|
|
|
| |
J
| |
jaarboek
Periodiek - normaliter eenmaal per jaar - verschijnende publicatie
van een genootschap, vereniging of organisatie met wetenschappelijke artikelen
en berichten betrekking hebbend op het desbetreffende vakgebied of onderwerp.
Bekende jaarboeken zijn het Gentse Jaarboek van de Koninklijke Academie voor
Nederlandse Taal- en Letterkunde en het Jaarboek De Fonteine, het
Leidse Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, het
Jaarboek van het Felix Timmermans-genootschap, het Jaarboek van het
Louis Paul Boon-genootschap en het Jaarboek Reve.
De oudere benaming
annalen-2 in tijdschrifttitels heeft de
betekenis van ‘jaarboek’ grotendeels verloren.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Hiller; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
jaartalvers zie
chronogram
| |
jambe
Term uit de prosodie voor een
versvoet bestaande uit een
daling, gevolgd door een
heffing, zoals in het woord
‘verband’ (met het woordaccent op de tweede syllabe). In de
Nederlandstalige metrische (metrum) poëzie komt de
jambe veel voor. Hoogstwaarschijnlijk is deze versvoet de meest gebruikte.
In dichtvorm vindt men deze voet in de volgende strofe:
Latijnsche school, Latijnsche poort!
Gezegend en gezellig oord,
Vol lust en Grieksch en lief en leed,
O wereld die ik nooit vergeet,
Vol vriendschap en vol ruzie!
(
P.A. de Genestet. CG, ed. Oort,
19122, p. 61).
Het metrum van een jambische regel behoort tot de categorie van
het
stijgend metrum. Een veel voorkomende
jambische regel is de zesvoet (alexandrijn).
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
jambische trimeter
Term uit de prosodie voor een
trimeter die opgebouwd is uit
jamben, zoals in het volgende voorbeeld uit
het gedicht ‘Fantasij’ van
P.C. Hooft:
Indien men poocht / mijn hart van mijn / Liefs hart te
scheijden
Ick ducht het niet / zal sijn dan scha/delijcke moeijt.
(P.C. Hooft. Uit Hoofts lyriek, ed.
C.A. Zaalberg (19815), p.
31.)
LIT: Marouzeau; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
jargon
Taal(gebruik) binnen een bepaalde sociale kring die voor
oningewijden vaak moeilijk verstaanbaar is. Die sociale kring kan bestaan uit
leden van een culturele groep (turbotaal) of van een beroepsgroep: militairen,
politici, wetenschappers, medisch personeel, bouwvakkers, zeelieden e.d.
In de literatuur kan jargon een rol spelen om een realistische
typering van personages of een milieu te bewerkstelligen. Anders dan
Bargoens vindt men jargon in vrijwel alle
lagen van een taalgemeenschap. Bekend is het studentenjargon, zoals dat bijv.
door
Kneppelhoutin
Studenten-typen (1841) wordt gebruikt:
‘ploert’ voor hospita, ‘kast’ voor studentenkamer.
Kees van Kooten maakt satirisch gebruik
van jargon in bijv. De ergste treitertrends (1976).
Gerrit Komrij laat in
Averechts (1980) zien hoezeer jargon gebrek aan inhoud
kan verbergen.
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; MEW; Myers/Simms;
Scott; Shipley; Wilpert; J.G.M. Moorman. De geheimtalen (1932); J.
Kuitenbrouwer. Turbotaal (1989). [G.J. van Bork]
| |
je ne sais quoi
‘Ik weet niet wat’: iets ondefinieerbaars en
onbestemds. Term uit de geschiedenis van de Franse kritiek ter typering van
sommige aspecten in de natuur en in de kunst. Zo duidt
D. Bouhours (Entretiens
d'Ariste et d'Eugène, 1671) er de ‘fijne en
ongrijpbare bevalligheden’ mee aan van het echte kunstwerk, terwijl
Fontenelle (Entretiens sur la
pluralité des mondes, 1686) de aanduiding gebruikt voor de
schoonheid van de nacht tegenover die van de dag.
Betje Wolff neemt de term over: het is het
pakkende tegenover het stralende, het aangrijpende tegenover het
overzichtelijke; veelal duidt het op alles wat gekenmerkt wordt door tederheid.
In de loop van de 19e eeuw raakt de aanduiding in onbruik.
LIT: Gorp; W.J.M.A. Asselbergs.‘De zuster van de zon’,
in: NTg 53 (1960), p. 295-303. [G.J. Vis]
| |
jeeste, geeste of yeeste
Middelnederlandse benaming voor teksten, zowel in rijm als in
proza, waarin waar gebeurde feiten (Lat. (res)
gesta, Fr.
chanson de geste) worden beschreven. De term
wordt zowel voor historiografische, bijv.
Jan van Boendales Brabantsche
yeesten (ca. 1347;
kroniek,
rijmkroniek) als biografische teksten, bijv.
Jacob van Maerlants Alexanders
geesten (ca. 1260) gebruikt. Fictionele teksten noemt men
boerden.
In Middelnederlandse fictionele romans komt men het woord
niettemin vaak tegen, bijv. bij
Penninc en
Vostaert:
Die coninc hilt hof ten selven tiden
Dur Waleweins wille, seget die jeeste.
(Roman van Walewein, ed.
Van Es, 19762, p. 328, vs.
11092-11093).
In dit soort gevallen wordt jeeste als
veritas-topos gebruikt: hier het - om wille
van de ‘waarheid’ van het vertelde - zich beroepen op een
(geschreven) bron.
LIT: Gorp; Laan; A.L.H. Hage. Sonder favele, sonder lieghen.
Onderzoek naar vorm en functie van de Middelnederlandse rijmkroniek als
historiografisch genre (1989). [W. Kuiper/H. Struik]
| | | | | |
jongensboek
Boek dat bestemd is voor jongens in de leeftijdscategorie tussen 6
en 16 jaar en dat daarom behoort tot de
kinder- en jeugdliteratuur. Bekende
schrijvers van jongensboeken zijn
C. Joh. Kievit,
A.C.C. de Vletter,
Chr. van Abkoude en
P. Nowee met zijn bekende
Arendsoog-boeken.
LIT: D.L. Daalder. Wormcruyt met suycker
(19762); J. Riemens-Reurslag. Het jeugdboek in de loop der
eeuwen (1977); H. Bekkering e.a. (red.). De hele Bibelebontse berg
(1989). [G.J. van Bork]
| |
jongleur of joculator
Van oorsprong (middeleeuws-)Latijnse benaming (joculator), vanaf
de 8e eeuw gebruikt voor rondtrekkende beroepsspeellieden, die naast
acrobatiek, muziek en variété ook de voordracht van literaire
(epische) teksten verzorgden. De jongleurs zijn de opvolgers van de histriones
en mimi uit het antieke Rome. De term jongleur is Frans en het
fenomeen jongleur is vooral uitFrankrijk bekend. Hun repertoire is
grotendeels verdwenen omdat het niet bewaard werd in bibliotheken.
Waarschijnlijk vormen de jongleurs een belangrijke schakel in de geschiedenis
van het toneel en heeft een deel van de mondelinge overlevering van het
niet-religieuze theater via de jongleurs plaatsgevonden. Ook in de ontwikkeling
en de verbreiding van het
chanson de geste hebben jongleurs een grote
rol gespeeld.
In de 13e eeuw wordt de productie van langere epische werken meer
en meer door clerken verzorgd; de jongleur verliest zijn literaire functie als
voordrager van epiek en is niet meer te onderscheiden van de groep van de
toneelspelers, goochelaars etc. De opvolger van de jongleur in het orale
literaire circuit is de
minstreel, die waarschijnlijk voor een
andere vorm van literair amusement zorgde dan de epiek schrijvende clerken.
Blijkens de uitvallen van
Jacob van Maerlant naar deze
‘menestrele’ zal er tussen beide groeperingen felle concurrentie
geweest zijn. Aangenomen mag worden dat hun repertoire bestond uit zelf
gemaakte of door anderen vervaardigde korte (lied)teksten die ze voor eigen
gebruik vaak ingrijpend wijzigden.
In de loop van de 14e eeuw verdwijnt de term minstreel uit de
rekeningboeken van de vorstenhoven: alleen instrumentbespelers, zangers en
(sprook)sprekers blijven over. Het begrip
sprookspreker duidt ook een
beroepsvoordrager aan, maar het is niet duidelijk of de term betrekking heeft
op voordragers van het type jongleur of van het type minstreel.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Wilpert; B. Hunningher. The origin of the theater
(1955); E. Faral. Les jongleurs en France au Moyen Age
(19702); H. Pleij. ‘Volksfeest en toneel in de middeleeuwen
II’, in: De Revisor 4, 1 (1977), p. 34-41; R. Knorringa. Het
oor wil ook wat (1980), p. 34-40; F.P. van Oostrom. Het woord van
eer (1987), p. 32-45; J. Reynaert. ‘Literatuur in de stad?’,
in: F.P. van Oostrom en F. Willaert (red.). De studie van de
Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst (1989), p. 93-108. [H.
Struik]
| |
journaal
Boek waarin aantekening wordt gehouden van de dagelijkse
voorvallen, al dan niet vergezeld van commentaar. Vaak wordt de term
‘journaal’, hoewel er geen feitelijk onderscheid is met het
dagboek, voorbehouden aan het
reisverslag van een scheepsreis (vgl.
itinerarium,
reisverhaal, logboek of scheepsjournaal).
Bekende voorbeelden van scheepsjournalen zijn die van
Gerrit de Veer: Waerachtighe
beschrijvinghe van drie seylagiën, ter werelt noyt soo vreemt
ghehoort (1598) en van
W.Y. Bontekoe: Iournael ofte
gedenckwaerdige beschrijvinghe vande Oost-Indische reyse
(1646).
LIT: Best; Gorp; Laan; MEW; Scott; Shipley. [G.J. van Bork/P.J.
Verkruijsse]
| |
journalistiek proza
Proza dat zich van ander proza onderscheidt door een tweeledig
karakter. Enerzijds vertoont het dikwijls een reportageachtige stijl,
samenhangend met de bedoeling om gebeurtenissen te verhalen en feitelijke
mededelingen te doen. Het eerste doel van de journalist is immers
berichtgeving. Het referentiële karakter van dit soort proza vergt
objectiviteit van inhoud en stijl, dit in tegenstelling tot wat doorgaans als
literair proza wordt beschouwd. Anderzijds vertoont veel journalistiek proza
een grote subjectiviteit van de auteur, niet alleen door de selectie van feiten
en situaties, maar ook door de toegevoegde commentaren en het daarmee
samenhangend persoonlijk taalgebruik. Het opiniërend karakter hiervan gaat
dikwijls gepaard met stilistische vaardigheid.
Het genre nam een hoge vlucht in de 18e eeuw, zoals bijv. blijkt
uit het werk van
J. van Effen (1684-1735) en het vaak
satirische proza van
J. Campo Weyerman (1677-1747). Gezien
het politieke karakter van veel journalistiek proza schreef men vaak
anoniem (zoals in het patriottische weekblad
De Post van den Neder-Rhyn), of onder
pseudoniem (de politieke commentator
Zelandus, de columnist
Stoker). Men zou het
cursiefje als een overgangsvorm kunnen
beschouwen van journalistiek proza naar literair proza.
De zakelijke inslag van veel journalistiek proza maakt het
geschikt en aantrekkelijk voor auteurs die de suggestie van een groot
realiteitsgehalte in hun teksten willen bereiken, zoals in de
reportageroman.
LIT: Cuddon; Gorp; MEW; Scott; Wilpert; M. Schneider. De
Nederlandse krant 1618-1978 (19794). [G.J. Vis/G.J. van
Bork]
| |
Jugendstil
Stroming in de beeldende kunst waarvan de naam ontleend is aan het
Duitse weekblad Jugend, dat door
Otto Eckmann met randversieringen en
ornamenten werd verfraaid (1896-1897). Het werd zo de Duitse aanduiding voor
een stijl die rond 1900 in allerlei decoratieve vormen een belangrijke rol
speelde. De Franse benaming is ‘art deco’ of ‘stil
nouveau’. Als kunstvorm tussen
impressionisme en
expressionisme in is de Jugendstil een stijl
die een lineaire (tweedimensionale) vormgeving gebruikt voor sterk
vergeestelijkte verbeeldingen. Dit uit zich in de vloeiende of krullende lijnen
die in de ornamentiek (kelken, bloemstengels, lange sierlijke vogels,
vrouwenhaar e.d.) toegepast worden. Als kunststijl is de Jugendstil het sterkst
verbonden met het
symbolisme. Het speelt in de literatuur zelf
nauwelijks een rol en kan dan ook niet als een literaire stroming beschouwd
worden. Wel valt het in de interieurbeschrijvingen van de decadente literatuur
(decadentie) te herkennen. Vooral in de boekverzorging
kan men de Jugendstil terugvinden. De door
Toorop verzorgde banden van
Psyche (1898) en God en goden
(1903) van
Louis Couperus zijn typische voorbeelden
van deze stijl.
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; D. Jost.
Literarischer Jugendstil (1969); H. Fritz. Literarischer Jugendstil
und Expressionismus (1969); E. Braches. Het boek als nieuwe kunst,
1892-1903 (1973). [G.J. van Bork]
| |
juweel
Oorspronkelijk de prijs die werd uitgeloofd bij de wedstrijden in
het schrijven en spelen van toneel die door de
rederijkers werden gehouden. De naam ging
over op de literaire wedstrijden tussen stedelijke of regionale
rederijkerskamers. Bij spelen met een
bovenregionaal karakter spreekt men van een
landjuweel.
LIT: Buddingh'; Laan; J.J. Mak. De rederijkers (1944). [H.
Struik]
| |
juxtapositie
De aanwezigheid van één of meer zaken op het toneel,
zonder dat ze ten aanzien van de handeling of van elkaar in een zingevend
verband worden gebracht of iets aan de betekenis van de tekst toevoegen. Zo kan
de aanwezigheid van een bepaald attribuut een puur decoratieve functie hebben
en niets aan de handeling toevoegen.
LIT: Van den Bergh; Myers/Simms. [G.J. van Bork]
|
|
|