|
|
|
| |
G
| |
galei
Term uit de typografie voor een metalen of houten blad met aan
drie zijden opstaande randen, waarop de zetter, telkens als de zethaak vol is,
de gezette regels plaatste tot er genoeg zetsel was om een
bladzijde op te binden. In de periode van de
handpers werkte men met verschillende soorten galeien al naar gelang het
bibliografisch
formaat (folio-, kwarto-, octavo-galeien
enz.). In de machinepersperiode werkt men met langere galeien, waarin zetsel
voor meer pagina's tegelijk staat. Soms ook wordt dan reeds van die lange
stroken galeizetsel een eerste
drukproef getrokken, de zgn. stroken- of
slippenproef. Dit heeft als voordeel dat ingrijpende correcties aangebracht
kunnen worden zonder dat dit leidt tot verloop in pagina's.
LIT: Brongers; Feather; Mathijsen; Scott; W.Gs Hellinga. Kopij
en druk in de Nederlanden (1962), p. 238; P.M. van Cleef. Handboek ter
beoefening van de boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p.
53; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742),
p. 49-51, 194-195; C. Schook. Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en
correctors, ed. F.A. Janssen (1981), p. 54-55, 185-186; K.F. Treebus.
Tekstwijzer (19832), p. 75-77, 217; H. van Krimpen. Boek
over het maken van boeken (1986), p. 37-39; F.A. Janssen. Zetten en
drukken in de achttiende eeuw (19862), p. 204-205. [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
gebroken rijm-1, onderbroken rijm of
weesrijm-2
Term uit de prosodie voor die vorm van
eindrijm die als rijmschema heeft abcb of
abac, bijv.
(
M. Nijhoff. VG,
19766, p. 26).
Men gebruikt hiervoor ook wel de term weesrijm, welke aanduiding
ook gehanteerd wordt voor een vorm van tekstverminking (weesrijm-1).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick;
Metzler; Morier; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
gebroken rijm-2
Term uit de prosodie voor een
rijmvrager of
rijmgever die bestaat uit het eerste deel
van een samengesteld woord, waarvan de rest van de samenstelling aan het begin
van de eerstvolgende regel staat, bijv.
(
M. Nijhoff. VG,
19766, p. 26).
LIT: Alphen; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Morier; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
gebruikelijke zegswijze zie
gezegde
| |
gebruiksschrift
Term voor het niet-kalligrafische,
cursieve schrift dat steeds naast de
verschillende
boekschriften heeft bestaan
vóór en enige tijd na de opkomst van de boekdrukkunst ten behoeve
van administratieve doeleinden en het persoonlijk briefverkeer. Kenmerkend voor
een gebruiksschrift zijn het gebruik van een smalle, harde pen en het
meeschrijven van de luchtlijnen.
Het gebruiksschrift van de Romeinen was aanvankelijk de
capitalis cursiva of majuskelcursief. In de
3e eeuw n.Chr. werd deze schriftsoort geleidelijk vervangen door de
minuskelcursief die zich op sommige plaatsen
tot in de 8e eeuw handhaaft.
De
Karolingische minuskel, die zich in de 8e
eeuw ontwikkelt, kent geen cursieve variant als gebruiksschrift: het is een
typisch boekschrift. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat de behoefte aan
een gebruiksschrift tot in de 11e eeuw ontbreekt door het economische en
staatkundige verval: er wordt vrijwel alleen in de kloosters geschreven (scriptorium).
Omstreeks 1100 ontstaat, waarschijnlijk onder invloed van de
laat-Karolingische oorkondenschriften, de gotische
littera cursiva, die tot het einde van de
13e eeuw alleen als gebruiksschrift zou fungeren.
De humanisten (humanistisch schrift)
ontwikkelden in de 15e eeuw een eigen gebruiksschrift: de
littera italica.
Uiteindelijk verdwijnen in de 16e en 17e eeuw de uniforme
gebruiksschriften: het geschreven woord krijgt het persoonlijke karakter van de
individuele schrijver.
LIT: J. Mallon. L'histoire et ses méthodes (1961),
p. 553 e.v.; E. Strubbe. Grondbegrippen van de Paléografie der
Middeleeuwen (1964), p. 18; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen
schrift (19882), p. 116-121, 170-175. [H. Struik]
| |
gebruikssporen
Gebruikssporen in handschriften, manuscripten of exemplaren van
gedrukte boeken kunnen van diverse aard zijn. Een geschreven of ingeplakt
ex-libris en
bibliotheeksignaturen, inclusief
olim-signaturen, zijn van groot belang voor
de
provenance en dientengevolge voor het
historisch lezersonderzoek. Manuscripten die als
kopij gediend hebben, vertonen specifieke
gebruikssporen in de vorm van o.a. formaatsignaturen en vingerafdrukken; zij
zijn van groot belang voor de tekstgeschiedenis. Een door een vroegere bezitter
aangebrachte nummering van onderdelen van een verzamelband of
convoluut, die in een later stadium uit
elkaar genomen is, kan het reconstrueren van bij elkaar behorende onderdelen
vergemakkelijken. Marginale en interlineaire aantekeningen van auteurs in hun
eigen boeken of van bezitters in hun exemplaren zijn van belang voor de
tekstgeschiedenis en het lezersonderzoek.
LIT: Hiller; R. Resoort. ‘Over de betekenis van
gebruikssporen in prozaromans en volksboeken’, in: Spektator 6
(1976-1977), p. 311-327; J.A.A.M. Biemans. ‘Torso van een handelaar of
een verzamelaar?’, in: Van pen tot laser; 31 opstellen over boek en
schrift aangeboden aan Ernst Braches (1996), p. 10-29. [P.J.
Verkruijsse]
| |
gedachtefiguren of figurae sententiae
Term uit de retorica en de stijlleer voor die groep van
stijlfiguren die, in tegenstelling tot de
groep van de
woord-,
zins- en
klankfiguren, gekenmerkt worden door het
feit dat de inhoud en presentatiewijze van gedachten domineren zonder dat de
woordschikking en/of klank daarbij een rol hoeven te spelen. Dit is bijv. het
geval met de
retorische vraag, de
antithese en het verschijnsel
ironie. Sommigen rekenen ook de
beeldspraak tot de gedachtefiguren, anderen
echter brengen het figuurlijk taalgebruik onder bij het begrip
troop-1.
LIT: Best; Gorp; HWR; Lausberg; LdMA; Lodewick; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
gedachtestreepje
Teken in de vorm van een liggend streepje - dat een korte pauze
binnen een op schrift gezette gedachte aangeeft. Het gedachtestreepje is
verwant aan het
aandachtsstreepje.
LIT: P.J. van der Horst. Leestekenwijzer (1990), p. 70-76.
[W. Kuiper]
| |
gedenkboek zie
gedenkschrift-2
| |
gedenkschrift-1 zie
memoires
| |
gedenkschrift-2 of gedenkboek
Geschrift waarin belangrijke of heugelijke gebeurtenissen,
jubilerende instellingen of belangrijke personen worden herdacht door die
gebeurtenissen, instellingen of personen te beschrijven of herinneringen eraan
te boek te stellen om ze voor het nageslacht te bewaren. Voorbeelden van
gedenkschriften zijn
J.H. van der Palms Geschied-
en redekonstig gedenkschrift van Nederlands herstelling in den jare
1813 (1816), het Gedenkboek der
Wereldbibliotheek (1915) en de Gedenkzuil voor Mr.
Rhynvis Feith (1825).
LIT: BDI; Laan. [G.J. van Bork]
| |
gedicht of vers-2
Term uit de genreleer voor een tekst in verzen (vers-1) die een afgerond geheel vormt. De omvang kan
variëren; zowel het kleinste gedicht (het
distichon) als een dichtwerk van grote
omvang (Van den vos Reynaerde) kunnen met die term worden
aangeduid. Een gedicht is altijd
poëzie-1, maar de term
‘poëzie’ kan niet altijd worden vervangen door die van
‘gedicht’, omdat poëzie fragmentarisch kan zijn en een gedicht
niet. De verkorte term ‘dicht’ voor gedicht gebruikt men meestal in
samenstellingen (zoals
leerdicht). In de 19e eeuw heeft
dicht de betekenis van
poëzie-1. Door de ongelijke lengte van de
regels (wit) verschilt het gedicht van het
proza.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
geestelijk drama
Verzamelnaam voor middeleeuwse en laatmiddeleeuwse toneelstukken
(rederijkerstoneel) met een uitgesproken religieuze
inhoud en thematiek, die tot doel hebben het publiek aan te sporen om een
christelijk leven te (gaan) leiden. Voorbeelden van geestelijk drama zijn het
apostelspel (De bekeeringe
Pauli, ed.
Steenbergen, 1953), het
bijbelspel (Naaman Prinche van
Sijrien, ed.
Hummelen en &
Schmidt, z.j.), het
heiligenspel (Tspel van Sinte
Trudo, ed.
G. Kalff, 1889), het
mirakelspel, de
moraliteit (Den spieghel der
salicheit van Elckerlijc, ed.
Vos, 1967) en het
mysteriespel (Die Eerste Bliscap van
Maria & Die Sevenste Bliscap van Onser Vrouwen, ed.
Beuken, 1973). De oorsprong van het
geestelijk drama werd tot voor kort gezocht in het
liturgisch drama, dat in de kerk ontstaan zou
zijn door het inlassen van muzikaal-dramatische passages in de liturgische
gezangen (troop-1). Waarschijnlijker is echter dat er
ook buiten de kerk altijd toneel gespeeld is, zij het dat daar voor de periode
van de 5e tot de 10e eeuw weinig bewijzen van zijn overgeleverd. Dit toneel is
uiteindelijk ook weer een rol in de kerk gaan spelen om het vertelde te
veraanschouwelijken.
LIT: Best; Gorp; Knuvelder; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert;
H.J.E. Endepols. Vijf geestelijke toneelspelen der middeleeuwen (1940);
B. Hunningher. The origin of the theater (1955); W.M.H. Hummelen.
Repertorium van het rederijkersdrama, 1500-ca. 1620 (1968); H.
Kindermann. Das Theaterpublikum des Mittelalters (1980). [H. Struik]
| |
geestelijke epiek
Verzamelnaam voor middeleeuwse verhalende teksten met een
uitgesproken religieuze inhoud en thematiek, die tot doel hebben het publiek
aan te sporen om een christelijk leven te (gaan) leiden. De geestelijke epiek
bestaat eigenlijk niet uit epische teksten (epiek) in de
strikte zin des woords, maar uit werken die als epische teksten in paarsgewijs
rijmende versregels geschreven zijn: bij epiek denken wij al gauw aan fictie,
terwijl heiligenlevens zoals de Sint Servaeslegende (ed.
Van Es, 19762) voor het
middeleeuwse publiek geen fictie maar feit waren. Eigenlijk bevinden zij zich
daarom in het grensgebied tussen epiek en didactiek.
Tot de geestelijke epiek rekent men traditioneel: Van
den levene ons Heren (ed.
Beuken, 1968), heiligenlevens (hagiografie) als Sinte Franciscus leven
(ed.
Maximilianus, 1954), het Leven
van sinte Lutgard (ed.
Gysseling, 1985) en de Sint
Servaeslegende, de De reis van sinte Brandaen
(ed.
Gerritsen &
Wilmink, 1994), en
legenden en
exempelen als Beatrijs
(ed. Meder & Wilmink, 1995) en Theophilus (ed.
Roemans en
Van Assche, 1960).
LIT: Best; Knuvelder; LdMA; MEW; Wilpert; J. van Mierlo.
Geestelijke epiek der middeleeuwen (1939); Th. Mertens e.a. Boeken
voor de eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza (1993); L. Jongen.
‘Sint Servaas tussen feit en fictie. Hendrik van Veldeke en de
hagiografische traditie’, in: Literatuur 11 (1994), p. 290-296.
[H. Struik]
| |
geestelijke lyriek
Verzamelnaam voor lyriek met een uitgesproken religieuze inhoud en
thematiek (christuslied,
devotielied,
Marialied,
kerklied, kerstlied, paaslied, pelgrimslied,
souterliedeken,
schriftuurlijke liedekens). Hoewel er
gedurende de Middeleeuwen veel geestelijke lyriek gedicht zal zijn, zijn er uit
de handschriftenperiode maar weinig handschriften met geestelijke liederen
(liedboek) bewaard gebleven: Die gheestelicke
melody (ed.
Obbema, 1975), het Tongerse handschrift
van het Windesheimer klooster ‘Ter noot Gods’ (ed.
Bruning, 1955), het liedboek van
Liisbeth Ghoeyuaers (ed.
Van Seggelen, z.j.), het liedboek uit het
Tertiarissenklooster ‘Mariengraff’ (ed. Verhaak, 1963) en de
liederen van
Mechteldis van Lom (ed.
Wijngaards, 1957). Van zes strofische
gedichten van
Hadewijch is bewezen dat het
contrafacten zijn. Hiermee is aangetoond dat
de Strofische gedichten bedoeld waren om te worden gezongen. De oudste
gedrukte bundels geestelijke liederen zijn: Dit is een suuerlijc
boecxken in welcke staen scone leysen ende veel scone gheestelike
liedekens (1508, ed.
Mak, 1957) en Een devoot ende
profitelijck boecxken (1539, ed.
Scheurleer, 1889).
Bekende voorbeelden uit later tijd zijn de talrijke
reformatorische en contrareformatorische liederen uit de 16e en 17e eeuw,
Jezus en de ziel (1678) van
J. Luyken, Gebed
(1796) van
W. Bilderdijk en de gebeden (bijv.
‘Gij badt op eenen berg alleen’) uit de bundel Gedichten,
gezangen en gebeden (1862) van
G. Gezelle. Moderne dichters van
geestelijke lyriek zijn
Nel Benschop en
Huub Oosterhuis.
Menig geestelijk lied (kerklied) is een
contrafact van een bestaand profaan lied. Zo heeft
Justus de Harduijn zelfs zijn gehele
bundel profane poëzie Weerliicke liefden tot
Roose-mond (1613) omgevormd tot de bundel geestelijke liederen
Goddelicke lof-sanghen (1620).
LIT: Best; Buddingh'; Knuvelder; Krywalski; Laan; LdMA; Metzler;
MEW; Wilpert; D.F. Scheurleer. Nederlandsche liedboeken (1912); J.A.N.
Knuttel. Het geestelijke lied in de Nederlanden voor de kerkhervorming
(1906); Anton van Duinkerken. Dichters der contra-reformatie (1932);
W.A.P. Smit. Dichters der reformatie in de 16e eeuw (1939); K. Heeroma.
Protestantse poëzie der 16de en 17de eeuw (1940-1950); W.J.C.
Buitendijk. Het calvinisme in de spiegel van de Zuidnederlandse literatuur
der contra-reformatie (1942); J. de Raedt (ed.). Middeleeuwsche
geestelijke poëzie (1944); L.P. Grijp. ‘De zingende Hadewijch.
Op zoek naar de melodieën van haar Strofische Gedichten’, in: F.
Willaert e.a. (red.). Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de lage
landen (1992), p. 72-92. [W. Kuiper/H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
gefocaliseerd object
Term uit de verteltheorie waarmee het door de
focalisator waargenomene wordt aangegeven,
m.a.w. datgene wat gezien wordt vanuit het perspectief van degene die in het
verhaal de rol van waarnemer vervult. In de zin: ‘Lot Pauw zat op zijn
kamer te werken, toen hij beneden hoorde de stemmen van zijn moeder en van haar
man, Steyn’ (
L. Couperus, Van oude
menschen, de dingen die voorbij gaan, VW, 1952, p. 74)
worden de stemmen van Lots ouders waargenomen door Lot. Hij is daarmee de
focalisator en de stemmen van Ottilie en Steyn zijn het gefocaliseerde object
in deze passage.
LIT: Bal; Boven/Dorleijn; Herman/Vervaeck. [G.J. van Bork]
| |
geheimschrift of cryptografie
Geheimschrift wordt beoefend vanaf de Assyriërs tot en met
het computertijdperk. Vooral in het diplomatieke verkeer werd veelvuldig
gebruik gemaakt van geheimschrift, maar men kan het bijvoorbeeld ook aantreffen
in de reisjournalen van
Constantijn Huygens Jr. en
Aernout Hellemans
Hooft waar het betrekking heeft op
amoureuze zaken.
De meest simpele geheimschriften zijn gebaseerd op het gebruik van
cijfers die een bepaalde letter voorstellen (a = 1, b = 2 enz.), op het
omzetten van letters uit het alfabet (z in plaats van a, y in plaats van b
enz.), op het lezen van alleen de even letters uit een letterreeks (zoals bij
Huygens) of op het schrijven in spiegelschrift. Maar vooral in de 16e en 17e
eeuw wordt het ontwerpen van ingewikkelde codes, de cryptologie, tot een ware
kunst verheven, evenals de cryptanalyse die zich evenzeer inspant om de codes
te breken. Aan alle vorstenhoven werden ‘zwarte kamers’ ingericht
voor het openen en ontcijferen van geheime diplomatieke post.
LIT: BDI; Best; J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland
(1978), p. 59-60; J.F. Heijbroek. ‘Het geheimschrift van Huygens
ontcijferd’, in: A. Eyffinger (red.). Huygens herdacht. Catalogus bij
de tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek t.g.v. de 300ste sterfdag van
Constantijn Huygens, 26 maart - 9 mei 1987 (1987), p. 167-172; A. Vugts
& C. van Vugt. Geheimschrift. Over de geschiedenis en methoden van de
cryptologie (1993); K. de Leeuw & H. van der Meer. ‘A homophonic
substitution in the archives of the last great Pensionary of Holland’,
in: Cryptologie 17 (1993), p. 225-236; K. de Leeuw & H. van der
Meer, ‘Een roostergeheimschrift van Alexander Baron van Spaen
(1775-1811)’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw 25 (1993),
p. 187-210. [P.J. Verkruijsse]
| |
geish
Term uit de Keltische mythologie voor een magisch bevel of verbod
jegens een persoon of voorwerp, dat indien overtreden, een bovennatuurlijke
wraak zal uitlokken. Zo is het in de Parthonopeus van
Bloys (ed.
Bormans, 1871) de hoofdpersoon verboden
zijn
Andere Wereld-minnares te zien, wat hij toch
probeert, waarna de relatie verbroken wordt en zij hem naar het leven gaat
staan. De geish vertoont verwantschap met het ‘celar’-motief
oftewel het verplichte zwijgen, zoals dat onder andere functioneert in
Die borchgravinne van Vergi (ed.
Jansen-Sieben, 1985), in welke tekst de
liefde tussen een ridder en een ‘borchgravinne’ absoluut verzwegen
moet worden of hij zal niet meer langer kunnen bestaan.
LIT: A.G. van Hamel. ‘Recensie van: J.R. Reinhard. The
survival of Geis in medieval romance (1933)’, in: English
Studies 16 (1934). [W. Kuiper]
| |
Geistesgeschichte
Tegenbeweging tegen het
positivisme die zich opwierp als voorstander
van een eigen wetenschappelijke aanpak voor de geesteswetenschappen en de
natuurwetenschappelijke methoden voor dat wetenschapsgebied afwees. Gold voor
de natuurwetenschappen het principe van de verklaring van verschijnselen
(‘Erklären’), voor de menswetenschappen zou inleven en
begrijpen moeten gelden (‘Verstehen’). De uitgangspunten voor de
Geistesgeschichte kunnen gevonden worden in de filosofische opvattingen die
opgeld deden gedurende de romantiek, met name bij
Hegel. De belangrijkste
vertegenwoordiger ervan was
Wilhelm Dilthey (1833-1911) die tevens
als grondlegger van de Geistesgeschichte gezien kan worden. Dilthey ging uit
van de uniciteit van alle menselijke verschijnselen. Achter de mens en diens
geesteskinderen gaat een uniek stelsel van normen en waarden schuil dat de
onderzoeker alleen door inleving kan trachten bloot te leggen. Dilthey spreekt
in dit verband van het ‘wiederfinden des Ich im Du’.
De opvattingen van Dilthey zijn sterk idealistisch gekleurd. Met
name Hegels idee dat achter de zichtbare werkelijkheid een onzichtbare
‘geest’ schuilgaat die de werkelijkheid bepaalt, wordt overgenomen
in de geschiedopvatting als de
tijdgeest (Zeitgeist). Om een historisch
fenomeen te kunnen begrijpen, moet men dat fenomeen begrijpen in het licht van
de tijdgeest. Onderling vinden historische verschijnselen dan hun organische
samenhang in deze tijdgeest, de wezenlijke eenheid van een bepaalde periode.
Periodiseren was een van de belangrijkste activiteiten van de historici die
vanuit het geistesgeschichtliche idee werkten. Bij het vinden van de tijdgeest
spelen interpretatie (hermeneutiek) en intuïtie een
grote rol. Daarmee onttrekt de Geistesgeschichte zich aan de wetenschappelijke
normen van toetsbaarheid en voorspelbaarheid, reden waarom deze denkrichting
sterk gekritiseerd is. Het ging er bij de Geistesgeschichte niet om een proces
van historische veranderingen te verklaren, maar veeleer het historisch andere
door een vorm van inleving psychologisch voelbaar te maken. Het spreekt vanzelf
dat dit leidde tot een hoogst subjectieve benadering en tot vaagheid en
abstractheid in de benoeming van een
periode-1.
De bloeiperiode van de Geistesgeschichte ligt in de eerste helft
van de 20e eeuw. Een belangrijke vertegenwoordiger van de geistesgeschichtliche
cultuurgeschiedenisbeoefening was
Johan Huizinga (1872-1945), wiens
Herfstij der Middeleeuwen (1919) een poging is om de
kunst van de gebroeders
Van Eyck ‘te begrijpen in haar
samenhang met het gansche leven van den tijd’ (1969, p. XX). Een
literatuurgeschiedenis die duidelijk trekken vertoont van de
geistesgeschichtliche aanpak is die van
F. Baur, die stelt dat de
literair-historicus ‘de gave van het historisch begrijpen zeer zorgvuldig
in zich dient te ontwikkelen; hij spant alle geest- en verbeeldingskracht in om
het schijnbaar-doode met den innerlijken blik der ziel terug te zien in den
glans van het leven dat het eenmaal heeft bewogen’ (Geschiedenis van
de letterkunde der Nederlanden, dl. 1, 1939, p. XVII).
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; E.E.G. Vermeulen. Fruin
en Huizinga over de wetenschap der geschiedenis (1956); H.J. Schoeps.
Was ist und was will die Geistesgeschichte? (1959); I.N. Bulhof.
Wilhelm Dilthey. A hermeneutic approach to the study of history and
culture (1980); M. Spies. ‘Van mythes en meningen: over de
geschiedenis van de literatuurgeschiedenis’, in: M. Spies (red.).
Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening (1984), p. 171-193.
[G.J. van Bork]
| |
gekruist rijm
Term uit de prosodie voor die vorm van
eindrijm die als rijmschema heeft abab,
cdcd, bijv.
ben ik van duitsen bloed,
blijf ik tot in den dood.
(Liedboek voor de kerken, 1973, p.
601).
Uit de verre streken van lome
Flamingantisme, ben ik tot u gekomen
(
P. van Ostaijen. VW
Poëzie, dl. 1, 19653, p. 61).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Gorp; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
gelegenheidspoëzie
Gelegenheidsgedichten zijn in alle perioden van de
literatuurgeschiedenis geschreven - vaak op bestelling - naar aanleiding van
een bepaalde gebeurtenis of met betrekking tot zaken en personen, waarbij
respectievelijk bij wie de dichter persoonlijk of als vertegenwoordiger van een
gemeenschap direct betrokken was. Formeel wordt het gelegenheidsgedicht
dikwijls gekenmerkt door
plano-formaat. Geboorte, huwelijk (epithalamium) en overlijden (lijkdicht,
funeraire poëzie) zijn vaak aangegrepen
gelegenheden voor het vervaardigen van dit soort gebruikskunst. Ook
drempeldichten,
satiren, bepaalde
lofdichten, zegezangen,
portretgedichten en
beeldgedichten-2 in het algemeen vallen
onder de gelegenheidspoëzie.
Er was met name in de 16e tot 18e eeuw een heel circuit van
producenten van gelegenheidsliteratuur (auteurs die daaraan vaak een belangrijk
deel van hun inkomsten ontleenden, drukkers/uitgevers) en opdrachtgevers
(mecenassen, stads- en gewestelijke besturen). De gelegenheidspoëzie werd
allerminst als een minderwaardig genre beschouwd.
Voorbeelden van gelegenheidsgedichten zijn opgenomen onder de
desbetreffende hierboven genoemde genres. Een voorbeeld van het leveren van
poëzie op bestelling is het volgende archiefstuk, waarin een aantal
‘liefhebbers vande Nederduijtsche Poësij’
J.J. Starter in Amsterdam
tracht te houden. Ieder stort een bijdrage van twee pond bij de
penningmeester
uut wiens handen Starter voorsz. weecklicks sal trecken de somma
van twaelef karolus guldens. Voor welke contributie hij gehouden sal syn ons
volkomen acces tot alles wat hij maeckt, ofte gemaeckt heeft, te geven, wat wij
van sijn liedekens ofte gedichten begeeren uijt geschreven te hebben, dat hij
ons dat voor 3 stuivers de zijde gehouden sal sijn te schrijven, so wij ijets
van hem willen gemaeckt hebben, dat hij ons voor een ander tot een billike
prijse sal voorthelpen; namelijck elck liedtje voor twee guldens, elck
Bruydlofts gedicht voor ses guldens ende andere rijmerijen naer advenant. Ende
dat Hij, geduijrende onse contributie, syn vaste woonplaets tot Amsterdam sal
houden (Gemeente-archief Amsterdam, Notarieel Archief 366 B, fol. 552r: akte
d.d. 25 augustus 1622).
Ook in de 19e eeuw werden tal van gelegenheidsgedichten
geschreven. Zo schreef
A.C.W. Staring een feestzang die werd
voorgelezen bij de plechtige maaltijd bij de inwijding van het Gelderse
Atheneum in Harderwijk in 1816. Onder invloed van het l'art pour
l'art van de Tachtigers wordt de waardering voor gelegenheidspoëzie
weliswaar minder groot, maar er worden ook daarna nog steeds
gelegenheidsgedichten geschreven.
Martinus Nijhoffschreef bijv. een
begroetingsspel op rijm voor Koningin Juliana ‘De Klok der
Waarheid’ (VG, 19632, p. 525-532) en
P.C. Boutens had eerder het gedicht
‘Morgengedachten op den vijftigsten geboortedag van Wilhelmina van Nassau
(...)’ geschreven (VW, dl. 3, 1951, p. 201-205).
LIT: Abrams; Bantel; BDI; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J. Bouman.
Nederlandse gelegenheidsgedichten voor 1700 in de Koninklijke Bibliotheek te
's-Gravenhage (1982); J. Bouman. ‘Gelegenheidsgedichten in de
Koninklijke Bibliotheek: materiaal voor bibliografen en
literatuurhistorici’, in: Spektator 13 (1983-1984), p. 52-61; M.A.
Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Poëzie als gebruiksartikel:
gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw’, in: M. Spies (red.).
Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening (1984), p. 75-92; M.
Daamen en A. Meijer. Catalogus van gedrukte Nederlandse
gelegenheidsgedichten uit de zeventiende en achttiende eeuw in de Zeeuwse
bibliotheek te Middelburg (1990). [P.J. Verkruijsse/G.J. van Bork]
| |
gelijk rijm, identiek rijm, rime riche of rijk
rijm
Term uit de prosodie waarmee wordt aangeduid dat de
rijmvrager volledig terugkeert in de
rijmgever, al dan niet als
homofoon, bijv.
Hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats...
Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren,
en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?
(
J.A. Emmens. Gedichten, 1974,
p. 7).
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Lodewick; Metzler; Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| | | |
gemeenplaats zie
cliché-1
| |
geminatio
Overkoepelende retorische term voor de verschijnselen
iteratio (herhaling van een woord in
dezelfde zin) en
repetitio of
epanalepsis (herhaling van een woordgroep in
dezelfde zin). De overgang naar de
anadiplosis (terugkeer van een woord aan het
eind van de ene en het begin van de volgende versregel) is vloeiend.
LIT: Gorp; Lausberg; Metzler; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
gender
Recente ontwikkeling in de literatuurwetenschap die - vaak in
samenwerking met de
semiotiek - de gedragscodes bestudeert die
in een bepaalde cultuur voor mannen en vrouwen gelden. Door vanuit een
gender-invalshoek naar literatuur uit het verleden te kijken, kan een van de
gangbare interpretaties afwijkende interpretatie ontstaan. Zo kan men bijv. op
basis van de bestudering van de rolpatronen in Adam in ballingschap
(WB-ed., dl. 10, p. 94-170) tot de conclusie komen dat Vondel de schuld voor de
zondeval bij Adam legt en niet bij Eva.
LIT: Boven/Dorleijn; Herman/Vervaeck; A. Andeweg en E. Blom.
Literatuurwijzer genderstudies in de neerlandistiek (1995); Lia van
Gemert. Norse negers. Oudere letterkunde in 1996 (1996). [P.J.
Verkruijsse]
| |
genealogie
Historische hulpwetenschap die de ontwikkeling en verwantschap van
geslachten bestudeert. Reeds in de bijbel komen uitgebreide geslachtsregisters
voor en
Hesiodus stelde genealogieën van
godenfamilies samen. In vroeger eeuwen werd de genealogie vaak misbruikt om
vorstenhuizen of regenten meer aanzien te geven door een ver in de tijd
teruggaande afstamming. Daardoor zijn veel genealogische gegevens in
geschiedwerken onbetrouwbaar. Zo hebben de 17e-eeuwse heraldische schilder
Jacob Colijns en de dichter
Vondel, die beide in financiële
problemen verkeerden, eendrachtig samengewerkt om tegen betaling het
genealogische imago van de kersverse Amsterdamse burgemeestersfamilie
De Graeff op te poetsen.
Voor biografisch en literair-historisch onderzoek en voor
onderzoek naar netwerken kan de genealogie van groot nut zijn. Door het
natrekken van familierelaties kan men op het spoor komen van literaire
nalatenschappen of van literaire en culturele kringen.
Belangrijke instanties voor genealogisch onderzoek zijn naast de
archieven (archief-2) het Centraal Bureau voor
Genealogie (CBG) en het Centraal Register Particuliere Archieven (CRPA) in Den
Haag.
LIT: Brongers; LdMA; Mathijsen; MEW; R.J. Leenaerts. Algemeen
genealogisch-heraldisch repertorium voor de Zuidelijke Nederlanden (4 dln.,
1969-1972); E.A. van Beresteyn. Genealogisch repertorium (2 dln., 1972;
reprint 1991; supplementen 1987, 1991); W. Wijnaendts van Resandt. Op zoek
naar onze voorouders. Handleiding voor genealogisch onderzoek
(19877); S.A.C. Dudok van Heel. ‘Amsterdamse burgemeesters
zonder stamboom; de dichter Vondel en de schilder Colijns vervalsen
geschiedenis’, in: De Zeventiende Eeuw 6 (1990), p. 144-151; G.
van de Nes. Maak uw eigen stamboom. Handboek voor genealogie en
heraldiek (1994). [P.J. Verkruijsse]
| |
genera causarum
De genera causarum zijn de drie terreinen waarop de
retorica van toepassing is, nl. het
genus iudiciale of juridische terrein, het
genus deliberativum of politieke terrein en
het
genus demonstrativum of het terrein van de
gelegenheidstoespraak. In de eerste twee genera gaat het meer om overtuigen en
overreden, om de
ars persuadendi; in het laatste genus is de
techniek van het mooi spreken overheersend, de
ars bene dicendi.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
genera dicendi zie
genera elocutionis
| |
genera elocutionis of genera dicendi
In de
retorica worden drie genera elocutionis of
stijlniveaus onderscheiden: het lage niveau of
genus humile, het hoge niveau of
genus sublime en een middensoort of
genus medium. Traditioneel worden deze drie
niveaus verbonden met de drie taken van de redenaar en met de drie middelen die
de
ars persuadendi ten dienste staan, nl.
docere en
probare,
movere of flectere en
delectare. Het laagste niveau bestaat uit
onderwijzen en bewijzen en dat kan het best d.m.v. het genus humile; het
emotioneren van het publiek kan door het genus sublime; daartussenin zit de
stijl van het aangenaam vermaak, het genus medium. Door het
aptum zijn de drie genera ook verbonden aan
bepaalde literaire genres. De meeste genres werden in een hiërarchisch
systeem ondergebracht en vroegen om een bepaald stijlniveau. Zo kwam het
blijspel met zijn alledaagse situaties en personages het meest tot zijn recht
indien het taalgebruik ook alledaags was, d.w.z. indien het laagste stijlniveau
werd gekozen. Voor de tragedie was het hoogste niveau het meest geschikt. De
invulling van het genus medium verschilde sterk van tijd tot tijd, maar in het
algemeen werden hier genres ondergebracht die niet in de beide uiterste genera
te plaatsen waren.
LIT: Best; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler. [P.J. Verkruijsse]
| |
genie
Term uit de esthetica en de literaire kritiek waarmee - min of
meer parallel aan de historische ontwikkeling - allereerst een bepaald vermogen
van de kunstenaar wordt aangeduid en vervolgens een bepaald
kunstenaarstype.
In de loop van de 18e eeuw ontstaat een toenemende belangstelling
- samenhangend met het loslaten van de normatieve
poëtica-1 - voor het scheppingsproces
van de kunstenaar. Zo wezen
E. Young,
J.G. Hamann en
J.G. Herder op het belang van het
irrationele als tegenwicht tegen kennis en technische vaardigheid. Invloedrijk
werd de formulering van
I. Kant over genie als een belangrijke
eigenschap van de kunstenaar naast het vermogen van de smaak: voor beoordeling
van kunst wordt smaak vereist; voor het scheppen ervan is genie nodig. Hij
omschrijft ‘genie’ dan als het talent (‘Naturgabe’) dat
regels geeft aan de kunst. Daarmee is de norm verlegd van buiten (zoals in het
classicisme) naar binnen (autonomie van de
orginele kunstenaar in de romantiek). Goethe verbindt vervolgens het geniale
met het goddelijke in de schepping.
Na voorbereidend werk door
Bellamy en
Van Alphen is deze gedachte in de
Nederlandse romantiek uitgewerkt door
Kinker (beïnvloed door
Kant en
Schiller) en
Bilderdijk (verwant aan
Hamann en
Goethe). Opvallend is de beeldspraak
waarin deze kunstpsychologische opvatting is verwoord. Kinker vergelijkt het
scheppingsproces met de ontwikkeling van een levend dierlijk of menselijk
wezen, verlopend van de conceptie (ontstaan van het esthetische idee) via
verbeelding en gevoel tot de geboorte van het organische kunstwerk. Daarbij is
de dichterlijke techniek niet onbelangrijk, maar ondergeschikt aan het
‘verhevene’ van de kunstdrift, waarmee de kunstenaar in de
schepping beelden vindt (‘vinding’) om zijn esthetische ideeën
vorm te geven.
Opvallend is verder de opvatting dat de kunstenaar die met
‘genie’ begiftigd is, iets nieuws aan de schepping toevoegt. Hij is
een oorspronkelijk denker (Kinker). Hij is een ziener, een profeet, een
God-geïnspireerde priester, die de hoogste vorm van denken beoefent
(Bilderdijk).
In de loop van de 19e eeuw wordt de kunstenaar metonymisch het
genie genoemd, en in die betekenis is het woord nog steeds gangbaar, voor
kunstenaars en geleerden.
LIT: Bantel; Cuddon; Gorp; Metzler; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; Encyclopaedisch handboek van het moderne denken
(19503); R. Wellek. A history of modern criticism, dl. 2
(1955); C. de Deugd. Het metafysisch grondpatroon van het romantische
literaire denken (1966); G.J. Vis. Johannes Kinker en zijn literaire
theorie (1967); J. Schmidt. Die Geschichte des Genie-Gedankens, dl.
1 (1985). [G.J. Vis/G.J. van Bork]
| |
genre
Aanduiding voor de inhoudelijk en formeel bepaalde typen of
klassen van literaire teksten. De genres waarin de literatuur wordt opgedeeld
zijn zeer talrijk. Men onderscheidt in de praktijk hoofdgenres (lyriek,
epiek,
dramatiek), subgenres (roman, novelle,
verhaal, sonnet, kwatrijn e.d.) en historisch bepaalde genres (dageraadslied,
ridderroman, klassiek blijspel e.d.).
De indeling in hoofdgenres gaat terug op
Aristoteles, die slechts het verhalende
van het dramatische onderscheidde, en
Plato die reeds een indeling in
drieën maakte: episch, lyrisch en dramatisch. Plato baseerde deze
driedeling op de mate waarin de auteur zelf in het werk optreedt: vertelt de
auteur zelf, dan is het werk lyrisch; is de auteur afwezig, dan is het werk
dramatisch; vertelt de auteur, maar wordt ook door anderen verteld, dan is het
werk volgens Plato episch.
In de Middeleeuwen hanteerde men, onder invloed van
Diomedes, veelal ook een driedeling: het
dramatische genre (de auteur spreekt niet, zoals in de dialogen van de klucht);
het verhalende genre (de auteur spreekt, zoals in het leerdicht); en het
gemengde genre (zoals in het
epos). In de Latijnse poëtica's van de
17e eeuw (bijv. bij
Vossius) vindt men Aristoteles'
tweedeling terug, maar tegelijkertijd ziet men in de
retorica een driedeling (genera elocutionis), gebaseerd op de drie middelen van de
ars persuadendi. Deze hebben een verbinding
met bepaalde (sub)genres, zoals het
genus humile met het
blijspel. Maar in de renaissance ziet men
ook andere tendensen. Zo ontregelde het Elizabethaanse drama de geldende regels
op het gebied van het
treurspel met betrekking tot de
Aristotelische eenheden. Een auteur als
Bruno deed zelfs de uitspraak dat er
evenveel poëziegenres zijn als er dichters zijn, maar gelijksoortige
opmerkingen kan men ook aantreffen bij
Terentius,
J.C. Scaliger en
Erycius Puteanus. Niettemin zal het tot
de romantiek duren voordat dit soort uitspraken op grotere schaal plaatsvindt.
Een verdergaande onderverdeling in genres vindt men bijv. ook in Boileau's
Art poétique (1669).
Goethe's ‘Naturformen’ der poëzie gaan uit van de
eerder vermelde driedeling.
Goethe formuleert de genres als
natuurlijke zijnsvormen of als ‘wezenlijk’ bepaalde grondhoudingen
van de mens. Deze grondhoudingen kunnen worden omschreven als de wisselende
verhouding tussen subject en object, waarbij de subjecthouding staat voor
lyriek, de objecthouding voor epiek en de neutrale houding voor dramatiek. Ook
Staigerkomt later tot deze driedeling.
Hij hanteert het onderscheid lyrisch, episch en dramatisch echter als
eigenschappen die samen in één werk kunnen voorkomen, met name
als elementen van de stijl ervan. In feite is het genrebegrip steeds
ontologisch gedefinieerd, d.w.z. men is er steeds op uit geweest om in de
definitie het ‘wezen’ van het genrebegrip te formuleren. In
tegenstelling daarmee vat men tegenwoordig het genrebegrip veeleer op als een
postulaat, als een abstractie waarmee in de werkelijkheid geen enkele literaire
tekst (volledig) correspondeert.
Genreopvattingen hebben door de eeuwen heen een descriptieve en
een normatieve kant gekend. Het is duidelijk dat bijv. gedurende het
classicisme de normatieve genreopvatting voorop stond. In de romantiek wordt
die normatieve opvatting minder stringent, ook al komen er vaak andere voor in
de plaats.
Ook wat betreft de subgenres bestaat er geen eenduidigheid in de
gehanteerde uitgangspunten of beroept men zich op ‘wezenlijke’
eigenschappen. Soms spelen daarbij inhoudelijke argumenten een rol, soms
gebruikt men formele argumenten. Men vergelijke daartoe bijv. de verhouding
tussen blijspel en tragedie met die tussen roman en novelle. Ook historisch
kunnen deze genreaanduidingen sterk bepaald zijn. Het blijspel zal als
‘klassiek blijspel’ met het ‘moderne blijspel’ vooral
het komische gemeen hebben, maar daarvan formeel aanzienlijk kunnen verschillen
onder invloed van periodenormen (periode-1). Juist
binnen de genres blijkt steeds het normatieve van een bepaalde periodecode een
doorslaggevende rol te spelen. Dat wordt vooral duidelijk uit de opkomst en het
verdwijnen van genres in bepaalde perioden.
Genreonderzoek richt zich dan ook steeds meer op de literaire
opvattingen die in een bepaalde tijd richtinggevend zijn geweest voor de
voorkeur die men voor bepaalde genres heeft gehad en op de wijze waarop men ze
in verband daarmee heeft gedefinieerd.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; Krywalski; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; G. Stuiveling. ‘Hardop denken over het genrebegrip’, in:
Handelingen 26e Filologencongres (1960), p. 66-77; S. Dresden.
‘Het begrip “genre”’, in: Handelingen 26e
Filologencongres (1960), p. 77-85; W. Kayser. Das Sprachliche
Kunstwerk (197115), p. 330-387; E. Staiger. Grundbegriffe der
Poetik (1971); K.H. Hempfer. Gattungstheorie (1973); R. Wellek en A.
Warren. Theorie der literatuur (vert. 1974); H.L. Arnold und S.V.
Sinemus (red.). Grundzüge der Literatur- und Sprachwissenschaft I
(19753), p. 258-341; E. Werlich. Typologie der Texte (1975);
G. Genette. Introduction à l'architexte (1979); M. Bal (red.).
Literaire genres en hun gebruik (1981); L. Wesseling.
‘Genre’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 58-66. [G.J. van Bork/G.J. Vis]
| |
genus admirabile of genus turpe
Term uit de retorica voor de verrassende of choquerende wijze van
behandelen van onderwerpen in een rede of een tekst doordat die tegen de
algemeen aanvaarde normen ingaat (insinuatio). Vaak
wordt
amplificatio gebruikt om uiteen te zetten
waarom gechoqueerd wordt. Vele columns van
Hugo Brandt Corstius en
Jan Blokker vallen onder dit genus.
LIT: Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus deliberativum
Samen met het
genus iudiciale en het
genus demonstrativum vormt het politieke
genus deliberativum het gehele terrein waarop de
retorica zich beweegt: de
genera causarum. Op dit politieke vlak gaat
het vooral om vergadertechniek en om het overreden tot een bepaald standpunt
(ars persuadendi). Kenmerken van het genus deliberativum
zijn ook in literaire teksten terug te vinden.
Een voorbeeld in dit genre is het zgn. ‘Plakkaat van
verlating’ van de Staten Generaal uit 1581 waarin een aantal argumenten
aangedragen wordt om eenieder ervan te overtuigen dat de afzwering van de
Spaanse koning het enig juiste is (Apologie of Verantwoording van de
prins van Oranje 1581 gevolgd door het Plakkaat van Verlating 1581
(ed.
Alberts/
Verlaan, 1980).
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus demonstrativum
Eén van de drie
genera causarum uit de retorica, ook wel
epideiktisch genre genoemd. In dit genre gaat het vooral om de
gelegenheidstoespraak (lof- en lijkrede), om het goede en mooie taalgebruik
(ars bene dicendi). Bij de Romeinen viel uiteindelijk de
gehele literatuur onder dit genre. De andere twee genera zijn het
genus iudiciale en het
genus deliberativum.
Een mooi voorbeeld van gelegenheidswerk zijn de lijkrede en het
lijkdicht van
Geeraerdt Brandt respectievelijk
Reyer Anslo op
P.C. Hooft: Pieter
Corneliszoon Hooft, ‘Deez vermaarde man’ 1581/1647 (ed.
Hellinga/
Tuynman, 1969).
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus dubium
Term uit de retorica voor een rede of een tekst waarin onderwerpen
behandeld worden die problematisch zijn. Vraagstukken waarvoor meer -
gelijkwaardige - oplossingen mogelijk zijn (dubium)
worden in dit genus aan de orde gesteld. Voor de behandeling van dit soort
onderwerpen moet het publiek bij voorkeur tevoren welwillend gestemd
worden.
LIT: Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus grande zie
genus sublime
| |
genus grave zie
genus sublime
| |
genus honestum
Term uit de retorica voor de behandeling van onderwerpen in een
rede of een tekst op een zodanige wijze dat die het publiek of de lezer
aanspreekt en die geheel beantwoordt aan de verwachtingen.
LIT: Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus humile
Term uit de retorica voor het laagste der drie
genera elocutionis, het genus dat het
dichtst bij de spreektaal staat. Het klassieke
blijspel wordt bijv. tot dit genus
gerekend.
Ook de behandeling van onderwerpen in een rede of een tekst die
het publiek of de lezer eigenlijk niet interesseren, wordt genus humile
genoemd. Juist de te verwachten desinteresse is voor veel auteurs aanleiding om
te laten zien (via
docere en
probare) dat moeilijke stof ook door het
invlechten van simpele verhalen een groot publiek kan bereiken, waarbij er dan
wel weer voor opgepast dient te worden dat de lering niet verloren gaat. Ook
het banale kan literair interessant zijn: auteurs beschrijven personen en
problemen van het arme volk en bedelaars in bijv. de
picareske roman.
LIT: Lausberg; Ueding; H. Pleij. ‘Over de betekenis van
middeleeuwse teksten’, in: Spektator 10 (1980-1981), p. 299-339;
M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Camphuysen en het genus humile’,
in: H. Duits, A.J. Gelderblom en M.B. Smits-Veldt (red.). Eer is het lof des
deuchts. Opstellen over renaissance en classicisme aangeboden aan dr. Fokke
Veenstra (1986), p. 141-153. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus iudiciale
Eén van de drie
genera causarum uit de retorica. In dit
juridisch genus gaat het vooral om de structuur van pleidooien waarmee
overtuigd moet worden (ars persuadendi), een structuur
die ook in de literatuur teruggevonden wordt. De twee andere genera zijn het
genus deliberativum en het
genus demonstrativum.
Als voorbeeld van een beschuldigend pleidooi kan genoemd worden
W.F. Hermans' ‘De Chassidische
bellenblazer of De demontage van de maatschappij-kritische, gynaecologische,
religieuze, historische en literaire stinkbom die Weinreb heette’, in:
Houten leeuwen en leeuwen van goud (1979), p.
206-224.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus medium
Term uit de retorica voor het middelste der drie
genera elocutionis, geschikt voor het
aangenaam vermaak, voor
delectare. In de literatuur is het verbonden
met die genres die niet duidelijk te plaatsen waren in het
genus humile of het
genus sublime.
LIT: Lausberg; H. Lindner. Der problematische mittlere Stil.
Beiträge zur Stiltheorie und Gattungspoetik in Frankreich vom Ausgang des
Mittelalters bis zum Beginn der Aufklärung (1988). [P.J.
Verkruijsse]
| |
genus obscurum
Term uit de retorica voor de behandeling van zeer gecompliceerde
onderwerpen in een rede of een tekst die voor het publiek of de lezer moeilijk
te begrijpen zijn. De goede popularisatie van moeilijke wetenschappelijke
problemen valt binnen dit genus.
LIT: Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus sublime, genus grande of genus grave
Term uit de retorica voor het hoogste der drie
genera elocutionis. Het dient om het publiek
te emotioneren door een pathetische betoogtrant. In de literatuur is het
verbonden met bijv. het genre van de tragedie.
LIT: Lausberg; Leeman/Braet. [P.J. Verkruijsse]
| |
genus turpe zie
genus admirabile
| |
georgische poëzie
Term ontleend aan de Georgica van
Vergilius voor poëzie die het
landleven, speciaal de landbouw, tot onderwerp heeft en die oorspronkelijk de
bedoeling had te instrueren. De georgische poëzie is verwant aan de
bucolische literatuur. Een in Nederland in de
17e en 18e eeuw veel beoefend onderdeel van de georgische poëzie is het
hofdicht.
Als voorbeelden van georgische poëzie kan men
Petrus Hondius' hofdicht
Moufe-schans (1621) beschouwen of
Guido Gezelles
‘Pachthofschilderinge’ (Volledige werken, dl. 1, 1930, p.
101-108).
LIT: Abrams; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; P.A.F. van Veen. De soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt
met de boucken. Het hofdicht als tak van een georgische litteratuur (1960;
reprint 1985). [P.J. Verkruijsse]
| |
gepaard rijm
Term uit de prosodie waarmee die vorm van
eindrijm wordt aangeduid die als schema
heeft aabb, ccdd, bijv.
Als een jong lied dat klinkt luid door lege hallen,
Zo is doorheen de Winter, de Lente getreden tot ons allen,
Gehuld, van witte sneeuw.
(
P. van Ostaijen. VW
Poëzie, dl. 1, 19653, p. 22).
Gepaard rijm was gedurende de Middeleeuwen de meest gebruikte
rijmtechniek, zowel voor epische, didactische als dramatische werken.
LIT: Alphen; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp;
Lodewick; Metzler. [G.J. Vis]
| |
Germaans rijm zie
stafrijm
| |
geromantiseerde biografie zie
vie romancée
| |
Gesamtkunstwerk
Benaming voor een kunstwerk waarin verschillende kunstvormen
gecombineerd zijn. De term is bekend geworden door de 19e-eeuwse componist en
tekstschrijver
R. Wagner. Hij wilde in zijn opera's,
waarvoor hij zelf de libretto's schreef, de vorm ondergeschikt maken aan het
inhoudelijk gegeven. Dit gold niet alleen voor de muziek, maar ook voor andere
aspecten zoals decor en belichting. In principe was het idee al eerder
gerealiseerd, namelijk in de barokopera. Maar nieuw bij Wagner was het feit dat
hij het accent legde op evenwicht en samenhang tussen de elementen. Het feit
dat Wagners ideeën later aansloegen, hangt samen met de behoefte aan
integratie in productie en receptie van de verschillende kunstuitingen van het
symbolisme.
Na Wagner werd het begrip nog ruimer ingevuld: ook beeldprojectie,
choreografie en ruimtelijke architectuur alsmede technieken uit de wereld van
het circus werden te baat genomen om het ideaal te realiseren van een groots
opgezet visueel-akoestisch gebeuren, waarin alle kunsten zich verenigen. Het
20e-eeuwse
totaaltheater is een moderne vorm van het
Gesamtkunstwerk.
LIT: Best; Gorp; HWR; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
geschiedbijbel zie
historiebijbel
| | | |
geschiedzang zie
historielied
| |
gesta
Middeleeuwse benaming voor een historisch verhaal dat de pretentie
had waar te zijn: heldendaden uit het verleden (Lat. res gestae, Frans
chanson de geste) of de geschiedenis van
landen en volken. De bekendste verzameling van deze verhalen is de
Gesta Romanorum (ca. 1300), waarin de geschiedenis van
Rome verteld wordt. Dit werk is eeuwenlang een belangrijke bron
geweest voor andere auteurs.
In het Middelnederlands werd gesta vertaald als
jeeste, geeste of yeeste. De term werd veel
gebruikt in geschiedkundige
kronieken en
rijmkronieken, bijv.
Jacob van Maerlants Alexanders
Geesten, (ca. 1260, ed. Franck, 1882) en De
Brabantsche Yeesten van
Jan van Boendale (ca.1347, ed.
Willems, 1839), maar ook auteurs van
ridderromans bedienden zich ervan om, door
zich te beroepen op (geschreven) bronnen, het waarheidsgehalte van hun werk te
verhogen (veritas-topos).
LIT: Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott;
Shipley; A.L.H. Hage. Sonder favele, sonder lieghen. Onderzoek naar vorm en
functie van de Middelnederlandse rijmkroniek als historiografisch genre
(1989); B. Weiske. Gesta Romanorum. Untersuchungen zu Konzeption und
Überlieferung (1991). [H. Struik]
| | | |
getijdenboek
Middeleeuws gebedenboek voor zowel leken als geestelijken,
gebaseerd op de Romeinse dagindeling in perioden van drie uren: de getijden.
Rond middernacht had men de metten, om drie uur de lauden, om zes
uur de primen, om negen uur de tertsen, om twaalf uur de
sexten, om drie uur 's middags de nonen, om zes uur na de middag
de vespers en om negen uur 's avonds de completen. Het was de
bedoeling dat op al deze uren werd gebeden. In tegenstelling tot het
breviarium had het getijdenboek geen
liturgische functie.
Aanvankelijk waren de getijdenboeken alleen in het Latijn
beschikbaar. De oudste stammen uit de 11e eeuw, maar al spoedig werden ze
vertaald in de volkstaal; lekebroeders, zusters en begijnen waren op deze
vertaalde gebeden aangewezen, vanwege hun gebrekkige kennis van het Latijn. Het
getijdenboek is één van de eerste privé-boeken van leken.
Om ze in overeenstemming te brengen met de waardigheid van de bezitter werden
ze vaak zeer kostbaar versierd (boekverluchting). Het
getijdenboek van
Geert Grote wordt wel het meest gelezen
Nederlandstalige boek in de Middeleeuwen genoemd; van dit werk zijn meer dan
800 exemplaren bewaard gebleven.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; N. van Wijk.
Het getijdenboek van Geert Grote, naar het Haagse handschrift 133 E 21
uitgegeven (1940); F. Gorissen. Das Stundenbuch der Katharina von Kleve.
Analyse und Kommentar (1973); G. Achten. Das christliche Gebetbuch im
Mittelalter. Andachts- und Stundenbücher in Handschrift und
Frühdruck (1980); Moderne Devotie. Figuren en Facetten. [Catalogus
van de] Tentoonstelling ter herdenking van het sterfjaar van Geert Grote
(1384-1984) (1984), p. 93-121. [H. Struik]
| |
geuzenlied
Oorspronkelijk
strijd- of
historielied uit de periode van de
Tachtigjarige Oorlog, gewoonlijk anoniem vervaardigd in kringen van de
rederijkers. Toen de vrijheidsstrijd ook een
antikatholiek karakter kreeg, stelde het geuzenlied, vaak als
spotlied, zich in dienst van de hervorming.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond het zogenaamde nieuwe geuzenlied.
Van de oude geuzenliederen zullen er vele - omdat ze als
pamflet-1 verschenen - verloren zijn gegaan.
Van circa 1578 dateert de eerste overgeleverde druk van Een nieu
Geusen lieden boecxken; daarna zijn er tot 1687 dertig herdrukken
van bekend. Naast de vele anonieme liederen, waaronder het
Wilhelmus, worden liederen toegeschreven aan o.a.
Laurens Reael,
G.H. van Breughel,
D.V. Coornhert en
Lucas d'Heere. Ook
Valerius' Nederlandtsche
gedenck-clanck (1626) bevat een aantal door hem vervaardigde
geuzenliederen.
Latere edities van oude geuzenliederen zijn van
J. van Vloten, Nederlandsche
geschiedzangen (18642),
H.J. van Lummel, Nieuw
geuzenlied-boek (1872-1874) en
P. Leendertz, Het
Geuzenliedboek (1924-1925). De illegaal uitgegeven nieuwe
geuzenliederen (verzetsliteratuur) werden na de oorlog
gebundeld in het Geuzenliedboek 1940-1945 (1945; ed.
Schenk en
Mos, 1975).
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; Wilpert; H. Bruch. Slaat op
den trommele; het Wilhelmus en de Geuzenliederen (1971); W.J.C. Buitendijk.
Nederlandse strijdzangen (1525-1648) (19772). [P.J.
Verkruijsse]
| |
gevoel en verbeelding
Centraal begrippenpaar uit de praktijk en de theorie van de
literatuur uit de romantiek, als zodanig overgenomen door latere
literatuurbeschouwers en literatuurhitorici. De verstrengeling van beide
begrippen vindt deels zijn oorzaak in de sinds het laatste kwart van de 18e
eeuw in filosofie en literatuurtheorie opkomende begrip
genie. Hierin neemt de individuele schepping
op grond van aangeboren talent van de individuele kunstenaar (originaliteit) een belangrijke plaats in. De in de
kunstenaarsziel ontwikkelde esthetische idee - aldus deze romantische
kunstpsychologie betreffende de ontstaanspoëtica (poëtica-3) - kende elkaar beïnvloedende emotionele
en fictionele elementen. Deze staan borg voor de authenticiteit en
originaliteit (
Kinker) van het kunstwerk, waarin de
stemmingen van de kunstenaar (
Kloos) tot uiting komen.
De individuele expressie van eigen gevoel en verbeelding wordt in
de romantiek geponeerd als alternatief voor wat gangbaar was in het
classicisme met zijn - op het individualisme
haaks staande - van boven opgelegde
wet.
Niet alle romantische kunstenaars zien beide componenten van het
begrippenpaar als even belangrijk. Zo zegt
Bilderdijk in zijn versinterne en
versexterne uitspraken dat voor hem het gevoel het belangrijkste is;
daartegenover beweert zijn tijdgenoot Kinker dat het primaat ligt bij de
verbeelding. De dichtpraktijk loopt hiermee niet altijd parallel. In
Bilderdijks poëzie bijv. prijst het nageslacht dikwijls vooral de
verbeeldingskunst, meer dan de gevoelsexpressie.
LIT: Abrams; Baldick; Fowler; Knuvelder, dl. 3 (1973), p. 83-104;
Krywalski; Metzler; Preminger; Shipley; J.C. Brandt Corstius. Het
poëtisch programma van Tachtig (1968), p. 34; G.J. Vis. ‘Denken
en doen’, in: Spektator 17 (1987-1988), p. 105-128; G.J. Johannes.
‘Willem Bilderdijks verzet tegen “Klassieke” en
“Romatische” esthetica. De knoflookgeur van het Duitse
denken’, in: Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland.
Documentatieblad van de werkgroep ‘Sassen’ 3 (1992), p.
107-119. [G.J. Vis]
| |
gevormde vorm zie
forma formata
| | | |
gezegde, gebruikelijke zegswijze, spreekwoordelijk
gezegde, spreekwijze, spreuk-1, staande uitdrukking of zegswijze
Benaming voor
figuurlijk taalgebruik dat als vaste woord-
of zinsverbinding voorkomt. Zo kan bijv. in de zin ‘ Als puntje bij
paaltje komt, zal ik toch meedoen’, het cursieve deel worden vertaald
met ‘als het op stuk van zaken aankomt, als het op de uitvoering
aankomt’, of iets dergelijks.
Het gezegde kan de vorm hebben van een
gnome-2,
spreekwoord of
zinspreuk-1.
LIT: Metzler; A. Houwink ten Cate. Signalement van sprekende
zegswijzen (1965); A. Huizinga. Nederlandse zegswijzen (1965); F.A.
Stoett en C. Kruyskamp. Nederlandse spreekwoorden en gezegden
(19749); K. ter Laan. Nederlandse spreekwoorden, spreuken en
zegswijzen (19768). [G.J. Vis]
| |
ghazel
Term uit de genreleer voor een uit de Perzische literatuur
afkomstige Arabische dichtvorm. De lengte ervan varieert van 6 tot 30 verzen,
en het originele rijmschema wordt gekenmerkt door het feit dat alle even verzen
rijmen op de twee eerste, terwijl de oneven verzen rijmloos zijn. Het
rijmschema wordt dan aabacada enz. In het Nederlandse taalgebied is de ghazel
beoefend door
C. Honigh (1845-1896) en door
J. van Droogenbroeck, die onder het
pseudoniem
Jan Ferguut verschillende van deze
gedichten opnam in zijn bundel Makamen en ghazelen
(1866).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Knuvelder dl.
3 (1973), p. 584; Laan; Metzler; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; J. te
Winkel. De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde, dl. 7
(19272), p. 352, 537. [G.J. Vis]
| |
ghost
Bibliografische term voor een niet bestaande of in ieder geval
nergens aangetroffen (exemplaar-1 van een)
druk, waarvan wel een - in de meeste
gevallen vermoedelijk onjuiste - bibliografische beschrijving rondwaart.
Zo is lang gezocht naar een druk, verschenen in Middelburg in 1644
van
Johan de Brunes
Siel-gerechten, genoemd in Geletterd
Zeeland (17412) van
P. de La Rue. Er zijn wel drukken van
1632, 1643 en 1660 gevonden, zodat de vermelding in De La Rue wel aan een
zetfout te wijten zal zijn. Ook in de descriptieve bibliografie van het
Journael van
Bontekoe (o.r.v.
G. Verhoeven en
P. Verkruijsse; 1996) wordt een aantal
ghosts gesignaleerd die duidelijk terug te voeren zijn op fouten in oudere
bibliografieën.
Het samenstellen van een
prospectieve bibliografie, bijv. de
CIP-catalogisering, houdt ook het gevaar in
dat ghosts in het leven geroepen worden.
LIT: Brongers. [P.J. Verkruijsse]
| |
ghostwriter
Iemand die schrijft voor een ander, terwijl die ander doorgaat
voor de auteur van het werk. Zo heeft men aanvankelijk verondersteld dat
Ik Jan Cremer (1964) in werkelijkheid geschreven werd
door
C.B. Vaandrager,
Simon Vinkenoog en
Oscar Timmers, die voor
Jan Cremer als ghostwriters zouden zijn
opgetreden. Veel bekende of beroemde personen (sportlieden, politici e.a.)
laten hun biografie of herinneringen schrijven door ghostwriters aan wie ze dan
alleen de gegevens verstrekken.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; Scott; Wilpert.
[G.J. van Bork]
| |
gidsdocumentatie
Term uit de dialectologie voor een taalgeografische atlas op basis
van originele, gedateerde en gelokaliseerde documenten. Maakt men gebruik van
afschriften van originelen, dan spreekt men van een secundaire
documentatie.
LIT: A. Berteloot. Bijdrage tot een klankatlas van het
dertiende-eeuwse Middelnederlands, 2 dln. (1984); P. van Reenen. ‘De
lange weg naar een betrouwbare en systematische beschrijving van het
Middelnederlands’, in: Spektator 16 (1986-1987), p. 131-148. [W.
Kuiper]
| |
gilde
Vereniging van kooplieden of handwerkers uit een stad die per
bedrijfstak door middel van statuten het beroepsleven tot in details regelde:
de werkuren, de kwaliteit van de producten en het bestrijden van fraude.
Erkenning en reglementering gebeurden door de stedelijke overheid. De
beoefenaren van een bepaald beroep waren verplicht lid te zijn.
Het doel van deze ‘kartels’ was de concurrentie binnen
de stad tegen te gaan en het machtsmonopolie van een kleine groep op het
stadsbestuur te handhaven. Men onderscheidde het koopmansgilde, dat in
Nederland in de 16e eeuw verdween; het handwerkersgilde of ambacht, dat in de
Franse tijd werd afgeschaft en het dorpsgilde, dat meer en meer het karakter
kreeg van een schutterij. Elk gilde had een patroonheilige en een eigen, aan
die heilige gewijde kapel in de kerk.
De leden van een gilde vormden vaak ook nog een soort geestelijke
broederschap, waarvan de taken onder andere bestonden uit de ondersteuning van
leden die in behoeftige omstandigheden waren geraakt door ziekte of
overlijden.
Gilden zorgden in veel gevallen voor het organiseren van
stedelijke feestelijkheden op hoogtijdagen. Zo werden de Brusselse
Bliscappen nog tot 1559 opgevoerd door de leden van het Grote Gulde van
de Voetboog.
De bestuurlijke inrichting van de gilden, met name die van de
schuttersgilden, stond aan de basis van die van de
rederijkerskamers. Zo moesten leden van de
Brusselse rederijkerskamer De Corenbloem aanvankelijk tevens lid zijn van het
gilde van de handboog. In Brugge ontstond de rederijkerskamer De Heilige Geest
uit een apostelgilde, een broederschap rond Christus' discipelen. De stedelijke
festiviteiten en de productie van spelen ging steeds meer over in handen van de
rederijkerskamers, al zijn het vaak ook nog de gilden die aanleiding geven tot
feestelijkheden, zoals de feesten van de schuttersgilden.
Boekverkopersgilden dateren van later tijd. Boek- en
konstverkopers, boek-, kaart- en plaatdrukkers en boekbinders waren
aanvankelijk ondergebracht bij het Sint Lucasgilde (de schilders). Naarmate hun
aantal en dientengevolge hun invloed toenam, streefden zij naar een eigen
gilde. Dat werd het eerst gerealiseerd in Middelburg (1590),
waarna andere steden volgden: o.a. Amsterdam, waar overigens de
boekdrukkers buiten ieder gilde gebleven waren (1662), Rotterdam
(1699) en Den Haag (1702).
LIT: I.H. van Eeghen. De gilden. Theorie en praktijk
(19742); B.A.M. Ramakers. Spelen en figuren. Toneelkunst en
processiecultuur in Oudenaarde tussen Middeleeuwen en Moderne Tijd (1996)
[H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
gildebord
Wapenschild met zinnebeeldige voorstelling behorend bij een
rederijkerskamer. Wanneer het gildebord
voorzien is van een
zinspreuk-2 of devies, spreekt men van een
blazoen. Zo voerde de Haarlemse kamer op
haar gildebord een pelikaan die zichzelf in de borst pikt om haar jongen met
haar bloed te voeden.
LIT: P. van Duyse. De rederijkkamers in Nederland, dl. 1
(1900), p. 49-54, 61-66. [H. Struik]
| |
glos of glosse
Verklaring van of toelichting op een verouderd, vreemd of
anderszins ongewoon woord, geschreven in de marge of de interlinie van een
tekst (annotatie). Vooral de Middelnederlandse in
handschrift overgeleverde geestelijke teksten bevatten glossen, bijv. het zgn.
Luikse diatesseron (ed.
De Bruin, 1970).
Wanneer een geglosseerd handschrift gebruikt wordt als
legger wil het nog wel eens gebeuren dat de
kopiist een glos onjuist als een
correctie interpreteert en hem in de tekst
opneemt; men spreekt dan van een
ingeslopen glos. Soms kunnen glossen een
uitgebreide vorm krijgen en het karakter gaan vertonen van een doorlopende
commentaar. Zo kunnen glossen zelf het
karakter van een tekst aannemen, zoals
Jan van Ruusbroecs Dit es de
glosse up Credo in unum deum patrem, of Die glosse vanden
pater noster. Een andere mogelijkheid is de inbedding als
interpolatie.
De middeleeuwse glos is overgenomen uit de antieke filologie. Onze
moderne (kritische) kanttekeningen en de
marginalia zijn in oorsprong glossen.
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller;
Marouzeau; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; F. Buitenrust Hettema. Oude glossen
en hun beteekenis (1914). [W. Kuiper/H. Struik]
| |
glossarium
Alfabetisch geordende lijst van woorden met hun betekenis.
Oorspronkelijk bestond een glossarium uit een lijst van glossen (glos) die een woordverklarende functie hadden binnen
één codex; later verschenen er ook losse glossaria. De oudste
Nederlandse glossaria dateren uit de Middeleeuwen, bijv. het 13e-eeuwse
Glossarium Bernense (ed.
De Man &
Van Sterkenburg, 1977). Een modern
glossarium is
P.G.J. van Sterkenburgs Een
glossarium van zeventiende-eeuws Nederlands (19813).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; Laan; LdMA; Metzler;
Scott; F. Buitenrust Hettema. Het Nederduitsch glossarium van Bern
(1889); L. de Man. Middeleeuwse systematische glossaria (1964); P.G.J.
van Sterkenburg. Het glossarium Harlemense (ca. 1440) (1973); P.G.J. van
Sterkenburg. Het glossarium Harlemense. Een lexicologische bijdrage tot de
studie van de middelnederlandse lexicografie (1975); L. de Man &
P.G.J. van Sterkenburg. Het glossarium Bernense: een Vroegmiddelnederlandse
tweetalige Latijns-Limburgs woordenlijst (1977). [H. Struik]
| | | |
glijdend rijm
Term uit de prosodie voor die vorm van
eindrijm waarbij
rijmvrager en
rijmgever een driesyllabige rijmklank hebben
waarvan alleen de eerste syllabe beklemtoond is, bijv.
Ik was als kind te ouwelijk,
Ik was als man te vrouwelijk.
(
M. Nijhoff. VG,
19766, p. 66).
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lodewick;
Metzler; Morier; Shipley. [G.J. Vis]
| | | |
gnome-2
Term uit de genreleer voor een groep vormen van
wijsheidsliteratuur waarin kort en bondig een gedachte of gevoelen wordt
geformuleerd met een algemene geldigheidspretentie. In ruime zin omvat de gnome
de
spreuk-3, het
spreekwoord, de
zinspreuk-1, het
gezegde en de
gebruikelijke zegswijze. In beperkte zin is
gnome synoniem met
sententia (gnome-1). Een voorbeeld is te
vinden bij
A.C.W. Staring, in diens
‘Puntdichten’:
Thyrsus-dragers bij de vleet!
Weinig die men Bachus heet.
(Gedichten, ed.
Beets, [z.j.9], p. 371).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Gorp; HWR; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
gnomisch vers
Term uit de genreleer voor een
gnome-2 in versvorm.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
gongorisme, culteranismo of cultismo
Gongorisme is de naam van de Spaanse maniëristische (maniërisme)
stroming in de poëzie, genoemd naar
Luis de Góngora y Argote
(1561-1627), maar als cultismo wel vaker opduikend in de Spaanse
literatuurgeschiedenis. Het betreft een poëtische stijl waarin geleerde
woordkeus van gehispaniseerde Griekse en Latijnse afkomst overheerst. Het is
verwant aan het Italiaanse
marinisme, de Franse
préciosité, het Engelse
euphuism en de Duitse
Schwulst. Zoals in al die stromingen gaat
het ook hier om het cultiveren van gekunstelde taalvormen en literaire genres.
Hoewel het gongorisme verworpen werd door het
conceptisme van met name
Quevedo en
Gracián lijkt toch ook in hun
proza een soortgelijk woordenspel toegepast te worden, al ligt bij het
conceptisme niet de nadruk op woorden maar op - ingenieus verwoorde -
ideeën.
Als gevolg van de herdenking van de driehonderdste sterfdag van
Góngora ontstond inSpanje een neogongoristische
dichtersbeweging.
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
gothic novel of gotische roman
Roman waarin voor de lezer een wereld van angst en wreedheid wordt
opgeroepen, vaak met middelen die men voor middeleeuws hield. Het decor voor
deze fictie werd gevonden in middeleeuwse kastelen of kloosters (het gotische
aspect), of in afgelegen landhuizen. Er wordt gebruik gemaakt van
bovennatuurlijke gegevens als geesten, spoken, mystieke gaven en geheimzinnige
verdwijningen, die soms (achteraf) een natuurlijke verklaring krijgen. Vaak ook
wordt een scherp contrast getekend tussen een mooie, onschuldige, meestal
godsdienstige jonge vrouw en iemand die haar in zijn macht heeft: een
boosaardige, lelijke en vaak wrede kasteelheer, monnik, pseudo-geleerde
enz.
De gothic novel ontstond naar het voorbeeld van
Horace Walpole's Castle of
Otranto, a Gothic story (1764). Het genre was, zeker aan het begin
van de 19e eeuw, zeer geliefd in Engeland en Duitsland. Het appelleerde aan de
romantische hang naar de nachtzijde van het bestaan, het irrationele en de
sadistische elementen in het onderbewuste van de mens. Geleidelijk werd het
middeleeuwse decor naar de achtergrond gedrongen en speelde vooral de
broeierige atmosfeer, de terreur van de angst, het macabere, melodramatische en
gewelddadige de hoofdrol. Daarom worden ook de vroegste
griezelverhalen ertoe gerekend:
Ann Radcliffe's The mysteries of
Udolpho (1794) en
M.G. Lewis' Ambrosio, or the
Monk (1796).
In Nederland, waar de wat extremere vormen van de
romantiek lang werden geweerd, heeft het nauwelijks echte navolging gekend. Dat
er niettemin belangstelling voor was, blijkt uit de in
Buismans Populaire
prozaschrijvers van 1600 tot 1815 (1960) opgenomen vertalingen,
waarbij ook een enkel origineel werk binnen het genre vermeld wordt. Duidelijk
is voorts de invloed van het genre op
Jacob van Lennepin Het huis ter
Leede (1828),
A. van der Hoop in De
Renegaat (1838) en
A.L.G. Bosboom-Toussaint in De
echtgenooten van Turin (1839).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Fowler; Lodewick; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; M. Praz. The romantic agony (1956), p.
95-186; M. Lévy. Le roman ‘gothique’ anglais
1764-1824 (1968); M. Summers. The gothic quest (1969); M. Summers.
A gothic bibliography (1969); E. Mc. Andrew. The gothic tradition in
fiction (1979); D. Punter. The literature of terror. A history of Gothic
fiction from 1765 to the present day (1980); J. Wilth. Ghosts of the
gothic (1981); D. Schouten. Duivelse boeken. Twee eeuwen
griezelliteratuur in de Lage Landen. Een bibliografie (1997). [G.J. van
Bork]
| |
gotisch schrift
Tijdens de
renaissance door de (Italiaanse) humanisten
bedachte scheldnaam voor het middeleeuwse boekschrift uit de daaraan
voorafgaande eeuwen. De humanisten identificeerden het gotische schrift met de
degeneratie van de klassieke literatuur in compendia, bloemlezingen enz. Met de
Gothen heeft het gotische schrift, evenmin als de gotiek, iets te maken.
De moderne
paleografie heeft de term gotisch schrift
gehandhaafd als overkoepelende benaming voor het boekschrift dat tussen de 12e
en 15e eeuw gebezigd werd. Dit
minuskelschrift, en dan met name de
littera textualis, kenmerkt zich door a)
nogal dicht tegen elkaar aan geschreven letters met als gevolg dat er (veel)
meer tekst op een bladzijde kon - zij het dat de bladzijde met het oog op de
leesbaarheid van de tekst vaak niet meer over de volle lijn beschreven kon
worden, maar in kolommen moest worden opgedeeld, b) een zekere breking in de
letters. Vandaar de in de late Middeleeuwen door schrijfmeesters gebezigde naam
fractuur (fractura). Met name de 15e-eeuwse littera
textualis
formata vertoont deze kenmerken sterk. Het
gotisch schrift borduurt voort op de 8e-9e-eeuwse
Karolingische minuskel, van welk schrift het
zich nauwelijks in
ductus onderscheidt, maar wel in de
spatiëring, de breedte van de pen en de hoek van de pen ten opzichte van
het perkament, als gevolg waarvan de letters een gedaanteverandering
ondergingen.
Binnen het gotisch schrift onderscheiden we de standaard
boekletter:
littera textualis, de gestileerde cursief:
littera cursiva, de mengvorm van beide:
littera hybrida, en het
gebruiksschrift:
littera currens.
LIT: Feather; Hiller; LdMA; Scott; G.I. Lieftinck. ‘Pour une
nomenclature des écritures livresques de la periode dite gothique, essay
s'appliquant specialement aux manuscrits originaires des Pays-Bas
medievaux’, in: Nomenclature des écritures livresques du
IXe au XVIe siècle (1954), p. 15-34; J.P. Gumbert. ‘Iets over
laatmiddeleeuwse schrifttypen, over hun onderscheiding en hun
benamingen’, in: Archief- en Bibliotheekwezen in België 46
(1975), p. 273-282; J.P. Gumbert. ‘A proposal for Cartesian
nomenclature’, in: Miniatures, scripts, collections. Essays presented
to G.I. Lieftinck 4 (1976), p. 45-52; B. Engelhart en J.W. Klein. 50
eeuwen schrift (19882), p. 156-180. [W. Kuiper]
| |
gotische roman zie
gothic novel
| |
gotische textura zie
littera textualis
| |
graalroman
Subgenre binnen de middeleeuwse
Arturroman, waarin de graal centraal staat.
Over de (Keltische) oorsprong van het graalmotief is veel gespeculeerd. Feit is
dat de graal door
Chrétien de Troyes in de
Conte du Graal (ca. 1187) alias
Perceval (vert.
R.E.V. Stuip, 1979) tijdens Percevals
bezoek aan de Graalburcht geïntroduceerd wordt als een (vis)schotel, met
daarop de hostie waarmee de zwaargewonde Visser-koning in leven gehouden
wordt.
Omstreeks 1199 schreef
Robert de Boron Le roman de
l'estoire dou Graal, waarin de graal geworden is tot de drinkbeker
van Jozef van Arimathea, die hem beschikbaar stelde voor het Laatste Avondmaal.
Tijdens Christus' kruisdood ving Jozef Zijn bloed in deze beker op, en gevangen
gezet omdat Christus' lichaam onvindbaar bleek, overleefde hij dankzij deze
beker.
Omstreeks 1230 verschijnt La queste del saint
Graal die in het drieluik dat de Lancelot en
prose is, het midden inneemt. De graal wordt het symbool van een
religieus geïnspireerd ridderschap. Het geheim van de graal is niet
weggelegd voor ridders als
Gauvain (Walewein) en
Lancelot. De eerste is te aards, de tweede
heeft een overspelige verhouding met de koningin. Van alle ridders van de Ronde
Tafel komen er slechts drie in aanmerking deze
queeste te volbrengen:
Perceval,
Bohort en
Galaad.
Een tiental jaren later wordt de driedelige Lancelot en
prose uitgebreid tot een vijfdelige door toevoeging van L'estoire del
saint Graal en L'estoire Merlin.
De Conte du Graal is de enige roman van Chrétien
waarvan een vertaling in het Middelnederlands is overgeleverd:
Perchevael (ed.
Gysseling, 1980). Robert de Borons
L'estoire dou Graal werd omstreeks 1261 door
Jacob van Maerlant vertaald als
Historie van den Grale (ed.
Sodmann, 1980). Een vertaling van de
Queste del saint Graal bleef bewaard in de Haagse
Lancelot-compilatie (ed.
Jonckbloet, 1846-1849).
LIT: Buddingh; Gorp; Laan; LdMA; MEW; Scott; Bibliographical
Bulletin of the International Arthurian Society (1949-....); R.S. Loomis.
The Grail, from Celtic myth to christian symbol (1963); H.J. Wolf.
‘Zur Stand und Problematik der Graalforschung’, in: Romanische
Forschungen 78 (1966); M. Joye. ‘De Middelnederlandse Graalromans:
overzicht en enkele vaststellingen’, in: LB 63 (1974), p. 151-164
(herdrukt in: F.P. van Oostrom (red.). Arturistiek in artikelen, 1978,
p. 209-222); J.C. Prins-s'Jacob. ‘The Middle Dutch version of La queste
del Saint Graal’, in: NTg 73 (1980), p. 120-132; B. Besamusca en
H. Kienhorst. ‘Een onbekend fragment van de Middelnederlandse vertaling
van La queste del saint graal’, in: NTg 76 (1983), p. 496-500; R.
Zemel. ‘Fergus, Ferguut en de Graalheld’, in: In onse scole.
Opstellen over Middelnederlandse letterkunde voor prof. dr. M.H.
Schenkeveld (1989), p. 75-94. [W. Kuiper]
| |
gradatio
Term uit de retorica voor een trapsgewijze voortschrijdende en
naar een
climax-1 of anticlimax toewerkende
anadiplosis: op het herhaalde begrip wordt
voortgeborduurd met een ander begrip, dat op zijn beurt herhaald wordt en zo
verder, bijv. het bekende kinderliedje:
In Holland staat een huis
In dat huis daar woont een heer
En die heer die kiest een vrouw
Een ander voorbeeld is de volgende aan een Engels watermerk
ontleende gradatio:
(
Chris Schriks.
Presse-papier. Spreuken, spreekwoorden, gezegden en aforismen over
het verschijnsel papier, 1983, p. [13]).
LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Metzler; Shipley;
Ueding; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
grafdicht of nenia
Gedicht op het graf en/of op de persoon van de overledene. Een
grafdicht - behorend tot de
funeraire poëzie als onderdeel van de
mortuaire literatuur - is minder actueel dan
een
lijkdicht; het kan ook nog jaren later tot
stand komen. De onderdelen
laus en
consolatio (lofprijzing en vertroosting)
komen vrijwel altijd voor in grafdichten; voor de
luctus (het klagen) is, naarmate het
overlijden langer geleden is, steeds minder plaats.
Er zijn vooral in de renaissanceperiode tal van dit soort
gelegenheidsgedichten geschreven, bijv. P.C. Hooft, ‘Joffrouw Brechge
Jans vande Spiegels graf’ (geschreven op 19 januari 1605, vier dagen na
het overlijden) en ‘Grafdicht van Brechje Spiegels’ (geschreven in
1625; P.C. Hooft. Gedichten, ed.
Leendertz/
Stoett, dl. 1, 1899, p. 41, 42).
LIT: Baldick; Gorp; Metzler; MEW; S.F. Witstein. Funeraire
poëzie in de Nederlandse Renaissance (1969), p. 190-203. [P.J.
Verkruijsse]
| |
grafeem
Term uit de schriftgeschiedenis en de taalkunde voor de kleinste
onderscheidende eenheid in het schriftsysteem van een taal. Een grafeem is niet
altijd identiek aan een letterteken. Zo was bijv. de w aanvankelijk geen
letterteken, maar een grafeem voor uu.
LIT: H. Kost. Prisma van de taal (1990). [P.J.
Verkruijsse]
| |
grafistiek
De wetenschap van de grafische code voor taal.
J.P. Gumbert introduceerde deze term in
zijn inaugurele rede van 1974 als paraplu-term boven
paleografie en
codicologie en de bestudering van alle
psychische en fysiologische lees- en schrijfprocessen, evenals het
schrift als sociaal verschijnsel
(analfabetisme) en de verhouding tussen schrift en taal (grafeem, foneem,
spelling, signum, figura, transcriptieproblematiek, interpunctie).
LIT: J.P. Gumbert. Schrift, codex en tekst. Een rondgang door
paleografie en codicologie (1974). [P.J. Verkruijsse]
| |
grafologie
De grafologie als wetenschappelijke studie van het handschrift is
een subdiscipline van de toegepaste psychologie die karaktereigenschappen uit
schrift tracht te destilleren. In het
grensgebied van de
paleografie en de tekstinterpretatie kan men
soms geconfronteerd worden met aan de grafologie verwante problemen, bijv.
wanneer schriftbijzonderheden in een
manuscript (vlekken door tranen of bloed) in
verband gebracht zouden kunnen worden met de gemoedstoestand van een auteur
tijdens het schrijven van poëzie, of wanneer de slordigheid van
typoscripten gerelateerd zou kunnen worden
aan het karakter van een schrijver (zoals bij
Slauerhoff nogal eens gebeurd is).
Grafologische portretjes van vijftig Nederlandstalige auteurs zijn
samengesteld door
Karel Jonckheere: Toon mij hoe
je schrijft. 50 auteurs grafologisch ontleed (1972). Een aantal
auteurs wordt eveneens behandeld in De wonderlamp der
graphologie (1962) van
Annie Oldewelt-Dommisse en
Fré Dommisse. In het
Leerboek der graphologie (19654) van J.
Schrijver worden brieven van letterkundigen (
Vondel,
Huygens) als illustratiemateriaal
gebruikt.
Jan Frans Willems is uitgebreider
behandeld door
E. van Hall-Nijhoff in haar bijdrage
‘Vier staatslieden grafologisch bekeken’, in Bijdragen voor de
geschiedenis der Nederlanden 10 (1955-1956), p. 1-24.
LIT: A. Kring. De grafologie van de schrijfmachine op
wetenschappelijke grondslag (1939); B. Engelhart. Inleiding tot de
grafologie (1954); H.C. Bruinsma. Grafologie (19724); E. van
Hall-Nijhoff. ‘Grafologie als hulpwetenschap’, in: Spiegel
Historiael 7 (1972), p. 668-679, 704 en 8 (1973), p. 253. [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
grafschrift, epitaaf of epitaphium
Een van oorsprong zeer korte anonieme inscriptie in een grafzerk
waaruit blijkt wie er begraven ligt. Wanneer niet langer volstaan wordt met de
eenvoudige mededeling ‘Hier ligt . . .’ of ‘Hier rust . .
.’, is de weg vrij voor meer literaire toepassingen. In principe blijft
het grafschrift anoniem: de steen spreekt, niet de dichter, en ook de
aangesproken persoon is de toevallige passant, niet de familie van de
overledene. In dit laatste ligt het onderscheid met andere
mortuaire literatuur zoals het
lijkdicht, de
lijkrede en de
elegie, die alle de bedoeling hebben om ook
woorden van troost tot de nabestaanden te richten. Het grafschrift leent zich
juist door die anonimiteit en door zijn beknoptheid (gewoonlijk slechts enkele
versregels) uitstekend voor satirisch gebruik (puntdicht): er zijn grafschriften op vertegenwoordigers van
een bepaalde categorie (een leugenaar, een spotter enz.), op nog levende
personen die men het graf in wenst en op huisdieren.
Het meest bekende grafschrift uit de Nederlandse literatuur is dat
van De Schoolmeester op
Poot: ‘Hier ligt Poot / Hij is
dood’.
Herman van den Berghschreef een
‘Epitaaf voor een boom’ (Verzamelde
gedichten, ed.
Zoethout, 1979, p. 236).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Laan; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Wilpert; B.C. Damsteegt. ‘Constantijn Huygens'
Nederlandse grafschriften’, in: TNTL 103 (1987), 119-143. [P.J.
Verkruijsse]
| |
grammatica
In de Griekse en Romeinse Oudheid zowel de studie van de taal als
van de literatuur. In de Middeleeuwen beperkte de grammatica zich tot de studie
van de Latijnse taal en letteren, doordat de kennis van het Grieks verloren was
gegaan. De studie van de letteren als doel op zich raakte echter in de
Middeleeuwen steeds meer op de achtergrond, wat evenwel niet wegnam dat iemand
met een goede schoolopleiding een gedegen kennis van de klassieke auteurs als
Ovidius,
Vergilius en
Statius had opgedaan.
Grammatica was tekstverklaring in de ruimste zin van het woord:
alles wat een tekst te bieden had, kon aan bod komen, maar de kern van het vak
was te komen tot een correcte beheersing van het Latijn. Behalve spelling en
vormleer werden ook de juiste woordkeus en een goede opbouw van het betoog
(dispositio) tot de grammatica gerekend.
Zonder de studie van de grammatica kon men zich de overige vakken
van de
artes liberales niet eigen maken:
Gramarie is deerste sake; [grammatica is een eerste
vereiste]
Want si leert ons scone sprake,
Te rechte voeghen die woorde
Elc na sinen scoonsten accoorde,
Te rechte scriven ende spellen
Ende dat pointelijc voort vertellen.
(
Jan van Boendale. Der Leken
Spieghel, ed.
M. de Vries, dl. 3 (1848), (vs. 15-20,
p. 159).
Zodra men de grammatica beheerste, kon men zich bekwamen in de
overige twee vakken van het
trivium: de
dialectica en de
retorica. Pas daarna kon men zich de kennis
van het
quadrivium eigen maken.
Als gevolg van de emancipatie van de volkstaal ging grammatica het
correct en volgens de regels leren spreken en schrijven van de taal betekenen.
In de 17e en 18e eeuw werd er voor het Nederlands een regelstelsel ontworpen op
grond van rationele overwegingen en met de taalregels van het Latijn als
leidraad. Dit is de basis van het begrip grammatica zoals dit door ons
gehanteerd wordt. Zo leggen de leden van de Amsterdamse
rederijkerskamer De Eglantier zich er ook op
toe de Nederlandse taal te zuiveren, te veredelen en te verrijken. Dit
resulteert in de op Latijnse leest geschoeide Twespraack van de
Nederduytsche Letterkunst (1584), waarschijnlijk van de hand van
H.L. Spiegel (1549-1612).
De oudste officiële spelling van het Nederlands is de
Verhandeling over de Nederduitsche spelling (1804), die
is opgesteld door
M. Siegenbeek (1774-1854). De studie van
de grammatica is intussen een zuiver linguïstische wetenschap geworden. In
de 19e eeuw ontwikkelden zich nieuwe deelwetenschappen van de grammatica: de
fonologie die zich bezighoudt met de uitspraak van woorden, de morfologie die
de bouw van woorden bestudeert en de syntaxis die de onderlinge relatie van
woorden binnen de zin als object heeft. Moderne grammatica's van het Nederlands
zijn o.m.
M.C. van den Toorns Nederlandse
Grammatica (19849) en de
Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS;
19972).
LIT: Fowler; HWR; Krywalski; Marouzeau; MEW; Preminger; Shipley;
Wilpert; H. Klifman. Studies op het gebied van de vroegnieuwnederlandse
triviumtraditie (ca.1550-ca.1650) (1983). [H. Struik]
| |
grand tour
Een grand tour is een educatiereis door Frankrijk
en/of Italië van Europese jongeren uit adel en patriciaat als
sluitstuk van hun opvoeding, vaak ter voorbereiding op een bestuurstaak waaraan
hier sinds de tweede helft van de 16e eeuw in de (zich vormende) Republiek
grote behoefte was. Een reis, ondernomen met de bedoeling aan buitenlandse
universiteiten verder te studeren of te promoveren, wordt een
peregrinatio academica genoemd, hetgeen niet
uitsluit dat men tijdens een toeristische grand tour af en toe een universiteit
bezoekt. De grand tour is als belangrijk onderdeel opgenomen in de
opvoedkundige geschriften van
Marnix van St. Aldegonde en anderen. Het
reisdoel is altijd Frankrijk en vaak ook Italië. Over het verschijnsel
zijn we goed ingelicht door de vele
reisverslagen die in manuscript zijn
overgeleverd en door de gedrukte reisgidsen uit die tijd (itinerarium). Ook in alba amicorum (album
amicorum) is de neerslag van dergelijke reizen te vinden.
P.C. Hooft ondernam zijn grand tour,
gecombineerd met een handelsmissie, van 1599 tot 1601 door Frankrijk,
Italië en Duitsland; zijn zoon
Aernout Hellemans Hooft reisde van 1649
tot 1651 in de omgekeerde richting. Hun beider reisjournalen zijn overgeleverd
alsmede een voor Aernout door de Italiaan
Marganetti opgestelde Breve
instruttion met tal van raadgevingen. Ook de - wellicht op last van het
thuisfront opgestelde en dientengevolge af en toe in
geheimschrift gestelde passages bevattende -
journalen van de kinderen van
Constantijn Huygens, Christiaan,
Constantijn jr. en Lodewijk, zijn bewaard.
LIT: Cuddon; A. Frank-Van Westrienen. De Groote Tour. Tekening
van de educatiereis der Nederlanders in de zeventiende eeuw (1983); R.
Dekker. ‘Van Grand Tour tot treur- en sukkelreis. Nederlandse
reisverslagen van de 16e tot begin 19e eeuw’, in: Opossum, tijdschrift
voor historische en kunstwetenschappen, 4 (1994), thema-nr. Reizen, nr.
13/14. [P.J. Verkruijsse]
| |
Gregory, regel van
In middeleeuwse perkamenten handschriften vindt men als regel in
een
opening de
haarzijde van het perkament tegenover
haarzijde, of
vleeszijde tegenover vleeszijde. Dit is niet
alleen het geval bij uit een
plano gevouwen katernen, waarbij de delen
van het vel die tegenover elkaar komen te liggen vanzelf dezelfde kant van het
perkament zijn. Ook bij andere formaten blijkt men een voorkeur gehad te hebben
om voor de twee bladzijden van een opening dezelfde zijde van het perkament te
nemen. Waarschijnlijk lag hieraan de esthetische waardering ten grondslag dat
zo altijd twee donkere (haarzijden) of twee lichtere bladzijden tegenover
elkaar liggen. Dat de buitenzijde van Middelnederlandse handschriften bijna
altijd een vleeszijde is, komt waarschijnlijk doordat daarop geschilderd moest
kunnen worden, wat beter gaat op een vleeszijde. De regel van Gregory is zo
genoemd naar
C.R. Gregory, die dit verschijnsel het
eerst opmerkte.
LIT: W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en
filologie V’ in: SpL 5 (1961) p. 302, 303; L. Gilissen.
Prolégomènes à la codicologie (1977) p. 14-25;
J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum
(19813) p. 18-20. [F. Van Thijn/W. Kuiper]
| |
griezelverhaal, gruwelverhaal of horrorstory
Verhaal dat erop gericht is de lezer een gewaarwording van
beklemmende dreiging en angst te bezorgen. Griezelverhalen spelen zich af in
een macabere sfeer en maken gebruik van gegevens uit de wereld van het
bovennatuurlijke (magie, mystiek) en het bijgeloof (monsters, spoken,
vampiers). Het decor is meestal een nevelig landschap, een oud kasteel, een
verlaten landhuis of klooster in een afgelegen en sombere streek. Ook de nacht,
speciaal het middernachtelijk uur, speelt een grote rol.
De romantici, met hun aandacht voor de nachtzijde van het bestaan,
het dubbelleven, het mysterie van het kwaad enz. brachten een reeks
griezelverhalen voort, waaraan de invloed van
De Sade niet vreemd is geweest. Vroege
griezelverhalen zijn
An Radcliffe's The mysteries
of Udolpho (1794) en
M.G. Lewis' Ambrosio, or the
Monk (1796). Bekend zijn voorts
Mary Shelley's
Frankenstein (1817),
R.L. Stevensons The strange case
of Dr. Jekyll and Mr. Hyde (1886) en
Bram Stokers Dracula
(1897). Het griezelverhaal vertoont een nauwe verwantschap met de
gothic novel, waarin vooral middeleeuwse
elementen zijn opgenomen en waarin het thema van ‘the beauty and the
beast’ een rol speelt: een mooie jonge vrouw die in de macht is geraakt
van een lelijke en gevaarlijke zonderling, meestal een kasteelheer of een
monnik.
In Nederland is het genre weinig beoefend.
Belcampo schreef het vampierverhaal
‘Bloed zonder bodem’ (in: De ideale dahlia,
1968) en
Bordewijk bracht enkele griezelverhalen
onder in De wingerdrank (1937) en in Vijf
fantastische vertellingen (1947).
LIT: BDI; Best; Gorp; Lodewick; E. Birkhead. The tale of
terror (1921); M. Praz. The romantic agony (1956), p. 95-186; K.D.
Beekman. ‘Vampierverhalen: struktuur, verwerking en effekt’, in:
Populaire literatuur (1974), p. 121-152; P. van Zonneveld.
‘Vampirisme in de Romantiek’, in: Tirade 20 (1976), p.
525-532; D. Schouten. Duivelse boeken. Twee eeuwen griezelliteratuur in de
Lage Landen. Een bibliografie (1997). [G.J. van Bork]
| |
groeirijm
Term die door sommigen wordt gebruikt voor die vorm van
rijm waarbij een uitbreidende herhaling van
klanken optreedt, zoals in ‘Lieve, melieve’ (
M. Nijhoff. VG, 1963, p. 52).
Historisch gezien is de term onjuist. Groeirijm is de tegenhanger van
slinkrijm.
LIT: Bronzwaer. [G.J. Vis]
| |
groteske
Typering van een aanvankelijk in de beeldende kunst voorkomend
verschijnsel waarbij fantastische, grillige figuren uit de wereld van flora en
fauna (vgl.
arabeske) in vermenging worden
gepresenteerd. Sinds het begin van de 16e eeuw komt het verschijnsel onder die
naam ook in de literatuur voor. Het gaat dan om teksten gekenmerkt door
grilligheid, onnatuurlijkheid en afwijking van gangbare esthetische normen. Als
een van de eerste schrijvers in dit verband dient
Rabelais te worden genoemd. Ook
Shakespeare verwerkte vaak groteske
elementen in zijn werk, zoals grillige gedrochten die contrasteren met een
tragische context. Terwijl het classicisme met zijn strenge normbesef (wet)
het groteske als smakeloos verwierp, kwam het weer tot grote bloei in de
romantiek (wat niet wegneemt dat het verschijnsel in de 18e eeuw toch voorkwam,
bijv. in het werk van
J.C. Weyerman). In de 20e eeuw - vooral
in het
surrealisme en het
absurdisme - ziet men het verschijnsel
bloeien in bijna alle genres.
P. van Ostaijen schreef als
‘grotesken’ aangeduide prozastukken.
L. Ferron verwerkte groteske elementen
in zijn roman De keisnijder van Fichtenwald (1976). Ook
sommige vormen van literaire journalistiek, zoals het
cursiefje, hebben vaak een grotesk karakter
(bijv.
Stoker in de jaren '80 in De
Volkskrant).
Schrijvers die groteske elementen in hun werk opnemen zetten bij
voorkeur het schijnbaar tegenstrijdige en onverenigbare (vgl.
paradox) op een gedurfde en uitdagende
manier naast elkaar, soms verbonden met levenswijsheden. Het groteske genre
gaat in tegen algemeen geaccepteerde normen, en werkt tegelijkertijd
vervreemdend van de werkelijkheid.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; HWR; Lodewick;
Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; M. Baxtin. L'Oeuvre de
François Rabelais (1970); M. van Buuren. De boekenpoeper
(1982). [G.J. Vis]
| |
gruwelverhaal zie
griezelverhaal
| |
grijze literatuur
Term uit de bibliografie voor die publicaties die niet via de
erkende uitgeverij en boekhandel worden verspreid, zoals scripties, rapporten
en dissertaties, die bibliografisch moeilijk te traceren zijn. De database GLIN
(Grijze literatuur in Nederland), ondergebracht bij
Pica, tracht de bereikbaarheid van grijze
literatuur te vergemakkelijken.
LIT: BDI; Brongers. [P.J. Verkruijsse]
| |
gulden snede
Uit de klassieke Oudheid afkomstig berekeningsmodel (sectio aurea)
voor de verhouding tussen lengte en breedte van een object, nl. breedte :
lengte = lengte : (lengte + breedte). Deze verhoudingen zouden van goddelijke
oorsprong zijn. De gulden snede werd gedurende de Middeleeuwen en de
renaissance ook in boeken (codex,
incunabel) toegepast op de afmetingen van
blad-2,
bladspiegel en het
wit van de marges.
Bij het maken van een boek spelen echter meer factoren mee: de
breedte van het
rugwit bijv. is mede afhankelijk van de
dikte van een boek: als een
opening goed openvalt, is minder rugwit
vereist dan bij een dik boek dat vaak niet helemaal vlak open kan liggen.
Omdat de Middelnederlandse profane literatuur niet in de
oorspronkelijke banden (boekband) is overgeleverd, maar
in de loop der tijd opnieuw gebonden is, waarbij de marges altijd besneden
werden, kan moeilijk nagegaan worden in hoeverre de gulden snede de
verhoudingen bepaalde.
LIT: Brongers; L. Gilissen. Prolégomènes à
la codicologie (1977); H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (1986), p. 328-347. [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]
|
|
|