|
|
|
| |
I
| |
iconiciteit
Vormgevingsprincipe waarbij de auteur in de (vooral visuele)
presentatie van een tekst iets laat zien van wat er op inhoudelijk niveau aan
de orde is. Zo geeft
H.C. ten Berge (1938) in zijn gedicht
‘Maker en model’, handelend over een spiraalvormige beweging,
hiervan een typografische uitbeelding door de regels zo onder elkaar te
plaatsen, dat ze de indruk wekken van een spiraalvormig voorwerp:
naar het wit woordkristal
dat als laatste prijs wordt gegeven
waarna hij een bepaald soort wenteltrap (met alle gevolgen van
dien) aldus uitbeeldt:
zodat ik in mijn leegte stap
(De witte sjamaan, 1973, p. 8).
De toepassing van dit principe kan ook op andere niveaus dan het
visuele plaats vinden. Zo hanteert
Nijhoff de doorgaande ritmische beweging
van het
enjambement graag op plaatsen waar een
bewegingsnotie wordt uitgedrukt:
wij voelden hoe een groot
Waaien ons aangreep, hoe de wieken van de
Vaart van den tijd ons droegen naar den dood
Een bekende vorm van iconiciteit is het
figuurgedicht. Verwant is het
kalligram.
LIT: Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Cuddon; Gorp; Shipley;
G.J. Vis. ‘Iconiciteit en ritme; klankexpressie bij Nijhoff’, in:
FdL 32 (1991), p. 47-61. [G.J. Vis]
| |
iconografie
Kunsthistorische term voor de discipline die zich bezighoudt met
de onderwerpen en voorwerpen uit de beeldende kunst en met hun diepere
betekenis of inhoud. Er zijn in de iconografie drie stadia te onderscheiden die
samenhangen met de drie betekenislagen van een kunstwerk. In de
pre-iconografische beschrijving wordt een inventarisatie gemaakt van alles wat
op een kunstwerk waargenomen wordt zonder dat verbanden tussen de voorwerpen
gelegd worden en zonder dat er geïnterpreteerd wordt. In de fase van de
iconografische beschrijving wordt getracht de elementen van een voorstelling
met elkaar in verband te brengen opdat een thema of onderwerp herkend kan
worden. Voor deze tweede fase is kennis nodig van de vormgevingsprincipes uit
de tijd van het kunstwerk, zoals die bijv. in
mythografieën of in de bijbel zijn
overgeleverd. Voor de periode van de renaissance met name zal de aanpak van de
kunsthistoricus en die van de literair-historicus ten aanzien van de bimediale
genres als de emblematiek (emblema) parallel lopen.
In de derde fase, die van de iconografische interpretatie, wordt
gezocht naar de diepere, symbolische betekenis zoals die door de kunstenaar
bedoeld moet zijn. De daarop volgende iconologische interpretatie (iconologie) houdt zich bezig met de diepere betekenis van een
kunstwerk in een ruime cultuurhistorische context.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; MEW; R.S. Loomis. Arthurian legends
in medieval art (1938); R. Lejeune en J. Stiennon. De Roelandsaga in de
middeleeuwse kunst, 2 dln. (1966); K. Varty. Reynard the fox. A study of
the fox in medieval English art (1967); D.J.A. Ross. Illustrated
medieval Alexander-books in Germany and the Netherlands (1971); J.J.M.
Timmers. Christelijke symboliek en iconografie (19852); R.
van Straten. Een inleiding in de iconografie. Enige theoretische en
praktische kennis (19944). [P.J. Verkruijsse]
| |
iconologie
Kunsthistorische term voor de discipline die op basis van o.a. de
resultaten van de
iconografie zich tot taak stelt voorwerpen
van beeldende kunst in een algemeen cultuurhistorisch kader te plaatsen. Met
name waar het bimediale genres als het
emblema betreft, zijn er raakvlakken tussen
iconologie en neerlandistiek.
Voorbeelden van een combinatie van iconografische en
literair-historische gegevens tot een iconologische interpretatie vormen de
studies van
W.Gs Hellinga: Rembrandt
fecit 1642 (1956), waarin hij Rembrandts Nachtwacht in
relatie brengt met
Vondels Gysbreght van
Aemstel, en die van
A.J. Gelderblom: ‘Jonge zieltjes,
vlucht tot trouwen’ (in: id. Mannen en maagden in Hollands
tuin (1991), p. 94-119), waarin hij een nieuwe interpretatie geeft
van
Jan Luykens Duytse
lier.
LIT: Wilpert; R. van Straten. Een inleiding in de iconografie.
Enige theoretische en praktische kennis (19944). [P.J.
Verkruijsse]
| |
ictus
Term uit de prosodie voor het hoofdaccent (accent) in het
heffingsvers of in het metrische (metrum) vers. Zo kan men in de tweede regel van de beginstrofe
van het gedicht ‘Satyr en Christofoor’ van
Nijhoff op grond van de oppositie tussen
de woorden ‘water’ en ‘land’ aan twee van de drie
beklemtoonde syllaben (‘wa’, ‘dan’ en
‘land’) een extra nadruk geven (namelijk ‘wa’ en
‘land’), aldus:
Ach, Christofoor, vertrouwder
In 't water dan op 't land
(
M. Nijhoff. VG,
19744 p. 83).
Sommigen hanteren de term als synoniem van accent in
poëzie-1; anderen reserveren de
aanduiding voor de heffingsplaats in metrische poëzie.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler;
Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
ideal copy
Term uit de analytische bibliografie voor een op ideale wijze
samengesteld exemplaar van een
oplage,
uitgave of
druk. De door
Greg en
Bowersgeïntroduceerde term heeft
tot veel misverstanden geleid. Bowers verstond onder een ideal copy een boek
met het volledige aantal bladen zoals het na het drukproces in perfecte staat
de drukkerij verlaat, inclusief alle blanke bladen die deel uitmaken van een
katern en alle
cancels en toegevoegde bladen zoals die door
de drukker/uitgever bedoeld waren.
Als gevolg van de wijze van werken in een drukkerij ten tijde van
de handpers kunnen exemplaren van één oplage tal van verschillen
vertonen die hun weerslag kunnen hebben op de tekst van een boek. Aangezien het
vrijwel onmogelijk geacht moet worden om alle exemplaren van de oplage te
achterhalen en te
collationeren, menen velen - onder wie
Lorene Pouncey - dat het nastreven van
een ideal copy een idée-fixe is.
De nieuwe definitie van
Tanselle houdt meer rekening met de
tekstgeschiedenis dan die van Bowers. Een ideaal of standaardexemplaar is
volgens Tanselle een historische reconstructie van de
drukvormen van de exemplaren van een oplage.
Alle varianten met hun verschillende staten (staat), of
ze nu bedoeld of toevallig zijn, horen bij de beschrijving van een ideal copy
zolang de wijzigingen zich voltrokken hebben onder verantwoordelijkheid van de
drukker-uitgever.
De bibliograaf dient dus zoveel mogelijk exemplaren te achterhalen
en te collationeren. In de beschrijving van de ideal copy hoort naast de
collatieformule een overzicht van alle
gevonden
varianten in al hun staten. Een ideal copy
levert aldus het materiaal voor de drukgeschiedenis van een tekst. Vergelijking
van de ideal copies van de verschillende drukken van een tekst stelt de
tekstediteur in staat om een ideale tekst of
copy-text te reconstrueren.
LIT: Brongers; Feather; Gorp; Mathijsen; F. Bowers. Principles
of bibliographical description (1949; repr. 1994), p. 113-123; L. Pouncey.
‘The fallacy of the ideal copy’, in: The Library, 5th
series, 33 (1978), p. 108-118; G.Th. Tanselle. ‘The concept of
“ideal copy”’, in: Studies in Bibliography 33 (1980),
p. 18-53; P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983), p.
31-32. [P.J. Verkruijsse]
| |
ideale lezer
Term uit de
receptie-esthetica voor een hypothetische
lezer op tekstextern gebied. Deze is te beschouwen als degene die alles
realiseert en waardeert wat de auteur (bewust en onbewust) in zijn kunstwerk
tot stand heeft gebracht; als zodanig is de ideale lezer een spiegelbeeld van
de auteur zelf. Verwant aan deze instantie is het tekstinterne type van de
impliciete lezer, niet te verwarren met het
tekstexterne type van de
expliciete lezer. Er zijn stromingen geweest
in de receptie-esthetica die ervan uitgingen dat de ideale lezer gevonden kan
worden door kritische samenvoeging van het totaal van
reële lezers van een tekst.
LIT: Cuddon; H. Link. Rezeptionsforschung (1976); R.
Segers. Het lezen van literatuur (1980). [G.J. Vis]
| |
idee
Door
Maatje omschreven als de
probleemstelling van een literair werk. Van de drie elementen,
stof,
thema en idee, is de laatste het meest
abstract en in feite een interpretatieve samenvatting in enkele woorden van de
problematiek van een literair werk. Zo opgevat is de verhaalsituatie typisch
voor een bepaalde idee, d.w.z. ze is er een beeld (eidos) voor.
Drop spreekt in dit verband over de
‘centrale idee’ en de ‘subideeën’ van een roman.
Hoe hechter de roman geconstrueerd is, des te sterker de onderdelen ervan
bijdragen aan het beeld van de ‘centrale idee’. Het zal duidelijk
zijn dat er in deze zin een sterke verwantschap is tussen ‘idee’ en
de termen thema en
motief. Dezelfde problemen die zich voordoen
bij het vaststellen van de thema's en motieven in een literair werk, doen zich
voor bij het vaststellen van de idee. In de praktijk is de term nauwelijks
bruikbaar, omdat de receptiegeschiedenis van literaire teksten laat zien dat
verschillende lezers tot verschillende opvattingen komen t.a.v. zoiets als een
‘centrale idee’ in een literair werk. We hoeven daarvoor maar te
kijken naar de verschillende interpretaties die er in de loop der eeuwen
gegeven zijn aan de centrale problematiek van
Shakespeare's
Hamlet (ca. 1600) of, om een recenter voorbeeld te geven,
aan
Celine's Voyage au bout de la
nuit (1932). Bovendien is de eenheidsconceptie die ten grondslag
ligt aan het vaststellen van een centrale idee in een tekst aan discussie
onderhevig.
LIT: Bantel; Drop; F.C. Maatje. Literatuurwetenschap
(1970), p. 203-207; G.P. Knapp. ‘Stoff-Motiv-Idee’, in:
Grundzüge der Literatur- und Sprachwissenschaft, Bd. 1
(19806), p. 200-207; J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding
(1981). [G.J. van Bork]
| |
ideeëndrama
Term uit de toneel- of literaire kritiek voor een drama waarin een
bepaalde idee, meestal van wereldbeschouwelijke aard, centraal staat. Die idee
beheerst de persoonlijke lotgevallen van de dramatis personae. Sommigen zijn
van mening dat het
klassieke drama altijd tevens
ideeëndrama is. In dat geval zijn
J. van den Vondels Jozef in
Dothan (1640) en Lucifer (1654) goede
voorbeelden. De begrenzing van het begrip ten opzichte van geëngageerd
toneel of didactisch drama als bijv. Elkerlijc (15e
eeuw), is niet altijd duidelijk. Meestal overheerst de mening dat de idee zo
overheersend is, dat de personages die haar dragen, gereduceerd worden tot
bloedeloze papieren figuren. Om die reden zou men
Henriëtte Roland Holsts De
opstandelingen (1910) een ideeëndrama kunnen noemen. Veel
ideeëndrama's worden daarom ook gepresenteerd of opgevat als
leesdrama's.
LIT: Best; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
identiek rijm zie
gelijk rijm
| |
ideogram
Term uit de schriftgeschiedenis voor een schriftteken dat
abstracter en meer lineair is dan de meer concrete en figuratieve tekens uit
een eerder stadium van het schrift, de pictografie (pictogram).
LIT: BDI; Cuddon; Marouzeau; Morier; Scott; I.J. Gelb. A study
of writing (19632). [P.J. Verkruijsse]
| |
idiolect
Term uit de semiotiek en de literatuursociologie voor de taal van
één individu met individueel bepaalde eigenaardigheden. Als dit
individu de auteur is, valt het idiolect samen met auteursstijl (stijlsoort). Wordt de term echter gebruikt voor de taal van
personages uit een letterkundig werk, bijv. een roman, dan staat de inhoud van
het begrip in functie van de plot van het verhaal, en dient men deze inhoud te
relateren aan de
couleur locale die, door het specifieke
taalgebruik van de optredende figuren, wordt aangebracht om het gebruikte
dialect, het milieu, de zeden enz. te schilderen die in de tekst worden
gepresenteerd.
LIT: Baldick; Boven/Dorleijn; Cuddon; Myers/Simms; Shipley; G.E.
Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802); G.J. van
Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis (1986), p.
137-139. [G.J. Vis]
| |
idioticon
Een idioticon is een woordenboek dat de woordenschat van een
dialect beschrijft. Veel idiotica ontstonden in Vlaanderen onder
invloed van de romantiek en de Vlaamse Beweging, vaak met taalpolitieke
bedoelingen. Bekende voorbeelden daarvan zijn
L.W. Schuermans' Algemeen
Vlaamsch idioticon (1865-1870) en
L.L. de Bo's Westvlaamsch
idioticon (1873). Voor Noord-Nederland hebben de
woordenboeken van
Hoeufft van het Bredaas taaleigen,
Boekenoogen van de Zaanse volkstaal en
Ter Laan van het Gronings een zekere
reputatie. Sedert de tweede helft van de 20e eeuw wordt gewerkt aan
wetenschappelijk verantwoorde dialectwoordenboeken van het Brabants, Limburgs,
Vlaams en Zeeuws.
LIT: Best; Brongers; Hiller; Wilpert; D. Geeraerts en G. Janssens.
Wegwijs in woordenboeken (1982), p. 114-121. [P.J. Verkruijsse]
| |
idylle
Vorm van literatuur waarin de natuur, het landschap, flora en
fauna centraal staan. Veelal is de natuurbeschrijving verbonden met de
schildering van eenvoudige mensen als herders, vissers (visserszang) en boeren. Het genre is al bekend in de Griekse
Oudheid (Theocritus) en in de wereld van het Oude Testament (het boek Ruth met
het korenveld als decor van het verhaal). In de renaissance wordt de idylle
gecultiveerd in de
arcadia en de
pastorale-1. Schrijvers uit de tweede helft
van de 18e eeuw gaan de idylle gebruiken om thema's van liefde en vriendschap
te behandelen, zoals
E.M. Post doet in haar roman
Het land (1788). Bekende schrijvers van idyllische
literatuur zijn
A.C.W. Staring (‘Oogstlied’,
1786),
Hildebrand (‘Teun de Jager’,
1841),
J.J. Cremer (Betuwsche
novellen, 1852-1855) en
Pol de Mont (
Idyllen, 1882).
De naam idylle leeft voort in titels van 20e-eeuwse werken als
‘Een idylle’ (1941) van
M. Nijhoff en
G. Komrij's ‘Idyllen van de
achterpoort’ (1981).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; M.M. Prinsen.
De idylle in de achttiende eeuw in het licht der aesthetische
theorieën (1934); A.N. Paasman. Reinhart (1984), p. 20-23.
[G.J. Vis]
| |
ik-vertelwijze
Vertelvorm waarin het
perspectief ligt bij een ‘ik’,
die als verteller tevens personage is in het vertelde. Er kunnen verschillende
redenen zijn voor een schrijver om een ik-verteller te laten optreden. Een van
de belangrijkste is dat het de auteur in staat stelt het ik-personage te
schilderen in zijn meest intieme overwegingen en daarbij de indruk te wekken
dat het om een authentieke, bijna documentaire weergave gaat van de
belevenissen van dat personage. Men dient bij dit vertelprocédé
onderscheid te maken tussen het vertellend ‘ik’ en het belevend
‘ik’. De ik-verteller is in staat mededelingen te doen over heden
en verleden. Omdat hij zijn eigen geschiedenis kent, kan hij zowel over zijn
ervaringen in het verleden als over zijn toekomst vertellen wanneer hem dat te
pas komt. Het belevend ‘ik’ geeft alleen weer wat hem nu, op het
ogenblik van vertellen, overkomt. In dat laatste geval ontstaat de illusie dat
er geen verteller is.
Het perspectief van de ik-vertelwijze is inherent aan het
dagboek en is het gewone point of view van
de
dagboekroman. Maar ook de
briefroman kent een ik-verteller; het aantal
ik-vertellers valt erin samen met het aantal correspondenten. Omdat de lezer
volstrekt afhankelijk is van de ik-verteller en zijn visie, leent het
procédé zich uitstekend als
onbetrouwbaar perspectief. Voorbeelden van
romans waarin het perspectief bij een ‘ik’ ligt, zijn Een
nagelaten bekentenis (1894) van
Marcellus Emants en Nooit meer
slapen (1966) van
W.F. Hermans. Een ik-roman met een
meervoudig perspectief is
Menuet (1955) van
L.P. Boon.
LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Gorp;
Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; MEW; Prince; N. Friedman. ‘Point of
view in fiction’, in: PMLA 70 (1955), p. 1160-1184; B. Romberg.
Studies in the narrative technique of the first-person novel (1962);
F.K. Stanzel. Typische Formen des Romans (19673). [G.J. van
Bork]
| |
illegale literatuur zie
clandestiene literatuur
| |
illuminatie zie
boekverluchting
| |
illusionistisch toneel
Vorm van het drama waarin de toeschouwer in de illusie wordt
gebracht dat hij aanwezig is bij een gebeuren waar hij zelf geen deel aan heeft
en dus geen invloed op kan uitoefenen. Het begrip functioneert meestal als
distinctief kenmerk van het
klassieke drama of Aristotelische toneel
tegenover het
episch drama dat anti-illusionistisch
genoemd wordt. In het illusionistisch toneel wordt de illusie van echtheid
gewekt. In het episch toneel daarentegen weet de toeschouwer dat wat hij ziet
en hoort, fictie is en wordt hij door
vervreemdingseffecten daaraan telkens
opnieuw herinnerd, maar tegelijkertijd beseft hij de werkelijkheid achter het
vertoonde en zijn houding daar tegenover.
LIT: Best; Cuddon; Lodewick; Scott; S. Melchinger. Drama en
toneel (1959), p. 133. [G.J. van Bork]
| |
illustratie
Toelichting op een tekst of tekstgedeelte d.m.v. een afbeelding
(prent) via één van de grafische
technieken (gravure, litho, tekening, foto enz.). Vaak echter heeft de
illustratie niet alleen het doel iets nader toe te lichten, maar speelt zij een
rol in de boekproductie om de uitgave te verfraaien, soms zelfs zodanig dat
tekst en illustratie los van elkaar komen te staan. Men gebruikt in dat geval
ook wel de termen
boekverluchting of illuminatie.
Voorbeelden van illustraties zijn de middeleeuwse
miniatuur en de
randversiering, en de latere
vignetten. Uiteraard komen veel illustraties
voor in emblemataboeken (emblema), maar ook in
liedboeken en plaatsbeschrijvingen. Bekende
boekillustratoren uit de 17e eeuw zijn o.a.
Hendrick Goltzius,
Crispijn van de Passe,
Jacques de Gheyn,
Claesz Jansz Visscher,
Willem Buytewech en
Adriaen van de Venne.
Echte illustraties ter toelichting van de tekst kan men bijv.
aantreffen in naslagwerken, monografieën en geïllustreerde
tijdschriften. Een aardig voorbeeld vormen ook de illustraties van
De Vries bij de Natuurlijke
historie voor de jeugd (1872) van
De Schoolmeester.
Kinder- en jeugdliteratuur is over het
algemeen ook ruim van illustraties voorzien. Bekende illustratoren van
kinderboeken zijn
Rie Cramer,
L.W.R. Wenckebach,
C. Jetses en
Nelly Bodenheim. Een sterke koppeling van
illustratie en tekst vindt plaats in het
stripverhaal.
Voor tijdschriftillustratie werd in de 19e eeuw gebruik gemaakt
van houtgravures, soms zelfs met als voorbeeld een foto, bijv. in de
Katholieke Illustratie.
In feite behoort de illustratie als boekverluchting tot het
terrein van de
bibliologie.
LIT: BDI; Feather; Hiller; MEW; Wilpert; D. Wouters. Over het
illustreeren van leesboeken voor kinderen (1913); E. de la Fontaine Verwey.
De illustratie van letterkundige werken in de XVIIIe eeuw (1934); D.
Bland. A history of book illustration (1958); A. Witte. De vormgeving
van het boek (1965); D. Diringer. The illuminated book, its history and
production (19672); E. Braches. Het boek als nieuwe kunst,
1892-1903 (1973); H. de la Fontaine Verwey. ‘De gouden eeuw van de
Nederlandse boekillustratie, 1600-1635’, in: id. Uit de wereld van het
boek (dl. 2, 1976), p. 49-75; F. van der Linden. De grafische
technieken (19905); R. Kuipers. ‘Het gezicht van het
kinderboek’, in: H. Bekkering e.a. (red.). De hele Bibelebontse
berg (19902), p. 541-585; A.S. Korteweg (red.). Kriezels,
aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften
uit de vijftiende eeuw (1992); M. Altena. ‘Verslaggeving of
verbeelding?’, in: Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis 3
(1996), p. 111-123. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]
| |
imaginair reisverhaal
Reisverhaal dat de schijn wekt op
reële gebeurtenissen te berusten, maar in werkelijkheid
fictie is. De meeste imaginaire reisverhalen
gaan terug op authentieke reisjournalen (journaal) uit
de 16e en 17e eeuw, maar worden in de 18e eeuw vooral geschreven om de lezer in
contact te brengen met verlichte ideeën over religie, opvoeding,
staatkunde enz. Het is de bedoeling de lezer te confronteren met andere
opvattingen uit een ‘andere’ wereld, om hem daardoor kritischer
t.o.v. eigen opvattingen of toleranter t.a.v. vreemde standpunten te maken. Het
genre kende in het begin van de 18e eeuw een grote bloei. De bekendste
voorbeelden zijn
Defoe's Robinson
Crusoe (1719) en
Swifts Gulliver's
travels (1726). Tot de beste Nederlandse voorbeelden behoren
Hendrik Smeeks' Beschrijvinge
van het magtig Koningrijk van Krinke Kesmes (1708) en
G. Paapes Reize door het
Aapenland (1788), dat lange tijd aan
J.A. Schasz is toegeschreven.
LIT: Gorp; Knuvelder, dl. 2, p. 548-549, dl. 3, p. 220-221; P.J.
Buijnsters. Imaginaire reisverhalen in Nederland gedurende de 18e eeuw
(1969). [G.J. van Bork]
| |
imitatio of navolging
Term uit de poëtica en retorica voor het vrij en geestdriftig
navolgen - stilistisch óf inhoudelijk (vaak alleen door het overnemen
van motieven) - in de geest van een bewonderd auteur.
Vondel geeft het in zijn
Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunsteals volgt weer:
Zoo ziet men den besten meesteren de kunst af, en leert,
behendigh stelende, een' ander het zijne te laten. (ed. Werkgroep van
Utrechtse neerlandici, 1977, r. 130-131).
De imitatio, de
bewerking (in de mediëvistiek spreekt
men van
ontlening), staat op hoger niveau dan de
translatio (vertaling). In de praktijk lopen
translatio en imitatio in elkaar over. Het begrip ‘imitatio’ moet
duidelijk onderscheiden worden van de imitatie van de zichtbare werkelijkheid
door de kunstenaar, waarvoor de term
mimesis gehanteerd wordt.
De Amsterdamse hoogleraar
Gerardus Johannes Vossius onderkende in
zijn De imitatione (1647) de ‘imitatio
puerilis’ en de ‘imitatio virilis’. De eerste soort, die een
eerste fase in het leerproces vertegenwoordigde, beperkte zich gewoonlijk tot
slechts woord- of woordgroepontlening. De ‘volwassen’ imitatio
bestond uit een ‘imitatio servilis’, een angstvallige, meer slaafse
navolging, en een ‘imitatio ingenua’, waarbij de dichter zich op
een natuurlijke manier het vreemde eigen maakte.
LIT: Abrams; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Dupriez-1; Dupriez-2;
Gorp; Lausberg; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert;
J.D.P. Warners. ‘Translatio - imitatio - aemulatio’, in: NTg
49 (1956), p. 289-295; 50 (1957), p. 82-88, 193-201; S.F. Witstein.
Funeraire poëzie in de Nederlandse Renaissance (1969); E.K.
Grootes. ‘Het Berecht voor Jeptha en de Prolegomena van Grotius'
Phoenissae-vertaling’, in: Visies op Vondel na 300 jaar (1979), p.
236-246; J. Jansen. Brevitas. Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en
stijl in de renaissance (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
immanente poëtica
Aanduiding voor de
auteurspoëtica voor zover deze in zijn
creatieve werk aanwezig is. Men spreekt in dit geval ook wel van tekstinterne
poëtica. Deze kan impliciet of expliciet gegeven zijn, in beide gevallen
als onderdeel van de
impliciete auteur. De impliciete
tekstinterne poëtica is af te leiden uit de keuze van het onderwerp of uit
literaire vormgevingsprincipes zoals die blijken uit de plot, de structuur,
stijlfiguren, prosodie e.a., die tezamen het idiolect van de schrijver
uitmaken. De expliciete immanente poëtica kan te vinden zijn in de
thematisering, soms direct, bijv.
Nijhoffs gedicht ‘De
schrijver’ (VG, 19744, p. 404), soms indirect, bijv.
H. Andreus' gedicht
‘Fluitspelen’ (VG, 1985, p. 27).
De bestudering van de immanente poëtica kan nut hebben van en
voor de tekstexterne poëtica zoals die te vinden is in manifesten,
kritieken, correspondenties of uitlatingen in interviews van de auteur.
LIT: Best; Buddingh'; MEW; W.J. van den Akker. Een dichter
schreit niet (1985), p. 14-18; G.J. Vis. ‘Vorm en functie in de
poëzie. Een methodologische verkenning, met voorbeelden uit het werk van
J. Kinker en W. Kloos’, in: SpL 33 (1991), p. 247-260. [G.J.
Vis]
| |
immutatio
Het vervangen van een onderdeel uit een geheel door een ander
onderdeel dat nog geen deel uitmaakte van dat geheel. Naast de
adiectio,
detractio en de
transmutatio is de immutatio
één van de vier wijzigingsmogelijkheden binnen de
dispositio.
Een voorbeeld van een immutatio is het vervangen van een gewoon
woord door één van de
tropen-1. In een wat groter verband kan men
als immutatio zien het vervangen van ‘visser’ door
‘jager’ en ‘zee’ door ‘bos’ in het
handschrift van
Hoofts Chanson a
Madame, vervangingen die nodig waren geworden door adiectio van een
nieuwe slotstrofe. (Vgl. Uit Hoofts lyriek, ed.
Zaalberg, 19754, p. 19-21).
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
imperfect rijm zie
halfrijm
| |
impliciete auteur, implied author of persona
poëtica
Term uit de verteltheorie voor de in het vertelde zelf
geïmpliceerde auteur en wel speciaal het beeld dat de lezer daarvan
tijdens het lezen opbouwt. De term ‘implied author’ werd
geïntroduceerd door
W.C. Booth voor de door de lezer als
zodanig ervaren auteur die met zijn opvattingen, oordelen en ideologie achter
of in het verhaal aanwezig is als ideale, en in feite literaire creatie van de
werkelijke auteur. De impliciete auteur mag niet verward worden met de
verteller, al is het maar omdat die binnen
het verhaal onbetrouwbaar kan blijken. Maar ook de werkelijke auteur valt niet
samen met de ‘implied author’, bijv. niet omdat van dezelfde auteur
verschillende werken met verschillende impliciete auteurs denkbaar zijn. De
impliciete auteur is een instantie tussen verteller en reële auteur in,
nl. de door de lezer waargenomen abstracte auteur die met zijn levenshouding en
bedoelingen voor die van het werk staat.
LIT: Abrams; Baldick; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince; W.C.
Booth. The rhetoric of fiction (1961); H. Link.
Rezeptionsforschung (1976). [G.J. van Bork]
| |
impliciete lezer of fictionele lezer
Term uit de
receptie-esthetica waarmee het geheel van
teksteigenschappen wordt aangeduid dat een lezer leidt bij de receptie van een
tekst, bijv. om hem de betekenissamenhang van die tekst te doen doorzien. In
feite betreft het de verteltechnische manipulaties van de auteur-verteller om
zijn bedoelingen, opvattingen e.d. op de lezer over te brengen, bijv. door hem
een bepaalde indentificatie op te leggen via het vertelprocédé.
De mogelijkheden daartoe lijken bij een
auctoriale vertelwijze groter dan bij een
scenische presentatie of een neutrale
vertelwijze, maar ook bij die laatste vertelvormen blijken tal van
sturingsmiddelen werkzaam.
LIT: Bergh; Herman/Vervaeck; W. Iser. Der implizite Leser
(1972); H. Link. Rezeptionsforschung (1976); W. Iser. The art of
reading (1978). [G.J. van Bork]
| |
impliciete metafoor, functionele metafoor,
organische metafoor of structurele metafoor
Vorm van
metaforiek waarbij de beeldspraak niet
expliciet is gegeven, zoals in een
als-vergelijking, maar bedekt, zodat alleen
het beeld wordt gepresenteerd en niet het verbeelde. Het beeld is symbolisch
(symbool) en bevat de strekking (het verbeelde) die de
lezer zelf kan invullen.
In het dagelijks taalgebruik is de impliciete metafoor te vinden
in menig
gezegde. In de literatuur kan men denken aan
een versregel als ‘de pijn van het bloed’ (
M. Nijhoff. VG, 19744,
p. 54), waarbij de lezer zelf buiten de tekst moet zoeken naar datgene wat door
‘bloed’ verbeeld kan zijn.
LIT: Cuddon. [G.J. Vis]
| |
implied author zie
impliciete auteur
| |
impresa of devies-1
Uit de kledingmode van het einde van de 15e eeuw in
Italië ontwikkeld genre, bestaande uit een afbeelding (pictura) en een spreuk (motto-2), dat
van grote invloed is geweest op het ontstaan van het
emblema. De op de (aanvankelijk militaire)
kleding gedragen insignes met spreuken (zinspreuk-2)
vormden een soort rebus die kenmerkend moest zijn voor het persoonlijke levens-
of beroepsideaal van de drager. De impresa werd als maniëristisch (maniërisme) literair genre gevestigd door het werk van
Paolo Giovo, Imprese militari
e amoroso (1555). Tal van drukkersmerken staan kennelijk in de
traditie van het devies, evenals het
ex-libris.
Ook het
blazoen van de rederijkerskamers vormt door
combinatie van beeld en spreuk een devies, dat kenmerkend was voor de
desbetreffende kamer. Vaak zijn de deviezen religieus van aard en sluiten ze
aan bij de door het Nieuwe Testament ingegeven naam van de kamer, zoals
‘Mijn werc es hemelic’ van de Brugse kamer Van den Heiligen Geest,
of ‘In liefde bloeiende’ van de Amsterdamse kamer De Eglentier, met
als afbeelding Christus aan het kruis.
LIT: Best; Gorp; Metzler; P. van Duyse. De rederijkkamers in
Nederland, dl. 1 (1900), p. 49-54, 61-66; J.J. Mak. De rederijkers
(1944); K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse emblemataliteratuur
(1977), p. 17-19; K. Porteman. ‘T'is al goet was cunste doet.
Beschouwingen bij een drukkersmerk van de gebroeders Van de Venne’, in:
Liber amicorum Leon Voet (1985), p. 329-345. [P.J. Verkruijsse/W.
Kuiper]
| |
impressionisme
Term ontleend aan de schilderkunst waarmee wordt aangegeven dat de
kunstenaar de dingen niet weergeeft zoals ze zijn, maar zoals ze zich aan hem
voordoen in een onmiddellijke en vaak kortstondige indruk, veelal onder invloed
van licht, kleur en beweging. De term werd voor het eerst gebruikt in een
kritiek n.a.v. de Parijse tentoonstelling van het schilderij Impression.
Soleil levant (1874) van
Claude Monet.
De Nederlandse impressionistische schilders (
Breitner,
Israëls,
Mauve e.a.) onderhielden nauwe contacten
met een aantal schrijvers die behoorden tot de
Tachtigers. De invloed die er van hun
schilderijen uitging op de literatuur, uitte zich in een sterke
zintuigelijkheid en een grote kleurgevoeligheid. In zinnen als ‘de
donkere vlekjes hunner lichaampjes bekriebelden en bespikkelden het groote,
open plein, waarop een luwe voorjaarszon brandde’ (
F. Netscher. Studies naar het
naakt model, 1886, p. 197) tracht de auteur de onmiddellijke indruk
van het wisselende spel van licht en beweging vast te leggen en over te brengen
op de lezer. Vooral het proza van
Van Deyssel, in het bijzonder het 13e
hoofdstuk van diens roman Een liefde (1886), geeft
voorbeelden van impressionistische beschrijvingskunst, uitlopend op Van
Deyssels
sensitivisme. Maar ook tal van andere auteurs
trachtten het impressionisme van de schilders in woorden te vertalen, met name
Gorter,
Van Looy,
Netscher,
Prins,
Teirlinck,
De Laey,
Buysseen
Streuvels.
Het literaire impressionisme vindt in Nederland en
België zijn hoogtepunt tussen 1880 en 1910, vaak speciaal als
één van de aspecten van het
naturalisme, de zogenaamde
‘écriture artiste’. Opvallend is de voorkeur voor de
prozaschets (schets) als een middel om het voorlopige en
vluchtige van de indruk vast te leggen. De nauwkeurige schildering van licht,
kleur en beweging leidde tot het zoeken naar een adequaat uitdrukkingsmiddel,
dat dan vaak gevonden werd in
neologismen (‘zilverkrulden’,
‘krulrinkeling’, ‘schubbige lachjes’) en
woordkoppelingen (‘donker-glansde’, ‘licht-zwartte’,
‘goud-geel-waseming’).
Voor
Van Deyssel vormde het impressionisme
onderdeel van de noodzakelijke stadia die de kunstenaar moest ondergaan om tot
het hoogste te geraken: observatie - impressie - sensatie - extase. Er is dan
ook een nauwe samenhang tussen het impressionisme en het sensitivisme; Van
Deyssel noemt het sensitivisme ‘het zijn vader overtreffende kind van de
Impressie’ (Verzamelde opstellen, 1907, p. 49).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Krywalski; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.
Dekker. Die impressionisme in die Nederlandsche letterkunde (1933); R.F.
Lissens. Het impressionisme in de Vlaamsche letterkunde (1934); G. Brom.
Schilderkunst en litteratuur in de 19e eeuw (1959). [G.J. van Bork]
| |
impressum
Bibliografische term voor dat gedeelte van een
titelbeschrijving waarin de plaats van
uitgave of druk, de naam van de uitgever of drukker en het jaar van uitgave van
een publicatie vermeld worden. Afhankelijk van de doelstelling van de
bibliograaf en van het te beschrijven materiaal worden afwijkende regels
gehanteerd voor het noteren van het impressum. In de
analytische bibliografie zal men bij een
volledige beschrijving van de
titelpagina van drukwerk uit de
handpersperiode het impressum onverkort opnemen; bij een verkorte beschrijving
als bijv. voor de
STCN wordt de informatie in
gestandaardiseerde vorm genoteerd. Voor recenter drukwerk worden de regels van
de FOBID gevolgd, waarbij ook een vaste interpunctie tussen de onderdelen van
het impressumveld wordt voorgeschreven. Zo luidt bijv. in volledige vorm het
impressum van
Johan de Brunes
Emblemata als volgt: ‘t'Amsterdam bij
Ian Evertsen Kloppenburch, Boeckverkooper
op 't water inden vergulden Bybel, teghen over de kooren-marckt. Anno
1624’; voor de STCN wordt de beschrijving: ‘Amsterdam,
J.E. Cloppenburgh bsr. [=
bookseller], 1624’. Beschouwd als modern boek, zou het worden: ‘ -
Amsterdam:
J.E. Kloppenburch, 1624’.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; MEW;
Scott; Wilpert; Regels voor de titelbeschrijving, 1: Beschrijvingsregels
voor niet-seriële publikaties (1978), p. 41-47; Handleiding voor de
medewerkers aan de STCN (19882), p. 44-54. [P.J.
Verkruijsse]
| |
imprimatur, evulgetur of nihil obstat
Latijnse formule op de verso-zijde van het titelblad, soms ook
achterin, waarmee door de rooms-katholieke censor (censuur) wordt aangegeven dat een door een katholiek auteur
geschreven boek gedrukt (imprimatur = het worde gedrukt) en verspreid
(evulgetur) mag worden of dat er geen bezwaren zijn (nihil obstat). De
katholieke (preventieve) censuur van boeken is geregeld in de Codex
juris canonici (1385), waarin werd vastgelegd dat alle
bijbeluitgaven en -commentaren, gebedenboeken en theologische geschriften
moesten worden voorgelegd aan de censor van het desbetreffende diocees. De
formule bestaat uit ‘imprimatur’, ‘evulgetur’ of
‘nihil obstat’ gevolgd door een of meer plaatsnamen, data en namen
van censoren en/of andere kerkelijke-overheidsdienaren. Soms wordt het
imprimatur gecombineerd met één of meer van de andere mogelijke
formules: evulgetur, nihil obstat of
approbatur (goedgekeurd). Het verlenen van het
imprimatur, evulgetur of nihil obstat betekent alleen maar dat er geen
dwalingen tegen de katholieke moraal of leer in het desbetreffende werk
voorkomen; een volledige instemming met de inhoud van een boek wordt slechts
verleend via het approbatur. Zo heeft bijv. een biografische brochure van
J. Mahieu, Onze gelukzalige Jan
van Ruusbroec in de serie Geloofsonderricht-Canisiusblad, achterin:
‘Imprimatur Brugis, 12 Maii 1932. Henricus, Episc. Brugen’ De
biografie Het leven van Guido Gezelle door
Alois Walgrave, een uitgave van de
Wereldbibliotheek, heeft: ‘Imprimatur: Mechliniae, 6 Augusti 1923. J.
Thijs, Can., Lib. cens.’ Een uitgave waarin alle drie de formules zijn
afgedrukt is pater B. Kruitwagens Laat-Middeleeuwsche paleografica,
paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; MEW;
Scott; Wilpert; B.Th. Stoverink. De Index en de boekencensuur in de R.-K.
kerk (1920); M. Custers. Kerkelijke boekenwetgeving (1960); H.A.
Enno van Gelder. Getemperde vrijheid (1972). [gvb/pv]
| |
impungeren
Term uit de manuscriptologie voor het weer geldig maken van een
aanvankelijk geschrapt tekstgedeelte door het plaatsen van punten onder de
desbetreffende tekst. Het is het tegenovergestelde van
expungeren, het door middel van
ondergeplaatste punten ongeldig maken van een gedeelte van een tekst in een
codex, een werk uit de
prototypografie of een
incunabel.
Een tekstediteur kan een impungatie na schrapping weergeven met de
volgende
diacritische tekens-1: [-.a.].
LIT: P.J. Verkruijsse. ‘Over diplomatisch editeren van
handschriften en het gebruik daarbij van diacritische tekens’, in:
Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346. [P.J. Verkruijsse]
| |
impure poëzie zie
onzuivere poëzie
| |
in medias res of mediis in rebus
Term uit de poëtica voor ‘midden in de
gebeurtenissen’, ontleend aan
Horatius' Ars
poetica: ‘Semper ad eventum festinat et in medias res / Non
secus ac notas auditorem rapit’ (hij haast zich altijd naar de ontknoping
toe en brengt zijn toehoorders onmiddellijk midden in de gebeurtenissen alsof
ze daarvan reeds op de hoogte zijn). Dit literair procédé, het
tegenovergestelde van
ab ovo, brengt de lezer, luisteraar of
toeschouwer meteen midden in de actie; via
retroversie of
bodeverhaal kunnen de voorafgaande
gebeurtenissen later verhaald worden. Genres die heel vaak mediis in rebus
beginnen, zijn het
epos en de
detectiveroman.
LIT: Baldick; Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; Lodewick; Myers/Simms;
Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
in memoriam
Tekst geschreven ter herdenking van een overledene. Soms wordt
voor dergelijke teksten (mortuaire literatuur) een bij
uitstek literaire vorm gekozen. Zo schreef
M. Nijhoffen gedicht ‘Bij de dood
van Albert Verwey’ (VG, 19632, p. 451-453) en
H. Marsman een ‘In memoriam
P.M.-S.’ (VW, 1960, p. 59).
P.A. de Genestet herdacht met een
‘In memoriam’ (Complete gedichten, ed.
Oort, 19122, p. 370-375) de
in 1855 overleden auteur Abraham des Amorie van der Hoeven.
LIT: BDI; Cuddon; MEW; Myers/Simms. [G.J. van Bork]
| |
incantatie
Term uit de folklore voor het gebruik van rituele formuleringen of
toverformules (vgl.
sprookje), gezongen of gesproken, met een
magisch effect. Het bezwerende karakter ervan maakt de incantatie verwant aan
primitieve literatuur. In de Nederlandstalige cultuur leeft de incantatie voort
in afzonderlijke bezweringsrijmen. Zo zeiden boeren in Wijtsgate
(West-Vlaanderen), om ongedierte te bestrijden, bij het
uitstrooien van een handvol aarde het volgende rijmpje:
't Is Jezus van Nazareth,
Eet eerde, maar de vruchten niet!
(
K. ter Laan. Folkloristisch
woordenboek, 1949, p. 34).
LIT: Baldick; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Preminger;
Scott; J. van Haver. Nederlandse incantatieliteratuur. Een gecommentarieerd
compendium van Nederlandse bezweringsformules (1964). [G.J. Vis]
| |
incarnatie zie
chronogram
| |
incipit of initium
De eerste regel van een tekst in een
codex of
incunabel die het begin van de tekst
aangeeft. Omdat middeleeuwse (literaire) werken meestal geen
titel hebben in de huidige betekenis van het
woord (gedrukte teksten hebben vaak een
titelpagina), is het geven van de
beginregels een vast onderdeel van de beschrijving van handschriften en
incunabelen (bibliografie,
codicologie). Aan de hand van deze incipits
zijn
indexen-1 samengesteld, die kunnen dienen
als hulpmiddel bij tekstidentificatie (bijv.
L. Thorndike &
P. Kibre. Catalogue of
Incipits of Mediaeval Scientific Writings in Latin
(19632). Behalve het incipit geeft men in bibliografische
beschrijvingen ook de slotregel(s), het
explicit.
Liederen en gedichten zijn nu (ook) nog vaak op beginregel
geordend.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; Metzler; MEW. [H.
Struik]
| |
incrementum
Term uit de retorica voor een van de mogelijkheden van
amplificatio (naast
comparatio,
congeries en
enthymema), nl. het belangrijker maken van
een zaak door trapsgewijs opvoeren van zowel
res als
verba.
Voorbeeld: Het is fout om zonder vragen een boek mee te nemen, het
is een overtreding om een tiendelige encyclopedie te stelen, het is pure
misdaad om een gehele bibliotheek leeg te roven.
LIT: Best; Cuddon; Lausberg; Metzler; Scott; Ueding. [W.
Kuiper]
| |
incunabel of wiegendruk
Boek gedrukt in de beginperiode van de boekdrukkunst (ca. 1450 tot
1500). In hun uiterlijke vorm volgen de incunabelen tot in de details de
handgeschreven boeken (codex) na: zij zijn weliswaar met
losse, steeds opnieuw te gebruiken letters geproduceerd, maar de lettertypes
(gotisch schrift), de afkortingen (abbreviatuur), de indeling, de structuur enz. werden van de
handschriften overgenomen. Net als bij de codex ontbrak het
titelblad.
Initialen-1 en
penwerk werden met de hand aangebracht.
Kenmerkend voor de incunabelperiode is bovendien dat iedere drukker zijn eigen
letters liet snijden en gieten; het drukwerk heeft daardoor een sterk
individueel karakter, terwijl van lokale of nationale kenmerken nog nauwelijks
sprake is.
De incunabelperiode duurt niet in alle landen precies even lang:
in Italië is ze rond 1490 afgelopen, inFrankrijk omstreeks
1510, in Duitsland ongeveer 1520 en in de Nederlanden pas tegen
1540. Omdat de definitie van incunabel het jaar 1500 als uiterste grens heeft,
noemen we tussen 1500 en 1540 in Nederland gedrukte boeken
postincunabelen. Deze vertonen steeds minder
de kenmerken van het middeleeuwse handschrift.
De incunabelen behoren tot de best beschreven categorieën
drukwerk. Reeds in 1874 publiceerde
M.F.A.G. Campbell zijn Annales
de la typographie néerlandaise au XVe siècle,
sindsdien van een aantal supplementen voorzien. Er zijn incunabelcatalogi van
het British Museum, van Amerikaanse (door
F.R. Goff), Duitse (de
Gesamtkatalog der Wiegendrucke), Belgische (door
M.L. Polain) en Nederlandse bibliotheken (
Incunabula in Dutch libraries). De ISTC (Incunable short
title catalogue) van de British Library is beschikbaar via
Pica.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Laan;
Metzler; MEW; Scott; Wilpert; H. de la Fontaine Verwey. ‘De geboorte van
het moderne boek’, in: id. Uit de wereld van het boek, dl. 1
(19823), p. 13-41; P.F.J. Obbema e.a. Boeken in Nederland.
Vijfhonderd jaar schrijven, drukken en uitgeven (1979); L. Febvre &
H.J. Martin. The coming of the book. The impact of printing 1450-1800
(19842); H.D.L. Vervliet. ‘Het landschap van de Nederlandse
incunabelen: een verkennend onderzoek naar publikatiepatronen’, in:
Liber Amicorum Herman Liebaers (1984), p. 335-353; H. Pleij.
‘Literatuur en drukpers: de eerste vijftig jaar’, in:
Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen (1990), p. 137-157. [H.
Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
index-1 of register
Letterlijk een aanwijzer van waar iets staat in een boek,
tijdschrift of documentatiesysteem met het doel de erin opgenomen informatie op
logische wijze toegankelijk te maken. Dat gebeurt door bepaalde woorden en
namen te selecteren en daarachter de paginanummers op te sommen waar de
desbetreffende woorden en namen voorkomen. De automatisering heeft het mogelijk
gemaakt om teksten ook compleet te indiceren, al dan niet in context, waardoor
men complete woordindices krijgt die van belang kunnen zijn bij taalkundig en
stilistisch onderzoek. Indices kunnen op verschillende wijze geordend zijn:
alfabetisch (op namen, titels en/of trefwoorden), systematisch (waaronder
chronologisch, geografisch) of een combinatie daarvan, afhankelijk van de aard
(primaire dan wel
secundaire literatuur) en ordening van de
publicatie.
Gewoonlijk wordt primaire literatuur niet geïndiceerd,
behalve juist via complete woordindices (
R. Eeckhout en
W. Martin. Woordindex op Mei van
Gorter, 2 dln. 1969-1971;
P.K. King. Complete
word-indexes to J. van den Vondel's Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst and
Lucifer, 1973), maar bij het editeren van literaire teksten zou men
kunnen denken aan indices op bijvoorbeeld
thema's en
motieven (zoals ten behoeve van
bibliotherapie) en namen van roman- en
mythologische figuren. Indices op namen en trefwoorden vindt men in Nederlandse
boeken vanaf de 16e eeuw.
De index is verwant aan de inhoudsopgave, die echter de structuur
van de publicatie volgt, en aan de
concordantie-1, die echter de trefwoorden
binnen een context plaatst en daarom ook wel KWIC (Key Word In Context)-index
genoemd wordt. De term
klapper wordt gereserveerd voor gebruik in
de archiefwereld.
Belangrijke reeksen indices op tijdschriften zijn de
Bibliografie van de Vlaamse tijdschriften (BVT), voortgezet als
Bibliografie van de literaire tijdschriften in Vlaanderen en Nederland
(BLTVN), door
Rob. Roemans en
Hilda van Assche, de reeks Literaire
Tijdschriften in Nederland (LTN) onder een redactiecommissie en de serie
Bibliografie van de Vlaamse tijdschriften in de negentiende eeuw van
Ada Deprez. Verder worden in rubriek G
van het Vermakelijk bibliografisch ganzenbord (19835) van
A.M.J. van Buuren,
W.P. Gerritsen en
A.N. Paasman, en in het
computerprogramma BIZON vele andere registers op tijdschriften vermeld.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; Ned.
Arch.-term.; Scott; Wilpert; R.L. Collison. Indexes and indexing (1959);
K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p. 181; A.O. Kouwenhoven
(red.). Handboek bibliografie (1995), p. 92-98. [P.J. Verkruijsse]
| |
index-2
Verzamelnaam voor die tekens (symbool) die
berusten op contiguïteit, zoals de
metonymia en de intertekstuele verwijzing
(intertekstualiteit).
Zo wordt in het volgende voorbeeld de gitaar lachend voorgesteld
en daardoor een
personificatie. De gitaar is getuige van de
lach van de gitarist en verwijst daarnaar, niet door overeenkomst, maar door
een causale/temporele relatie: op de gitaar wordt een melodie gespeeld die
betrekking heeft op degene voor wie de speler lachend zijn gevoel vertolkt:
Het wordt stil in de tuin, als mijn gitaar
De melodie lacht van haar zoeten naam.
(
M. Nijhoff, VG, 1995, p.
156).
LIT: Alphen; Baldick; Boven/Dorleijn; Prince. [G.J. Vis]
| |
index expurgatorius
Een door de rooms-katholieke kerk opgestelde lijst van passages in
een geschrift die moeten worden verwijderd voor de tekst onder de ogen van de
gelovigen mag komen. Wanneer de kerkelijke censor geconstateerd had dat er in
de tekst geen dwalingen tegen de kerkelijke leer voorkwamen, kon een
imprimatur (toestemming tot drukken), een
evulgetur (toestemming tot verspreiding), een nihil obstat (geen bezwaar) of
een
approbatur (goedkeuring) volgen.
LIT: Cuddon; Scott. [G.J. van Bork]
| |
Index librorum prohibitorum
Lijst van boeken die op grond van gevaar voor geloof en goede
zeden door de rooms-katholieke kerk zijn verboden. De rooms-katholieke kerk
heeft sinds haar ontstaan altijd getracht de gelovigen te beschermen tegen
haars inziens gevaarlijke gedachten en geschriften. Meestal is
censuur gebaseerd op angst voor ondermijning
van religieus of politiek gezag en worden onwelgevallige werken of passages
daaruit geweerd of verboden onder de dekmantel van morele overwegingen. De
katholieke (preventieve) censuur van boeken is geregeld in de Codex juris
canonici (1385), waarin werd vastgelegd dat alle bijbeluitgaven en
theologische geschriften moesten worden voorgelegd aan de censor van het
desbetreffende diocees. Na de uitvinding van de boekdrukkunst en als gevolg van
de reformatie nam de verspreiding van de kerk onwelgevallige boeken zo'n hoge
vlucht dat deze preventieve censuur onvoldoende was. De Index librorum
prohibitorum - meestal kortweg als ‘de index’ aangeduid - werd
in 1559 voor het eerst ingesteld door paus Paulus IV (1555-1559) en diende ter
censurering achteraf: al verschenen boeken mochten door de gelovigen niet
worden gelezen. Kritische, katholieke auteurs werden hierbij niet gespaard; de
Colloquia (colloquium) van
Erasmus (1466/69-1536) werden op de index
geplaatst vanwege de kritische en satirische toon van de inhoud, waarbij
allerlei uiterlijke ceremonieën als de biecht en de beeldenverering het
moesten ontgelden en de geestelijkheid werd bespot.
De index is voor het laatst verschenen in 1948, waarna echter nog
veel nieuwe werken werden verboden. Paus Johannes XXIII (1958-1963) verhinderde
echter iedere nieuwe toevoeging. De index werd in 1966 opgeheven door paus
Paulus VI (1963-1978). Sindsdien worden lijsten gepubliceerd met ontraden
boeken.
LIT: Baldick; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Laan; LdMA;
Scott; Wilpert; B.Th. Stoverink. De Index en de boekencensuur in de
R.-K.kerk (1920); M. Custers. Kerkelijke boekenwetgeving (1960);
C.J. Aarts en M. van der Pluijm. Verboden boeken. Verboden door Pausen en
dictators, puriteinen en boekenhaters (1989). [H. Struik]
| |
indirecte lyriek
Aanduiding voor die vorm van
lyriek die, in tegenstelling tot de
directe lyriek, geen rechtstreekse
gevoelsuiting van een ‘ik’ is, maar de persoonlijke uitspraak langs
een omweg formuleert, bijv. door middel van
symbolen, of door hantering van de hij-vorm
in plaats van de ik-vorm, waardoor een projectiefiguur ontstaat, zoals in de
gedichten getiteld ‘De schrijver’ van
M. Nijhoff (VG 1974, p.
404-406).
LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Lodewick. [G.J. Vis]
| |
indirecte rede
Weergave van de woorden of gedachten van een personage, waarbij -
in tegenstelling tot de
directe rede - die woorden of gedachten niet
rechtstreeks worden weergegeven, maar in een bijzin worden omgezet, bijv.:
Frits dacht: ‘Het zal mij niet lukken op tijd te komen’ (directe
rede) wordt omgezet tot: ‘Frits dacht dat het hem niet zou lukken op tijd
te komen’ (indirecte rede).
Tussen de directe rede en de indirecte rede in ligt de
style indirecte libre.
In de verteltheorie functioneert de directe rede als rechtstreekse
weergave van de woorden van een
acteur en men kan die weergave dan ook
‘dramatisch’ noemen. Het lijkt alsof de verteller daar afwezig is,
terwijl hij in de indirecte rede aanwezig is als ‘vertaler’ van de
directe rede.
LIT: Bal; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Scott; Wilpert.
[G.J. van Bork]
| |
ingeslopen glos
Abusievelijk in de tekst van een
codex opgenomen verklaring van of
toelichting op een verouderd, vreemd of anderszins ongewoon woord (glos) die oorspronkelijk in de marge of de interlinie van een
tekst geschreven was. Dit verschijnsel treedt op, wanneer een geglosseerd
handschrift gebruikt wordt als
legger en de kopiist een glos onjuist als
een
correctie interpreteert. In zijn uitgave van
Van den vos Reynaerde vermeldt
Lulofs in het commentaar bij vs. 344 dat
het in handschrift A voorkomende woord ‘want’ (= gevlochten of
lemen muur) een ingeslopen glos betreft als verklaring voor het woord
‘muur’ (Van den vos Reynaerde, ed. Lulofs, 19852,
p. 299).
LIT: B. Bischoff. Paläographie des römischen
Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p.
55-64. [H. Struik]
| |
inhoud
Term uit de literaire kritiek en de literatuurwetenschap voor dat
aspect van een tekst dat - in tegenstelling tot de
vorm - is samen te vatten in een parafrase.
Bij verhalende teksten in proza wordt de inhoud dikwijls gelijkgesteld met de
fabel-2 (thema). De
criticus of de onderzoeker poogt bij de beschrijving van de fabel
gebeurtenissen en personages weer te geven in termen van eigenschappen en
relaties. Deze werkwijze lijkt op die van een historicus die een stukje
geschiedenis uit de niet-fictionele wereld probeert te beschrijven. Vergeleken
met narratief proza biedt poëzie in het algemeen meer problemen voor de
analyticus om tot een inhoudsweergave te komen. De stijl van een gedicht is,
door
woord- en zinsfiguren,
gedachtefiguren, prosodische vormgeving
(prosodie), concentratie, bouw e.a., dikwijls zo
dominant - ook als het niet een vorm van
poésie pure betreft - dat het veelal
niet goed mogelijk is om aan te geven waarover het gedicht gaat. Dit geldt
vooral voor de poëtische productie sinds het midden van de 19e eeuw.
Volgens
Mosheuvel ligt het probleem van de
poëzie niet in het ‘wat’ (stof), ook
niet in het ‘hoe’, maar in de verwevenheid van beide. Voor een
beschrijving van wat er in een gedicht aan de hand is, gebruikt hij de term
‘anekdote’, maar de weergave daarvan heeft plaats in nauwe
samenhang met datgene wat ‘presentatie’ genoemd wordt.
Kernprobleem van het geven van een inhoudsbeschrijving (content
analysis) van een literair werk is de
ambiguïteit ervan. De lezer heeft
bovendien zijn
connotaties bij de tekstverwerking en dat
belemmert het zicht op een eenduidige en dus omschrijfbare betekenis van een
tekst. Er bestaan dan ook heel wat legitieme parafrases van een en dezelfde
tekst op grond van verschillen in
interpretatie.
In de Nederlandse literaire kritiek heeft de discussie over inhoud
en vorm een grote rol gespeeld in de jaren van het interbellum.
Ter Braak stelde zich op tegenover
Binnendijk en
Nijhoff als de voorvechter van de
gedachte dat het bij literatuur om de inhoud gaat; de ware inhoud is de
persoonlijkheid. Vorm is niet de zichtbare verschijning daarvan maar is als de
sintel, die hoogstens verraadt dat er vuur geweest is.
Vestdijk heeft de vorm/inhoud-discussie
(vorm of vent) proberen af te ronden door te stellen dat
vorm en inhoud geen vaste entiteiten zijn, maar beschouwingswijzen van waaruit
men over teksten spreekt; deze wisselen voortdurend al naar gelang het
perspectief dat de lezer kiest.
LIT: Best; Krywalski; Scott; Shipley; Wilpert; O.R. Holsti.
Content analysis (1969); J.J. Oversteegen. Vorm of vent (1970),
p. 411-475; L.H. Mosheuvel. Een roosvenster (1980), p. 5. [G.J. Vis]
| |
initiaal-1
Grote, getekende, geschilderde of gedrukte beginletter aan het
begin van een tekst in een
codex of gedrukt boek of aan het begin van
een deel (hoofdstuk, paragraaf e.d.) daarvan.
Farquhar heeft een soort rangorde van
beginletters uit codices opgesteld, waarbij hij zich baseerde op 15e-eeuws
Frans materiaal. Het nadeel van een dergelijke indeling is, dat er initialen
bestaan die niet duidelijk in één van de groepen passen.
Hieronder hanteren we de termen zoals die meestal in de Nederlandstalige
codicologische vakliteratuur gebruikt worden (tussen haakjes staan de
benamingen van Farquhar):
1)
lombarde (wash initial): meestal
één regel hoog en met pen of penseel aangebracht in
één kleur, vaak blauw of rood;
2) penwerkinitiaal (flourish initial): meestal één
of twee regels hoog en in blauw of goud met rood of zwart
penwerk als decoratie. In handschriften uit
de Nederlanden ontbreekt het goud meestal; rood met blauw penwerk en omgekeerd
is normaal. Bovendien kan het formaat groter zijn;
3) filigraaninitiaal (dentelle initial): geschilderd in wisselende
formaten, met als meest voorkomende kleuren goud, blauw en magenta. Witte
filigraanversiering in en buiten de initiaal;
4) bladinitiaal (foliate initial): geen vaste maten, lijkt op de
filigraan-initiaal, maar nu met wijnranken, bladeren en bloemen als basismotief
in plaats van filigraanwerk;
5) gehistorieerde initiaal (historiated initial): gewoonlijk twee
regels of hoger. De basis wordt gevormd door een letter, waarin of waar omheen
een verhalende of symbolische scène is afgebeeld.
Bij het maken van de meer ingewikkelde gehistorieerde initialen en
miniaturen werd wel gebruik gemaakt van
‘voorbeeldboeken’. Voor ‘gewone’ lombarden en
penwerkinitialen waren deze niet nodig, dat was een kwestie van ervaring. Deze
voorbeeldboeken bestonden meestal uit een aantal losse bladen met daarop wat
schetsen van werkende monnikjes en beestjes die als voorbeeld konden dienen.
Doordrukken met een soort carbonpapier of met een droge naald waren gangbare
kopieermethoden. De vlakken werden daarna met de hand ingekleurd.
Initialen in gedrukte boeken bestaan uit
houtsneden of gegoten materiaal. In het
eerste geval kunnen ze dienen om anoniem drukwerk aan een bepaalde
drukkerswerkplaats toe te schrijven of - indien er beschadigingen optreden -
ongedateerd drukwerk nader te dateren. Ten behoeve van het samenstellen van een
databank van initialen zijn op een colloquium in Mons in 1987
voorstellen gedaan voor een classificatie naar afmetingen, kleur van de letter
en de achtergrond (wit, zwart, gemengd) en thema (mensen, dieren, abstract
e.d.).
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; Laan; MEW; Wilpert; R.W.
Scheller. A survey of medieval model books (1963); F. Unterkircher.
Die Buchmalerei. Entwicklung, Technik, Eigenart (1974); J.D. Farquhar.
The manuscript as a book (1977), p. 68-71; J.J.G. Alexander. The
decorated letter (1978); M.-Th. Isaac (ed.). Ornementation typographique
et bibliographie historique. Actes du Colloque de Mons (26-28 août
1987) (1988). [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| | | | | | | |
inquit-formule
Expliciete vermelding van achtereenvolgens a) het feit dat er
gesproken gaat worden, b) de spreker en c) dat het gesprokene nu gaat komen,
bijv. ‘Doe sprac die coninc ende seide:’. De inquit-formule is zeer
gebruikelijk in de Middelnederlandse epische letterkunde (epiek), die primair bedoeld was om beluisterd te worden.
Daarnaast treft men haar tevens aan in de eerste generatie prozawerken (prozaroman) die in de volkstaal gedrukt werden, en wel omdat
er nog geen uniforme
interpunctie bestond om spreker en gesproken
woord ondubbelzinnig te markeren.
LIT: Boven/Dorleijn; Metzler; Prince; A.A.M. Besamusca. Het
‘Boec van Lancelote’ (1988), p. 73-74; W. Kuiper en R.J.
Resoort (vert.). Het ongelukkige leven van Esopus (1991), p. 107. [W.
Kuiper]
| | | | | |
insinuatio
Term uit de retorica voor het tijdens het
exordium op psychologisch listige wijze
aandacht trekken van het publiek door het even te choqueren of door een grap te
maken. Het uiteindelijke doel is de sympathie van het publiek dat al min of
meer tot het standpunt van de tegenpartij geneigd was, te verwerven. De
insinuatio is bijzonder geschikt voor het drama.
LIT: Lausberg; Scott; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
insluiten zie
formaatmaken
| |
inspiratie
Letterlijk: inblazing. Een bewustzijnstoestand
(‘bezieling’) waarin de kunstenaar over het maximum van zijn
scheppend vermogen beschikt en schijnbaar moeiteloos de vormgeving vindt die
voor het beoogde kunstwerk het meest geschikt is. In de Griekse Oudheid werd de
inspiratie toegeschreven aan een god of aan de muzen, en sindsdien is het
aanroepen of verwijzen naar de muzen als inspiratiebron een
topos geworden. In de 17e eeuw treden -
onder invloed van het
neoplatonisme - de
‘sang-godinnen’ herhaaldelijk op als inspiratiebron (vgl.
W.G. Focquenbrochs Thalia of
de geurige zanggodin, 2 dln., 1665-1669). Soms neemt de geliefde de
plaats in van de muze. De kunst kan op haar beurt de dichter inspireren: zo
bracht
Anna Roemers' glasgraveerkunst
Huygens tot het sonnet ‘Op het
diamantstift van joffw. Anna Roemers’ (1619) en Hooft tot ‘Aen
joffre Anne Roemers Visschers’ (1621).
Hoewel het aanroepen van de muzen als inspiratiebron ook in en na
de romantiek als topos blijft voorkomen, verschuift het accent naar het
dichterlijke
genie, d.w.z. de eigen dichterlijke
verbeeldingskracht bestaande uit twee componenten: de artistieke bezieling en
de ‘vinding’ of ‘stofvinding’ die de dichter in de
natuur zoekt. Veel romantische dichters geloofden dat inspiratie op zichzelf
voldoende was voor het ontstaan van het kunstwerk en dat zij tot die inspiratie
uitverkoren waren. De classicist daarentegen gaat ervan uit dat inspiratie
belangrijk is, maar pas een rol kan spelen als voldoende kennis en oefening is
opgedaan. En hoezeer romantische dichters zich soms ook inspannen om het te
doen voorkomen dat hun werk is ontstaan ‘aus einem Guss ’en onder
invloed van een moment van bevlogenheid, handschriften en kopij tonen vaak aan
dat naast inspiratie ook noeste arbeid en vlijt ten grondslag liggen aan het
eindresultaat.
In de 20e eeuw ontstaat onder invloed van
Freud de opvatting dat inspiratie opwelt
uit het onderbewuste. Het exploiteren van het onderbewuste als inspiratiebron
werd ondernomen door de
surrealisten en later door de
Vijftigers. Een van de vormen hiervan is de
écriture automatique.
LIT: Cuddon; LdMA; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
C.M. Bowra. Inspiration and poetry (1955); R. Harding. An anatomy of
inspiration (19672). [G.J. van Bork]
| |
institutie of literaire institutie
Instantie, organisatie of enig sociaal verband dat zich bezighoudt
met productie, consumptie, verspreiding of beoordeling en bestudering van
literatuur en dat een rol speelt in de totstandkoming van de
canon. Tot deze instituties behoren o.m.
uitgeverijen, verkooporganisaties, scholen en universiteiten, literaire
critici, schrijversorganisaties, prijsverdelende instanties, literaire
tijdschriftredacties, regeringsinstanties die zich met het beleid ten aanzien
van de literatuur bezighouden en bibliotheken. Historisch kunnen daar nog aan
toegevoegd worden de
rederijkerskamers en
dichtgenootschappen, de 18e- en 19e-eeuwse
maatschappijen voor cultuur en letterkunde, de
leesgezelschappen, de uitleenbibliotheken en
andere literaire organisaties.
De bestudering van instituties en hun rol met betrekking tot de
literatuur stamt uit de empirische
literatuursociologie en heeft een nieuwe
impuls gekregen door de publicaties van
Pierre Bourdieu. Bourdieu spreekt over
een ‘literair krachtenveld’ dat gevormd wordt door een stelsel van
instituties en dat verantwoordelijk is voor de smaakvorming.
In Nederland kreeg deze
empirisch-literatuursociologische benadering vooral gestalte door het werk van
H. Verdaasdonk en
C.J. van Rees, die aan de Katholieke
Universiteit Brabant dit type onderzoek een sterke fundering
hebben gegeven.
LIT: Gorp; Metzler; P. Bourdieu. ‘The market of symbolic
goods’, in: Poetics 14(1985), p. 13-44; H. Verdaasdonk en K.
Rekveldt. ‘De kunstsociologie van Pierre Bourdieu’, in: De
Revisor 8(1981) 3, p. 49-57; A. Mertens.
‘Literatuursociologie’, in: K. Beekman en F. de Rover (red.).
Literatuur bij benadering (1987), p. 112-116; F. de Glas. Nieuwe
lezers voor het goede boek (1989), p. 13-26; H. Brems. De
zangwedstrijd (1994). [G.J. van Bork]
| |
integumentum zie
involucrum
| |
intensiteitsaccent zie
dynamisch accent
| |
intentional fallacy
Term afkomstig van de New Critics (New
Criticism) - speciaal in de jaren '50 in gebruik gekomen - waarmee het
bedriegelijke van de
auteursintentie als hulpmiddel bij het
interpreteren en evalueren van literaire teksten wordt aangeduid. De neiging om
biografische gegevens te betrekken bij de vaststelling van de bedoelingen van
de auteur met zijn werk kan leiden tot interpretaties waar de tekst zelf geen
aanleiding toe geeft.
Een voorbeeld vormen de geliefdes van
G.A. Bredero die men met alle geweld in
diens poëzie wilde herkennen, hetgeen ertoe leidde dat de gedichten
zodanig herschikt werden dat ze in de biografie van de auteur pasten. Pas veel
later werd aangetoond dat veel gedichten van Bredero geïnspireerd waren op
Franse voorbeelden.
LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; W.K. Wimsatt. The verbal icon
(1954); E.D. Hirsch. ‘Objective interpretation’, in: Validity in
interpretation (1967). [G.J. van Bork]
| |
intentionale norm
Norm in de kunstkritiek gehanteerd om het werkterrein vast te
stellen, waarbij datgene wat zich als kunst aandient gerecenseerd wordt. De
intentionale norm staat tegenover de
attitudinale norm die het als kunst
geaccepteerde tot uitgangspunt neemt.
LIT: Bergh; J. Stolnitz. Aesthetics and philosophy of art
criticism (1960). [G.J. van Bork]
| | | |
interpolatie
Term uit de tekstkritiek voor een op zichzelf staande, afgeronde
passage in een literair werk die door een ander dan de auteur, en zonder diens
medeweten en goedvinden is ingevoegd. Als zodanig beschouwt men een
interpolatie als tekstbederf, omdat zij het zicht op het oorspronkelijke
literaire kunstwerk belemmert. Interpolaties worden aangewezen en verondersteld
in de vroege epiek; zo zouden de verzen 5 t/m 10 van Karel ende
Elegast geïnterpoleerd zijn:
Vraaie historie ende al waer
Mag ik u tellen, hoort er naer.
Het was op ene avontstonde,
Hi was keizer ende konink mede.
Hoort hier wonder ende waarhede,
Wat den konink daar gevel
10 (Dat weten nog die menige wel)
t'Ingelem, aldaar hi lag,
Ende waande opten andren dag
Krone dragen ende houden hiof,
Omme te meerne zinen lof.
(Karel ende Elegast, ed.
Rombauts, 19798, vss.
1-14)
Indien teksten in hun geheel geïnterpoleerd worden, spreekt
men van
compilatie.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Hiller; Metzler; MEW; Scott;
Wilpert; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende
Elegast I (1975), p. 438-453. [H. Struik]
| |
interpretatie of tekstinterpretatie
Term uit de literatuurwetenschap voor de discipline die zich ten
doel stelt een tekst te verklaren door deze een betekenis te geven.
J.J.A. Mooij onderscheidt een drietal
vormen: 1) het ‘gewone lezen’, d.i. het verbinden van klank en
betekenis aan de visueel gegeven tekens; 2) de filologische (filologie) interpretatie; 3) de letterkundige interpretatie,
die ernaar streeft de totale betekenis van een werk te achterhalen (hermeneutiek). Men kan, in navolging van
A.J. Gelderblom, nog een vierde vorm
onderscheiden, die van de interpretatie op grond van tekst en context, waarbij
de onderzoeker zich ervan bewust is dat hij zelf het proces van
betekenisvorming beïnvloedt door de werkwijze die hij hanteert. Als
contexten gelden dan die van de contemporaine artistieke productie en receptie,
de biografische, de sociaal-historische, die van de geschiedenis van de
literatuurgeschiedenis en die van de leeshouding.
Een centraal probleem bij dit alles is de vraag in hoeverre een
wetenschappelijke interpretatie mogelijk is zonder voorafgaande, bijv.
taalkundige,
analyse (close
reading). Een ander probleem betreft de vraag of het mogelijk is
deugdelijk en zinvol te interpreteren zonder in de
hermeneutische cirkel terecht te komen.
Vanuit de
receptie-esthetica zijn voorstellen gedaan
om deze impasse te doorbreken. Deze komen erop neer dat men fundamenteel een
scheiding aan wil brengen tussen lezen en onderzoeken. De onderzoeker plaatst
zichzelf buiten het leesproces, en analyseert concretisaties (vgl.
esthetisch object) van lezers via hun
receptieverslagen. Op de achtergrond hiervan speelt de overweging mee dat het
object van de interpretatie, de literaire tekst, in eerste instantie fungeert
als voorwerp van subjectieve (bijv. esthetische) waardering, terwijl de
wetenschapper ernaar moet streven, los van zijn individuele esthetische
waardering, iedere vorm van subjectiveit uit te bannen. Hij moet zich ertoe
beperken intersubjectieve uitspraken te doen, ondubbelzinnig in formulering en
toetsbaar aan het aangedragen materiaal.
LIT: Abrams; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Fowler; Gorp;
Krywalski; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; Wilpert; H.
Göttner. Logik der Interpretation (1973); T. Anbeek. ‘De
interpretatie als hypothese’, in: FdL 17 (1976), p. 239-248; N.
Groeben. Rezeptionsforschung als empirische Literaturwissenschaft
(1977); J.J.A. Mooij. Tekst en lezer (1979); L.H. Mosheuvel. Een
roosvenster (1980); J.J. Oversteegen. Anastasio en de schaal van
Richter (1986); G.J. Vis. ‘Vorm en functie in de poëzie’,
in: SpL 33 (1991), p. 247-260; A.J. Gelderblom. Mannen en maagden in
Hollands tuin (1991), p. 9-12. [G.J. Vis]
| |
interpunctie, leestekens of punctuatie
Het geheel van leestekens waarmee de auteur of tekstbezorger
aangeeft hoe de tekst gelezen moet worden, welke zinsdelen bij elkaar horen,
waar de pauzes liggen, waar er in de directe rede gesproken wordt, waar in de
indirecte rede enz.
In de Romeinse Oudheid gebruikt men open ruimtes om pauzes te
markeren. Al naar gelang de lengte van de pauzes varieert de breedte van de
open ruimte van een half tot vijf lettertekens. Ook begint men wel op een
nieuwe regel als een pauze gewenst is. De Romeinen gebruikten de punt als
woordscheiding, in de 8e eeuw gaat men hier open ruimte voor gebruiken.
Isidorus van Sevilla (ca. 560-636) geeft
regels voor interpunctie: een diepe punt voor een korte pauze (onze huidige
komma); een middelhoge punt (colon) voor een middellange
pauze (ongeveer onze huidige puntkomma) en een hoge punt voor een lange pauze
aan het einde van de volzin (periodus-2). In de
Karolingische periode (Karolingische minuskel) betekenen
een punt en een (omgekeerde) komma boven een punt een korte pauze, een lange
pauze wordt aangegeven door een punt gevolgd door een komma, een puntkomma
(semicolon) of twee punten met daaronder een komma. Ook hanteert men wel een
vereenvoudigde versie van het systeem van Isidorus: een komma voor een korte,
een punt voor een lange pauze.
In de 12e eeuw vernieuwen de cisterciënzers het
interpunctiesysteem: een op een 7 gelijkend teken boven een punt (punctus
circumflexus) voor een korte pauze in een onvolledige zin; een omgekeerde komma
boven een punt (punctus elevatus) voor een volledige zin
die gevolgd wordt door een bijzin; een komma onder een punt (versus) aan het
zinseinde. De gewone punt (punctus) vervangt soms de
punctus elevatus of de versus. De beweging van de
Moderne Devotie gebruikt dit systeem voor
haar liturgische werken.
Gedurende de Middeleeuwen hanteert men voor de wereldlijke
literaire werken in de volkstaal een betrekkelijk eenvoudig systeem met als
voornaamste tekens de punctus, de
virgula (/) en de puntkomma (;). De
interpunctie is hierbij vooral gericht op de voordracht.
In de renaissance komt meer en meer het huidige
interpunctiesysteem in zwang, al wordt de puntkomma niet veel gebruikt in
tegenstelling tot de komma, die ook vaak geplaatst wordt voor het voegwoord
‘en’. Aanhalingstekens bij een langer citaat staan aan het begin
van alle regels die tot de aanhaling behoren. Indirecte en retorische vragen
krijgen vaak een vraagteken ter afsluiting.
De hedendaagse interpunctie is vooral gericht op de structurering
van de zin. Er is een vast corpus leestekens dat als volgt is samengesteld: de
punt (.), de komma (,), de puntkomma (;), de dubbele punt (:), de enkele en
dubbele aanhalingstekens (‘...’ en “...”), het
beletselteken (... of ---), het
gedachtestreepje (-), het vraagteken (?) en
het uitroepteken (!). Combinaties daarvan zijn soms mogelijk, zoals bij een
luidop gestelde vraag (?!). De regels voor de interpunctie worden beschreven in
P.J. van der Horsts
Leestekenwijzer (1990).
LIT: Best; Brongers; Hiller; MEW; Wilpert; J. Greidanus.
Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de
Nederlanden (1926); A. Weijnen. Zeventiende-eeuwse taal
(19654), p. 15-19; J.J. John. ‘Latin Paleography’, in:
J.M. Powell (red.). Medieval Studies. An Introduction (1976), p. 39-41;
B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des
abendländischen Mittelalters (19862) p. 214-219; J.
Renkema. Schrijfwijzer (1990). [H. Struik]
| |
interrogatio zie
retorische vraag
| |
intertekstualiteit
Door
Julia Kristeva geïntroduceerde term
waarmee wordt aangegeven dat elke tekst bestaat uit een mozaïek van
citaten en als de absorptie en transformatie van andere teksten. In deze
ruime opvatting van intertekstualiteit gaat het om het feit dat teksten
meerstemmig zijn, d.w.z. dat binnen een tekst één of meer
dialogen voorkomen met andere gesproken of geschreven teksten. In navolging van
Bachtin wordt gesproken van polyfonie
van de tekst. De schrijver maakt gebruik van de stileringen van verschillende
‘stemmen’ die hij in zijn tekst met elkaar confronteert. Die
‘stemmen’ komen onder meer tot uiting in de gebruikte
clichés, stereotypen, het jargon en de citaten die afkomstig zijn uit
verschillende sociale taalkringen. Op deze ruime wijze opgevat is
intertekstualiteit een middel om commentaar te leveren op bestaande teksten of
op wat wel ‘monologisch taalgebruik’ genoemd wordt.
In reactie op deze semiotische benadering van de
intertekstualiteit ontstond in de loop van de jaren tachtig een beperkter
opvatting van intertekstualiteit vanuit de
hermeneutiek, de specifieke
intertekstualiteit. Bij deze beperkte opvatting gaat het om het achterhalen van
de bronnen van een tekst: de ontlening van de
stof en de
motieven. Intertekstualiteit heeft dan
betrekking op de opzettelijke relaties tussen een literaire tekst en andere
(literaire) werken, waarbij ervan uitgegaan wordt dat de auteur zich bewust is
van de toepassing van andere teksten in zijn werk en daarnaast van zijn publiek
verwacht dat het de verbanden tussen zijn tekst en die andere teksten als
ingrepen van hem identificeert (citaat) en als
belangrijk herkent voor het begrip van de tekst.
Intertekstualiteit, zowel in de ruime als de beperkte betekenis,
vindt men in alle literatuur. Zo bestaan er in de Middeleeuwen intertekstuele
relaties tussen het Chanson d'Aspremont en het Chanson de Roland
(chanson de geste,
Karelroman). Vooral de
Arturroman heeft tal van intertekstuele
relaties; in deze roman komen steeds dezelfde personages, thema's, motieven en
situaties voor. Iedere roman is verbonden met een aantal oudere romans
(specifieke intertekstualiteit) en gaat in dialoog met de genreconventies
(generische intertekstualiteit). In de renaissance behoorde het tot de
literatuuropvattingen om klassieke voorbeelden na te volgen (imitatio).
Intertekstualiteit wordt gezien als een reactie op
literatuuropvattingen van de romantiek waarin de auteur gezien werd als een
geniaal en volstrekt oorspronkelijk en onafhankelijk individu dat alleen
originele teksten produceerde. Moderner auteurs hanteerden een andere
schrijfwijze, waarbij genreconventies doorbroken worden en bestaande teksten in
de eigen tekst werden geïncorporeerd, al dan niet met bronvermelding.
Daarmee werden originaliteit en individualiteit ter discussie gesteld.
Een goed Nederlandstalig voorbeeld van een intertekstuele lezing
van een gedicht geeft
Paul Claes in zijn boek Echo's
Echo's (1988), waarin hij een gedicht van
Hans Faverey zowel op een beperkte
intertekstuele manier (constructief) als in een breed intertekstueel kader
(deconstructief) interpreteert.
LIT: Alphen; Baldick; Boven/Dorleijn; Fowler; Gorp; MEW; Prince;
Chr. van Boheemen. ‘Intertekstualiteit’, in: FdL 22(1981),
p. 242-249; U. Broich en M. Pfister (red.). Intertextualität. Formen,
Funktionen, anglistische Fallstudien (1985); Intertekstualiteit,
thema-nr. SpL (1987); R. van der Paardt. De goddelijke Mantuaan.
Vergilius in de Nederlandse letterkunde (1987); J.D. Janssens. Dichter
en publiek in creatief samenspel: Over interpretatie van middelnederlandse
ridderromans (1988); A. Mertens en K. Beekman (red.). Intertekstualiteit
in theorie en praktijk (1990); J. den Boeft.
‘Intertekstualiteit’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 75-82; B. Besamusca. Walewein, Moriaen en
de Ridder metter mouwen. Intertekstualiteit in drie Middelnederlandse
Arturromans (1993). [G.J. van Bork/H. Struik]
| | | |
intrige-2
In het
klassieke drama onderscheidt men vijf fasen
(expositie, intrige,
climax,
catastrofe en
peripetie) die gewoonlijk samenvallen met de
vaste opeenvolging van de vijf bedrijven. De intrige is de fase waarin de
verwikkeling gegeven wordt waarin de belangrijkste personages zich bevinden. In
de intrige wordt het (gecompliceerde) probleem getoond waarvoor de
dramatis personae een oplossing moeten
vinden of waarvan de
protagonist in de tragedie tenslotte het
slachtoffer zal worden. De intrige is daarom in hoge mate bepalend voor de
spanning in het drama.
LIT: Laan; Lodewick; MEW; Scott; Wilpert; B. Verhagen.
Dramaturgie (19632). [G.J. van Bork]
| |
intrigeblijspel zie
comédie d'intrige
| |
inventaris
Term uit de archivistiek en bibliografie voor een systematisch
ingedeeld geheel van beschrijvingen van de bestanddelen van een archief (archief-1) of van (onderdelen van de) handschriften aanwezig
in een
bibliotheek-1 of
museum-2. Omdat een inventaris altijd de
organisch gegroeide systematiek van een collectie volgt, dienen een of meer
indices (index-1) het geheel toegankelijk te maken. Veel
archiefinventarissen zijn alleen in typoscript op het desbetreffende en op nog
enkele andere archieven te raadplegen. In de delen uit de serie
‘Overzichten van de archieven en verzamelingen in de openbare
archiefbewaarplaatsen in Nederland’ is aangegeven of er van een bepaald
archief een inventaris vervaardigd is. Verder kan men inventarissen traceren
via
W.J. Formsma en
B. van 't Hoff: Repertorium
van inventarissen van Nederlandse archieven (19652) en
voorBelgië in
J. Nicodème: Repertorium
van inventarissen van archieven in België bewaard, verschenen
vóór 1 januari 1969 (1970).
Ook van niet op archieven (archief-2)
aanwezig materiaal worden inventarissen gemaakt, bijv. Inventaris van de
handschriften van de Koninklijke Bibliotheek (voorl. uitg. 1988),
J.J.M. Bos en
N.J.P. van der Lof: Inventaris van
het archief van prof. dr. Jan te Winkel (1847-1927) (1984).
LIT: Ned. Arch.-term.; W.J. Formsma. ‘Het inventariseren van
archieven’, in: Nederlands Archievenblad 77 (1973), nr. 1;
J.A.M.Y. Bos-Rops, M. Bruggeman en F.C.J. Ketelaar. Archiefwijzer.
Handleiding voor het gebruik van archieven in Nederland (19942),
p. 45-46. [P.J. Verkruijsse]
| |
inventio
In ruime zin is in de retorica de inventio de stofvinding: waar
haalt de auteur van een betoog, tragedie, epos enz. zijn stof vandaan. Daarbij
heeft hij de keuze tussen de Klassieke Oudheid, de geschiedenis, de mythologie
of de bijbel. Vervolgens bepaalt hij welke voorbeelden hij aan het
desbetreffende gebied ontleent.
Beperkt tot de betogende of juridische rede is de eerste taak van
de redenaar (officia oratoris) in de inventio, het
vaststellen van de
status causae, het punt waar het om gaat.
Betreft het een vraag of iets al of niet gebeurd is, dan is het een
status coniecturalis. Als het gaat om een
nadere definiëring van een zaak, dan is er een
status finitionis. Een nadere beschouwing
van de aard van de zaak is een
status qualitatis. Het
dubium (omstreden zaak) wordt verwoord in de
quaestio (het vraagstuk). Die vragen kunnen
algemeen-theoretisch zijn (quaestio infinita) of meer
individueel-praktisch (quaestio finita). Bij de
bewijsvoering (argumentatio) is het gebruik van
exemplum,
similitudo en
auctoritas erg belangrijk. Verder kunnen
argumenten ontleend worden aan topoi (topos).
LIT: Cuddon; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Myers/Simms; Scott;
Shipley; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
inversie, anastrofe of metatesis-1
Term uit de stijlleer voor die vorm van
transmutatio waarbij twee aan elkaar
grenzende onderdelen binnen een syntactisch geheel worden omgewisseld.
Uitgaande van de gebruikelijke zinsdeelvolgorde onderwerp-persoonsvorm-rest in
een mededelende hoofdzin kan men de volgorde rest-persoonsvorm-onderwerp als
een inversie beschouwen: ‘Morgen komt hij’ (i.p.v. ‘Hij komt
morgen’). Men kan hiermee (door vooropplaatsing) nadruk leggen op het
geïnverteerde deel (i.c. ‘morgen’). Verwant is de
Distanzstellung. Heeft de inversie gevolgen
voor de (chrono)logische volgorde, dan spreekt men van een
hysteron proteron. De inversie wordt soms, ten
onrechte, gelijkgesteld met de
prolepsis-1.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Lausberg; Lodewick; Marouzeau, Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
invocatio
Term uit de retorica voor het ter inspiratie aanroepen van een
hogere macht (goden, de muzen, God of heiligen) aan het begin van een literair
werk, gewoonlijk na de
propositio waarin het onderwerp van het
verhaal wordt aangekondigd. De aanroeping kan op diverse plaatsen herhaald
worden. Vooral Kalliope, de muze van de epische dichtkunst, wordt vaak
aangeroepen aan het begin van een
epos. Beroemd zijn de invocaties aan het
begin van
Homerus' Ilias:
‘Bezing ons de wrok, o godin, van Peleus’ zoon Achilles' en
Odyssee: ‘Bezing mij, o Muze, de man ...’.
Gedurende de Middeleeuwen en later werd de invocatio
verchristelijkt en werd God of Maria aangeroepen om het werk tot een goed einde
te brengen. Zo roept
Vondel God aan in zijn
Verovering van Grol (1627):
Ghy die van 'shemels troon d'oorlogen hier om lege
Bestiert, en onsen held vereerde met de zege,
Daer al't vereenighd land uw 'heyl'gen naem om looft,
En danckbaer lauweriert des overwinners hoofd;
Gheley mijn' sangheldin, [...].
(WB-ed, dl. 3, 1929, p. 128, vs. 5-9).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; E.R. Curtius.
Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter
(19738), p. 235-252; W.A.P. Smit. Kalliope in de Nederlanden,
dl. 1 (1975), 138-207. [W. Kuiper]
| |
involucrum of integumentum
Middeleeuwse literaire techniek gehanteerd door de zogenaamde
school van Chartres, waarbij ethische en filosofische waarheden in de vorm van
fictie werden ingekleed en verhuld. Men
baseerde zich met
Bernard van Chartres op de door
Augustinusgedane uitspraak (in De
doctrina christiana) dat de dichters uit de Klassieke Oudheid met opzet
duister schreven om latere lezers te prikkelen en de boodschap voor
oningewijden verborgen te houden. [W. Kuiper]
| |
inwinnen
Druktechnische term voor het, door middel van het verwijderen van
spaties tussen de woorden, opnieuw
uitvullen van een regel zetsel wanneer
blijkt dat de tekst niet goed uitkomt aan het eind van een pagina of alinea
(hoerenjong) of wanneer als gevolg van correctie van een
drukproef of door een
correctie op de pers tekst toegevoegd moet
worden.
In het laatste geval kunnen in de definitieve tekst zulke passages
dan opvallen door minder spatie dan in de omringende tekst. Vaak echter kan een
zetter uit de periode van de handpers ook door wijzigingen in de spelling het
probleem van het inwinnen ondervangen (bijv. door een slot-‘n’ te
vervangen door een afbrekingsstreepje boven de voorafgaande klinker). Het
tegenovergestelde procédé heet
uitdrijven.
LIT: BDI; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de
Nederlanden (1962), p. 112-113, 131-132; Ph. Gaskell. A new introduction
to bibliography (19742), p. 45-46. [P.J. Verkruijsse]
| |
ironie of verbale ironie
Aanduiding voor een poëticaal procédé (behorend
tot de
gedachtefiguren) meestal veroorzaakt door
ambiguïteit in taalgebruik (verbale
ironie) of situatie (situationele ironie) of een combinatie van beide.
Bij verbale ironie gaat het om een schijnbaar eenduidige opmerking
die bij nader inzien een dubbele bodem heeft, en dan ook vaak komisch (humor)
werkt. Er is dan sprake van een tegenstelling (antithese) tussen twee gegevens. Het hangt af van de optiek
van de lezer/luisteraar of beide worden herkend. Zo maakt de lezer in de roman
Het dwaallicht (1947) van
Elsschot kennis met de ik-figuur
Laarmans die het verzoek krijgt drie
Aziaten de weg te wijzen naar
Maria van Dam, wier moeilijk leesbare naam
en adres even later de ‘Mariaboodschap’ worden genoemd. Op het
eerste gezicht heeft de lezer te maken met de door Maria aan de Aziaten
schriftelijk meegegeven mededeling (betekenis 1). Bij nader inzien is de
aanduiding ‘Mariaboodschap’, mede gezien de katholieke context van
het verhaal, tevens een
allusie op het rooms-katholieke feest van
Maria Boodschap (betekenis 2). Overeenkomst en tegenstelling tussen de twee
betekenissen veroorzaken spanning. Het gebeurt nog wel eens dat men bij verbale
ironie, ook wel retorische ironie genoemd, het omgekeerde zegt van wat men
bedoelt (dissimulatio). Een bekende vorm is de
socratische ironie, een discussiemethode waarbij onwetendheid wordt voorgewend
om op die manier schijnwijsheid door te prikken.
Ook de situationele ironie zegt soms het tegenovergestelde van wat
bedoeld wordt, bijv. met de zin ‘het is mooi weer’ terwijl het
regent. Hier is een tekstextern gegeven als situatie nodig om een tegenstelling
te creëren. Maar de situatie-ironie komt ook binnen de tekst voor, zowel
in epiek als in drama. Kenmerkend is het verschil in informatie tussen
personages onderling of tussen personage(s) en publiek (dramatische ironie).
Deze
ambiguïteit, vaak optredend in het
blijspel, hoeft echter niet altijd een humoristisch effect te hebben, zoals dat
ook het geval is met de zogenaamde ‘ironie van het lot’ in het
dagelijks leven. Vooral wanneer de dramatische ironie optreedt in de tragedie
(tragische ironie) kan de ambiguïteit bestaan uit een contrast tussen het
optimisme van de held en zijn uiteindelijke negatieve lot (noodlot).
Aparte vermelding verdient de structurele ironie. Deze komt voor
in een tekst met ambigu taalgebruik dat niet incidenteel is: de auteur
introduceert een element dat moet dienen om aan het gehele werk een dubbele
betekenis te geven. Een bekend geval is de schepping van de ‘naïeve
held’ (respectievelijk verteller of spreker), wiens uitspraken constant
door de lezer worden veranderd of gecorrigeerd. Men zou kunnen denken aan de
schrijvende ik-figuur van Droogstoppel uit Max Havelaar
(1860) van
Multatuli. Terwijl de verbale ironie
berust op kennis van de intentie van de spreker gedeeld door spreker en
publiek, berust de structurele ironie op kennis van de auteursintentie gedeeld
door het publiek maar onbekend aan de spreker. Als zodanig is de structurele
ironie een vorm van dramatische ironie, maar dan volgehouden gedurende een
geheel werk.
Een specifieke vorm van ironie is de romantische ironie. Deze gaat
gepaard met zelfrelativering, zoals men die kan aantreffen in het verhaal van
Saïdjah en Adinda van Multatuli (Max Havelaar,hoofdstuk 17); hier
wordt de tekst geregeld onderbroken door de opmerking dat het verhaal
‘eentonig’ is.
Ironie wordt vaak gebracht in de vorm van
hyperbool,
litotes of
understatement. Als de ironie erg scherp is,
spreekt men van
sarcasme.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; W.C. Booth. The Rhetoric of
Fiction (1961); T. Anbeek en J. Fontijn. Ik heb al een boek (1975),
p. 125-134; H. van den Bergh. Teksten voor toeschouwers (1979), p. 85;
D.H. Green. Irony in the medieval romance (1979). [G.J. Vis]
| |
ISBD
International Standard Bibliographic Description, ontworpen door
de International Federation of Library Associations (IFLA) om wereldwijd
titelbeschrijvingen te kunnen uitwisselen. Er zijn diverse ISBD's voor de
verschillende categorieën bibliografisch materiaal, zoals de ISBD(A) voor
het oude boek (A = antiquarian), de ISBD(M) voor monografieën en de
ISBD(S) voor seriewerken. De regels worden meer toegepast in de catalografie
dan in de bibliografie waar ze als te rigide worden ervaren.
LIT: BDI; Feather; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
ISBN
Het International Standard Book Number is een tiencijferige
codering die aan boeken wordt toegekend en daarin ook wordt afgedrukt op de
verso-zijde van het
titelblad en op de achterzijde van het
omslag. Aan de hand van deze code kunnen op snelle en doeltreffende wijze
gegevens uitgewisseld worden tussen bibliotheken, boekhandels en uitgeverijen.
In de code wordt ook rekening gehouden met het boek als materieel object: zo
zijn er verschillende nummers voor een gebonden en genaaide uitgave van een
boek en voor een seriewerk en de verschillende delen daarin. Een ISB-nummer
bestaat uit 4 groepjes cijfers die verschillend samengesteld kunnen zijn (bijv.
2+2+5+1) voor respectievelijk de aanduiding van het land en/of de taal, de
uitgeverij, het boek en een controlecijfer of de hoofdletter X.
Ook voor kranten en tijdschriften bestaat een dergelijke code, het
ISSN.
Vb.: ISBN 90 12 04275 5 is de code van het hieronder bij de
literatuur vermelde boek van Treebus, waarbij 90 duidt op Nederland(s), 12 op
de Staatsuitgeverij, 04275 op het desbetreffende boek en 5 als controlecijfer
dienst doet.
LIT: BDI; Brongers; Gorp; Hiller; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 67; Huib van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (19862), p. 405-407; ISBN. Handleiding voor het
Internationaal Standaard Boeknummer (19874). [P.J.
Verkruijsse]
| |
isochronie
Term uit de prosodie voor de (als zodanig ervaren) gelijkheid van
tijdsafstand tussen prominente (accent) syllaben in een
vers-1,
strofe of
gedicht. Als voorbeeld diene het volgende
rijmpje:
Ik geef de hik aan ander man
Al wie de hik verdragen kan.
(
F. Kossmann. Nederlandsch
versrythme, 1922, p. 205).
De tijdsafstand tussen de beklemtoonde syllaben ‘Hik’,
‘spik’ en ‘spouw’ (vs. 1) is even groot als die tussen
‘geef’, ‘hik’ en ‘jou’ (vs. 2),
respectievelijk ‘geef’, ‘hik’ en ‘ander’
(vs. 3), en ‘wie’, ‘hik’ en ‘dragen’ (vs.
4). Zo is ook de tijd, gebruikt voor de twee laatste syllaben van vers 3
respectievelijk van vers 4, aan het eind van vers 1 en van vers 2 opgevuld met
‘rust’, zodat elke regel als een volwaardige vierkwartsmaat kan
gelden. De tijdsduur van het lezen van elk van de regels is aldus onderling
gelijk.
Isochronie kan gepaard gaan met
isometrie, zoals bij vers 3 en vers 4 van
het gegeven voorbeeld (vierjambisch), maar het hoeft niet (zoals blijkt uit het
verschil tussen vers 1 en vers 2).
LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Prince; Shipley; F. Kossmann. Nederlandsch
versrythme (1922), p. 199-214. [G.J. Vis]
| |
isocolon of distributio
Term uit de poëtica (poëtica-1) voor de herhaling van
een gelijk aantal zinsdelen (colon) van gelijke omvang
in eenzelfde syntactische structuur binnen een samengestelde zin (periodus-1) of versregel. Dit levert vaak
antithese of
parallellisme op.
Een voorbeeld van een dubbele isocolon zijn de parallelle
versregels uit het gedicht van
Jacob Westerbaen ‘Op het
neder-storten van myne keuke-schoorsteen op Ockenburgh’ (1653):
So ick scheur en soo ick breecke,
So ick houw en so ick steecke
(
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten,
1986, p. 256).
LIT: Best; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms;
Wilpert. [W. Kuiper]
| |
isometrie
Term uit de prosodie voor het, ook wel ‘evenmatigheid’
genoemde, verschijnsel dat bestaat in de gelijkheid van metrische (metrum) patronen. Zo'n patroon kan een
versvoet zijn, of een geheel
vers-1. Als voorbeeld kunnen de volgende
regels (viervoetige
anapest) gelden:
In de schaduw der zwellende zeilen verborgen
Voor de maan, die de mast op de wateren mat,
In den slaap van het licht, tusschen avond en morgen,
Stond ik, slaaploos, ter reeling van 't reilend fregat
(
G. Gossaert.
Experimenten, 1949, p. 34).
Isometrie is er tussen vers 1 en vers 3, maar ook tussen
‘Voor de maan’ en ‘In den slaap’, of tussen
‘zwellende zeilen verborgen’ en ‘reeling van 't reilend
fregat’. Men verwarre isometrie niet met het verwante
isochronie en evenmin met het
isosyllabisch vers.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Metzler; F.
Kossmann. Nederlandsch versrythme (1922), p. 199-214. [G.J. Vis]
| |
isosyllabisch vers, geteld vers, lettergreepvers of
silbetellend vers
Term uit de prosodie voor een versregel die hetzelfde aantal
lettergrepen telt als een of meer andere regels uit het betrokken gedicht. Deze
vorm van dichten dateert van na de Middeleeuwen. Soms is de gehele tekst in
eenzelfde soort isosyllabisch vers geschreven, zoals het geval is bij het
sonnet. Een tekst kan meer dan
één type isosyllabisch vers bevatten, bijv. ‘Aan de
maane’ van
J. Bellamy:
Vorstin des nachts, volschoone Maan!
Ai, doof een wijl uw 'heldren luister,
En laat mij hier, in 't sombre duister,
5
'k Wil mij aan 't vraagend oog onttrekken,
En Gij, Gij zoudt mij hier ontdekken...
Neen! zuivre Nachtvorstin!
Bedek u, voor het oog der volken,
10
Met een gordijn van dikke wolken,
Op dat de dwang, die 't al bespiedt,
Alöm met arendsöogen ziet,
Mij hier niet moge ontdekken! -
Neen! laat mij hier toch veilig staan!
15
Doch wil, wanneer de tijd mij roept van hier te gaan,
Mij tot een Leidsvrouw strekken!
(J. Bellamy. Gezangen mijner jeugd, ed.
Buijnsters, 1968, p. 53).
In dit gedicht vindt men twee groepen isosyllabische verzen,
namelijk (1) de acht-, resp. negensyllabige regels (1, 2, 3, 5, 6, 9, 10, 11,
12, 14) en (2) de zes- resp. zevensyllabige regels (4, 7, 8, 13, 16). De
twaalfsyllabige versregel (vs. 15) staat apart, want zo is er geen tweede.
Getelde verzen zijn vaak metrisch (zoals in bovenstaand gedicht),
maar dat is niet noodzakelijk. Zo schreef
H. Roland Holst-van der Schalk nogal wat
gedichten in getelde, niet-metrische verzen. Men zie in dit verband de eerste
acht regels van het sonnet ‘Liefde is sterker dan de dood’,
luidend:
Liefde is sterker dan de dood'. - Wat staat
van een volschoone zekerheid gedragen
dit woord tusschen veel zwakke twijfeltrage
woorden, als een oneindig-mild gelaat
geheven! Een stroom van beloften gaat
uit zijn oogen naar onze omwolkte dagen
en maakt ze rijk aan gelukkige vragen
en heerlijke beloften, boven maat.
(H. Roland Holst-van der Schalk. Verzonken
grenzen, 1918, p. 10).
LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Marouzeau;
Metzler; K. Bostoen. Dichterschap en koopmanschap (1987). [G.J. Vis]
| |
ISSN
Het International Standard Serial Number is een achtcijferige
codering die toegekend wordt aan kranten en tijdschriften en daarop gewoonlijk
dan ook wordt aangebracht op de achterzijde van het omslag. Aan de hand van
deze code kunnen op snelle en doeltreffende wijze gegevens uitgewisseld worden
tussen bibliotheken, boekhandels en uitgeverijen. Een ISS-nummer bestaat uit
twee groepen van vier cijfers verbonden door een koppelteken.
Ook voor boeken bestaat een dergelijke code, het
ISBN.
Vb.: ISSN 0166-4239 is het tijdschrift Dokumentaal; ISSN
0168-5899 is het tijdschrift Optima.
LIT: BDI; Hiller; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 67. [P.J. Verkruijsse]
| |
Italiaans sonnet of petrarkistisch sonnet
Term uit de genreleer voor een
sonnet, ontstaan in de Italiaanse
renaissance (petrarkisme), geschreven in de vijfvoetige
jambe, met
vrouwelijk rijm, waarbij het
octaaf twee rijmklanken heeft en het
sextet twee of drie andere. Dit sonnet, ook
wel het ‘klassieke sonnet’ genoemd, is in de 17e eeuw door andere
sonnetvormen verdrongen (het komt nog wel voor bij Hooft bijvoorbeeld), maar
keert weer terug bij de Tachtigers (o.a.
W. Kloos en
J. Perk). Men zie als specimen hiervan
het sonnet ‘Gelaat, lief als Lente, dat met veel spelen’ van Kloos
(De Nieuwe Gids 8 (1893), I, p. 416).
LIT: Baldick; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick;
MEW; Myers/Simms; Scott; W. Mönch. Das Sonett (1954). [G.J.
Vis]
| | | | | |
iteratieve presentatie
Term uit de narratologie of
verteltheorie voor de enkelvoudige weergave
van een gebeurtenis die zich blijkens het vertelde meer dan eens heeft
voorgedaan. Een auteur kan bijv. van een personage meedelen: ‘Op maandag
ging hij altijd naar de bank’.
De iteratieve presentatie kan een generaliserend effect hebben,
vooral als het gaat om vrij algemene feiten of gebeurtenissen, maar ze kan ook
uitsluitend als samenvattend ervaren worden.
LIT: Bal; Boven/Dorleijn; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince. [G.J. van
Bork]
| |
iteratio
Vorm van herhaling (repetitio) bestaande
uit de herhaling van een enkel woord, bijv.
Zoveel honderd in de maand
(
P. van Ostaijen. VW
Poëzie, dl. 1, 1979, p. 11).
Meestal wordt de iteratio onderscheiden van de
epanalepsis, waarbij een woordgroep in het
spel is.
LIT: Best; Gorp; Lausberg; Metzler. [G.J. Vis]
| |
itinerarium of reisgids
Eigenlijk een reisgids waarin de wegen, de reistijd, de
rustplaatsen en de belangrijkste bezienswaardigheden worden aangegeven. Later
wordt het vrijwel synoniem met
reisverslag, zoals de Itinerario,
voyage ofte schipvaert naar Oost ofte Portugaels Indien (1596) van
Jan Huygen van Linschoten. Veel verslagen
van de
grand tour bevatten uitgebreide lijsten
aantekeningen met betrekking tot te volgen of afgelegde routes met
afstandstabellen en namen van herbergen. Juist ten behoeve van degenen die op
grand tour gingen, verschenen allerlei itineraria, zoals
Lambert van den Bosch
‘Wegh-wyser door Italien (1657),
Vranckryck en zijn steeden, behelsende een algemeene en besondere
beschrijvinge des selfs en aangrensende landen (1662),
Delitiae Italiae. Dat is: eygentlijcke beschrijvinghe wat door
gantsch Italien in elcke Stadt ende plaets te zien is
(16203), Delitiae urbis Romae. Dat is eygentlycke
beschrivinge van alle de schoone gebouwen (...) (1625),
Delitiae Galliae & Angliae. Ofte lustigheden van Vranckrijck en
Engheland (1619),
P. Hentzners Itinerarium
Germaniae, Galliae, Angliae, Italiae (1612),
Franciscus Schottus ’
Itinerarii Italiae rerumq. Romanorum libri tres
(16254), Wegh-wyser, vertoonende de besonderste vremde
vermaecklijckheden die in 't reysen door Vranckryck en eenige aengrensende
landen te sien zijn (1647).
Overzichten van reisgidsen worden gegeven door:
A. Frank-Van Westrienen in De
groote tour. Tekening van de educatiereis der Nederlanders in de zeventiende
eeuw (1983), p. 367-371;
L. Schudt in Le guide di Roma.
Materialien zu einer Geschichte der römischen Topographie
(1930);
A.H. Luijdjens in zijn
‘Chronologische lijst van beschrijvingen van Italië en
Rome tot 1900 in de Nederlanden geschreven of verschenen’,
in: Mededeelingen van het Nederlandsch Historisch Instituut te Rome,
reeks II, dl. 1 (1931), p. 205-229;
G. Boucher de la Richarderie in
Bibliothèque universelle des voyages, ou Notice complète et
raisonnée de tous les voyages anciens et modernes dans les
différents parties du monde (1808; 6 dln.);
E.G. Cox in A reference guide to the
literature of travel (1935-1949; 3 dln.).
Een moderne variant vormen de literaire reisgidsen zoals:
R. Bodart,
M. Galle en
G. Stuiveling, Literaire gids
van België, Nederland en Luxemburg (1972);
A. van Dis en
T. Hermans (samenst.), Het land
der letteren (1982);
Willem van Toorn (red.),
Querido's letterkundige reisgids van Nederland
(19832). Sindsdien verschenen er tal van literaire gidsen per regio
of stad.
LIT: Brongers; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
iucunda doctrina
Term uit de poëtica Poetices libri septem (1561) van
Julius Caesar Scaliger, waarin deze het
doel van de dichtkunst (poetica-1) formuleert als: het
op onderhoudende wijze verschaffen van morele instructie. Hij borduurt daarmee
voort op de theorie van
Horatius' Ars
poetica die het
utile dulci (lering en vermaak) als
doelstelling van de poëzie zag. [W. Kuiper]
| |
iudicium
Term uit de retorica voor het beoordelen van de verschillende
elementen (res en
verba) van een betoog of literair werk door
de redenaar, respectievelijk de auteur op hun bruikbaarheid in specifieke
gevallen. Het iudicium wordt soms zelfs gezien als een van de taken van de
redenaar (officia oratoris) tussen
inventio en
dispositio in. Al naar gelang de
omstandigheden kan het iudicium ertoe leiden dat onderdelen verplaatst,
verwisseld of weggelaten worden.
In de sfeer van het (academisch) onderwijs heeft het iudicium de
betekenis gekregen van de beoordeling van de resultaten van de student door de
docent of van de dissertatie van de promovendus door de promotiecommissie.
LIT: Lausberg; Leeman/Braet; Ueding. [W. Kuiper]
|
|
|