordeelen, en met verstand en bedaard overleg de aanmerkingen toetste.

Het geen Brandt, in zijne Lijkrede op Hooft, zegt: (2)De voorgaande eeuwen hebben schrandere verstanden zien uitmunten in 't een of't ander ge-

[p. 158]origineel

slacht der Poëzij; maar in al de deelen der Dichtkonst uit te steeken, was voor onsen tijd ongehoort. Homeer en Virgiel hebben door haar heldendichten den palm wechgedraagen; Sophokles door sijn treur speelen; Pindaar en Flakkus door hun lierdichten; Menander en Terentius door haar blijspeelen; Theocritus door sijn herderssangen. Dus is de eer der Poëzij onder veel Poëten verdeelt; tot dat in onse daage de eenige Fenix der Dichters haar in sijn gewelt heeft konnen brengen, en in al haar deelen uitgeblonken; dit zoude men, mijns oordeels, gevoegelijker op onzen Vondel kunnen toepassen. Hij was niet alleen een Treurspel-dichter, bij Sophokles, Euripides, Seneca en anderen te vergelijken, maar ook Lierdichter, als Horatius en Pindarus; hij zong den lof der Godheid niet minder dan Callimachus de eer zijner Goden; hij vervaardigde alle soort van Gedichten, en bleef in alles Vondel. Wil men de onderscheidene verdiensten onzer Nederduitsche Dichters, met den dichtkundigen (1)Lublink, tot zekere klassen brengen en zeggen: in rijkheid van gedachten waren Cats, Kamphuijzen en anderen uitnemend; in geestigheid, in denken en uitdrukking Hooft, de Decker, Poot en Smits; en zoo vervolgens tot alle soorten van dichterlijke verdiensten over-

[p. 159]origineel

gaan; men moet bij iedere rangschikking onzen Vondel den eerste noemen. Is dit waar omtrent alle de verdienstelijke eigenschappen der Dichters, het is even zeker omtrent de bijzondere soorten van dichtwerken. Zal ik u zijne Lierzangen herinneren? hierin schijnt hij onnavolgbaar geweest te zijn. Kracht en zwier, stoutheid en zachtheid, zijn hier zoo vereenigd, zoo welgepast als door eenen gelukkigen echt verbonden, dat men niets beters verlangen kan. Wie verdient als Hekeldichter meerderen lof? Scherpte, zinrijkheid en bijtende kortheid kenmerken hem in dit soort van gedichten. Dat op Salmasius of den Lasteraar van Huig de Groot aan te halen is mij genoeg, om mij van uwe toestemming te verzekeren.

 
(1)O Farizeeusche grijns, met schijngeloof vernist,
 
Die 't Groote lijk vervolght ook in zijn tweede kist;
 
Gij Helhont, past het u dien Herkles na te bassen,
 
Te steuren op 't autaer den Fenix in zijn assen,
 
Den mont van 't Hollantsch Recht, bij Themis zelf beweent?
 
Zoo knaegh uw tanden stomp aen 't heilige gebeent.

Ook in zijne Treurspelen staat hij alleen in het strijdperk. Want wat Dichter toch zou zich ver-

[p. 160]origineel

meten, zoo de hartstochten te kunnen schilderen, zonder voor zijne vermetelheid met Icarus te boeten:

 
(1)Pindarum quisquis studet aemulari,
 
Jule, ceratis ope Daedalea
 
Nititur pennis, vitreo daturus
 
Nomina ponto.

De geleerde (2)Scaliger zegt in zijne

[p. 161]origineel

Dichtkunde van de Odes van Horatius, hetgeen wij van de Treurspelen van Vondel zouden zeggen: Alle zijn van zulk eene schoonheid, dat zij mij en anderen, hierin meer ervarene lieden, alle hoop benemen op zulke oefeningen; ja iets dergelijks, als hij terstond daarop van twee Lierdichten zegt, zoude ik van den Lucifer en den Gijsbrecht van Aemstel durven zeggen: van deze en dergelijke gedichten, zoeter dan der Goden spijs of drank, was ik liever de Maker, dan Koning van geheel Arragon. Van zijne overige Gedichten zal ik na dit alles niets meer behoeven te zeggen, dan dat hij ook door dezen met regt geroemd wordt, als de Vader, de Vorst, de Fenix der Nederduitsche Poëzij, van wien zoo vele lateren hunne beste sieraden hebben ontleend, als de bron van dichterlijke schoonheden, waardig door eenen Barlaeus dus te worden aangesproken:

 
(1)Vondeli! Batavae decus et laus prima camoenae!
 
Fontis inexhaustum flumen Appollinei!
 
(2)ô Hooghste kroon in dicht, die Hollandt cieren kon!
 
ô Onuitputbre stroom van Febus Henkstebron!
[p. 162]origineel

Wat, mijne Heeren, minnaars van Dichtkunde! wat zal ik tot proeven bijbrengen? Zal ik iets uit zijne Treurspelen overnemen? Ik heb u den Gijsbrecht en Lucifer reeds genoemd. Zal ik zijne Lierdichten openslaan? ter eere der Verlossing van Huig de Groot, op deze wijs aanheffen?

 
(1)Gewelt van wallen, dubble gracht,
 
Ontruste honden, wacht bij wacht,
 
Beslage poorten, ijsre boomen,
 
Geknars van slotwerk, breede stroomen,
 
En d'onvermurwde kastelein
 
Verzekerden op Loevestein
 
Den grooten Huijgen, buiten duchten
 
Van in der eenwigheit t'ontvluchten;
 
Ten waer zijn schrandre gemalin
 
En drukgenoot en kruisheldin
 
Een eerlijke uitkomst had gevonden,
 
En hem van lang verdriet ontbonden.
 
Zij sprak: mijn lief, mijn levenslicht,
 
(De tranen stonden in 't gezicht)
 
Zal dees spelonk u glans versmooren,
 
En is uw deught dit graf beschooren? enz.

Zal ik voor het Wale Weeshuis u deze eenvoudige doch krachtig werkende Bede laten lezen?

[p. 163]origineel
 
(1)Och laet uw mededogen stralen
 
Op dees van elk vergete schaer,
 
Op 't arme Weeshuis van de Walen,
 
Wiens last noch aengroeit jaer op jaer,
 
Wanneer 't ontfangt met open ermen
 
Die arm zijn zonder hunne schult,
 
De Weeskens, die om nootdruft kermen;
 
En voedt hen op met groot gedult
 
In tucht en eerelijke zeden.
 
Wie zietze zonder schreien aen?
 
Heeft Kristus arm voor ons geleden,
 
Wie kan voorbij dees kribben gaen
 
En stallen, zonder met de Wijzen
 
Te offeren een luttel gout,
 
Om 't naekt en hongrigh kint te spijzen,
 
Dat in dit Betlehem verkout?
 
Aij zorght niet, dat de schatten minderen,
 
Die gij aen Godt op woeker geeft,
 
Door vreemde en ouderlooze kinderen.
 
Gedenkt, dat Godt hun vader leeft,
 
Die in uw weldaet wort geprezen
 
En 't goet dat nimmer zal vergaen.
 
De zuivre Godsdienst is den Weezen
 
In hun ellende bij te staen.

Neen, liever kieze ik dan den (2)Ecce Homo,

[p. 164]origineel

of (1)het Kristelijk Gedult; maar de uitnemende Lierdichten zijn te menigvuldig, om hier bij stil te staan; de Klinkdichten zullen ons liever voor eene wijl staande houden. Al aanstonds ontmoeten wij dat op Roscius, met vrouw en kind omgekomen:

 
(2)Zijn Bruit t'omhelzen in een' beemt, bezaeit met roozen,
 
Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw:
 
Maer springende in een meir, daer 't water stremt van kou,
 
En op de lippen vriest, zich te verrueckeloozen;
 
Dat 's van twee uitersten het uiterste gekozen;
 
Gelijck mijn Roscius, beklemt van druck en rouw,
 
In d'armen houdt gevat zijn vrucht, en waerde vrouw,
 
En gloeit van liefde, daer 't al kil is, en bevrozen.
 
Zij zuchte; och lief, ick zwijm: ick sterf: ik ga te gront.
 
Hij sprack: schep moet, mijn troost, en ving in zijnen mont
 
Haer adem en haer ziel. Zij hemelt op zijn lippen:
 
Hij volght haer bleecke schim naer 't zaligh paradijs.
 
Vraegt ijemandt u naer trouw, zoo zegh: zij vroos tot ijs,
 
En smolt aen geest, en hij gingh met haer adem glippen.

Dan gij kent dit, alsmede dat (3)op, het

[p. 165]origineel

Pronckbeelt, ter eere van Erasmus, en andere uitnemende Klinkdichten. Die op Afbeeldingen zijn kort en dus ligt over te nemen. Zie hier dat op (1)Mas Anjello:

 
Sie Mas Anjello hier in print voor elk ten toon,
 
Die van de Vischbanck klom op 's Konings hogen Troon,
 
Het kitteloorigh Paert van Napels holp aan 't hollen,
 
En, op zijn Faëtons geraekt aen 't zuizebollen,
 
In eenen oogenblick ging plotseling te gront,
 
Gehoorzaemt, als een Vorst, doorschooten, als een hont.

En (2)op Oldenbarneveldt:

 
Dit 's Grootvaêr, van wiens deugt geen eeuwen zullen zwijgen.
 
Hij deê zijn Rechters zelfs het hair te berge stijgen,
 
Toen hij ter vierschaer quam al evenwel gemoedt.
 
Zijn vijant dronck de doot aen zijn onschuldig bloedt.

Niet minder is dat (3)op Arminius:

 
Dit 's 't aenzicht van Armijn, die 't zij hij schreef of sprak,
 
Het heiloos noodlot van Kalvijn gaf zulk een krak,
[p. 166]origineel
 
Dat Lucifer noch beest voor 't dondren van zijn lessen,
 
En d'Afgront zwoegt en zweet om stoppen deze bressen.
 
Sus kraemvrou, sprak hij, sus, schei vrij gerust van hier:
 
Godt worpt geen zuigeling in 't eeuwigh helsche vier.

Terstond gevolgd door dat (1)op Kornelis Anslo:

 
Aij, Rembrant, mael Kornelis stem!
 
Het zichtbre deel is 't minst van hem.
 
't Onzichtbre kent men slechts door d'ooren.
 
Wie Anslo zien wil, moet hem hooren.

Maar ik zie ook hier een te ruim veld van de uitgezochtste en keurigste Dichtbloemen, en ga daarom met stilzwijgen voorbij de bijschriften (2)op G.J. Vossius, of op den Beeldhouwer (3)H. de Keizer en honderd andere.

Vondel's Bruiloftsdichten, hoe ook verschillende van vele andere, die alle kracht en dichterlijke sieradiën ontberen, kan ik nog onaangeroerd

[p. 167]origineel

laten, maar niet zijne Lijkzangen, zonder u voor oogen te brengen dat ter (1)Vertroostinge aen Geeraet Vossius over den dood zijns Zoons:

 
Wat treurtge, hooghgeleerde Vos,
 
En fronst het voorhooft van verdriet?
 
Benij uw' zoon den hemel niet.
 
De hemel trekt: aij, laet hem los.
 
 
 
Aij, staek dees ijdle tranen wat,
 
En offer, welgetroost en blij,
 
Den allerbesten Vader vrij
 
Het puik van uwen aertschen schat.
 
 
 
Men klaeght indien de kiele strant;
 
Maer niet wanneerze rijk gelaên,
 
Uit den verbolgen Oceaen,
 
In een behoude haven lant.
 
 
 
Men klaeght, indien de balsem stort,
 
Om 't spillen van den dieren reuck:
 
Maer niet, zoo 't glas bekomt een breuck,
 
Als 't edel nat geborgen wort.
 
 
 
Hij schut vergeefs zich zelven moê,
 
Wie schutten wil den sterken vliet,
[p. 168]origineel
 
Die van een steile rotse schiet,
 
Naer eenen ruimen boezem toe.
 
 
 
Zoo draeit de weereltkloot; het zij
 
De vader 't liefste kint beweent;
 
Of 't kint op vaders lichaem steent.
 
De Doot slaet huis noch deur voorbij.
 
 
 
De Doot die spaert noch zoete jeught,
 
Noch gemelijken ouderdom.
 
Zij maekt den mont des Reedners stom,
 
En ziet geleertheit aen noch deught.
 
 
 
Gelukkigh is een vast gemoedt,
 
Dat in geen blijde weelde smilt,
 
En stuit, gelijk een taeie schilt,
 
Den onvermijbren tegenspoet.

Niet minder fraai is het bekende (1)Kinderlijk, zoo gemakkelijk, zoo zangerig, dat men niets welluidender schijnt te kunnen verlangen.

 
Konstantijntje,
 
't Zaligh kijntje,
 
Cherubijntje
 
Van om hoog,
 
d'IJdelheden
 
Hier beneden
 
Uitlacht met een lodeeroogh.
[p. 169]origineel
 
Moeder, zeit hij,
 
Waerom schreit gij?
 
Waerom greit gij
 
Op mijn lijck?
 
Boven leef ik,
 
Boven zweef ik,
 
Engeltje van 't hemelrijck:
 
En ik blink 'er,
 
En ik drink 'er,
 
't Geen de schencker
 
Alles goets
 
Schenckt de zielen,
 
Die daer krielen,
 
Dertel van veel overvloets.
 
Leer dan reizen
 
Met gepeizen
 
Naer paleizen
 
Uit het slick
 
Dezer werrelt,
 
Die zoo dwerrelt.
 
Eeuwigh gaet voor oogenblick.

Hoe zacht en liefelijk is hier alles! Men gevoelt, dat er een kind, een lief, zacht en onschuldig kind gestorven is, en men verheugt zich met den Dichter over de gelukkige standverwisseling. Even liefelijk en schilderachtig is dat Lijkkransje, hetwelk Vondel voor zijn eigen dochtertje gevlochten heeft:

[p. 170]origineel
 
(1)De felle Doot, die nu geen wit magh zien,
 
Verschoont de grijze lien.
 
Zij zit om hoogh, en mikt met haren schicht
 
Op het onnozel wicht,
 
En lacht, wanneer in 't scheien
 
De droeve moeders schreien.
 
Zij zagh 'er een, dat wuft en onbestuurt,
 
De vreught was van de buurt,
 
En, vlugh te voet, in 't slingertouwtje sprong;
 
Of zoet Fiane zong,
 
En huppelde in het reitje
 
Om 't lieve lodderaitje:
 
Of dreef, gevolght van eenen wakren troep,
 
Den rinkelenden hoep
 
De straten door: of schaterde op een schop,
 
Of speelde met de pop,
 
Het voorspel van de dagen,
 
Die d'eerste vreught verjagen:
 
Of onderhiel met bikkel en bonket
 
De kinderlijke wet,
 
En rolde en greep op 't springende elpenbeen
 
De beentjes van den steen;
 
En had dat zoete leven
 
Om geenen schat gegeven.
 
Maer wat gebeurt? terwijl het zich vermaekt,
 
Zoo wort het hart geraekt,
[p. 171]origineel
 
Dat speelziek hart, van eenen scharpen flits
 
Te dootlijk en te bits.
 
De Doot quam op de lippen,
 
En 't zieltje zelf ging glippen.
 
Toen stont, helaes! de jammerende schaer
 
Met tranen om de baer,
 
En kermde noch op 't lijk van haer gespeel,
 
En wenschte lot en deel
 
Te hebben met haer kaertje,
 
En doot te zijn als Saertje.
 
De speelnoot vlocht, toen 't anders niet mogt zijn,
 
Een' krans van roosmarijn,
 
Ter liefde van heur beste kameraet.
 
O kranke troost! wat baet
 
De groene en goude lover?
 
Die staetsi gaet haest over.

Men ziet het kind spelen, en tegelijk de kunst des Dichters, die door zulke voorwerpen, eenvoudig maar zeer moeijelijk ter bewerking, leven en beweging aan zijne tafereelen bijzet. Zal ik nu nog aanheffen

 
(1)De tiende Zanggodin,
 
Uit eene roos geboren, enz.?

Dan laten wij liever de Lijkdichten daar, en bepalen wij ons tot de overige. De Grafschriften, Geboortedichten, Dankdichten, Brie-

[p. 172]origineel

ven, Klacht- en Hekeldichten, alle deelen zijner Mengelpoëzij, vloeijen over van de heerlijkste proeven. In welk een hof vol uitnemende Dichtbloemen begaf ik mij? - Hoe verantwoorde ik het, zoo vele uitnemende Kunstvoortbrengsels onaangeroerd te laten? Ik noemde de Hekeldichten, en ik gewaagde niet van het meesterstuk:

 
(1)'s Lants treurspel weêr verjaert, enz.

genoeg bekend, maar nooit genoeg geroemd? Ik gewaagde niet van den (2)Roskam, den (3)Harpoen, het (4)Decretum Horribile, en zoo vele anderen, vol merg van zaken, en scherpte van uitdrukking? Zal ik nu nog de Lofdichten, het Mengelwerk, de Gezangen, en andere afdeelingen der afzonderlijk uitgegevene Poëzij, waarvan ik tot dus verre nog maar alleen gesproken heb, inzien? Zal ik de (5)drie heerlijke Bijschriften voor het Burger Weeshuis, zal ik dat (6)op de Marmerbeelden van Jupijn en Leda, en zoo vele an-

[p. 173]origineel

dere u mededeelen? Neen, mijne Heeren! vergt van mij niet meerdere proeven, of geeft mij de vrijheid, alleen met Vondel's voorbeeld uwe vraag, ten voordeele der Zeventiende Eeuw, te beslissen.

Ik heb nu slechts van zijne (1)losse Poëzij gesproken, en moet, kortheidshalve, alle andere Kunstwerken met stilzwijgen voorbijgaan. Van ééne soort van gedichten wil ik echter nog spreken, van de Reijen in zijne Treurspelen. Ik zal hierna gelegenheid hebben, wanneer wij de dichtverdiensten der zeventiende en achttiende Eeuw zullen ten toetse brengen, aan te toonen, hoe kwalijk latere Dichters deze Reijen uit hunne Spelen hebben achtergelaten, hoe bijna onontbeerlijk dezelve zijn tot de aaneenschakeling der Bedrijven, en tot de zedekundige toepassingen der daden, hoe zij door glansrijke beelden en dichterlijke versiersels zwier en schildering aan de anders drooge handelingen bijzetten; nu zij het genoeg, u door weinige herinneringen voor den geest te brengen, hoe Vondel in dit vak, ik zal niet zeggen alle overige Dichters, maar zichzelven schijnt overtroffen te hebben. Eene Bloemlezing uit Vondel's Reijen ligt bij mij gereed, en ware niet deze mijne Verhandeling, wegens het mij voorgestelde doel van behandeling, van eenen grooten omtrek, ik voegde dezelve als Bijlage daar nevens; nu wil ik u slechts doen denken aan den Reij van Edelingen in den Gijsbrecht:

[p. 174]origineel
 
Waer wert oprechter trou enz.

aan die van de Eubeërs in den Palamedes:

 
Het dun gezaeit gestarnt verschiet enz.

en aan die der Joodsche Vrouwen in Hierusalem verwoest:

 
Als de vloeck met duizent benden enz.

Bewonder Vondel in zijne volle grootheid in den Reij van Engelen in den Lucifer; alles is daar krachtig en toch eenvoudig, het is een gebed, een lofzang, bij welker herinnering wij ons naauwlijks onthouden kunnen, met Vondel - wat zeg ik? - met Gods Engelen, de knieen te buigen, en het aangezigt te dekken. Maar het is mij ondoenlijk alle uitstekende Reijen op te tellen, zonder u eene dorre lijst van enkele regels, voor heerlijke dichtstukken in handen te geven. Men leze zelf Vondel's Werken, men leze zelf de beschrijving van Adam en Eva, de alleenspraak van Ruben en vele andere bekende tafereelen uit zijne onnavolgbare Treurspelen, en men vergete het Landspel de Leeuwendalers niet.

Wij eindigen - hoe eindigen! en gij hebt nog niets van den Kersnacht of Reij van Klarissen gezegd! - juist daarmede wilden wij, als het toppunt van Vondel's kunst, deze onze zwakke poging tot Vondel's vereering besluiten. Inderdaad, onze taal kent, mijns oordeels, geene schil-

[p. 175]origineel

derij, zoo treffend, zoo krachtig, zoo aandoenlijk als deze van de wanhopige en zwervende Rachel.

 
O Kersnacht, schooner dan de dagen!
 
Hoe kan Herodes 't licht verdragen,
 
Dat in uw duisternisse blinckt,
 
En wort geviert, en aengebeden?
 
Zijn hooghmoedt luistert naer geen reden,
 
Hoe schel die in zijne ooren klinckt.
 
Hij pooght onnooslen te vernielen,
 
Door 't moorden van onnoosle zielen,
 
En weckt een stadt- en lantgeschreij
 
In Bethlehem en op den acker,
 
En maeckt den geest van Rachel wacker,
 
Die waeren gaet door beemt en weij:
 
Dan naer het westen, dan naer 't oosten.
 
Wie zal die droeve moeder troosten,
 
Nu zij haer lieve kinders derft?
 
Nu zij hun ziet in 't bloet versmooren,
 
Vergaen, die naulijx zijn geboren,
 
En zoo veel zwaerden root geverft?
 
Zij ziet de melleck op de tippen
 
Van die bestorve en bleecke lippen,
 
Geruckt noch versch van moeders borst.
 
Zij ziet de teêre traentjes hangen,
 
Als dau, aen druppels op de wangen:
 
Zij zietze vuil van bloet bemorst.
[p. 176]origineel
 
De winckbraeu deckt nu met zijn booghjes
 
Gelokene en geen lachende ooghjes,
 
Die straelden tot in 't moeders hart,
 
Als starren, die met haer gewemel
 
Het aenschijn schiepen tot een' hemel,
 
Eer 't met een mist betrocken wert.
 
Wie kan d'elende en jammer noemen,
 
En tellen zoo veel jonge bloemen,
 
Die vroegh verwelckten, eerze noch
 
Haer frissche bladeren ontloken,
 
En lieffelijck voor ijder roken,
 
En 's morgens droncken 't eerste zogh?
 
Zoo velt de zicht de korenairen.
 
Zoo schud een buij de groene blaeren,
 
Wanneer het stormt in 't wilde wout.
 
Wat kan de blinde staetzucht brouwen,
 
Wanneerze raest uit misvertrouwen!
 
Wat luit zoo schendigh dat haer rout!
 
Bedruckte Rachel, staeck dit waeren:
 
Uw kinders sterven martelaeren,
 
En eerstelingen van het zaet,
 
Dat uit uw bloet begint de groeien,
 
En heerlijck tot Godts eer zal bloeien,
 
En door geen tirannij vergaet.

Vondel,’ om Brandt's (1)Lofspraak

[p. 177]origineel

op den beroemden Drossaard, ook hier weder op onzen Dichter over te brengen, ‘Vondel zal leeven, hij zal geleezen en herleezen worden, hij zal bloeijen, hij zal zich zelf bewaaren in de geheuchenis en gedachten der menschen, hij zal als een middagzon straalen en blinken in al de Wereltdeelen, zoo lang als de Hollandsche Moogenheit en taal noch in eenige achtbaarheid is, en zoo lang als er noch naaneeven gevonden zullen worden, die de oogen op de daden van haare voorzaaten willen slaan.’

 

(1)CONSTANTIJN HUIJGENS, de+ vriend van Hooft, Cats en Vondel, de Geheimschrijver van drie op elkander volgende Nassausche Vorsten, Ridder, Heer van Zuijlichem, en Rekenmeester des Prinsen van Oranje, was zoo edel van dichtvermogen als van titelen. In bijna alle talen, zoo oude als levende, bedreven, in alle wetenschappen schier ervaren, gaf hij zijne Gedichten rijkdom van gedachten en volheid van nuttige zaken. Schoon de verhevenheid van Vondel en Hooft missende, en Cats in zoetvloeijendheid en gemakkelijkheid niet evenarende, zullen de niet oppervlakkige, maar aandachtige

[p. 178]origineel

Lezers zijner Werken, overal eene eigenaardige kracht van zeggen gewaarworden, die men te vergeefs in Vondel, Hooft en Cats zoeken zal. Dit eigenaardige van uitdrukking is vereenigd met merg van belangrijke opmerkingen. Huijgens is vol en kort. Alles is ineengedrongen, doch tevens kruidig en oorspronkelijk. Zijn dichttrant mag te regt onnavolgbaar genoemd worden. Hoe meer men zijne Gedichten, die een bij hem geoefend en opmerkzaam Lezer vorderen, doordenkt, en hoe naauwkeuriger men ze gadeslaat, hoe meerdere schoonheden men zal aantreffen. Huijgens is rijk in beelden, die, krachtig en zonder eenen gezochten zwier, den aandachtige bekoren en blijven bezig houden. Overal heerscht eene juistheid van welgekozene en nieuwgedachte tegenstellingen. Door de overgroote kortheid is zijn stijl zoo wel als versificatie veelal stijf en stram, maar deze gepaktheid geeft weder eenen rijkdom, die gemakkelijk in hem doet over het hoofd zien die zoetvloeijendheid, waardoor wij zoo gaarne ons met anderen laten wegslepen. Huijgens is verstandig, leerzaam en belangrijk; en de jeugdige Dichter, die zijnen natuurlijken aanleg door stevigheid van zaken en denkbeelden pit en kern wil bijzetten, vindt in hem eenen schat, dien geen ander Dichter hoegenaamd hem zoo oogenblikkelijk en zoo menigvuldig zal aanbieden.

Het eigenaardige en krachtige zijner Poëzij blinkt bijzonder uit in zijne Zedeprenten. Dus begint de karakterschets van een' Koning:

[p. 179]origineel
 
(1)Hij is een' menigte besloten in een' kroon;
 
Een ijeders opperknecht; een slave sonder loon;
 
Het hooge dack van 't Rijck dat al den hagel uijtstaet;
 
Het groote Rekenboeck van al wat in en uijtgaat;
 
Een penningh van 't metael daer wij af zijn gemaeckt,
 
Maer op de rekenrij der duijsenden geraeckt;
 
Een Vrij-heer in de boeij, een eenwige gevangen;
 
Een bidder met gebied; een slotrijm van gezangen;
 
Een blixem die door 't stael van allen weerstand breeckt,
 
En al wat toegeeft spaert, een Wolck die Donder spreeckt;
 
Een Son die noch gelijck noch duijsteringh kan lijden,
 
Of onweer volght er op en warrelwind van tijden. enz.

Zet waarheid, geestig opgesierd, de Gedichten belangrijkheid bij, en doet eenvoudigheid, hare gezellin, dezelve in nog meerdere waarde toenemen, dan behaagt zeker de Boer van Huijgens, wiens lot voor geen' Vorst behoeft te wijken.

 
(2)'k Neem Trommel-tijden uijt, geen sijnsgelijcke Koningh,
[p. 180]origineel
 
Zijn 't andre van een Rijck, hij is het van een' Wooningh;
 
Maer vrijheit sluijt haer heck, en vrede woont er in,
 
En 't kostelick Genoegh, dat hebben and're min.

Men leze, hoe deze Boer zich geheel naif in den waren boerschen trant verklaart aan zijne minnares, de geliefde Trijn:

 
(1)‘Van ginte Molen af tot achter om 't Kadijckie
 
Verbij de Waeteringh is al mijn eige Slijckie
 
Klinck klaere klaever, Kind! Ik weet van huer noch pacht:
 
Men erven hoore mij, gelicken ick 't geslacht.
 
Let op mijn Laen ereijs, hoe roijtse na men hecke:
 
O minnelick geboomt! Ick sie 't sen armpgies strecke
 
Gelick sen Miester doet, om ijou, om ijou, om ijou,
 
Om ijou, men Hartegin, te vatte voor sen Vrouw.’

Is dit geen Poëzij? Is deze vrijerij niet regt

[p. 181]origineel

boersch, en toch poëtisch en krachtig? Krachtig was zij, dit bleek aan de uitkomst:

 
(1)Een soen, een lonck, een snick, een kneep, een tré, een suchgien
 
Besluijten sijn gespreck. Trijn gloeit, gelijck een luchtgien
 
Dat anderdaeghs moij weer, of water dreight of wind. enz.

De verdiensten van Huijgens blinken, naar mijn oordeel, luisterrijk in deze schildering, waar hij, Lucretius navolgende, deszelfs denkbeeld uitnemend eigenaardig en krachtig dus in zijn Hofwijck bewerkt:

 
(2)'t Zij goed of quaede sinn, ick voel mijn' voerspoed bet,
 
Als ijemands tegenspoed daer nevens werdt gesett.
 
Ick scheppe geen vermaeck in mijnes naasten lijden:
 
Maer, als hij 't lijden moet, soo kan ick mij verblijden
 
In dat ick 't niet en lij. Geeft mij een blockje land,
[p. 182]origineel
 
Een eiland als een' vuijst, bezeet van alle kant. -
 
Geeft mij dat Eijland rijck van Beemden en van Koren,
 
Geeft mij een Huijs daer in om weelde te bekoren;
 
Geeft mij Bosch om dat Huijs, en langhs mijn steile strand
 
Of opgeworpen Hout, of uijt de konst geplantt;
 
Siet mij daer wandelen vrij van den brand van 't Zuijen,
 
Van Oost en Wester vlaegh en van de Noorder buijen;
 
Siet mij daer sorgeloos van d' een en d' ander hoeck
 
Vertreden mijn gepeins, of oock een beter boeck,
 
Een wijser mans gepeins, terwijl een' vloot van Zeilen,
 
Die storm en holle Zee den anderen toe keilen,
 
Gedreight werdt gangh voor gangh met 's levens lesten krack
 
Op mijner stranden klipp: denckt of ick mijn gemack
 
Afsteken sie, als 't witt bij 't swart van die elende;
 
Denckt of ick mij rondom, als in mijn' roosen, wende;
 
Terwijl dat arme volck de handen van 't geschrobb
 
Van touw en takel zeer ten duijst'ren hemel op
[p. 183]origineel
 
Met kromme knijen streckt: denckt of 't mijn' lust verdobbelt
 
Dat ick soo veiligh sitt, en mijns gelijck soo tobbelt,
 
Soo dobbelt om sijn lijf. Soo gaet het allerweeghs,
 
Hoe dichter onlust is bij wellust, hoe meer deeghs.

Hoe geestig schetst hij kort daarop aldus zijne vergenoegdheid:

 
(1)Wat scheelt het of mij dit een bosjen of een bos doet?
 
Wie leeft van overschot? de weide die den os voedt
 
Is voor hem all' de Wer'ld, en hondert mergen gras
 
En doet hem niet meer nuts, dan of 't 'er niet en was;
 
En duijsend roeden houts en sou mij niet meer strecken
 
Dan minder, die mij hier verlustigen en decken.
 
Kost ijeder dat verstaen, wat waer de gierigheit
 
In haer holl kaeckgebeent een schoon gebit geleit?

Men leze ook het vervolg. De verzen rollen wel niet gemakkelijk, en hier en daar heeft men iets

[p. 184]origineel

duisters, maar de woorden zijn uitnemend gekozen, de beelden aardig geschikt, de zaken belangrijk. Alles is zenuwrijk en schilderachtig.

Huijgens blinkt ook bijzonder uit in zijne Sneldichten. Voorwaar wij weten geen' Dichter, die hem hierin evenaart. Wijsheid, geestigheid, kracht en kortheid heerschen in vele derzelven; wij zullen eenige tot proeven bijbrengen:

(1)Kragtige baden.
 
Rijmer is met sijn stramme leden
 
Naar Akens baden toegereden,
 
Daar heeft hij geld en zael en peerd
 
In alle vrolickheit verteerd.
 
Siet wat de wateren vermogen:
 
Hij is te paerd na 't Bad getogen,
 
En op sijn voeten weer gekeerd.
(2)Hopman Dirk.
 
Sij liegen 't die verklaeren
 
Dat Dirk geen hert en heeft,
 
In allerlei gevaeren
 
Gevoelt hij dat het leeft,
 
En als de popelblaeren
 
Van 't minste windje beeft.
[p. 185]origineel
(1)Milde dank.
 
Gierige Gijs had zich over gesorghd,
 
En in 't wanhopen zich zelven geworghd,
 
Had hem sijn knecht niet een sneetje gegeven
 
't Liep er op 't end van zijn gierige leven.
 
't Loon, dat de goede knecht kreegh voor sijn trouw,
 
Was een' dank hebt, mist betalende 't touw.

Ik herinner mij nog de volgende:

 
Louw trouwt een rijke meid, scheel, scheef en misteekend.
 
Hij neemt ze bij 't gewigt, 't fatsoen wordt niet gerekend.

En deze:

 
(2)In eenen dagh, sei Hans, was hij van Côln gereden
 
Op schaetsen in den Haegh. Sijn knecht viel in sijn reden,
 
En sei in eenen dagh, mijn' Heeren, dat is waer;
 
Maer ghij moet weten, 't was de langste dagh van 't jaer.
[p. 186]origineel
(1)Op Pieters Dichten.
 
Schrijft Pieter altemet een veers,
 
't Is dobbel waerd in 't licht te komen:
 
Werdt maer mijn seggen wel genomen:
 
Ick meen in 't vier, of in de keers.

Huijgens is het bevalligst, zoetvloeijendst en schilderachtigst in zijn Tempe of Voorhout van 's Gravenhage. Hier toont hij, dat hij zijnen wigtigen en stevigen dichttrant den edelen zwier van eenen lossen tooi en aardigen val konde bijzetten, en dat hij ook dit gedeelte der Poëzij als in zijne magt had. Kan men de Lente, en haren invloed op de lucht, den grond, het vee en het geboomte natuurlijker schilderen, dan Huijgens gedaan heeft in deze regels:

 
(2)Als de locht begint te lauwen,
 
d'Aarde opent schreeff bij schreeff,
 
't Weeldrigh Vee begint te kauwen
 
Daer het schuitjen onlanghs dreeff;
 
'k Sie uw bolle botgiens bersten,
 
'k Sie se baren elck haer blad,
 
Als een vruchtjen dat haer persten
 
Doe 't in 's moeders darmen sat.
 
'k Sie die onlanghs doove struiken
[p. 187]origineel
 
En soo meenig' schraelen tack
 
In een' oogenblick ontluijcken. enz.

Huijgens, mijns oordeels, niet genoeg naar waarde bekend, wacht nog met reden op eenen waardigen Levensbeschrijver en Lofredenaar, die met genoegen zich zou verlustigen in deze

 
(1)Gestosseerde Galerijen
 
Vol van Kunst en Wetenschap,

en bloemen zou kunnen plukken in dit

 
Bloemhof mild van geur
 
Rijk door zijn verscheidenheden
 
Van gedaante en levend kleur.

(2)Vondel, uit wien deze regels zijn overgenomen, verheft Huijgens met de uitgezochtste lofspraak, wegens een kunstvermogen geheel zeldzaam, en vooral te roemen in hem, die in zoo groot eenen drang van bezigheden zich zoo zeer oefende, en zich zoo loffelijk met de dichtkunst bezig hield.

 

+Geene onverdienstelijke Dichters waren toen JOHAN de BRUNE, en Jan van der

[p. 188]origineel

Veen, beroemd door hunne Zinnebeelden. Het graveerijzer en de dichtpen wedijverden in deze Eeuwe, om deugd te bevorderen, het verstand te verlichten, en de aandoeningen van het hart met geestige trekken te schetsen. De eene kunst onsteunde de andere; van dubbele waarde zijn daarom zulke Werken; en even min als de Etsnaald in latere dagen de Meesterstukken dezer tijden heeft kunnen overtreffen, even min zijn daarna Dichters opgestaan, die des Kunstenaars beelden met beter en zangrijker verzen hebben versierd.

(1)Johan de Brune, een man van zeer veel aanzien, ja tot de waardigheid van Raadpensionaris van Zeeland verheven, toont overal eene stevige geleerdheid, pralende in eenen zuiveren stijl. Hij is kiesch van uitdrukking, vloeijend van dichttrant, en vol van geestige wendingen. Zijn Zinnewerk is zedekundig en verstandig; b.v.:

 
(2)Een teer-gevoeligh peerd, vol geest en moed geboren,
 
Wanneer het wert te veel geprickelt met de sporen,
 
Het briest, het stijhgt om hoogh, de Ruijter moet in 't zand:
[p. 189]origineel
 
Maer, die het zoet berijt, die heeft het heel ter hand.
 
Het peerd is vrouw Fortuijn, 't geluck van 's weerelds zaken,
 
Met welck wanneer wij ons, in eerbaer stilt', vermaken,
 
Wij zijn daer med' gedient: maer dieze vergt geweld,
 
Wert, zonder eenigh' hoop van opstaen, neer-gevelt.

Van gelijke waarde zijn de Zinnebeelden of de+ Adams-Appel van (1)JAN van der VEEN. Is het waar, hetgeen niemand kan ontkennen, dat goede Poëzij iets muzijkaals of zangerigs met zich voeren moet, zoo verdienen vele zijner Gedichten lof. Dus bezingt hij b.v. in een zijner Zinnebeelden het geluk van den Landman boven den Vorst, en bewijst ons tevens, dat er heerlijke zaden van kunst in hem aanwezig waren.

 
(2)Geen Keijserlijke rijken,
 
Geen Croonen sijn te lijken,
 
Noch Ridderlijke spoedt,
 
Bij 't reijn vernoeght gemoedt,
[p. 190]origineel
 
Sijn kleijn ghewin ghevalt hem groot
 
Sijn bruijnne rogge is witte-broodt,
 
't Gunt hem verzaadt,
 
Trots Princelijk ghebraadt. -
 
 
 
Met over-groot vertrouwen
 
Gaat sulken Bouw-man bouwen,
 
Of hoeden 't sachte vee
 
In onbenijde vree.
 
Sijn kommerloose Rieten-hut
 
Met leeme wanden onder-stut,
 
En ruijld' hij niet,
 
Om Coninklijk gebiet.
 
 
 
Wanneer des morgens bloosen
 
De dageraatsche Roosen,
 
Hij flok ten bedde uit stijght,
 
En voor den Schepper nijght.
 
Hij dorscht en wannt en egt en ploeght.
 
Hij eet en drinkt, en is vernoeght,
 
Vernoeght alsins,
 
Veel beter als een Prins.
 
 
 
Geen noodeloos begeeren,
 
Geen vrek-lust sal hem deeren,
 
Schoon Godt hem 't aardsche goet,
 
Verleende in over-vloet.
[p. 191]origineel
 
Hij steldt daar op noch hart noch zin,
 
Is veel of luttel sijn ghewin,
 
In groot en kleen
 
Al even-wel te vreen.

Is het niet te bejammeren, dat zulke goede en zoetvloeijende Dichters ten eenemaal vergeten en verworpen zijn?

 

Dit zelfde heeft ook eenigzins plaats omtrent de+ Dichtwerken van eenen (1)JAN SIX en zijnen beroemden naamgenoot Six van Chandelier; van den laatste heb ik geene Gedichten in handen gehad, van den eerste slechts weinige. Jan Six, die als Burgemeester en voorstander der Kunsten in Amsterdam toen ten hoogste beroemd en geeerd was, tot wiens lof zoo vele Dichters gezongen hebben, die door (2)Rembrant's stist in onvergetelijk koper allerkunstigst vereeuwigd is, verdient onze hulde als Dichter. Zijn dichttrant is stout en natuurlijk. Men zie b.v. in het Ge-

[p. 192]origineel

dicht (1)Behoude Weerom-reis van Maarten Harpertsz. Tromp, de aanspraak van dezen Zeeheld.

 
‘Wie zouw een dagh, ja één uur willen geven
 
Tot roem besteet, voor langh wellustigh leven,
 
Daar qualijk doen al 't quaat is, dat een Man
 
Van eer, en ook niet anders, quetsen kan?’
 
 
 
Hij swijgt hier op. Zij sweeren 't Lant te wreeken.
 
Een godlijk vier schijnt hun de borst t'ontsteeken.
 
Men mengt beleit en 't woeden onder een.
 
Wat feller Slagh! voor mij ik weet 'er geen.
 
 
 
O Tromp! Triumf, triumf! genoech bevochten;
 
Zij hebben niet gevonden dat zij zochten:
 
O neen! 't en zij dat slagen buit beduit.
 
Of waren zij belust op loot en kruit? enz.

Nog zinrijker is zijn (2)Grafschrift op Joan van Galen, dat, als een voorbeeld voor hun, die in deze soort van gedichten hunne krachten willen beproeven, vrij mag aanbevolen worden.

 
Van Galen hiel, tot roem van 't Vaderlant,
 
Op eenen Been zo lang kloekmoedich stant,
[p. 193]origineel
 
Tot dat hij had verkregen d'overhant
 
Van vijftien Kielen;
 
Vermant, verjaaght, versonken en verbrant.
 
Zijn Lijf is hier, zijn Eer aan alle kant.
 
Geen tijt, verduurt van Gouwt noch Diamant,
 
Kan deught vernielen.

Er is nog een beroemd Treurspel Medea van hem; dan ons roept tot zich de Decker, een man, min aanzienlijk van geboorte, maar zeer zeker niet min aanzienlijk in Dichtvermogen.

 

(1)JEREMIAS de DECKER was een+ Dichter, edel van hart en zacht van gevoel, wiens natuurlijke en eenvoudige schoonheden den opmerkzamen Kunstregter zeker zullen bekoren. Geestige wendingen, ongedwongene aardigheden, netheid van taal, zoetvloeijendheid, onopgesmukte geleerdheid en wetenschap blinken overal in zijne Rijmoefeningen.

(2)Geest en verstant,’ zegt zijn Levensbeschrijver, en wij met hem, ‘Geest en verstant, die twee eigentlijke punten, waerop des menschen bequaemheit bestaet, en welker een zon-

[p. 194]origineel

der den anderen te hebben, slechts een half gelukkigen uitmaekt, blinken alomme zoo heerlijk, en met zoo veele aenlokkende sieraden in zijne werken uit, dat geene jaren, noch bitze haet en nijt van ruekeloze onwetenheid, dezelve in kleinachtinge hebben konnen brengen, ofte in het toekomende omverrewerpen zullen, maer zoo lange de Nederduitsche Poëzij eenige achtbaerheit behout, om de kraght en eigenschap zijner ongemeene uitdrukkingen, de verwondering en goetkeuring van alle brave vernuften weghdragen zullen.’ Belezenheid in de schriften, zoo van oude als latere Schrijvers, straalt door op iedere bladzijde zijner Gedichten. Van hem wordt getuigd, (1)dat hij, om eene bijzondere netheid van taal in zijne verzen te brengen, zich op het beschaven en opbouwen der moederspraak met een bijzonderen ijver toeleide; dat hij, tot zijn eigen gebruik, eene Spraakkunst ontwierp, om niet bij den tast henen te schrijven, maar orde en maat te houden. De groote Vondel zelf noemde hem een Dichter van (2)sierlijke netheid. Hij was, daarenboven, van zoo groot eene nederigheid, dat hij nimmer eenig vers algemeen maakte, vóór het de goedkeuring van andere, bij hem geachte, lieden had verworven. Zijne vertalingen zijn juist. De Lof der Geldzucht, het uitgebreidste zijner Gedichten, bevat een schat van geleerdheid en menschen-

[p. 195]origineel

kennis. Zijn dichttrant is, naar eisch van onderwerp, nu eens zacht en teeder, dan weder stout en weelderig, altijd natuurlijk. Zijn Goede Vrijdag of het Lijden van Jezus is meerder lijriesch dan wij ons herinneren immer eene dergelijke verzameling gelezen te hebben. Alles, bij anderen dor en droog, is hier schilderachtig. Dus begint hij, bij voorbeeld, dat tafereel, waarin hij zich den Zaligmaker als gekruist wordende voorstelt:

 
(1)Ik hoor de spijckeren met ijsselijcke slagen
 
Door hout en handen jagen.
 
't Geklop gaet overhand;
 
De wreedheijd treft bij beurt dan d'een dan d'ander hand.
 
Nu sal se gaen aen 't hout de teere voeten hechten:
 
Daer smijtse door den rechten,
 
Daer door den slincken heen.
 
Amij! wat slaen is dat! dat knerst door vleesch en been!
 
Men recht het hout omhoog: ach! ach! dat dreunen, draeijen,
 
Dat waggelen en swaeijen,
 
Dan van, dan na den grond,
 
Is elk hier weer op nieu een slag in elke wond.

Onder zijne beste Gedichten behoort ook voor-

[p. 196]origineel

zeker Romens oude ijver in Piemont vernieuwt. Hoe stout en krachtig is niet de volgende schildering, en hoe kunstig de versificatie naar het onderwerp geschikt!

 
(1)'t Was niet genoeg d'onnozelen te jagen
 
Op een' barbaersche wijs
 
Door honger, sneeu en ijs,
 
Uit huis en hof in 't hart der winterdagen;
 
't Was niet genoeg hun goed ten buit te geven
 
Aen plonderziek gebroed;
 
Men heeft hun neffens 't goed
 
Verradelijck oock bloed ontruckt en leven.
 
Het moordziek heir valt dui uijtgelaten,
 
Met vlammen, loot en stael,
 
('t Hair rijst mij in 't verhael)
 
Op luiden aen van allerhande staten,
 
Sticht brand en moord in die beknelde scharen,
 
Ziet sex noch ouder an,
 
Hackt neder vrou en man,
 
Viert grijzen kop niet meer als groene jaren,
 
Doet wreedelijck in sijnen bloede smooren
 
Den tedren zuigeling,
 
Ja verft de dulle kling
 
(O helsche wrok!) in 't bloed des ongeboren.
 
En schoon een deel op bergen tracht t'ontslippen
[p. 197]origineel
 
De klauwen van 't gevaer,
 
De wreedheid vliegt ze naer;
 
En slingertze te morzel van de klippen.
 
Hier woed die prij met ijser, daer met stroppen,
 
En stopt en kopt en keelt,
 
En bolt en rolt en speelt
 
Nu zat gemoord, met armen, beenen, koppen.
 
't Getier des heirs, 't geschrei der vrouwsperzoonen,
 
Der kinderen geween
 
Klinkt door de rotsen heen,
 
En slaet het oor met ijsselijke toonen.
 
Zelfs schroomt de Po aen sulke grouwel-vlecken
 
Te schenden haren vloed;
 
Zij spoed sich om den voet
 
Van dat bebloed gebergte niet te lecken.

Is dit stout, de zachte toon was hem meer eigen. Het zij hij den (1)Morgenstond, of de (2)Lente bezingt, keur van woorden en zaken bekoren ons met eene onnavolgbare eenvoudigheid. Dat zelfde heerscht in het Gedichtje op eenen Te vroegh ontluikende Bloeme. Kan de lier zachter toonen geven dan zulke?

 
(3)Teer bloemeken, sie wat ghij doet,
[p. 198]origineel
 
Ghij derft het al t' ontijdig wagen;
 
April heeft ook zijn wintervlagen,
 
En geeft noch wel een' witten hoed.
 
Ghij geeft u al te vaardig bloot;
 
Daer kan nogh wat ontstaen van 't Noorden
 
't Welk quetzen kan, ja gants vermoorden
 
Uw geestig wit en aerdig root.
 
Beklagen zult ghij nogh misschien,
 
Dat ghij, op de eerste lente-liefde
 
Of laeuwte uw zwanger knopken kliefde,
 
En ons uw blos zoo vroeg deed zien.
 
Een Maertsche lach dient niet vertrout.
 
Laet, zoo 't u veilig lust te pralen,
 
Apoll den Stier eerst achterhalen.
 
Ghij slacht den Zeeman, die, te stout
 
Op eenen schoonen dag of twee,
 
Zijn ancker licht en valt aen 't varen,
 
Maer nau gekomen in de baren,
 
Weer roept om zijn verlaete ree;
 
Wanneer hij al bestorven ziet,
 
Hoe fel van de onverwachte vlagen
 
Zijn vlot gebeuckt wordt en geslagen
 
En heen solt daer 't de wind gebied;
 
Wanneer hij in verzuipens nood,
 
Van zant, van zout, en schuijm bedolven,
 
Meent soo veel doôn te zien als golven,
 
En t'elkens wacht den jongsten stoot. enz.
[p. 199]origineel

Schoon van alle zijne Gedichten zijne Puntdichten mij het minst behagen, dragen echter ook deze somwijlen de sprekendste blijken van zijn vernuft en krachtige dichtpen. Dit kan tot voorbeeld dienen:

(1)Op iemand.
 
De schriften, die ghij schrijft, zijn eeuwig, ik beken't;
 
Want van uw' kladderij en is begin noch end.

of dit:

 
(2)Een dubbel onverstant heeft over u gebied.
 
Een weet-niet zijt ghij vriend! en ghij en weet 'et niet.

Alsmede dat op Francois Draek, verkeerdelijk echter, zoo het mij voorkomt, onder zijne Puntdichten in plaats van onder de Bijschriften geplaatst.

 
(3)Vermaerde Draek bekend aen 't ander end der baeren,
 
Gezien van 's werelds een' en 's werelds ander zij;
 
De sterren zullen u, zoo tonge zwijgt, vermaeren,
 
En d'een en d'ander Pool staeg schateren van dij!
[p. 200]origineel
 
Schrijf, groote Draeck, schrijf vrij op Hercules Pilaren:
 
‘Nogh vorder, Hercules, nogh grooter ik als ghij.’

Heeft de Decker verdiensten als Zede-, Bijbel- en Puntdichter, bovenal is hij uitstekend en als 't ware onnavolgbaar in zijne Geboorte-, Bruilofts- en Lijkdichten. Deze, bij zoo vele andere, vooral latere Dichters, eentoonig, gedwongen, laf en walgelijk, zijn hier vol geest en smaak; zij zijn eenvoudig en toch treffend. Verstandig en gevoelig schildert hij de liefelijkste en belangrijkste tafereelen des huisselijken levens. Hij toont ons zijne diepe kennis van het menschelijk hart, en tevens zijne eigene deugd en godsdienstliefde. Breng u slechts voor een oogenblik voor den geest den diepbedroefden aanhef van het nooitvolprezen Gedicht: Aan mijnen Broeder, op Batavie in de Oostindiën overleden:

 
(1)O zaligh ghij, die ons verdriet:
 
Ons' bitt'ren huis-rou niet en ziet,
 
En niet en hoort ons' lijck-gebaren;
 
Maer zacht en vreedzaam uitgestrekt
 
In 't uiterst end der Oosterbaren
 
Ligt van 't Javaensche zand gedekt!
[p. 201]origineel
 
Dit, Broeder, was 't, dat ik u seijde
 
Ten dage toen ghij van ons scheidde;
 
Dat ghij wel gingt in groot gevaer,
 
Maer grooten rou ontgingt met eenen,
 
En vrij soudt sijn van Vaders baer
 
Te volgen op bezweke beenen.
 
 
 
't Ver af-zijn hiel uijt uw gezicht
 
Zoo schadelijk een blixem-licht;
 
En om den donder niet te hooren,
 
Heeft ook de dood gedaen het haer,
 
En gunstelijk bij tijds uw' ooren
 
Gestopt voor een' zoo droeve maer.
 
 
 
Maer ach! die bittre en ongetrouwe
 
Rukt ons alhier van rouw in rouwe:
 
Wij hadden nau aen u volbracht
 
Des treur-gewaeds vereischte plichten,
 
Of zij en loost op ons geslacht
 
Flucx weêr een' van haer felste schichten;
 
 
 
En treft (ô onverzetlijck kruijs!)
 
Het Hooft en d'eere van ons huis;
 
Zij schiet de groote spil in stucken,
 
Waer op het hing als op zijn' as;
 
En komt den kinderen ontrucken
 
Den besten Vader die oit was.
[p. 202]origineel

Dit is Pöezij, en de taal des harten tevens. Om zulke Lijkzangen, als die van de Decker, op zijnen Vader te vervaardigen, moet men en zijnen Vader zoo lief gehad hebben als hij, en de dichtpen met zulken lossen en geestigen zwier kunnen voeren. De Decker's roem moet niet sterven, dan met dien van Vondel, Hooft, Huijgens en andere Hoofddichters van ons Vaderland.

 

+Onder de uitnemende Minnedichters van dit tijdperk ware het onvergeeflijk met stilzwijgen voorbij te gaan (1)DANIEL JONCKTIJS, een man van aanzien en geleerdheid. Mannelijke woorden gaan hier gepaard met eene gemakkelijkheid en losheid, die in de beste Gezangen van Hooft zoo zeer doorstralen.

 
(2)Ondoorgrondelijcke gronden!
 
'k Ga niet vaijlig, sonder nood;
 
'k Ben niet vrolijck, sonder vvonden;
 
'k Kan niet leven, sonder dood.
 
 
 
't Zijn tvvee OOGEN die mij geven
 
Dood, en doodelijcke vvond:
 
En dat dooden doet mij leven;
 
En dat vvonden maeckt gesond. enz.
[p. 203]origineel

Door zulk eene dichtwijze wordt de Poëzij eene harmonische mengeling van welgeschikte woorden, gelijk de toonkunst eene welluidende zamenstelling is van enkel welgeplaatste en gepastluidende klanken.

Allerwegen vloeijen de Gedichten van Joncktijs over van nieuwe wendingen, geestige vonden, beschaafde uitdrukkingen, roerende beelden en overliefelijke tegenstellingen. Tot getuige kan strekken de tweespraak tusschen een Roos en Roselijn:

(1)Roos.
 
VVanneer mijn purper bloosje bleijckt,
 
Mijn steeltje na sijn Moeder reijckt,
 
Mijn tenger knopje, met ter tijd,
 
Allenckjes hare blaertjes vvijdt,
 
Die heette Sonn, of schrale VVind,
 
Daerna, van haren band ontbindt;
 
Koomt maer de Lente vveder aen,
 
Men siet mij even jeugdig staen.
 
Maer, ROSELIIN, raeckt gij eens quijdt
 
Het beste van uw lente-tijd;
 
Daer is geen hópe meer: en, ah!
 
Daer volgt een stagen vvinterdag.
 
V lodderijgen oogen-gloed,
 
Die soo veel herten branden doet,
[p. 204]origineel
 
't Corael dat om u lippen vloeijt,
 
Den glantz die op uvv vvangen bloeijt,
 
Vervvelckt hij eens, geen Somervvêer
 
Herbrengt zijn eerste schoonheid vvêer.
Roseliin.
 
Als eens u blaertjes sijn verdroogt,
 
Geen Lentensog haer vveder soogt;
 
Leijd eens u steel sijn knopjen af,
 
't En rijst noijt vveder uijt het graf:
 
Maer vvel een uvv's gelijcke blomm
 
Brengt ons de Lente vvederomm.
 
Dan 't gaet niet vast, vvanneer de Dood
 
Dees OOGEN van haer kracht ontbloott,
 
En mij 't gemeene pad doet vlien,
 
Of d'aerde mijns-gelijck sal sien.
Roos.
 
Indien de gaven van de jeugd
 
Noijt keeren tot haer eerste deugd,
 
Maer gaen van dag tot dag meer aff;
 
VVaerom dan, 't gêen den Hemel gaf
 
Vervvareloost? voorvvaer, indien
 
Gij soo u gaven hêen laet vliên,
 
VVas 't vreemt, indien, na uvven dag,
 
Noijt Oog uvvs OOGS gelijck en sag?
[p. 205]origineel

Kan men krachtiger en heerlijker Cupido's onweerstaanbare magt schilderen, dan Joncktijs in de volgende uitmuntende regels gedaan heeft?

 
(1)Gij morselt, door de sachte Minn,
 
De tanden van de Tijgerinn;
 
Gij doet den vvreeden Leeuvv bedaren,
 
En brandt den VVal-visch in de baren.
 
 
 
Gij koelt het kokend oorlogs-bloed
 
Van Mars; gij temt sijn grammen moed,
 
En doet hem van sijn aerd ontaerden,
 
In 't midden van gevervvde fvvaerden.
 
 
 
Gij ruckt Jupijn, na dat sijn macht
 
De Reusen t'onder hadd gebracht,
 
Den Solpher-blixem uijt sijn handen,
 
En doet hem door uvv blixem branden,
 
 
 
Dat hij sijn Conincklijck gevvaed,
 
Sijn Vrouvv en Hemelstoel verlaet;
 
Gij doet hem als een regen druppl'en,
 
Of met de dulle stieren hupp'len. -
 
 
 
De Aerd, met alles vvatter leeft,
 
De Zee, met alles vvat er svveeft,
 
De Hemelen, met hare Goden,
 
Die luisteren na uvv geboden.
[p. 206]origineel
 
O Minn! vvaer vindt men uvv's gelijck?
 
Ghij daelt in Plutôos duijster Rijck;
 
En vvien de Helle niet kan déren,
 
Doet ghij door 't minne-vuijr verteren.

Joncktijs is, mijns oordeels, een Dichter van de allereerste klasse. Is het een hoofdtrek der Poëzij, het eenvoudig schoone der natuur na te sporen, op te vangen, en anderen voor oog en geest te brengen, hoeveel heeft de Minnedichter hier voor! Het hooge met het zachte, het stoute met het teedere, vindt hij in den aard zijns onderwerps, vereenigd. Hierdoor, als door eenen stroom, in levendig gevoel en treffende beeldspraak weggerukt, doet hij zijne Gedichten in Gezangen vloeijen tot allerlei liefelijkheid en bekoorlijkheid. Zulk een Minnedichter was Joncktijs, wiens lof op aller lippen zweven moest, en wiens naam ook bij zoogenaamde Kunstregters naauwelijks bekend is.

Ten besluite strekke deze vergelijking tot eene proeve zoo van juiste opmerking als gepaste navolging:

 
(1)Gelijck een schip in Zee, bevochten van den vvind,
 
Bestorremt van de baren,
 
VVanneer men aen de Lucht geen ander licht en vindt,
 
Dan 't geen de blixems baren:
[p. 207]origineel
 
Als grijse stuijr-luij, steeds in 't stuijren opgevoedt,
 
Zijn 't eijnde raed, en rede:
 
En dat den angst, voor 't laest, het sidderend gemoed
 
Doet vvorst'len met gebeden:
 
Soo vveer 't gesvvolle vocht vverd effen, en 't gevveld
 
Der stormen koomt te enden,
 
En 't baken daer ontrent een goede have meldt,
 
Verheugd sij dervvaerts vvenden.
 
Dus is 't met mij gestelt, enz.

Maar genoeg; alles is even fraai. Hij moge, als Janus Secundus en Adrianus Relandus, niet veel gedicht hebben, maar hij heeft even voortreffelijk als dezen gezongen. Hij is rijk in uitnemende navolgingen van nieuwe en oude Latijnsche Dichters. Tot vorming van den smaak was zulk eene navolging, zulk eene beoefening, bijzonder der Latijnsche Poëzij, toen vooral noodzakelijk; dit zag Joncktijs, en door deze beoefening werd hij in staat gesteld, kracht van zaken met keur van zachte woorden tot eenen liefelijken Minnekrans te vlechten. Immers, om krachtig te zijn behoeft men met Jan Vos de trompet niet te steken. - (1)JAN VOS, zeg ik, en toch niet zon-+der eerbied; hier was veel, zeer veel geest, maar

[p. 208]origineel

geene genoegzame beschaving en oefening. Vernuftig zijn deze regels:

 
(1)Dies zal ik u de neus flux uit uw aanzicht bijten,
 
En al wat manlijk is van uwe lighaam rijten,
 
En stroopen u de huid, al levendig, van 't lijf,
 
En steeken u aan 't spit; en schaffen 't helsche wijf,
 
Uw Godvergete moêr, de gaargebraaden schinken,
 
En geeven haar uw bloedt, met wijn doormengt, te drinken.

en ook deze:

 
(2)'t Was Aran, die zich heeft met moedermoordt beklat,
 
Toen hij haar buik opsneedt en zag waar dat hij sat,
 
Eer hij geboren was.

Maar zij behagen niet; integendeel, zij doen eene verkeerde uitwerking, zoodat wij er eerder om lagchen, dan om treuren; en dit toch zal Jan Vos met zijn Treurspel Aran en Titus niet bedoeld hebben.

[p. 209]origineel

Als Puntdichter verdient hij lof wegens bondigheid en scherpzinnigheid. Zie hier een paar Puntdichten tot voorbeelden:

Joost en zijn Wijf.
 
(1)Joost wil zijn wijf, zegt gij, vermaaken. Laat hij 't doen.
 
Zij hoort vermaekt te zijn, want 't is heel quaadt fatsoen.
Flip, een gebogcheld Poëet.
 
(2)Flip roemt zich meester van de Dichters in het Sticht.
 
Wie dat hier teegen spreekt dreigt hij met steekgedicht.
 
Vraagt gij: hoe kan de geest van Flip zoo overvlug gaan?
 
Hij heeft Parnas, de berg der dichters, op zijn rug staan.

Ook zijne Bijschriften zijn veelal krachtig en bevallig tevens. Dat op Laura heb ik altijd een van de uitnemendste gevonden; het luidt aldus:

Laura. Aan den Schilder.
 
(3)Maal Laura met een speer, zij zal Minerf gelijken.
[p. 210]origineel
 
Verschijnt zij met een boog, men ziet de Jagtgodin.
 
Geef haar een goude staf, zij zal geen Juno wijken.
 
Vat zij een appel, z' is de Moeder van de Min.
 
Vertoef. Mijn Laura hoeft geen praalglans van Godinnen.
 
Al wie men bij haar lijkt geniet onsterflijk' eer.
 
Wie ijder overwint, laat zich van haar verwinnen.
 
Vertoon haar in het veldt: Natuur vereischt geen meer.
 
Het zonlicht kan geen glans van bruine wolken haalen.
 
Wie schoon is van zich zelf hoeft geen geleende praalen.

Ik herinner mij ergens Jan Vos een verongelukt Genie te hebben hooren noemen, dat hij een Genie geweest is, lijdt, onzes oordeels, geen twijfel. Had hij in beschaafder stand geleefd, of zijnen geest door de oude Letterkunde beschaafd, zijn uitnemende aanleg had meer voedsel kunnen erlangen. Wie kan van een Glazemaker of Smit verwachten, dat zijne dichtpen de +zachtste en fijnste trekken van kunst zal voortbrengen? Smit, schreven wij, en wij dachten aan (1)JAN HARMENSZ. KRULL, een Dich-

[p. 211]origineel

ter van zachteren aanleg en meerdere beschaafdheid dan Vos. Deze volgde in alles den trant van Cats, en was een zoetvloeijend en schilderachtig Dichter, schoon zonder buitengewone verheffing. Hij dichtte gemakkelijk, en daardoor is zijne Poëzij zoetvloeijend, doch tevens vol herhalingen. Het is ook ten dezen opzigte met Krull even als met Cats gesteld, hij heeft een geduldig en onderzoeklievend Lezer noodig, die dan ook veel fraais bij hem vinden zal. Het zij men de Werken zijner Jeugd, zijne Minnebeelden, Sanghrijmpies en Spelen, of die van meer gevorderde jaren, de Kracht der Deught en Noodzakelijck Wereld-haten inziet, het zij men den Minnespiegel, of Weghwijser ter Deughden en Christelijke Offerande gadeslaat, overal vindt men bewijzen van eenen wel niet hoog, maar zacht en liefelijk gestemden geest. De deugdzame en welgezinde man blinkt in zijne Gedichten alomme door, en zijne Zedekunde is niet gelijk die van latere Dichters stijf en stram, maar los en bevallig; b.v.:

 
(1)'t Is met het wereldsch zoo gesteld,
 
Gelijk een bloempje op het veld,
 
Dat heden aen zijn struijkje brald,
 
En morgen los ter aerden vald,
 
Dat heden schoon en krachtig staet,
[p. 212]origineel
 
Maer morgen al zijn glans verlaet,
 
Om dat het van den Hemel word
 
Met felle buijen overstort. enz.

In zijne Minnebeelden vooral is hij niet ongelukkig. Men verbeelde zich Cupido met eene omgekeerde brandende fakkel.

 
(1)Het bovenst staet omlaegh, het laeghts comt op gesprongen,
 
De vlammende Flambë dwinght Venus kleene jongen
 
Al brandend' na de Aerd: doch hoe hij 't laeger dwinght,
 
Hoe dat de lichte vlam (al brandend') hooger springht.
 
't Gaet even soo met die, die 't minnen somtijds pleghen:
 
Hoe meerder in bedwangh, hoe grooter in 't geneghen.
 
't Is even in der daedt, gelijck Cupido wijst,
 
Hoe men de min meer dwinght, hoe dat sij hooger rijst.

In zijne Gezangen is hij los en bevallig.

 
(2)Op mijn hert! 't begint te dagen,
[p. 213]origineel
 
'k Wil mijn vee te velde jagen, -
 
Nu den dageraet begint,
 
Met een zoete zuije wind;
 
Nu de roosjes zijn ontsloten,
 
Met een Hemels douw begoten,
 
Nu het gras bedropen leijd,
 
Met een natte zoetigheijd;
 
Nu dat loof en bloem ontluijken,
 
Onder schauw van lommer struijken,
 
Nu het helder Zonnelicht,
 
Straeld op bosschen groen en dicht,
 
Schitterd door de elzen bomen,
 
In de klare water stromen,
 
't Schijnzel van zijn eerste graed,
 
In de koele dageraet.
 
'k Hoor in 't bosch de zoete dieren
 
Vrolijck zingen, tierelieren,
 
Neurend met een zoet geluijt,
 
Overzoete deuntjes uijt, enz.

Zijne Gedichten zijn vol vergelijkingen, die echter, gelijk die van Cats, van herhalingen geenszins vrij zijn; b.v.:

 
(1)Wanneer een kleene vonk in tijts niet wordt gebroken,
[p. 214]origineel
 
Het vijer niet uijtgedooft wanneer 't begint te smoken,
 
De vonk ontsteekt de brant, en maekt een felle vlam,
 
Om dat men haer in 't eerst hun voetsel niet benam;
 
De vlam vernielt het al waer dat se bij ken raken,
 
Men siet se menigh huijs tot puijn en assche maken.
 
Soo gaet het met een Vrouw, als zij haer wille heeft
 
En boven het gebiedt van hare vooght-Heer leeft! -
 
Een Vrou is als een Paert, dat alst sijn wille heeft,
 
Seer weijnich na de wil van sijne Meester leeft.

Krull is niet, gelijk andere Dichters van dien tijd, kiesch op de regels der tale.

Wij hebben reeds genoeg bijgebragt om hem u als Dichter te doen kennen; dit is, zoo ik meen, niet te ontkennen, dat zijne Gedichten niet genoeg bekend zijn.

 

+Het zelfde oordeel ik omtrent die van (1)REINIER ANSLO, een man in zijnen tijd al-

[p. 215]origineel

gemeen beroemd, en door Vondel geprezen om zijne (1)sierlijke netheid. Zijne Po zij is krachtig en vol van fijne en oorspronkelijke gedachten. Vooral verdient de (2)Parijsche Bruiloft, of Bartholomeus Nacht, (om niet van de breede beschrijving der woedende (3)Pest tot Napels te spreken,) veel lof. Men zie slechts de Rei van Navarroijsche Maagden, terwijl de klok geroerd wordt, en de moord eenen aanvang neemt.

 
(4)Waar zullen wij ons nu verschuilen
 
In donker hol of duistre kuilen?
 
Maar al vergeefs. Het ongeval
 
Is overal.
 
 
 
Wie hoort niet aan die droeve klachten,
 
Dat ons het zelve staat te wachten?
 
Wien breekt het koude zweet niet uit
 
Op dit geluidt?
 
 
 
Eij hoor dat kermen! hoor dat gillen!
 
De dootsnik moet dit jammer stillen.
 
Zijn dit de vruchten van de vrêe?
 
O hartewee!
[p. 216]origineel
 
Gelijk een harder bij zijn schapen,
 
Die, in een dal geraakt aan 't slapen,
 
Wordt dikwils met den slag gewaar
 
Het dootgevaar:
 
 
 
Wanneer de hooge watervlieten
 
Heel schielijk van een berg afschieten,
 
En zetten hem met al zijn vee
 
In bare zee;
 
 
 
Zoo onzacht worden wij, eilaci!
 
Gewekt op 't eind der bruiloftstaci,
 
Nu ons de slaap bevangen hadt,
 
Lang afgemat. -

Het vervolg van dezen Rei is niet minder fraai. De beschrijving der moord zelve, of het verhaal van Condé, hoe fraai vooral in opklimming van belang inboezemende, doch gruwele tafereelen, is al te ijsselijk, om hier geheel in te voegen; wij zullen, om de naar ons oordeel welgekozene vergelijking, het slot slechts mededeelen:

 
(1)Nu kan men naauwelijx de straten meer betreden,
 
Zoo zijn zij overal bezaait met menscheleden,
 
Den dooden afgerukt. -
[p. 217]origineel
 
D'een durft de zwangre vrou, de vrucht in 't lijf doorstoten,
 
Die wordt van 't licht berooft, en heeft het nooit genoten.
 
Terwijl een ander 't kindt (daar zelf de wraak om treurt)
 
Uit zijne moeders buik en voort aan flarsen scheurt.
 
Zoo slaat de wreetheit voort, om 't al voorbij te draven,
 
Zij heeft het eene lijk door 't andre lijk begraven.
 
Zij vindt geen tegenstandt, als ijdel en onnut,
 
Tot aan de Seine toe; hier wordt haar loop gestut.
 
Gelijk als of een vier was in een bos ontsteken,
 
De vlam van d'eene boom in d'andre voort zal breken;
 
Wen daar een sterke windt en stokert onder ruischt;
 
Dan maakt zij, dat een zee van brandt en vonken bruischt
 
Door al de boomen heen, tot dat de waterstromen
 
Ten einde van het bos op 't lest daar tussen komen.
 
Hier wordt de brandt gebluscht, en gaat allengskens uit;
[p. 218]origineel
 
Het voedtsel is ve eert; hier wordt haar loop gestuit.
 
Nu kist zij in den vloedt, en smet haar met haar smoken,
 
Als door een tegenkracht haar krachten zijn gebroken.
 
Zoo enz.

Natuurlijk en krachtig vond ik ook altijd deze vergelijking in een der Reijen van dit Treurspel:

 
(1)Helaas! wat is de heerschappij
 
Als zorg? de zorg als slavernij?
 
En zal de slavernij bekoren
 
Het herte van een vrijgebooren?
 
 
 
Het dunkt den Koningen heel schoon,
 
Dat zich de Zon op hunnen troon
 
Ziet blindt, en met haar sterke stralen
 
Niet bij hun glorij weet te halen:
 
 
 
Maar even als vermolsemt hout
 
Bij duister heeft de glans van goudt,
 
Zoo zijn ook de verduisterde oogen
 
Der Vorsten hier omlaag bedrogen.

Men ziet dat Anslo als Dichter loffelijke melding verdiende.

[p. 219]origineel

Onderscheidde zich zijn vader door het stichten van een nu nog bloeijend (1)Gesticht ten nutte der Armen, de zoon behartigde niet minder den Godsdienst door het dichten van zijne Bijbelstof. Nog jong zijnde naar Italiën gereisd, en aldaar van den Paus met eenen gouden penning en van de beroemde Christina, Koningin van Zweden, met eenen gouden keten vereerd, vestigde hij zich te Rome, omhelsde, even als Vondel, voor den Doopsgezinden den Katholieken Godsdienst, en overleed in de nabuurschap van Rome, in den ouderdom van 43 jaren.

 

Het zoude hier de plaats zijn van eenen (2)Martinius, (3)Bruno, (4)Rix-

[p. 220]origineel

tel, (1)Zoet, (2)Van der Burg, (3)Revius, (4)De Hubert, (5)Hoffer en (6)vele anderen te gewagen; dan hoe

[p. 221]origineel

beroemd zij waren in die dagen, kunnen wij of wegens ons bestek hun geene hulde bewijzen, of bekennen wij gaarne geen genoegzame verheffing in hunne gedichten gevonden te hebben. Meer behagen ons de Dichters (1)HIERONIJMUS SWEERS en Jan van Someren.

Sweers heeft eenen lossen en geestigen dicht-+trant, die bijzonder doorstraalt in zijne Kusjes; zie b.v. de volgende:

 
(2)Nimf Rozeleintje stond op strand,
 
En zag de witte zeiltjes zwellen,
[p. 222]origineel
 
Die zachjes na het Nederland,
 
Schier vlak voor wint, af quamen hellen:
 
Ach, zei ze, dat mijn tweede ziel,
 
De ballast was in deze kiel!
 
 
 
De Maagt hiel vast een oog in 't zeil,
 
En storf schier van het lang verlangen.
 
Dan zwijmt de hoop; dan denkt ze aan 't heil,
 
Zo sij hem aan haar borst mocht prangen.
 
Dus schijnt de tijd aan Rozelein,
 
Elk oogenblik een jaar te zijn.
 
 
 
Den hollen balk raakt eens te land',
 
En Rozeleintje krijgt haar wenschje;
 
Toen scheen of Duinen, Zee en Strand;
 
Zich ook verheugde met dit menschje;
 
Ja 't scheen de grond van 't Zuijerdiep,
 
Met Rozeleintje, welkom riep.
 
 
 
Toen zag me uit ongeveinsde min,
 
Aan wederzeid' veel KUSJES plukken,
 
Toen mocht de zoete Harderin
 
Hem aan haar blancke boezem drukken.
 
Want liefde die uit 't herte spruit,
 
Die toont het in de werken uit.
 
1654.

Wij zouden vele dusdanige, zoo het ons luste, kunnen aanwijzen. Sweers had eenen zoon,

[p. 223]origineel

Cornelis, mede als Dichter niet zonder lof bekend, en deze had weder eenen zoon, Philip, die al mede de Hollandsche lier bespeelde. Of de dalende lijn hier eene daling van dichtverdiensten met zich voerde zullen wij niet beslissen; liever betuigen wij onze vereering aan den tijdgenoot van den ouden Sweers, (1)JAN+ van SOMEREN, een man van veel aanzien en grondige geleerdheid, waarop Dordrecht zich met reden toen verhief.

Zijne Uijtspanningh der Vernuften bevat een schat van fraaije Gedichten. De Bijbelsche onderwerpen zijn niet stijf noch droog, maar vol geestige schildering en aardige navolging. Zie b.v. daar Jacob van zijne Rachel dus spreekt:

 
(2)Ick deed lest op een boom ons beijder naemen groeijen,
 
En d'een door d'and're bloeijen;
 
Wat dat ick poot of plant,
 
Men vinter inne staen van mijn een minne-pant.
 
Leeft boomtje, laet u bast geduerich grooter werden;
 
Mijn min zal staeg volherden,
 
En blijven vast gegront,
[p. 224]origineel
 
Terwijl de Hemel mij mijn Rachel heeft gejont.
 
En als ick dickmael sal met haer hier komen treden,
 
En sij leest mijn gesneden,
 
Soo veel de letter groeijt,
 
Soo seer ist dat mijn ziel in hare liefde bloeijt.

Zijne Gelegenheids-gedichten zijn niet vervelend, maar krachtig; zie b.v. in het gedicht: Aan mijne Moeder, op het overlijden van mijn Vader. deze regels:

 
(1)‘Blijft, seijd hij, t'saem mijn Vrouw en Kind'ren, als ick sterve,
 
‘De last bij veel getorst, kan lichst gedragen zijn.’
 
Met scheijt hij uijt dit dal, en liet zijn adem glippen,
 
Terwijl ons mont en ziel beswémen t'saem in rou,
 
Sijn ziel ontmoette u op u betraende lippen
 
Die voor haer hemel-reijs daer noch vertoeven wou.
 
Daer leijt hij uijt-gestreckt; ons tranen hem vervelen,
 
Sijn ziel die siet alreé het glimpende gesicht
 
Van Gods gewijde Throon, daer duijsend Eng'len spelen,
 
En hij bewillekomt, in 't midden staet gericht.
[p. 225]origineel

In den zachten en eenvoudigen trant van de Galatea van Cats kon hij soms een los en aardig stukje vervaardigen. Zie b.v. dit, genaamd Vereeringh van het Boomtjen, mij toegesonden, enz.

 
(1)Aerdigh Boomtje dat ick plant,
 
Mij gesonden van die hant,
 
Die hier wert van mij begroet,
 
Met een danckbaerlijck gemoet.
 
'k Bid u, dat ghij niet en sucht,
 
Nu ghij krijght een ander lucht,
 
Nu ghij krijght een ander gront,
 
Dan daer ghij wel eerst-mael stont.
 
Boomtje wast geduurigh voort,
 
Wert noijt van de wint verstoort; -
 
Soo ghij oijt een pruijmtje draeght;
 
Dat u Vroutjen heeft behaeght,
 
Sal geen boom in desen hof
 
Oijt bereijcken uwen lof.
 
'tEerste wordt aen haer geboo'n,
 
'tWeede is des Planters loon;
 
'k Hoop dan Boomtje, lieve plant,
 
Dat ick dickmael handt aen handt,
 
Met u Vroutjen menigh jaer
 
Worden sal u vrucht gewaer.

Hij was geboren in 1622, en overleed in 1676:

[p. 226]origineel

+Wij hebben melding gemaakt van eenen Johan de Brune; een ander is Jan de Brune de Jonge de vermaarde uitgever van het veel bevattend en weelderig geschreven Werk, Wetsteen der Vernuften; een van beide, of liever, zo het schijnt, nog een ander, enkel JAN de BRUNE of anders Johannes Junianus Brunaeus geheten, is de Dichter van eene kleine verzameling (1)Veirzjes genaamd. Deze kleine bundel bevat vele geestige (2)Minnedichtjes; één strekke tot voorbeeld:

 
'k Lag zieltogend' uijtgestreckt,
 
En bedeckt
 
Met een wolck des doots mijn ooge.
 
't Scheen mijn ziele sou terstont
 
Uijt mijn mont
 
Haer vlucht drijven naer om hooge.
 
 
 
Wanneer Laura tot mij schoot,
 
En aanbood
 
Haere minnelijke lippen,
 
Haere lippen, daer de bien
 
Wel toevlien,
 
Om daer honich uijt te kippen.
[p. 227]origineel
 
Door de soeticheen, die sij
 
Doe aen mij
 
Quam door haer gekus te geven;
 
Voeld' ick strax, dat in mij weer
 
Daelde neer
 
Een nieu en een minlijck leven. -
 
 
 
Hemel, gunt mij dat ick meer
 
Dus lig neer,
 
'k Wil wel dick dus half doot wesen,
 
Indien mij maer soo een mont
 
Komt terstont
 
Door haer honich te genesen.

Gaarne vertoefde ik nog bij zijne (1)Gezangen, of liet zijne (2)Honichbije u iet zoets annbieden; maar de ernstige Kerkleeraar en vermaarde+ Geschiedschrijver der Reformatie (3)GERARD BRANDT wacht mij.

[p. 228]origineel

Brandt, die in ongebonden rede den hoogsten lof verdient wegens den besten en navolgingswaardigsten stijl, krachtig als Hooft, en toch niet zoo geheel kort en zamengepakt, - Brandt, een man, wiens zeldzame verdiensten nog nimmer naar waarde zijn in het licht gesteld, praalt niet zonder glans onder hen, die zich in het midden dezer Eeuw als Dichters hebben beroemd gemaakt.

Schoonzoon van den vermaarden Barlaeus, was de oude en nieuwe Letterkunde hem als in merg en sappen doorgedrongen. Uit de Schriften der Ouden en uit die van Hooft en Vondel hield hij naauwkeurige aanteekening van hetgeen hem het beste en verhevenste toescheen, en versierde met deze bloemen zijne deftige en keurige Gedichten. Zijne verzen hebben wel reeds eenigermate iets van dat middelmatige, gelijkloopende en eentoonige, dat omstreeks dezen tijd begon veld te winnen; maar de oude kleur, de oude smaak is nog duidelijk zigtbaar, vooral in de Bijschriften, die door kracht van woorden en zaken zich aanbevelen, en waarin ik niet geloof, dat Vondel uitgezonderd, iemand met Brandt kan gelijk geacht worden. Breng u slechts voor den geest het bekende Grafschrift op Kortenaar:

 
(1)De Held der Maas, verminkt aan oog en regterhand,
[p. 229]origineel
 
En echter 't oog van 't roer, de vuist van 't Vaderland,
 
De groote Kortenaar, de schrik van 's vijands Vloten,
 
De ontsluiter van de Zondt, ligt in dit graf besloten.

En dat op Jacobus Taurinus, Leeraar te Utrecht, hetwelk, mijns oordeels, onder de overige, den palm der overwinning wegdraagt.

 
(1)Had Kerk en Staat haar strijt, de waarheid vond ook helden.
 
Dees was er een. Dit hooft mogt duisent guldens gelden,
 
Zoo milt was toen de haat. Wat hadt Taurijn misdaan?
 
Geweetensdwang bestrêen; 's Lants vrijheit voorgestaan;
 
Geijvert in zijn ampt; voor 't Christendom geschreven;
 
Het noodige betoont; de reklijkheid gedreven.
 
Dat wert toen ketterij, en ballingschap zijn loon.
 
Daar God de weegschaal houdt, verwagt de deugd haar kroon.

Om uit vele nog één te noemen, leze men het

[p. 230]origineel

Bijschrift op Lieven van Coppenol, Schrijfmeester.

 
(1)Wat snijt de kunstenaar hier op zijn kopren plaat?
 
Wat maalt zijn staal penseel vergeefs aan dit gelaat?
 
Zo dit gelijken zal, dan moet een trek, en zwier
 
Van Lievens eigen pen hem schildren op papier.

Of dat op de Groot:

 
(2)O Delf, benij geen' Maas den grooten Rotterdammer,
 
De Groot is ruim zoo groot. Dees poogde Hollands jammer
 
Te sluiten door zijn raadt: maar tweedragts oor bleef doof.
 
Men scheurde veel te licht om liefdeloos geloof.
 
Indien zijn Fenixgeest verdeelt waar onder zeven,
 
't Vereenigt Nederlant waar onverdeelt gebleven.

Brandt, die zich, blijkens zijne Lofrede op Hooft, tot eene verhevene hoogdravendheid stemmen kon, is in zijne Geschiedenissen en Levensbeschrijvingen zoo wel als Gedichten meestal ernstig, verstandig, vol krachtige woorden en za-

[p. 231]origineel

ken; alles is bij hem natuurlijk, waarom Anslo van hem zong:

 
(1)Dees heeft natuur te baat,
 
Het zij hij schrijft op maat, of zonder maat.

Bijzonder behaagde mij wegens eene natuurlijke eenvoudigheid het losse gedichtje, Aan Joffrou Suzanna Barlaeus, op haar Geboortedagh.

 
(2)Wacht niet dat ik hier uw handen
 
Met een zijden lint vercier,
 
Nu ik uw geboorte vier;
 
Want ik weet gij haat de banden,
 
Ja den schijn van slavernij.
 
Wacht ook nu geen krans van mij;
 
Want de kleuren van uw kaken,
 
En de geuren van uw' mondt,
 
Die men nooit op bloemen vondt,
 
Kunnen zelfs uw krans wel maken.
 
Doch de lieffelijke deugt
 
Van uw' ongeveinsde jeugt
 
Kan noch beter kranssen tonen.
 
Zeden zijn de beste kronen.
[p. 232]origineel

Dan genoeg van dezen eerwaardigen Dichter. (1)Zijne Zonen, hoewel hunnen Vader niet gelijk, handhaafden den roem hun als tot erfenis nagelaten.

 

Voor wij tot den Vriend van Brandt, den Dichter Johannes Vollenhoven, overgaan, zij het ons vergund, hier een verzuim, door ons begaan, te herstellen.

 

Niemand kan het vreemd voorkomen, dat in sulk eene rij van uitnemende vernuften deze of gene onze aandacht ontglipt; dat, door de al te groote flikkering van zoo vele sterren van de eerste grootte, het schemerend oog fomwijlen onachtzaam voorbijziet andere glansrijke lichten. +Zoo erkennen wij te zijn voorbij getreden den vermaarden JACOB WESTERBAEN, en den grooten Zoon van den grootsten Vader, Pieter de Groot, van wie beide wij voor Anslo, Brandt en anderen melding hadden moeten maken.(2)

Westerbaen, Ridder, Heer van Brantwijck, Gijblant enz., hoe hoog van staat, hoe zeer beroemd door geleerdheid, leefde liever stil, en bleef zich zelven gelijk en getrouw aan zijne begin-

[p. 233]origineel

selen, dan zijne gevoelens omtrent het godsdienstige en staatkundige op te offeren aan de geliefkoosde gevoelens der Grooten. Een leerling van Episcopius, bleef hij standvastig in de gevoelens van zijnen leermeester. Als vriend van Cats, van Baerle, Huijgens, de Decker, Brandt en andere Dichters van den eersten rang was hij velen behulpzaam. Op het vreedzaam Ockenbur welks lof hij zoo uitnemend gezongen heeft, wijdde hij zich aan de wetenschappen, en verachtte zijne stille ziel de woelingen van het naburig 's Gravenhage. Op dit zijn buitenverblijf sleet hij een Koninklijk leven, - Koninklijk zeg ik; immers

 
(1)Geen hooge purper gloed, geen vlammen van scharlaecken,
 
Noch geen verguldt Palleijs sijn 't die een Coning maken,
 
Geen goud, geen kroon, geen throon: Hij is een Coning recht,
 
Die vrees en vuijligheid heeft van zich afgeleght;
 
Dien d'eersucht niet vervoert; die tot onedele stucken
 
Door gunste van het volck sich niet en laet verrucken,
[p. 234]origineel
 
En niet en werd verleijdt door 't blicken en 't gestreel
 
Van 't vloeijende satijn, van 't vleijende sluweel;
 
Die zich niet aan den schat van 't Westen kan vergaepen,
 
Noch aen de steenen, die in 't Oosten zijn te raepen;
 
Op wien Potosi, noch de goudkust van Guineê,
 
Noch Cuba, noch Peru oijt overwinningh dêe;
 
Dien de verbolge zee, noch 't baeren van de baeren,
 
Noch dolle donder kan ontsetten noch vervaeren,
 
Noch de gevelde pieck, noch het getrocke stael,
 
Noch het onsachte spel van 't blixemend metael;
 
Die ter geruster plaats in veijligheid geseten
 
Siet alles onder hem gevelt en neer gesmeten;
 
Die 't sterven niet ontsiet, wanneer hij sterven moet,
 
En die zijn deel en dood treed willigh te gemoet.
 
Brengt mij bij Coningen van daer de sonnestraelen
 
Gaen door de middagh heen tot daer zij 's avonds daelen,
 
Leijd mij door 't noorden om, noch weet ick haers ghelijck.
 
Een welgestelt gemoed besit een Coninckrijk.

Westerbaen was een (1)warm voorstander

[p. 235]origineel

van Oldenbarneveldt, de Groot en andere ongelukkige, doch groote staatsmannen. In zijn boekvertrek buiten had hij eene uitmuntende verzameling afbeeldingen van staatslieden, fraai geschilderd door Miereveld en anderen. Geestig weidt hij uit in derzelver lof in zijn Ockenburgh. Bij het gezigt van het asbeeldsel van Huig de Groot, herdenkt hij deszelfs ontkoming uit Loevenstein, en schildert ons op zijne beurt deze gewigtige gebeurtenis natuurlijk af.

 
(1)De rij, die dese volgt, zijn hooge staetspersoonen,
 
En die, dat is de Groot, die tusschen beij de Kroonen
 
Van 't Frans' en 't Sweedse Rijck gebruijckt is tot Gesant,
 
Nae dat hij ballingh was geworden van zijn land,
 
Verwesen van te voor om eeuwigh opgeslooten
 
In 't stercke Louvesteijn, met grendelen en slooten,
 
Met muijren, wall en gracht tot driemaal toe omheijnt,
 
Te wachten nae het uijr dat leed en leven eijndt.
 
De Griecksche Dedalus ten doolhof ingeslooten
 
Vondt door de locht een wegh met pennen, vast ghegooten
[p. 236]origineel
 
In een gesmolte was, dees doet het door een kas
 
Die naeuwer hechtenis voor weinigh' uijren was.
 
De wacht, dien het Casteel en hij was dier bevoolen,
 
Droeg zelfs het koffer wegh waarin hij lagh verhoolen,
 
En meijnde dat het was met boecken weer gelaen
 
Gelijck het altemet plagh op en af te gaen.
 
Oock school daar meenigh boeck en veel geleerde blaeden,
 
Maar die de groote man had in sijn hooft gelaeden.
 
De morrende soldaet was vol van achterdocht
 
Of 't niet wat anders was dat hij te schepe brocht,
 
En of hij zelfs den Heer, om veijligh heen te vaeren,
 
Niet uit het Fort en droegh, daar hij hem most bewaeren,
 
Hij brenght hem evenwel ter ijsre deuren uijt.
 
Daer men de kerker toe, en hem daer buijten sluijt.
 
De Stroom-goon haesten haer om hem de lucht te gheven,
 
De Maes en Wael, te saem ter Merwen afgedreven,
 
Geleijden haere vracht tot binnen Arckels stadt.
 
Daer gingh den hemel op, voor die in 't koffer zat.

Op dit ontkomen van de Groot vervaardigde onzen Westerbaen nog dit klein, maar geestig Gedichtje.

[p. 237]origineel
 
(1)Vrouw Reijgersbergh seij tot den Casteleijn
 
Den slot-vooghd van het stercke Louvesteijn,
 
Wat hebt ghij doch dus over mij te klaeghen
 
Dat ick mijn Man heb uijt het Fort doen draeghen?
 
Danckt mij veel eer als dat ghij mij beticht;
 
Ghij hadt de Huijgh, en die heb ick gelicht.

De Puntdichten van Westerbaen zijn in den trant van die van de Decker, niet zoo zeer geestig en aardig, als wel krachtig en ernstig.

 
(2)Rijck wil noch Rijcker zijn en staegh zijn goed vermeeren.
 
Rijck! wilt gij Rijcker zijn: verminder uw begeeren.

In zijne Minnedichten is hij losser, gemakkelijker en levendiger, dan in zijne overige dichtwerken. Zij vloeijen als gezangen, en zijn vol vernuft en gepaste navolging. De vergelijkingen vooral zijn natuurlijk en juist.

 
 (3)Gelijk een roosje teer
 
 Dat aan zijn distel staet
 
 Valt op der aerde neer
 
 Als het den hagel slaet,
[p. 238]origineel
 
So leijt mijn vrijheid neer, getogen uijt mijn sinnen
 
Door 't puijck der Herderinnen.
 
 
 
 Gelijck het tenger kruijd
 
 Sijn topjes hangen laet,
 
 Wanneer de Son in 't Zuijd
 
 Te vinnigh staet en braedt,
 
Soo doet het brandigh vijer van hare lodder oogen
 
Mijn aders heel verdroogen.
 
 
 
 Maer even als het gras
 
 Dar daegs bijna verlept
 
 En half gesturven was
 
 Sigh weer des avonds rept,
 
Wanneer na het vertreck van d'al te heete straelen
 
Den dauw begint te daelen.
 
 
 
 So sal mijn swacke moed
 
 Door sorgen afgement
 
 Weer raecken op de voet
 
 En rijsen over end
 
So ick eens op het laest door lieve toover-kunsjes.
 
Verkrijgh haer minne-gunsjes.

Met recht mag dit los en bevallig genaamd worden. Niet minder bevallig en liefelijk is dat gezang, waarin hij de meisjes aanmaant, hare min-

[p. 239]origineel

naars met meer zachtheid en genegenheid te bejegenen.

 
(1)Denckt niet dat den lieven geur
 
En de kleur
 
Van uw bloosend-roode wangen
 
Uw altijd sal blijven bij
 
So lang ghij
 
Uwe bloempjes noch laet hangen.
 
 
 
Leert eens aan den Eglentier
 
Hoe wij hier
 
Dickmaels nae sijn reuck verlangen:
 
Valt niet al sijn bloem-cieraat
 
Als hij laet
 
Blijft aan sijnen distel hangen?
 
 
 
Meisjes sijn een hof gelijck
 
Die seer rijck
 
Is beplant met lieve bloemen:
 
So langh als de schone blaên
 
Daerin staan
 
Sal men die genughlijck noemen;
 
 
 
Maer so haest de Lenten soet
 
Heenen spoedt
[p. 240]origineel
 
En de roosjes vast verleppen,
 
Sal men van der bloemen lof
 
En den hof
 
Nauelijx ijemand hooren reppen.
 
 
 
So langh 't minne-vijertje kruijpt
 
Straelt en sluijpt
 
Uit de ooghjes van de vrouwen,
 
Wil de soete lieve Min
 
Tot haer in
 
En sijn woningh bij haer houwen:
 
 
 
Maar wanneer de bitse nijd
 
Van den tijd
 
Haere schoonheijd heeft genoomen,
 
Gaet de Liefden in 't gemeen
 
Schuijven heen,
 
En vergeet weerom te koomen.
 
 
 
Meijsjes, die met soet geweld
 
Neder velt
 
Alles onder uwe voeten,
 
Leert dan eensjes niet so suijt
 
Noch zo sluijr
 
Die uw Minnaars sijn ontmoeten.

Zoo ziet men ook door 't voorbeeld van Westerbaen, dat als men dichter en minnaar

[p. 241]origineel

tevens is, wonderen van kunst worden voortgebragt.

Westerbaen is, gelijk wij gezien hebben, zeer gemakkelijk in zijne versificatie. Zijne dichtpen, door veelvuldige vertalingen uit Virgilius, Terentius, Ovidius, Seneca den Treurspeldichter, Juvenalis en anderen geoefend, schrijft als van zelve.

 
(1)Moe gewandelt, moe geseeten,
 
Moe gedroncken, moe gegeeten,
 
Moe te gast gaen alle daegh
 
Bij de vrienden in den Haegh,
 
Raeckt' ik weder op mijn Huisje
 
In mijn Ockenburger kluijsje;
 
Daar ick nu voor tijdverdrijf
 
Dese rijmpjes aen u schrijf.

(2)Willem en Pieter de Groot vereerden Westerbaen met fraaije Gedichten;

[p. 242]origineel

uit dat van Willem blijkt, dat (1)de Heer van Brandtwijck door zijn (2)huwelijk aan het geslacht van de Groot vermaagdschapt was; uit dat van Pieter zien wij, dat deze beroemde Zoon van den vermaarden Hugo met de uitnemendste dichtverdiensten begaafd was. Men +oordeele zelf. Dus zingt (3)PIETER DE GROOT bij de uitgave van Westerbaens Ockenburgh:

 
(4)Hoe saelich waer des menschen leven
 
Indien hij, volgens 't wijs bestuijr
 
Van de onverbasterde natuijr,
 
Sich selven het gemack kon geven,
 
Dat alleman, soo 't schijnt, bemind,
 
Een ijder soeckt, en niemant vind,
[p. 243]origineel
 
Terwijl den meesten hoop, beseten
 
Met een versadeloose lust,
 
Voedt in sijn knagende geweten
 
De tegenstreessels van de rust.
 
Terwijl den eenen in sijn vleijsch-lust,
 
Den andren in het goud-begeer,
 
Den derden in een waen van eer
 
Zijn onbedarelijcken eijsch blust,
 
En ijder even ijvrigh haeckt
 
Niet na het gunt hem dient, maer smaeckt.
 
Schoon door verscheijde lust geprickelt,
 
Bevinden wij ons al in 't end
 
In d'een en selfde poel gewickelt
 
Van onrust onlust en ellend.

Het geheele gedicht is niet alleen fraai door eenen vasten en wijsgeerigen toon, maar ook door schilderachtige tafereelen. Als niet genoeg (vervolgt hij) aan het kwaad, hetgeen wij ons zelven aandoen, hebbende, worden wij door den haat en nijd van anderen nog ellendig gejaagd en doodelijk vervolgd; dit ondervond Rome;

 
Ick swijgh de jammerlicke rampen,
 
Die, door gelijck een misverstand,
 
Ons dier gekochte Vaderland
 
Bijnae verstickten in haer dampen.
 
De nae-wee van so grooten schae
 
Gaet mij, so wel als 't Land, te nae.
[p. 244]origineel
 
Dies wensch ick ijder zijn vernoegingh
 
Tot vrede en welstand van den Staet,
 
Den overwinner zonder wroegingh,
 
Den overwonnen zonder haet.
 
En seecker, als wij wel doortasten
 
Met wat voor onlust, arrebeijt,
 
Sorgh, wangunst, en ondanckbaerheijt
 
De overheden sich belasten,
 
Selfs als sij op haer lijfsgevaer
 
Hunn' ampten trouwlijck nemen waer,
 
Bevinden wij in ons gewissen
 
Dat ijemand, die zijn schoonen tijd
 
Besteed in sulcke kommernissen,
 
Veel eer beklaeght dient als benijd,
 
En dat het aldersachtste leven,
 
Dat op der aerde werd geleijd,
 
Bestaat in die gerustigheijd,
 
Die ijder een sich selfs kan geven,
 
Wanneer hij met den staat vernoeght,
 
Die hem zijn lot heeft toegevoeght,
 
Sich selven meer en meer laet naedren,
 
En bannende alle twisten uijt,
 
Nae 't voorbeeldt van onse eerste vadren,
 
Zijn heersching in zijn huijs besluijt.
 
Wat plaets, wat stond kan hem verdrieten,
 
Die onbekreunt zijn eijgen Land
 
Beweijt, beploeght, besaeijt, beplant,
 
Besiet de jonge spruijten schieten
[p. 245]origineel
 
De versche blommen open gaan,
 
De boomen in haer bloesels staen,
 
De nieuw gebooren lammen suijghen,
 
Daar niet een kruijt is, niet een lot,
 
Niet een gediert, of zij getuijgen
 
De wondre kracht en gunst van God?
 
Niet dat ick destige gedachten
 
Wil dommen tot een breijnloos werck,
 
Dat's verre van mijn oogenmerck.
 
Ick eijsch een ziel, die kan verachten
 
't Geen sij sich echter waerdig maeckt,
 
Die na den lof der genen haeckt,
 
Die, sonder staeten nae te jaegen,
 
Sijn van de plough tot d'oppermacht,
 
Of weder van de zegewagen
 
Gewilligh tot de plough gebraght.
 
Ick vorder eijgentlijck een leven,
 
Sodanich als 't geleerde blad
 
Des wijzen Westerbaen het vat,
 
In alle wetenschap bedreven. enz.

Pieter de Groot, geboren in 1615, was de tweede Zoon van Hugo. Door zijnen Vader onderwezen, werd hij even als deze tot de gewigtigste staatsbedieningen verheven. Als Resident der Staten bij den Keurvorst van den Palts, als Pensionaris eerst van Amsterdam en daarna van Rotterdam, als Afgezant aan het Hof van Zweden en aan dat van Frankrijk, deed hij zijn Vaderland de gewig-

[p. 246]origineel

tigste diensten, doch werd even als zijn Vader met ondankbaarheid, kenbaar in geregtelijke aantijging, plundering en levensgevaar, beloond. Ook de Zoon moest het land verlaten, en zwierf dan eens in Braband, dan weder in Duitschland: desniettegenstaande deed hij te Keulen bij den toenmaals op handen zijnde Vrede zijn Vaderland alle mogelijke diensten. Pieter de Groot mogt dat gebeuren, wat zijn Vader te vergeefs gezocht heeft, een vreedzaam einde te stellen aan eene onrustige loopbaan. Hij leefde de laatsje jaren stil op Boekenrode buiten Haarlem, en (1)overleed in 1678.

Als Nederduitsch Dichter moeten wij den Zoon boven den Vader verheffen. De dichttrant van Pieter is, gelijk die van Huijgh, eenvoudig, zinrijk en verstandig, maar is meer schilderachtig en krachtiger. Hoe ongelukkig en onrustig zijn levensloop ook geweest zij, een gelukkig mensch weet hij met fiksche en bevallige trekken af te schetsen.

 
(2)Die in stilheidt leidt zijn leven,
[p. 247]origineel
 
Met een eerlijk kleedt bedekt;
 
Meer vergeten, dan verheven;
 
Door geen quaden lust gedreven,
 
Niet benijdt, noch niet begekt;
[p. 248]origineel
 
Die geen leenheer heeft te vieren
 
Dan alleen den groten God:
 
En zijn wezen en manieren
 
Weet te leiden en te stieren
 
Naer het vallen van zijn lot;
 
 
 
Die, van staetzugt afgezondert,
 
Geenerhande boosheidt voedt,
 
Of het blixemt, of het dondert,
 
Niet verschrickt noch niet verwondert,
 
Maar eenparig van gemoedt;
 
 
 
Die, met zijn beroep te vreden,
 
Kan betomen zijnen wensch:
 
Die zijn tochten heeft besneden
 
Niet naer lusten, maar naer reden,
 
Dat is een gelukkig mensch.
[p. 249]origineel

De Groot verdient ook veel lof in zijne keurige Uitbreiding der Psalmen, zie bij voorbeeld in den Achttienden Psalm deze regels:

 
(1)Strax quam hem al zijn macht ontmoeten.
 
Al wat op aerde was gaf aan zijn woorden klem;
 
De bergen beefden op zijn stem,
 
En alles, waar men ging, boogh onder onze voeten. -
 
 
 
De Hemel opend' haer gordijnen
 
En maekte alomme plaets, waer hij zigh henen wendt,
 
De wolken rezen overendt
 
En gunden doorgang, daer zijn luister quam verschijnen.
 
 
 
De Cherubijnen zijn Trawanten
 
Die spannen voor zijn koets de vlerken van de wint,
 
En voeren hem daar mee gezwint
 
Daer hij met zijne hant de zege zelf wil planten.
 
 
 
De wolken en de nevels dekken
 
Den ongenaekbren glans van zijn verslindent licht,
 
Om aen zijn Godlijk aangezicht
 
De wering van een wal of bolwerk te verstrekken.
[p. 250]origineel
 
De blixem met zijn vier'ge schichten
 
Maeckt door de gansche lucht een ijsselijk gevaer,
 
Scheurt lucht en wolken van elkaer,
 
En doet het waer hij komt al voor zijn krachten zwichten.

Het ware te wenschen, dat de losse Gedichten van dezen voortreffelijken Staatsman eens (1)bij elkander werden verzameld, en tevens 's mans verdiensten naar waarde in 't licht gesteld.

 

+Wenden wij ons nu tot den vermaarden Kerkleeraar en beroemden Dichter (2)JOHANNES VOLLENHOVE.

[p. 251]origineel

Deze, wien (1)Vondel zijnen zoon, of eenen vollen vruchthooren noemde, gaf van jongs af ongemeene blijken van lust tot dicht- en letteroefeningen. Zijne menigvuldige en in de daad fraaije vertalingen kunnen ten bewijze strekken van zijnen smaak en kennis in de Grieksche en Latijnsche talen. Dat hij zich op de Nederduitsche taalkennis veel moeite gaf kan blijken zoo uit de zuiverheid zijner taal, als bijzonder uit het Gedicht (2)Aan de Nederduitsche Schrijvers, en uit dat (3)Op het ongeluk der Nederduitsche Taalkunde en Taalverbeteringen. Dus begint het laatste:

 
't Hervormen van ons taal, daar menig geest in dut,
 
Is ieder even na, maar elk niet even nut.
 
Taalmeesters vindt men, die gebreken, waard te lasteren,
 
Met feilen betren, die de taal nog meer verbasteren;
 
Aan 't zwetsen vallen, met veel woorden, valsch van klank,
 
Van anderhalven voet, die nergens gaan in zwangk,
 
Zo hardt, zo duister, dat de zin niet is te vatten enz.
[p. 252]origineel

Onder alle zijne Gedichten is het meest beroemd en ook voorzeker het uitstekendst zijn Kruistriomf, een gedicht, zoo verheven van gedachten en treffend van beelden, als stichtelijk van inhoud. Wien ontroeren niet de volgende regels?

 
(1)Zie ik niet hangen Godt den Zoon,
 
Des Vaders liefde en welbehagen,
 
Aan 't wreede moorthout vast geslagen,
 
Ten schimp van Onjoôn en van Joôn?
 
Zijn hooft, dat Thabor zag met stralen,
 
Van gout omringt en zonneglans,
 
Doorboort met enen doornekrans,
 
Daar stralen bloets uit nederdalen?
 
Zijn lijf gerekt, gescheurd, mismaakt;
 
Het lijf van hem, die 't vee met huiden,
 
Den mensch met zijde, 't velt met kruiden,
 
De lucht met starren kleedt, gantsch naakt?
 
Zijn hemelsch aanschijn, elx verlangen,
 
Zoo schoon, als nooit geen aanschijn was,
 
Bestorven, als een bloem, in 't gras
 
Vertreden, die het hooft laat hangen?

Onder zijne overige Gedichten zijn nog vele, die bijzondere onderscheiding verdienen. Met de uitgezochtste lofspraak verhefte (2)Vondel de Lijkklagt over den Helt Nikolaas Serini,

[p. 253]origineel

en in der daad dezelve is krachtig, en rijk in beelden.

 
(1)Het slaaw en afgestreên Europe
 
Gevoelde ontzet, en schiep weer hope,
 
Toen Graaf Serini, trots van moedt,
 
Het harnas aanschoot, om 't gebroet,
 
Dat 's Keizers arent in de veren
 
Te krachtig zat, met kracht te keren.
 
Germanje, moede en heesch geschreit,
 
Schiep adem door zijn dapperheit,
 
Als van den jongsten noot gedagvaart.
 
De Tulbant beefde voor zijn slagzwaart. -
 
Hoe wort dat wilde zwijn gestuit?
 
Serini draafde altoos vooruit,
 
Naast God de voorste in Christus benden.
 
Hij trof het dier in borst en lenden;
 
En brak de tanden uit den muil
 
Van menschemoort bekladt en vuil;
 
Zo quam Alcides berg en bosten
 
Van zwijn en landgedrogt verlossen.

Hoezeer vele van Vollenhove's Gedichten op zulk eenen mannelijken en stevigen toon gestemd zijn, andere echter hebben iets gelijkmatigs, dat niet aan Vollenhove, maar aan den tijd, waarin hij leefde, te wijten is, en hetwelk ik met geen stilzwijgen mag voorbijgaan.

[p. 254]origineel

De werken van Brandt, Vollenhove, en vooral van latere vermaarde Dichters, die omtrent en na het midden dezer eeuw leefden, doorbladerende, ziet men duidelijk, over het geheel genomen, zekere verflaauwing en koelheid insluipen, die den dichttrant van dien tijd merkelijk benadeelt: de inspanning en verheffing van geest is minder, de ware hoogdravendheid zeldzamer; iets gelijkmatigs en eentoonigs begint veld te winnen; eene beschroomdheid, om tegen taal of juiste uitdrukking te zondigen, brengt eene angstvalligheid te weeg, die der Dichtkunde ook in later tijd zeer nadeelig geweest is. Daarenboven zekere gezochtheid van toespeling, welke platheid met zich voert, heerscht bij velen; ik bedoel zulke, als:

 
(1)Het geloof, die grote verrekijker,
 
Waar voor de werelt valt te kleen,

en dergelijke. Hierna zullen wij onderzoeken, waaruit deze verflaauwing voortsproot; nu zij het genoeg te melden, dat (2)Samuel Hoogstraten, (3)Jan Zoet, (4)JOACHIM

[p. 255]origineel

+OUDAEN, Andries Pels, Thomas Arents, Joan Pluijmer, Arnold Monen, (1)de Gebroeders Bidloo en anderen de duidelijkste bewijzen opleveren van eenen over het geheel genomen meer slaauwen dichttrant, welke den dichtlievenden niet dat krachtig voedsel bijzet, 't geen hij zoo gaarne verlangt. Niet dat wij hiermede hunnen gevestigden roem eenigzins willen benadeelen, maar wij achten ons verpligt, den geest en de strekking van dien tijd te kennen te geven. Samuel Hoogstraten is ook niet gelijk te stellen met eenen Oudaen, die, gelijk men zien kan, zich veel moeite gaf, om kracht en stoutheid in zijne Gedichten te brengen. Had Oudaen, op het voorbeeld van anderen, zich eerst door Vertalingen geoefend, om eene gemakkelijke en vloeijende dichtwijze te erlangen, waardoor de denkbeelden, die, gelijk men zien kan, bij Oudaen zich voortreffelijk opdeden, zich ook gewillig ontlasten, hij zou door lossen zwier meer behagen. Oudaen had eenen zeer goeden aanleg. Zijne Vaderland- en Vrijheidlievende dichtader zou, zoo het lot hem vroeger, in dien

[p. 256]origineel

kunstwekkenden overgang van Spaansche onderdrukking tot Hollandsche vrijheid, had doen geboren worden, zich in eenen meer breeden en meer bruisenden stroom ontlast, en hem eenen weg tot duurzamen roem gebaand hebben; nu is alles te stijf en te gebonden; nu missen zijne verzen losheid en duidelijkheid. Oudaen kon zich krachtig en schilderachtig uitdrukken, blijkens den aanhef van het Gedicht, de Leeuw bevredigt met Brittanje.

 
(1)Geweld van ketenen en krammen
 
Noch paalwerk om de Zee te dammen,
 
Noch Zeekasteelen op de strand,
 
Vol solferbrakend ingewand,
 
Zijn machtig om den Leeuw te temmen,
 
Wen hij de Zee wil overzwemmen
 
En blusschen zijn' ontsteken gloed
 
In 't holle water van den vloed:
 
Dies komt hij bruisen door de baren,
 
En weet van zwichten noch bedaren;
 
En schoon men met dat schakel-touw
 
Van ijzer hem beknellen wouw,
 
Die halsband sluit, en past rechtschapen
 
Het horenbeest aan 't Engels wapen,
 
Maar niet den Leeuw, om zijnen hals;
 
Hem rinkelt deze klank te valsch,
[p. 257]origineel
 
Die geene ketting na wil slepen:
 
Dies word al wat zijn klauwen grepen
 
Van een gerukt en afgemaakt;
 
En daar hij 't al vermaalt en kraakt,
 
Tot gruis verbrijzelt met zijn tanden,
 
Neemt hij den sprong zoo fier te lande,
 
Dat gansch Britanje lilt van schrik,
 
En davert elken oogenblik,
 
Wanneer de donders van zijn brullen
 
Haar krijtestrand en rotsen vullen.

Oudaen kon ook nu en dan het hart roeren, gelijk zijn Gedicht (1)op de dood van Dullaert, beginnende:

 
Zoo is dan eindlijk d'eedle ziel
 
't Bouvallig leemen huis ontweken! enz.

bewijst; maar, over het geheel genomen, is alles meer stijf dan los, meer kunstig dan natuurlijk. Zijne Treurspelen zijn wel eens met eenige verheffing, maar veelal van zoodanige, die meer klinkt dan beteekent; ook steekt daarbij als dan des te meerder af zekere laagheid van uitdrukking. Men vindt dikwerf bij hem, na eene stoute en felklinkende uitdrukking, het zeggen: daar u hij? - wie zijt gij? - hoe gaat het? enz. In een der tooneelen van Het verworpen huis van Eli roept het volk telkens:

[p. 258]origineel

‘Hoi! hoi! hoi! hoi! hoi! hoi! ach! ach! ach! ach! ach! ach!

 

Alles draagt reeds de kiem van die verbaste-+ring, welke in (1)ANDRIES PELS en andere slaafsche navolgers der Franschen nog meer doorstraalt.

Pels was een Dichter, niet misdeeld van vernuft en bekwaamheid, en echter heeft hij meer dan eenig ander de dichtkunst van dien tijd benadeeld. In het jaar 1677 gaf hij de Dichtkunst van Horatius, geschikt naar de zeden van zijnen tijd, in 't licht, waarop hij vier jaren later zijn Gebruik én misbruik des Tooneels volgen liet. Als oprigter en handhaver van het Genootschap Nil volentibus arduum, hetwelk zoo veel invloed op deze tijden gehad heeft, voorzag hij den Schouwburg van vele uit het Fransch vertaalde stukken. Hij was zoodanig aan de wetten en regelen der Dichtkunde gehecht, dat hij zijne eerste Gedichten, als strijdig met de voorschriften van Horatius en Aristoteles, verwierp.

Wij hebben uit Vollenhove gezien, welke strijden over taal en dichttrant toen gevoerd wierden. Uit de Werken van Pels, Pluijmer, Antonides en anderen blijkt dit nog duidelijker. Antonides en Pluijmer verzetteden zich als niet geweld tegen de enge banden, waarmede Pels en anderen de Dichtkunde

[p. 259]origineel

gevangen hielden. (1)THOMAS ARENTS,+ een niet ongeacht Dichter van dien tijd, (2)verdedigt Pels met kracht van taal. De dichttrant van Arents behaagt mij meer dan die van Pels. Dezelve is somwijlen los en bevallig.

 
(3)Als ik mijn Laura kusschen magh,
 
Lach ik met Goden lekkernijen.
 
De Zon op 't schoonste van den dagh
 
Kan mij min als haar oog verblijen.
 
 
 
Laat Febus in het morgenroot
 
Zich met Aurora vrij vermaken;
 
'k Legh liever in mijn Liefjes schoodt
 
En pluk de roosjes van haar kaken.
 
 
 
'k Misgun Jupijn zijn spijtigh wijf,
 
Noch Mars zijn boeltjen uijtgelezen,
 
Dat Bacchus bij zijn Flora blijf,
 
'k Wil liever bij mijn Laura wezen.

Was zijn geest in 't zoo even genoemde Dichtgezelschap niet zoo zeer ter neder gedrukt, Arents had misschien de grootste vorderingen gemaakt, daar hij nu, blijkens zijne Treurspelen,

[p. 260]origineel

niet dan middelmatige Fransche vertalingen aan 't licht bragt.

 

Om niet te spreken van den Dichter en Schilder (1)Pieter Verhoek, die met (2)Willem Focquenbroch en andere mindere Dichters niet is te vergelijken, merken wij hier slechts aan, dat men bij den zoo even door ons +genoemden en toen geachten Dichter (3)JOAN PLUIJMER zelden oorspronkelijkheid en verheffing van geest vinden zal. Somwijlen vindt men iets los en niet ongevalligs, wanneer alles eenvoudig tevens is, b.v.

 
(4)Galatea, zoete meisje,
 
Weet gij, hoe het Velzer reisje
 
Ons behaagt heeft? niet te zeer
 
Door het ongestuimigh weer.
 
 
 
'k Wenste tien en honderd malen
 
Zonder jokken, zonder falen
[p. 261]origineel
 
Of dat ik in Amstels-stad,
 
Of dat gij op Meer-oog zat.
 
 
 
'k Liet de Noordewinden raazen
 
Op de boomen, op de glazen;
 
'k Vreesde regen, wind, noch kouw,
 
'k Mogt dan waejen, wat het wouw.
 
 
 
'k Zou mij digt bij U verschuilen
 
En geen weer voor dit verruilen:
 
Gij zoud mijne zonneschijn,
 
In de plaatz der zonne zijn.
 
 
 
Maar om al dit kwaat na dezen
 
Voor te komen, mag het wezen,
 
Zoete, lieve Galaté,
 
Als wij weer gaan, ga dan mee.

Over het geheel genomen, is zijn rijmtrant beter dan die der Leden van het toen gezaghebbend Dichtgenootschap.

 

Wij kunnen niet geheel met stilzwijgen voorbij den vermaarden (1)ARNOLD MONEN,+ wiens Gedichten blijken dragen, dat, indien hij in vroegere tijden geleefd had, waarin ieder, jeugdig

[p. 262]origineel

als het Gemeenebest, zich vol vuur op de bane des roems verheugde, zijn dichttrant ook meer jeugdige en levendige trekken zou hebben met zich gevoerd. Zijne Herderszangen verdienen onderscheiding.

 
(1)Terwijl ge, o Veenerijk, een teene korfje vlecht,
 
Aen dees gewijde beek, terwijl uw kudde legt
 
En wederkaeut gerust de vroegkost in de klaver
 
En 't zuivelrijke gras, bescherremt voor 't gedaver
 
Der donderbussen en oproer'ge keteltrom,
 
Begin, behaegt het u, een veltlied. enz.

Vondel noemde zekeren Herderszang van Monen rustig, en dat die staan mogt tegens de Ouden, ja Brandt, hem verheffende, merkt aan, dat Vondel Monen zeer hoog waardeerde. Schoon wij in zijne Gedichten vele blijken van oorspronkelijke gedachten en stoute uitdrukkingen ontmoeten, waarvan bijzonder het Gedicht ter (2)Gedachtenis van de Ruijter blijken draagt, schromen wij echter aan de lofspraak van Vondel ons zegel te hechten.

 

Het zou onvergefelijk zijn, in den rei der Dichteren van dezen tijd niet te gewagen van +eenen (3)HEIMAN DULLAERT, een

[p. 263]origineel

uitmuntend Dichter, en Schilder. Nimmer mogt het mij gebeuren, iets van het penseel van dezen (1)leerling van den grooten Rembrandt te aanschouwen; dan zijn schilderend vernuft bleek mij duidelijk uit zijne Gedichten, die als liefelijke gezangen vloeijen; geen wonder - Dullaert was een groot kenner en beoefenaar der Toonkunst.

Belangrijk is het gevoelen van den Poëtischen Spectator over dezen Dichter. ‘(2)Dullaert heeft eene, hem eigene manier; somtijds schildert hij stout - dan eens uitvoerig en zacht: dat zijne uitdrukkingen nu en dan hard voorkomen, wijte men aan den tijd, in welken hij zijne Gedichten schreef; de grootste Dichters van dien tijd hebben veele onkiesche uitdrukkingen; ook komen vele woorden en uitdrukkingen ons thans

[p. 264]origineel

als hard voor, die het niet waren in een' tijd, toen onze taal minder beschaafd was. 't Gaat ook met de woorden als met de kleederen: zoo lang een kleed zijn nieuwheid heeft, en nu en dan slechts ééns gedragen wordt, hebben wij er eene bizondere oplettendheid voor, die echter verdwijnt, wanneer het dagelijks gedragen wordt: zoo ook met de woorden. - Dullaert heeft zeer vele schoonheden, die de zijnen zijn.’

Indedaad Dullaert heeft vele verdiensten; hij is overal, waar de gelegenheid zich maar aanbiedt, levendig en vol van beelden:

 
(1)Nu heeft ten vijfde maal de winter, kort gedaacht,
 
Den echo uit het bosch, het vee in 't stal gejaacht:
 
De lente, nat van dauw, de lieffelijke roozen
 
Op haaren doornentroon nu vijfmaal zien staan blozen;
 
Van toen enz.

Uit zulke kleine trekken kent men den Meester, ‘Dullaert is niet gelukkiger dan in ernstige Gedichten; deze zijn de toon, waarop zijn ziel gestemd is. In zijne navolgingen van Davids Gezangen heeft hij schoonheden, die zeer groot zijn. Wij hebben in onze taal nog maar weinig van de zoogenaamde stigtelijke poëzij, die waar-

[p. 265]origineel

lijk goed is. Ik spreek niet van het zedelijk goed in deze stukken; - of van het goede oogmerk des schrijvers: - dan zouden wij bundels genoeg kunnen aanvoeren.’ Deze getuigenis van den zoo even genoemden Spectator bevat veel waarheid, ook wat onzen Dullaert betreft. De Uitbreiding des Honderdvierden Psalms is, mijns oordeels, een voorbeeld voor deze soort van Gedichten.

 
(1)De watren, als een mollig kleedt,
 
Gespreit op al het aartrijk, ruischten
 
Met losse golven wijdt en breedt,
 
En om de hooge bergen bruischten.
 
Gij spraakt maar slechts een enkel woordt:
 
De zee deisde aanstonds in haar stranden.
 
Zo ras uw' adem wordt gehoort
 
Vreest zij den vinger van uw handen
 
In 't midden van haar schuim, haar gramschap en geweld,
 
Mits gij haar' woesten plas een scheitpaal hebt gesteld.

of

 
(2)Zien we in 't geboomt, dat de oevers boort,
 
Het pluimgedierte nederstrijken,
 
Wij worden reis op reis bekoort
 
Door 't mengelen van zijn muzijken,
[p. 266]origineel
 
Als de Echo op haar beurt zijn' toonen hadt gevat,
 
Die met ontleend geluid in deezen zangstrijdt tradt.
 
 
 
Zien wij de hooge bergen aan:
 
Gij drenkt hun' lommerrijke toppen,
 
Waarom de wolken weemlen gaan
 
Met verschen daauw of regendroppen. enz.

Zoo draagt ook de (1)Kerszang of de Stal van Bethlehem, vele kenmerken van echt dichterlijke trekken. Dan wij willen liever toonen, dat hij ook in andere dichtsoorten uitnemende proeven zijner kunst heeft aan den dag gelegd. Zoo draagt het Gedichtje, (2)op den tweeden Bruiloftsdag van den Heere Suis, duidelijke kenmerken van oorspronkelijk vernuft en geestige vinding, gelijk ook het eenvoudig maar treffend Gedicht, Burgervreuchde over de verkiezing van den zoo even genoemden vriend van Dullaert tot Burgemeester van Gouda. Dit laatste is beter geschikt, om ons eene kleine dichtproeve aan te bieden. Ieder is vol liefde en dankbaarheid bij het gaan van Suis naar 't Raadhuis:

 
(3)De weduw roept: ik lief in hem een' man,
 
Die wil en helpen kan.
[p. 267]origineel
 
Het weeskind roept: ik eer in hem een' vader.
 
De burgers allegader,
 
Op zijne keur verrukt, geleiden hem
 
Met voet, en hart, en stem,
 
Daar hij zoo braaf d'aanzienelijke trappen
 
Van 't Raadhuis op gaat stappen,
 
Naar 't kussen, en den Burgemeesterstoel.
 
Zij galmen, in 't gekroel,
 
In blijden zwarm der aangedrongen scharen:
 
Nu gaat ons heil opklaren
 
Gelijk de zon, alze uit den dageraad
 
Naar haren middag gaat. enz.

De Triomferende Min, ter gelegenheid eens Bruilofts vervaardigd, mag mede onder de uitnemendste Gedichten van Dullaert gerangschikt worden. Zie hier eenige regels uit hetzelve:

 
(1)De wapens daar de Min mê vecht
 
Zijn bloedig, noch uit staal geklonken:
 
Maar teedre schoonheid, afgerecht
 
Om hare gaven te doen pronken;
 
Twee oogen, uit wiens klaar gezicht
 
De Majesteit en Kuisheid stralen,
 
Die flikkren van een hemelsch licht enz.
[p. 268]origineel

of deze:

 
(1)Het toestaan van een kusje, ontvleit;
 
Een toetsje, een drukje in poesle handen;
 
Een lonkje, een woord vol aardicheid
 
Dit doet alle edle borsten branden.
 
Dit zijn de strikken van de min,
 
Hier vangt zij ziel en zinnen in.

of eindelijk, daar hij zoo geheel eenvoudig de eerste aandoeningen der min beschrijft, als

 
(2)Een klaar, maar onuitspreeklijk iet,
 
Een felle drift, een heimlijk trekken,
 
't Geen elk gevoelt, en niemand ziet,
 
Dat onverwacht zich komt ontdekken,
 
Daar twee, die d'allereerste maal
 
Malkandren zien, in 't bloet ontroeren,
 
En zonder aanzoek, kunst, of taal,
 
Straks wederzijdig 't hart ontvoeren;
 
Een iets, dat hevig minnen doet,
 
Zelf eer 't verstand begrijpt te minnen;
 
Een iets, dat in een hemels zoet
 
Het harte wegrukt en de zinnen.

Dan wij hebben genoeg bijgebragt, om te toonen, dat Dullaert zeer groote verdiensten gehad

[p. 269]origineel

heeft. Iets eenvoudigs en treffends heerscht in den kleinen bundel, door den ijverigen David van Hoogstraten in het licht gebragt.

Deze uitnemende Dichter, gefolterd door een zwak ligchaam, dat met pijn en ziekte gedurig worstelde, werd te vroeg aan de kunst onttrokken. Hij was geboren in 1636 en overleed in 1684.

 

In dat zelfde jaar overleed de jeugdige Dich-+ter (1)JOANNES ANTONIDES van der GOES. Overtuigd, dat, zonder het lezen van beroemde Latijnsche Dichters, zijne poëzij de behoorlijke kracht, levendigheid en rijkdom missen zoude, oefende hij zich niet alleen met vlijt, onder het geleide van den vermaarden Adriaan Junius, in de werken van Virgilius, Horatius en Ovidius, maar ook in die van latere beroemde Dichters, de Groot, de Heinsiussen en andere zijner landgenooten; zelfs las hij vlijtig de Gedichten van den vermaarden Sarbiëvius, van Hosschius, Wallius, Sannazarius en andere beroemde Italianen. Hij was, even gelijk Vollenhove, Monen, Kaspar Brandt en vele andere verdienstelijke Nederduitsche Dichters, nu en dan zelf niet ongelukkig in de Latijnsche poëzij. Op het

[p. 270]origineel

voetspoor van Vondel en anderen, bragt hij eenige Gedichten van Ovidius, Silius Italicus, en bijzonder van Horatius, in Nederduitsche verzen over, ten einde zich met hunne Werken langs hoe meer gemeenzaam en zich eene gemakkelijke versificatie eigen te maken. Zijne Bellone aan band, en zijn Treurspel, Trazil of overrompelt Sina, bragt hem vroeg in groote achting. De oude Vondel, die hem (1)zijnen Zoon noemde, ging wegens dit Treurspel den jongeling geluk wenschen; ook Vondel zeide, bij het lezen van de Bellona aan band: - Het is zoo schoon, dat ik er mijn naam wel onder zetten wil. Dat deze loftuitingen, door Vondel en anderen den jongen Antonides zoo ruimschoots toegezwaaid, zijner Poëzij nuttig geweest zijn, zal ik niet toestemmen. Hoe toch zou een jongeling van twintig jaren nederig blijven, wanneer, gelijk Hoogstraten in deszelfs Leven getuigt, bij 't in 't licht komen der Bellone, het gejuich van al wat Taal- en Dichtkunde verstond, hem in de ooren klonk, en het gansche Gedicht, ettelijke honderd regels lang, door velen van buiten werd geleerd? Later gaf hij zijnen IJstroom uit, tot verwondering, gelijk getuigd wordt, van al de werrelt, die in hare eerste opgetogenheid riep, dat de kunst nu in dezen jongen helt haer hoogsten top bereikt had. Vondel, Huijgens, Francius, Vollenhove en vele anderen vereerden het met breedvoerige lofdichten. Een man,

[p. 271]origineel

destijds van veel aanzien, bewerkte, dat Antonides uit eenen slaafschen en onaanzienlijken stand tot edeler werkkring verheven, en, na eerst te Utrecht tot Geneesheer te zijn bevorderd, met een niet onvoordeelige bediening begunstigd werd, waarvan hij echter niet lang genot had, want hij overleed in den bloei zijns levens, naauwelijks 37 jaren oud. Gaarne schrijven wij op zijn graf dat kort maar krachtig Grafschrift, hetwelk hij op Cornelis van Aldewereld vervaardigde:

 
(1)Vertrouw op jeugd noch frisse leên:
 
Van beide mogt hij zich beroemen,
 
Die sluimert onder dezen steen.
 
De schoonste zijn de teêrste bloemen.

Wij roemen in Antonides de stoute vlugt, de krachtige verbeelding, de beeldenrijke schildering, en ongewone hoogdravendheid van uitdrukking, waarin hij alle Dichters van zijnen leeftijd achter zich laat; wij roemen in hem die stoutheid van gedachten, dien zwier van uitdrukking, die levendige en juist geteekende gelijkenissen; wij roemen eindelijk in hem die zachtheid en liefelijkheid, waartoe zijn hoogstijgende geest zich stemmen kon; doch wij laken in hem, dat hij zijn vernuft ook dan, wanneer het als wild en woest aan het hollen

[p. 272]origineel

sloeg, niet genoeg beteugelde; zoodat de Dichter, door al te hooge vlugt, als in het zand ter neder valt. In dit gebrek van zijnen tijd heeft hij gedeeld, schoon hij zich boven andere gebreken, die toen begonnen veld te winnen, als daar zijn gelijkvloeijende eentoonigheid en middelmatige gang van denkbeelden met spaarzame versiering en dun gezaaide bloemen, stoutmoedig verhief. Had hij langer geleefd en zijne al te jeugdige hoogdravendheid door mannelijke ernsthaftigheid getemperd, zijne Gedichten, die ook nu nog met reden in groote hoogachting bij bevoegde kunstregters staan, zouden nog meerderen lof en standvastiger roem verworven hebben. Niet dat ik in hem afkeure zulk eene kracht, als hij b.v. ten toon spreidt in zijn Oorspronk van 's Lants ongevallen.

 
(1)Nu is met hun gezang de dolheit uitgelaten.
 
Men trapt den zwangren buik te barste, propt de straten
 
Met maegdenlijken, eerst ontuchtig geschoffeert,
 
Gebrant, geblakert, vuil mishandelt en onteert.
 
De drempels kraken van gekneusde bekkeneelen.
 
De lijken grijnzen aan de takken van abeelen
 
En linden, en de moort, die vrouw noch zuigling spaert,
 
Maekt Alva, Neerlants vloek en geessel, zacht van aert.
[p. 273]origineel

Een matig gebruik van dergelijke krachtige schilderijen is boven berisping verheven; maar wij misprijzen duisterheid van uitdrukking en al te verwarde zamenstelling van zinsneden, wij misprijzen die vreemde en gezochte spreekwijzen van metalen vuurbrakende monden, gloeijende robijnen der Zon, stroomtapijt, levend kristalijn, en honderd dergelijke onnatuurlijke en harde uitdrukkingen - dan het is schier onvergeeflijk, in zulke heerlijke tafereelen van wel geronde en stout geteekende beelden, waarvan zijn dichtwerk vol is, een enkel hard en plat voorwerp te berispen.

De IJstroom, het uitvoerigste, en, mijns oordeels, beste zijner Gedichten, heeft zoo veel oorspronkelijks en krachtigs, dat de keurigste bij de lezing van weinige regels naar genoegen te gast gaat, even als op eenen maaltijd, waar stevig rundervleesch ons wel schielijk, maar krachtig voedsel bijzet. Het eerste boek, in zijnen aanleg eene eenvoudige beschrijving van den IJkant te Amsterdam, dat bij zoo vele andere Dichters eene dorre en koude beschrijving zoude opgeleverd hebben, is hier eene verrukkelijke en stoute schildering van de levendigste en geestigste werkingen. Bij de woning b.v. van den Zeeheld de Ruiter zingt hij aldus in geestverrukking:

 
(1)Bedrieg ik mij, of klimt het water aan die streek
 
Ten boorden hooger op, en bruist, terwijl ik spreek.
[p. 274]origineel
 
Met open keel vooruit, en lekt de hooge randen
 
Met zijne zachte tong? Zoo juichten alle stranden:
 
De grijze Tiberijn stak 't hoofd ten liezen uit
 
Met vreugde, toen August, rijk van Egiptschen buit,
 
Zijn' vloet quam opgezeilt met zegenrijke vloten;
 
Den Krokodil des Nijls in ketenen gesloten,
 
En dolle Anubis, heesch van blaffen en gehuil,
 
Naesleepte op 't Kapitool bij zijn' beschuimden muil,
 
En touwt den ruigen rug des Nijlstrooms met zijn zwepen,
 
Tot hij zijn' mont bedekt, van schaemte aen 't hart beknepen,
 
Om eeuwig in het zant te schuilen met zijn hooft.
 
De naem van Ruiter, die Augustus zeeroem dooft,
 
En scheller zal op zee als Tritons hooren brommen,
 
Slaet met eerbiedigheid de watergodendommen;
 
Die buigen driemaal 't hooft, en drijven 't zeenat aen,
 
En wenschen, dat hem noit de zeekrans moet ontstaen.

Hoe gaarne deelde ik hier mede de beschrijving der Vischmarkt, der Nieuwe Brug, van het Magazijn,

[p. 275]origineel

het Westindisch Huis, de Scheepstimmerwerf en andere Gestichten; dan onze wandeling is ter beschouwing van dezen uitgestrekten hof vol van keurige (1)dichtbloemen te zeer in tijd beperkt; verlaten wij denzelven, schoon ons naauwelijks aan den ingang bevindende, na alvorens echter nog eene bloem geplukt te hebben. Na de prachtige beschrijving van de woelige Nieuwebrug, waarop men toen ter Beurze ging, en, als het ware, de schatten der wereld verdeelde, vervolgt de Dichter:

 
(2)Quam nu een visscher, die voor viermaelhondert jaeren
 
Heeft met zijn kleene boot het eenzaem IJ bevaeren,
 
Terwijl 't nog ongetemt langs grazige oevers schoot,
 
En op geen breidel beet van paelen, 't nat uit noot
 
Gewrongen in den mont, toen Amsterdam aen 't groeien,
 
Dien onbepaelden loop en hoogmoet moest besnoeien,
 
Uit d'ijzre slaep ontwaekt, opborlen uit den kolk,
 
Aen onze Brug, en hoorde, in zulk een dichte wolk
[p. 276]origineel
 
De Koopliên 't zeeverlies van schepen lichter zetten,
 
Als hij voorheen de schaê van zijn gescheurde netten. -
 
Wat zou hij denken? enz.

Het is met reden lakenswaardig, dat, omstreeks het einde dezer Eeuwe, de gelijkenissen, die leven en zwier aan alles bijzetten, schaars, en dan nog gedwongen, in de Werken veler Dichteren voorkomen. Antonides is niet alleen hierin niet te beschuldigen, maar vloeit over in de keurigste vergelijkingen. De IJstroom bovenal munt hierin uit; gelijk een ieder, bij het inzien dezes werks, overtuigend zal blijken. Allen, die prijs stellen op eenen stouten, krachtigen en beeldrijken dichttrant, raden wij aan de werken van Antonides, vooral de (1)Bellone aan Bant, den (2)Teems in brand, het Gedicht (3)op de aankomst van het Lijk van de Ruiter, en vele anderen te lezen en herlezen; bedriegen wij ons niet, zij zullen eene rijkheid van geestige gedachten en fiks geteekende beelden vinden, die zeer weinige Dichters zoo menigvuldig aanbieden.

De Lier van Antonides gaf niet alleen van zich forsche en stoute, maar ook zachte en liefelijke toonen, blijkens het Gedicht aan Juffrouw Borremans ziek zijnde, hetwelk dus begint:

[p. 277]origineel
 
(1)ô Lenteroos, hoe zijn uw bladen
 
Dus slap? hoe hangt u 't hoofd zoo neêr,
 
Dat korts, met zilvren dau beladen,
 
Kon strijken aller bloemen eer?
 
Waarom is schoonheid juist zoo teêr? enz.

Onder alle Gedichtjes van dezen aard blinkt uit in gemakkelijkheid het gezang vervaardigd in 's Lands Jagt op de Schelde voor Antwerpen.

 
(2)Wanneer wij steken buiten stad,
 
Voor 't dalen van de Zon,
 
En dat wij zoeken ruimer nat,
 
Dan dondert ons kanon.
 
En 't had nu reeds met schoot op schoot
 
Het Scheld' gezet in brant,
 
Zoo *Loutjes vrees het niet verbood.
 
Wat doen wij dan op 't lant?
 
 
 
Men hijst het zeil en fok in top,
 
En bruischt voor wind en tij:
 
De nieuwe vlaggen zet men op
 
En beste wimpels bij,
 
Daar 't wapen van den Staet in praelt,
 
Die, vrij en zonder bant,
[p. 278]origineel
 
Nu weêr eens lustig adem haelt.
 
Wat doen wij dan op 't lant? enz.

Antonides is ook te roemen in zijne bijschriften en grafdichten. Tot een voorbeeld strekke het Grafschrift voor een gissenden Filosoof.

 
(1)Tree zagtjes, wandelaar; neen, tree vrijmoedig aen.
 
Gij hebt geen noot van hem te wekken:
 
Want of hij schoon u hoorde op zijne grafsteê gaen,
 
Hij zou het doch in twijffel trekken.

Voegt hierbij het slot van het krachtig Grafschrift voor den Zeeheld Jan van Aemstel.

 
(2)De grafworm maele vrij het kout gebeent tot stof.
 
Zijn deugt hout stant, en vult den aertkloot met zijn lof.

Zoo houdt ook de roem van den uitmuntenden Antonides stand, schoon de grafworm zijn gebeente reeds lang tot stof vermaalde.

[p. 279]origineel

Zouden wij van Antonides gewagen, en +zijnen Vriend en Weldoener (1)DIRCK BUIJSERO vergeten? dat zij verre. Deze was die aanzienelijke, waarvan wij zoo even gewaagden, die zoo vaderlijk voor de letterkundige en tijdelijke belangen van Antonides zorge droeg; deze was die kunstlievende, aan wien Vondel zijne herschepping opdroeg, en door wien Vondel daarvoor met een (2)geschenk van zilver beloond werd. Zelf een niet onverdienstelijk Dichter, bevorderde hij met warmte den bloei der kunst bij anderen. Zijne losse Gedichten, die spaarzaam voorkomen, bevallen mij beter, dan zijn Amphitrio, Astrate, Triomfeerende Min, Selfsqeller van Terentius en andere Tooneelstukken. Uit het Gedicht (3)Op het Afsterven van Maria Stuart zullen wij deze proeve bijbrengen.

 
Geen vloed van vuur, hoe wreed en straf,
 
Die als een zwangre zee kwam bruizen,
 
En weide muur en daken af,
 
Toen Londe sesmaal duizent huizen
 
Verloor in 't heilloos ingewand
 
Van zulk een jammerlijken brand;
[p. 280]origineel
 
Had u Brittanje zoo geslagen
 
Als deze doot, ô smart, ô rouw,
 
Van zulk een gadelooze vrouw,
 
Gestorven in haar beste dagen.
 
Wat door het water word verteert,
 
Of door geweld van vuur en vonken
 
In as en puin hier legt verzonken,
 
Is geen verlies, of 't word gekeert
 
Door kunst en tijdsveranderingen.
 
De Fenix leeft weer uit de vlam
 
Waaruit haar voorzaat oorsprong nam;
 
Dus wislen hier alle aardse dingen.
 
't Verwoeste rijst door niew gebouw:
 
Maar waer word Engeland een vrouw
 
Als deze Koningin geboren?
 
De werrelt mist dat dier juweel,
 
Dat nu den Hemel valt ten deel.

De vermaarde Broekhuizen heeft onder zijne Latijnsche Gedichten eene fraaije (1)Elegie aan Buijsero gerigt.

 

Roemden wij in den aanvang dezer Eeuw op eenen Daniel Heinsius, Barlaeus, Crotius en anderen, die, beroemd door hunne geleerdheid en Latijnsch dichtwerk, ook de Nederduitsche Lier met zwier en bevalligheid bespeelden, aan het einde van dit tijdperk kunnen wij

[p. 281]origineel

ons verheffen op eenen Francius en Broekhuizen, die hunne groote voorgangers op dit pad niet ongelukkig gevolgd zijn.

Schoon ons weinige Gedichten van den beroemden+ (1)PETRUS FRANCIUS bekend zijn, rekenen wij ons echter verpligt, van hem hier melding te maken, zoo om dat hij, blijkens zijne Werken, de Nederduitsche dichtkunde en derzelver beoefenaars telken reize lof en hulde toezwaaide, als bijzonder, om dat het weinige, dat wij van hem ontmoeten, blijken draagt van een uitnemend dichtvermogen. Toen de Vader van Antonides, na deszelfs overlijden, de Gedichten zijns Zoons in 't licht gaf, vervaardigde Francius een Gedicht, dat, mijns oordeels, op geestige vinding en schilderachtige voorstelling roemen kan. Zie hier het begin:

 
(2)Zo is die Geest, zo eêl, zo groot,
 
Antonides, de Prins der dichtren, doot!
[p. 282]origineel
 
Dat helder licht van Neêrlant uitgeschenen;
 
En als een rook, uit ons gezicht verdwenen!
 
 
 
O neen; ik mis. Hij rijst ter grafzerke uit,
 
En leeft op nieuws, gelijk een groene spruit,
 
Of Fenix, uit zijn eigen asch geboren,
 
En laat zich weêr, gelijk voorhenen, horen.
 
 
 
Daar zie ik hem: daar komt, daar komt hij aan,
 
Gelijk een schoone en witgepluimde zwaan
 
Door menigte van Dorpen en van Steden,
 
Den Rhijnstroom af, komt zakken na beneden.
 
 
 
Daar drijft hij op zijn wieken door de lucht;
 
Daar vaart hij voort en neemt een hooger vlucht,
 
En, zonder lang te dralen of te marren,
 
Vliegt hemelwaarts, en zet het na de starren.
 
 
 
Daar keert hij weêr terug, daar strijkt hij weêr,
 
En zet zich op den boort des Amstels neêr,
 
En tart, door zang en liefelijke toonen,
 
De zwanen, die Maeanders boort bewonen.
 
 
 
Verlekkert op het goddelijk geluit,
 
Steekt de Amstelnimf het hooft ter biezen uit;
 
En blijft met onverzadelijk verlangen
 
Aan 's Dichters mond en gulde lippen hangen. enz.

Het geheel is voortreffelijk. In der daad één en-

[p. 283]origineel

kel Gedicht, als dit, is genoeg, om Francius in den rei der voortreffelijke Nederduitsche Dichters te stellen.

 

+Zeer gemeenzaam met Francius was (1)JOAN VAN BROEKHUIZEN, van wien eene kleine, doch keurige verzameling van Nederduitsche Gedichten voor handen is.

Altijd bekoorde mij de smaakvolle geleerdheid en geestige dichttrant van dezen Krijgsman. Zijne uitgegevene Latijnsche Gedichten, zijne aanteekeningen, alles draagt uitnemende bewijzen van het ware kunstgevoel. (2)In hem wordt te regt geroemd eene bijzondere naarstigheid, leerzaamheid en vlugheid, waardoor het hem geene moeite was, als voor de vuist Gedichten te vervaardigen, en echter bedwong hij zich hierin zoo zeer, dat hij zelfs getuigde, dat de minste zijner verzen hem veel moeite kostje. Zijne geheugenis was zoo verwonderlijk, dat hij zelfs de Gedichten van anderen, na eene herhaalde lezing, uit het hoofd opzeide. Op 't beschaven en opbouwen zijner moedersprake was hij zeer gezet. Hooft was zijn geliefkoosde Schrijver, dien hij nu eens den Fenix, die der geheu-

[p. 284]origineel

genisse van alle eeuwen waerdig was, dan weder de eeuwige eer van den Nederlantschen Parnas noemde; niet alleen zijne aanteekeningen op Tibullus en Propertius dragen de sprekendste bewijzen van zijne achting voor Hooft, maar ook zijne (1)Latijnsche Gedichten. In Vondel roemde Broekhuizen eene majesteit van schrijven, noemende zijne Gedichten onnavolgelijk en den Dichter zelven een ontzagchelijken Leeu, die alles voor zich deedt zwichten.

Wat wonder is het, dat deze man, wiens natuurlijke aanleg zoo verheven, zoo gevoelig, zoo geheel tot de Dichtkunst geschikt was, die, doorzuld in de kennis van oude en nieuwe Dichters, eene voorraadschuur bij zich verzameld had van echten smaak; wat wonder is 't, zeg ik, dat deze man iets uitnemends moest voortbrengen, als hij zich der Nederduitsche Poëzij wijdde? Laat de bekrompen geest van eenen (2)Pels Broekhuizen's Gedichten strepen; ik roep u, mijne Heeren! met vertrouwen tot getuigen, of niet b.v. deze Morgenzang boven Pels beschimping verheven is:

[p. 285]origineel
 
(1)De Morgenstondt, gehult met straalen
 
Noch schooner dan hij voortijts plagh,
 
Bezaait het voorhooft van den dagh
 
Met goud, met paerlen en koraalen.
 
 
 
De Maan verflaaut schier dat men 't ziet,
 
De Nacht allenskens aen 't verdwijnen
 
Rolt op haar duijstere gordijnen;
 
De Starren deizen in 't verschiet.
 
 
 
Quijt is de Hemel duijzent oogen,
 
En wacht de schooner komst van een.
 
Het Bijtje draaght zijn buit vast heen,
 
Dien 't heeft uijt roos en tijm gezoogen.
 
 
 
De forsse Leeuw, der dieren Vorst,
 
Ontwaeckt het bosch met moedigh brullen.
 
Ai zie zijn maan en staart eens krullen,
 
En 't zwellen van die breede borst!
 
 
 
Hou op, o wijdgeduchte Kooningh!
 
Endymion, op uw geluit,
 
Loopt, wat hij magh, ten bossen uit;
 
En schrickt nu voor sijn oude wooningh.
 
 
 
Hij vind sijn Meesteres in 't veld;
 
Die onder breede beuketoppen,
 
Haar buijt en de bebloede koppen
 
Der borstelige zwijnen telt.
[p. 286]origineel
 
Hoe vrolijk komt dat Meisje zingen,
 
Dat voor haar Schaapjes, dick van vacht
 
Zoo vriendlijk als de Morgen lacht,
 
Als hij komt uijt de kimmen dringen.
 
 
 
Het Lammeke zoo jongh als 't kruit,
 
Zoo wit als melk, zoo zacht als roozen,
 
Schijnt met zijn Harderin te koozen,
 
En huppelt voor- en achteruit. -
 
 
 
Zijn ossen Melker drijft van binnen,
 
En spantse voor den gladden ploegh.
 
Mooij Haasje, schoon 't haar dunkt te vroegh,
 
Begint een deuntjen onder 't spinnen.
 
 
 
't Verwart geluit en 't licht verkracht
 
De stilte en krepelgaande Droomen.
 
De Zon begint alree te koomen,
 
En wekt den slaaperigen nacht. -
 
 
 
De sterke Smit met de armen bloot
 
Is nijverigh en drok aan 't werken,
 
Hij hoort het gloeijent ijser snerken
 
En 't borlend water in de goot.
 
 
 
Op, Roosje! laat ons 't bedde ruimen,
 
De vlam van onze kaars is dood,
 
Beschaamt voor 't purper morgenrood,
 
De Zon beschijnt ons op de pluimen.
[p. 287]origineel
 
Op, op, mijn hartje! laat ons gaan,
 
En zien of onze hof kan roemen
 
Op zoo veel rooze- en lelijbloemen
 
Als op uw blijde koontjes staan.

Kan men schilderachtiger en geestiger eenen morgen schetsen? Hoe vruchtbaar is hier de verbeelding! hoe kunstig de uitdrukking! hoe bevallig de voorstelling! en hoe draagt alles tevens de kenmerken van echten smaak!

Daar Broekhuizen in den trant van Hooft dikwerf dichtte, rollen zijne verzen op enkele plaatsen wel eens niet gemakkelijk, maar overhoops is alles zacht en vloeijend, gelijk ik nog uit den aanhef van het zoo liefelijk gestemde Gedichtje Aan de Moezel u wil bewijzen.

 
(1)O Nimfjes die mijn zinnen streelt,
 
En aan de groene Moezel speelt,
 
Daar kriele Saters schuilen
 
In bosschen en in kuilen.
 
 
 
Als gij met dit verglaasde nat
 
Uw beentjes tot de dij bespat,
 
En gaat in 't water woelen,
 
Kan dat uw min verkoelen?
[p. 288]origineel
 
Ik dacht wel neen. Want Cytheré
 
Sproot zelve midden uit de Zee:
 
En eer ze aan Cyprus landde,
 
Begon de Zee te branden. enz.

Men leze het geheele Gedichtje; men leze den geheelen kleinen bundel, nog geen vijftig bladzijden groot, en men zal overtuigd worden, dat Broekhuizen als eene zeer heldere ster aan den Nederduitschen dichthemel blinkt.

 

Roemden wij in de Zestiende Eeuw eene Anna Bijns, verhieven wij het edel Zusterpaar Anna en Maria Tesselschade Visscher, sieraden dezer Zeventiende Eeuw, waarvan wij, sprekende van hunnen Vader, op 't laatst der vorige Eeuw, hebben melding gemaakt; op nog andere Dichteressen kon deze Zeventiende Eeuw roem dragen. Eene (1)Sebilla van Griethuijzen, Catharina Questiers, Alida Bruno en andere, die in vorige dagen bloeiden, werden omtrent dezen tijd gevolgd door eene Katharina Leskailje en (2)andere verdienstelijke Vrouwen.

Moeten wij, gedrongen door de menigte van zoo vele vernuften van den eersten rang, die de-

[p. 289]origineel

ze Eeuw heeft opgeleverd, vele (1)bekende Dichters, als: (2)Laurens Bake, (3)Ludolf Smids, (4)Jan de Regt, (5)Francois Halma en den ijverigen (6)David van Hoogstraten als onvermeld achterlaten; op gelijke wijze moeten wij ons beperken omtrent de Dichteressen, en, ons tot eene keus uit deze bepalende, zullen wij van de

[p. 290]origineel

vermaarde Katharina Leskailje nog een enkel woord gewagen.

 

+(1)KATHARINA LESKAILJE, de dochter van eenen toen geroemden Dichter Jacob Leskailje, toont in hare Poëzij eenen goeden aanleg; haar dichtwerk heeft echter overhoops dien al te gelijken gang, dien effen en gladden stroom, waarop wij voor een oogenblik niet ongaarne spelevaren, maar waarop wij ras ons vervelen, om dat wij niet eens met vollen zeil en schuinschen boord kunnen zeilen, dat het water om ons bruischt en spat. Somwijlen zijn hare Gedichten niet zonder verheffing. Zoo zegt zij in een waarlijk fraai Lijkdicht op den Admiraal de Ruiter:

 
(2)Hij sleepte moedig met zijn kielen,
 
Waar dat hij heenstreefde over zee,
 
De zege en overwinning meê. -
 
De gantsche Waereld kan getuigen
[p. 291]origineel
 
Van zulk een Mars, van zulk een moed,
 
En 't willig waagen van zijn bloed,
 
Daar 't al moest voor zijn wapens buigen.
 
Hij was in zee, gelijk een rots,
 
Al 's vijands krijgsgeweld ten trots,
 
Die hun vermeetelheid beklaagen;
 
Een sterke rots, waar Vloot op Vloot,
 
Geschonden van zijn staal en lood,
 
Zich op te barsten heeft geslaagen;
 
Zo pal stond de onverschrikte borst,
 
Nooit met geveinsde deugd bemorst. enz.

Van hare Treurspelen, alle naar het Fransch gevolgd, zal ik niet spreken, maar alleen nog melden, dat de voorspelling van den ouden Vondel, (1)dat men een ongemeen en schitterend licht van Poëzij in haar te wagten had, zoo veel de geest van haren tijd toeliet, volkomen vervuld is geworden.

 

Wij kunnen hier niet voorbij met lof melding te maken van (2)JAN LUIKEN, een man, als+

[p. 292]origineel

Teekenaar en Plaatsnijder met regt in de hoogste waarde gehouden, en als Dichter, naar ons inzien, niet genoeg geëerd. Het is waar, hij heeft in zijne jeugd met meerder roem en bevalliger zwier gedicht, dan in rijper jaren, wanneer eene overdrevene minachting der wereldsche zaken zijnen dichterlijken geest eenigermate verflaauwde. (1)Ik zwijg menigmaal, zeide hij, tot schaamens toe, als ik denk dat er geschreven staat, dat de mensch van ieder onnut woord reekenschap zal moeten geeven. Deze en dergelijke bedenkingen konden niet anders dan zijnen dichtgeest nadeelig zijn. Alles op het geestelijke toepassende, verviel dat vrije, bevallige en lieffelijke, dat in zijnen Duijtsen Lier, eene verzameling van zijne jeugd, uitnemend doorstraalt. Zijn vernuft bleef echter ook daarin kenbaar, dat hij de eenvoudigste zaken, de minste spelen der kinderen, de onaanzienelijkste voorwerpen der huishouding, met één woord, alles, wat zijn oog trof, en zijn nooit volprezen teekenpen of etsnaald op papier of koper bragt, met geestig gedicht versierde, en naar den eisch der zaak wist uit te drukken en toe te passen. Tot een enkel voorbeeld kan strekken uit het (2)Kinderboekje, hetgeen, zoo door de Voorrede, als verscheiden bijschriften, lofwaardige melding verdient,

[p. 293]origineel

dit eenvoudig, doch veel beduidend versje bij (1)Het Kindje huild.

 
Als 't Kindje maar zijn stem verhief
 
Met moederlief, dat zij het hoorden,
 
Zoo roept die Echo: Kindje lief,
 
Gelijk de weerklank op de woorden.
 
O Ouden! heft uw stem tot God,
 
Zoo deelt gij ook in 't kinder-lot.

Wij zouden nog vele voorbeelden, voornamelijk uit dit Werkje, alsmede uit den Bijekorf des Gemoeds, Leerzaam Huisraad, Beschouwing der Wereld, Spiegel van het Menselijk Bedrijf, en andere Werkjes kunnen bijbrengen tot staving van ons gezegde; dan wij willen liever ons bepalen bij de meer voortreffelijke Gedichten zijner jeugd, bij die kleene verzameling, welke hij naderhand vergeefs poogde te vernietigen. Losfe bevalligheid, geestige vinding en juiste teekening heerschen hier overal. Vele Gedichtjes zijn in den trant van Hooft, b.v.:

 
(2)Spijtig Klaartje sou haar baden
 
Moedernaakt in eene beek,
 
Die langs klavre boorden streek,
 
Overschaaud van wil'ge bladen;
 
Grage Reijnoud sat en keek,
[p. 294]origineel
 
Watertandend door de rietjes;
 
En hij riep eens soet met een:
 
‘Noch wat dieper tot de knietjes!’
 
Daar mee droop sij schaamroot heen.

Bijzonder krachtig en fraai vind ik dat Minnedicht, hetwelk, in den trant van Jongtijs vervaardigd, ons toont, tot welk eene uitnemende hoogte en teedere zachtheid de lier van den kunstigen Luiken zich stemmen kon. Zie hier het begin:

 
(1)Een straal van Leonoraas oogen,
 
Nog bruinder dan den dijamant,
 
Stak door een heimelijk vermoogen
 
Mijn jeugdig hart in lichte brand.
 
Blaas uijt, blaas uijt, o Leonore!
 
Blaas uijt de vlam die mij verteert;
 
Een vlam uijt uw gezicht geboore,
 
Gezicht, dat Zon en Maan braveert.
 
Dan doe mij vrij al weder blaken.
 
Nu blus, nu blaak, nu blus weer uijt,
 
Tot dat ik aan het end zal raken,
 
Tot dat de dood mijn leven sluijt. enz.

Bij zulk een Dichter als Luiken worden ook de meest gewone onderwerpen met nieuwen zwier en bevalligheid behandeld. Wien walgt niet de vervelende toon, waarop de Verjaardichten

[p. 295]origineel

meestal gestemd zijn? en echter Luiken heeft er een vervaardigd, dat met regt los en dichterlijk mag genoemd worden; zie hier het begin:

 
(1)Vijfmaal zag het bosch haar bomen
 
Wit besturven als een doot.
 
Vijfmaal scheenen 't weder dromen,
 
Als er blad en bloeijzel sproot:
 
Vijfmaal was het IJ bevroren,
 
Zedert, bij een los geval,
 
Onze vriendschap wierd gebooren,
 
Noch al staat ze kant en pal.
 
Kant en pal, en zonder wikken,
 
Dat zij al mijn leven sta,
 
Zonder buijgen, zonder schrikken,
 
Hoe verdeeltheids donder sta.
 
Viermaal zag ik u verjaren,
 
Driemaal vlocht ik u een krans
 
Om uw kruijn en blonde haren,
 
Toen nog, Vrijers, nu al Mans.
 
Maar wat zal ik nu verkiezen?
 
Wat voor bladers? wat voor kruijt?
 
't Winter-maantje klapt zijn kiezen,
 
Kruijt en bladers hebben uijt. enz.

Schittert Luiken als Teekenaar en Plaatsnijder hi den rei der Kunstenaars naast eenen Rembrand, heeft hij ten dezen opzigte iets

[p. 296]origineel

oorspronkelijks en krachtigs, dat een groot vernuft, hetwelk met eenen enkelen trek een beeld in vollen hartstogt ons voor oogen stelt, kenmerkt, als Dichter kan hij Hooft, Jongtijs en anderen zoo niet op zijde treden, ten minste met vasten tred volgen. De voortbrengsels van zijne dichtpen moeten dan eerst vergeten worden, wanneer die van zijne teekenpen verworpen zullen liggen, en zijn prentwerk aan de wormen zal zijn ten prooije gelaten.

 

Geheel verschillend van dien van Luiken was +de dichttrant van zijnen tijdgenoot (1)LUCAS ROTGANS. Behaagt Luiken door zachtheid en geestigheid, Rotgans treft door stoutheid en kracht. Er is in der daad veel oorspronkelijks in zijne Gedichten, die, ondanks sommige afstekende en prozaïsche uitdrukkingen, door schilderachtige voorstelling de aandacht zeer wel bezig houden. Om hiervan overtuigd te worden, behoeft men den Stichtschen Lofbazuin slechts daar in te zien, waar Rotgans, zijnen Held verheffende, gedenkt aan den dood van deszelfs Vader:

 
(2)Mijn Zangnimf, overkropt van rou,
 
Verscheurt de kleedren die haar sieren;
[p. 297]origineel
 
Zij vlecht sipressen om laurieren,
 
En kleedt zich als een weduwvrou.
 
Zij naakt, met waggelende schreeden,
 
De lijkpracht, daer de burger treurt,
 
De maagdt haer borst en vlechten scheurt.
 
Hoe ras vergaan de vrolijkheden!
 
De Vechtzwaan stamelt met haar tong,
 
Van druk en hertzeer ingenomen,
 
Een klaagliedt uit de zilvre stroomen,
 
Of zij haar eigen uitvaart zong. enz.

Tot een ander bewijs van zijnen schilderachtigen en beeldrijken dichttrant kan strekken de aanhef van het Gedicht Mislukte Koningksmoordt.

 
(1)Gij gulde troonen, die, gebouwt op marmre boogen,
 
Den Hemel zelf braveert met uw verheven trans,
 
ô Zetels! die zoo trots en prachtig blinkt in d'oogen,
 
En rooft de zinnen van de Vorsten door uw' glans;
 
Hoe rust uw schijnsieraadt op wankelbaare schraagen!
 
Hoe ondergraaft de Nijdt en Afgunst uw gebouw!
[p. 298]origineel
 
Geen wacht, of lijfstaffier bedekt het hof voor laagen,
 
Indien 't ondankbaar volk ontaart van plicht en trou.
 
Hij, die verheven bralt in 't vorstelijk scharlaken,
 
Zit voor de stormen bloot van 't wisselbaar geval.
 
D'Orkaanen buldren meest op hooggestichte daken;
 
De laage veldhut trost de winden, en staat pal.
 
Verraadt en ontrou schuilt in opgepronkte zaalen;
 
Een aarde kruik besluit geen dodelijk venijn,
 
De moordtdrank gloeit in 't goud en vorstelijke schaalen,
 
En 't giftig draakespog begraaft zich in den wijn.

De schrandere van Effen noemt de twee Treurspelen van Rotgans (1)uitmuntende werken, die wel verdienen anderen Dichters tot een voorbeeld en aansporing te strekken, om, op dat gemaakte pad, roem en luister te zoeken. Veel fraais is er, zoo in den Eneas en Turnus, als in de Scilla; zij zijn beide vol van die zuivere poëtische trekken, welke bij andere Tooneeldichters omstreeks dezen tijd zoo spaarzaam voorkomen; daarenboven het is oorspronkelijk werk, daar men toen zich meestal vergenoegde met de (2)ondergeschikte eer van wat

[p. 299]origineel

Fransche Treurspelen over te zetten, en daardoor op eene schandelijke wijze zijn onvermogen van iets oorspronkelijks voor te brengen aan den dag bragt.

De Willem de Derde, misschien het eenig eigenlijke Heldendicht, dat deze Eeuw heeft opgeleverd, is niet zonder zwier en leven, niet zonder vinding en verbeelding. Zie b.v. daar deze Vorst, tot voltrekking zijns huwelijks, naar Engeland overvaart.

 
(1)De doeken zwellen, en de gladgekemde baaren
 
Bereiden hem den weg. Neptuin, met waterschaaren
 
Omsingeld, dobbert op zijn schulpkaros voor uit.
 
De Nimfen naaken, als God Triton 't schor geluid
 
Doet klinken over zee uit zijnen krommen horen.
 
De schone Galaté, uit Doris schoot geboren,
 
Voert, borlende uit den grond, de Zeegodinnen aan;
 
Zij ziet, in 't zwemmen om de kiel, de minnevaan,
 
Door d'oostewind gestreeld, op mast en stengen pronken. enz.
[p. 300]origineel

Het geheele Gedicht, schoon vol verdiensten, houdt, mijns oordeels, eenen al te regelmatigen gang, en ontbreekt die schilderachtige gelijkenissen, die wij zien zullen dat in de volgende Eeuw den Friso van Willem van Haren zoo zeer versieren. Ook de wonderlijke (1)mengeling van Heidensche en Christelijke beelden mishaagt mij.

Niet zonder geest en lossen val is de Boere Kermis, een uitgebreid en boertig Gedicht van Rotgans, hetgeen onder deze soort van Gedichten met regt eenen loffelijken naam verworven heeft.

De verdienstelijke en onderzoeklievende (2)Lub'link prijst in Rotgans te regt eene schoone versificatie; het ware te wenschen, dat de overige verdiensten, zoo wel als de gebreken van dezen Dichter, door eenen deskundigen afzonderlijk werden betoogd; het zoude zeer belangrijk zijn, om den geest van zijnen leeftijd in een juist en helder licht te stellen.

[p. 301]origineel

+Het edel broederpaar (1)KASPER en JOHANNES BRANDT verdient nog onze lofspraak. Door hunnen Vader onderwezen, schijnen zij van dezen geërfd te hebben zuiverheid van taal en keurigheid van uitdrukking.

Kasper is niet alleen somwijlen los en eigenaardig, blijkens het Gedicht op de papiere snijkunst van Juffrouw Koerten,

 
(2)Bedrieg ik mij, of zijn het droomen?
 
Verandert hier een Circes handt
 
't Papier in vogels, bosschen, boomen
 
Of schepen met hun staende wandt?
 
De Fenixschaer laet zig in 't knippen
 
Geen touwgereedschap hier ontglippen enz.

maar ook stout en krachtig, als het onderwerp zulks medebrengt. In de Christelijke Bespiegeling van 't Laetste Oordeel heeft men wel uitgewerkte tafereelen en wel gekozene beelden.

 
(3)'t Gebergte loeit en huilt van onder,
 
De zon bezwijmt, het starrendak
[p. 302]origineel
 
Verbleekt, en voelt vast krak op krak;
 
De blixem worstelt met den donder. -
 
't Heelal verwrikt zig, d'aerde splijt
 
En scheurt van een tot aen den navel,
 
Gezonken in een gloed van zwavel;
 
Al d'elementen zijn in strijdt.

De Regter en zijne Engelen roepen daarna de Dooden op:

 
Al 't aerdrijk lost, in barensnoodt
 
Op deze donderstem, zijn' schoot,
 
En baert zijn toebetroude panden.
 
't Verstove gruis krijgt vleesch en been;
 
Hier rijst het menschdom uit zijn asschen,
 
Uit grafgewelf en waterplassen.
 
Hoe woelt en zwiert het onder een,
 
Om ijlinx weêr van een te scheuren!
 
d'Aertsrechter, voor wien Cesars staen,
 
Ziet schepterstaf noch ploegstaef aen;
 
De stoutste dwingelanden treuren:
 
Hun moed verzinkt met 's werelds gront.
 
Geen Marius, geen Alexander,
 
Steunt op zijn Arent meer of stander.
 
De geessel van den Hellespont
 
Kan dezen Zeevoogt niet ontwijken;
 
Waer vindt zijn vlucht hier schip of boot
 
In 't nijpen van den jongsten noodt?
 
Hier stranden alle Koninkrijken.
[p. 303]origineel

Het geheele Gedicht heeft zeer fraaije trekken, en men kan duidelijk uit de Werken van Kasper zien, dat zijn geest zich gaarne tot eenen krachtigen dichttrant bepaalde.

Minder verdiensten dan Kasper dunkt mij heeft Johannes, die echter ook nu en dan natuurlijk en schilderachtig zijn kan, gelijk men uit vele plaatsen zijner Gedichten, en bijzonder uit zijnen Vredezang, kan bewijzen; b.v.:

 
(1)De Bouman is verheugt, nu de aard zijn vlijt betaalt,
 
Geen krijgsknecht vetten buit van sijnen akker haalt.
 
Hij schrikt niet langer voor het schitteren der zwaarden,
 
Voor kling noch kogel: geen gebriesch van duizent paarden,
 
Die zijnen rijken oogst bederven en vertreen,
 
Jaagt hem met al zijn schat langs berg en dalen heen.
 
De Kaas en Melk, het ooft, dat eige handen entten,
 
Betaalen mildt op nieu zijn zegerijke renten.
 
Geen harnas noch helmet verstooren zijnen droom,
 
Verwekt door 't ruischen van een kristalijnen stroom:
[p. 304]origineel
 
Hij laat zijn zorgen met zijn beeken heenen vloeijen,
 
Die mindren, naar gelang zijn vette beesten groejen.
 
De herder Damon trekt zijn opgehange fluit
 
Ten wande af, wil de kling, die op den weg voor buit
 
Bij hem was opgeraapt, haar plaatse doen bekleeden.
 
‘Ga hang daar,’ zegt hij, ‘plaag van landerij en steden:
 
Blijf altoos door de roest gegijzelt in de schee:
 
Gij zult de rust niet meer verstooren van mijn vee.’
 
Straks heft hij 't vreêliet aan: enz.

Johannes en Kasper hebben, volgens de getuigenis van (1)Johan de Haas, door hunne Nederduitsche Gedichten zoo veel eer behaald, dat alle de hoogverlichte geesten in het Vaderland hun onsterffelijke lofspraak hebben waardig geacht; wij zouden niet gaarne iets aan den roem van dit waardig Broederpaar onttrekken, voor hetwelk wij, zoo wel als voor hunnen beroemden Vader en (2)Broeder, altijd van achting en eerbied doordrongen geweest zijn.

[p. 305]origineel

Wij zullen de opgave der bijzondere verdiensten+ van de uitnemende Dichters dezer Eeuw besluiten met (1)JAN BAPTISTA WELLEKENS, die zich mede niet zonder lof in de Schilderkunst geoefend heeft. Ter aankweeking zijner kunde naar Italie gereisd, beschaafde hij zijn dichtvermogen door het lezen der Italiaansche Dichtwerken. ‘Tot Landt-, Veldt-, Herder- en Visscherszangen,’ zegt zijn Levensbeschrijver, ‘scheen hij door de Natuur gevormd. Nederlandt immers zag in deeze noit zijns gelijk, terwijl hij ook de roem zal wegdragen, dat hij de eerste geweest is, die de Visscherszangen uit Italiën in Nederlandt gebragt heeft.’ Wij willen deze getuigenis niet tegenspreken, en moeten erkennen, dat ook, onzes oordeels, in het Herdersdicht de palm der overwinning aan Wellekens moet worden toegekend. Alles is bij hem eenvoudig, eigenaardig en schilderachtig. Kan men eenvoudiger en tevens krachtiger de trouw van Silvius, door liefde aan Laura verbonden, afschilderen, dan Silvander en Damon in hunnen beurtzang?

 
(2)Damon.
 
Maar Silvius wierd fel besprongen, als een rots
[p. 306]origineel
 
Van alle kanten, door der baaren ruw geklots;
 
Of als een eikenboom bestormt door forsse winden.
 
Het dreigende onweer scheen zijn liefde te verslinden.
 
Doch nimmer staat een boom zoo vast in 't noordsche woud,
 
Geen klip zoo onbeweegt in 't woede en bruizend zout
 
Als trouwe liefde en min, die 't alles raakt te boven. -
 
In tegenspoed betoont de min haar grootste kracht.
 
Het wiltbraat is ons lief na moejeljke jagt.
 
Die nimmer strijd, verdient geen eerpalm noch lauwrieren.
 
Silvander.
 
Wie helpt ons Silvius Geboortefeestdag vieren?
 
Nu smaakt hun hart en ziel de zoetheid van de min. -
 
Zo leefden Goden en Godinnen op het land.
 
Hoe lieflijk riekt de roos voor onze deur geplant!
 
Hoe smaakt een eige kers? wend u naer alle zijen:
 
Natuur maalt in het groen de schoonste schilderijen.
 
Schoon frisse roos en kers, en 't liefste landgezicht
 
Voor lang beproefde min, en goed genoegen zwicht.
[p. 307]origineel
 
Damon.
 
De blijde wijngaard is van d'olmboom niet te scheuren,
 
Hij helpt de tedre druif het hoofd ten hemel beuren.
 
De zonnebloem bemint steeds Febus aangezicht,
 
De zilvre maan ontleent haar glans van 't zonnelicht.
 
Schoon maan, noch zonnebloem, noch wijngaard beter paarde,
 
Als Laura Silvius hard zielsvriend houd in waarde. enz.

Wilde ik meerdere proeven bijbrengen, ik zou u de schildering van de gulden Eeuw, uit den (1)Visscherszang voor Elsrijk, en den fraaijen (2)Herderszang op de Rijswijksche Vrede mededeelen; of ik zou u in eenen uitnemenden (3)Veldtzang den dood van den Dichter Broekhuizen doen betreuren, of wel in eenen eigenaardigen (4)Jagerszang den lof van Koning Wilhelm aanheffen; nu zal ik mij te vreden houden met aan te merken, dat Wellekens zijne (5)me-

[p. 308]origineel

nigvuldige Bruiloftsgedichten, zoo wel als (2)Bijbelpoëzij, met zwier en bevalligheid in het zacht gewaad van het Herdersdicht wist te kleeden, en altijd met nieuwe en oorspronkelijke trekken geest en leven overal wist te verspreiden.

Wellekens was een kundig man, vol smaak, gelijk uit zijne Brieven, Tafereelen, Fabelen, Lofzangen, en Vertalingen, zoo uit Prudentius als Tasso, blijkt; de Beurtzang (3)op de verovering van Morea heeft zoo vele echte Grieksche trekken, dat men hem, was men niet beter onderrigt, voor eene navolging van een Grieksch voorbeeld zou aanzien.

Wellekens kon niet alleen met kracht en scherpte, als het onderwerp zulks vorderde, zijn dichtgevoel uitdrukken, blijkens het bijschrift (4)op den overgebleven Duim van 't metale Beeld des Hertogs van Alba, maar wist ook de zachtste en teederste toonen uit zijn speeltuig te lokken, wanneer hij hetzelve tot een Geboorte-, Verjaar- of Lijkdichtje voor Kinderen gestemd had. Men leze onder (5)an-

[p. 309]origineel

deren het Gedichtje (1)voor Catharina Immerseel en het (2)eerste Verjaarkransje voor Catharina Bogaert; men leze het Gedichtje (3)aan Lycoris, op het afsterven van haar dochtertje Rozelijntje, en men zal ons gezegde bewezen vinden. Het laatste Gedichtje vooral is zoo eenvoudig schoon, dat ik mij niet bedwingen kan het hier mede te deelen:

 
Is Roozelijntje neergestort?
 
Die lieve en jonge spruit verdort?
 
Helaas! wie helpt mij klagen?
 
Maar wie verbaast zich dat een bloem,
 
Hoe schoon, hoe eêl, en rijk van roem,
 
Wert door een hagelbui geslagen.
 
 
 
Lycoris zijt toch niet bedrukt:
 
Z' is niet geslagen, maar geplukt
 
Door hares Scheppers handen,
 
Eer dat een spin, of vuil gediert,
 
Haar zuivre blaadtjes heeft ontciert,
 
Of middagzon haar deed verbranden.
 
 
 
Zij is geplukt, om weêr geplant
 
Te werden, in het heilig Land;
[p. 310]origineel
 
Daar zal zij eeuwig bloeien.
 
O zalig bloempje? wie benijd
 
Dat gij altijd gelukkig zijt,
 
Nu 's Hemels dauw u zal besproeien?
 
 
 
Lycoris, wiltge uw bloempje weêr?
 
Of wilt gij 't laten bij den Heer,
 
Die 't beter zal als gij bewaren?
 
Die keur, dunkt mij, vereischt geen raad.
 
Zo, zo: herstel uw blij gelaat.
 
Haar welstand moet elk vreugde baren.

Eene uitnemende schildering, eene geestige en natuurlijke voorstelling, eene goede keus van aardige beelden, met één woord, een zeldzaam kunstvermogen straalt door in Wellekens Gedichten. Men ziet overal, dat hij Dichter en Schilder tevens geweest is.

Hoe komt het, vroegen wij onszelven dikwerf bij de beschouwing van de Dichters dezer Eeuwe, dat vele uitnemende geesten met een ziekelijk ligchaam, vol pijn en smarten, te worstelen hadden; het antwoord voegt noch aan ons, noch aan deze plaats; dit zij genoeg, hier aan te merken, dat van dezen verdienstelijken Dichter getuigd wordt, dat zijn leven, hoewel geenszins kort, (1)een aeneenschaekeling van ziekte en smart was. Hij was in Vlaanderen in 1658 geboren, en over-

[p. 311]origineel

leed te Amsterdam in 1726. Zijne Dochter gaf haars Vaders Gedichten in het licht, en vereerde hem met dit Grafschrift:

 
(1)Hier rust het schrander hooft van Neêrlandts Veldt-poëten,
 
Die, aen den Tiber en den Amstelstroom gezeten,
 
Zong Veldt- en Visscherszang op zijn gesneeden riet.
 
Eert vrij het graf, daar gij (2)Sinceer of Tasso ziet.