|
|
|
| |
M
| | | |
macaronisch gedicht
Vorm van burleske poëzie (burleske
literatuur) waarin twee of meer talen, of elementen daarvan, dooreen
gemengd worden met het doel een humoristisch effect te bereiken. Zo vindt men
Latijn en Nederlands (en mengvormen daarvan) in de volgende strofe uit het
gedicht ‘De huishoudelijke vergadering [van de
Gids-redaktie]’ van
J.J.L. ten Kate:
Vullant mengelwerkium!...
(Braga, 1, 1842-1843, ed.
Winkler Prins, 1883, p. 76).
John O'Mill (pseud. van
J. van der Meulen) schreef in zijn
bundels Lyrical laria (1956) en Curious couplets
(1958) gedichten waarin hij Engels en Nederlands op een komische manier met
elkaar vermengt tot zijn ‘dutch and double dutch’.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J. Dahl. Makkaronisches
Poetikum (1962). [G.J. Vis]
| |
maculatuur
Drukkersterm voor bedrukt of beschreven perkament en papier dat
niet meer van nut was en daarom versneden werd om dienst te doen als
versteviging van een
boekband. Vellen die gediend hadden als
proefdruk of
drukproef konden tot maculatuur versneden
worden, maar ook codices (codex) die als
kopij in een drukkerswerkplaats gebruikt
zijn, werden in repen tussen de boekband verwerkt als
hartstrookjes. Uit oude boekbanden komen
dientengevolge vaak fragmenten van Middelnederlandse teksten tevoorschijn; met
name de Karelepiek (Karelroman) is in dit soort
maculatuurfragmenten (membra disiecta) overgeleverd.
Een voorbeeld van een opzienbarende vondst van maculatuur is de
ontdekking in 1971 van een aantal fragmenten van een papieren handschrift van
de Reinaert in een 16e-eeuwse band (Vijf jaar
aanwinsten 1969-1973 [...] Koninklijke Bibliotheek Albert I [...] Brussel,
1975, p. 39-42).
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk
in de Nederlanden (1962), p. 240; J. Deschamps. Middelnederlandse
handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19722),
p. 1; E. Pellegrin. ‘Fragments et membra disiecta’, in: A. Gruys en
J.P. Gumbert. Codicologica 3 (1980), p. 72-79; J.M.M. Hermans (red.).
Het middeleeuwse boek in Groningen (1981), p. 21. [P.J. Verkruijsse]
| |
made-up copy
Term uit de analytische bibliografie voor een defect
exemplaar-1 van een boek dat door een
bezitter gecompleteerd is door er bladen (blad-2) of
katernen van andere (nog defectere?)
exemplaren of van andere
drukken of uitgaven aan toe te voegen.
Wanneer het gehele katernen van een ander exemplaar van dezelfde druk betreft,
is moeilijk te constateren dat er iets is toegevoegd, tenzij bijv. een andere
uitgave op afwijkend papier is gebruikt of
wanneer wormgaatjes, watervlekken e.d. niet aansluiten. Als het alleen bladen
betreft, is het de vraag of een bezitter zijn exemplaar heeft willen aanvullen
of dat het wellicht een cancellans (cancel) van de
drukker/uitgever is.
Completering van exemplaren met onderdelen van andere drukken is
goed mogelijk wanneer het pagina-voor-pagina-herdrukken betreft waarin dezelfde
pagina's dezelfde tekst bevatten, bijv. het exemplaar van
Johan de Brunes
Emblemata, aanwezig in de Bibliotheek van de Koninklijke
Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (UB Amsterdam). Dit
exemplaar behoort tot de druk 1624, maar het laatste katern, het Yy-katern, van
die druk is vervangen door het Yy-katern van de regel-voor-regel-herdruk van
1661 waaruit ook de nieuwe aanvullende katernen Zz-Bbb aan dit exemplaar zijn
toegevoegd.
Bij pagina-voor-pagina-herdrukken zou het tot de uitgeverspraktijk
kunnen behoren om ter besparing van papier restant-vellen van een eerdere druk
te verwerken in de nieuwe druk.
LIT: Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 320. [P.J. Verkruijsse]
| |
madrigaal-1
Term uit de muzikale en literaire genreleer ter aanduiding van een
wereldlijk zangstuk dat in de 14e eeuw in Italië is ontstaan.
Het was opgebouwd uit drie strofen waarvan de eerste twee een bouw hebben die
verwant is aan die van de Minnesängerstrofe, en de laatste een Abgesang
(staart) is. Oorspronkelijk tweestemmig, zonder
begeleiding (a capella), is de madrigaal later meestal vijfstemmig. Kenmerkend
is het ruime gebruik van toonschildering en muzikale woordillustratie, hetgeen
later doorwerkte in de uit de madrigaal ontwikkelde wereldlijke
cantate. De tekst heeft meestal een
pastoraal, satirisch of amoureus karakter.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; LdMA; Metzler; MEW; Myers;
Simms; Scott; Shipley; Wilpert; K.Ph. Bernet Kempers. Muziekgeschiedenis
(19656), p. 243, 246. [G.J. Vis]
| |
madrigaal-2
Term uit de genreleer voor een in Italië ontstaan gedicht dat
sinds 1500 meestal bestaat uit twee elfsyllabige
terzinen en één of twee
disticha met een variabel rijmschema.
Sommige madrigalen hebben slechts zes verzen, andere meer, maar nooit meer dan
vijftien.
De thematiek is meestal de natuur of de liefde. Aanvankelijk heeft
het een landelijk-idyllisch karakter. Het slot bevat vaak een wijsgerige,
didactische of (in latere perioden) satirische wending. In de Nederlanden vindt
men het madrigaal sinds de 16e eeuw als een elegant erotisch herdersliedje
(arcadia,
pastorale-1), bij voorkeur gebouwd op drie
rijmklanken. Nederlandstalige madrigalendichters zijn o.a.
Constantijn Huygens (1596-1687) en
H.J. Roullaud (1729-1790).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; Oosthoek
encyclopedie, dl. 12 (19797). [G.J. Vis]
| | | | | |
magisch realisme
Richting in de kunst waarin een poging wordt gedaan de empirisch
vaststelbare werkelijkheid te verbinden met een ‘andere’ of
‘hogere’ werkelijkheid, nl. die van een geestelijke of psychische
orde. Niet alleen wordt getracht door een bepaalde weergave van de realiteit
die hogere of psychische orde op te roepen, maar ook worden bewust metafysische
verschijnselen verwerkt in een overigens nauw bij de realiteit aansluitende
weergave. Daardoor ontstaan hallucinerende beelden of droomeffecten die opkomen
in een met grote precisie getekende werkelijkheid. Op die manier wordt getracht
een synthese te bereiken tussen werkelijkheid en verbeelding.
De term magisch realisme is afkomstig van de Italiaan
M. Bontempelli (Gente nel
tempo, 1937) en werd toegepast op het werk van uiteenlopende
auteurs als
E.T.A. Hoffmann (Der goldene
Topf, 1816),
E.A. Poe (Tales,
1840, 1845),
Alain Fournier (Le grand
Meaulnes, 1913) en
S. Vestdijk (De kelner en de
levenden, 1949). Het is zeer de vraag of het werk van deze auteurs
onder de noemer magisch realisme is samen te brengen, immers ook het
symbolisme streeft naar de verbinding van het
reële met het hogere, met name onder invloed van
Plato's ideeënleer, terwijl het
surrealisme het psychische met onze
ervaringswerkelijkheid verbindt.
Lanckrock is zelfs van mening dat er
helemaal niet van een stroming gesproken kan worden, omdat het verschijnsel al
sinds de Oudheid in de kunst voorkomt en het zich daarom verheft boven de
verschillende -ismen (alleen de naam is nieuw; het verschijnsel is tijdloos).
Dit standpunt wordt gedeeld door magisch-realisten als
Johan Daisne en
Hubert Lampo, en daarom ontbreekt ook
steeds een nadere tijdsbepaling voor deze richting in de kunst. De twee
genoemde auteurs zijn de enige Nederlandstalige schrijvers die zichzelf
magisch-realist noemen. Bij Daisne gaat het vooral om de verbinding
droom-werkelijkheid. Het magisch realisme is voor hem bovenzinnelijkheid die
door menselijke tussenkomst wordt opgeroepen en niet bijv. door een god of een
wonder. Daisne spreekt zelf in dit verband over romantisch magisch realisme,
een omschrijving die hij van toepassing acht op zijn romans De trap
van steen en wolken (1942) en De trein der
traagheid (1948). Voor Lampo speelt vooral het begrippenapparaat
van C.G. Jung een rol: het collectief onbewuste, het archetype, de mythe. Door
inspiratie komen tijdens het schrijven archetypen tot stand waardoor de
zintuigelijke ervaringswereld doorbroken wordt of op een hoger plan wordt
geplaatst. Lampo zelf beschouwt zijn roman De goden moeten hun getal
hebben (1969) als het klassieke voorbeeld van dit type magisch
realisme. Andere magisch-realistische romans van Lampo zijn o.m.
Terugkeer naar Atlantis (1953) en De komst van
Joachim Stiller (1960). Ook met betrekking tot het werk van
Bordewijk (
Noorderlicht, 1948; Rood paleis,
1936) wordt wel van magisch realisme gesproken.
LIT: Baldick; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; R. Lanckrock.
‘Inleiding tot het magisch-realisme’, in: Nieuw Vlaams
Tijdschrift 6 (1951-1952), p. 508-534; J. Daisne. Het geluk. Wat is
magisch realisme? (1966); H. Lampo. De zwanen van Stonehenge (1972);
H. Lampo. Joachim Stiller en ik (1978); C. van de Putte. De
magisch-realistische romanpoëtica in de Nederlandse en Duitse
literatuur (1979); W. Bronzwaer. ‘Bordewijks Noorderlicht’, in:
De vrije ruimte (1986), p. 102-124. [G.J. van Bork]
| |
magnum opus
Algemene term voor een ‘groot werk’ dat door iemand
verricht is, maar vooral ook gebruikt voor iemands in kwalitatief en
kwantitatief opzicht voornaamste werk binnen zijn totale boekproductie. De
uitdrukking wordt gehanteerd voor zowel
primaire als
secundaire literatuur, bijv. voor
Het verdriet van België van
Hugo Claus of de veeldelige serie
Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog
van
L. de Jong. De term wordt tegenwoordig
vaak ook ironisch gebruikt.
LIT: Cuddon; Scott. [P.J. Verkruijsse]
| |
majuskelcursief zie
capitalis cursiva
| |
majuskelschrift
Term uit de paleografie voor een lettersoort waarvan alle letters
dezelfde hoogte hebben (bijv. L en E zijn even hoog) en er geen schachten van
letters naar boven of naar beneden uitsteken (bijv. P staat net als A op de
schrijflijn). Onderscheiden worden de
capitalis quadrata, de
capitalis rustica en de
capitalis cursiva. In het dagelijks
spraakgebruik noemt men de majuskel een hoofdletter; in de typografie (drukkunst)
spreekt men van
kapitaal. Naast majuskelschrift kennen we
ook
minuskelschrift.
LIT: Best; Hiller; Scott; Wilpert; B. Engelhart en J.W. Klein.
50 eeuwen schrift (19882), p. 106-116. [H. Struik]
| |
maniërisme
Met de van oorsprong kunsthistorische en vaak negatief geladen
term ‘maniërisme’ kan een bepaalde periode worden aangeduid,
een bepaalde stijl binnen die periode of een algemeen stijlkenmerk dat in meer
perioden aangetroffen wordt. Het maniërisme als periode wordt gewoonlijk
gesitueerd in de 16e eeuw (vanaf 1520) en heeft dan betrekking op de navolgers
van
Rafaël en
Michelangelo die op hun manier
(‘maniera’) verder werkten. Het maniërisme wordt dan beschouwd
als een overgangsstadium tussen
renaissance en
barok, als een exponent van de schokkende
ontwikkelingen die begin 16e eeuw begonnen (reformatie),
respectievelijk plaatsvonden (1527 Sacco di Roma).
De belangrijkste stijlkenmerken zijn enerzijds een bewuste
doorbreking van de klassieke regels, een neigen naar parodie en ironie en in
het uiterste geval naar absurdisme en anderzijds een streven naar uiterste
verfijning in ordening, vorm en (wat betreft de beeldende kunsten) kleur. Alles
wat met een achteloos lijkend vernuft en vakmanschap vervaardigd is, wat
complex is geconstrueerd met schijnbaar meer aandacht voor de vorm dan voor de
inhoud, zou men maniëristisch kunnen noemen. Na de chaos van het
maniërisme zou de barok, al dan niet gesteund door de
contrareformatie als gevolg van het Concilie
van Trente (1545-1563), weer rust en zekerheid brengen. Volgens
Hocke wil de maniërist alleen nog
maar
delectare, het publiek voortdurend verbluft
doen staan.
Absurditeit en oververfijning kan men vervolgens ook in andere
kunsthistorische perioden aantreffen: sommigen hebben het expressionisme van
rond 1920 maniëristisch genoemd. Volgens
Curtius duikt maniërisme telkens
weer op wanneer zich een klassieke stijl gevormd heeft. Tegenover de
‘normale’ retorische stijlmiddelen, die altijd toch ook het gevaar
van overdrijving in zich bergen, wordt in de literatuur van maniëristen
graag, veel en ‘zinloos’ gebruik gemaakt van de hyperbaton (Distanzstellung),
perifrase,
paronomasia,
metaforen,
beeldgedichten-2,
asyndetische vergelijkingen,
dubbelzinnigheden enz. Wat Curtius betreft mag de term ‘barok’
plaatsmaken voor maniërisme omdat ook daar maniëristische tendensen
overheersen.
De maniëristische stromingen van de late renaissance hebben
in de nationale literaturen een eigen aanduiding gekregen: in
Italië kan men het
marinisme ertoe rekenen,
inSpanje het
gongorisme, in Frankrijk de
préciosité,
inEngeland het
euphuism en in Duitsland de
Schwulst. In de Nederlanden is er geen
aparte term voor, hetgeen wellicht te wijten is aan het feit dat de renaissance
hier pas doordrong en in zeer korte tijd tot bloei kwam toen die fase elders al
vrijwel afgesloten was.
Het is dan ook zeer de vraag of in de Nederlandse literatuur van
de renaissance maniëristische auteurs aangewezen kunnen worden. Een aantal
kenmerken geldt immers ook voor het
petrarkisme.
Verkuyl heeft op de vraag of
Huygens wellicht in navolging van
John Donne een marinist was een negatief
antwoord geformuleerd. Wanneer men het maniërisme als een repeterend
fenomeen beschouwt (en de kunsthistorici neigen nu daartoe), dan kan men
bijvoorbeeld zowel de sensitieve en verfijnde stijl van
Couperus (decadentie) eronder vatten als het met neologismen,
clichés en opzettelijke stijlfouten doorspekte proza van
Kees van Kooten.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Knuvelder, dl. 2 (1971),
p. 10-15; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; E.R.
Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter
(19738), p. 277-305; De triomf van het Maniërisme
(tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum Amsterdam, 1955); W. Sypher. Four
stages of Renaissance style (1956); G.R. Hocke. Manierismus in der
Literatur (1966); P.E.L. Verkuyl. ‘Is Huygens een marinist?’,
in: NTg 56 (1963), p. 129-140, 193-205; G. Ueding. Einführung in
die Rhetorik (1976), 94-97; Zauber der Medusa; europäische
Manierismen (tentoonstellingscatalogus Künstlerhaus Wenen, 1987); R.
van Gelder. ‘Bizar raffinement’, in: NRC/Handelsblad, 15 mei
1987. [P.J. Verkruijsse]
| |
manifest
Aanduiding voor die vorm van individuele of collectieve
auteurspoëtica (poetica-3) die als openbare
verklaring de functie heeft van een programmatisch geschrift. Veelal worden er
nieuwe literaire opvattingen in kenbaar gemaakt.
Het manifest dient soms ter begeleiding van een
(geïntendeerde) nieuwe beweging in de literatuur. Dit is bijv. het geval
met
Albert Verwey's Inleiding in
de nieuwe Nederlandsche Dichtkunst (1905), een programmatisch
geschrift dat, goeddeels in de vorm van een terugblik op de ontwikkelingen in
de jaren 1880-1900, een aantal besliste poëticale uitspraken doet over de
richting die de literatuur diende in te slaan. Dit manifest verscheen
afzonderlijk in hetzelfde jaar waarin Verwey's tijdschrift De Beweging
zijn eerste jaargang beleefde en waarmee het nauw verband hield. Menig nieuw
tijdschrift opent met een manifest, zoals het ‘Ter inleiding’ van
Ter Braak op Forum in aflevering 1
van jaargang 1 (1932). Maar er zijn ook andere vormen van openbare literaire
verklaringen. Men denke aan de auteur die zijn eigen werk inleidt (
Johannes Kinkers ‘voorredes’
bij zijn Gedichten 1819-1821) of andermans werk (
Willem Kloos' inleiding op de
Gedichten van
Jacques Perk (1882), gezien als het
programma van Tachtig). Ook menige bloemlezing bevat een manifest als
inleiding, zoals die van
D. Binnendijk op Prisma (1930) of
van
Gerrit Kouwenaar op Vijf 5 tigers
(1955).
Afzonderlijke vermelding verdient het manifest als tekstsoort in
het
modernisme. De historische avant-garde
gebruikte het manifest als geheel nieuw genre. Hierin presenteerde men zijn
opvattingen over literatuur, kunst en maatschappij aan het publiek door middel
van een grote variëteit van typografische en retorische middelen.
Over het geheel bezien kan men zeggen dat het vooral sinds de
romantiek veel voorkomt dat belangrijke vernieuwingsbewegingen met manifesten
zijn ingeluid, vanaf het afzonderlijk verschenen ‘Prospectus’ ter
inleiding van De Gids (1837) tot de artikelenreeks Analyse en
oordeel van
J.J. Oversteegen in Merlijn
(1965) en het Manifest voor de jaren zeventig (1970) van
Peter Andriesse,
Hans Plomp,
Heere Heeresma en
George Kool. De beoefenaar van de
literatuurgeschiedenis kan in het verschijnsel manifest aanknopingspunten
vinden voor voorstellen inzake
periodisering.
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; G.J. Vis. Johannes Kinker en
zijn literaire theorie (1967), p. 44-113; J.C. Brandt Corstius. Het
poëtisch programma van Tachtig (1968); J.J. Oversteegen. Vorm of
vent (1970); R. Vervliet. De literaire manifesten van het
fin-de-siècle in de Zuidnederlandse periodieken 1878-1914 (1983);
G.J. van Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis
(19902), p. 182-203. [G.J. Vis]
| |
mannelijk rijm of staand rijm
Term uit de prosodie waarmee die vorm van
eindrijm wordt aangeduid waarbij
rijmvrager en
rijmgever een eensyllabige rijmklank hebben,
bijv.
De bocht gaat in (kinderrijmpje).
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Hobsbaum; Lodewick; Metzler; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
mannelijke cesuur
Term uit de prosodie voor een
cesuur die valt na de eerste (beklemtoonde)
syllabe van de
dactylus, schematisch voorgesteld: -,~~,
bijv.
Ginds de alver-//woestende// krijg, en de //nimmer
ver-//zadigde// bloeddorst
(
J. Kinker. Gedichten, dl. 3,
1821, p. 87).
In tegenstelling tot de mannelijke cesuur valt bij de
vrouwelijke cesuur de pauze na de tweede
syllabe van de dactylus: -~,~.
Sommigen breiden de term uit tot elke cesuur die valt na een
beklemtoonde syllabe in een metrisch (metrum) vers.
LIT: Cuddon; Dupriez-1; Gorp; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
mantel- en degenstuk
Term ontleend aan het Spaanse toneel, ‘comedia de capa y
espada’, voor komedies of tragikomedies uit de periode van de renaissance
waarin gecompliceerde, avontuurlijke en spannende liefdesgeschiedenissen
voorkomen met veel vermommingen, travestieën en duels. De stukken spelen
in kringen van de lagere aristocratie of hogere burgerij waar mantel en degen
tot het wandelkostuum behoorden. Dit toneelgenre trekt zich weinig aan van de
klassieke voorschriften en kent dan ook naast een hoofdintrige vaak meer
nevenintriges en tussenspelen.
Lope de Vegaheeft tal van mantel- en
degenstukken geschreven. In Nederland is hij in de 17e eeuw vooral
nagevolgd en vertaald door
Theodoor Rodenburgh. Ook het
melodrama uit de periode van de romantiek
heeft nog invloed ondergaan van de Spaanse mantel- en degenstukken.
LIT: Gorp; Laan; Metzler; MEW. [P.J. Verkruijsse]
| |
manuscript-1 zie
handschrift
| |
manuscript-2
Term uit de editiewetenschap en de
manuscriptologie voor een
handschrift voor eigen gebruik (klad), dit in tegenstelling tot de
codex, de handgeschreven
kopij en het gedrukte boek. In de
drukkerswereld worden ook
typoscripten als manuscript aangeduid. Een
door de auteur zelf geschreven manuscript noemt men een
autograaf; een afschrift door een ander een
apograaf. Ook brieven horen tot de
manuscripten.
De meeste bibliotheken bezitten een handschriftencatalogus waarin
ook de manuscripten zijn opgenomen, zoals de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag:
Inventaris van de handschriften (voorl. uitg., dl. 1 (1988), dl. 2
(1993)), de Koninklijke Bibliotheek Albert I, Brussel: Catalogue des
manuscrits (13 dln., 1901-1948), de Universiteitsbibliotheek Amsterdam:
Catalogus der handschriften (7 dln., 1899-1923); de
Universiteitsbibliotheek Leiden: Catalogus librorum manuscriptorum
(samengesteld door
Jacob Geel, 1852), de Maatschappij der
Nederlandse Letterkunde (UB Leiden): Catalogus van de bibliotheek der
Maatschappij (dl. 1, 1847), de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen (KB Den Haag):
D.J.H. ter Horst, Catalogus van de
handschriften der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, in
bruikleen in de Koninklijke Bibliotheek ‘s-Gravenhage (1938), de
Universiteitsbibliotheek Gent: Inventaris van de handschriften
(1977).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Mathijsen;
Metzler; MEW; Scott. [P.J. Verkruijsse]
| |
manuscriptologie of handschriftenkunde
Door
W.Gs Hellinga geïntroduceerde term
voor die tak van de
bibliologie die zich bezighoudt met
handgeschreven teksten uit de periode van de boekdrukpers (manuscript-2). Na ca. 1500 worden er praktisch geen codices
(codex,
handschrift) voor publieksdoeleinden meer
afgeschreven. Manuscripten hebben een sterk persoonlijk karakter en zijn niet
bedoeld voor een lezerspubliek; ze vallen daarom niet onder de
codicologie, maar hebben een eigen
hulpwetenschap tot hun beschikking.
In tegenstelling tot in de codicologie, waar de term codicografie
inmiddels geïntroduceerd is, zijn er in de manuscriptologie nog vrijwel
geen beschrijvingsmodellen (‘manuscriptografie’) ontwikkeld voor
manuscripten.
LIT: BDI; MEW. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
marge
Witte rand (wit) rondom de
blad- of
zetspiegel. Men onderscheidt een boven- of
kopmarge, waarin
paginering,
foliëring of een
kopregel kunnen voorkomen. In de beneden- of
staartmarge wordt ook wel gepagineerd. Daarnaast kan men in de benedenmarge een
katernsignatuur, een reclame of
custode aantreffen. Door het bijsnijden van
de bladen voor het binden, kunnen deze
marginalia soms wegvallen. In de binnen- en
buitenmarge treft men regelmatig glossen (glos), noten
(noot),
commentaar of een
synopsis aan (een noot aan de voet van een
pagina, een zgn.
voetnoot, maakt echter deel uit van de
bladspiegel). Vaak zijn deze marginalia oorspronkelijk, maar even vaak zijn het
gebruikssporen.
Voor een middeleeuwse
codex geldt: hoe ruimer de marges, des te
kostbaarder het boek, want perkament was duur en het was economischer om het
dicht te beschrijven. Ook moderne bibliofiele werken onderscheiden zich door
ruimere marges.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; C.F. Buehler. ‘The Margins in
Mediaeval Books’, in: The Papers of the Bibliographical Society of
America 40 (1946), p. 32-42; R.W.P.H. Scheller. Opmaak &
Mise-en-page. Een onderzoek naar de beginselen der vroegste boekkunst
(1966); H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p.
338-347. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
marginalia
Letterlijk: randopmerkingen of kanttekeningen. In de late Oudheid
en de Middeleeuwen was het gebruikelijk dat in wetenschappelijke teksten
aanvullingen, uitleg, commentaar (glos) door de
eigenaar-gebruiker van het handschrift in de
marge werden bijgeschreven, voor welk doel
de marge soms bij het schrijven van het
handschrift extra ruim bemeten was.
Daarnaast kennen we marginalia als gebruikssporen, bij wijze van
correcties en ter ondersteuning van de
voordracht zoals in de Haagse Lancelot-compilatie (ed.
Besamusca,
Brandsma e.a., 1990), en als markering
van belangrijke passages (nota-2).
In later tijd werden marginalia met een vaak
‘kritisch’ of spottend karakter bij teksten bijgeschreven. De
verzelfstandiging van dit soort randopmerkingen in afzonderlijk gepubliceerde
bundels of in tijdschriftrubrieken bleef men marginalia noemen.
Dirk Costerbundelde bijv. aforismen
onder de titel Marginalia (1919) en in o.m. De Vrije
Bladenkwam een rubriek van die naam voor (1925-1929).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Laan;
Metzler; MEW; Scott; Wilpert; D. van der Poel. ‘Over gebruikersnotities
in het Rose-handschrift K.A. XXIV’, in: NTg 79 (1986), p. 505-516.
[G.J. van Bork/W. Kuiper]
| |
Mariaklacht
Genre uit de geestelijke letterkunde waarin Maria haar smart om
het lijden en sterven van Christus onder woorden brengt. De oudst bekende
vertegenwoordiger van het genre is de Mariaklacht van
Efrem de Syriër (373). In de 12e
eeuw, gelijktijdig met de opkomst van de Mariadevotie en een toenemende
aandacht voor het lijden van Christus, verschijnt de Mariaklacht
inWest-Europa. De oudste en belangrijkste vertegenwoordigers zijn
de Planctus ante nescia van
Godfried van Breteuil (± 1180) en
de zgn. Planctus van pseudo-Bernardus van
Ogirius (vóór 1205). Vooral
de laatste is tot na de 16e eeuw van grote invloed geweest.
Het precieze ontstaan van de Mariaklacht is niet duidelijk. Wel is
bekend dat men al eerder aandacht had voor het lijden en de droefheid van Maria
(o.a. Augustinus). Invloed uit de byzantijns-christelijke kerk is
waarschijnlijk, maar niet bewezen. Evenmin is aangetoond dat het genre
rechtstreeks beïnvloed is door de liturgie of het
paasspel. Wel is het zeker dat er in de
voorchristelijke dodencultus een voedingsbodem aanwezig was waaruit de
Mariaklacht kon opbloeien: de Mariaklacht is in feite een gesublimeerde
dodenklacht. De betekenis ervan was voor de middeleeuwse mens van een heel
andere aard dan voor ons; de klacht is geen uiting van alleen droefheid zoals
wij die omschrijven: in haar oorsprong heidens bevat de Mariaklacht nog veel
heidense elementen. Een daarvan is mogelijk dat Christus beklaagd moet
worden om te kunnen herrijzen.
Een Middelnederlandse vertegenwoordiger van het genre is
Jacob van Maerlants Ener
disputacie van onser vrouwen ende van den heiligen cruce (
Strophische Gedichten, ed.
Verdam en
Leendertz Jr., 1918, p. 90, vss. 14-65).
Een bijzondere, oorspronkelijk Middelnederlandse Mariaklacht staat in
Vanden Levene ons Heren (ed.
Beuken, 1968, dl. 1, p. 112-123, vs.
3267-3514). Van deze klacht zijn geen Latijnse bronnen bekend.
In de 17e eeuw beleefde de Mariaklacht nog een nabloei in de
Zuidelijke Nederlanden. Een voorbeeld hiervan is de Clachte van Maria
beneven het cruysvan
Justus de Harduyn (Goddelicke
Lofsanghen, ed.
Dambre, 1933, p. 109-111).
LIT: LdMA; Wilpert; K.C.M.W. de Vries. De Mariaklachten
(1964). [H. Struik]
| |
Marialegende
Begrip uit de genreleer voor een
legende waarin Maria een hoofdrol vervult.
Soms betreft het legenden over het aardse leven van Maria, zoals dat is
overgeleverd in de apocriefe evangeliën en in middeleeuwse bronnen.
Gewoonlijk betreft het verhalen waarin Maria op wonderbaarlijke wijze ingrijpt
in het leven en door mirakelen haar getrouwen beloont of uit gevaren redt
(mirakelspel). De Marialegenden ontstaan in de 12e eeuw
en zijn bijzonder populair bij dominicanen en franciscanen. Onder hun invloed
verandert het 12e-eeuwse beeld van Maria van de verheven Moeder Gods, afgebeeld
als de koningin van de hemel, in de 13e eeuw in een glimlachende troostende
moeder die optreedt als middelaarster tussen God en de (zondige) mens.
De bloeitijd van de Marialegende is de 13e eeuw. Belangrijke
bronnen voor Marialegenden in de volkstaal zijn de Legenda
Aurea van
Jacobus de Voragine en de
Dialogus miraculorum van
Caesarius van Heisterbach. In de
Spiegel historiael partie I, boek 7, hfdst. 47-94 (ed.
De Vries &
Verwijs, dl. 1, 1863, p. 321-376) heeft
Jacob van Maerlant een aantal
Marialegenden vertaald uit de Speculum historiale van
Vincentius van Beauvais. Uit de 14e eeuw
dateren de Beatrijs (ed.
Meder en
Wilmink, 1995) en
Theophylus.
LIT: Best; Buddingh'; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; C.G.N. de
Vooys. Middelnederlandse Marialegenden (2 dln., 1903); C.G.N. de Vooys.
Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de
prozateksten en het volksgeloof der middeleeuwen (19262).[H.
Struik]
| |
Marialied
Geestelijk lied (geestelijke lyriek) over
of ter ere van Maria. Het Marialied is in de Middeleeuwen niet zo belangrijk
geweest als op grond van de omvang van haar verering verwacht zou mogen worden;
de betekenis van Maria voor het geestelijk lied is niet te vergelijken met de
plaats die ze in de
exempelen (Marialegende) bekleedt. Dit hangt samen met de plaats die
Maria inneemt in de prediking van vooral de franciscanen: Maria is de
voorspraak, het middel, het doel is Christus; de franciscanen hadden daarom
meer interesse in Christusliederen. Voor de door Maria verrichte wonderen was
in de lyriek geen plaats.
Verhalende liederen over het leven van Maria zijn het meest
schaars: de aandacht voor haar leven begint meestal bij de aankondiging door de
engel van Christus' geboorte (annunciatie). Veel Marialiederen zijn dan ook qua
inhoud en vorm nauw verwant aan de
kerstliederen.
Een loflied ter ere van Maria eindigt in de regel met het inroepen
van Maria's voorspraak; soms wordt dit uitgebreid tot een gebed.
LIT: Best; Laan; LdMA; Metzler; Wilpert; J.A.N. Knuttel. Het
geestelijk lied in de Nederlanden voor de kerkhervorming (1906), p.
236-276. [H. Struik]
| |
Mariaspel
Onder deze ruime term vallen alle spelen waarin een gebeurtenis
uit het leven van de maagd Maria centraal staat. Aanvankelijk werden o.m. de
geboorte van Christus, het bezoek van de drie koningen of Mariahemelvaart in
tableaux vivants uitgebeeld in processies
(toog) of in de kerk, maar geleidelijk ontwikkelden deze
voorstellingen zich tot volledige toneelspelen. Bekende Mariaspelen zijn de
zogenaamde Bliscappen van Maria (ed.
Beuken, 19782), waarvan alleen
de eerste en de zevende bewaard zijn gebleven. Deze
bliscappen werden jaarlijks in
Brussel vanaf 1448 opgevoerd tot ver in de 16e eeuw. In 1401 werd
in Antwerpen een Spel van onser Vrouwen
gespeeld en in 1428 werd in Mechelen het (wagen)spel Van
onser Vrouwen opvaert vertoond. In veel Zuid-Europese landen is het
tot op heden gebruikelijk om tijdens processies in de Goede Week de dramatische
ontmoeting van Maria en Jezus op de Kruisweg uit te beelden.
LIT: Laan; LdMA; Metzler; Wilpert; H. Pleij. ‘De
taakverdeling in het huwelijk: over literatuur en sociale werkelijkheid in de
late middeleeuwen’, in: Literatuur 3 (1986), p. 66-76; W. Kuiper
en R. Resoort. Maria op de markt. Middeleeuws toneel in Brussel (1995);
B.A.M. Ramakers. Spelen en figuren (1996), p. 414-422. [G.J. van
Bork/Saskia Raue]
| |
marinisme, concettismo of secentismo
Aanduiding voor de Italiaanse
maniëristische stroming van de
navolgers van
Giovanni Battista Marino of Marini
(1569-1625). Marino is uitermate gericht op de technische vaardigheid; de
dichter moet volgens hem voortdurend op zoek zijn naar technische snufjes. Hij
moet ernaar streven de orde, de harmonie en het evenwicht, die zo kenmerkend
zijn voor de renaissancistische poëzie, te doorbreken ‘op de juiste
tijd en plaats, zich aanpassend aan het heersende gebruik en de
tijdssmaak’, zoals Marino het uitdrukte. De ware dichter is voor Marino
degeen die de gevoeligste zintuigen heeft en de krachtigste beelden schept,
niet door middel van de wijsheid, maar door de poëzie die bij hem louter
sensueel-erotisch is.
De stijl van de marinisten wordt gekenmerkt door rijmloze verzen
(blank vers), door zeer veel epitheta, door antithesen,
analogieën en gewaagde, vaak antithetische metaforen, kortom door
spitsvondigheid, door
concetti (vandaar ook de term concettismo
die wel voor het marinisme gebruikt wordt), die de lezer bij voortduring
versteld moeten laten staan.
Hoe groot de invloed van Marino en het marinisme geweest is op de
andere nationale maniëristische stromingen als het Spaanse
gongorisme, de Franse
préciosité, het Engelse
euphuism of de metaphysical poets en de
Duitse
Schwulst is moeilijk na te gaan. Een aantal
elementen van het
petrarkisme kan ook gemakkelijk voor
marinistisch doorgaan. De veronderstelde invloed van het marinisme op
Constantijn Huygens, via het Engels van
John Donne, wordt door
Verkuyl sterk in twijfel getrokken,
overigens zoals die op Donne ook sterk gerelativeerd wordt door
Praz. Binnen het algemene literaire
klimaat van die tijd zijn rechtstreekse invloeden of ontleningen moeilijk
aantoonbaar. Zelfs bij de zgn. antimarinisten kan men marinistische vormen
aantreffen.
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; M. Praz.
‘Donne's relation to the poetry of his time’, in: The flaming
heart (1958), m.n. p. 191-199; P.E.L. Verkuyl. ‘Is Huygens een
marinist?’, in: NTg 56 (1963), p. 129-140, 193-205; G.R. Hocke.
Manierismus in der Literatur (1966). [P.J. Verkruijsse]
| |
marionettentheater of poppenspel
Theatervorm waarin personages door met de hand bewogen poppen
worden voorgesteld. Daartoe worden verschillende soorten poppen gebruikt, zoals
handpoppen (waarbij de kleding de hand verbergt), wajangpoppen (platte poppen
die een schimmenspel opvoeren), maar ook marionetten die met draden van bovenaf
of met stangen van onderaf gemanipuleerd worden. Alle toneelvormen kunnen ook
als poppenspel worden opgevoerd, maar er is een voorkeur voor de komische
sketch, zoals in de poppenkast met Jan Klaassen en Katrijn. In
België worden in de poesjenellenkelders tal van
folkloristische of op oude verhalen gebaseerde poppenspelen opgevoerd. Veel
literaire teksten zijn voor poppenspel bewerkt, zoals
Louis Paul Boons roman De
bende van Jan de Lichte (1957).
LIT: Best; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; W. Meilink.
Bibliografie van het poppenspel van in Nederland en België verschenen
werken op het gebied van het poppenspel (1965); R. Bulthuis.
Geschiedenis van het schimmenspel in Nederland (1970); P. Vriesema.
‘De voorlopers van Jan Klaaszen: een stukje middeleeuws toneel uit de
kast gehaald’, in: Meta 14 (1970-1980) 3, p. 55-60; W. Meilink.
Doopceel van Jan Claeszen. Kroniek van het traditionele poppenspel in
Nederland (19802); R. Bulthuis. Marionettentheater
(1980); R. Erenstein e.a. (red.). Poppenspel, spec. nr. van
Dramatisch Akkoord 15 (1982). [G.J. van Bork]
| |
marktlied
Eenvoudig
volkslied-1 dat op markten en kermissen
gezongen werd door beroepszangers, en afgedrukt op een blaadje aan de man
gebracht werd. Meestal bevat het marktlied ‘nieuws’, maar ook
andere onderwerpen zijn mogelijk.
LIT: Gorp; W.L. Braekman. Hier heb ik weer wat nieuws in
d'hand: marktliederen, rolzangers en volkse poëzie van weleer (1990).
[W. Kuiper]
| |
marskramer of colporteur
Marskramers, kramers, venters of omlopers zijn ambulante
handelaren die voorzien van een korf (mars) huis aan huis hun koopwaar
aanbieden. Zeker in het verleden hebben zij, vooral op het platteland, een
belangrijke rol gespeeld bij de distributie van bepaalde producten van de
drukpers, zoals
blauwboekjes,
almanakken,
pamfletten-1, kranten, kortom wat gewoonlijk
aangeduid wordt als
triviaalliteratuur, waaronder ongetwijfeld
ook illegale literatuur. Dat het een wijdverbreid verschijnsel was, bewijzen de
vele rekesten van boekverkopersgilden aan de plaatselijke overheden waarin
maatregelen gevraagd worden tegen de marskramers, alsmede het voorkomen van tal
van kramers in de beeldende kunst en in de literatuur. Zo kan men kramers
tegenkomen in kluchten vanaf de Middeleeuwen tot ver in de 18e eeuw, o.a. in
die van
Cornelis Everaert,
Nicolaes Biestkens,
G.C. van Santen,
G.H. van Breughel (Een cluchte
van eenen cramer hebbende te coop veelderley drollighe liedekens;
ed.
J.A. van Leuvensteijn, 1985),
W.D. Hooft,
Guilliam Ogier,
Joh. van Paffenrode en
Jacobus Rosseau (De zingende
kraamer, 1718). Uit zowel de literaire als de archiefbronnen als
uit de afbeeldingen in de beeldende kunst blijkt dat de sociale positie van de
marskramer niet erg gunstig is: de grens met zwervers en vagebonden is diffuus.
Datzelfde geldt voor de rondtrekkende liedjeszangers (straatlied), die met de boekenkramers over een kam geschoren
worden, zoals blijkt uit titels van liedbundels als Apollo's marsdrager,
veylende alderhande scherpzinnige en vermakelyke snel, punt, schimp, en
mengeldichten (3 dln., 1715-1728), De marsdrager, of nieuwe
toverlantaern, waar in vertoond wordt de nieuwste en aangenaamste gezangen
(1754), De vrolyke kramer, met Klyn Jans pleizierig en vermakelyk
mars-dragend hondje.
In de 19e eeuw neemt het verschijnsel colportage eerder toe dan
af, wellicht als gevolg van het opheffen van de gilden. Een nieuw verschijnsel
dat aan het leuren met boeken wordt toegevoegd, is het rondgaan met
intekenlijsten door personen die nu mede aangeduid worden als reizigers,
colporteurs of agenten. Op deze wijze kunnen ook duurdere boeken en seriewerken
onder een ruimer publiek verspreid worden.
LIT: Hiller; Metzler; B. van Selm. ‘Onderzoek naar
volkslectuur in de vroegmoderne tijd’, in: id. Inzichten en
vergezichten (1992), p. 62-76; P.J. Verkruijsse. ‘Oktober 1678:
Amsterdamse boekverkopers vragen om maatregelen tegen venters van
“allerhande vuyle en schandaleuze Boeckjens”; de verspreiding van
populaire literatuur’, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (hoofdred.).
Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p. 292-297; L. Kuitert.
‘Grote boeken voor de kleine man; colportage in Nederland in de
negentiende eeuw’, in: De wereld van het boek in de negentiende
eeuw, thema-nr. van De Negentiende Eeuw 20 (1996), nr. 1, p. 92-105.
[P.J. Verkruijsse]
| |
martelaarsboek of martyrologium
Overzicht in boekvorm van de vroegchristelijke martelaren met de
beschrijving van hun folteringen en marteldood. Feit en fictie zijn daarin niet
strikt gescheiden, zodat een aantal martyrologia tot de literatuur gerekend mag
worden. Dat geldt ook voor de nabloei van het genre na de reformatie wat
betreft de protestantse en doopsgezinde martelaren.
Binnen de Middelnederlandse literatuur vervult de door
Philip Utenbroeke gedichte Tweede partie
van de Spiegel historiael (ca. 1280) de rol van
martyrologium, later aangevuld door de in 1357 voltooide vertaling van
Jacobus de Voragine's Legenda
aurea (legende). Het officiële
martelaarsboek van de katholieke kerk is het Martyrologium
Romanum van
C. Baronius uit 1584. In de Nederlanden
zijn in de 16e en 17e eeuw o.a. ontstaan het doopsgezinde Offer des
Heeren (1562), het Haarlemsch martelaarsboek
(1615), het Boek der martelaren van
Hans de Ries (1615), het Groot
rechtgevoelend Christen martelaarsboek van
A. Melle (1629) en de Martelaers
spiegel der werelose christenen t'zedert Ao. 1524 van wellicht
Hans de Ries en
Jan Philipsz Schabaelje (1631).
Bewerkingen van martelaarsboeken zijn uitgegeven door
J.M.J. Hoog in De martelaren
der Hervorming (1885).
LIT: Best; Buddingh'; Laan; LdMA; MEW; F. vander Haeghen.
Bibliographie des martyrologes protestants néerlandais (1890).
[P.J. Verkruijsse]
| |
martyrologium zie
martelaarsboek
| |
marxistische literatuurtheorie zie
materialistische literatuurtheorie
| |
massaliteratuur zie
triviaalliteratuur
| | | |
materialistische literatuurtheorie of marxistische
literatuurtheorie
Benaderingswijze binnen de
literatuursociologie. De term
materialistische literatuurtheorie verdient de voorkeur boven marxistische
literatuurtheorie omdat
Marx zelf nooit een samenhangende
theorie over literatuur heeft uitgewerkt en men het marxistische vrijwel
uitsluitend baseert op Marx' uitspraken over de verhouding tussen
‘basis’ en ‘bovenbouw’, waarbij het primaat bij de
basis (de materiële omstandigheden) gelegd wordt. Materialistisch is de
theorie omdat ze voor literaire verschijnselen naar materiële oorzaken
zoekt. Uitgangspunt is dat het menselijk denken te beschouwen is als een
product van het economisch en maatschappelijk bepaalde individu. Het literaire
werk wordt beschouwd als een product van menselijke arbeid, voortgebracht onder
omstandigheden die door de productiewijzen wordt bepaald. De kunstenaar zet
materiaal uit de werkelijkheid om in een esthetische constructie en geeft daar
een bepaalde betekenis aan. Het kunstwerk is geen directe weerspiegeling van de
werkelijkheid, maar een weerspiegeling van de voorstelling die de kunstenaar
van die werkelijkheid heeft. In die zin is kunst ideologisch bepaald. Bij de
marxistische theoretici gaat het er in hun literatuurbeschouwing om het zgn.
‘vals bewustzijn’ in de literatuur te onderscheiden van het
‘kritisch bewustzijn’ van de auteur, d.w.z. van zijn vermogen te
abstraheren van de voorwaarden waaronder hij zijn werk produceert, en om zijn
kritische reactie op die voorwaarden. Materialistische literatuurtheorie is
niet objectief, maar bewust partijdig, omdat het in het marxisme niet alleen
gaat om de interpretatie van de werkelijkheid, maar vooral om de verandering
van die werkelijkheid; interpretatie heeft eigenlijk alleen zin wanneer daar
verandering mee wordt nagestreefd.
Het zal duidelijk zijn dat binnen deze theorie het ideologiebegrip
een centrale rol speelt, omdat het immers gaat om de dialectische verhouding
tussen de productiekrachten en de ideologische voorwaarden die de literatuur
blijken te beheersen. Daarbij laten zich globaal twee opvattingen
onderscheiden: 1. Het literaire werk geeft de neerslag van een bepaalde
ideologie die het noodzakelijk product is van een historische fase van de
maatschappelijke ontwikkeling. De literatuurwetenschapper dient die ideologie
aan te wijzen evenals de grondslagen waarop ze berust (
Lukács,
Goldmann e.a.). Sommigen spreken van het
‘ontmaskeren’ van de ideologie. 2. Daartegenover staat de opvatting
dat het literaire werk de uitdrukking is van een nieuwe ideologie (
Brecht e.a.) of dat het een vorm van
kritiek op bestaande ideologieën behoort te zijn (
Adorno e.a.).
Een goed voorbeeld van een kunst- en literatuurgeschiedschrijving
waarin gepoogd is de cultuur te zien als uitdrukkingsvorm van ideeën die
het noodzakelijke product zijn van historische fasen van maatschappelijke
ontwikkelingen vormt A. Hausers Sozialgeschichte der Kunst und
Literatur, in het Nederlands vertaald onder de titel Van grotschildering
tot filmbeeld. De geschiedenis van kunst en literatuur als maatschappelijke
verschijnselen (1957; SUN-reprint 13, onder de titel Sociale
geschiedenis van de kunst, 1975).
LIT: Abrams; Best; Fowler; Gorp; Krywalski; Preminger; F. Raddatz.
Marxismus und Literatur (3 dln, 1969); M.L. Gansberg. Methodenkritik
der Germanistik (1970); J.F. Vogelaar. ‘Topografie van een
materialistische literatuurtheorie’, in: Raster 4 (1970), 3, p.
338-373; J.F. Vogelaar (red). Kunst als kritiek. Voorbeelden van een
materialistische kunstopvatting (1972); M. van Buuren. Filosofie van de
algemene literatuurwetenschap (1988), p. 62-72. [G.J. van Bork]
| | | | | |
materiële analyse
Met deze term, ontleend aan de Duitse literatuurwetenschap, wordt
de
analyse aangeduid van die tekstelementen die
als empirisch beschrijfbaar worden beschouwd. In die opvatting staat
materiële analyse dan vaak tegenover
interpretatie enerzijds en receptieonderzoek
(receptie esthetica) anderzijds. In het algemeen is men
van mening dat het grafische en het klankniveau empirisch beschrijfbaar zijn.
Sommigen menen dat dit ook geldt voor het syntactische niveau en zelfs voor het
semantische niveau. Het object van deze analyse is het
artefact, de tekst in zijn materiële
(zintuiglijk waarneembare) aspecten, als zodanig duidelijk onderscheiden van
het
esthetisch object (het kunstwerk zoals het
beleefd wordt door de recipiënten).
De overgang van materiële analyse naar interpretatie ligt
daar waar de onderzoeker de uitkomsten van zijn analyse gebruikt voor het doen
van plausibele voorstellen over de betekenis van de tekst in ruimere zin,
d.w.z. inclusief de functies van de beschreven vormen (eigenschappen en
relaties).
LIT: N. Groeben. Rezeptionsforschung als empirische
Literaturwissenschaft (1977), p. 36; L.H. Mosheuvel. Een roosvenster
(1980), p. 13 vv.; J.J. Oversteegen. Beperkingen (1982), p. 179-195.
[G.J. Vis]
| | | |
matière de Bretagne
Verzamelnaam voor de van oorsprong Keltische (middeleeuwse)
verhaalstof (stof) afkomstig uitGroot- en
Klein-Brittannië, bij uitbreiding ook uit
Ierland. De matière de Bretagne vindt men
verwerkt in de zgn.
Brits-Keltische literatuur: de
Tristan-roman van Thomas en Béroul, de
Lais van Marie de France, de
Arturromans in verzen van
Chrétien de Troyes en diens
navolgers en de grote cyclische
prozaromans zoals de Lancelot en
prose.
De matière de Bretagne is ook verwerkt in Middelnederlandse
vertalingen en bewerkingen van Oudfranse teksten, bijv. Lanceloet en
het hert met de witte voet.
Typisch voor de matière de Bretagne is het sprookjesachtige
en het wonderbaarlijke, het bestaan van een
Andere Wereld, feeën, witte
wonderdieren enz.
LIT: Best; L. Jongen en P. Verhuyck (red.). De achterkant van
de Ronde Tafel. De anonieme Oudfranse lais uit de 12e en 13e eeuw (1985);
K. Busby. ‘Arthur en Tristan’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse
literatuur van de middeleeuwen (1988), p. 102-120. [W. Kuiper/H.
Struik]
| |
matière de France zie
chanson de geste
| |
matière de Rome zie
klassieke roman
| |
maximalen
Groep Nederlandse dichters die met hun poëzie
vertegenwoordigd zijn in de bundel Maximaal! (1988). Deze dichters, die
zich aanvankelijk als groep manifesteerden, streefden naar een soort
poëzie waarin meer straatrumoer zou doorklinken. Ze zetten zich af tegen
de verstilde, ingekeerde en autonome poëzie van veel van hun voorgangers
(bijv.
Hans Faverey) en eisten daarentegen een
poëzie van het volle en eigentijdse leven. De belangrijkste
vertegenwoordigers van de maximalen zijn
Joost Zwagerman,
Arthur Lava en
René Stoute.
LIT: R. Schouten. ‘Nieuwe geluiden en andere ouwe
koek’, in: Maatstaf 39 (1991) 8/9, p. 13-20; J. Zwagerman.
‘Maximale jaren’, in: K. Hageraats e.a. (red.). Feest in de
letteren, spec. nr. van Bzzlletin 22 (1992-1993) 200, p. 102-120.
[G.J. van Bork]
| |
maxime
Stelling of kernachtige spreuk die van algemene geldigheid wordt
geacht voor het leven. Maximen komen voor in de vorm van spreuken die anoniem
zijn, bijv. volkswijsheden, maar ook in de vorm van stellingen of
aforismen die als grondbeginselen of
levensregels opgevat kunnen worden. Samen met het
spreekwoord, de spreuk of het
gezegde en de
sententia behoort de maxime tot de zgn.
gnomische vormen.
In de letterkunde kwam het genre in zwang onder invloed van
La Rochefoucaulds
Réflections ou sentences et maximes morales
(1665). Andere auteurs van maximen zijn
Vauvenargues (Sentences et
maximes, 1747) en
Goethe (Maximen und
Reflexionen, 1804). Een aardig voorbeeld van een maxime is
Greshoffs ‘Het geluk gaat in de droom op en in de rede onder’ (
VW, Grensgebied, 1950, p. 10).
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Metzler;
MEW; Scott; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
mecenaat
Aanduiding voor de bescherming en financiële begunstiging van
kunsten en wetenschappen. Het begrip is afgeleid van de Romeinse patriciër
Maecenas (65-8 v.Chr.) die de mecenas
was van onder andere
Horatius en
Vergilius.
De meeste middeleeuwse auteurs die werken van grote omvang
schreven, werkten in opdracht van een mecenas, die een vergoeding over had voor
hun werk en hun de financiële middelen verschafte om de
schrijfbenodigdheden (perkament was kostbaar) te betalen. De Hollandse graven
hebben in twee verschillende perioden de literatuur aan het hof bevorderd en
beïnvloed.
Jacob van Maerlant (
Alexanders geesten, Historie van
Troyen, Heimelijkheid der Heimelijkheden,
Der naturen bloeme, Spieghel
historiael) en
Melis Stoke (Rijmkroniek van
Holland) schreven hun werk voor de kringen rond het hof van graaf
Floris V (1256-1296),
Dirc van Delft (Tafel vanden
kersten ghelove) en
Dirc Potter (Der minnen
loep, Blome der doechden) voor het hof van
Albrecht van Beieren (1389-1404) en Willem
VI (1404-1417). Het was echter niet zo dat de Hollandse graven aan hun
hofauteurs hun wil oplegden of door middel van de literatuur een bewust beleid
wilden voeren. Volgens
Van Oostrom kan er dan ook gesproken
worden van ‘een mecenaat op zekere afstand’ en is het misschien
beter om van
patronage te spreken.
De mecenas werd door de auteur vaak genoemd en bedankt in een
opdracht, gewoonlijk in de
proloog van zijn werk:
Grave Florens, coninc Willems sone,
Ontfaet dit werc! Ghi waert de ghone,
Ghenoughet u, wildijt ontfaen
1
Danckelike, so bem ics vro,
Ende ic houts mi gepayt also.
2
God geve u leven sonder blame!
(
Jacob van Maerlant, Spiegel
historiael, partie I, boek 1, vs. 93-99 (ed.
M. de Vries &
E. Verwijs, dl. 1 (1863), p. 16).
Het particuliere boekenmecenaat van na de Middeleeuwen laat zich
slechts reconstrueren uit de opdrachten uit het
voorwerk, maar hoeveel geld en/of geschenken
daarmee gemoeid zijn, is nauwelijks te traceren. Van het overheidsmecenaat is
een duidelijker beeld te krijgen uit de archivalia van de Staten-Generaal, de
gewestelijke Staten en de steden. Het verwerven van financiële bijdragen
door auteurs en uitgevers is vaak alleen mogelijk als de desbetreffende
instantie zijn goedkeuring aan de inhoud van het werk heeft gehecht (privilege of
approbatur).
Mecenaat houdt vaak een professionalisering van de kunst in. Dat
dat ook voor de Nederlandse renaissanceliteratuur geldt, blijkt bijvoorbeeld
uit de volgende notariële akte van 25 augustus 1622, waarin een aantal
‘liefhebbers vande Nederduijtsche Poësij’
J.J. Starter inAmsterdam
tracht te houden. Ieder stort een bijdrage van twee pond bij de
penningmeester,
uut wiens handen Starter voorsz. weecklicks sal trecken de somma
van twaelef karolus guldens. Voor welke contributie hij gehouden sal syn ons
volkomen acces tot alles wat hij maeckt, ofte gemaeckt heeft, te geven, wat wij
van sijn liedekens ofte gedichten begeeren uijt geschreven te hebben, dat hij
ons dat voor 3 stuivers de zijde gehouden sal sijn te schrijven, so wij ijets
van hem willen gemaeckt hebben, dat hij ons voor een ander tot een billike
prijse sal voorthelpen; namelijck elck liedtje voor twee guldens, elck
Bruydlofts gedicht voor ses guldens ende andere rijmerijen naer advenant. Ende
dat Hij, geduijrende onse contributie, syn vaste woonplaets tot Amsterdam sal
houden.
In later tijd treden allerlei stichtingen en fondsen als mecenas
op, terwijl ook de vele
literaire prijzen bijdragen aan de inkomsten
van auteurs.
LIT: Best; Cuddon; LdMA; Scott; Wilpert; J. Bumke. Mäzene
im Mittelalter. Die Gönner und Auftraggeber der höfischen Literatur
in Deutschland 1150-1300 (1979); F.P. van Oostrom. ‘Maecenaat en
Middelnederlandse letterkunde’, in: J.D. Janssens (red.). Hoofsheid en
devotie in de middeleeuwse maatschappij. De Nederlanden van de 12e tot de 15e
eeuw (1982), p. 21-40; J.J.V.M. de Vet. ‘Maecenaat in de
pruikentijd’, in: Handelingen van het 38e Nederlands Filologencongres
1984 (1985), p. 149-175; F.P. van Oostrom. Het woord van eer. Literatuur
aan het Hollandse hof omstreeks 1400 (1987); P.J. Verkruijsse. ‘Het
boekenmecenaat in de zeventiende eeuw’, in: Cultuur en economie,
thema-nr. De Zeventiende Eeuw 6 (1990), p. 137-143; C.B. Smithuijsen
(red.). De hulpbehoevende mecenas; particulier initiatief, overheid en
cultuur, 1940-1990 (1990); J. Verheul & J. Dankers. Tot stand
gekomen met steun van... Vijftig jaar Prins Bernhard Fonds, 1940-1990
(1990); M. Spies. ‘Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e
eeuw’, in: Kunst in opdracht in de Gouden Eeuw, thema-nr. van
Holland 23 (1991), p. 210-224; P.J. Verkruijsse. ‘Holland
“gedediceerd”; boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw’, in:
Kunst in opdracht in de Gouden Eeuw, thema-nr. van Holland 23
(1991), p. 225-242; Fondsenboek, samengest. voor Stichting Nederlands
Informatiecentrum Fondsen (1991); F. van Oostrom. Maerlants wereld
(1996). [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
medeklinkerrijm, acconsonantie, acconsonerend rijm
of consonantie-2
Bij dit verschijnsel uit de prosodie beperkt het
rijm zich tot de medeklinkers van woorden,
bijv.
Het houdt zijn adem in. Het witte zand
Stuift over mijn verdwenen stap. De wind
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 428).
Sommigen hanteren deze term als synoniem van
alliteratie. Een speciale vorm ervan is het
beginrijm.
LIT: Baldick; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Dupriez-1;
Dupriez-2; Morier; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]
| |
mediis in rebus zie
in medias res
| |
meerlingband
Term uit de boekbinderij voor een
boekband waarin verschillende werken (convoluut), soms zelfs van variërend bibliografisch
formaat, op een zodanige wijze zijn gebonden
dat het mogelijk is de band van verschillende zijden te openen.
De enig bekende goed geconserveerde Nederlandse meerlingband
dateert van ongeveer 1600 (UB-Amsterdam) en bevat zeven religieuze boekjes
(twee in-4 en vijf in-8), uitgegeven teAmsterdam,
Dordrecht, Leiden enRotterdam tussen
1588 en 1596.
LIT: Theatrum orbis librorum. Boeken, handschriften, kaarten en
prenten uit Nederlands openbaar bezit, tentoongesteld [in de UB Amsterdam]
t.g.v. de zeventigste verjaardag van de Amsterdamse antiquaar Nico Israel
(1989), nr. 43-44; J.C. D[enninger]. ‘Het raadsel
“meerlingband”’, in: Vouwbeen 1 (1990), nr. 2, p.
9-14. [P.J. Verkruijsse]
| |
meervoudig perspectief
Vertelvorm waarin het
perspectief ligt bij meer dan
één personage dat als verteller optreedt, zodat we nu eens de
gebeurtenissen volgen vanuit het gezichtspunt van de één, dan
weer vanuit dat van de ander. Er zijn globaal twee mogelijkheden: er is sprake
van een
personale vertelwijze en de lezer volgt de
gebeurtenissen volgens de visie van verschillende personages die in de derde
persoon worden gepresenteerd, of er is sprake van meer dan één
ik-verteller (ik-vertelwijze). Een voorbeeld van het
eerste type vormt de roman Omtrent Deedee (1963) van
Hugo Claus, waarin verschillende
personages de figuur Deedee belichten, maar waarin deze zelf niet aan het woord
komt. Een voorbeeld van het tweede type is de roman
Menuet (1955) van
L.P. Boon, waarin de personages in de
ik-vorm overlappend vertellen over dezelfde gebeurtenissen. Een soortgelijke
situatie doet zich voor in de
briefroman, waarin echter steeds een zeker
tijdsverloop zit ten aanzien van de vertelde gebeurtenissen. In deze
voorbeelden gaat het om een volgehouden procédé dat de gehele
roman structureert. Maar ook binnen één roman kan men delen
aantreffen die meervoudig verteld zijn, zodat uit verschillende visies op
eenzelfde situatie een vorm van
ironie kan ontstaan. Een voorbeeld van een
analyse van een roman met een meervoudig perspectief biedt
H. Postma-Nelemans' Het
perspectief in ‘Menuet’ (1974).
LIT: Anbeek/Fontijn; Boven/Dorleijn; Herman/Vervaeck; V. Neuhaus.
Typen multiperspektivischen Erzählens (1971). [G.J. van Bork]
| |
meilied
Oorspronkelijk lied waarin de vreugde om het herleven van de
natuur en de wederopbloei van de liefde na de winterperiode bezongen wordt,
bijv.
Den lustelijcken Mey is nu in den tijt
In't lievelijc aenscouwen, ghi die Venus dienaers zijt,
men mach u niet versaden.
so menich cleyn voghelken ruyt,
sijnen sanck is soet om hooren.
Dies willen wi vruecht orbooren
(Het antwerps liedboek, ed.
Vellekoop e.a., 2 dln, 1975, dl. 1, p.
28-29, dl. 2, p. 16-17).
Later ook
liefdeslied dat gezongen werd bij het
planten van de meiboom voor het huis van de geliefde. In het geestelijk lied
wordt het mei-thema (de meiboom wordt vergeleken met het kruis) soms verbonden
met de Mariaverering (contrafact).
Uit de Middeleeuwen zijn tal van meiliederen overgeleverd, bijv.
‘Het viel een hemels douwe’ of ‘Och lichdi nu en
slaept’ (
V.E. van Vriesland. Spiegel
van de Nederlandse poëzie 1100-1900, 19634, p.
20-23). De rederijkers organiseerden speciale meifeesten waar meiliederen
werden gezongen, bijv. het ‘Nieuw mey-lied’ van
Pieter Jansz. Helleman (1585). Maar ook
later duikt het mei-thema herhaaldelijk op in de Nederlandse poëzie, o.a.
in het bekende ‘Mayschen morgen-stondt; geestelijck
meditatie-liedt’ van
D.R. Camphuysen (
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17de en 18de eeuw, 1986, p. 167-170), in de
‘Zeeusche mey-clacht ofte schyn-kycker’ van
Adriaen vande Venne (1623; in
Zeeusche nachtegael, ed.
P.J. Meertens en
P.J. Verkruijsse, 1982, p. 91-104) of in
Herman Gorters Mei
(1889).
LIT: Buddingh'; Laan; MEW; Morier; G. Kalff. Het lied in de
Middeleeuwen (1884, reprint 1972); J.J. Mak. Uyt ionsten versaemt
(1957), p. 28-33; F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden. De Delftse
rederijkers ‘Wy rapen gheneucht’ (1982), p. 98-101. [P.J.
Verkruijsse]
| |
meisjesboek
Boek dat bestemd is voor meisjes van de leeftijdscategorie tussen
6 en 16 jaar en daarom behoort tot de
kinder- en jeugdliteratuur. Bekende
schrijfsters van meisjesboeken zijn:
Nienke van Hichtum,
Top Naeff,
Leni Saris en
Cissy van Marxveldt met haar bekende
Joop ter Heul-reeks.
LIT: D.L. Daalder. Wormcruyt met suycker
(19762); J. Riemens-Reurslag. Het jeugdboek in de loop der
eeuwen (1977); H. Bekkering e.a. (red.). De hele Bibelebontse berg
(1990, p. 409-424. [G.J. van Bork]
| |
meispel
Toneelspel dat speelt in de meimaand en dat gegeven uitbuit door
de ontluikende natuur te thematiseren, vaak in verband met een opbloeiende
liefde. Een voorbeeld van zo'n meispel is het Mey Spel van Cloris en
Philida (1631) van
Jan Hermansz Krul dat tevens elementen
heeft van het
herdersspel.
In het Hulthemse handschrift is Een liedekijn vanden
hoede overgeleverd dat bestaat uit een gespeelde dialoog tussen een
meisje en haar minnaar en dat men een meizangspel zou kunnen noemen. De
Haarlemse rederijkerskamer Trou moet blijcken had een meispel op het repertoire
onder de titel Een spel van die Meij (ed.
Hüsken e.a. Trou moet blijcken.
Bronnenuitgave [...], 1996, p. 50v-61v).
LIT: Laan. [G.J. van Bork]
| |
melodisch accent
Term uit de prosodie en de auditieve of perceptieve fonetiek voor
prominentie van bepaalde syllaben (accent) die
gekenmerkt wordt door de toonhoogte. Men noemt vaak het Chinees als voorbeeld
van een taal met primair melodisch accent. Maar ook in het Nederlands speelt
het een rol. Onderzoekers zijn zelfs van mening dat de vroegere - in de eerste
helft van de 20e eeuw overheersende - opvatting dat het Nederlands voornamelijk
wordt gekenmerkt door
dynamisch accent (sterkte, volume), herzien
moet worden. Men gaat er nu vanuit dat het veelal het melodisch accent is dat
taalgebruikers van het Nederlands doet zeggen dat een syllabe beklemtoond
is.
LIT: Buddingh'; Marouzeau; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert;
G.E. Booij. Lexicon van de taalwetenschap (19802). [G.J.
Vis]
| |
melodrama
Oorspronkelijk een dramavorm waarin ernaar gestreefd werd drama en
muziek zodanig met elkaar te verweven dat ze elkaar ondersteunden. Er is een
nauwe verwantschap tussen melodrama en
opera, maar bij het eerste genre ligt het
accent toch vooral op het dramatische. Melodrama kan dan ook gedefinieerd
worden als toneel waarin het gesproken woord wordt ondersteund door muziek, of
gevoelens vooral door muziek worden uitgedrukt. Zo geformuleerd is
J.J. Rousseau's
Pygmalion (voor het eerst opgevoerd in 1770) het eerste
melodrama. Rousseau's stuk werd nagevolgd door
Georg Benda (Ariadne auf
Naxos, 1774) en
Florian (Héro et
Léandre, 1785). Vooral in de Parijse boulevardtheaters werd
melodrama enorm populair aan het eind van de 18e eeuw, mede door toedoen van
Guilbert de Pixerécourt (1773-1844;
schrijver van 63 melodrama's), die het genre voor de gehele 19e eeuw
beïnvloedde. Een andere invloed vormde de
gothic novel (vgl.
G.M. Lewis' The castle
spectre, 1798). Het melodrama kwam daardoor in de sfeer van de
zwart-wit-tegenstellingen: de personages zijn of extreem deugdzaam of
uitzonderlijk slecht. Daarin ligt ook de oorsprong van de latere negatieve
waardering voor het genre. Niet alleen verdwijnt geleidelijk de muziek uit het
melodrama, het genre valt steeds meer ten prooi aan pathetiek, tranenrijkdom,
quasi-hartstochtelijkheid en extravagantie. Men spreekt bij dergelijke
overpathetische stukken dan ook van een ‘draak’. Toch zijn die
negatieve aspecten niet inherent aan het melodrama.
G.B. Shaws The devils
disciple (1897) en
Sartre's Crime
passionel (1948) kunnen bijv. gelden als een intellectualistische
variant op het genre.
Het principe van het melodrama werd in de 20e eeuw overgenomen
door de film, waarin de emoties voor een belangrijk deel door de filmmuziek
worden ondersteund en soms zelfs opgeroepen.
In Nederland werden in de 19e eeuw tal van
melodrama's in vertaling uit het Frans en Duits opgevoerd, bijv. De
gebochelde, De kinderroofster, De
wees van Lowood, De negerhut, De
twee wezen en De voddenraper van Parijs.
Oorspronkelijk Nederlands is bijv.
M. Westermans Het ontzet der
stad Leiden (1809), dat nog door muziek werd begeleid.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; James L. Smith. Melodrama
(1973). [G.J. van Bork]
| |
melopoeia
Eén van de drie niveaus waarop een tekst kan worden
beleefd, nl. het muzikale niveau. Het gaat hierbij om de suggestie die het
klankniveau bij de lezer oproept. Een goed voorbeeld van de werking van de
melopoeia geeft
Nijhoffs gedicht ‘Het lied der
dwaze bijen’ (VW, dl. 1, 1982, p. 200-201), waarin de klank het
gezoem der bijen suggereert. De andere twee niveaus betreffen de verstandelijke
laag (logopoeia) en de visuele (fanopoeia).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Scott; Shipley;
Wilpert; E. Pound. ABC of reading (1934). [G.J. van Bork]
| |
membra disiecta
Letterlijk: ‘verstrooide brokstukken’. Term uit de
codicologie voor her en der verspreide fragmenten van handschriften (codex). Behalve losse bladen die na de Middeleeuwen als omslag
dienst deden (Aiol, Leiden UB, hs. BPL 1049) betreft het
vaak ook tot stroken versneden bladen die als
hartstrookje (Karel ende
Elegast, Gent UB hs. 896-a) of als versteviging van de
boekband gebruikt werden (maculatuur). Met name de Karelepiek is in membra disiecta
overgeleverd.
De codicoloog kan aan de hand van eigennamen trachten de tekst te
identificeren; hij kan op basis van vergelijking van schrift, taal en lay-out
het fragment proberen te relateren aan andere membra disiecta en aldus het boek
reconstrueren waarvan ze oorspronkelijk deel uitmaakten.
Een voorbeeld van dergelijk onderzoek is:
J.A.A.M. Biemans,
‘Middelnederlandse fragmenten in de Stadsbibliotheek van Trier’,
in: TNTL 100 (1984), p. 129-150, 191-200, waarin wordt aangetoond dat
zich membra disiecta van de Spiegel historiael in
bibliotheken te Frankfurt am Main,
Chicago,Berlijn, Rotterdam,
Trier en Göttingenbevinden, die behoord hebben
tot één en dezelfde codex.
LIT: W. de Vreese. ‘De verstrooiing onzer handschriften en
oude boeken over den aardbodem (1931)’, in: id. Over handschriften en
handschriftenkunde (1962), p. 116-138; J. Deschamps. Middelnederlandse
handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19722),
p. 1-16. [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]
| |
memento mori
Topos uit de beeldende kunst en literatuur
waarin de voortdurende nabijheid van de dood verbeeld of verwoord wordt. Het
memento mori geeft uitdrukking aan het middeleeuwse wereldbeeld, waarin het
leven op aarde als slechts tijdelijk wordt beschouwd; alleen het leven na de
dood is eeuwig. Bovendien gelooft men dat de dag van het Laatste Oordeel nabij
is. De mens wordt erop gewezen geen aardse goederen en genoegens na te streven
en het begaan van zonden te vermijden; voor zondaars wachten de verschrikkingen
van de hel. In plaats daarvan moet hij zich wijden aan het nastreven van de
werkelijke christelijke deugden. Alleen zij die in hun aardse bestaan zondevrij
zijn, kunnen het Koninkrijk Gods deelachtig worden. De memento mori-gedachte
wordt o.m. uitgedragen in de
dodendans.
LIT: MEW; W. Kaiser. ‘Das Memento Mori. Ein Beitrag
zum sozialgeschichtlichen Verständnis der Gleichheitsforderung’, in:
Euphorion 68 (1974), p. 337-370; G.S. Williams. The vision of death.
A study of the ‘Memento Mori' expressions in some Latin, German and
French didactic texts of the 11th and 12th centuries (1976). [H.
Struik]
| |
memoires of gedenkschriften-1
Vorm van
bekentenisliteratuur waarin een auteur
terugblikt op (een deel van) zijn leven en dat beschrijft, samen met zijn
gevoelens en zijn oordelen daarover.
Autobiografie en
dagboek behoren eveneens tot de
bekentenisliteratuur, maar terwijl de autobiografie vooral op de auteur zelf
gericht is en het dagboek van dag tot dag vermeldt wat de auteur beleefd heeft,
kunnen memoires vooral gericht zijn op bepaalde gebeurtenissen waarvan hij
getuige geweest is, maar waarbij ook anderen dan de auteur zelf centraal
gestaan hebben. Een voorbeeld van de memoires in de hier bedoelde zin zijn
Annie Salomons' Herinneringen
uit de oude tijd over schrijvers die ik persoonlijk heb gekend
(1957). Andere voorbeelden zijn de Gedenkschriften (1924)
van
Lodewijk van Deyssel, Het vuur
brandde voort (1949, 19792) van
H. Roland Holst-van der Schalk en
Omzien in verwondering (2 dln., 1979) van
A. Romein-Verschoor. Het genre is door
verschillende auteurs ook als
fictie beoefend, o.m. door
Godfried Bomans in Memoires of
gedenkschriften van Mr. Pieter Bas (1937) en door
L.P. Boon in de Memoires van de
heer Daegeman (1975). Memoires behoren tot de
egodocumenten.
Veel memoires worden gepubliceerd in de reeks Privé-domein,
uitgegeven door De Arbeiderspers te Amsterdam.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; I. Schöffer. ‘Recente Nederlandse memoires’,
in: Tijdschr. voor Geschiedenis 83 (1970), p. 262-283. [G.J. van
Bork]
| |
memoria
Een van de taken van de redenaar (officia
oratoris) is de memoria, het uit het hoofd leren van de rede, waarbij de
mnemotechniek kon helpen. Het memoriseren
speelde ook een grote rol op de Latijnse School waar de leerling zich door
voortdurende
repetitio en
exercitatio een rijke voorraad aan
onderwerpen en wendingen (copia rerum en
copia verborum) moest eigenmaken.
Zo zegt
Constantijn Huygens in zijn
autobiografie:
Welnu, omdat men ons in een verder stadium moest wijzen op tropen
en figuren, waren er, zoals ik al zei, woorden nodig, waarmee de dingen konden
worden aangeduid die wij voor de leraar uit het hoofd moesten kunnen opzeggen.
(Constantijn Huygens. Mijn jeugd, ed.
C.L. Heesakkers1987, p. 43).
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
memoriaal
Dagboek waarin in chronologische volgorde
lopende zaken opgetekend worden. Als term uit de archivistiek is het een
dagboek waarin men de handelingen en voorvallen boekt die veranderingen
veroorzaken in de grootte van het vermogen en die niet in een ander dagboek
worden opgetekend.
Een wat bijzonder voorbeeld van een memoriaal in de eerste
betekenis is het Memoriaal van Bredero, documentaire van een
dichterleven, samengesteld door
Garmt Stuiveling (1970), dat chronologisch
alle bekende feiten met betrekking tot het leven van Bredero geeft.
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
mengelpoëzie
Aanduiding voor dichtwerken, bundels of delen daarvan, die een
gemengde inhoud hebben. Zo bevatte
Willem Bilderdijks
Mengelpoëzy (1799) naast vertalingen van
Ossian ook romancen,
gelegenheidsgedichten, anacreontische poëzie e.a. De term is in de 20e
eeuw in onbruik geraakt.
LIT: Buddingh'; Laan. [G.J. Vis]
| |
mesostichon
Soort
acrostichon waarbij de letters die een naam
vormen in het midden van de versregel staan, en niet aan het begin of aan het
slot (telestichon), zoals bijv. aan het einde van
Anthonis de Rooveres Van pays
en oorloghe:
O Heere der heren, Raemt doch hier raet toe,
ende toont Ontfermenisse in dese landouwe,
soo dat Ons orloghe niet meer quaet doe,
maer dat paeys Volghe, ghy weet den staet hoe,
't herte dies Es lijdende rouwe.
Gi zijt die Riviere, vol alder trouwe,
dies bidd'ick Eerweerdighe Heere crachtich.,
Een contaminatie van een mesostichon en een telestichon bevindt
zich in de epiloog van Reinaerts historie (ed.
De Keyser, 1938), waarin
Claes van Aken, de kopiist van het
handschrift, zijn naam op vernuftige wijze verwerkt heeft.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; Wilpert. [W.
Kuiper/H. Struik].
| |
metafoor
Vorm van beeldspraak behorend tot de
metaforiek. De metafoor in ruimere zin is
een
vergelijking-met-als (soms met verzwijging
van ‘als’), zoals in:
(
G. Gezelle. Laatste
verzen, 1936, p. 143).
Hierbij kan men tussen ‘ben’ en ‘een’ het
woord ‘als’ denken.
De metafoor in engere zin geeft het beeld zonder het verbeelde
(impliciete metafoor), zoals in:
(
P. van Ostaijen. VW,
Poëzie, dl. 1, 1979, p. 102).
Hier staat het woord ‘blaren’ figuurlijk voor iets als
‘tekens’ of ‘overblijfselen’. Vooral de 20e-eeuwse
poëzie bevat veel voorbeelden van metaforen in engere zin.
Soms behandelt men de metafoor als onderdeel van de
troop.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp;
Herman/Vervaeck; Laan; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; G.N. Leech. A
linguistic guide to English poetry (1969); W.A. Shibles. Metaphor: an
annotated bibliography and history (1971); J.J.A. Mooij. A study of
metaphor (1976); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 238-241; J. von der
Thüsen. ‘Metafoor’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 105-111. [G.J. Vis]
| |
metaforiek
Aanduiding voor een van de twee vormen van
beeldspraak. Anders dan de
metonymie berust de metaforiek op
overeenkomst tussen het beeld en het verbeelde. Zo gebruikt men het woord
‘lente’ als beeld voor de ‘jeugd’. Tussen beeld en
verbeelde bestaat een punt van vergelijking, het zogenaamde punctum
comparationis, in dit geval het begin van een ontwikkeling in de levende
natuur. Men onderscheidt hierbij de
metafoor in engere zin en die in ruimere
zin. Bekende vormen van metaforische beeldspraak zijn, behalve de metafoor, de
allegorie en de
personificatie. Het verschil met de
metonymie bestaat hierin dat deze laatste berust op
contigu verband.
LIT: Boven/Dorleijn; Gorp; J. van Luxemburg e.a. Over
literatuur (1996), p. 99-106. [G.J. Vis]
| |
metanoia
Vorm van de
correctio bestaande uit het plotseling
terugnemen dan wel het verzachten van datgene wat gezegd is. Men vindt beide
elementen in de volgende passage:
Hij aarzelt - neen, hij aarzelt niet, -
Ten minste niet heel lang
(
P. Paaltjens. Snikken en
grimlachjes ed.
Nieuwenhuys, 1967, p. 29).
LIT: Best; Cuddon; Lausberg; Shipley. [G.J. Vis]
| |
metaplasmus
Term uit de retorica voor de in normaal taalgebruik niet
geoorloofde syntactische omzetting of wijziging van woorden ten behoeve van het
juiste metrum in poëzie of een welluidender formulering in proza. Dit kan
bereikt worden door
prothesis,
epenthesis,
paragoge,
aphaeresis,
syncope,
apocope en
diaeresis.
LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Lausberg; Marouzeau; Metzler;
Ueding; Wilpert. [W. Kuiper]
| | | |
metatesis-2 zie
Distanzstellung
| | | |
metonymia of metoniem
Vorm van
beeldspraak die ontstaat bij toepassing van
metonymie.
LIT: Boven/Dorleijn; Lausberg. [G.J. Vis]
| |
metonymie
Toepassing van die vorm van
beeldspraak die gekenmerkt wordt door het
feit dat het verbeelde wordt aangeduid met een vorm van figuurlijk taalgebruik
die berust op
contigu verband (dit in tegenstelling tot de
beeldspraak van de
metaforiek). Zo kan men de jeugd uit een
bepaalde straat aanduiden met de naam van die straat, bijv. in het zinnetje
‘De Vossiusstraat verloor van de P.C. Hooftstraat met
1-0’. In dit geval is het contigu verband van ruimtelijke aard. Maar het
kan ook van temporele aard zijn, zoals in het geval waarin men het
overlijdensjaar noemt in plaats van de gestorvene: ‘Laten we 1715
(Lodewijk XIV) niet vergeten’.
Een bekend voorbeeld van ruimtelijke metonymie is de
pars pro toto of
synecdoche, zoals in het bekende zinnetje
‘de bemanning bestond uit dertien koppen’. Causale metonymie
(bijv. maker in plaats van het product) vindt men in het zinnetje
‘gisteren is er een Rembrandtgeveild’. Andere
verwisselingsmogelijkheden op basis van contigu verband zijn het materiaal en
het voorwerp dat ervan gemaakt is (‘het leer verdween in de
touwen’), het voorwerp dat iets bevat en de inhoud ervan (‘geef me
nog een glas’), en het geheel in plaats van het deel (‘
Nederland verloor met 3-2’), de zogenaamde
totum pro parte.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Herman/Vervaeck; Lausberg; Lodewick;
Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott;
Shipley; Wilpert; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 241 v. [G.J. Vis]
| |
metriek
Term uit de prosodie voor de theorie en de praktijk van die
klankverschijnselen (klank) die behoren tot het gebied
van het
ritme, met name wanneer dit ritme metrisch
(metrum) is.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Gorp; Laan; Marouzeau; Metzler; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert;
ENSIE, dl. 2 (1947), p. 53-58; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van
de versregel (1962); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 255-257; W. Bronzwaer.
Lessen in lyriek (1993), p. 51-105. [G.J. Vis]
| |
metrisch patroon
Term uit de prosodie voor het geabstraheerde schema van het
ritmisch (ritme) verloop van een
vers-1 of een aantal bij elkaar horende
verzen. Dit schema wordt meestal benoemd met behulp van termen uit de leer van
de metra (metrum). Het patroon van een
strofe of van een
gedicht kan anders zijn dan de patronen van
de afzonderlijke samenstellende regels ervan doen vermoeden. Men zie bijv. de
tweede strofe uit het gedicht ‘Aan mijn kind’ van
M. Nijhoff, die luidt:
Hij had de beenen onder zich gekruist,
Zijn oud gelaat was van rimpeltjes vol,
Maar mond en oogen lachten. In zijn vuist
Hield hij den steel van een parasol. (VG,
19744, p. 55).
De eerste regel van deze strofe is jambisch (jambe), de tweede is
polymetrisch, namelijk jambisch-anapestisch
(anapest), de derde is overwegend jambisch, de vierde
echter overwegend dactylisch (dactylus). Gaat men, na
het
scanderen volgens de regels van de
klankanalyse, de gegevens statistisch
verwerken, dan krijgt men als schema van de gehele strofe een patroon dat
overwegend jambisch is.
LIT: A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de
versregel (1962), p. 169. [G.J. Vis]
| |
metrisch proza
Term uit de prosodie en de genreleer ter aanduiding van die soort
ritmisch (ritme)
proza die een metrisch (metrum) patroon als grondslag heeft, en die daarmee gerekend
kan worden tot het genre van het
prozagedicht. Ter illustratie zie men het
volgende fragment uit een prozatekst van
Lodewijk van Deyssel, waarvan de eerste
zin, na scansie (scanderen), jambisch (jambe) genoemd kan worden en de tweede zin
polymetrisch (afwisselend
anapest en jambe):
Gij zijt ook zoo afgrijselijk verstandig. Gij wilt niet, dat dat
de mannen langer aan tafel zitten om elkaâr de vleeschbrokken af te
grissen [...]. (Verzamelde opstellen dl. 6, 1901, p. 79).
LIT: Bronzwaer; Morier; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]
| |
metrische afwijking zie
antimetrie
| |
metrische poëzie
Term uit de prosodie voor die soort
poëzie-1 die gekenmerkt wordt door een
metrisch (metrum) patroon. Metrische poëzie komt
vaker voor dan
metrisch proza. Het treedt dikwijls op in de
vorm van
isosyllabische verzen. In de perioden van
renaissance en classicisme bestond er geen andere poëzie dan metrische.
Sinds de romantiek, en in de Nederlandse letterkunde vooral sinds de Beweging
van Tachtig (bijv. bij
Gorter), is niet alle poëzie meer
metrisch. Het
vrije vers-1 was, in het symbolisme en het
modernisme en ook in de naoorlogse dichtkunst, een aantrekkelijk alternatief.
Maar het toepassen van metrum is tot op heden niet in onbruik geraakt. Het
procédé is kennelijk geliefd, getuige het feit dat ook in de
gedichten die geschreven zijn tijdens en na de experimenten van
Vijftigers en Zestigers, menig metrisch vers
te vinden is.
LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Dupriez-1; Morier; Shipley. [G.J.
Vis]
| |
metrische variaties
Term uit de prosodie die betrekking heeft op het
metrum van een
vers-1,
strofe of
gedicht. Wanneer men
antimetrie toepast, heeft dit tot gevolg dat
men een variatie aanbrengt op een metrisch schema.
Zo is in het volgende fragment de tweede regel een metrische
variatie op de eerste:
De mantel dood is om mij heen.
De wind ontwaakt b uit en de
muur.
(
G. Achterberg. VG, 1974, p.
124).
Door de plaats en het woordaccent van ‘buiten’ krijgt
de lezer hier niet het te verwachten motief van de
jambe te horen, maar een
trochee. Een dergelijke variatie kan leiden
tot
contrapunt.
LIT: Alphen; Bronzwaer; Cuddon. [G.J. Vis]
| |
metrum, maat of versmaat
Term uit de prosodie voor een georganiseerde ritmische (ritme) eenheid die gevormd wordt door accentverloop (accent): een bepaalde afwisseling van
heffingen en
dalingen (versvoet).
De meest voorkomende voeten in het Nederlandse vers zijn de
jambe, de
anapest (beide
stijgend metrum), de
trochee, de
dactylus (beide
dalend metrum), de
spondee en de
amfibrachus. Op basis hiervan kan men
dipodieën,
tripodieën en
tetrapodieën vormen, en kunnen er ook
vaste formaties gemaakt worden, zoals de
alexandrijn, de
hexameter, de
pentameter, de
tetrameter en de
trimeter.
Door het optreden van een bepaald ritmisch patroon kan een
cadans ontstaan. Dit gebeurt met name bij
isometrische verzen. Om een goed lopend
metrisch geheel te krijgen moet de lezer soms
elisie,
contractie-1,
hiaat of
syncope realiseren. In de poëzie die
stoelt op de vormgevingsprincipes van renaissance en classicisme is deze
leeswijze bij
conventie geregeld.
Combinatie van twee of meer verschillende metra leidt tot
polymetrie. Afwijkingen van het
accentverloop binnen de toepassing van een bepaald metrum leiden tot
antimetrie. Metrum kan ondersteund worden
door
rijm (bijv.
eindrijm, of
alliteratie).
Metrum is abstract, een schema, in tegenstelling tot ritme, dat
een concrete invulling is door middel van gerealiseerde spraakklanken.
Men kan het eventuele metrum van een stuk poëzie op het spoor
komen door, met behulp van technieken van de
klankanalyse, de regel(s) te
scanderen.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Bronzwaer; Buddingh; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Hobsbaum; Laan;
Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de
versregel (1962); G.S. Fraser. Metre, rhyme and free verse (1970);
J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap
(19833), p. 255-257. [G.J. Vis]
| |
mezzotint zie
zwartekunst
| |
Middeleeuwen
Periode-aanduiding voor dat tijdvak van de Europese geschiedenis
dat doorgaans begrensd wordt door de val van het West-Romeinse rijk (476) en de
ontdekking van Amerika(1492), of, ruimer geformuleerd, de periode
tussen de Klassieke Oudheid en de
renaissance (ca. 500-1500). Anderen laten
het eindpunt van de Middeleeuwen samenvallen met de uitvinding van de
boekdrukkunst (ca. 1455).
Voor de literatuurgeschiedenis laat men de Middeleeuwen beginnen
met de vroegste teksten uit de cultuurgeschiedenis die in de volkstaal zijn
overgeleverd. Voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis zijn dat teksten in
het
Middelnederlands, al kon toen nog niet van
een eenheidstaal geproken worden. Die vroege teksten stammen uit de 12e eeuw,
maar er is ongetwijfeld een lange orale traditie (orale
literatuur) aan deze geschreven teksten voorafgegaan. Wel is er een
probatio pennae bewaard gebleven uit de 11e
eeuw (mogelijk zelfs aanzienlijk ouder), maar men laat de Nederlandstalige
middeleeuwse literatuur toch beginnen met de auteur
Hendrik van Veldeke die rond 1170 zijn
Leven van Sint Servaesdichtte.
In de literatuurgeschiedenis wordt voor de Middeleeuwen gewoonlijk
de volgende indeling gehanteerd: Vroege Middeleeuwen (ca. 1150-1300), Late
Middeleeuwen (ca. 1300-1450) en rederijkerstijd (ca. 1450-1575). De hierbij
genoemde jaartallen variëren per land. Zo begon de renaissance in
Italië aanzienlijk vroeger dan in onze streken.
Wat betreft de Middelnederlandse literatuur worden ook andere
indelingen gebruikt. Zo spreekt men o.m. van voorhoofse en
hoofse literatuur, van geestelijke en
wereldlijke literatuur, van rederijkersliteratuur (rederijkers), etc. De meeste Middelnederlandse literatuur is
anoniem en een groot deel ervan is ook niet oorspronkelijk, maar vormt een
bewerking of
vertaling van teksten uit andere
taalgebieden, zoals bij veel
ridderromans het geval is (vgl. de
Aiol of de Lancelot-cyclus). Toch zijn er wel degelijk teksten in
het Nederlandse taalgebied ontstaan. Zo veronderstelt men dat Van den
Vos Reinaerde oorspronkelijk van Vlaamse afkomst is en dat geldt
evenzeer voor de gedichten van
Hadewych en vele anderen.
Oorspronkelijkheid is overigens een eis die in de Middeleeuwen
voor literatuur niet gold. Het is zelfs de vraag of men wel van
‘literatuur’ moet spreken, want teksten werden in die tijd vanuit
allerlei doelstellingen geschreven. Het gaat in feite om verschillende typen
gebruiksteksten die een rol speelden in de educatie, in de kerk of daarbuiten
in de verbreiding van christelijke opvattingen en in het algemeen in het
beschavingsoffensief.
Het merendeel van de geschreven middeleeuwse literatuur ontstond
aanvankelijk in kloosters, met name in de scriptoria (scriptorium). Omdat het vooral geestelijken waren die het
schrijven machtig waren, werden de meeste teksten geschreven door
kloosterlingen. Naarmate de steden zich steeds sterker ontwikkelden en steeds
meer leken leerden schrijven, kwamen aan het eind van de Middeleeuwen steeds
meer teksten in omloop die door gewone burgers vervaardigd werden. Dat geldt in
het bijzonder voor de vele rederijkersteksten aan het eind van de
Middeleeuwen.
LIT: Algemeen: A. van Houtte e.a. (red.). Algemene geschiedenis
der Nederlanden. 12 dln (1949-1958); H.P.H. Jansen. Algemene
geschiedenis der middeleeuwen (1964); J. le Goff. De cultuur van
middeleeuws Europa (1987). Literatuur: W.J.A. Jonckbloet. Geschiedenis
der Nederlandsche letterkunde. Dl. 1 en 2 (1888-18894); G.
Kalff. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Dl.1 (1906); J. van
Mierlo. De letterkunde der Middeleeuwen (19492); G.
Knuvelder. Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. Dl.
1 (19572); J. te Winkel. De ontwikkelingsgang der Nederlandse
letterkunde. Dl. II (19732); H. Pleij. Het literaire leven in
de middeleeuwen (1984); H. Pleij. Nederlandse literatuur van de late
middeleeuwen (1990); D. Hogenelst en F. van Oostrom. Handgeschreven
wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen (1995); M.A.
Schenkeveld-van der Dussen (red.). Nederlandse literatuur, een
geschiedenis (19982), p. 1-164. [G.J. van Bork]
| |
Middelnederlands
De taalfase van het Nederlands die ruwweg begrensd wordt door
enerzijds het begin van de schriftelijke overlevering in de 12e eeuw (
Sint Servaeslegende van
Hendrik van Veldeke, ca. 1170) en
anderzijds het doordringen van de renaissance rond 1500.
Taalkundig markeert men de overgang van het
Oudnederlands naar het Middelnederlands wel
met de reductie van ‘gekleurde’ vocalen in zwak beklemtoonde
lettergrepen tot sjwa (bijv. Oudnederlands ‘heb ban’,
Middelnederlands ‘heb ben’), hoewel er aanwijzingen zijn dat
deze overgang al eerder heeft plaatsgevonden.
Het Middelnederlands was geen eenheidstaal, maar bestond uit
verschillende dialecten: Middelvlaams, Middelbrabants enz. Ook de
laatmiddeleeuwse Saksische dialecten vanGroningen,
Drenthe, Overijssel en Oost-Gelderland
worden in de praktijk tot het Middelnederlands gerekend. Evenmin was er een
duidelijke taalgrens tussen het Middelnederlandse en het Middelduitse
taalgebied; de verschillende dialecten binnen het continentaal Germaans
dialectcontinuüm vloeien geleidelijk in elkaar over. Aardig is in dit
verband de nog altijd durende strijd over de vraag of het oeuvre van
Hendrik van Veldeke nu tot de
Nederlandse of tot de Duitse literatuur behoort. Dit probleem is nog lang niet
opgelost, maar uit recent onderzoek is gebleken dat Veldeke bij het schrijven
van zijn Eneide de rijmwoorden zo selecteerde, dat zij zowel voor een
Hoogduits (Thürings-Hessisch) als voor een Middelnederlands (Maaslands)
publiek aanvaardbaar waren.
De overgang van Middelnederlands naar
Nieuwnederlands rond 1500 valt niet
duidelijk te markeren; veel deskundigen beschouwen de 16e eeuw als een
overgangsperiode. Het Middelnederlands is uitvoerig beschreven; als
standaardwerken kunnen worden beschouwd: het Middelnederlandsch
woordenboek (MNW) van
E. Verwijs en
J. Verdam (1885-1952) en het
Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW; voltooid in 1998); J.J. Mak.
Rhetoricael Glossarium (1959);
F.A. Stoett. Middelnederlandsche
spraakkunst, syntaxis (19233);
A. van Loey. Middelnederlandse
spraakkunst, dl. 1: Vormleer (19809) en dl. 2: Klankleer
(19767);
J. Deschamps. Middelnederlandse
handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19762);
M. Gysseling en
W. Pijnenburg. Corpus van
Middelnederlandse teksten tot en met het jaar 1300 (1977-).
LIT: Laan; LdMA; G. Schieb. Henric van Veldeken, Heinrich von
Veldeke (1965); Th. Klein. ‘Heinrich von Veldeke und die
mitteldeutschen Literatursprachen, Untersuchungen zum Veldeke-Problem’,
in: Th. Klein en C. Minis. Zwei Studien zu Veldeke und zum Straßburger
Alexander (1985), p. 1-121; M.J. van der Wal en C. van Bree. De
geschiedenis van het Nederlands (1992); J.W. de Vries, R. Willemijns en P.
Burger. Het verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands (1993). [H.
Struik]
| |
middenrijm
Term uit de prosodie voor het feit dat
rijmvrager en
rijmgever, voorkomend in verschillende
regels, niet, zoals bij
eindrijm, dienen ter afsluiting van de
regels, maar geplaatst zijn midden in de regel, bijv.
T en syn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die versmadelyck u spogen int gesicht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten.
(
J. Revius. Overysselsche
Sangen en Dichten, ed.
Smit, dl. 1, 1930, p. 222).
Het middenrijm lijkt op het
binnenrijm doordat beide niet aan het eind
van de regel optreden. Het verschil zit in de horizontale plaatsing van het
binnenrijm tegenover de verticale van het middenrijm (in twee of meer regels,
vaak op vergelijkbare plaats, zoals bij Revius in de tweede, derde en vierde
voet van de
alexandrijn).
LIT: Alphen; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Lodewick; Marouzeau; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
Miltoniaans sonnet
Term uit de genreleer voor een door
Milton in Engeland
geïntroduceerd
sonnet dat qua vorm praktisch gelijk is aan
het
Italiaanse sonnet, met dit verschil dat het
geen witregel heeft tussen
octaaf en
sextet.
LIT: Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
[G.J. Vis]
| |
mimesis
Nabootsing, weerspiegeling of weergave van de zintuigelijk
waarneembare werkelijkheid in de kunst. Het begrip mimesis wordt vaak in
verband gebracht met de termen
inventio,
fictie en
realisme-2.
Al vanaf de introductie in de Oudheid is het begrip mimesis
omstreden geweest.
Plato gaf er een normatieve inhoud aan:
het kunstwerk moet niet de empirisch waarneembare werkelijkheid uitbeelden,
maar de ‘idee’ daarachter. Niet de handelingen in het drama zijn
belangrijk, maar de geïmpliceerde deugden of ondeugden die ze uitdrukken.
In feite constateert Plato dat kunst slechts een afschaduwing geeft van de
reële wereld, die op haar beurt slechts een afschaduwing is van de
goddelijke werkelijkheid. Bij
Aristoteles is de rol van de kunst
positiever geformuleerd, ook al verwacht hij er geen fotografisch realisme van.
Aristoteles is van mening dat de kunst door nabootsing openbaring van het
universele geeft. Voor hem is kunst herschepping van het leven. In feite is
daarmee de tegenstelling gegeven die eeuwenlang de interpretatie van het begrip
mimesis beheerst heeft.
Historisch gezien heeft men beurtelings op de nabootsing of op de
creatie of inventie de nadruk gelegd. In de renaissance lag het accent op de
Aristotelische opvatting, maar daarnaast trachtte het
neoplatonisme de ideeën van
Plato en
Aristoteles te integreren: kunst als
weerspiegeling van de werkelijkheid om een hogere waarheid te tonen. En omdat
de klassieken daarin zo uitnemend geslaagd waren, lag het voor de hand hun
voorbeeld te volgen, wat leidde tot
imitatio, een begrip dat niet met mimesis
verward mag worden.
Met de opkomst van de romantiek wordt de mimesisgedachte
geleidelijk naar de achtergrond gedrongen, ten gunste van de opvatting dat het
kunstwerk een oorspronkelijke schepping is met geheel eigen wetten. De
kunstenaar bemiddelt door zijn unieke eigenschappen (genie) tussen het eindige en oneindige, tussen stof en geest.
Literatuur bootst de natuur niet na, maar schept haar eigen natuur: de dichter
als schepper, als god. Deze opvatting is duidelijk van metafysische aard en
steunt weer meer op de uitgangspunten van Plato.
Sindsdien hebben de accenten nu eens op het realisme (bijv.
naturalisme), dan weer op het ideële
(bijv. symbolisme) gelegen. Tegen de romantische kunstopvatting is vooral
binnen de marxistisch georiënteerde literatuursociologie verzet gekomen,
in het bijzonder tegen de idee van de autonomie van het kunstwerk. Opnieuw ging
de weerspiegelingstheorie een rol spelen, maar nu in het bewustzijn dat de
werkelijkheid in de kunst altijd vergezeld gaat van een al dan niet
uitgesproken ideologie.
Hoe problematisch de term mimesis is, blijkt wanneer men tracht
vast te stellen wat nu precies nabootsing of weerspiegeling inhoudt. Wat
verstaat men onder de werkelijkheid die weerspiegeld wordt? Steeds duidelijker
werd dat het mimesisbegrip sterk bepaald wordt door de literatuuropvattingen
van een bepaalde auteur of groep auteurs. Het is de auteur die uit de zichtbare
werkelijkheid kiest wat beschreven wordt en bovendien geeft hij die
werkelijkheid weer door middel van taalvormen die in feite tijdgebonden en
beperkte ‘symbolen’ zijn voor de beschreven verschijnselen.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp;
Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott;
Shipley; Wilpert; E. Auerbach. Mimesis (1946); W.J. Verdenius.
Mimesis (1949); M.H. Abrams. The mirror and the lamp (1958); J.D.
Boyd. The function of mimesis and its decline (1968); A. Bolckmans en R.
Vervliet (red.). ‘Creatio versus mimesis?’ in: Nieuw Vlaams
Tijdschrift 28 (1975), p. 693-755; P. Macherey. ‘Problemen rond het
begrip “weerspiegeling”’, in: Gebroken spiegel. Over de
realistische illusie (1981); P. Claes. Echo's echo's (1988), p.
28-37; S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus. Klassieke en
christelijke denkbeelden in de Nederlandse renaissance-literatuur (1989),
p. 40-51; S. IJsseling. Mimesis: on appearing and being (1997). [G.J.
van Bork]
| |
minderemanstonelen
Komische
entr'actes met laaggeplaatste personen,
voorkomend in de beginfase van het Nederlandse ernstige renaissancedrama (tragikomedie,
schooldrama). Voorbeelden kan men aantreffen
in
G.A. Bredero's Rodd'rick ende
Alphonsus (1616) en in de stukken van
Abraham de Koningh tussen ca. 1610 en
1619.
LIT: M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissancetoneel
(1991). [P.J. Verkruijsse]
| |
miniatuur
Benaming voor geschilderde voorstellingen in
handschriften of
incunabelen. Miniaturen werden na het
afschrijven-1 van de tekst in het
handschrift aangebracht, vaak door een specialist: de miniaturist.
Om de waarde van het boek te vergroten ging men er vanaf de 13e
eeuw toe over boeken niet alleen te verluchten (boekverluchting,
decoratie), maar ook te illustreren, een
ontwikkeling die samenhangt met het zelfstandig lezen in plaats van voorgelezen
worden. Dit is de belangrijkste reden waarom de overgeleverde Middelnederlandse
literaire teksten nauwelijks illustraties bevatten; ze waren bijna allemaal
bedoeld om uit voor te lezen.
Getijdenboeken daarentegen zijn vaak rijk
verlucht; zij waren bedoeld om gelezen te worden.
Decoratie zegt echter niet alleen veel over de waarde van het
handschrift - hoe kostbaarder de decoratie des te duurder de
codex -, maar ook over het belang van de
tekst. Binnen de decoratietechnieken zijn rangordes aan te wijzen: het
belangrijkst zijn de miniaturen, dan volgen
initialen-1, dan
lombarden en tenslotte de
rubricatie. De lezer werd op die wijze op
belangrijke tekstpassages gewezen: de aanwezigheid van een miniatuur (of een
grote initiaal) wijst op een belangrijk stuk tekst.
Een miniatuur kan een deel van een tekstkolom beslaan of een
paginagrote afbeelding zijn van een tekstpassage. Als een illustratie in de
beginletter is verwerkt, spreekt men evenwel van een gehistorieerde
initiaal.
Van miniaturen voorziene handschriften uit de Nederlanden van voor
de 15e eeuw zijn overigens zeldzaam. Bijzonder is het Haagse handschrift van
Jacob van Maerlants
Rijmbijbel, dat 72 miniaturen bevat. Een daarvan is
paginagroot, de overige hebben de breedte van een kolom. Opmerkelijk is ook dat
de miniaturist zichzelf onder de laatste miniatuur bekend maakt als Michiel van
der Borch en vermeldt dat hij het handschrift in 1332 verlucht heeft.
Ook zonder zo'n duidelijke kunstenaarssignatuur biedt de decoratie
van een handschrift veel mogelijkheden tot de datering en localisering van
middeleeuwse handschriften: de verandering van de schriftsoorten geschiedde
veel geleidelijker dan de wisselingen van de mode in de verluchting. Miniaturen
zijn vaak tot op een decennium nauwkeurig te dateren, terwijl het schrift
meestal niet nauwkeuriger dan tot op een kwart eeuw te bepalen is. Bij
bestudering van miniaturen moet ook de bijbehorende
randversiering betrokken worden; de
miniatuur en de andere decoratie moeten als een eenheid worden beschouwd.
De interpretatie van afbeeldingen behoort tot het domein van de
iconografie.
LIT: Brongers; Laan; De Vlaamse miniatuur. Het mecenaat van
Filips de Goede, 1445-1475 (tentoonstellingscatalogus, 1959); K. Weitzmann.
Illustrations in Roll and Codex. A Study of the Origin and Method of Text
Illustration (19702); F. Unterkircher. Die Buchmalerei.
Entwicklung, Technik, Eigenart (1974); J.D. Farquhar. The Manuscript as
a Book (1977); Het geïllustreerde boek in het westen van de vroege
Middeleeuwen tot heden (tentoonstellingscatalogus, 1977); R.E.O. Ekkart.
De Rijmbijbel van Jacob van Maerlant. Een in 1332 voltooid handschrift uit
het Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum (1985). [H. Struik]
| |
minnedicht zie
minnelied-1
| |
minnelied-1 of minnedicht
Genreaanduiding voor die hoofse lyriek (hoofse
literatuur) uit de 12e en 13e eeuw die de zuivere (platonische) liefde
als onderwerp heeft (fin'amors,
hoofse liefde). Volgens deze strikte
opvatting wordt het minnelied gekenmerkt door de dienst aan een geliefde, die
als een onbereikbaar ideaal wordt voorgesteld, en door de verheerlijking van
die liefdesdienst, zonder dat het verlangen van de minnaar vervuld wordt. De
verhouding tussen de man en de aanbeden vrouw vertoont karakteristieken van
feodale gezagsverhoudingen. Deze fictieve dienstverhouding tot de vrouw is
zonder hoop, want de vrouw is onbereikbaar. De minnaar wordt door de
liefdesdienst gelouterd en geadeld. De vrouw is niet zozeer een vrouw van vlees
en bloed als wel het geïdealiseerde vrouwelijke.
De term minnelied wordt echter niet alleen voor deze
‘hogere’ liefde gebruikt, maar ook voor de gedichten uit de 12e en
13e eeuw die de ‘lagere’ liefde bezingen. In deze gedichten is de
liefde niet noodzakelijk platonisch en wordt wel een lichamelijk samenzijn met
de geliefde bezongen. Dan omvat de term hetzelfde als ‘hoofse
lyriek’.
Het genre is ontstaan in de Provence, waar het door
de
troubadours werd beoefend. Waarschijnlijk is
de Romaans-Arabische literatuur die zich in Spanje verspreidde op
het onstaan ervan van invloed geweest, naast invloeden uit de middeleeuwse
Latijnse poëzie van
vaganten. Het minnelied vertoont
verschillende kenmerken, zoals een vast rijmschema, dat in de loop van de tijd
steeds dwingender werd, en het telkens optreden van een
Natureingang. Men neemt aan dat het genre
bedoeld was om gezongen te worden. Het minnelied kan onderverdeeld worden in
verschillende subgenres, zoals
alba,
aubade, planh (klaaglied), pastourelle en
virelai.
De belangrijkste vertegenwoordigers van het minnelied in de
Nederlanden waren
Hendrik van Veldeke (ca. 1140-ca. 1200)
en
hertog Jan I van Brabant
(1253-1294).
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Gorp; Krywalski; Laan; LdMA;
Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; F.P. van Oostrom.
‘Maecenaat en Middelnederlandse Letterkunde’, in: J.D. Janssens
(red.). Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse maatschappij (1982), p.
21-40; F. Willaert. ‘Over ic sac noit so roden munt van hertog Jan
I van Brabant’, in: NTg 79 (1986), p. 481-492; E. van Altena.
Daar ik tot zang word aangespoord. Occitaanse troubadours 1100-1300
(1987); C. Hogetoorn. ‘Lyrische dichtkunst’, in: R.E.V. Stuip
(red.). Franse literatuur van de middeleeuwen (1988), p. 57-84; F.
Willaert. ‘Het minnelied als danslied. Over verspreiding en functie van
een ballade-achtige dichtvorm in de middeleeuwen’, in: F.P. van Oostrom
en F. Willaert (red.). De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand
en toekomst (1989), p. 71-91; F. Willaert. ‘Minneliederen en
hofdansen in de veertiende eeuw’, in: Literatuur 9 (1992), p.
8-14. [H. Struik]
| |
minnelied-2 zie
liefdeslied
| |
minstreel
Verzamelnaam voor allen die in de middeleeuwse samenleving voor
amusement zorgen: acrobaten, dansers, zangers, berentemmers enz. De term is in
zekere zin synoniem aan begrippen als
jongleur en joculator; de jongleur had
echter de voordracht van epische werken (chanson de
geste,
epiek) op zijn programma staan, terwijl bij
de minstreel toch meer aan kortere teksten gedacht moet worden, die bovendien
vaak gezongen werden.
Al sinds de vroege Middeleeuwen golden zowel de jongleurs als
minstrelen in zekere mate als eerloos, wat samenhangt met het reizende bestaan
dat zij leidden: zij zouden zichzelf prostitueren, hun eer voor geld en
goederen verkwanselen en hun kunst aan demonen of zelfs aan de duivel danken.
In de loop van de 13e eeuw vindt een zekere sociale opwaardering plaats en valt
de groep in drie subgroepen uiteen: 1) allen die als acrobaten of
(striptease)dansers geld verdienen met hun lichaam, maskers opzetten of zich
aan toverij schuldig maken; 2) rondreizende komieken die de hoven van de
machthebbers afreizen, de aanwezigen vleien en de afwezigen bespotten; 3) allen
die muziekinstrumenten bespelen: enerzijds degenen die in kroegen schunnige
liedjes zingen, anderzijds de eigenlijke joculatores, die de heldendaden van
vorsten en de levens van heiligen bezingen, waardoor zij hun medemensen
vertroosting brengen bij angst en verdriet. Alleen deze laatsten vinden genade
in de ogen van de rooms-katholieke kerk.
Bij
Jacob van Maerlant valt van deze
opwaardering niets te bespeuren. Zijn visie op de ‘menestrele’
sluit aan bij de oude negatieve traditie wanneer hij de minstreel met de
Vlaamse gaai (Lat. ‘garullus’) vergelijkt:
Van bome te bome vliecht hi ende sprinct,
Ende criscelt meer dant sinct,
Noch gheduert in ghere stede.
2120
Wat so bi hem lijt oec mede,
Ist man, ist voghel, ist enich dier,
Bespot dit voghelkijn al hier,
Ende conterfaet alrehande luut;
Garrulus dit dinct mi vele
Bedieden some menestrele,
2135
Die altoes sijn onghestade,
Ende callende vroe ende spade
Vele boerden, vele lueghen,
Ende conterfeten dien si moeghen,
2140
Porters, vrouwen ende knapen,
Daer si scone sijn omme gheplumet;
(Der naturen bloeme, ed.
Verwijs, dl. 1, 1878, p. 244-245).
De visie van
Van Maerlant en ook die van
Jan van Boendale in Der leken
spieghel (ed.
De Vries, 1844-1847, dl. 3, boek III, cap.
XV) kan worden verklaard uit de tegenstelling die bestond tussen
vertegenwoordigers van de schriftcultuur van de clerici, die grote waarde
hechtten aan de historische waarheid zoals die in de officiële Latijnse
bronnen was vastgelegd, en de ‘menestrele’, leken zonder opleiding
tot clericus, die zich als vertegenwoordigers van de orale literatuur niet
bekommerden om de historische waarheid.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA; Metzler;
Preminger; Scott; Wilpert; J. Reynaert. ‘Literatuur in de stad?’,
in: F.P. van Oostrom en F. Willaert (red.). De studie van de
Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst (1989), p. 93-108; W.P.
Gerritsen. ‘De dichter en de leugenaars. De oudste poëtica in het
Nederlands’, in: NTg 85 (1992), p. 2-13. [H. Struik]
| |
minuskelcursief
Benaming voor het cursieve
minuskelschrift dat in de 3e eeuw n.Chr. de
oudere Romeinse majuskelcursief (capitalis cursiva)
verdringt en daarom ook wel de nieuwe Romeinse cursief genoemd wordt. De
minuskelcursief hield in sommige streken tot laat in de 8e eeuw stand en
transformeerde in een aantal boek- en
gebruiksschriften met regionale en
‘nationale’ varianten.
LIT: LdMA; J. Mallon L'histoire et ses méthodes
(1961), p. 553 e.v.; J.J. John. ‘Latin Paleography’, in: J.M.
Powell (red). Medieval Studies. An Introduction (1976), p. 12-13. [H.
Struik]
| |
minuskelschrift
Term uit de
paleografie voor een lettersoort die zich
‘tussen vier lijnen’ laat schrijven, dat wil zeggen dat minuskels
onderling in lengte verschillen omdat sommige een schacht naar beneden hebben
(bijv. g, p, q) en andere letters een schacht naar boven (bijv. b, d, k).
Daartussen zitten schachtloze letters (bijv. e, o, u). In het dagelijks
spraakgebruik noemt men een minuskel een kleine letter, in de typografie (drukkunst) zit hij in de
onderkast. Onze minuskel gaat via de
humanisten (humanistisch schrift,
littera antiqua,
romein) terug op de
Karolingische minuskel. Naast
minuskelschrift kennen we ook
majuskelschrift.
LIT: BDI; Best; Hiller; LdMA; Scott; Wilpert; J.L. van der Gouw.
Oud schrift in Nederland (19802); B. Engelhart en J.W. Klein.
50 eeuwen schrift (19882). [H. Struik]
| |
minutio
Term uit de retorica voor het met name in de juridische praktijk
(genus iudiciale) zo gunstig mogelijk voorstellen van de
daad van de aangeklaagde. Het tegenovergestelde, nl. het door de aanklager in
een kwaad daglicht stellen van de verdachte, wordt o.a. bewerkstelligd door de
amplificatio.
Minutio kan men bijv. aantreffen in
Vondels Inwydinge van 't
Stadthuis t'Amsterdam (1655; ed.
Albrecht,
De Ruyter,
Spies e.a., 1982, p. 58-61) waar hij het
voorstelt alsof het gehele verloop van de bouw zonder problemen was, terwijl in
werkelijkheid de besluitvorming niet zo vlot verlopen is.
LIT: Gorp; Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
minuut
Term uit de archivistiek voor de vastgestelde versie van een
geschrift, waarnaar het netexemplaar wordt opgemaakt. Vaak gaan aan de minuut
nog concepten vooraf. Het verschil tussen beide is, dat een
concept gewoonlijk niet en een minuut
meestal wel ondertekend is. In de archieven treft men met name in het notarieel
archief dikwijls nog naast de gebonden netexemplaren de losse minuten aan. De
doorhalingen en wijzigingen in de minuten kunnen interessante gegevens bevatten
die in de nette akten uiteraard niet meer voorkomen.
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
mirakelspel
Middeleeuws toneelstuk (geestelijk drama)
waarin de zondeval van een mens centraal staat. Meestal wordt de term
gereserveerd voor een spel dat het wonderbaarlijke leven van een heilige tot
onderwerp heeft. Vaak wordt in mirakelspelen een zondaar op miraculeuze wijze
gered door de tussenkomst van Maria (Marialegende) of
een heilige.
De termen mirakelspel en
mysteriespel worden ook wel zonder duidelijk
onderscheid gebruikt voor alle toneel waarin heiligen worden opgevoerd of
bijbelse onderwerpen aan bod komen. Het mirakelspel behandelt echter een
wonder, een mysteriespel is een geloofsgeheim, waarin het voorkomen van
wonderen niet noodzakelijk, maar wel mogelijk is.
Volgens de gangbare literatuurgeschiedenis is Mariken
van Nieumeghen (ca. 1515) een mirakelspel. De Mariken laat
zich echter moeilijk een genre-etiket opplakken: de tekst is in zijn
overgeleverde vorm niet bedoeld om gespeeld te worden en de aanwezigheid van
proza, hoofdstuktitels, houtsneden en interpunctie wijzen op een zelfleesboek.
De meest verdedigde theorie is dat de oorspronkelijke toneeltekst geheel uit
verzen bestond en dat de prozagedeelten door de drukker zijn toegevoegd om van
het toneelstuk een leesboek te maken. Het proza zou slechts herhalen wat ook in
de verzen staat of slechts overbodige, niet onmisbare zaken toevoegen. Volgens
Coigneau (1982) echter was de
Mariken oorspronkelijk een prozatekst, een
exempel of een (Maria)legende, en zijn de berijmde, gedramatiseerde gedeelten door
een rederijker ingevoegd. Het is volgens hem beter te stellen dat de verzen
proza-elementen herhalen.
Bij de
rederijkers vallen de verschillende genres,
mirakelspel en mysteriespel, evenals de
moraliteit, min of meer samen met het
spel van zinne.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA;
Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.J. Mak. De
rederijkers (1944), p. 45-78; D. Coigneau. Mariken van Nieumeghen
(1982), p. 23-49; W. Kuiper. ‘Mariken van Nieumeghen, een gerenoveerd
Maria-mirakel’, in: Spektator 15 (1985-1986), p. 249-267. [H.
Struik]
| |
misdaadroman
Roman waarin het oplossen van de vraag naar de dader van een
misdrijf, meestal een moord, door speurwerk van de politie of een
(privé)detective centraal staat. Soms ook is de dader van het misdrijf
aan de lezer vanaf het begin van de roman bekend, maar moet hij nog als zodanig
ontmaskerd worden door de detective of politieman, wat vaak een vorm van
dramatische ironie oplevert. Tot de
misdaadromans behoren de
detectiveroman of speurdersroman, de
politieroman en de
dossierroman. Om hun spanning worden
misdaadromans vaak tot de
thrillers gerekend. In Nederland bestaat
sinds 1980 een speciaal tijdschrift voor het genre: Thrillers en
detectives, een onafhankelijk tijdschrift voor misdaadliteratuur.
LIT: Best; Gorp; Lodewick; Metzler; J. Symons. Moord en
doodslag. Een geschiedenis van het misdaadverhaal (1976); M. Bronkhorst.
Moordboeken. De Nederlandse misdaadroman 1900-1984. Een bibliografie
(1984); Feit en fictie in de misdaadliteratuur
(±1650-±1850) (1985); Nederlandse misdaadliteratuur,
spec. nr. Bzzlletin 14 (1985-1986) 137. [G.J. van Bork]
| |
mise-en-abyme of spiegeltekst
Oorspronkelijk Franse literatuurtheoretische term voor een
ingebedde tekst die een spiegelend effect heeft ten aanzien van de tekst waarin
deze spiegeltekst is opgenomen. De ingebedde tekst heeft altijd een
(gedeeltelijke) gelijkenis met het omsluitende verhaal. Zo kan men de
Reinaert-verhalen in
L.P. Boons De
Kapellekensbaan (1953) opvatten als een spiegeltekst omdat ze
parallellen vertonen met de Ondine-verhalen in die roman.
Soms vervult de omsluitende tekst ten aanzien van de spiegeltekst
de rol van een
kadervertelling.
LIT: Baldick; Boven/Dorleijn; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince; L.
Dällenbach. Le récit speculaire. Essai sur la mise en abyme
(1977). [G.J. van Bork]
| | | |
mise-en-scène zie
enscenering
| |
missive
Term uit de archivistiek voor een ambtelijke
brief. In de briefwisseling van
P.C. Hooft, uitgegeven door
H.W. van Tricht (1976-1979), zijn naast
de niet-zakelijke brieven bijv. ook tal van missiven opgenomen die Hooft in
zijn functie van drost van Muiden schreef, bijv. ‘Volgens den last bij
Uwer Ed. Mogh. [= gecommitteerde Raden van de Staten van Holland] missive
vanden 6en deses op gisteren ontfangen [...]’ (dl. 1, p. 137).
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
mnemonisch schrift
Term uit de schriftgeschiedenis voor geheugenschrift, een
tekensysteem, bijv. in de vorm van inkepingen (kerfstok!), om bepaalde zaken
kwantitatief te onthouden of te merken.
LIT: Baldick; I.J. Gelb. A study in writing
(19632). [P.J. Verkruijsse]
| |
mnemotechniek
Term uit de retorica voor de technieken die de redenaar ten
dienste stonden bij het uit het hoofd leren van zijn rede (memoria). In de papierloze Klassieke Oudheid was een geoefend
geheugen van enorm belang. Het belangrijkste geschrift - naast losse
opmerkingen van
Ciceroen
Quintilianus - waarin de klassieke
geheugenkunst wordt uiteengezet is de Ad Herennium (1e
eeuw v.C.). Het artificiële geheugen wordt architectonisch opgebouwd: men
stelle zich een aantal plaatsen voor, bijvoorbeeld een huis met een reeks
kamers, waarin men al het materiaal dat men wil onthouden in een specifieke
volgorde onderbrengt. De gekozen plaatsen kunnen steeds weer opnieuw gebruikt
worden, voorzien van een andere inhoud, van andere beelden. Er zijn beelden
voor dingen (res) en voor woorden (verba). Het geheugen voor de res moet beelden maken die aan
een argument, een idee of een ding doen denken; het - veel ingewikkelder -
woordgeheugen zou beelden moeten vinden die aan elk afzonderlijk woord doen
denken.
In de Middeleeuwen stond de geheugenkunst centraal, want haar
theorie werd geformuleerd door de scholastici en haar beoefening hing samen met
de middeleeuwse beeldspraak in kunst en architectuur. In de renaissance nam
haar betekenis binnen de zuiver humanistische traditie af, maar werd ze van
enorm belang binnen de hermetische traditie (hermetische
literatuur).
LIT: Brongers; LdMA; F.A. Yates. De geheugenkunst (1988).
[P.J. Verkruijsse]
| |
mock epic zie
mock heroic
| |
mock heroic of mock epic
Komische tekst in de vorm van een burleske (pastiche), waarbij de stijl van het heldendicht (epos) wordt toegepast op een niet-verheven, respectievelijk
banaal, onderwerp. Dit gebeurt bij voorbeeld in de Wapen-stryd
tusschen Ajax en Ulisses en soortgelijke werken van
Salomon van Rusting (
Vol-Geestige Werken, 1698-1699), en in menige spottende
tekst van
Dirk Schelte (1639-1715).
De mock heroic is verwant aan de
travestie, maar de laatste heeft een
tegengesteld procédé: de ernstige inhoud wordt behouden maar de
vorm verandert. Een ander verschilpunt tussen beide is dat de mock heroic geen
parodie is, maar komische navolging van een
genre.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
Moderne Devotie of Broederschap van het gemene
leven
Laatmiddeleeuwse, in de Noordelijke Nederlanden
(IJsselstreek) ontstane spirituele beweging, die zich kenmerkte
door haar afkeer van het toenemende verval van de kerk en het verlangen daar
iets aan te doen door terug te keren naar de ‘ecclesia primitiva’,
de kerk van de eerste christenen. De opkomst van de beweging van de Moderne
Devotie was geen incidenteel gebeuren, maar moet gezien worden als de
14e-eeuwse Nederlandse variant van het gedurende de hele Middeleeuwen steeds
weer oplevende religieuze reveil (bijv. waldenzen, begijnen).
Grondlegger van de beweging is
Geert Grote (1340-1384), die vrome leken
en geestelijken opriep om op gemeenschappelijke basis te gaan leven.
Aanvankelijk hadden deze gemeenschappen geen juridische basis; men werd
gedreven door het verlangen te leven zoals is beschreven in Handelingen
2, 42-47 en 4, 32-35. Voor de praktische uitwerking van
het eensgezinde, gemeenschappelijke leven (het ‘gemene leven’ in
het
Middelnederlands), zoals die is beschreven
in deze bijbelpassages, werd steun gezocht bij de kloostertraditie die in de
vroege Middeleeuwen ontstond vanuit hetzelfde verlangen. Vooral de strenge orde
van de kartuizers werkte inspirerend.
Al gauw ontstonden verschillende kloosterachtige varianten op het
leven van de vroege christenen, die in hoofdlijnen te verdelen zijn in:
enerzijds lekengemeenschappen van broeders of zusters die geen juridisch
bindende kloostergeloften hadden afgelegd, anderzijds kloosters verenigd in het
Kapittel van Windesheim, dat de regel van de reguliere kanunniken van
Augustinusvolgde, omdat deze zich
nadrukkelijk baseerde op de eensgezindheid en het gemeenschappelijke leven van
de eerste christenen. Ook het feit dat
Jan van Ruusbroec in 1350 het klooster
Groenendaal stichtte op basis van dezelfde regel is van invloed geweest.
Behalve met bidden en mediteren (rapiarium), hielden de broeders en zusters zich bezig met
handenarbeid om in hun levensonderhoud te voorzien. Omdat de concrete
levensvormen van de Moderne Devotie aan het kloosterleven zijn ontleend, zijn
het geen karakteristieke uitingen van lekenspiritualiteit, hoewel velen, vooral
vrouwen, volgens het kerkelijk recht leken waren.
De beweging van de Moderne Devotie heeft door haar open karakter
een stempel gedrukt op de maatschappij, ondermeer omdat de broeders zich
richtten op zielzorg, onderwijs en boekproductie. Een belangrijk deel van de
Nederlandse boekproductie in de 15e eeuw komt voor hun rekening. Dat de
littera hybrida in de Nederlanden zo
belangrijk is als boekletter, komt mogelijk door de invloed van de Moderne
Devotie. Behalve voor eigen gebruik in kloosters en broeder- en zusterhuizen,
werden ook voor leken, edelen maar ook welgestelde burgers, boeken
afgeschreven.
Geert Grote heeft zelf een aantal
psalmen en bijbelgedeelten vertaald en zijn
getijdenboek (ed.
N. van Wijk, 1940) is duizenden malen
gekopieerd.
Het werk van Grote als bijbelvertaler is later voortgezet door
Johan Schutken, een geestelijke die
woonde in het augustijnenklooster te Windesheim. Voor de lekebroeders van zijn
convent vertaalde hij de psalmen en het hele Nieuwe Testament. Zijn werk is in
combinatie met de vertaling van het Oude Testament door een anonieme
kartuizermonnik uit Herne de meest verbreide bijbelvertaling van
de Middeleeuwen geworden. Toen later de boekdrukkers omzagen naar kopij voor
hun uitgaven, kozen zij bij voorkeur geestelijke traktaten uit de kringen rond
de Moderne Devotie. De bekende Delftse bijbel van 1477 is zelfs het oudste
gedrukte Nederlandstalige boek. Het bekendste boek dat de beweging van de
Moderne Devotie heeft voortgebracht en dat nog steeds wordt uitgegeven en
gelezen, is de aan
Thomas a Kempis (1379-1471)
toegeschreven De Imitatione Christi. Dit werk, dat
bestaat uit vier op zichzelf staande traktaten, weerspiegelt de spiritualiteit
van de Moderne Devotie: de navolging van Christus zoals de eerste christenen
dat deden.
LIT: Brongers; Laan; MEW; C. van der Wansem. Het ontstaan en de
geschiedenis der broederschap van het gemene leven tot 1400 (1958); R.R.
Post. The Modern Devotion, Confrontation with Reformation and Humanism
(1968); W. Lourdaux. ‘Het boekenbezit en het boekengebruik bij de Moderne
Devoten’, in: Studies over het Boekenbezit en Boekengebruik in de
Nederlanden vóór 1600. Archief- en Bibliotheekwezen in
België, extranr. 11 (1974), p. 247-325; M.L. Caron. ‘Preken met
de pen. De Moderne Devoten en het boek’, in: Geschreven, gedrukt,
versierd, verzameld. Boeken uit de bibliotheek van het Rijksmuseum Het
Catharijneconvent (1982), p. 22-29; C.C. de Bruin. ‘De spiritualiteit
van de Moderne Devotie’, in: C.C. de Bruin, E. Persoons, A.G. Weiler.
Geert Grote en de Moderne Devotie (1984), p. 102-144; J.C. Bedaux.
‘Boeken bij de Moderne Devotie’, in: C.C. de Bruin, E. Persoons,
A.G. Weiler. Geert Grote en de Moderne Devotie (1984), p. 43-49;
Moderne Devotie. Figuren en Facetten. [Catalogus van de] Tentoonstelling ter
herdenking van het sterfjaar van Geert Grote (1384-1984) (1984); N.
Staubach. ‘Prachmatische Schriftlichkeit im Bereich der Devotio
Moderna’, in: Frühmittelalterliche Studien 25 (1991), p.
418-61; Th. Mertens [e.a.]. Boeken voor de eeuwigheid. Middelnederlands
geestelijk proza (1993); W. Scheepsma. Deemoed en devotie. De
koorvrouwen van Windesheim en hun geschriften (1997). [H. Struik]
| |
modernisme
Verzamelnaam voor een aantal internationale stromingen in de
cultuur van de eerste decennia van de 20e eeuw. Tot het modernisme worden
gewoonlijk gerekend het
expressionisme, het
vitalisme, het fauvisme, het
dadaïsme, het
surrealisme, het
futurisme, het
kubisme, het
constructivisme en de
nieuwe zakelijkheid. Omdat deze stromingen
niet altijd goed van elkaar te onderscheiden zijn en hun verschillende
kenmerken in het werk van één auteur kunnen voorkomen, geeft men
er vaak de voorkeur aan ze samen te vatten onder de noemer
‘modernisme’. Een bezwaar tegen de term is het feit dat de binding
ervan met het eerste deel van deze eeuw er onvoldoende in tot uiting komt. Dat
is dan ook de reden dat men latere modernistische stromingen tracht te
onderscheiden van de hier bedoelde stromingen door aan de laatste de term
historische avant-garde te verbinden.
Sommigen zijn van mening dat het modernisme door de Tweede Wereldoorlog wordt
begrensd, anderen zien een geleidelijke overgang in het naoorlogse
postmodernisme.
Een invloedrijk modernistisch tijdschrift was I 10
(1927-29), omdat daarin belangrijke vertegenwoordigers van de internationale
avant-garde van tussen de twee
wereldoorlogen publiceerden.
Arthur Lehning, die oprichter en
redacteur van het blad was, stelde er een bloemlezing uit samen (1974).
Daarnaast was De Stijl (1917-1932) met
Theo van Doesburg en
Anthony Kok als literaire medewerkers,
naast tal van beeldende kunstenaars en architecten (
P. Mondriaan,
B. van der Lek,
J.J.P. Oud e.v.a.), representatief voor
het modernisme.
Een aantal aspecten van het modernisme keert na de Tweede
Wereldoorlog terug in het werk van de
Vijftigers en dat van de auteurs rond de
tijdschriften Barbarber en Gard Sivik.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Fowler; Gorp; Lodewick; Metzler;
Shipley; Wilpert; J.C. Brandt Corstius. ‘De nieuwe beweging’, in:
De Gids 120 (1957), p. 363-377; J. Barzun. Classic, romantic and
modern (1961); M. Bradbury en J. McFarlane (red.). Modernism (1976);
F. Bulhof (red.). Nijhoff, Van Ostaijen, ‘De Stijl’ (1976);
P. Faulkner. Modernism (1977); D. Fokkema en E. Ibsch. Het modernisme
in de Europese letterkunde (1984). [G.J. van Bork]
| |
moet
Drukkersterm voor door de
letters in het papier gedrukt spiegelbeeldig
reliëf. Moet ontstaat wanneer het zetsel niet goed gedresseerd is. Meestal
wordt bij de
proefdruk tijdig geconstateerd dat de pers
moet maakt.
LIT: Brongers; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de
Nederlanden (1962), p. 141, 152; C. Schook. Handboekje voor
letterzetters, boekdrukkers en correctors, ed. F.A. Janssen (1981), p.
111-113, 200; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken
(19862), p. 181. [P.J. Verkruijsse]
| |
mof
Toneelfiguur in de rol van kwakzalver, snoevende krijgsman of
West-Faalse boerenknecht uit de 17e en 18e eeuw waarmee in kluchten (klucht-1) en blijspelen de spot werd gedreven, vooral wegens
zijn quasi-Duitse taalgebruik. Stukken waarin moffen als kwakzalver voorkomen,
zijn
Bredero's Hoogduytschen
quacksalver (1619) en
Thomas Asselijns De
kwakzalver (1692). De mof als snoevende krijgsman treffen we aan in
Samuel Costers Teeuwis de
boer (1612), in de Klucht van Robbert
Leverworst (1650) van
Isaac Vos en in De belachelijke
jonker (1664) en De romanzieke juffer (1695)
van
Bernagie. De seizoenarbeider wordt op de
hak genomen in
Isaac Vos' Klucht van de
Moffin (1644; eerst verschenen in 1642 onder de titel
Klucht van Loome Lammert) en Klucht van de
mof (1644).
Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werd het scheldwoord weer
vaak gebruikt: bekend is de illegaal verschenen
Moffenspiegel.
LIT: Laan; W.A. Ornée. De ‘mof’ in de
Nederlandse blij- en kluchtspelen uit de 17de en 18de eeuw (1970). [P.J.
Verkruijsse]
| |
mommerij
Een spel, wellicht meestal een
tafelspel, waarbij men zich verkleedde.
P.C. Hooftheeft een
‘Mommerij’ geschreven die ‘in Amsterdam op de foy [=
afscheidsmaaltijd] van Monsr. Hovijn gespeelt’ is in 1602 (
Gedichten, ed.
Leendertz/
Stoett, dl. 2, 1900, p. 3-7).
LIT: Buddingh'; Laan. [P.J. Verkruijsse]
| |
monodrama
Toneelspel waarin slechts één persoon optreedt in
één rol, zodat het hele drama zich afspeelt in monologen. Wel
kunnen soms één of meer zwijgende luisteraars op het toneel
aanwezig zijn die in stil spel reacties tonen (
J.W. von Goethe,
Proserpina, 1778;
A. Strindberg, Den
starkare, 1889), of er wordt op een andere wijze een toehoorder
verondersteld, bijv. in een andere (niet getoonde) kamer (
John O'Neill, Before
breakfast, 1916) of aan de telefoon (
J. Cocteau, La voix
humaine, 1930;
H. Heijermans,
Verveling, 1910). Voorts kan het publiek die rol
toegemeten krijgen: H. Heijermans, Een herenhuis te koop
(1914). De term monodrama wordt vaak gebruikt naast
monoloog, bijv. wanneer het typisch
dramatische ontbreekt. Verwant met het monodrama is het
transformatiespel.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; E. Törnqvist. ‘Monodrama: term and reality’,
in: Essays on drama and theatre. Liber amicorum Benjamin Hunningher
(1973), p. 145-158. [G.J. van Bork]
| |
monografie
Studie over een enkelvoudig, duidelijk afgebakend onderwerp. Dat
onderwerp kan een bepaald probleem zijn (bijv. een studie over
genreproblematiek), een auteur (bijv. een
biografie), of een onderdeel van de
wetenschap (bijv. een
proefschrift). Gewoonlijk geven
monografieën gedetailleerde informatie over het behandelde onderwerp en
zijn ze voorzien van bibliografische verwijzingen. Voorbeelden van
verschillende typen monografieën zijn
G. Stuivelings Het korte leven
van Jacques Perk (1957),
F.C. Maatje's Der
Doppelroman (1968),
M. Bals De theorie van vertellen
en verhalen (1978) en
R. Zemels Op zoek naar Galiene.
Over de Oudfranse Fergus en de Middelnederlandse Ferguut
(1991).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; MEW; Scott;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
monologue intérieur
Beschrijving van het innerlijk leven van een personage door diens
gedachten, gevoelens, associaties, herinneringen e.d. zo natuurgetrouw mogelijk
weer te geven. Doet een verteller dat door zelf als vertellende instantie op te
treden, bijv. door de innerlijke beschrijving in de hij-vorm te presenteren en
in de verleden tijd, dan spreekt men van
style indirect libre. Wordt de
gedachtenstroom direct weergegeven als komend van één der
personages, dan spreekt men van directe monologue intérieur, in dezelfde
zin als
stream of consciousness. Het lijkt beter
deze laatste term te reserveren voor die gevallen in het narratieve proza
waarin de auteur zonder interventie het gehele mentale proces van een van zijn
personages als een ononderbroken bewustzijnsstroom weergeeft. De stream of
consciousness is dan wel vergelijkbaar met de directe monologue
intérieur, maar niet met de style indirect libre. De monologue
intérieur in de literatuur werd sterk bevorderd door de opkomst van de
psychologie. Daardoor kreeg de auteur de gelegenheid zijn personages van
binnenuit te tekenen en hun innerlijke drijfveren en bewuste of onbewuste
motieven aan de lezer te tonen. Een voorbeeld van de monologue intérieur
treffen we aan in
S. Vestdijks Meneer Vissers
hellevaart (1936), waarin ze op sommige plaatsen de vorm aanneemt
van de stream of consciousness, zoals in
James Joyce's
Ulysses (1922).
LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Baldick; Bantel; Boven/Dorleijn;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler; MEW; Prince;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
monoloog, alleenspraak of soliloquium
Tekst die wordt uitgesproken door iemand (bijv. een personage uit
een roman of toneelstuk) die daarmee min of meer langdurig alleen aan het woord
is. De monoloog staat tegenover de
dialoog. In het drama kent men de monoloog
van een personage dat zich uitspreekt zonder dat er andere personages op het
toneel aanwezig zijn, bijv. om zijn gemoedsgesteldheid of zijn situatie aan het
publiek duidelijk te maken. Een dergelijke monoloog treffen we aan in
Bredero's Spaanschen
Brabander (1617), waarin Jerolimo al dadelijk aan het begin aan het
publiek uiteenzet onder welke omstandigheden hij in Amsterdam is
gekomen. Zo'n monoloog kan tevens opgevat worden als de
expositie van het stuk. Een nevenverschijnsel
van dit type monologen is het mogelijk waarheidsgetrouwe effect ervan: waarom
zou iemand die volstrekt alleen is, staan liegen? Daar staat tegenover dat de
monoloog mogelijkheden biedt voor een zelfbeeld dat niet met de werkelijkheid
in overeenstemming hoeft te zijn.
Daarnaast is er de toneelmonoloog waarin een personage zich in een
(lange) alleenspraak uit in het bijzijn van andere personages om zijn mening,
gevoel of stemming in een bepaalde situatie kenbaar te maken. Een voorbeeld
daarvan vinden we in
Hoofts Baeto
(1626), waar Penta in aanwezigheid van de bode een lange klacht uitspreekt
(vss. 1061-1130). Dit type monologen is vaak verwant met de
monologue intérieur en ook met de
stream of consciousness in het proza. In feite
zijn de meeste gebeden en klaagliederen ook monologen.
Een bijzondere vorm van de monoloog treffen we aan in de
dramatische monoloog, een vaak lyrisch
dichtvorm, waarin een ‘ik’ zich richt tot een denkbeeldig publiek.
In het
monodrama is sprake van een monoloog die het
gehele stuk vult.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger;
Prince; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
monometrie
Term uit de prosodie voor een versregel, strofe of gedicht met een
metrum dat opgebouwd is uit slechts
één type
versvoet. Verreweg de meeste metrische
poëzie is monometrisch, van het 17e-eeuwse treurspel tot de sonnetten van
Achterberg. Het tegenovergestelde van
monometrie is
polymetrie.
Sommigen hanteren de term als synoniem van
monopodie. Ook komt het voor dat men die
versregel monometrisch noemt die niet meer syllaben telt dan het aantal dat
één versvoet omvat (twee syllaben bij
jambe en
trochee, drie syllaben bij
anapest en
hexameter enz.), zoals in de volgende regels
van
Cats:
(J. Cats. Alle de werken, ed.
Feith, dl. 14, 1796, p. 42).
Gezien het verschil tussen de twee eerste verzen (tweesyllabig) en
de vier laatste (driesyllabig) is dit stukje poëzie volgens de gangbare
betekenis polymetrisch, ook al hebben alle zes regels
stijgend metrum.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Marouzeau; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
monopedie of monopodie
Term uit de prosodie voor die vorm van
monometrie waarin de afzonderlijke
versvoet als zodanig ervaren of geteld
wordt. Men zal dit verschijnsel vooral daar aantreffen waar versvoetgrens en
woordgrens samenvallen. Zo overheerst trocheïsche (trochee) monopedie in de volgende regel van
Jacobus Bellamy:
Lieve Fillis schoone Fillis! wellust van mijn jeugdig
leeven!
(Gezangen mijner jeugd, ed.
Buijnsters, z.j., p. 25).
Wanneer een dergelijke versvoet niet als afzonderlijke eenheid
naar voren komt (door het samenvallen met de woordgrens), maar veeleer
onderdeel is van een groter ritmisch geheel, kan men te maken hebben met
dipodie dan wel
tripodie. Sommigen reserveren de term
monopedie voor een versregel bestaande uit één enkele soort
versvoet.
LIT: Best; Buddingh'; Metzler; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
monorijm
Term uit de prosodie voor die vorm van
slagrijm die gedurende een lange passage of
zelfs een heel gedicht consequent wordt volgehouden. Een bekend voorbeeld is te
vinden in Nijhoffs gedicht ‘Awater’, waar elke strofe op een
bepaalde klinker (assonance in
eindrijm) is gebouwd, namelijk
achtereenvolgens ee, aa, oo, ij, oe, ie, ou, uu. Zo hoort men het monorijm van
de eerste strofe in de slotwoorden:
Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest. [enz.]
(
M. Nijhoff.
Verzamelde gedichten, 19632, p.
215).
Bij uitbreiding is de term toepasbaar op iedere tekst waarin
één klank herhaald wordt. Bekend is de
A-saga van
J. Bosscha, uitsluitend op de klinker a
gebouwd. Soortgelijke teksten schreven ook
J. van Lennep,
A. des Amorie van der Hoeven Jr. en andere
19e-eeuwers. Menige
allusie op hun werk vindt men in het rijmproza
van
Gerrit Komrij zoals ‘A-drama,
E-tweegevecht, I-crisis, O-droom, U-tumult’, dat aldus begint:
Ach, wat staat Sarah braaf naast haar man! Sarah draaft, bakt,
braadt enz.
(Dit helse moeras, 1983, p. 159-171).
LIT: Baldick; Cuddon; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley.
[G.J. Vis]
| |
monostichische poëzie zie
stichische poëzie
| |
monostichitische poëzie zie
stichische poëzie
| |
monostichon
Aanduiding voor één op zichzelf staande versregel.
Deze heeft vaak het karakter van een
zinspreuk-1. Voorbeelden zijn te vinden in
de emblemataliteratuur (emblema), waar het monostichon
dient als
motto-2 boven de
pictura, zoals ‘Betemt gij 't niet,
het teelt verdriet’ uit Pampiere wereld (1644) van
J.H. Krul (Nederlandse
emblemata ed.
Meertens en
Sayles, 1983, p. 82).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Morier; Preminger; Scott; Shipley.
[G.J. Vis]
| |
montage
Begrip overgenomen uit de filmwereld waar het betrekking heeft op
het aan elkaar zetten van filmfragmenten om zo met combinaties van
beeldenreeksen, losse shots e.d. een bepaald effect te bereiken. In de
literatuur duidt men er de techniek mee aan waarmee meer, vaak heterogene reeds
bestaande teksten of tekstfragmenten in een groter tekstgeheel worden opgenomen
of met elkaar als een zelfstandige tekst worden gepresenteerd.
Het begrip is moeilijk af te grenzen van andere bouwprincipes van
teksten, omdat bijv. het verschil met het gebruik van het
citaat of met de
collage niet erg duidelijk is aan te geven.
Zo wordt in plaats van de term montage in de literatuurwetenschap ook wel de
term ‘citeerkunst’ gebruikt, bijv. binnen de
intertekstualiteit.
Voorbeelden van montageteksten treft men vooral aan in het werk
van modernistische of experimentele auteurs, bij wie van het tekstcitaat vaak
een desintegrerende werking op de lezer wordt verwacht. In het Nederlandse
taalgebied treft men het aan in het werk van
J.F. Vogelaar (bijv. Alle
vlees, 1980) en
Lidy van Marissing (bijv. Reis
door loopgraven, 1981).
LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Scott;
Wilpert; H. Verdaasdonk. ‘Montage, of: literaire technieken, hun
fundament en funktie’, in: Het mes in het beeld en andere verhalen
(1976), p. 213-261; J. Kruithof. ‘Hoe het verder zal gaan, weet ik ook
niet’, in: Vingeroefeningen (1981), p. 127-140. [G.J. van
Bork]
| |
moordlied
Een
historielied waarin geruchtmakende moorden
bezongen worden. Moordliederen, niet zelden met een flinke dosis moraal en
religie doorspekt, werden vaak op
plano gedrukt en kort na de beschreven
gebeurtenis uitgevent. Het genre heeft standgehouden tot in de 20e eeuw.
Een voorbeeld van een moordlied is het ‘Nieuw lied van het
droevige feit, voorgevallen in den nacht van 30 op 31 augustus 1893, op de
Marolleput onder Oostburg, waarbij drie vrouwen meedoogenloos om het leven
werden gebracht’ door ene W.J.N.Jz. (in:
Joh. de Vries. Die
‘goeie’ ouwe tijd; oude verhalen uit
Zeeuwsch-Vlaanderen, 1975, p. 60-62):
Komt vrienden wie er nog zijn in leven,
Aanhoort er toch eens deez droevige klacht,
Welk vreeselijk feit er hier is misdreven,
Drie vrouwen zoo wreed om het leven gebracht.
O God, wie heeft het ooit gehoord!
Er lagen daar drie menschen vermoord.
En dan nog, wie schrikt er niet van,
Ja 't was zelfs de vrouw van haar eigen man.
LIT: Gorp; J. de Vuyst. Het moordlied in de Zuidelijke
Nederlanden tot de XIXe eeuw (1976); J. de Vuyst. Het moordlied in de
Zuidelijke Nederlanden (XXe eeuw) (1977); W.L. Braekman. Hier heb ik
weer wat nieuws in d'hand (1990). [P.J. Verkruijsse]
| |
mop
Korte, geestige, grappige of lollige
anekdote met een pointe, bedoeld om mensen
te laten lachen. Moppen worden verteld (getapt), zelden gelezen, en wel omdat
het op de juiste manier vertellen van de mop (voordracht) in hoge mate bepalend is voor het plezier dat de
hoorder eraan beleeft (vgl.
cabaret).
De meeste moppen uit de Middeleeuwen zijn bewaard gebleven als
fabliau (Frankrijk), Schwank
(Duitsland) of
boerde (Nederlanden). Hun
verhuizing uit het orale naar het literaire milieu blijkt direct uit de manier
waarop ze zijn vastgelegd: in paarsgewijs rijmende verzen. Al vanaf de 15e eeuw
werden moppenverzamelingen aangelegd, bijv. het Liber
facetiarum (Moppenboek) van de Florentijnse humanist (humanisme)
Poggio (1380-1459), dat vóór
1500 26 keer herdrukt werd. Als gevolg van hun orale karakter werd een mop
echter nooit in zijn oorspronkelijke vorm opgetekend, maar aangepast aan de
heersende literaire mode. In de 15e, 16e en 17e eeuw volgden soortgelijke
verzamelingen, nu ook in de volkstaal: bijv. De pastoor van
Kalenberg (ed.
Van Kampen &
Pleij, 1981), Een nyeuwe clucht
boeck (ed.
Pleij e.a., 1983) en
Aernout van Overbeke's Anecdota
sive historiae jocosae; een zeventiende-eeuwse verzameling moppen en
anekdotes (ed.
Dekker,
Roodenburg en
Van Rees, 1991).
Literair gezien kent de mop na de 17e eeuw weinig aandacht en
waardering. Pas in tweede helft van de 20e eeuw komt hierin weer verandering.
De Amsterdamse humorist
Max Tailleur was weer een van de eerste
auteurs van wie moppen in druk zijn verschenen.
LIT: Gorp; Metzler; L. Jongen (vert.). Van papen en hoeren, van
ridders en boeren. Tien middeleeuwse moppen (1995); F.J. Lodder. Lachen
om list en lust (1997); R. Dekker. Lachen in de Gouden Eeuw; een
geschiedenis van de Nederlandse humor (1997). [H. Struik/P.J.
Verkruijsse]
| |
mopsje
Een mopsje is een
liedboek uit de 17e en 18e eeuw in een klein
bibliografisch
formaat (16 of 32), voorzien van een fraaie
band met zilveren slotjes. De naam is waarschijnlijk ontleend aan het
Groot Hoorns, Enkhuyser, Alkmaarder en Purmerender
liede-boek (herdrukt tot diep in de 18e eeuw) waarin de op zijn
beurt aan
Vergilius ontleende herdersnaam Mopsus in
de vernederlandste verkleinvorm Mopsje voorkomt.
LIT: Laan; WNT 9 (1913), kol. 1125-1126; P.J. Buijnsters.
Het verzamelen van boeken (19922), p. 152. [P.J.
Verkruijsse]
| |
mora
Term uit de prosodie voor een bepaalde vorm van
isochronie: een tijdseenheid die wordt
aangenomen voor de syllabenlengte in metrische (metrum)
poëzie dan wel in een
lied bij de
voordracht of zang van de tekst. De
tijdseenheid kan gevuld worden door één syllabe of door een
veelvoud daarvan. Omgekeerd kan de aangenomen tijdseenheid een syllabe eenmaal
of meerdere malen vullen. De laatste hantering is de meest gebruikelijke.
Toepassing vindt vooral plaats in kinderrijmpjes (kinderlied). Zo in het regeltje ‘Schuitje varen, theetje
drinken’ dat, afhankelijk van de gekozen maat, kan worden voorgedragen in
syllaben van gelijke lengte met de tijdseenheid van 1 mora (.) per syllabe,
aldus:
Schuitje varen, theetje drinken
of in een driekwartsmaat met de tijdseenheid van 1 mora per
onbeklemtoonde syllabe en 2 morae (o) per beklemtoonde, aldus:
Schuitje varen, theetje drinken.
LIT: Buddingh'; Cuddon; Gorp; Scott; F. Kossmann. Nederlandsch
versrythme (1922), p. 204 vv.; C.F.P. Stutterheim. Conflicten en
grenzen (1963), p. 128. [G.J. Vis]
| |
moraliteit
Laatmiddeleeuws didactisch toneelstuk, vaak met een vraagstuk van
morele of zedelijke aard tot onderwerp. De moraliteit is beïnvloed door
het
geestelijk drama, maar is wereldser van
aard; ook andere dan religieuze onderwerpen worden behandeld, meestal wel op
stichtelijke wijze. Het begrip moraliteit wordt in het algemeen gebruikt voor
die stukken uit de 15e en 16e eeuw waarin, in tegenstelling tot het
mysteriespel en het
mirakelspel, geen bijbelse figuren of
heiligen optreden.
Het onderwerp wordt dikwijls gevormd door een spreuk of gezegde
(zin). Kenmerkend voor de moraliteit is het optreden van
allegorische figuren (allegorie), meestal
personificaties van bijv. deugden en ondeugden die strijd leveren om de ziel
van de (allegorische) hoofdpersoon. Deze
zinnekens treden meestal in paren op.
De term moraliteit komt niet voor in manuscripten of drukken van
die stukken, maar wel in andere bronnen. De
rederijkers zelf gebruikten de term
spel van zinne, waarmee overigens vaak alle
drie de typen belerende spelen uit de tijd van de rederijkers worden aangeduid:
moraliteit, mirakelspel en mysteriespel. De beroemdste moraliteit is
Den Spieghel der Salicheyt van Elckerlijc (ed.
Vos, 1967) uit het einde van de 15e
eeuw.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA;
Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; J.J. Mak. De rederijkers
(1944), p. 45-78; M. Fifield. ‘The community of morality plays’,
in: C. Davidson, C.J. Gianakaris en J.H. Stroupe (red.). The drama in the
Middle Ages (1982), p. 286-303; W.M.H. Hummelen. ‘The Dramatic
Structure of the Dutch Morality’, in: The medieval drama of the Low
Countries, spec. nr. van Dutch Crossing 22 (april 1984), p. 17-26.
[H. Struik]
| |
mortuaire literatuur
Verzamelnaam voor alle gelegenheidsliteratuur, proza en
poëzie, met betrekking tot dood, rouw en begrafenis. Tot het mortuair
proza hoort de
lijkrede of grafrede en tot de
funeraire poëzie worden gerekend de
elegie, het
grafdicht, het
lijkdicht en de
threnos.
LIT: MEW; P.J. Buijnsters. Tussen twee werelden (1963);
S.F. Witstein. Funeraire poëzie in de Nederlandse Renaissance
(1969). [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
motief
Over wat precies onder motief moet worden verstaan, bestaat binnen
de literatuurwetenschap nauwelijks overeenstemming. In de Nederlandse
theoretische literatuur overheerst het structurele motiefbegrip dat als volgt
is te omschrijven: een motief is de kleinste onherleidbare structurele eenheid
in een tekst waaraan een betekenis kan worden toegekend en die door combinatie
met andere soortgelijke eenheden het
thema van de tekst kan vormen. De
verbindende functie die aan het motief wordt toegekend, komt voort uit het
effect van de herhaling. Door de nadrukkelijke herhaling van een motief zet het
zich in het geheugen van de lezer vast, zodat die het als significant zal
ervaren, d.w.z. als leidinggevend bij de betekenistoekenning aan de gehele
tekst. Binnen één literaire tekst kunnen verschillende motieven
optreden die gecombineerd bijdragen tot de centrale
idee of het thema. Sommige auteurs over dit
onderwerp geven voor het motief binnen één werk de voorkeur aan
de term
Leitmotief. Het zal duidelijk zijn dat het
vaststellen van een motief een kwestie van interpretatie van de tekst is en dus
tot verschillen van mening kan leiden over wat het motief nu eigenlijk precies
is van die tekst, zoals dat overigens ook voor het vaststellen van het thema
geldt.
Voorbeelden van motieven zijn in principe talloos, even talloos
als er literaire werken zijn. Om toch enkele veel voorkomende voorbeelden te
noemen: angst, vrouw, pijn, onvolmaaktheid, droom, dubbelganger, wraak.
Naast het structurele motiefbegrip bestaat er ook een motiefbegrip
in literair-historische zin. Ook daar gaat het om herhaling van
betekenisdragende eenheden, maar nu in een aantal literaire werken dat deze
eenheden gemeen heeft. Het gaat daarbij om elementen uit de
stof die kunnen variëren van typische
situaties, tot typische karaktertrekken van personages of typische attributen
(vgl. motieven als de rechtspraak aan het hof in middeleeuwse teksten, het
personage van de molenaar in laatmiddeleeuwse of renaissancistische teksten en
het motief van het muiltje in sprookjes). De hier bedoelde motieven hebben
geleid tot het maken van inventarissen van motieven die een belangrijke rol
spelen in de wereldliteratuur of de nationale literatuur. Voorbeelden daarvan
zijn
S. Thomson. Motive-index to
folk literature (1955-1956),
E. Frenzel. Stoffe der
Weltliteratur (1963) en
F.A. Schmitt. Stoff- und
Motivgeschichte der deutschen Literatur (1965).
De term motief blijkt in de praktijk soms gebruikt te worden voor
wat meestal onder thema of (centraal) idee verstaan wordt. In de Franse
literatuur bijv. gebruikt men bij voorkeur de term ‘thème’.
Abrams noemt als motieven het ‘ubi sunt-motief’ en het ‘carpe
diem-motief’, die door
Maatje (p. 205) nu juist als
‘idee’ omschreven worden. Maar ook binnen de Nederlandse
literatuurwetenschap blijken de termen motief, thema en idee niet steeds
duidelijk van elkaar onderscheiden te worden. Bovendien is er nog verwarring
mogelijk met de term
topos, die dan eens staat voor motief, dan
weer voor thema.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Cuddon; Drop; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Metzler; MEW; Prince; Scott;
Shipley; Wilpert; F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 207-213;
G.P. Knapp. ‘Stoff-Motiv-Idee’, in: Grundzüge der
Literatur- und Sprachwissenschaft (bd. 1, 19806), p. 200-207; M.
Vanhelleputte (red.). Prolegomena tot een motievenstudie (1984); M.
Vanhelleputte en P. Geudens (red.). Bijdragen tot een motievenstudie
(1985). [G.J. van Bork]
| |
motorisch moment
Term uit de dramaturgie voor het moment waarop de dramatische
stuwing begint die tot de
climax-2 in het drama moet leiden. Meestal
valt dat motorisch moment na de
expositie, soms echter al direct in de
openingsscène. De term wordt niet algemeen gebruikt omdat er in een
drama vaak meer dan één moment kan worden aangewezen waarop de
aanzet tot de climax is terug te voeren. Vaak is de informatie die de moderne
toneelschrijver geeft zodanig terloops verdeeld over het stuk, dat de
toeschouwer pas door combinatie van gegevens tot een bepaalde climaxverwachting
komt. In het klassieke drama is doorgaans het motorisch moment weer wel
duidelijker aanwijsbaar.
LIT: Gorp; Lodewick; MEW; B. Verhagen. Dramaturgie
(19632), p. 61-62. [G.J. van Bork]
| |
motto-1
Spreuk (zinspreuk-1),
sententia of (gevarieerd) citaat (al dan
niet met bronvermelding), voorafgaand aan een tekst, maar daarvan duidelijk
onderscheiden door plaats en wijze van afdrukken. Motto's hebben doorgaans een
specifieke relatie met de tekst waar ze bij horen, bijv. een ondersteuning of
toespeling op de inhoud van de tekst die volgt. Motto's geven bovendien aan tot
welke schrijverstraditie de gebruikers ervan wensen te behoren en ze verraden
iets van de literatuuropvatting van de auteur. Maar daarnaast zou men het motto
kunnen zien als een aanwijzing voor de lezer over de wijze waarop de erop
volgende tekst gelezen dient te worden.
Voorbeelden zijn
Ter Braaks variatie op
Voltaire, ‘Tous les genres sont
ennuyeux, hors le bon’, voorafgaand aan diens
Démasqué der schoonheid (1932) en
Mulisch' Achterberg-citaat ‘Symbolen
worden tot cymbalen in de ure des doods -’ in Archibald Strohalm
(1952).
LIT: Best; Brongers; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; R.
Böhm. Das Motto in der englischen Literatur des 19. Jahrhunderts
(1975); K. Segermann. Das Motto in der Lyrik (1976); K. Beekman.
‘Het motto in de moderne Nederlandse literatuur’, in:
Spektator 15 (1985-1986), p. 330-347. [G.J. van Bork/P.J.
Verkruijsse]
| |
motto-2, inscriptio of lemma-1
Een motto-2 is het eerste onderdeel van een
emblema, dat samen met de
pictura en de
subscriptio een drie-eenheid vormt. Het
motto moet kort zijn en het thema van het embleem aanduiden in de vorm van een
spreekwoord (volks of geleerd) of
aforisme met
auctoritas. Vaak wordt daarbij een
paradox of
antithese gehanteerd. Het normatieve of
moraliserende karakter van het motto wordt dikwijls uitgedrukt door middel van
een imperatief of een wens.
Een voorbeeld van een volks motto uit de
Sinnepoppen van
Roemer Visscher (ed. Brummel,
1949, embleem XXXIV) is: ‘Hy leut / die't leut / ick en leut naet’
met als pictura de afbeelding van een cycloop en als subscriptio: ‘Dit is
een Waterlandts Barbarisch spreeckwoort, als zy willen segghen: Hy ghelooft /
die't gelooft / ick en ghelooft niet.’
LIT: Gorp; Metzler; K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse
emblemataliteratuur (1977), p. 49-50. [P.J. Verkruijsse]
| |
movere
Term uit de retorica voor een van de middelen die de redenaar in
de
ars persuadendi ten dienste staan om zijn
publiek te ontroeren en mee te slepen. Daarbij kan hij het beste gebruik maken
van een verheven, vaak pathetische stijl, het
genus sublime, een van de drie
genera elocutionis.
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
mozaïsch rijm
Term uit de versleer voor die vorm van
dubbelrijm waarbij ten minste een van de
rijmende syllabengroepen zich over twee woorden uitstrekt, bijv.
En heb je dan geen kasten vol
of:
Een man als jij, mijn w aarde vr iend,
Heeft zulk een kamer aad verd iend
(
M. Nijhoff. VG, 1974, p. 69 en
68).
LIT: Buddingh'; Gorp; Morier; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]
| |
Muiderkring
De Muiderking is een 19e-eeuwse romantische (re)constructie uit de
omgeving van
Potgieter,
Drost en
Van Lennep, voor een regelmatig op het
Muiderslot bijeenkomend gezelschap rondom
P.C. Hooft, dat via de latere
officiële literaire geschiedschrijving in stand is gehouden. In feite
betreft de Muiderkring een netwerk van schriftelijke en mondelinge literaire en
algemeen-culturele betrekkingen tussen een aantal vrienden en kennissen uit de
culturele bovenlaag van de Republiek in de jaren '20, '30 en begin '40 van de
17e eeuw.
Het literaire centrum in Amsterdam was eind 16e,
begin 17e eeuw het huis van
Roemer Visscher (overleden 1620), waar
ook
Hooft,
Vondel,
Reael en
De Huybert hun ‘letterkunstige
bijeenkomsten’ hielden. Daarna verschoof het zwaartepunt naar de woning
van Hooft en zijn eerste vrouw
Christina van Erp (overleden 1624), 's
winters op de Amsterdamse Keizersgracht, 's zomers op het Muiderslot. Tot de
vriendenkring hoorden
Tesselschade en
Barlaeus,
Jacob van der Burghen
Johan Brosterhuysen en de zangeres
Francisca Duarte.
Tijdens Hoofts tweede huwelijk vanaf 1627, met
Eleonora Hellemans, waren er bovendien
intensieve contacten met o.a.
Daniël Mostaert, Joost en
Jacob Baeck,
Laurens Reael en
Dirk Sweelinck. Tot de minder frequente
bezoekers behoorden
Huygens,
Vondel en
Vossius, maar in dit soort gevallen was
er schriftelijk contact door middel van brieven en gedichten.
Teksten uit de Muiderkring zijn bijeengebracht door
M.C.A. van der Heijden in de bloemlezing
't Hoge huis te Muiden (1972), terwijl
H.W. van Tricht De
briefwisseling van P.C. Hooft heeft uitgegeven (3 dln. 1976-1979),
waarin de talrijke contacten van
Hooft goed te volgen zijn. De romantische
visie op de Muiderkring is te vinden in o.m.
P.J. Andriessen, De Muiderkring,
of vijftien jaar uit den bloeitijd onzer letterkunde, 1623-1637
(z.j.) en
J. Bruineman, Schimmen in het
Muiderslot; geschiedenis van het Hooge Huys te Muyen (1973).
LIT: Gorp; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; P. Leendertz. Uit den
Muiderkring (1935); L. Strengholt. ‘Huygens' bezoeken aan de
Muiderkring’, in: id. Huygens-studies (1976), p. 127-140; H.W. van
Tricht. Het leven van P.C. Hooft (1980), passim, m.n. p. 182-186; H.W.
van Tricht. ‘Kastelein van den Huize van Muiden’, in: Hooft.
Essays (1981), p. 116-126; M. Spies. ‘Van mythes en meningen: over de
geschiedenis van de literatuurgeschiedenis’, in: M. Spies (red.).
Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening (1984), p. 171-193.
[P.J. Verkruijsse]
| |
mundus inversus
Letterlijk: de omgekeerde wereld. Thema dat in de late
Middeleeuwen een rol speelde in de
stadsliteratuur, waarbij de bestaande orde wordt geridiculiseerd door haar op
z'n kop te zetten in een speelse chaos, zoals in de
vastelavondviering gebeurt. Op die manier
laat men zien hoe het niet kan en moet, omdat er anders een onleefbare situatie
zou ontstaan. Tegelijkertijd functioneerde deze mundus inversus als een
tijdelijke uitlaatklep, zowel wat betreft de zware druk die van de bestaande
orde kon uitgaan, alsook voor de omstandigheden waarin geleefd werd. Bovendien
konden allerlei reële angsten erdoor bezworen worden: dat waarvoor men
bang was, werd belachelijk en op die manier onschadelijk gemaakt.
LIT: H. Pleij. Het Gilde van de Blauwe Schuit; literatuur,
volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen (19832).
| |
museum-1
Typisch 19e-eeuwse aanduiding in tijdschrifttitels waarbij het
betekenisaspect ‘verzameling’ de volle aandacht krijgt. Tot de meer
bekende periodieken behoorden het Belgisch Museum (1837-1846) van
Jan Frans Willems, het Leesmuseum
(1853-1856), het Vaderlandsch Museum (1855-1863) van
Serrure en het Nederlandsch
Museum (1874-1894) van
Heremans. [P.J. Verkruijsse]
| |
museum-2
Een letterkundig museum is een instelling waar voorwerpen met
betrekking tot de letterkunde worden verzameld, beheerd, geëxposeerd en
gedocumenteerd. Het verschil tussen een museum en een documentatiecentrum
(documentatie) is lang niet altijd duidelijk aan te
geven, zeker waar het gaat om letterkundige musea die per definitie moeilijk te
exposeren documenten beheren.Nederland beschikt sinds 1953 in
Den Haag over het Nederlands Letterkundig Museum en
Documentatiecentrum (NLMD) - in 1997 uitgebreid met een Kinderboekenmuseum -
dat regelmatig tentoonstellingen organiseert over de Nederlandse letterkunde
van na 1750 waarvoor geput kan worden uit de collectie documenten, iconografie,
knipsels, geluid en beeld. In Vlaanderen werd in 1933 het Museum
voor de Vlaamsche Letterkunde opgericht, in 1945 omgedoopt tot Archief en
Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC). Het in Antwerpen
gevestigde AMVC exposeert regelmatig over de Vlaamse literatuur en cultuur uit
de periode van na 1750.
Kleinere musea, gespecialiseerd op één auteur en ook
inderdaad als museum toegankelijk, zijn o.a. het Bilderdijk-museum, Huize
Ernest Claes, het Guido Gezelle Museum, het Huygens-museum
‘Hofwijck’, het A.M. de Jong-huis, het Multatuli-museum, het Stijn
Streuvels Museum, het Herman Teirlinck Huis, het Felix Timmermans-Opsomer Huis
en het Betje Wolff-museum.
LIT: 50 jaar AMVC (1984); Handboek Letteren (1986),
hoofdstuk 5. [P.J. Verkruijsse]
| |
musical
Zangspel dat zich aan het eind van de 19e eeuw ontwikkelde uit de
operette, de komische
opera en de
vaudeville. De musical is een muzikale
komedie waarin op ironische wijze een vaak literaire stof is verwerkt tot een
combinatie van toneel, muziek, zang en dans in een samenhangend verhaal. Een
belangrijk element is het show-karakter ervan, dat vooral tot uiting komt in de
aankleding, de decors en de balletten. Zelden ontbreekt een happy end.
Speciaal de Amerikaanse musicals hebben een grote vitaliteit.
De Verenigde Statenvormen de bakermat van de musical, met een
vroeg voorbeeld als
Jerome Kerns Show
boat (1927). Andere beroemde voorbeelden zijn
O. Hammersteins
Oklahoma (1943) en South pacific
(1949). Vaak worden bekende literaire teksten voor de musical als basisgegeven
gebruikt:
G.B. Shaws Pygmalion
voor My fair lady (1956) van
F. Loewe,
Shakespeare's The taming of the
shrew voor Kiss me Kate (1948) van
Cole Porter en
Dickens' Oliver
Twist voor Oliver (1960).
Veel musicals werden verfilmd, sommige werden zelfs direct voor
film gemaakt:
Leonard Bernsteins West side
story (1957) werd pas na de verfilming ook op toneel gebracht.
Verreweg de belangrijkste schrijfster van musicals in
Nederland is
Annie M.G. Schmidt die in samenwerking
met
Cor Lemaire en
Harry Bannink een groot aantal musicals
op haar naam heeft staan: Heerlijk duurt het langst
(1965), Met man en muis (1968), Wat een
planeet (1973), Foxtrot (1977) en
Madam (1981).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Lodewick; MEW; Scott; Shipley; Wilpert;
F. Bredschneyder. Elseviers grote boek voor operette en musical (1972);
S. Green. The world of musical comedy (1973); P. van Ewijk. Met zang
en dans. De geschiedenis van de musical in Nederland (1993). [G.J. van
Bork]
| |
muziekdrama
Algemene aanduiding voor toneelstukken en andere dramatische
vormen waarbij gemusiceerd en gezongen wordt, zoals
opera,
operette,
musical,
zangspel en het gezongen herdersspel (pastorale-2). Sommigen hanteren de term muziekdrama tegenover
opera om aan te geven dat, in tegenstelling tot de laatste, in het muziekdrama
de muziek niet overheerst, en het woord zijn rechten hernomen heeft, o.a.
blijkend uit de duidelijke verstaanbaarheid van de tekst (libretto).
LIT: Gorp; Metzler; Preminger; Wilpert; E. Staiger. Musik und
Dichtung (1959); K.Ph. Bernet Kempers. Muziekgeschiedenis (19656),
p. 153 e.v. [G.J. Vis]
| |
muzikaal accent zie
melodisch accent
| |
mysteriespel
Middeleeuws geestelijk toneelstuk (geestelijk
drama). Meestal wordt de term gereserveerd voor een spel dat gebaseerd
is op een geloofsgeheim (mysterie) uit het Oude of Nieuwe Testament. De termen
mysteriespel en
mirakelspel worden ook wel zonder duidelijk
onderscheid gebruikt voor alle toneel waarin heiligen of bijbelse onderwerpen
een rol spelen. Bij een mirakelspel echter staat niet het geloofsgeheim, maar
het wonder centraal, bijvoorbeeld het wonderbaarlijke leven van een heilige of
de miraculeuze redding van een zondaar.
Het mysteriespel wordt beschouwd als de oudste vertegenwoordiger
van het middeleeuws geestelijk toneel. Vaak treden er duivels in op, als
verleiders tot het kwaad. Volgens een inmiddels achterhaalde, maar hardnekkige
theorie zou dit geestelijk drama zich ontwikkeld hebben uit in de kerk gezongen
tropen-2, nadat er eeuwen geen toneel
gespeeld was. Waarschijnlijker is echter dat er altijd toneel gespeeld is, zij
het dat daar voor de periode van de 5e tot de 10e eeuw weinig bewijzen van zijn
overgeleverd. Dit toneel is uiteindelijk ook weer een rol in de kerk gaan
spelen om het vertelde te veraanschouwelijken. De volgorde van opvoering van de
mysteriespelen werd daarbij aanvankelijk voor een groot deel bepaald door de
indeling van het kerkelijk jaar.
Bij de
rederijkers vallen de verschillende genres,
mysteriespel en mirakelspel, evenals de
moraliteit, min of meer samen met het
spel van zinne. Een bekend voorbeeld van
(een cyclus van) mysteriespelen vormen de zeven Bliscappen van
Maria (15e eeuw), waarvan alleen de eerste en de zevende bewaard
zijn (ed.
Beuken, 1973). Ook
Vondels Lucifer
wordt wel een mysteriespel genoemd.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.J. Mak. De
rederijkers (1944), p. 45-78; W. Jonckheere. ‘Voor een herwaardering
van de mysteriespelen’, in: Dietsche Warande en Belfort 123 (1978)
2, p. 105-119. [H. Struik]
| |
mystiek
Term ter aanduiding van een aantal uiteenlopende verschijnselen op
religieus gebied dat tot doel heeft het onderscheid tussen de mens en God (of
de als goddelijk opgevatte wereld) op te heffen.
In het neoplatonisme, de overheersende filosofie van de 3e tot de
6e eeuw, is het streven naar de vereniging van de menselijke, onsterfelijke
geest met het goddelijke wezen van groot belang. Door een ascetisch leven en
door de geest steeds meer op de eeuwigheid te richten, tracht men die eenheid
te verwezenlijken. Dit is alleen in een toestand van extase mogelijk, wanneer
voor korte tijd alle beperkingen van het bewustzijn zijn opgeheven. Het
goddelijke is echter niet te kennen, vandaar dat men vaak door negaties het
mysterieuze wezen ervan probeert te bepalen.
Het neoplatonisme heeft grote invloed gehad op de middeleeuwse
mystiek: de drang tot verinnerlijking beantwoordde aan het laatantieke, in het
monachale leven wakker gebleven besef dat de wereld vergankelijk was en dat men
de eeuwigheid moest zoeken. In het christendom heeft men echter de
identificatie van de menselijke geest met het goddelijke wezen verworpen: de
grens tussen het schepsel en de Schepper valt niet te overschrijden; God is
alleen in relatie te kennen, namelijk in Jezus Christus. De moeilijkheid dat
een laatste identificatie van God en mens onaanvaardbaar was, heeft men wel
door het analogiebegrip trachten te overwinnen: ons zijn is niet identiek, maar
wel in zekere mate analoog aan het zijn van God. Reeds bij
Augustinus treffen we het denkbeeld aan
dat de mens het geheim van Gods drievuldig wezen niet kan kennen, maar dat
daarvan in onze ziel sporen en gelijkenissen aanwijsbaar zijn. Uit deze idee
ontwikkelde zich de drieëenheidsmystiek: de ervaring van de inwoning van
de goddelijke personen in de ziel. Deze gedachte vinden we onder andere in het
werk van
Jan van Ruusbroec (ed.
L. Moereels. Ruusbroec
hertaald. 10 dln., 1975-1983).
Sinds de 12e eeuw heeft de mystiek in het Westen zich geuit in de
opbouw van een strenge systematiek, die met de toenmalige wetenschappelijke
middelen, die der scholastiek, werd opgezet. Hoogtepunt in dit opzicht is de
systematische mystiek van
Bonaventura (ca. 1217-1274), maar ook
bij Jan van Ruusbroec (1293-1381) komen we deze strenge systematiek tegen.
De mystieke teksten van
Hadewijch (rond 1240) en
Beatrijs van Nazareth (1200-1268) zijn
de oudste prozateksten die in het Middelnederlands zijn bewaard. In hun werk
staat de ‘minne’ (de liefde van de mens tot God) centraal. Van
Beatrijs van Nazareth is het traktaat Van seven manieren van heileger
minnen (ed.
Vekeman en Tersteeg, 1971) overgeleverd,
waarin deze ‘minne’ nauwgezet gedefinieerd wordt: de liefde van de
mens tot God is een geschenk van God. Deze liefde heeft zeven aspecten en heeft
alleen God als einddoel.
In het werk van Hadewijch (Het visioenenboek van
Hadewijch, ed.
Vekeman, 1980; De brieven van
Hadewijch, ed.
Mommaers, 1990) krijgt het systematische
inzicht van de onbereikbaarheid van de identificatie met het goddelijke de
lyrische trekken van de smart van een minnares, wier ‘orewoet’
(extase, vervoering, letterlijk ‘drift’, ‘vurigheid’)
uiteindelijk vastloopt op de afwezigheid van haar bruidegom Jezus Christus. Dit
geeft haar werk een emotionaliteit die bij de systematici veel minder duidelijk
is. Hadewijchs strofische gedichten (ed.
De Paepe, 1983) vormen de oudste mystieke
lyriek in de volkstaal.
Ook in het protestantisme heeft de mystiek geleefd, bijv. in het
piëtisme (piëtistische literatuur).
In reactie op het opkomende materialisme, in de kunst tot uiting
komend in het
naturalisme en in de politiek in socialisme
en marxisme, ontstaat aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e
eeuw een hernieuwde belangstelling voor de mystiek. Zo is bij
Lodewijk van Deyssel een relatie te
leggen tussen het laatste deel van zijn opklimmende reeks ‘impressie -
sensatie - extase’ met de mystiek: de fase waarin het ‘ik’ in
aanraking komt met het allerhoogste of het sublieme.
Ook bij
Paul van Ostaijen zijn mystieke
elementen aan te wijzen in zijn literatuuropvatting: in zijn manifest Et
Voilà vergelijkt hij het bereiken van de hoogste kunstvorm met de
unio mystica. Bij poëzie gaat het volgens hem net als bij de mystiek om
het uitspreken van het ‘onzegbare’. Daarbij beroept hij zich op
mystici als
Hadewijch,
Meester Eckhardt en
Katharina Emmerich.
Frans Kellendonk toont zijn fascinatie
voor religie en mystiek in zijn Verwey-lezing over
Vondels
Altaergeheimenissen, opgenomen in Geschilderd
eten (1988). Tegenwoordig oefent ook de oosterse mystiek
(boeddhisme, zenboeddhisme) veel invloed uit op de westerse cultuur.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Krywalski; Laan; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; H. Vekeman. ‘Van seuen manieren
van heiliger minnen”. Extase en traditie in een cultus van de minne’, in:
TNTL 88 (1972), p. 178-199; P. Mommaers. Wat is mystiek? (1977);
P. Verdeyen. Ruusbroec en zijn mystiek (1981); J. Reynaert. De
beeldspraak van Hadewijch (1981); P. Mommaers. Hadewijch, schrijfster,
begijn, mystica (1989); B. Borchert. Mystiek. Geschiedenis en
uitdaging (1989); G.J.M. Bartelink. De bloeiende woestijn. De wereld van
het vroege monachisme (1993); Th. Mertens [e.a.]. Boeken voor de
eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza (1993); W.J.H. Vekeman.
Hoezeer heeft God mij bemind. Beatrijs van Nazareth (1200-1268) (1993); J.
Bel. Nederlandse literatuur in het fin de siècle: een
receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900 (1993),
m.n. p. 97-118. [H. Struik/G.J. van Bork]
| |
mystificatie
Publicatie waarvan de auteur de opzet heeft om het publiek omtrent
de herkomst ervan om de tuin te leiden. Soms doet hij dat door voor te wenden
dat het geschrift door een ander is geschreven. Soms ook doet hij het voorkomen
alsof het geschrift uit het verleden stamt en nu voor het eerst wordt
gepubliceerd. Voorbeelden van de eerste soort zijn de
Julia (1885), geschreven onder het
pseudoniem Guido, maar in werkelijkheid door
Willem Kloos en
Albert Verwey, en de Lieven
Nijland-publicatie in De Nieuwe Gids (1892) door
Frederik van Eeden. Voorbeelden van de
tweede soort zijn de liederen van Ossian (1762) van
MacPherson en het
anoniem verschenen
Oera-Linda-Boek (1867) waarvan
Eelco Verwijs de auteur geweest zou zijn.
Een recenter voorbeeld is Willems Madock, uitgegeven en
vertaald door H.W.J. Vekeman (1977).
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Laan; Metzler; MEW; J. Grootaers.
Maskerade der muze (1954); W. Zaal. De verlakkers. Literaire
vervalsingen en mystificaties (1991); D. Hogenelst & F. van Oostrom.
Handgeschreven wereld (1995), p. 61. [G.J. van Bork]
| |
mythe
Term uit de genreleer voor een verhaal waarin (niet-christelijke)
godsdienstige elementen een rol spelen. Vaak behandelen mythen de invloed die
goden en demonen op de mens hebben. Er wordt een onderscheid naar inhoud
gemaakt tussen: 1) mythen die het ontstaan van goden, mensen, de wereld of het
hiernamaals beschrijven; 2) symbolische mythen, die een levensles of een
algemene waarheid illustreren; 3) aetiologische of verklarende mythen, die
natuurverschijnselen, of riten en tradities waarvan de betekenis niet (langer)
duidelijk is, verklaren. Vaak is niet meer vast te stellen of de rite
aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van een mythe, of dat de mythe de
grondslag voor een rite is geworden.
Soms onderscheidt men als een vierde soort de heldenmythe. Deze
vorm bevat een historische kern en handelt vaak over oorlogen en helden uit een
ver verleden. In de heldenmythe bemoeien de goden zich met het verloop van de
strijd en grijpen in het leven van de held in. Dergelijke heldenverhalen worden
vaak als
sage aangeduid, hoewel sagen niet
noodzakelijk godsdienstige elementen bevatten. Een heldenmythe kan schriftelijk
aan ons overgeleverd zijn in de vorm van een
epos (bijv. de Ilias
en de Odyssee van
Homerus).
De mondeling overgeleverde verhalen vinden later hun neerslag in
geschreven bronnen. Ze worden dan vaak opgevat als symbolische verhandelingen
over morele vraagstukken. Dat is bijv. het geval wanneer Griekse mythen
uitgelegd worden volgens de christelijke traditie, of verklaard worden als
betrekking hebbend op het collectieve onderbewustzijn van de mens, volgens de
ideeën die de psycholoog
C.G. Jung introduceerde.
Een mythologie kan men beschrijven als een systematisch geheel van
gegevens over bovennatuurlijke figuren. De twee mythologieën met de
belangrijkste invloed op de Nederlandse letterkunde zijn de klassieke en de
Germaans-Keltische. De klassieke mythologie is vooral veel gebruikt door de
dichters van de renaissance en het Frans-classicisme. In moderne poëzie
treft men vaak gegevens uit de Germaans-Keltische mythologie aan, evenals in
lyrisch proza, bijv. in Deirdre en de zonen van Usnach
(1920) van
A. Roland Holst.
In de moderne literatuurkritiek wordt de term mythe gebruikt om
een samenhang in beeldspraak en symboliek in het werk van één
auteur aan te duiden.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Brongers; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; Oosthoek; A.
Jolles. Einfache Formen (19684); C.G. Jung. De mens en
zijn symbolen (19777; C.M. Bowra. Heroic poetry
(19782); E.M. Moormann en W. Uitterhoeve. Van Achilleus tot Zeus;
thema's uit de klassieke mythologie in literatuur, muziek, beeldende kunst en
theater (19882); S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en
Christus. Klassieke en christelijke denkbeelden in de Nederlandse
renaissance-literatuur (1989), p. 25-39; R. van der Paardt. Mythe en
metamorfose; antieke motieven in de moderne literatuur (1991); F. Comte.
De grote mythologische figuren (1994). [H. Struik]
| |
mythografie
Een beschrijvende inventarisatie van de mythologische godenwereld
van de klassieken (mythe) zoals die in meer of minder
corrupte vorm via de Middeleeuwen aan de renaissance is overgeleverd en
vastgelegd in de mythografische werken van
Boccaccio (14e eeuw),
Giraldi,
Conti en
Cartari (allen 16e eeuw). Nederlandse
mythografieën die in verband met de bij de diverse goden behorende
symbolen geraadpleegd werden door zowel beeldende kunstenaars als door auteurs,
o.a. ten behoeve van de emblematiek (emblema), zijn de
Wtlegghinghe op den Metamorphoseon Pub. Ouidij Nasonis en
de Wtbeeldinghe der figueren als onderdeel van het
Schilder-boeck (1604) van
Van Mander, de Heydensche
afgoden, beelden, tempels en offerhanden (1646; ed.
Grootes 1987) van waarschijnlijk
Pieter Casteleyn, de
Geslacht-boom der goden en godinnen (1661) van
Joan Blasius en Het ryck der
goden (1686) van
Johannes Aysma.
LIT: Scott; E. Panofsky. Studies in iconology. Humanistic
themes in the art of the renaissance (1962); J. Seznec. The survival of
the pagan gods. The mythological tradition and its place in renaissance
humanism and art (1972); E.K. Grootes. ‘Heydensche afgoden, een
Haarlems godencompendium uit 1646’, in: Oud-Holland 102 (1988), p.
277-289; E.M. Moormann en Wilfried Uitterhoeve. Van Achilleus tot Zeus;
thema's uit de klassieke mythologie in literatuur, muziek, beeldende kunst en
theater (19882). [P.J. Verkruijsse]
| |
mythopoesis of mythopoëzie
Aanduiding voor het scheppen van een mythische (mythe) wereld, bevolkt met figuren die een symbolische functie
hebben. Men vindt mythopoëzie in het werk van
A. Roland Holst. Ook
Lucebert kan worden genoemd; men denke
aan het gedicht ‘Psychomachia’ uit zijn bundel
Amulet (1957), beginnend met de regels:
de vleeslijke denkers de spijsgeren belust op
de lokkende bellefleuren der spijsbegeerte
het principium identitatis der tanden
of het zwart of zoet gesmaakte genus proximum
allen hebben zich doodgegeten [enz.]
(Gedichten 1948-1963, ed.
Vinkenoog, 1965, p. 243-244).
LIT: Baldick; Buddingh'; Myers/Simms; Preminger; Scott. [G.J.
Vis]
| |
mythopoëzie zie
mythopoesis
|
1als het u bevalt en het in dank wilt
aannemen
2en dan ben ik er ook tevreden
mee
|
|