|
|
|
| |
C
| |
cabaret
Literair-muzikale kleinkunstvorm bij voorkeur uitgevoerd in kleine
theaters door kleine gezelschappen, soms zelfs door één
cabaretier (onemanshow). Cabaret is divers; gewoonlijk bestaat het programma
uit een afwisseling van liedjes, sketches, conférences, dans e.d. De
inhoud is evenzeer afwisselend:
parodie,
persiflage, kolder,
humor,
satire, maar kan ook romantisch zijn. De
onderwerpen worden meestal ontleend aan de sociale of politieke
actualiteit.
Het cabaret stamt uit Parijs, waar het in de 19e eeuw
begon met Le chat noir in Montmartre, waaraan o.m.
Emile Goudreau,
Rodolphe Salis en
Aristide Bruant meewerkten. Het was een
soort kunstenaarskroeg die werd opengesteld voor publiek en waar werd
opgetreden door zangers, musici en voordrachtskunstenaars. Voor de
voorstellingen werd betaald in de vorm van consumpties. In Nederland werd dit
type cabaret overgenomen door
Eduard Jacobs (1868-1914) en later opnieuw
tot leven gewekt door
Sieto Hoving (1924). Het Nederlandse
cabaret ontwikkelde zich echter meer tot het optreden in theaters. In het
eerste kwart van de 20e eeuw speelde het cabaret een belangrijke rol in de
kunst van de
avant-garde. Vermelding verdient in dit
verband het ‘Cabaret Voltaire’ in Zürich (1916)
en de ‘Veldtocht’ van
Theo van Doesburg e.a. in
Nederland (1922).
De belangrijkste cabaretiers van de beginperiode van het cabaret
in Nederland waren
Eduard Jacobs,
Koos Speenhoff (1869-1945),
Jan Louis Pisuisse (1880-1927) en
Louis Davids (1883-1939). Na de Tweede
Wereldoorlog bepaalden vooral
Wim Kan (1911-1983),
Wim Sonneveld (1917-1974) en
Toon Hermans het gezicht van het
cabaret. Daarna en daarnaast kwam er veel nieuw talent, in groepen (bijv.
Lurelei, Don Quishocking, Neerlands Hoop) en individueel (
Jasperina de Jong,
Herman van Veen,
Paul van Vliet,
Fons Jansen e.v.a.).
Freek de Jonge introduceerde nieuwe
elementen, zoals het zgn. anticabaret. Aparte vermelding verdient het
tv-cabaret, met o.a.
Kees van Kooten en
Wim de Bie.
Sommige cabaretiers schreven hun eigen teksten (bijv.
Ivo de Wijs,
Drs. P., Freek de Jonge), anderen lieten
zich daarvan voorzien door auteurs als
Annie M.G. Schmidt,
Michel van der Plas,
Guus Vleugel,
Jan Boerstoel en
Willem Wilmink. Het cabaret
inVlaanderen heeft een eigen ontwikkeling, waarin o.a.
Urbanus en
Kamagurka een markante rol spelen.
LIT: Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; E. Visser. Het
Nederlands cabaret (1920); J.E. van de Kamp. Mens durf te leven
(1967); W. Ibo. En nu de moraal van dit lied (1970); W. Ibo. Cabaret
... wat is dat eigenlijk? (1974); W. Voets. ‘De cabarettekst in
retorisch perspectief’, in: FdL 26 (1985), p. 108-119; J.
Klöters & P. Blom. Honderd jaar amusement in Nederland (1987);
E. van Altena (red.). Dat is uit het leven gegrepen (1989); B. Vogel.
Fiktionskulisse. Poetik und Geschichte des Kabaretts (1993);
Literatuur en cabaret, spec. nr. van Bzzlletin 24 (dec./jan.
1995); P. van den Hanenberg & F. Verhallen. Het is weer tijd om te
bepalen waar het allemaal op staat. Overzicht van het Nederlands cabaret
1970-1995 (1995). [G.J. van Bork/G.J. Vis]
| | | |
cadans of cadens
Term uit de prosodie ter aanduiding van een golfbeweging in het
ritme van een
vers-1, strofe of gedicht, veroorzaakt door
het metrum of door andere structurerende vormgevingsverschijnselen. Vaak is de
ervaring van een cadans een subjectieve zaak, maar wanneer men het effect van
bijv. de
alexandrijn als een cadans ervaart, dan
heeft dat een objectieve grond, namelijk het meetbare schema van het metrisch
patroon.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Morier;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
cadavre exquis
Een door het surrealisme in de literatuur ingebrachte vorm waarbij
oorspronkelijk vijf verschillende personen achtereenvolgens vijf zinsdelen van
een daarmee te vormen zin inbrengen: een zelfstandig naamwoord, een adjectief,
een werkwoord, een lijdend voorwerp en een bijvoeglijk naamwoord dat daarbij
hoort. Het verschijnsel werd vernoemd naar de aldus verkregen zin: ‘Le
cadavre exquis boira le vin nouveau’. Soms ook wordt de term gebruikt
voor collectieve vormen van tekstproductie of voor regels van één
dichter die een soortgelijke bouw vertonen, zoals Luceberts ‘hierna de
ontplofte theepot opent zijn wijsgerige bladen’ (VG, 1974, p.
200). De Vijftigers vervaardigden volgens het getuigenis van
S. Vinkenoog te
Parijsregelmatig cadavres exquis.
LIT: Buddingh'; Gorp; S. Vinkenoog. ‘Sprokkelen in de
herinnering: de Nederlandse 5-tigers’, in: Diagram voor Progressieve
Literatuur 1 (1963) 1, p. 7. [G.J. van Bork]
| | | |
cahier
Schrijfboek of schrift bestaande uit een willekeurig, maar beperkt
aantal bladen, ingenaaid of geniet tot één of meer katernen. Ook
gebruikt als aanduiding voor een reeks of tijdschrift, bijv. Cahiers voor
letterkunde, of een boek dat in afleveringen verschijnt. In die gevallen is
cahier synoniem met
aflevering of fascikel.
LIT: BDI. [wk/gvb]
| |
calembourg
Vorm van
woordenspel waarbij gebruik gemaakt wordt
van klankovereenkomst tussen woorden met een verschillende betekenis of van
contaminatie van elementen van bestaande woorden, bijv.
Huizinga's ‘meer- en
minderkoetkekoet’ uit zijn gedicht ‘De oerbosbrand’ in
Olivier en Adriaan (z.j., p. 48).
Huygens maakt gebruik van
klankovereenkomst in zijn puntdicht ‘Dubbele Neel’:
Neel had haar vrijers en haar man,
gelijk dat menig vrouwtje kan.
De man zei: immers kind, wij zijn wel met elkander.
Och ja, zei ze, ik altijd; en meende met elk ander.
(Dichten op de knie. Ed.
Hellinga, 1956, p. 38).
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Metzler; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
calendarium of calendier
Middeleeuwse (gregoriaanse) kalender van het ‘pars de
sanctis’, de kerkelijke feestdagen van Maria en de andere heiligen, die
op een vaste datum in het jaar vallen, bijv. Allerheiligen (1 november), dit in
tegenstelling tot de ‘pars de tempore’, de roerende feestdagen die
niet op een vaste datum, maar op een vaste dag gevierd worden: Goede Vrijdag en
hemelvaartsdag. Met rode letters (rubriek-2) geschreven
feesten zijn geboden feestdagen die ook buiten de kerk gevierd worden (festa
fori), in tegenstelling tot de minder belangrijke feesten die uitsluitend in de
kerk gevierd werden (festa chori).
Gedurende de handschriftenperiode was het gewoonte om
handschriften met een naslagkarakter van een kalender te voorzien, bijv.
Jacob van Maerlants Der
naturen bloeme (ed.
Gysseling, 1981), waarmee tevens de
paasdatum berekend kon worden. Na de uitvinding van de boekdrukkunst ging men
ertoe over calendaria te drukken en werden ze opgenomen in almanakken (almanak).
Het calendarium werd door
Guy Marchant bewerkt tot
moraalfilosofisch en theologisch-astrologisch traktaat, Compost et
Kalendrier des Bergiers (1491), door
Thomas van der Noot vertaald en bewerkt
als Der scaepherders kalengier (1511).
LIT: Cuddon; Metzler; W.E. van Wijk. De Gregoriaanse
kalender (1932); B. Kruitwagen. Laat-middeleeuwsche paleografica,
paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942), p. 153-224; W.E.
van Wijk. Onze kalender (1955); H. Pleij. ‘Literatuur en
natuurgenot in de late middeleeuwen: het paradijs op aarde’, in:
Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen (1990), p. 17-78. [H.
Struik]
| |
calendier zie
calendarium
| |
cancel
Term uit de analytische bibliografie voor één of
meer bladen (blad-2) uit een
katern die in de plaats gekomen zijn van
bladen die om de een of andere reden (zetfouten; censuur) vervangen moesten
worden. Het te vervangen blad wordt cancellandum genoemd, het vervangende blad
heet cancellans. De cancels kunnen conjunct of disjunct zijn: in het eerste
geval zijn bijv. blad 1 en 4 van een kwarto-katern beide tegelijkertijd
vervangen; in het geval van disjunctie betreft het losse bladen. Disjuncte
cancels worden gewoonlijk geplakt op het strookje van de binnenmarge dat bij
verwijderen van het cancellandum is blijven zitten.
In een
opbouw- of
collatieformule wordt een cancel aangegeven
door een ±-teken, bv. A4 B4 (±B3)
C4-Z4 betekent dat het derde blad van katern B een cancel
is.
Cancels kan men herkennen aan het voorkomen van één
of meer van de volgende kenmerken: een extra
katernsignatuur als het de tweede helft van
een katern betreft, ander papier, een ander watermerk, meer of minder regels
per pagina dan de omringende tekst, ander lettertype, andere spelling,
opvallend gebruik van abbreviaturen of van spatie, een andere positie van de
katernsignatuur in exemplaren met cancellans, respectievelijk cancellandum.
Een blad kan ook gecancelled worden zonder dat vervanging
plaatsvindt, bijv. bij een gedeelte van de tekst dat dubbel gezet is. Dat leidt
tot een katern met een oneven aantal bladen, evenals de toevoeging van een blad
met aanvullingen. De notatie A4 B4 (-B3)
C4-Z4 betekent dat het derde folium van het B-katern
verwijderd is; de toevoeging van een extra blad tussen het derde en vierde blad
van het B-katern wordt weergegeven met de Griekse letter [chi]: A4
B4 (B3+[chi]) C4-Z4. Toevoeging van twee
conjuncte bladen wordt genoteerd met een punt tussen de cijfers - bijv.
B4 (B2+[chi]1.2) - terwijl tussen twee disjuncte bladen een komma
komt, bijv. B4 (B2+[chi]1,2).
LIT: BDI; Feather; Hiller; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 134-136, 328-332. [P.J.
Verkruijsse]
| |
cancelleresca
Term uit de paleografie voor een humanistische
cursief zoals die ontwikkeld is op de
pauselijke kanselarij. De cancelleresca is veel gebruikt in 16e-eeuwse
schrijfboeken en is van invloed geweest op
de vormgeving van de cursieve drukletter.
Francesco Griffo baseerde zich erop voor
de cursief die hij voor
Aldus Manutius ontwierp.
LIT: Scott; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(1988), p. 186. [P.J. Verkruijsse]
| |
canon-1
Corpus teksten dat in de loop der tijd tot de literatuur gerekend
wordt op grond van erkenning van de literaire waarde of waarvan de waarde voor
de letterkunde in ruimere zin bepalend is (geweest) voor de totstandkoming
ervan. Welke werken gecanoniseerd zijn, is afleesbaar aan de genoemde of
behandelde titels van werken in literair-historische handboeken, lexica of
andere overzichtswerken.
Voorwaarde voor canonisering is dat geschriften allereerst de
sociale status krijgen van een literair werk doordat zij als zodanig door
auteurs, uitgevers, critici, literatuurhistorici en literatuurdocenten
behandeld worden (receptie-esthetica;
smaak). Een en ander geschiedt steeds op
grond van zich wijzigende literaire opvattingen en dat is er dan ook de oorzaak
van dat de literaire canon in de loop der tijd aan verandering onderhevig is.
Sommige werken verdwijnen uit de canon, andere worden eraan toegevoegd, enkele
ontbreken bijna nooit. Een aardig voorbeeld van de rol van
literatuuropvattingen bij de canonvorming is het werk van
P.A. Daum (1850-1898) en
W.A. Paap (1856-1923). Onder invloed van
de standpunten van Forum-auteurs als
Ter Braak (1902-1940) en
Du Perron (1899-1940) kregen Daum en
Paap een plaatsje terug in de canon waaruit ze geleidelijk waren verdwenen.
Omgekeerd kwam het werk van de dominee-dichters uit de 19e eeuw onder invloed
van de poëzieopvattingen van de Tachtigers onder druk te staan.
Soortgelijke verschijnselen doen zich voor bij tot een bepaald genre behorend
werk. Strips en reportages zijn pas in de laatste jaren onder invloed van
veranderde literatuuropvattingen tot de canon doorgedrongen. Anderzijds is een
auteur als
Vondel (1587-1679) met zijn werk
nauwelijks uit de canon weg te denken.
Canonvorming geschiedt niet alleen op literaire gronden. Voor de
Middeleeuwen geldt een canon die vooral beheerst wordt door didactische of
godsdienstige argumenten; het betreft een zeer ruime canon waarin esthetische
factoren een ondergeschikte rol spelen. Sinds de romantiek is de canon steeds
sterker bepaald door esthetische eisen. De laatste decennia speelt zich een
duidelijke liberalisering van de canon af waardoor grote onzekerheid is
ontstaan over wat wel en wat niet tot de canon gerekend dient te worden.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; Wilpert;
F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 81-86; J.J.A. Mooij.
Idee en verbeelding (1981), p. 5-10; D.W. Fokkema (red.).
‘Literatuurgeschiedenis en canonisering’, in: Spektator 15
(1985-1986), p. 3-64; E. van Alphen e.a. (red.). De canon onder vuur.
Nederlandse literatuur tegendraads gelezen (1991); L. van Gemert. Norse
negers; oudere letterkunde in 1996 (1996). [G.J. van Bork]
| |
canon-2
Lied in de vorm van een twee- of
meerstemmig zangstuk waarbij de eerste partij bij het begin van de zangtekst
begint, op een afgesproken punt wordt gesecondeerd door een tweede partij die
op dezelfde wijze als de eerste partij bij het begin begint, zodat het stuk
tweestemmig is geworden. Daarna kan eventueel een derde partij invallen op
dezelfde wijze als de tweede partij deed, enz.
Een bekend voorbeeld is het liedje ‘Broeder
Jakob’:
Broeder Jakob, broeder Jakob,
Slaapt gij nog, slaapt gij nog?
Alle klokken luiden, alle klokken luiden:
Bim bam bom, bim bam bom.
(
M. Veldhuyzen. Prisma
liederenboek, 1971, p. 198).
Wanneer de eerste partij vs. 2 inzet, zet de tweede partij
gelijktijdig vs. 1 in, enz.
LIT: [G.J. Vis]
| |
canso
Twaalfde-eeuwse Zuid-Franse benaming voor een hoofs liefdeslied
(fin'amors), gedicht en getoonzet door een
troubadour. Het canso werd in de tweede
helft van de 12e eeuw nagevolgd door de Noord-Franse
trouvères in hun
chansons, die op hun beurt weer de bron van
inspiratie vormden voor Middelnederlandse dichters als
Heinric van Veldeke (ca. 1140-ca. 1200),
Jan I van Brabant (1253-1294) en
Hadewijch (13e eeuw).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; J. Gruber. Die Dialektik des Trobar. Untersuchungen zur
Struktur und Entwicklung des occitanischen und französischen Minnesangs
des 12. Jahrhunderts (1983); F. Willaert. De poëtica van Hadewijch
in de Strofische Gedichten (1984), p. 17-79; E. van Altena. Daar ik tot
zang word aangespoord. Occitaanse troubadours 1100-1300 (1987); R. Zemel.
‘Hoofse liefde in de literatuur van de twaalfde eeuw’, in:
Herkennen wij de middeleeuwen? (1988), p. 71-107. [W. Kuiper]
| |
cantate
Term uit de literaire en muzikale genreleer voor een zangstuk met
instrumentale begeleiding voor een of meer solistische stemmen en (meestal) een
koor. De cantate is vaak een gevarieerd geheel van verschillende onderdelen,
zoals aria's, recitatieven, stukken voor koor en voor orkest. De cantate is
ontstaan in de tijd van de renaissance. Men maakt onderscheid tussen de
geestelijke (veelal kerkelijke) cantate, voortgekomen uit het motet, en de
wereldlijke cantate, voortgekomen uit het madrigaal. In de tijd van
J.S. Bach (1685-1750) beleefde de
cantate een bloeitijd.
De eerste oorspronkelijke Nederlandse cantate is de onuitgegeven
‘Proeve van een lofzang, om te worden gesteld in muziek’ onder de
titel De komst van den Messias van
Onno Zwier van Haren (1713-1779).
H. van Alphen (1746-1803) was de eerste
Nederlandse dichter die cantaten uitgaf: Doggerbank,
De starrenhemel en De hoope der
zaligheid (1783), voorzien van een theoretische verhandeling. In de
19e eeuw zijn veel cantates geschreven, in Noord-Nederland o.a.
door
J. Kinker (1764-1845),
W. Hecker (1817-1909) en
H.J. Schimmel (1823-1906), en in
België door o.a.
J. de Geyter (1830-1905) en
E. Hiel (1834-1899) (beiden met
P. Benoit als componist). Andere bekende
tekstdichters van cantates zijn
Guido Gezelle (1830-1899),
J.J.L. ten Kate (1819-1889) en
Karel van de Woestijne (1878-1929). In de
20e eeuw bloeit in kerkelijke (met name rooms-katholieke en lutherse) kring de
godsdienstige cantate.
De cantate is meestal een gelegenheidsstuk. Vergeleken met het
oratorium is de cantate beperkter van
omvang.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
cantilena of cantilene
In de Romeinse tijd een denigrerende benaming voor afgezaagd lied,
maar in de Middeleeuwen gebruikt voor kerkzang (cantilena romana = zoals er in
Rome gezongen wordt, i.t.t. cantilena Francorum, zoals de Galliërs
zongen), voor het
chanson de geste (Albericus Triumfontium:
‘ut in cantilena dicitur’ d.i. ‘zoals in het lied gezegd
wordt’) en zelfs sprookjes. De naam is blijven voortleven in cantilene:
gedicht dat zangerig bedoeld is. Menig klankgedicht van
Guido Gezelle (1830-1899) en
Paul van Ostaijen (1896-1928) zou als
cantilene betiteld kunnen worden. Bekend is het expliciet als cantilene
aangeduide gedicht ‘Vera Janacopoulos’ uit de bundel Tuin
van Eros (1932) van
Jan Engelman (1900-1972), dat grotendeels
gedragen wordt door effecten op het gebied van ritme en rijm.
LIT: Buddingh'; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; K.Ph. Bernet Kempers.
Muziekgeschiedenis (19656), p. 59; H. Nolthenius. Muziek
tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans (1981); A.M.
Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast II
(1981), p. 11-28. [W. Kuiper/G.J. Vis]
| | | |
capitalis cursiva, kapitaalcursief of
majuskelcursief
Moderne benaming voor het cursieve Romeinse
majuskelschrift dat ook wel aangeduid wordt
als de oude Romeinse cursief. De capitalis cursiva is een
gebruiksschrift dat minder gedisciplineerd
en vrijer van vorm is dan de
capitalis rustica; het werd geschreven met
een smalle pen. Toch moet er ook veel literatuur geschreven zijn in deze
schriftsoort, omdat de letters van de majuskelcursief sneller (dus goedkoper)
te schrijven zijn dan de gekalligrafeerde vormen van de capitalis rustica.
In de 3e eeuw n.Chr. wordt de capitalis cursiva geleidelijk
vervangen door de
minuskelcursief.
LIT: Dupriez-1; J. Mallon. L'histoire et ses
méthodes (1961), p. 553 e.v.; J.J. John. ‘Latin
Paleography’. In: J.M. Powell (red). Medieval Studies. An
Introduction (1976), p. 12; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen
schrift (19882), p. 116-119. [H. Struik]
| |
capitalis quadrata
Moderne benaming voor het Romeinse
majuskelschrift dat in steen werd uitgehakt
(epigraaf), ook wel bekend als de
‘triomfboogletter’. De oudste inscripties in deze schriftsoort, die
zich kenmerkt door zijn vierkante uiterlijk, dateren uit de 3e eeuw v.Chr.; de
grootste perfectie wordt bereikt in de 2e eeuw n.Chr.
Hoewel er een drietal
Vergilius-fragmenten in capitalis
quadrata uit de 4e en 5e eeuw n.Chr. is gevonden, betwijfelt men of de letter
vaak als boekschrift werd gebruikt. Een lossere, minder strakke variant was de
capitalis rustica, die wél als
boekschrift werd gebruikt. De capitalis quadrata handhaaft zich eeuwenlang voor
speciale doeleinden als titels en opschriften.
In de 8e en 9e eeuw, tijdens de Karolingische renaissance, beleeft
de capitalis quadrata een puristische bloeiperiode: men streeft een zuivere
vorm na en noemt de letter ook wel de ‘littera Vergiliae’.
Na een eeuwenlang sluimerend bestaan wordt de capitalis quadrata
in de 15e eeuw ontdekt door de humanisten (humanisme,
humanistisch schrift); hiermee wordt de
schriftsoort de basis voor onze huidige hoofdletters (kapitaal,
bovenkast).
LIT: J.J. John. ‘Latin Paleography’. In: J.M. Powell
(red). Medieval Studies. An Introduction (1976), p. 8-9; B. Engelhart en
J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p. 106-110. [H.
Struik]
| |
capitalis rustica
Moderne benaming voor de losse, minder formele variant van de
capitalis quadrata, die geldt als het
formele Romeinse
boekschrift. De letters werden met een
zachte, brede pen in smalle kolommen (Lat. ‘pagina’) op
boekrollen (Lat. ‘volumen’) van
papyrus geschreven. De schriftsoort is volgroeid in de 1e eeuw n.Chr. en
handhaaft zich als boekschrift voor luxehandschriften met teksten van de
klassieke, heidense auteurs (bijv.
Ovidius en
Vergilius) tot de 6e eeuw.
Bijbelse teksten werden zelden in capitalis rustica geschreven,
andere christelijke teksten zijn helemaal niet in deze schriftsoort
overgeleverd; deze werden in
semi-unciaal of in
unciaal geschreven.
Na de val van het West-Romeinse rijk handhaaft de capitalis
rustica zich tot in de 10e eeuw als letter voor titels en opschriften.
LIT: LdMA; J.J. John. ‘Latin Paleography’, in: J.M.
Powell (red). Medieval Studies. An Introduction (1976), p. 9; B.
Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p.
110-116. [H. Struik]
| |
captatio benevolentiae
Het winnen van de sympathie van het toegesproken publiek. Begrip
uit de
retorica voor het onderdeel aan het begin
van een (juridische) redevoering (bij uitbreiding: van een tekst), waarin de
advocaat van de beschuldigde partij (genus admirabile)
tracht de vooringenomen stemming van het publiek in zijn voordeel om te buigen;
dat kan door het publiek achtereenvolgens aandachtig (attentum
parare), welwillend (benevolum parare) en
volgzaam (docilem parare) te maken. Deze techniek is
terug te vinden in menige Middelnederlandse proloog, bijv.
Nu hoert na mi, ic sal beghinnen
Ene aventure tellen van minnen,
Die den dorperen no den doren
Niet bestaet, dat sise horen,
Maer die redene merken connen,
Ende van minnen hebben ghewonnen
Beide bliscap ende rouwe,
Sijt clerc, zijt leec, zijt hoefsche vrouwe,
Dien annics datter wese bi,
Daer dese aventure vertellet si.
Oec en willics niet verbieden
Te hoerne allen hoefschen lieden,
Die evel ende ghoet bekinnen.
(
Diederic van Assene. Floris
ende Blancefloer, ed.
Mak, 19804, vss 1-13).
Wie van de toehoorders na het horen van deze woorden zou weglopen,
kwalificeert zich als dorper en dwaas, als bot en dom.
LIT: Best; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler. [wk/hs]
| |
caramelvers zie
ulevelrijm
| |
carmen
Middellatijnse benaming voor zowel strofische liederen (lyriek), bijv. de Carmina burana, als
heldenliederen (epiek,
epos), bijv. het Carmen de
Hastingiae proelio (ed.
Morton en
Muntz, 1972) van
Guy van Amiens (1058-1075) waarin de slag
bij Hastings (1066) bezongen wordt.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Shipley; Wilpert; F.J. Raby. A history of secular latin poetry
in the Middle Ages, 2 dln. (19672); P. Dronke. Medieval latin
and the rise of European love-lyric, 2 dln. (1968). [W. Kuiper]
| |
carmen figuratum zie
figuurgedicht
| |
carnatioen zie
chronogram
| |
cartularium
Term uit de archivistiek voor een register waarin in de
Middeleeuwen akten (akte-1), meestal
oorkonden, werden afgeschreven die de
afschrijver als belangrijk beschouwde vanwege hun bewijskracht voor bepaalde
rechten of inzake het beheer van bepaalde goederen. De ordening van zo'n
register is per onderwerp of alfabetisch op geografische namen. Een cartularium
waarin tussen de afschriften andere gegevens toegevoegd zijn, kan tenderen in
de richting van een
kroniek.
LIT: BDI; Brongers; MEW; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
catalectisch
Term uit de prosodie ter aanduiding van een metrische versregel
die één of twee syllaben mist in de laatste
versvoet, bijv.
Hier niet en/ daar niet! Waar/ stiert gij den/ steven,
Zwervende/ Wim! ik roep/ altoos om/ niet!
(
H. Tollens. Gezamenlijke
dichtwerken, dl. 8, 1856, p. 111)
Hier mist de eerste viervoetige dactylische regel
één syllabe en de tweede regel twee.
In de
hexameter is de laatste voet altijd
tweesyllabig (spondee,
trochee), bijv.
Thans is het/ tijd, stand/vastig en/ stout alle/ vrees te
ver/bannen!
(
J. Kinker.
Gedichten, dl. 3, 1821, p. 86).
De hexameter is altijd catalectisch, vanwege het
finale adonius.
Een
distichon is catalectisch wanneer het
bestaat uit een dactylische hexameter en
pentameter; de slotvoet van de eerste regel
is tweesyllabig, die van de tweede regel éénsyllabig.
Een ander voorbeeld van catalectische regels vindt men in het
gedicht ‘Schemering’ van
J.Jac. Thomson:
Zing mij nog/ eenmaal uw/Tjechische/liederen/, luistre
Eenmaal ik/nog naar dien/ klank/,zangsters, dat/ ik hem
be/waar
Verder dan/nu, wijl de/ dag in den/vochtigen/ schemer gaat/
duistren,
Langer dan/ nu, wijl ik/hoor/'t tinkelen/ van uw gi/taar.
(
J.Jac. Thomson.
Orplid, 1916, p. 69).
Ook trocheïsche verzen zijn vaak catalectisch, bijv.
Zou ik/voor den/ klepper/ vreezen,
(
H. van Alphen.
Dichtwerken, ed.
Nepveu, 1871, p. 276).
Wanneer een versvoet volledig is, noemt men deze
acatalectisch.
LIT: Baldick; Bantel; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley: Wilpert. [G.J. Vis]
| |
catalogus-1
Alfabetische of systematische opsomming van voorwerpen die tot en
bepaalde verzameling behoren. Een
auctie- of veilingcatalogus beschrijft zaken
die alleen voor het ene moment van de veiling samengebracht zijn; een
antiquariaatscatalogus geeft een opsomming
van toevallig in dat antiquariaat aanwezige boeken; een
fondscatalogus is een lijst van door een
bepaalde uitgeverij vervaardigde titels; een tentoonstellingscatalogus
beschrijft de geëxposeerde objecten die voor kortere of langere tijd op
een bepaald plaats zijn samengebracht; een bibliotheekcatalogus geeft de
titelbeschrijvingen van de in de verzameling aanwezige boeken, tijdschriften,
handschriften en pamfletten (de vier genoemde categorieën krijgen
gewoonlijk een afzonderlijke catalogus).
Auctie- en tentoonstellingscatalogi worden vrijwel altijd gedrukt;
bibliotheekcatalogi zijn dikwijls alleen ter plaatse in fiche-vorm
raadpleegbaar (in kaartenbakken, in de vorm van zgn.
Leidse boekjes of als
COM-catalogus). Veel catalogi zijn inmiddels
on line raadpleegbaar. Naast een alfabetische of auteurscatalogus kan een
bibliotheek ook een systematisch catalogus aanleggen om het bezit via
onderwerpen c.q. trefwoorden toegankelijk te maken. In de Nederlandse openbare
bibliotheken (OB) wordt voor de indeling van de systematische catalogus gebruik
gemaakt van het
SISO (Systeem voor de inrichting van de
systematische catalogus in openbare bibliotheken); voor wetenschappelijke
bibliotheken kan de
UDC (Universele Decimale Classificatie)
gebruikt worden, maar tal van bibliotheken hebben in het verleden een eigen
systematiek ontworpen. Naast de alfabetische en systematische catalogus is soms
ook een
standcatalogus aanwezig, gerangschikt
volgens de plaatsnummers die de boeken in de bibliotheek hebben.
Wanneer catalogi van verschillende bibliotheken (hetzij locaal,
regionaal of nationaal) op een centraal punt door duplicatie samengevoegd
worden, spreekt men van een centrale catalogus (CC). Voor
Nederland bevindt de CC van een groot aantal bibliotheken zich in
de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag, sinds 1984 geautomatiseerd
in de NCC (Nederlandse Centrale Catalogus). De centrale tijdschriftencatalogus,
de CCP (Centrale Catalogus van Periodieken), is in gedrukte vorm
raadpleegbaar.
Om een groot aantal titels snel toegankelijk te maken, kan in
eerste instantie volstaan worden met een korte titelbeschrijving. Zo wordt een
overzicht vervaardigd van de totale Nederlandse boekproductie vanaf de
uitvinding van de boekdrukkunst tot 1800 in de geautomatiseerde
STCN (Short-Title Catalogue,
Netherlands).
Een catalogus moet duidelijk onderscheiden worden van een
bibliografie, die tot doel heeft om een
beschrijving te geven van titels die op één onderwerp betrekking
hebben, waar die titels zich ook bevinden. De titel Brinkman's
catalogus van boeken en tijdschriften (1846-...) is dan ook
onjuist; het is een bibliografie van in Nederland en in het Nederlands
verschijnende titels. Anderzijds kunnen catalogi van zeer gespecialiseerde
verzamelingen de status van een bibliografie benaderen, zoals de
Catalogus der Bibliotheek van de Vereeniging ter Bevordering van de
Belangen des Boekhandels te Amsterdam (1920-...) die op het terrein
van de boek- en bibliotheekwetenschap zeer veel informatie verschaft. Een
catalogus moet verder ook onderscheiden worden van een
inventaris, die een systematisch ingedeelde
beschrijving geeft van de bestanddelen van een archief.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Metzler; MEW; Ned.
Arch.-term; Wilpert; H.E. Greve. Theorie van den catalogus
(19502); W.F. de Regt. Introductie tot de UDC (1972);
Regels voor de titelbeschrijving (3 dln., 1978-79); Th.P. Loosjes.
Bibliotheek en documentatie (1979); A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
catalogus-2
Term uit de poëtica voor een opsommende beschrijving (descriptie) van een aantal personen of objecten. De catalogus
stamt uit de klassieke literatuur (
Homerus,
Ovidius,
Vergilius) en wordt nagevolgd (imitatio) gedurende de Middeleeuwen en renaissance. Een
Middelnederlands voorbeeld van een catalogus is de beschrijving van de
afbeeldingen op de muur rond het lustoord van Deduut in Die
Rose van
Heinric (ed.
Verwijs, 19762, vs. 131 e.v.),
waarin een aantal gepersonifieerde karaktereigenschappen (allegorie) beschreven wordt. Een ander voorbeeld is de
beschrijving van de dorperlingen in de Reinaert als zij
Bruun de Beer te lijf gaan die met kop en voorpoten in de eik van Lamfroyt
vastzit (ed.
Lulofs, 19852, vs. 718
e.v.).
LIT: Preminger; Shipley. [W. Kuiper/H/ Struik]
| |
catastasis
Term uit de dramatheorie van
J.J. Scaliger voor de vertraging van de
stijging naar de
peripetie, de beslissende wending in het
drama, met name in de klassieke tragedie, die leidt tot de
catastrofe, de ondergang van de held. In de
catastasis wordt de intrige uitgesponnen die in de fasen van de protasis-1
(expositie) en
epitasis voorbereid is.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Preminger; Shipley: Wilpert.
[P.J. Verkruijsse]
| |
catastrofe
Aanduiding voor dat deel van het drama waarin de omkering van de
handeling plaatsvindt na de climax naar de peripetie toe. De catastrofe
betekent in de klassieke
tragedie de ondergang van de held (protagonist). De catastrofe vormt een vast deel van de
klassieke tragedie, die begint met de
expositie in het eerste bedrijf, gevolgd
door de
intrige-2 in het tweede en de
climax-2 in het derde. Op het hoogtepunt van
de spanning volgt als wending de catastrofe in het vierde en tenslotte de
peripetie in het vijfde bedrijf waarin het
drama zijn afwikkeling krijgt. In
Vondels Gijsbreght van
Aemstel bijv. valt de catastrofe in het vierde bedrijf, wanneer de
stad Amsterdam zo goed als gevallen is en een heraut de burcht komt
opeisen.
Ook in het moderne drama wordt de ondergang van de held(en) een
catastrofe genoemd, maar daar is het geen typisch structureel element meer,
zoals in de klassieke tragedie.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan;
Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott;
Shipley; Wilpert; B. Verhagen. Dramaturgie (19632). [G.J. van
Bork]
| |
catharsis
Term uit de dramatheorie van
Aristoteles, aanvankelijk voor het
zuiverend effect van de klassieke
tragedie op de toeschouwer die meeleeft met
de tragische held, later ook voor een dergelijk effect op de lezer van ieder
literair werk.
Het catharsisbegrip van Aristoteles moet gezien worden als een
reactie op de mening van
Plato dat toneel verwarring teweeg
brengt in de ziel doordat het de hartstochten aanwakkert. Volgens Aristoteles
is de tragedie in staat de emoties tot uiting te brengen en ze te
reguleren.
Volgens sommige theoretici moet de Aristotelische catharsis echter
niet receptioneel verstaan worden als morele of zelfs medische zuivering, maar
heeft het begrip betrekking op de held in de tragedie zelf.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan;
Leeman-Braet; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley:
Ueding; Wilpert; A.G. van Hamel. Zeventiende-eeuwsche opvattingen en
theorieën over litteratuur in Nederland (19732), p. 82-83;
M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissance-toneel (1991), 56-57; S.
Wiersma. ‘Katharsis’, in; W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 93-98. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
causerie
In een losse en onderhoudende vorm voorgedragen of geschreven
korte verhandeling, doorgaans over een onderwerp van wetenschap of kunst.
Bekend zijn de door
M. Nijhoffgepubliceerde causerieën
Gedachten op Dinsdag (1931) en de radiocauserieën
van
P.H. Ritter Jr. over literatuur.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott. [G.J. van Bork]
| |
census
Bibliografische term voor een lijst van de bewaarplaatsen van alle
bekende exemplaren van een
druk. Een census verkrijgt men door
uitgebreid bibliografisch onderzoek. Het opstellen ervan is noodzakelijk om
exemplaren te kunnen
collationeren en om zo de
ideal copy te kunnen samenstellen. Bij de
beschrijving van de ideal copy moet de census altijd vermeld worden met bij
ieder exemplaar de
bibliotheeksignatuur en de eventuele
afwijkingen ten opzichte van de ideal copy.
LIT: Brongers; Hiller; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
censuur
Toezicht van de overheid of van kerkelijke instanties op de
openbaarmaking van geestelijke voortbrengselen d.m.v. boeken, toneel, radio, tv
of film en het verbieden van die openbaarmaking. Meestal is censuur gebaseerd
op angst voor ondermijning van normen of van religieus of politiek gezag en
worden onwelgevallige werken of passages daaruit geweerd of verboden onder de
dekmantel van morele overwegingen. De Nederlandse en Belgische grondwet staat
censuur niet meer toe, wat niet wil zeggen dat ze niet meer bestaat.
De rooms-katholieke kerk heeft sinds haar ontstaan altijd getracht
de gelovigen te beschermen tegen haars inziens gevaarlijke gedachten en
geschriften, wat na de uitvinding van de boekdrukkunst geleid heeft tot de
Index librorum prohibitorum (1559), een lijst van boeken
door de rooms-katholieke overheid verboden op grond van gevaar voor geloof en
goede zeden.
Men onderscheidt preventieve censuur of censuur vooraf en
repressieve censuur of censuur achteraf. Preventieve censuur kwam tot uiting in
de toestemming tot uitgave, uitgedrukt in het
approbatur, evulgetur,
imprimatur of nihil obstat, repressieve
censuur in de verbodsbepalingen voor lezers of boekverkopers.
W.P.C. Knuttel stelde een beredeneerde
catalogus samen van Verboden boeken in de Republiek der Vereenigde
Nederlanden (1914).
Politieke censuur komt het meest voor in tijden van onderdrukking
of oorlog. Tijdens de Tweede Wereldoorlog functioneerde de door de Duitsers in
het leven geroepen Kultuurkamer als censurerend lichaam. Kunstenaars en
uitgevers moesten daar lid van zijn en alleen aan leden werd na goedkeuring van
hun geschriften papier ter beschikking gesteld voor de druk. Zo stond de
bezetter bijv. niet toe dat in Nederlandse geschriften gewag werd gemaakt van
verliezen of nederlagen van het Duitse leger. Pro-joodse uitlatingen waren
uiteraard eveneens verboden.
De censuur die speciaal voor de zoon van Lodewijk XIV werd
toegepast in de tekstedities van Latijnse auteurs staat bekend als
ad usum delphini. Tot voor kort was het
gebruikelijk schooluitgaven van historische teksten die scabreuze passages
bevatten te ‘castigeren’. Het meest bekende voorbeeld is
Van den vos Reynaerde, waarin de aanval van de kater
Tybeert op het geslachtsdeel van de dorpspastoor werd veranderd in een beet in
de neus.
Een bijzondere vorm van censuur is de
zelfcensuur, waarbij een auteur of een
redactie eigen uitgaven censureert. Vormen van boekvernietiging buiten de
officiële censuur om komen ook voor (bibliolythie).
Sinds 1986 verschijnt het Nederlandstalige tijdschrift Artikel
19, een 10 keer per jaar verschijnend periodiek dat uitsluitend aan
internationale vormen van censuur gewijd is.
LIT: BDI; Bantel; Brongers; Feather; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW;
Scott; Shipley; Wilpert; H.E. Enno van Gelder. Vrijheid en onvrijheid in de
republiek. Geschiedenis der vrijheid van drukpers en godsdienst van 1572 tot
1789. I: van 1572 tot 1619 (1947); D. de Jong. Het vrije boek in onvrije
tijd (1958); J. MacCormick en M. McInnes (ed.). Versions of
censorship (1962); M.C. Burkens. Beperkingen van grondrechten
(1971); H.A. Enno van Gelder. Getemperde vrijheid (1972); J. Goossens.
De gecastreerde neus (1988); C.J. Aarts en M. van der Pluijm.
Verboden boeken. Verboden door Pausen en dictators, puriteinen en
boekenhaters (1989); Censuur: voorschrift en praktijk, themanr. van
Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis 2 (1995); P. Manasse.
Verdwenen archieven en bibliotheken; de verrichtingen van de Einsatzstab
Rosenberg gedurende de Tweede Wereldoorlog (1995). [G.J. van Bork]
| |
cento
Literaire tekst die gekenmerkt wordt door het creatief
intertekstueel (intertekstualiteit) invlechten van
citaten van andere auteurs of andere teksten, vaak bewust uit hun context
geciteerd. De auteur demonstreert hiermee zijn belezenheid en appelleert aan
het plezier van de herkenning bij een geletterd publiek. Doorgaans beoogt een
cento een komisch effect (parodie). Met
plagiaat heeft dit alles niets te maken,
omdat het in feite een hommage is aan de tekst waaraan ontleend wordt.
Middeleeuwse voorbeelden van een cento zijn de 11e-eeuwse Ecbasis
captivi (ed.
Trillitzsch, 1964) en de
Fergus (ed.
Frescoln, 1983) van
Guillaume le Clerc. Een invloedrijk
16e-eeuws voorbeeld is de Politica (1589) van
Justus Lipsius; uit de 17e eeuw kunnen
genoemd worden
Daniel Heinsius' Hymnus of
lof-sanck van Bacchus (1614) en Lof-sanck van Iesus
Christus (1616). Een betrekkelijk recent voorbeeld zijn de liedjes
in de Frater Venantius-sketch van
Wim Sonneveld. Deskundigen zijn het er
overigens nog lang niet over eens of de vaak subtiele intertekstualiteit wel
door het publiek werd opgemerkt.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Laan; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; R.M.T. Zemel. Op zoek naar
Galiene. Over de Oudfranse Fergus en de Middelnederlandse Ferguut (1991),
p. 69. [W. Kuiper]
| |
centsprent
Rijmprent in de vorm van een
plano-vel die tegen een geringe kostprijs
(één of enkele centen) door drukkers in grote aantallen in omloop
werd gebracht. Vooral in de 17e en 18e eeuw waren dergelijke prenten enorm
populair, zowel bij volwassenen (volksprent) als bij
kinderen (kinderprent).
C.F. van Veen stelde er voor het
Rijksprentenkabinet te Amsterdam een catalogus van samen onder de titel
Centsprenten. Nederlandse volks- en kinderprenten
(1976).
LIT: Brongers; M. de Meijer. De volks- en kinderprent in de
Nederlanden van de 15e tot de 20e eeuw (1967). [G.J. van Bork]
| |
certum of res certa
Term uit de retorica voor een vaststaand gegeven waarover geen
discussie nodig is. Het certum wordt in het kader van de
inventio door de redenaar geponeerd; het
komt vooral voor in het
genus demonstrativum, maar wanneer een
dubium als certum geponeerd wordt in het
deliberatieve of juridische genus heeft het een nog grotere retoricale impact.
Een voorbeeld van een certum is de openingszin van de inaugurele
rede van
H.D.L. Vervliet, Gutenberg of
Diderot? (1977), waarover niet gediscussieerd hoeft te worden:
‘Huizinga's ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ eindigt ergens in de
15e eeuw’.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
cesuur
Syntactische grens (rust) binnen een
versvoet, bijv.
Wat droomt/ gij,// macht/ loos,// maar/ verme/ tel Telg/ der
aar/ de,
(
J. Kinker. Gedichten, dl. 1,
1819, p. 31).
Hier valt de cesuur tussen de eerste en tweede syllabe van de voet
van de
alexandrijn.
Bij uitbreiding kan het woord ook betrekking hebben op de rust
tussen twee versvoeten, bijv.
Geke/ tend aan/ het stof!// van eigen kracht/ en waar/ de?
In het laatste geval noemt men de pauze ook wel
diaeresis. De cesuur wordt meestal
aangegeven door het teken //.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Dupriez-1; Hobsbaum; Gorp; Laan; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Preminger.
[G.J. Vis]
| |
cesuurrijm
Speciale vorm van
binnenrijm, waarbij de laatste syllabe of de
laatste
versvoet van de eerste vershelft
rijmvrager is van het corresponderende
gedeelte in de tweede en laatste vershelft als
rijmgever, bijv.
Constantijntje, 't zaligh kijntje
(
J. van den Vondel. WB-ed., dl. 3,
1929, p. 388).
LIT: Bronzwaer; Gorp. [G.J. Vis]
| |
chanson
Uit het Frans overgenomen algemene verzamelnaam voor (literaire)
liederen, zowel uit heden als verleden, die niet nader getypeerd kunnen worden,
in tegenstelling tot bijv.
ballade-2,
rondeel of
virelai. De oudste Nederlandse verzameling
chansons vindt men in het laat-14e-eeuwse Brugse Gruuthuse-handschrift (ed.
Heeroma &
Lindenburg, 1966). Chansons van meer
recente datum zijn die van
Jacques Brel en
Ernst van Altena.
Meer specifiek gebruikt men de term chanson ter aanduiding van het
12e- en 13e-eeuwse hoofse minnelied (canso) van
troubadours en
trouvères.
In de muziekwetenschap tenslotte wordt de term chanson vaak
gebruikt ter benoeming van meerstemmige Franse liederen uit de 14e tot de 16e
eeuw.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Shipley; Wilpert; J. Gruber. Die Dialektik des Trobar.
Untersuchungen zur Struktur und Entwicklung des occitanischen und
französischen Minnesangs des 12. Jahrhunderts (1983); F. Willaert.
De poëtica van Hadewijch in de Strofische Gedichten (1984), p.
17-79; J. Reynaert. ‘Aspecten van de dichtvorm in het
Gruuthuse-liedboek’, in: SpL 29 (1987), p. 165-195; E. van Altena.
Daar ik tot zang word aangespoord. Occitaanse troubadours 1100-1300
(1987). [H. Struik]
| |
chanson de geste of matière de France
Oudfrans episch lied (epos) handelend over
‘waar gebeurde’ heldendaden (res gesta), door een
jongleur gezongen c.q. zangerig voorgedragen
(cantilena), zichzelf daarbij begeleidend op een
‘vielle’, een vioolachtig strijkinstrument, of op een draailier.
Over de melodie of melodieën waarop gezongen werd, is weinig bekend. Ook
over de ouderdom van het genre is men het niet eens. Zeker is dat chanson de
geste-achtige liederen al ten tijde van
Karel de Grotebestonden. Het oudste
handschrift met een chanson de geste is het Oxfordse handschrift van het
Chanson de Roland (ca. 1150). Aanvankelijk veronderstelde
men dat de chansons de geste via mondelinge overlevering de eeuwen overbrugd
hadden (traditionalistische ontstaanstheorie). Hierop kwam een reactie in de
vorm van de individualistische theorie die veronderstelde dat de chansons de
geste 12e-eeuwse creaties van individuele auteurs en jongleurs waren op basis
van historische overlevering. Tegenwoordig denkt men dat de waarheid in het
midden ligt.
De ruim honderd bewaard gebleven chansons de geste worden
ingedeeld in die welke handelen over de heldendaden van Charlemagne (Karel de
Grote) en zijn pairs (cycle du roi), die over
Guillaume d'Orange (Willem van Oringen),
die over de opstandige baronnen (les barons révoltés) en die over
Doön de Mayence (epische cyclus).
Chansons de geste zijn opgebouwd uit strofen (laisses) van een
willekeurige lengte; de oudste hebben versregels die tien lettergrepen tellen
met een
cesuur na de vierde lettergreep (decasyllaben), de jongere twaalf lettergrepen (alexandrijn) met de cesuur na de zesde lettergreep (dodecasyllaben). Het rijm is normaliter assonerend: alle
regels binnen één laisse hebben dezelfde rijmklank, maar in de
jongere chansons de geste komt ook wel volrijm voor. De oudste chansons de
geste tellen enkele duizenden versregels, de jongste tienduizenden.
In de Middelnederlandse literatuur zijn fragmenten van een
dertigtal vertalingen, bewerkingen of navolgingen bewaard gebleven (Karelroman).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Laan; LdMA;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; B. Besamusca.
Repertorium van de Middelnederlandse Karelepiek. Een beknopte beschrijving
van de handschriftelijke en gedrukte overlevering. (1983); H. Kienhorst.
De handschriften van de Middelnederlandse ridderepiek. Een codicologische
beschrijving, 2 dln. (1988); R.E.V. Stuip. ‘Rondom Karel de
Grote’, in: Franse literatuur van de Middeleeuwen (1988), p.
39-55; E. van den Berg en B. Besamusca (red.). De epische wereld.
Middelnederlandse Karelromans in wisselend perspectief (1992). [H.
Struik]
| |
chant royal
Frans rederijkersgedicht opgebouwd uit vijf strofen van elf
versregels (rijmschema ababccddedE) met een
refrein-2 en een
envoi. De chant royal is vergelijkbaar met
de
(rederijkers)ballade-2.
LIT: Baldick; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; S.A.P.J.H. Iansen.
Verkenningen in Matthijs Casteleins Const van rhetoriken (1971), p.
155-156. [W. Kuiper]
| |
charge
Sterke overdrijving in de uittekening van bepaalde karaktertrekken
van personages in de literatuur, vaak met de bedoeling die eigenschappen te
ridiculiseren of er een moraal aan te verbinden. Chargering speelt vooral een
rol in
blijspel en
parodie. Ook in het
cabaret treft men veel chargering aan.
Voorbeelden van charge kan men vinden in Vincent Haman
(1898) van
W.A. Paap.
LIT: Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
charivari
(Laat)middeleeuwse stedelijke jongeren die zich met name tijdens
de vastenavondviering onder het produceren van oorverdovende ketelmuziek
groepsgewijs manifesteren om kritiek te leveren, normen te verdedigen en
eigenbelang te behartigen, bijv. op de huwelijksmarkt. De charivari drongen ook
door in de literatuur, bijv. in
scharminkelliedjes en in het
spotmandement De blauwe
schuit (ca. 1413, ed.
Pleij, 1979), en in de Brusselse
rederijkerskamer De Corenbloem (1477), ook wel
aangeduid als de ‘Jongers van der Rethorycken’, met als
zinspreuk-2 ‘Jeucht sticht
Vreucht’. In de loop van de 16e eeuw verdwijnen de charivari.
LIT: LdMA; Scott; J. Le Goff e.a. (ed.). Le charivari.
Actes de la Table Ronde organisée à Paris 1977 (1981); H.
Rey-Flaud. Le charivari. Les rituels fondamentaux de la sexualité
(1985); H. Pleij. ‘Van keikoppen en droge jonkers. Spotgezelschappen,
wijkverenigingen en het jongerengericht in de literatuur en het culturele leven
van de late Middeleeuwen’, in: Volkskundig Bulletin 15 (1989), p.
297-315. [W. Kuiper]
| |
charter
Term uit de archivistiek voor een op perkament geschreven akte
(akte-1), voorzien van een zegel. De naam
‘charter’ zegt dus alleen iets over het uiterlijk van een akte; een
akte die in een plechtige vorm is opgesteld, heet een
oorkonde. In de Middeleeuwen verstond men
onder charters alle archivalia; met de term ‘Charterkamer’ bedoelde
men de gehele archiefbewaarplaats. Een charter dat met de zegelstaarten aan een
ander charter is bevestigd heet een
transfix.
LIT: BDI; LdMA; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
chiasme of kruisstelling
Term uit de stijlleer ter aanduiding van een stijlfiguur waarbij
herhaling (repetitio) niet parallel plaatsvindt, maar
kruiselings, in spiegelbeeld (symmetrisch), bijv.
De zoldering was wit en rood en goud.
Van stralend zilverdraad was het gordijn.
(
G. Komrij. Alles
onecht, 1984, p. l84).
In
Kloos' ‘Inleiding’ bij de
gedichten van
Perk komt een voorbeeld van een chiasme
in prozavorm voor:
Gene leeft in het zien, maar ziet in het leven slechts een
schijn, deze ziet in het leven, schenkend het leven aan den schijn, dien hij er
ziet. (Jacques Perks Gedichten, ed. Stuiveling, 1958, p. 55).
Men kan het chiasme beschouwen als een variant op het
parallellisme, namelijk een herschikking
daarvan. Volgens sommigen is het chiasme gebaseerd op de
antithese. In ieder geval leent de
stijlfiguur zich goed voor het tegenover elkaar plaatsen van noties.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick;
Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
chirograaf
Term uit de archivistiek voor een gedeelte van een blad perkament
of papier waarop twee of meer akten (akte-1) betreffende
dezelfde rechtshandeling waren geschreven. In de tussenruimte tussen de akten
werden enkele letters of cijfers of ook wel het woord ‘chirograaf’
geschreven. Vervolgens werden de akten via een zigzaglijn door deze letters of
cijfers heen doorgesneden. Door de stukken weer aaneen te passen kon men de
echtheid van deze niet bezegelde akten vaststellen.
LIT: LdMA; Ned. Arch.-term; Nederland in stukken; beeldkroniek
van Nederlandse archieven (1979), p. 117. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
choriambe of choriambus
Term uit de prosodie ter aanduiding van een versvoet samengesteld
uit een choreus (trochee) en een
jambe, bijv.
óudêrêjáars. Het verschijnsel komt in de Nederlandse
poëzie nauwelijks voor. Men zou echter bepaalde viersyllabige combinaties
in jambische of trocheïsche verzen waarin
antimetrie voorkomt, als choriambe kunnen
beschouwen, bijv.
De oogen van den nacht staan voor het raam.[...]
Ik ben niet meer dan een ontdaan gelaat.[...]
En als ik dans, danst mijn schaduw met mij- [...]
Hoor hoe hiernaast een kind piano speelt -
(
M. Nijhoff. ‘De eenzame’,
VG, 1963, p. 15).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
chrestomatie zie
bloemlezing
| |
chria
Term uit de retorica voor een leerzame, stichtelijke
anekdote betrekking hebbend op een
historisch persoon, met name gebruikt als oefenstof (een soort opstel) in het
klassieke retoricaonderwijs (exercitatio). Al is een
chria nog zo beknopt, toch kan zij alle onderdelen van een redevoering
omvatten, zoals lofprijzing, parafrase, toelichting met voorbeelden,
weerlegging van de tegenwerpingen, epiloog. De chria kan verbaal zijn of door
een (plaatsvervangende of begeleidende) handeling tot uitdrukking gebracht
worden (het laatste uiteraard in de redenaarspraktijk). Het verschil met een
sententia is dat die een algemene uitspraak
bevat, niet gebonden aan een historische persoonlijkheid.
LIT: Curtius; Gorp; HWR; Lausberg; Leeman-Braet; Metzler;
Myers/Simms; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
chronodistichon
Tweeregelig gelegenheidsgedicht waarin de letters die in het
Latijn getalwaarde hebben in kapitaal staan en bij elkaar opgeteld een jaartal
opleveren (chronogram).
LIT: Gorp; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
chronogram, carnatioen, incarnatie, jaartalvers of
tijdvers
Gelegenheidsgedicht waarin de letters die in het Latijn
getalwaarde hebben (M, D, C, L, X, V en I) in
kapitaal staan en bij elkaar opgeteld het
jaartal opleveren waarin de gebeurtenis waarover het vers gaat, heeft
plaatsgevonden. Wanneer het gedicht slechts één regel telt, noemt
men dat een
chronostichon. Een tweeregelig chronogram,
zoals het onderstaande voorbeeld, heet een
chronodistichon:
oCh! den boVrgoensChen beVL Vanden tyran Van spanIen
heeft eLLendICh VerMoort den prInCe Van oranIen.
De Romeinse cijfers uit dit gedicht uit
A. Valerius' Nederlandtsche
Gedenck-clanck (ed.
Meertens e.a., 19473, p. 135),
leveren het jaar van de moord op
Willem van Oranje: 1584.
LIT: BDI; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
HWR; Laan; Metzler; MEW; Scott; Shipley; F. Lulofs. ‘Hoeveel zijn twee
iden?’, in: NTg 66 (1973), p. 24-29. [P.J. Verkruijsse]
| |
chronologische vertelwijze
Vertelwijze waarbij de verteller chronologisch te werk gaat,
d.w.z. het verhaal bij een bepaald punt in de tijd laat beginnen en vertelt tot
er een bepaald eindpunt in de tijd bereikt is. Binnen de chronologische
vertelwijze kan wel vooruitwijzing (anticipatie-1) of
terugverwijzing (retroversie) optreden, mits die de
tijdsvolgorde van de gebeurtenissen voor de lezer maar niet al te opvallend
verstoren, bijv. doordat ze tot een zelfstandig verhaaldeel uitgroeien. Waar de
grenzen daarbij precies liggen ten opzichte van de
niet-chronologische vertelwijze, wordt uit
de literatuur over dit onderwerp niet erg duidelijk. Gewoonlijk wijst men dan
op grotere verhaaleenheden die afwijken van de chronologie.
Een goed voorbeeld van een chronologisch vertelde roman is
W.F. Hermans' De donkere kamer
van Damocles (1958), waarin retroversie uitzondering is en
anticipaties veelal verhuld als symbolen gegeven worden.
LIT: Boven/Dorleijn; Prince; E. Lämmert. Bauformen des
Erzählens (19756); G. Genette. Tijdsaspecten in de
roman (1979). [G.J. van Bork]
| |
chronostichon
Eénregelig gelegenheidsgedicht waarin de letters die in het
Latijn getalwaarde hebben in kapitaal staan en bij elkaar opgeteld een jaartal
opleveren (chronogram).
LIT: Brongers; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
CIP
Bibliografische aanduiding van Cataloguing In
Publication, het catalogiseren van boeken voordat ze verschenen zijn.
Voor
Nederland werd op het Nederlands
Bibliografisch Centrum in de Koninklijke Bibliotheek in
Den Haag de bibliografische informatie
van een te verschijnen boek verwerkt tot een standaardbeschrijving die door
boekhandel of bibliotheek weer gebruikt kon worden voor informatie of
catalogisering. De beschrijvingen werden door de Koninklijke Bibliotheek
gepubliceerd in een lijst Uitgaven in voorbereiding/CIP. In de aldus
tevoren gecatalogiseerde werken is op de verso-zijde van het titelblad de
CIP-beschrijving opgenomen, inclusief
ISBN,
NUGI-,
SISO- en
UDC-codes. Deze vorm van
prospectieve bibliografie houdt het gevaar
in, dat boeken beschreven worden die door problemen in de laatste fase van de
productie uiteindelijk niet verschijnen. Dat soort titels, die alleen
bibliografisch bestaan, noemt men
ghosts. In de Uitgaven in
voorbereiding/CIP probeerde een aparte rubriek ‘vervallen
titels’ ghost-vorming tegen te gaan.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (19953), p. 32. [P.J. Verkruijsse]
| |
citaat
Tekst die letterlijk en doorgaans onder vermelding van auteur en
bron wordt aangehaald bij wijze van argument of voorbeeld, of om de eigen
belezenheid te demonstreren dan wel te appelleren aan de belezenheid van het
gehoor of lezers (cento). Om bij speciale gelegenheden
een citaat bij de hand te hebben, werden al van oudsher citaten(woorden)boeken
samengesteld (adagium,
spreuk-3), zoals het Modern
citatenboek (19904) van
Gerd de Ley of het Kosmos groot
citatenboek (199211). Daarnaast is het niet
ongebruikelijk agenda's, kalenders, dagbladen enz. dagelijks met citaten te
larderen.
In de typografie herkent men citaten aan de dubbele of enkele
aanhalingstekens waarmee ze geopend en afgesloten worden, of aan het
wit waarmee het - vaak in combinatie met
inspringen, en soms een afwijkend corps - van de rest van de tekst wordt
afgezonderd, zoals in dit lexicon gebeurt.
Binnen opvattingen over
intertekstualiteit heeft de term citaat
vooral de betekenis gekregen van het gebruik van bestaande teksten
(‘schrijfwijzen’) die in nieuwe teksten worden geïncorporeerd
om op die manier met die oudere teksten een discussie aan te gaan of een spel
te spelen. In die zin wordt het citaat vaak verbonden met avant-gardistische of
postmodernistische literatuur. In dat type teksten wordt overigens lang niet
altijd aangegeven dat de lezer met citaten te maken heeft, soms zelfs met het
resultaat dat de auteur beschuldigd werd van
plagiaat.
Auteurs die op deze wijze citeren of ontlenen (ontlening) zijn o.m.
Louis Paul Boon (De
Kapellekensbaan, 1953),
Hugo Claus
(Thyestes, 1966) en
Louis Ferron (De keisnijder van
Fichtenwald, 1976). In intertekstuele zin zijn genres als
collage,
montage,
parodie,
pastiche,
satire en
travestie vormen van tekstbewerkingen waarbij
gebruik gemaakt wordt van citaten en ontleningen.
LIT: Best; Brongers; Dupriez-1; Gorp; Metzler; MEW; H. Meijer.
Das Zitat in der Erzählkunst (1961); A. Compagnon. La seconde
main ou le travail de la citation (1979); A. Mertens en K. Beekman.
Intertekstualiteit in theorie en praktijk (1990). [W. Kuiper/G.J. van
Bork]
| |
citadelpoëzie
Oorspronkelijk gedichten waarin de verdediging door
D.H. Chassé van de citadel te
Antwerpen in 1832 wordt bezongen, bijv.
Cornelis Loots' Chassé
op het puin der Citadel (1832). Bij uitbreiding toegepast op alle
poëzie over de strijd met de Belgen van 1830-1832, bijv.
Andries van der Hoops De
tiendaagsche veldtocht (1831).
Er bestaat ook Belgische citadelpoëzie, uiteraard met
tegengestelde strekking:
Liedeken op de vreede tirannie begaan door de
Hollanders, in Den opregten Maestrichteren
Almanak (1831).
LIT: Buddingh'; Laan; MEW. [G.J. van Bork]
| |
civilité
Term uit de typografie voor de in 1557 door
Robert Granjon in
Lyongesneden drukletter die lijkt op de in die tijd door de Franse
dichters gebruikte schrijfletter, een gotische
cursief. De nieuwe drukletter moest de
nationale vervanger worden van de humanistische cursief. Aanvankelijk echter
werd de civilité vooral gebruikt voor schoolboekjes van protestantse
strekking, ook heel snel - al in 1558 - door
Plantijn in Antwerpen. In
de Nederlanden is de civilité vooral verspreid in de vorm zoals
Ameet Tavernierhem nagesneden had, niet
alleen voor protestants getinte stichtelijke werken en schoolboeken, maar
vooral voor de typografische
schrijfboeken uit de periode
±1560-1585, voorbeeldboeken waaruit men door zelfonderricht kon leren
schrijven. Vóór de uitvinding van de civilité moesten
schrijfboeken gesneden worden; nu konden ze - veel goedkoper! - gezet
worden.
In
Noord-Nederland bleef de civilité
lang in zwang dankzij de voorkeur voor deze letter van
Jan van Hout, die voor veel
officiële Leidse publicaties de civilité gebruikte, en dankzij de
Leidse drukkerij van Plantijn. Voor overheidspublicaties, populaire literatuur
en schoolboeken werd tot in de 19e eeuw dit gotische lettertype gebruikt. In
17e-eeuwse lied- en emblemataboeken treft men de civilité vaak aan naast
andere gotische lettertypen en naast de
romein.
LIT: Feather; L. Willems Az. ‘meet Tavernier en de invoering
der civilité-letter in Zuid-Nederland’, in: Tijdschrift voor
Boek- en Bibliotheekwezen 5 (1907), p. 241-263; M. Sabbe & M. Auchin.
Die Civilité-Schriften des Robert Granjon in Lyon und die
flämischen Drucker des 16. Jahrhunderts (1929); H. Carter & H.D.L.
Vervliet. Civilité types (1966); H. de la Fontaine Verwey.
‘Het XVIe eeuwse boek’ en ‘Typografische schrijfboeken. Een
hoofdstuk uit de geschiedenis van de civilité-letter’, in: id.
Uit de wereld van het boek, dl. 1 (19762), p. 26-39, 133-160; K.
Gnirrep. ‘Drukken of het geschreven staat: Jan Baptist Houwaert en de
civilité’, in: P. Visser (ed.). Scripta manent. Drukletters
over schoonschrift of een vriendenboekje van collega's aangeboden aan drs.
A.R.A. Croiset van Uchelen (...) (1997), p. 10-17. [P.J. Verkruijsse]
| |
clandestiene literatuur of illegale
literatuur
Literatuur, geschreven of uitgegeven door auteurs en uitgevers die
zich niet onderwerpen aan
censuur of andere verbodsbepalingen. Tijdens
de Tweede Wereldoorlog werd veel clandestiene literatuur uitgegeven van auteurs
die niet aangesloten waren bij de Kultuurkamer of door uitgevers die de
papierdistributie ontdoken, bijv. bij de Drie Ponden Pers, of registratie van
hun uitgaven ontliepen. Binnen de clandestiene literatuur onderscheidt men
verzetsliteratuur die rechtstreeks tegen de
bezetter gericht is, bijv. veel van de poëzie die is opgenomen in het
Geuzenliedboek 1940-1945 [z.j.], en literatuur, die
alleen de verbodsbepalingen trachtte te ontduiken, bijv.
S. Vestdijks gedichtenbundel De
uiterste seconde (1944) en de tijdschriften Ad
Interim, Parade der Profeten en
Podium.
Dirk de Jong vervaardigde een bibliografie
van de clandestiene literatuur uit de tweede wereldoorlog onder de titel
Het vrije boek in onvrije tijd (1958).
LIT: BDI; Metzler; L.E. Winkel. De ondergrondse pers
1940-1945 (1954), herz. door H. de Vries (19892); A.E.C. Simoni.
Publish and be free (1975). [G.J. van Bork]
| |
classic
Literair werk dat behoort tot wat men het beste vindt (canon) dat de (wereld)literatuur heeft voortgebracht en dat
daardoor blijvend in de belangstelling van het lezerspubliek geacht wordt te
staan, bijv.
Cervantes' Don
Quijote of
James Joyce's
Ulysses. Daarnaast kent elke nationale literatuur haar
klassieken; in Nederland kunnen bijv. de Max Havelaar
(1860) en de Camera obscura (1839) als zodanig
gelden.
LIT: Cuddon; Shipley. [G.J. van Bork]
| |
classicisme, Frans-classicisme of
neoclassicisme-1
Literair-historische term voor een stroming begonnen in het
17e-eeuwse Frankrijk(vandaar de benaming
‘Frans-classicisme’) als vervolg op de periode van de
renaissance. Algemeen kenmerk is de
navolging van de Klassieke Oudheid gecombineerd met een prescriptieve
benaderingswijze (wet). Vanuit Frankrijk wordt
Engeland beïnvloed (1688-1740: Van
Dryden tot
Pope).
In Nederland laat men de stroming veelal beginnen met
de oprichting van het
dichtgenootschap
Nil Volentibus Arduum (1669) en doorlopen
tot omstreeks 1765 (
R.M. van Goens' pleidooi voor loslating
van rede en regel ten gunste van
gevoel en verbeelding). Kenmerken van de
Nederlandse letterkunde uit deze periode zijn de
mimesis-opvatting, prioriteit voor het idee
van de
waarschijnlijkheid en de scheiding en
hiërarchie van de genres. De
Aristotelische eenheden werden normatief
gehanteerd in het
classicistisch drama en hetzelfde gold voor
de principes van
maat en
rijm in de poëzie.
Deze rationalisering van de literaire cultuur hangt samen met de
filosofische stroming van het
rationalisme. Naarmate de 18e eeuw
voortschrijdt, gaat dit rationalisme over in de
verlichting. Mede hierdoor krijgen het
individualisme en de persoonlijke gevoels- en verbeeldingsuiting (expressie) meer kansen. Aldus gaat het classicisme langzaam
maar zeker over in de
romantiek.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; Knuvelder; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; R. Wellek. A history of modern
criticism, dl. 1 (1981), p. 12-30. [G.J. Vis]
| |
classicistisch drama of Frans-klassiek
toneel
Het toneel in de periode van het
classicisme staat sterk onder invloed van
het Franse drama van met name
Corneille en
Racine. De Nederlandse toneeltheorie uit
deze periode is verwoord door Andries Pels uit de kring van
Nil Volentibus Arduum in zijn Het
gebruik en misbruik des tooneels (1681). Volgens hem heeft het
toneel een opvoedende functie, wat impliceert dat er niet langer plaats is voor
kluchten (klucht-1) en voor het afbeelden van misdaden.
Deze kritiek richt zich tegen het toneel van
Jan Vos, wiens stukken met tal van
gruwelen en technische trucs veel succes hadden. Het Franse toneel wordt door
Pels nadrukkelijk ten voorbeeld gesteld
aan het Engelse en Spaanse (
Lope de Vega) en aan de navolging daarvan.
Vondel wordt gekritiseerd omdat het onwelvoeglijk zou zijn bijbelstof op de
planken te brengen.
Alle stukken - in principe gebouwd op een gegeven uit de
klassieken - worden door de Frans-classicisten getoetst aan vrij strenge
regels, vooral die voor de indeling in bedrijven en de drie
Aristotelische eenheden van tijd, plaats en
handeling. De
reien tussen de bedrijven worden afgeschaft.
Goed toneel moet bovendien voldoen aan de eis van
waarschijnlijkheid, aan een goede verbinding
tussen de tonelen en aan helder taalgebruik.
Auteurs en vooral ook vertalers van Frans-klassieke stukken zijn
Balthazar Huydecoper,
Lodewijk Meijer,
Lukas Rotgans,
Juliana de Lannoy,
Lucretia van Merken,
Onno Zwier van Haren en begin 19e eeuw
Bilderdijk nog.
LIT: Laan; Lodewick; A.G. van Hamel. Zeventiende-eeuwsche
opvattingen en theorien over litteratuur in Nederland (19732),
p. 194-199; S.F. Witstein. ‘Met het oog op de doctrine: het
Frans-classicisme in Huydecopers Achilles’, in: id. Een Wett-steen
voor de ieught (1980), p. 139-152; Th.M.M. Mattheij. Waardering en
kritiek: Johannes Nomsz en de Amsterdamse schouwburg 1764-1810 (1980); J.
Stouten. Verlichting in de letteren (1984), p. 68-70; A.J.E. Harmsen.
Onderwys in de tooneel-poëzy (1989); M.B. Smits-Veldt. Het
Nederlandse renaissancetoneel (1991), p. 118-121; A.S. de Haas. De
wetten van het treurspel. Over ernstig toneel in Nederland, 1700-1772
(1997). [P.J. Verkruijsse]
| |
claus
Strikt genomen het laatste door een acteur uitgeproken woord van
een passage in een toneelstuk waarop een andere acteur reageert, bijv:
Waer sidi lieve vrient Godevaert?
Ic ben hier heer Gheraert.
Nu segt mi, wats die raet?
(Gloriant, ed.
Van Kammen, 1964, vs. 37-39).
Vaker echter gebruikt voor de passage die door één
acteur wordt uitgesproken voordat er beurtwisseling plaatsvindt.
LIT: Gorp; Lodewick. [H. Struik]
| |
clausula
Term uit de klassieke retorica voor de ritmische afsluiting van
een zin door een combinatie van twee versvoeten.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; LdMA; Marouzeau;
Morier; Preminger; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
clausule
Middeleeuwse benaming voor de sluitregel van een gedicht opgebouwd
uit strofen van 13 regels (ook 19) met twee rijmen, rijmschema aab aab aab aab
b (ook wel vier: abab bcbc cdcd d), en bij uitbreiding voor het 13-regelige
gedicht zelf, bijv.
Jacob van Maerlants Die
clausule van der bible (ed.
Verdam en
Leendertz, 1918). De clausulevorm werd
vooral door
Jacob van Maerlant gebruikt. Bijna al zijn
strofische gedichten zijn opgebouwd uit strofen van 13 versregels, bijv. Van
den lande van over zee (ed.
Stuiveling, 1966):
Kersten man, wats di ghesciet?
Slaepstu? Hoe ne dienstu niet
Jhesum Christum dinen here?
Peins! En doghede hi dor di menich verdriet
doe hi hem vanghen ende crucen liet,
int herte steken metten spere?
't Lant, daer hi zijn bloet in sciet,
gaet al te quiste, als men siet.
Lacy! Daer en is ghene were.
Daer houdt dat Sarracijnsche diet
die keirke onder zinen spiet
daerneder ende doet haer groet onnere.
Ende di en dunkes min no mere!
Clausulen van 19 versregels, rijmschema aab aab aab aab aab aabb,
zien we in de ‘Vierde Martijn’ (ed.
Hegman, 1958).
LIT: Buddingh'; Gorp. [W. Kuiper]
| |
clerk of klerk
Middelnederlandse benaming voor een gestudeerde geestelijke en
auteur van een theologisch, juridisch, wetenschappelijk of letterkundig werk,
bijv.
Jacob van Maerlant (2e helft 13e eeuw)
of
Dirc van Delft (ca. 1365-?). Clerken
zijn ‘geletterd’, d.w.z. dat zij het Latijn beheersen en daardoor
toegang hebben tot kennis die niet voor leken bestemd en beschikbaar is. Onder
de clerk stond de ‘meester’, die wel over een zekere opleiding en
kennis beschikte, maar niet gelatiniseerd was, bijv.
Willem van Hildegaersberch (eind 14e,
begin 15e eeuw). Helemaal onderaan de ladder stond de
jongleur, iemand die geen specifieke
intellectuele scholing had genoten, maar zich beroepshalve met het literair
bedrijf bezighield. Laatstgenoemden zijn herkenbaar aan artiestennamen als
Snelryem de spreker,
Jan Vrouwentroest en
Hopezomer.
LIT: Van der feesten een proper dinc, ed. Werkgroep van
Groningse neerlandici (1972), p. 25-37; F.P. van Oostrom. Het woord van
eer (1987), p. 46-85, 180-224. [W. Kuiper]
| |
cliché-1 of gemeenplaats
Term uit het grensgebied van stijlleer en literaire kritiek ter
aanduiding van een vorm van beeldspraak die zo vaak is gebruikt dat men deze
ervaart als afgesleten
metafoor of metoniem (metonymia), bijv. ‘het ruime sop’ voor ‘de
open zee’. Sommige topen (topos) kunnen ervaren
worden als cliché. Wanneer het cliché samengaat met
bombast leidt dit tot
retoriek. Het cliché is vergelijkbaar
met de
platitude.
In de literatuur kan men het cliché gebruiken om een
komisch of ironisch effect te bereiken. In zijn lezing van november 1985 heeft
Gerard Reve op het literaire gebruik van
het cliché gewezen, waarvan hij ook in de praktijk van zijn
schrijverschap veelvuldig gebruik heeft gemaakt. In Brieven aan
geschoolde arbeiders (1985) schrijft hij bijv. aan Prof.
Grossouw:
Voor bijv. een literair professoraat, met 9 1/2 kolleesjes per
jaar, zal ik zeker tot het Ware Geloof intreden. (Voor niks gaat de zon op,
waar of niet?). (p. 28).
LIT: Abrams; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott. [G.J.
Verkruijsse/G. van Bork]
| |
cliché-2
Metalen (meestal zinken) plaatje voor een
illustratie bij
boekdruk. De af te drukken delen zijn in
hoog reliëf aangebracht als lijnen (in geval van een eenvoudig
zwart-wit-origineel) of als een raster (als het origineel genuanceerder is).
Een rastercliché wordt ook autotypie genoemd. Van het origineel wordt
eerst een foto gemaakt. Het negatief wordt op een op het metaal aangebrachte
gevoelige laag gekopieerd. De onbelichte gedeelten van de plaat worden
opgelost. Door verhitting wordt een harslaag op de belichte gedeelten
aangebracht die vervolgens bij het etsen intact blijven. In een enkel geval
worden de lijn- en raster-procédés gecombineerd.
Voor kleurenreproducties is de techniek wat gecompliceerder, maar
in principe hetzelfde: ook dat kan in lijnen en in raster. Bij
diepdruk kan alleen de rastertechniek
toegepast worden: het raster wordt in de koperen cylinder geëtst met
behulp van een gelatinelaag.
LIT: BDI; Brongers; Gorp; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het
maken van boeken (1986), p. 111-130. [P.J. Verkruijsse]
| |
climax-1
Uitgewerkte toepassing van de
anadiplosis (d.i. herhaling van een
woord(groep) waarmee een zin of regel eindigt, aan het begin van de
eerstvolgende zin of regel). In het algemeen geeft deze term een opklimmende
reeks aan. In dit geval is
anticlimax het tegenovergestelde ervan,
wanneer tenminste afnemende spanning of ontlading ervan hiermee gepaard gaat,
bijv.
Willem den derden, Koning, Groothertog, Prins ... meer dan Prins,
Groothertog en Koning ... Keizer van het prachtige Rijk van Insulinde
(Multatuli,
Max Havelaar, ed.
Sötemann, 1979, p. 289).
Sommigen beperken de betekenis ervan tot het hoogtepunt zelf
(zonder een voorafgaande reeks, bijv. in de vorm van een
enumeratio).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp;
Lausberg; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
climax-2
In het
klassieke drama onderscheidt men vijf fasen
(achtereenvolgens
expositie,
intrige-2, climax,
catastrofe,
peripetie) die gewoonlijk samenvallen met de
vaste opeenvolging van vijf bedrijven. De climax is de fase waarin de spanning
naar een hoogtepunt gevoerd wordt, bijv. doordat het conflict tussen
protagonist en
antagonist zich in deze fase steeds scherper
toespitst.
In
Vondels Gijsbreght van
Aemstel (1637) ligt de climax in het derde bedrijf, waar Gijsbreght
met zijn bondgenoten in een vrijwel hopeloze situatie het toneel verlaat om
voor het laatst ten strijde te trekken.
In het moderne drama kan evenzeer sprake zijn van een climax, maar
dan niet meer als een vast element in de structuur en dus niet gebonden aan de
indeling in bedrijven.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler;
MEW; Prince; Shipley; B. Verhagen. Dramaturgie (19632); B.
Beckerman. Dynamics of drama (1970). [G.J. van Bork]
| |
close reading
Benaderingswijze van literatuur toegepast door aanhangers van de
autonomiebewegingen als reactie op de
biografisch-positivistische en wereldbeschouwelijke interpretatiewijze. Deze
methode wordt gekenmerkt door het nauwkeurig lezen van het tekstaanbod en
beperkt zich tot de tekst als
artefact, houdt in het algemeen geen
rekening met de persoon van de auteur en is zeer voorzichtig met het betrekken
van historische achtergronden in de analyse van het kunstwerk. Hoofddoel is het
geheel van
vormgevingsprincipes te beschrijven zoals
die blijken uit stijl en structuur van de tekst. In Nederland is het de
Amsterdamse school (
W.Gs Hellinga) geweest en de groep rond
Merlyn die de close reading-methode voorstond; uit die kringen stammen
diverse publicaties van theoretische en praktische (analyse) aard die van deze
ergocentrische werkwijze blijk geven.
LIT: Abrams; Best; Gorp; HWR; W.G. Hellinga en H. van der Merwe
Scholtz. Kreatiewe analise van taalgebruik (1955). [G.J. Vis]
| |
clou
Het meest essentiële punt in een tekst waarin de
spanning wordt ingelost. De clou is
vergelijkbaar met de
pointe van een grap.
LIT: Cuddon. [G.J. van Bork]
| | | | | |
coacervatio
Term uit de retorica voor een detailbeschrijving die bereikt wordt
door in een syntactisch samenhangende lange zin het totaalbeeld plus de details
te beschrijven, door het gebruik van de
isocolon. Als de detaillering tot een
opsomming wordt, kan de coacervatio een
accumulatio,
enumeratio
congeries of zelfs
tautologie zijn.
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
codex
Middeleeuws handgeschreven boek uit de tijd dat er nog geen boeken
werden gedrukt, bedoeld om publiekelijk te functioneren. Handschriften voor
privé-gebruik noemt men een
manuscript. De codex dankt zijn naam aan het
(beuken)houten
wastafeltje (caudex) dat de Romeinen
gebruikten als tijdelijke schriftdrager. De perkamenten codex met zijn
tweezijdig beschreven bladen (recto-zijde,
verso-zijde) is typisch christelijk in
tegenstelling tot de heidense
boekrol (volumen) die van papyrus was
vervaardigd en éénzijdig beschreven werd. De codex is opgebouwd
uit katernen (katern) die op hun beurt weer samengesteld
zijn uit tweezijdig beschreven dubbelbladen (dubbelblad). De oudste codices zijn van
perkament gemaakt; vanaf de 15e eeuw wordt
ook papier gebruikt. Codices golden als een kostbaar bezit en werden daarom
vaak versierd (boekverluchting) met
penwerk en
miniaturen. De band van een codex bestond
bij voorkeur uit een met leer overtrokken en van gespen voorziene eikenhouten
plank (boekband). Helaas zijn door het opnieuw inbinden
nagenoeg alle literaire handschriften niet in de oorspronkelijke band
overgeleverd. Het overgrote deel van de bewaard gebleven codices heeft een
religieuze inhoud. Veel codices gingen na de uitvinding van de boekdrukkunst
verloren: drukkers versneden perkamenten handschriften om er boekbanden mee te
verstevigen of zij verkookten het perkament tot lijm.
De wetenschap die zich bezighoudt met de materiële aspecten
van het handgeschreven boek is de
codicologie.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller;
Metzler; MEW; Scott; J. Glenisson. Le livre au Moyen Age (1988). [W.
Kuiper/H. Struik]
| |
codicologie of handschriftkunde
De wetenschap die zich bezighoudt met de materiële aspecten
van het middeleeuwse handgeschreven boek uit de tijd dat er nog geen boeken
werden gedrukt, ook wel handschriftenkunde of boekarcheologie genaamd. Voor de
periode na de uitvinding van de boekdrukkunst gebruikt men wel de term
manuscriptologie. De codicologie is pas na
de Tweede Wereldoorlog goed van de grond gekomen en heeft zich van
hulpwetenschap voor de
filologie (bronnenproblematiek) ontwikkeld tot een zelfstandige
cultuurhistorische discipline. De eeuwen daarvoor ging de aandacht niet zozeer
naar het boek uit als wel naar het schrift (paleografie). InNederland heeft met name
Willem de Vreese (1869-1938) de
codicologie gegrondvest met zijn Bibliotheca Neerlandica Manuscripta (die
tegenwoordig is ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek van de
Rijksuniversiteit Leiden).
De taak die de codicoloog zich stelt, is enerzijds boeken te
beschrijven zoals die gedurende een bepaalde tijd en in een bepaalde regio
vervaardigd zijn en gefunctioneerd hebben, anderzijds hoe een individueel boek
gemaakt en gebruikt is (hiervoor is de term ‘codicografie’
inmiddels in zwang). Met name studie van eigenhandig door de auteur geschreven
boeken (autograaf) kan veel onthullen over de manier
waarop tekst en boek tot stand zijn gekomen.
LIT: BDI; Brongers; MEW; W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren.
‘Codicologie en filologie’, in: SpL 5 (1961) - 10
(1966-1967); W. de Vreese. Over handschriften en handschriftenkunde. Tien
codicologische studiën. Bijeengebracht, ingel. en toegel. door P.J.H.
Vermeeren (1962); Codicologica I. Théories et principes (1976);
Litterae textualis. A series on manuscripts and their texts (1976-....);
J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum.
Handschriftenbeschrijving, tevens Syllabus bij de colleges ‘Inleiding in
de Westerse Handschriftenkunde / Codicologie’ (19813);
A.J. Geurts, A. Gruijs en J. van Krieken. Codicografie en computer. Proeve
van een leidraad voor het beschrijven van handschriften (PCC-project)
(1983); J.P. Gumbert. Illustrated inventory of medieval manuscripts in the
Netherlands (IIMM). Introduction: rules, instructions (1985, rev. ed.
1991); J.A.A.M. Biemans. ‘Over de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta van
Willem de Vreese. Drie bijdragen aan de geschiedenis van de
medio-neerlandistiek en de Middelnederlandse handschriftenkunde’, in:
TNTL 105 (1989), p. 249-280; J. Lemaire. Introduction à la
codicologie (1989). [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
collage
Term ontleend aan de schilderkunst om er een literaire techniek
mee aan te duiden waarin op soortgelijke wijze gewerkt wordt met een
samenvoeging van ontleende elementen, zoals citaten, toespelingen,
verwijzingen, uitdrukkingen, reclameteksten en andere tekstfragmenten in een
nieuw verband. Collagetechnieken werden vooral toegepast door auteurs van het
modernisme, zowel binnen de
historische avant-garde (bijv.
Paul van Ostaijen. Bezette
stad, 1921) als bij experimentele na-oorlogse auteurs (bijv.
J.F. Vogelaar.
Kaleidiafragmenten, 1970).
LIT: Baldick; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Wilpert; K. Beekman. ‘Wetenschap, poëtika's en
experimentele literatuur’, in: Spektator 6 (1976-1977), p.
196-203. [G.J. van Bork]
| | | |
collatieformule
Term uit de analytische bibliografie voor de formule waarmee de
opbouw van de
ideal copy wordt weergegeven, met andere
woorden: hoeveel bladen er idealiter in een exemplaar van een
druk of
oplage aanwezig dienen te zijn. Wanneer
zonder te
collationeren een formule van
één enkel
exemplaar wordt genoteerd, wordt vaak ook de
term collatieformule gebruikt, maar beter is in zulke gevallen te spreken van
opbouwformule.
De collatieformule wordt voorafgegaan door de aanduiding van het
bibliografische
formaat van het desbetreffende boek. Ze
bestaat uit een opgave van het aantal
katernen en d.m.v. een bovengeschreven
cijfer het aantal bladen (blad-2) per katern. Tussen
haakjes worden toegevoegde, vervangende (cancels) of
ontbrekende bladen aangegeven en na een ‘$’-teken het aantal bladen
dat per katern gesigneerd is. Toegevoegde bladen in het
voorwerk worden aangeduid met
‘π’; in het hoofdwerk met ‘χ’.
De formule 80: *8 (±*2)
A-E8 F8 (-F8) G-K8 L8 (L6+[chi])
M-Z8 [$5 (-*1, *2, A1; + B6)] betekent: dit boek in octavo-formaat
telt 192 bladen, nl. één katern voorwerk + 23 katernen hoofdwerk
(de letters J, U en W worden niet gebruikt) van elk acht bladen; in het
voorwerk is het tweede blad een cancel; in het F-katern ontbreekt het laatste
blad; in het L-katern is tussen het zesde en zevende blad een extra
niet-gesigneerd blad toegevoegd; alle katernen zijn tot en met het vijfde blad
gesigneerd, maar op de eerste twee bladen van het voorwerk en het eerste blad
van het A-katern is geen
katernsignatuur geplaatst; een extra
signatuur daarentegen bevindt zich op blad 6 van het B-katern.
LIT: BDI; W.W. Greg. ‘A formulary of collation’, in:
The Library, 4th series, 14 (1934), p. 365-382; Fredson Bowers.
Principles of bibliogaphical description (1949), p. 196-254; W.W. Greg.
A bibliography of the English printed drama to the Restoration, vol. 4
(1959), p. I-CLXXIV; M.J. Pearce. A workbook of analytical & descriptive
bibliography (1970), p. 73-95; Philip Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 328-332; P.J. Verkruijsse. Mattheus
Smallegange (1624-1710) (1983), p. 43-44. [P.J. Verkruijsse]
| |
collationeren
Term uit de bibliografie voor het controleren van een exemplaar
van een boek op volledigheid, tevens term uit de editietechniek voor het
vergelijken van teksten met het doel
varianten op te sporen. Een tekstediteur
dient inzicht te hebben in de varianten van de (geautoriseerde) drukken
onderling en ten opzichte van de eventueel overgeleverde kopij om op basis
daarvan een ideale tekst (copy text) samen te stellen.
Voordat deze externe collatie mogelijk is, dient er reeds intern
gecollationeerd te zijn, d.w.z. dat er binnen één
druk
exemplaren met elkaar vergeleken moeten
worden om de
ideal copy van zo'n druk samen te stellen.
In de
analytische bibliografie zijn verschillende
methodes gangbaar voor de totale interne collatie. Met het blote oog kunnen
twee exemplaren letter voor letter vergeleken worden; ook is optische collatie
mogelijk met de methode van
Vervliet en
Bostoen met behulp van transparantfoto's
die - van één uitgangsexemplaar vervaardigd - over de pagina's
van te collationeren exemplaren geschoven kunnen worden. Op het gebied van de
machinale collatie zijn er de zgn. Hinman-collator, de eenvoudiger
Lindstrand-comparator, de projectie-apparaten van
Dearing,
Smith en
Gerritsen en de experimenten met video
en televisie van Horden. De nieuwste ontwikkeling vormt de computercollatie,
waarvoor in Duitslandhet programma TUSTEP ontwikkeld is.
Een belangrijk nadeel van alle totaalcollatiemethoden is de enorme
tijdsinvestering die ermee gemoeid is. Partiële methoden voor de interne
collatie kunnen niet alle varianten opsporen, maar leveren toch in korter
tijdsbestek vaak gegevens voor de drukgeschiedenis. De
schuine-lijn-test kan op bepaalde plaatsen
toegepast worden, evenals de methode van
Horden die een doorzichtige perspex
plaat op de pagina legt met een horizontale en een verticale lijn tegen de
katernsignatuur aan, óf de methode-
Verkruijsse die uitgaat van controle van
alle katernsignatuur- of een aantal kopregelposities en van de paginering.
De resultaten van de interne collatie worden door de
descriptief-bibliograaf neergelegd in een min of meer uitgebreide beschrijving
die in elk geval de
collatieformule omvat. De gegevens die de
externe collatie heeft opgeleverd, zijn vaak te vinden in het variantenapparaat
van de teksteditie.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; HWR; Mathijsen;
Metzler; MEW; Scott; Wilpert; Philip Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 144, 357; P.J. Verkruijsse. Mattheus
Smallegange (1624-1710) (1983), p. 28-38. [P.J. Verkruijsse]
| |
colloquium
Latijn voor gesprek of samenspraak, door
Erasmus (1466/69-1536) als titel
gebruikt voor door hem geschreven dialogen. De Colloquia
groeide uit van een eenvoudig leerboekje voor studenten Latijn tot een boek vol
levenswijsheid. Het boek bevat tal van onderwerpen, zoals: de studie van de
schone letteren, de positie van de vrouw, de godsdienst, het probleem van
oorlog en vrede. Vanwege de kritische en satirische toon van veel colloquia -
allerlei uiterlijke ceremoniën als de biecht en de beeldenverering moesten
het ontgelden, de domme en luie geestelijkheid werd bespot - werd het werk op
de lijst van verboden boeken (index librorum
prohibitorum) geplaatst. Toch heeft het werk vrij veel invloed gehad op
het onderwijs in de 16e en 17e eeuw en zijn gedeelten van de Colloquia
in het Nederlands vertaald (bijv. door
Cornelis Crul, O muze, komt nu
voort, ed.
Van der Heyden, Spectrum van de
Nederlandse letterkunde, dl. 6, 1968, p. 27-117).
Tegenwoordig gebruikt men de term als benaming voor een
wetenschappelijk
congres, en in die betekenis is hij een
synoniem voor
symposium.
LIT: Cuddon; Shipley; F. Kossmann. ‘De Colloquien van
Cornelis Crul’, in: TNTL 63 (1944), p. 182-197; G. Degroote.
‘Erasmus' Colloquia in het Nederlands’, in: NTg 44 (1951),
p. 160-168; C.R. Thompson. The Colloquies of Erasmus (1965); S.W. Bijl.
Erasmus in het Nederlands tot 1617 (1978), p. 273-299. [H. Struik/W.
Kuiper]
| |
colofon
Colofon betekende in het Grieks aanvankelijk letterlijk
‘hoogtepunt’, later meer figuurlijk ‘bekroning, sluitstuk,
slot’ en vanaf de Middeleeuwen is het het slotwoord aan het einde van een
tekst of achterin een codex of boek waarin de kopiist, editeur of
uitgever-drukker verantwoording aflegt over de wijze waarop de tekst bezorgd
is, het gebruikte typografische materiaal, het aantal opgelegde exemplaren, het
gebruikte papier, welke exemplaren wel of niet gesigneerd zijn, de band, de
binder enz. In middeleeuwse colofons zit nog wel eens een
acrostichon, een
chronogram of een datering verborgen.
Berucht is het corrupte colofon in handschrift A van de Roman van
Heinric ende Margriete van Limborch:
Nu es heinric die dit maecte
Die hi begonste indien tide
Dat men screef ons heren iaer
.xx. men ende .xl. ghehent
Alse men den daet gescreven vent
Vander geborten ons heren
.xviij. hondert iaer ende .xvij [1817 na Chr.]
God hoede ons van messciene [God behoede ons dat ons een ongeluk
overkomt]
Ops ente sebastiaens dach [Sint Sebastiaansdag = 20 januari]
Die doe op enen vridach gelach.
(tekstfragment volgens
W.Gs Hellinga in NTg 46 (1953),
p. 42).
Deskundigen zijn nog altijd niet zeker over wanneer deze roman nu
precies voltooid is; het is echter vrij veilig te stellen dat dit rond 1300
moet zijn geweest, waarbij als meest exacte datering als beginjaar 1291 en als
eindjaar 20 januari 1318 aannemelijk lijkt.
Het eerste gedrukte colofon komt voor in het Psalterium
Latinum (Mainz 1457). Naarmate er meer informatie verwerkt wordt op
de
titelpagina wordt de omvang van het colofon
geringer: in de 17e en 18e eeuw vindt men er nog slechts het adres van de
drukker (dat van de uitgever is vermeld op het titelblad). Uitvoeriger colofons
met tal van gegevens over de productietechniek van het desbetreffende boek
komen pas weer in de 20e eeuw in de mode, maar dan vaak niet achter in het boek
maar op de verso-zijde van het titelblad.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller;
MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; W.Gs Hellinga. ‘De datering van de
“Roman van Limborch” (Letterk. 195)’, in: NTg 46
(1953) (Extranummer Vooys voor de Vooys), p. 42-47; W.E. Hegman.
‘Nog eens datering en attributen van de “Roman van
Limborch”’, in: NTg 51 (1958), p. 159-167; J. Deschamps.
Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken
(19722), p. 39-42; R. van Uytven. ‘Historische knipoogjes naar
“Heinrich ende Margriete van Limborch”’, in: Bijdragen tot
de Geschiedenis 66 (1983), p. 3-11; Th. Glorieux-De Gand. Het woord van
de kopiist; colofons van gedateerde handschriften (catalogus KB Brussel,
1991); S. Hubregtse. ‘Het colofon in de twintigste eeuw. Aspecten van een
verwaarloosd verschijnsel’, in: Jaarboek Nederlands Genootschap
Bibliofielen 1995 (1996), p. 117-139. [W. Kuiper/H. Struik/P.J.
Verkruijsse]
| |
colon
Term uit de klassieke poëtica voor een aantal woorden, door
een pauze van de rest van de (vol)zin (periodus-1)
gescheiden, die tezamen een deelzin vormen, dit in tegenstelling tot de
comma. De naam is in het Engels blijven
voortleven als benaming voor de dubbele punt.
LIT: Bantel; Best; Buddingh; Cuddon; Gorp; Lausberg; MEW;
Preminger; J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in
't biezonder in de Nederlanden (1926), p. 50-51. [W. Kuiper]
| |
colporteur zie
marskramer
| |
column
Korte prozatekst, geschreven voor een dag- of weekblad of voor een
tijdschrift door een medewerker die vanuit een onafhankelijke positie bepaalde
onderwerpen die vaak een bepaalde actualiteitswaarde hebben op de korrel neemt.
De column heeft een beperkte omvang (meestal een kolom of een gedeelte
daarvan), verschijnt regelmatig en heeft doorgaans een vaste plaats in een
periodiek. De inhoud is meestal polemisch, maar ook vaak humoristisch en spits
geformuleerd; in het laatste geval spreekt men ook wel van een
cursiefje. Het verschijnsel column is
betrekkelijk jong, maar heeft in enkele decennia een hoge vlucht genomen. In
1979 verscheen een speciaal nummer van de Haagse Post (27-10-1979) dat
gevuld werd met bijdragen van columnisten.
Bekende columnisten zijn
Gerrit Komrij,
Hugo Brandt Corstius,
Jan Blokker,
Jan Mulder,
Renate Rubinstein en
Johan Anthierens.
LIT: Gorp; N. Matsier. ‘Muiters tegen het etmaal’, in:
T. van Deel e.a. (red.). Het literaire klimaat 1970-1985 (1986), p.
131-146; A. Gijselhart. De column als vrijplaats (1986). [G.J. van
Bork]
| |
COM-catalogus
Afkorting voor ‘computer output on microfilm’, maar
ook voor ‘catalogus op microfiches’. Een aantal grote bibliotheken
heeft, toen het drukken van de catalogus in boekvorm (reeksen van honderden
delen, zoals de Amerikaanse National Union Catalog) te duur werd en
voordat de computer uitwisseling van grote databestanden mogelijk maakte, zijn
papieren-fichescatalogus op microfiches gezet waarvan een aantal sets op andere
grote bibliotheken te raadplegen is.
LIT: BDI. [P.J. Verkruijsse]
| |
comédie de caractère of
karakterblijspel
Blijspel dat naar zijn inhoud bepaald wordt door het optreden van
een hoofdpersoon van een bepaald type waarvan de eigenschappen (meestal
negatief) sterk worden aangezet. De meest voorkomende typen zijn de vrek, de
intrigant, de hypochonder of de opschepper. Het grote voorbeeld voor dit type
blijspel gaf
Molière met zijn
L'avare (1668), Le bourgeois
gentilhomme (1670) en Le malade imaginaire
(1673). Maar vóór Molière werden al karakterblijspelen
geschreven naar het voorbeeld van
Plautus en
Terentius, al werden die toen niet zo
genoemd:
Hoofts Warenar
(1617) en
Bredero's Spaanschen
Brabander (1617) kunnen wat hun eigenschappen betreft als
Nederlandse voorbeelden gelden.
LIT: Best; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
comédie d'intrigue of intrigeblijspel
Blijspel waarin de handeling bepaald wordt door de sterk
gecompliceerde verwikkelingen waarin de personages verstrikt raken en waarin
het komische vooral veroorzaakt wordt door de kennisvoorsprong van de
toeschouwer, de zgn.
dramatische ironie. Een treffend voorbeeld
van een intrigeblijspel is
Thomas Asselijns Jan Klaasz.
of gewaande Dienstmaagt (1682).
LIT: MEW. [G.J. van Bork]
| |
comédie de moeurs of zedenblijspel
Blijspel waarin de sociale code van een bepaalde groep of periode
belachelijk wordt gemaakt.
Pieter Langendijk schreef een aantal
zedenblijspelen, waarvan de Spiegel der vaderlandsche
kooplieden (1760) het duidelijkste voorbeeld is, terwijl zijn
Het wederzijds huwelijksbedrog (1714) tevens trekken
vertoont van een
comédie d'intrigue.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Metzler; MEW; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
comédie larmoyante
Subgenre van het
burgerlijk drama, waarin tragische
gebeurtenissen het hoofdbestanddeel vormen, maar waarin - anders dan in de
tragedie het geval is - geen sprake is van
een noodlottige afloop. Het genre wordt om die reden dan ook wel een variant
van de
tragikomedie genoemd. Karakteristiek voor de
comédie larmoyante is de moralistische strekking die onder meer tot
uiting komt in de eenvoudig en helder gehouden tegenstelling tussen goed en
kwaad, de uiteindelijke zegepraal van het deugdzame, de gevoelige, soms wat
sentimentele helden tegenover brute, vaak gewelddadige personages. Deze
eenvoudige tegenstellingen maakten dit type toneel zeer populair bij de
burgerij in de 18e en 19e eeuw.
Het is niet goed mogelijk de comédie larmoyante nauwkeurig
af te grenzen van het ruimere begrip burgerlijk drama omdat er allerlei
varianten bestaan die slechts enkele kenmerken van de hier genoemde hebben.
Goede voorbeelden vindt men vooral in het stamland Frankrijk, o.m. bij
Pierre Carlet de Chamblais de Marivaux
(La mère confidente, 1735) en
Claude Nivelle de la Chausée
(Mélanide, 1741). In het Nederlandse taalgebied
kunnen
J.A. Schasz' drama's Dorvan of
de zegepraal der liefde (1779) en Frederik en Charlotte
of de edelmoedige beloning der deugd (1793) als voorbeelden
gelden.
LIT: Bantel; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
comma
Term uit de klassieke poëtica voor een gering aantal woorden
dat tezamen nog geen deelzin (colon) binnen de volzin
(periodus-1) vormt. De naam is blijven voortleven in het
leesteken ‘komma’.
LIT: Best; Gorp; Lausberg; Metzler; Wilpert; J. Greidanus.
Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de
Nederlanden (1926), p. 50-51. [W. Kuiper]
| |
commedia all'improviso zie
commedia dell'arte
| |
commedia dell'arte of commedia all'improviso
Oorspronkelijk Italiaanse blijspelvorm waarin de acteurs de tekst
improviseren op grond van een van te voren in grote lijnen vastgelegd scenario.
De commedia dell'arte kende een aantal vaste (gemaskerde) figuren die meer
getypeerd dan gekarakteriseerd werden: Arlecchino (de clown), Il dottore (de
dokter of kwakzalver), Colombina (het jonge meisje), Pantalone (de rijke oude
vader), Scapino (de slimme dienaar), e.v.a. Deze figuren waren tevens
representant van een bepaalde stad of streek. Naast toneelspel was in de
commedia dell'arte zang, dans en pantomime verwerkt. De commedia dell'arte
ontwikkelde zich in het midden van de 16e eeuw in Italië als
tegenhanger van het zgn. ‘geleerden’-toneel (commedia erudita) aan
de Italiaanse hoven. Het werd gespeeld door rondreizende professionele
gilde-acteurs, die aanvankelijk vooral in Noord-Italië optraden, maar
later geheel West-Europa rondtrokken. Ze oefenden daarmee een
grote invloed uit op het West-Europese blijspel van met name
Molière,
Marivaux en bij ons
Pieter Langendijk. In de 18e eeuw
herleefde het genre nog in de stukken van
Carlo Gozzi (1718-1801). Ook het werk
van
Carlo Goldoni (1707-1793) vertoont
duidelijk verwantschap met de commedia dell'arte, maar zijn teksten zijn geheel
uitgeschreven en laten dus weinig of geen improvisatie toe, bijv. De
knecht van twee meesters (1745).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick;
Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; B. Albach. De commedia dell'arte
(1959); C. de Leeuwe. Commedia dell'arte, dat is puur toneel (1968); G.
Malipiero. Figuren uit de commedia dell'arte (1970). [G.J. van Bork]
| |
commentaar
Toelichting op een tekst waarmee een algemeen referentiekader en
de noodzakelijke kennis van zaken wordt gegeven aan een (moderne) lezer om die
tekst zo goed mogelijk in zijn historische context te begrijpen. Daarbij maakt
men gewoonlijk onderscheid tussen twee typen commentaar.
In de eerste plaats geeft men commentaar op de gehele tekst.
Hierbij gaat het in feite om een historische en hermeneutische
betekenistoekenning (hermeneutiek), waarbij delen van de
tekst hun betekenis krijgen in de context van de gehele tekst en anderzijds de
gehele tekst zijn betekenis ontleent aan de delen ervan (hermeneutische cirkel). Sommige auteurs noemen dit type
commentaar macrocommentaar. Met name de ‘Amsterdamse school’ (
W.Gs Hellinga,
F. Lulofs,
F. Veenstra) heeft zich met dit type
commentaar beziggehouden.
In de tweede plaats geeft men commentaar op woorden, namen of
zaken die in de tekst genoemd worden en die niet (meer) algemeen bekend
verondersteld kunnen worden. Men spreekt daarom wel van
woord- en
zakencommentaar of van microcommentaar.
De eerste soort commentaar wordt gewoonlijk in de inleiding of
nabeschouwing van
tekstedities gegeven en soms zelfs in een
afzonderlijke uitgave. Het tweede type commentaar bestaat doorgaans uit
annotaties bij de te verklaren woorden of
zaken.
LIT: BDI; Best; LdMA; Mathijsen; Metzler; Wilpert; W.Gs Hellinga.
‘De commentaar’, in: Handelingen van het 24e
Filologencongres (1956), p. 109-127; F. Lulofs.‘Kritiek op Beatrijs
of de verantwoording van een commentator’, in: Levende Talen 234
(1966), p. 204-221 en 235 (1966), p. 342-356; F. Lulofs. Nu gaet reynaerde
al huten spele. Over commentaar en interpretatie (1975); W. Frühwald
e.a. (red.). Probleme der Kommentierung (1975). [G.J. van Bork]
| |
commutatio
Term uit de retorica voor het tegenover elkaar plaatsen (antithese) van een idee en de daaraan tegenovergestelde
gedachte via herhaling van twee woordstammen onder gelijktijdige verwisseling
van syntactische functie.
Een voorbeeld van commutatio is te vinden in
Joost van den Vondels
Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (WB-ed, dl. 5,
1931, p. 486): ‘Wie voor Poeet wil gaen, moet van een' rijmer wel
Poeet, maer van Poeet geen rijmer worden’. Ook het
bekende ‘Een gedicht moet een sprekend schilderij zijn, een schilderij
een zwijgend gedicht’ is een geval van commutatio.
De commutatio lijkt op een
chiasme, hetzij doordat de woordstammen
kruiselings geplaatst zijn, hetzij doordat de syntactische functie van plaats
wisselt. Ook met de
distinctio is er overeenkomst.
LIT: Lausberg; LdMA. [P.J. Verkruijsse]
| |
compagnie
Samenwerkingsverband van uitgevers of boekverkopers ter spreiding
van het risico bij dure uitgaven. Compagnieën komen voor sinds de 17e
eeuw, bijv. die van
Blaeu,
Wolfgang,
Van Someren,
Van Waesberge en
Boom. Dat er in compagnie uitgegeven
wordt, blijkt uit de vermelding van de namen in het
impressum. Soms ook wordt een deel van de
oplage voorzien van het adres van de ene, en
een ander deel van dat van de andere compagnon. Pas als beide
uitgaven bibliografisch bekend zijn, kan
geconcludeerd worden tot een samenwerkingsverband. Er zijn tal van
gelegenheidscompagnieën geweest voor de uitgave van één
bepaald werk, maar andere hebben geruime tijd - zij het vaak in wisselende
samenstelling - samengewerkt, bijv. voor het uitgeven van bijbels.
LIT: I.H. van Eeghen. De Amsterdamse boekhandel 1680-1725,
dl. 5 (1978), p. 305-334. [P.J. Verkruijsse]
| |
comparatio
Term uit de retorica voor het maken van een vergelijking, met name
tussen het door een handeling veroorzaakte individuele onrecht en het daardoor
voor het algemene welzijn veroorzaakte nut. Vaak komt het neer op het kiezen
uit twee kwaden omdat het niet handelend optreden nadeel zou betekenen voor het
algemene welzijn. Zo is het niet vermoorden van een tiran slecht voor het
onderdrukte volk en betekent het wel vermoorden van de tiran een misdaad die
echter het welzijn van het volk ten goede komt.
De rei van Amstellandsche Joffren aan het eind van het vierde
bedrijf van
P.C. Hoofts Geeraerdt van
Velsen (1613, ed. Leendertz/Stoett, 1900, p. 266-267) lijkt een
dergelijke comparatio in te houden:
Den oopenbaeren Dwinghelandt,
Met moed te bieden wederstandt,
En op den harssenpan te treeden;
Om, met het storten van zijn bloedt,
Den vaderlande 't swaerste goedt,
Den gulden vryheyt te bereeden;
Dat is, van ouwder hercoomst wydt,
By d'aldertreffelycxt altydt
Beloondt met eerenbeelden dancklyck.
De lofkrans groenens nimmer moe,
Die comt het hayr der sulcken toe,
Die 't al, voor 't alghemeene waeghen: [...].
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; HWR; Lausberg; Leeman-Braet; Morier;
Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
compendium
Letterlijk ‘besparing’. Handboek met een beknopt
overzicht van een wetenschapsgebied of samenvatting van een aantal teksten met
de bedoeling alleen de feiten weer te geven. Een voorbeeld is
J. van Havers Nederlandse
incantatieliteratuur. Een gecommentarieerd compendium van Nederlandse
bezweringsformules (1964).
LIT: BDI; Best; Brongers; Metzler; Wilpert. [W. Kuiper/P.J.
Verkruijsse]
| |
compensatie
Term uit de prosodie voor de vervanging van een ontbrekende
versvoet of een gedeelte daarvan. Dit kan
gebeuren doordat de in het ene vers ontbrekende metrische eenheid extra wordt
aangebracht in een volgend vers. Ook kan op de plaats van de ontbrekende
syllabe(n) een
rust worden aangebracht.
In ruimer zin wordt de term compensatie ook wel gebruikt voor
versterking van een vormgevingsniveau binnen een tekst of tekstgedeelte. Deze
kan op allerlei manieren voorkomen:
herhalingen en correspondenties op het vlak
van het
binnenrijm bij ontbreken van
eindrijm,
woord- en zinfiguren ter vergoeding van het
ontbreken van
gedachtefiguren, e.a.
In het gedicht ‘Het derde land’ van
M. Nijhoff gebeurt het weer anders:
Zingend en zonder herinnering
Ging ik uit het eerste land vandaan,
Zingend en zonder herinnering
Ben ik het tweede land ingegaan,
O God, ik wist niet waarheen ik ging
Toen ik dit land ben ingegaan.
O God, ik wist niet waarheen ik ging
Maar laat mij uit dit land vandaan,
O laat mij zonder herinnering
En zingend het derde land ingaan
(VG, ed.
Van den Akker en
Dorleijn, 1995, p. 136).
Dit gedicht bevat slechts twee eindrijmklanken en een vast
metrisch patroon ontbreekt zelfs helemaal. Compensatie daarvan ziet men op
andere niveaus, zoals de identieke herhaling van regels (vs. 1 = 3, 5 = 7),
gevarieerde herhaling van delen van regels (vs. 2 = 8, 4 = 6 = 10), en een
opvallende strofering (3 x 3, 1 x 1).
LIT: Buddingh'; Cuddon; Preminger; Scott; S. Vestdijk. De
glanzende kiemcel (19917). [G.J. Vis]
| |
compilatie
Letterlijk ‘opeenstapeling’. Een gedurende de
Middeleeuwen zeer gebruikelijke methode om nieuwe boeken uit oude samen te
stellen, een praktijk waartegen de humanisten (humanisme) in het geweer kwamen (ad
fontes). Compilaties treft men vooral aan in de geestelijke letterkunde,
bijv. het vroeg-15e-eeuwse Dat boec vander ioncfrouscap
(ed.
Bergkvist, 1925), dat gecompileerd is uit
de werken van de vier belangrijkste kerkvaders:
Ambrosius,
Hiëronymus,
Augustinusen
Gregorius. Daarnaast treft men compilatie
aan in de
artes-literatuur, bijv. het Boec van
medicinen in Dietsche (ed.
Daems, 1967). Deze vorm van compilatie is
vergelijkbaar met
breviarium,
digesta en
epitome.
De bekendste compilatie uit de Nederlandse literatuur is de Haagse
Lancelot-compilatie (ca. 1320). De kern van deze compilatie wordt
gevormd door de trilogie Roman van Lanceloet,
Queeste van den Grale, Arturs doet,
die een vrij getrouwe
vertaling zijn van hun Franse voorbeeld.
Daarnaast werd er in de Lancelot-compilatie een aantal reeds bestaande
Middelnederlandse Arturromans verkort (abbreviatio)
opgenomen, zodat de compilatie als volgt is opgebouwd.
Boek 1 met het begin van de Roman van
Lanceloet is verloren gegaan. Boek 2 bevat het vervolg van de
Roman van Lanceloet en de ingevoegde romans
Perchevael en Moriaen. Boek
3 bevat de Queeste van den Grale en de ingevoegde romans
Die wrake van Ragisel, Die riddere metter
mouwen, Walewein ende Keye,
Lanceloet en het hert met de witte voet en (Jacob van
Maerlant's) Torec. Het vierde boek bevat Arturs
doet.
LIT: BDI; Best; Hiller; Metzler; Wilpert; A.A.M. Besamusca. Het
‘Boec van Lancelote’. De Middelnederlandse vertaling in verzen van
de Lancelot en prose en het aandeel van Lodewijk van Velthem in de
totstandkoming van de Lancelotcompilatie (1988); B. Besamusca en F.
Brandsma (red.). De ongevalliche Lanceloet. Studies over de
Lancelotcompilatie (1992). [W. Kuiper/H. Struik]
| |
complainte
Klaaglied (elegie) in de Franse
middeleeuwse en de Engelse renaissancistische literatuur, binnen de Nederlandse
letterkunde gereserveerd voor een satirische of humoristische pseudo-klacht,
bijv.
Pieter Elzeviers ‘Op een
tabaks-doos, gevonden in het papier-laatjen van een kakhuys’:
Ah Doos! ah arme Doos! wel waar komt dit van daan?
Dat gy, verschoveling! dus achter af moet staan?
U meester is wel wreet, ô Doosjen! hy verlaatje,
En zendje na 't Secreet, by Strontje-broer je maatje.
Zyt gy dan aldus verstooten / Van u Heerschop? dat gy hier
In het Kakhuys werdt geslooten / By het kruydige papier?
Arme Doos! wat zijn de reden? / Doet men u die schanden an?
Dat ghy moet dees plaets bekleden! / Was u baes zoo een
Tyran?
Kom ghy sult dan by me leven / Nobel Doosje met Toeback,
'k Zal u beter rust-plaets geven / In mijn bommezijne zack;
Kom dan by mijn oock een poosje, / Schoon ghy vies zijt in de
mont,
'k Zal u echter, Lieve Doosje! / Nimmer leggen by de stront.
(Den lacchenden Apollo (1667, ed. Komrij, in: De
Nederlandse poëzie van de 17e en 18e eeuw, 1986, p. 609).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2;
Fowler; Gorp; LdMA; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
complexio
Letterlijk ‘omstrengeling’. Poëticale term voor
die vorm van herhaling (repetitio) die bestaat uit een
combinatie van een
anafora en een
epifoor, dus voor verzen of zinnen waarvan
zowel het begin als het eind herhaald wordt, bijv. de eerste twee verzen van
Jan Engelmans‘En rade’ uit
de bundel Sine nomine (1930):
Of de regels 10-11 uit het gedicht ‘In de nacht’ van
Hans Andreus Muziek voor kijkdieren (1951):
LIT: Gorp; Lausberg; Metzler; Morier; Myers/Simms. [P.J.
Verkruijsse]
| |
compositie
Samenstelling of rangschikking van het materiaal volgens een
bepaald ordeningsprincipe. In deze zin is het begrip verwant aan de
dispositio uit de retorica.
A. Pierson omschrijft compositie als
‘de wijze waarop deelen van een gegeven geheel op elkaar volgen’
(Uit de verspreide geschriften, 1902, p. 300). In de
20e-eeuwse literaire kritiek vindt men het begrip ook wel aangeduid met
‘bouw’ of
structuur (bijv.
S. Vestdijk. De glanzende
kiemcel, 1969, p. 144).
In de huidige literatuurwetenschap zijn term en begrip aan zware
kritiek onderhevig. Gelet op het element ‘zinsbouw’ is er
verwantschap met het beperkter begrip
compositio uit de retorica.
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Prince; Shipley;
Wilpert; H. Verdaasdonk. ‘Vormen van literatuurwetenschap’, in:
Revisor 1 (1974) 8, p. 38-41; 2 (1975) 1, p. 62-68; 2, p. 35-40. [G.J.
Vis]
| |
compositio
Term uit de retorica voor de syntactische, fonetische en metrische
vorming van zinnen en woordgroepen. De compositio hoort tot de stijlmiddelen
van de
ornatus, één van de
stijldeugden van de
elocutio.
In syntactisch opzicht vallen te onderscheiden de
periodus-1 of volzin; de
colon, een bijzin of zinsdeel van meer dan
drie woorden; de
comma, een zinsdeel van minder dan vier
woorden. In fonetisch opzicht bestaat de compositio vrijwel alleen uit het
vermijden van het homoeoprophoron, een
alliteratie die in de klassieke talen over
het algemeen als een fout werd aangemerkt. De meest voorkomende metrische
voeten zijn
amfibrachus,
anapest, choreus of
trochee,
amfimacer,
dactylus,
jambe, paeon primus en
spondee.
LIT: HWR; Lausberg; LdMA; Marouzeau; Shipley. [P.J.
Verkruijsse]
| |
comprobatio zie
confirmatio
| |
concept
Term uit de archivistiek voor een ontwerp van een geschrift. Het
concept vertegenwoordigt het tussenstadium tussen een
klad (een voorlopig ontwerp) en een
minuut (de vastgestelde versie), waarnaar
vervolgens een netafschrift gemaakt kan worden. Wanneer in de concepttekst
nauwelijks meer gewijzigd wordt, kan het concept tot minuut worden.
LIT: Best; Brongers; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
conceptisme
Het conceptisme is een beweging in vooral het 17e-eeuwse Spaanse
proza onder leiding van
Quevedo en
Gracián, die zich afzet tegen de
maniëristische (maniërisme) stroming in met
name de poëzie, het
gongorisme. De conceptisten leggen er de
nadruk op dat ze niet als de gongoristen een ingenieus spel bedrijven met
woorden van vooral Griekse en Latijnse afkomst, maar dat ze zich bezighouden
met het precies verwoorden van ingenieuze ideeën. Desondanks doet hun werk
door de vele
concetti vaak niet minder maniëristisch
aan dan dat van de gongoristen.
Het werk van Quevedo en Gracián is in de 17e en 18e eeuw in
Nederland op ruime schaal verspreid via vertalingen van o.a.
M. Smallegange,
S. van Rusting en
Haring van Harinxma.
LIT: Cuddon; Gorp; Metzler; Preminger; Wilpert; E.R. Curtius.
Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter
(19738), 297-305. [P.J. Verkruijsse]
| |
concessio
Term uit de retorica voor het toegeven dat een argument van de
tegenpartij juist is. Wanneer echter toegegeven wordt op een zeer onbelangrijk
punt, heeft de concessio doorgaans een ironische intentie, bijv. in
De Hollandsche Spectator 4 (1733, p. 30), waar
Justus van Effen schrijft: ‘De
Franschen zeggen dat wy Hollanders geen verstand hebben om ons te diverteeren,
en ze hebben gelyk’.
LIT: Dupriez-1; Gorp; HWR; Lausberg; Morier; Myers/Simms; Ueding.
[P.J. Verkruijsse]
| |
concettismo zie
marinisme
| |
concetto
Een concetto is een briljant idee waarmee een ingenieus
woordenspel bedreven wordt, vaak met behulp
van (te) vergezochte
beeldspraak om de lezer te choqueren. Het
concetto ontstond in de Italiaanse renaissance en werd als onderdeel van het
petrarkisme een ware rage tijdens
barok en
maniërisme, vooral in
Engeland bij de Metaphysical Poets. Men onderscheidt dan ook een
petrarkistisch concetto, dat bestaat uit zeer uitvoerige en overdreven
vergelijkingen (vgl.
hyperbool) in verband met de even koude en
wrede als mooie geliefde en met de vreselijke wanhoop van de minnaar; het
concetto van de Metaphysical Poets, met name
John Donne, bestaat uit een combinatie
van zeer verschillende beelden (vgl.
oxymoron;
paradox), die op het eerste oog niets met
elkaar gemeen hebben: het verhevene met het alledaagse (vgl.
burleske literatuur), het heilige met het
profane enz.
In Nederland kan men concetti aantreffen bijv. in de sneldichten
van
Constantijn Huygens, die invloed
ondergaan heeft van Donne:
Bij avond komt de wolf gegaan,
en vlooit de ezel in de maan.
(
C. Huygens. Dichten op de
knie. 500 sneldichten, ed.-
Hellinga e.a., 1956, p. 14).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Curtius;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; MEW; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
conciliare
Letterlijk ‘verzoenen’. Term uit de retorica als
techniek om het publiek te overtuigen (ars persuadendi).
Dat overtuigen kan gebeuren door onderrichten (docere)
of bewijzen (probare), door emotioneren (movere), door onderhouden (delectare)
of door het publiek voor zich in te nemen. Dat dient uiteraard in een vroeg
stadium, in het
exordium, reeds te gebeuren.
LIT: Lausberg; Leeman-Braet; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
conciliatio
Term uit de retorica voor een stijlfiguur waarin het standpunt van
de tegenpartij met het eigen standpunt verzoend wordt. De conciliatio maakt
vaak deel uit van de
refutatio, het onderdeel van een betoog
waarin de argumenten van de tegenpartij ontkracht worden.
LIT: Gorp; HWR; Lausberg; Leeman-Braet; Ueding. [P.J.
Verkruijsse]
| |
conclusio of peroratio
Term uit de retorica voor de samenvatting van het betoog zoals dat
opgebouwd is in de inleiding (exordium), het
feitenoverzicht (narratio) en de argumentatie (argumentatio). De conclusio is het laatste onderdeel van de
totale opzet van een betoog (dispositio). Een verheven
stijl (genus sublime) is het meest geschikt voor de
conclusio omdat die gewoonlijk de meeste indruk maakt.
Een voorbeeld van een volgens de dispositio-regels opgebouwd werk
is
Constantijn Huygens' gedicht ‘'t
Spoock te Muyden’ (in: De gedichten, ed. Worp, dl.
2, 1893, p. 160-162: vs. 1-6 exordium; vs. 7-62 narratio; vs. 63-74
argumentatio en vs. 75-82 met de volgende conclusio:
Moghten ghij en ick eens richten
Daer des Duyvels kaers soo licht, en
Menschen van soo laegen trapp
Voor den hencker raken schrapp!
'K meen ons vonniss soude wesen,
All uw spoocken is uw vreesen
Kont ghij 't vatten? Neen. Ghy moet:
'T Spoockter, maer in uw gemoed.
LIT: Baldick; Gorp; Lausberg; LdMA; Metzler; Shipley; E.K.
Grootes. ‘Constantijn Huygens en 't spoock te Muyden’, in:
Spektator 1 (1971-1972), p. 473-481. [P.J. Verkruijsse]
| |
concordans zie
concordantie-1 of -2
| |
concordantie-1, concordans of KWIC-index
Index-1 - ook wel KWIC (Key Word In
Context)-index genoemd - waarin alle woorden uit een tekst of uit alle teksten
van een auteur alfabetisch als trefwoord opgenomen zijn en in hun context
gegeven worden. Voor de tekstinterpretatie heeft dit tot voordeel dat men
onmiddellijk kan zien of men met een vergelijkbare context te maken heeft.
Reeds eind 17e eeuw vervaardigde
Abraham Trommius zijn concordantie op de
Statenvertaling van de bijbel; tegenwoordig wordt het samenstellen van
concordanties zeer vergemakkelijkt door de computer, bijv.
B.J.P. Salemans en
F.A.M. Schaars. Concordantie
met alfabetische woordenlijst, frequentielijst, retrograde woordenlijst,
tekstweergaven en concordantie van hoogfrequente woorden van het dramatisch
werk van Joost van den Vondel (1587-1679) (1990);
Kr. Huybrechts e.a. Guido
Gezelle in 15.000 woorden: een concordantie op het door hem gebundeld
dichtwerk (2 dln., 1986);
P. King. Concordances of the
works of J. van den Vondel (2 dln. betreffende Maria Stuart
en Leeuwendalers, 1982);
K. Lassche. Het
Gruuthuse-handschrift. Woordindex met gegevens over de concordantie
(1993);
A. Quak. Wortkonkordanz zu den
altmittel- und altniederfränkischen Psalmen und Glossen
(1975).
Voor onderzoek naar taalgebruik,
motieven en
thema's van een bepaalde auteur zijn
complete woordindices in context van groot belang, evenals - indien meer
auteurs geïndiceerd zijn - voor onderzoek naar
intertekstualiteit. In Leuven
is een serie ‘Index et concordances de l'Institut de Linguistique de
Louvain’ opgezet waarin ‘Concordantielijsten van Zuidnederlandse
romans’ (
Hugo Claus,
Hubert Lampo) verschijnen. Een lijst van
woorden zonder context noemt men een
woordindex.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan;
Metzler; MEW; Scott; Wilpert; M. Geerinck. Hella S. Haasses ontmoeting met
de computer; poging tot literairkritische analyse van De Verborgen Bron op
grond van de automatische behandeling van de tekst (1976); Q.A.M. de Kort
en G.L.J. Leerdam (red.). Computertoepassingen in de Neerlandistiek.
Lezingen gehouden op het gelijknamige congres, op 24 november 1989
georganiseerd door de Landelijke Vereniging van Neerlandici en IBM Nederland
N.V. (1990). [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]
| |
concordantie-2 of concordans
Term uit de archivistiek en bibliografie voor een overzicht waarin
de volgens verschillende systemen of door verschillende personen toegekende
nummers - meestal
inventarisnummers,
bibliotheeksignaturen (olim-signaturen) of nummers in een
bibliografie of
catalogus-1 - naar elkaar verwijzen.
Zo zijn achterin dl. 2 van Incunabula in Dutch
libraries (IDL; 1983) concordanties opgenomen van de
Gesamtkatalog der Wiegendrucke, van
Hain,
Copinger,
Reichling,
Campbell en
Goff zodat vergelijking van de
beschrijvingen mogelijk wordt.
LIT: BDI; Metzler; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
concrete poëzie of visuele poëzie
Poëzie waarin een overwegend beroep wordt gedaan op dat wat
concreet of zichtbaar is van taal, nl. de visueel waarneembare (grafische)
vormgeving. Het principe van de visuele poëzie is al oud. Het kent
verwantschap met oudere visueel-poëtische vormen als bijv. het
altaargedicht en het
figuurgedicht. In het
modernisme van het begin van deze eeuw
experimenteerden futuristen, dadaïsten en expressionisten met de
typografie van het gedicht.
Paul van Ostaijen schreef poëzie
met een ritmische typografie in Bezette stad (1921) en
I.K. Bonset publiceerde zijn
X-beelden (1920-1921). Dit type poëzie wordt ook wel
aangeduid met het begrip
abstracte poëzie, dat echter ruimer
is.
In de jaren 1950 ontstond opnieuw internationale belangstelling
voor deze experimenten. Nu werden ook andere dan typografische elementen, zoals
tekeningen, foto's,
collages enz. met de tekst versmolten. In
het Nederlandse taalgebied gaf het tijdschrift Tafelronde
van
Paul de Vree onderdak aan op dit gebied
experimenterende dichters. Een goed voorbeeld van deze moderne concrete
poëzie is de bundel L'angerie (1973) van
Hans Clavin. Andere vervaardigers van
concrete poëzie zijn
Herman Damen,
G.J. de Rook en
Mark Insingel. In 1970-1971 werd in het
Stedelijk Museum van Amsterdam een tentoonstelling van concrete
poëzie ingericht.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; Hobsbaum; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; Wilpert; E. Slagter.
‘Concrete poëzie in Nederland en België. Een voorlopige
balans’, in: Streven 24 (1970-1971), p. 481-492; E. Slagter.
‘Typografie als topografie. Konkrete en visuele poëzie’, in:
Ons Erfdeel 16 (1973), p. 104-107; G. Borgers. ‘Visuele
poëzie’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 317-321; E. Willems
e.a. (ed.). Visuele poëzie; zes visies (1975); K.D. Beekman.
‘Ready-mades, reportages en concrete poëzie’, in: G.J. van
Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis (1986), p.
263-274. [G.J. van Bork]
| |
conduplicatio
Herhaling (repetitio) van een woord of
woordgroep aan het begin van de volgende regel of zin, bedoeld om er extra
nadruk op te leggen, bijv.
Wanneer men kindren voor een venster brengt,
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 57).
De conduplicatio kan ook voorkomen in de vorm van een
anafora of een
anadiplosis.
LIT: Buddingh'; Lausberg; Morier; Preminger. [G.J. Vis]
| | | |
confirmatio of comprobatio
Term uit de retorica voor dát gedeelte van de
argumentatio waarin de bewijzen geleverd
worden voor het in de
narratio geponeerde.
Zo draagt
Vondel in de Inwijdinge van 't
Stadthuis t'Amsterdam in de uitgebreide argumentatio (vs. 105-612)
tal van bewijzen aan voor zijn visie dat een stadhuis het ‘hart’
van de stad is (J. van den Vondel. Inwijdinge van 't Stadthuis
t'Amsterdam, ed. Albrecht e.a., 1982).
LIT: HWR; Lausberg; LdMA. [P.J. Verkruijsse]
| |
conflict
Botsing van opvattingen tussen twee of meer personages, of van
één personage met de omstandigheden of de ‘hogere
machten’ (God, noodlot, natuurwetten). De botsing van opvattingen in het
personage zelf die tot innerlijke tweestrijd leidt, noemt men het innerlijk
conflict. Het conflict of dramatisch conflict is een van de belangrijkste
structuurelementen van verhalend proza of drama dat bijdraagt tot de
plot en zo de spannende werking mede
veroorzaakt. Een goed voorbeeld van een innerlijk conflict vinden we in
Shakespeare's
Hamlet. In
Vondels Jeptha of
Offerbelofte (1659) is het conflict zowel innerlijk als uiterlijk:
Jeptha in conflict met zichzelf en God over het offer van zijn dochter.
LIT: Abrams; Bantel; Best; Cuddon; Metzler; Myers/Simms; Prince;
Scott; Shipley; Wilpert; B. Verhagen. Dramaturgie (19632).
[G.J. van Bork]
| |
conflictus
Middellatijns gedicht waarin twee of meer gepersonifieerde
abstracta (zomer en winter, deugd en ondeugd) redetwisten over een probleem.
Het genre, dat verwant is aan de
disputatio en vaak theologische onderwerpen
betreft, is ook in het Middelnederlands nagevolgd, bijv. het
abel spel Vanden winter ende
vanden somer (ed.
Stellinga, z.j.), waarin de Zomer en de
Winter met elkaar redetwisten over welk jaargetijde het best is voor de Liefde,
en in het lied ‘Van den zomer und van den winter’ (ed.
Kossmann. Die Haager
Liederhandschrift. Faksimile des Originals mit Einleitung und
Transskription, 1940). Een laat voorbeeld is de afdeling
‘Stryd of kamp, tusschen Kuyscheyd en Geylheyd’ in de liedbundel
Minne-plicht ende Kuysheyts-Kamp als mede Verscheyden Aardighe en
Geestige Nieuwe Liedekens en Sonnetten (1626).
LIT: Metzler; MEW; J.A. Nijland. Gedichten uit het Haagsche
liederenhandschrift uitgeg. en toegel. uit de Middelhoogduitsche lyriek
(1896), p. 145-146, 185-190; K. van der Waerden. ‘De figuur van de
cockijn in het abel spel Vanden Winter ende vanden Somer’, in:
Spektator 15 (1985-1986), p. 268-277. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
congeries
Benaming voor een stijlfiguur, bestaande uit herhaling van
hetzelfde begrip door middel van synoniemen. Wanneer de opeenvolgende
synoniemen krachtiger zijn dan de voorgaande, is sprake van een
climax.
Met name in oude notaristaal wordt vaak gebruik gemaakt van
synoniemen, zoals in dit fragment uit een testament van 12 maart 1663 :
Willende ende begerende wel expresselijck dat de
weeskamer hiermede niet en sal hebben te bemoejen omme van den selve te eyschen
eenige staet ofte inventorien van den goederen, [...]. (A.Fl. Gehlen. Notariële akten uit de 17e en
18e eeuw, 1986, p. 41).
De congeries is verwant aan de
accumulatio, de
coacervatio en de
tautologie.
LIT: Gorp; HWR; Lausberg; Leeman-Braet; Ueding. [P.J.
Verkruijsse]
| |
congres of conferentie
Vergaderingen over wetenschappelijke onderwerpen worden behalve
met congres steeds vaker aangeduid als
symposium of
colloquium. Op het gebied van de
neerlandistiek waren de Algemene Conferenties der Nederlandse Letteren
(jaarlijks sinds 1951, afwisselend inNederland en
Vlaanderen) van groot belang, evenals de Nederlandse en Vlaamse
Filologencongressen.
LIT: G. Stuiveling e.a. 25 jaar Algemene Conferenties der
Nederlandse Letteren 1951-1975 (1976). [P.J. Verkruijsse]
| |
conjectuur
Term uit de tekstkritiek voor een gissing naar de oorspronkelijke
lezing van een historische tekst als de bron corrupt, verminkt, onleesbaar is
of anderszins hiaten vertoont. Zo heeft men bijv.Venlo in
Mariken van Nieumeghen (ed.
Coigneau, 1982, vs. 652) willen verbeteren
in Balgoy en Den Loe, twee dorpjes in de omgeving vanNijmegen,
omdat in het begin van het verhaal Mariken drie mijl moet afleggen om van de
woning van haar oom naar Nijmegen te lopen. Indien de fout doorzichtig is of
als er voldoende aanknopingspunten zijn om de oorspronkelijke lezing te
(re)construeren spreekt men van een
emendatio. Veel 19e-eeuwse emendaties worden
door 20e-eeuwse filologen als conjecturen beschouwd.
LIT: Best; Brongers; Metzler; MEW; Wilpert; M.J.M. de Haan.
Enige aspecten van tekstkritiek van Middelnederlandse teksten (1973).
[W. Kuiper]
| |
conjointure
Door Chrétien de Troyes (2e helft 12e eeuw)
geïntroduceerde term voor de structuur van zijn Arturromans (Arturroman), waarin zijn helden na een snel voorlopig succes
in een diepe crisis raakten om uiteindelijk het ware succes te bereiken (Doppelweg-structuur). De Arturroman in proza hanteerde als
structuurbeginsel ‘verstrengeling’ (entrelacement).
LIT: F.P. van Oostrom. Beatrijs en tweefasenstructuur
(1983); R. Zemel. ‘Hoofse liefde in de literatuur van de 12e eeuw’,
in: Herkennen wij de Middeleeuwen (1988), p. 71-107; R.M.T. Zemel. Op
zoek naar Galiene. Over de Oudfranse Fergus en de Middelnederlandse Ferguut
(1990), m.n. p. 69-114. [W. Kuiper]
| |
connotatie
Het geheel van betekenismogelijkheden van een woord of passage
opgeroepen bij de lezer, niet op grond van de taalkundig vast omschreven
betekenis (denotatie), maar ten gevolge van de
ervaringen van de lezer persoonlijk. De ervaringswereld van de lezer kan
individueel bepaald zijn, zodat hij, bijv. onaangename herinneringen aan
bloemen hebbend, er eerder toe zal komen een lelijke vrouw met
‘bloem’ te associëren (associatie) dan
een mooie vrouw. De lezerservaring kan ook sociaal bepaald zijn, bijv. door de
literatuur van de eigen moedertaal; zo zal een enigszins belezen Nederlander
bij de woorden ‘oude mensen’ een associatie kunnen krijgen met
Couperus' roman Van oude
menschen.
Literaire schrijvers zullen hun effecten bij voorkeur trachten te
realiseren via het suggestieve procédé van de connotaties: door
beeldspraak,
ambiguïteit,
allusie,
ironie,
humor en andere
gedachtefiguren; dit in tegenstelling tot de
wetenschapper, die in zijn taalgebruik helderheid nastreeft met behulp van de
vast omschreven betekenis van een woord.
LIT: Abrams; Baldick; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
consistentie
Term uit de literaire kritiek voor de samenhang en evenwichtigheid
van de onderdelen die gezamenlijk het literaire werk vormen tot
één geheel. Consistentie is een van de structuurkenmerken van het
literaire werk en behoort als zodanig tot de
compositie of
structuur.
LIT: Cuddon; Scott. [G.J. van Bork]
| |
consolatio
Aanduiding, afkomstig uit de Latijnse oudheid, voor een
troostschrift: brief, rede of gedicht. Elementen van de consolatio komen veel
voor in de
elegie, en in allerlei vormen van
rouwliteratuur (funeraire poëzie,
grafdicht,
lijkrede,
lijkgedicht,
threnos).
LIT: Gorp. [G.J. Vis]
| |
consonantie-1
Term uit de stilistiek ter aanduiding van het harmoniëren van
klanken, dit in tegenstelling tot
dissonantie.
LIT: Fowler; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
consonantie-2 zie
medeklinkerrijm
| |
constructivisme
Oorspronkelijk een Russische stroming in de kunst, ontstaan in
1922 en in 1924 uitgemond in het Literair Centrum der Constructivisten, dat met
literaire middelen het revolutionair socialisme wilde ondersteunen. De
belangrijkste theoreticus was
K.L. Zelinsky. In het literaire
constructivisme wilde men de dynamiek bevorderen door het woordmateriaal zo
strak mogelijk te laten aansluiten bij het onderwerp. De onderwerpen werden
veelal verbonden met moderne technische verworvenheden als snelheid,
arbeidsvermogen en productiviteit. De nieuwe technische terminologie was voor
de constructivisten dan ook poëtisch materiaal.
Het constructivisme is één van de vele -ismen van de
historische avant-garde en kan gezien worden
als pendant van het
futurisme en
kubisme. Zowel
Van Ostaijen als
Van Doesburg noemen de relatie met het
kubisme in termen als ‘geëmancipeerd kubisme’ of
‘neokubisme’. In de Nederlandse literatuur speelt het
constructivisme een belangrijke rol in tijdschriften als De Stijl
(1917-1931) en Het Overzicht (1921-1925). In vrijwel alle publicaties
blijkt het primaat van de beeldende kunst bij de theorievorming. Het gaat bij
het constructivisme om abstractie van het algemene of absolute dat het
individuele of bijzondere beheerst. In de stijl komt dat algemene tot
uitdrukking ondanks het bijzondere. De schrijver (subject) moet in zijn
geschriften de onveranderlijke eigenschappen (objecten) van de werkelijkheid
zichtbaar maken om zo het universele te laten zien. In de beeldende kunst leidt
dit tot abstracte grondvormen (vierkant, kubus, cirkel en combinaties daarvan)
en het gebruik van primaire kleuren; in de literatuur tot de concentratie op
het woord, speciaal op de klank ervan of de typografische isolering. De
constructivisten zijn collectivistisch gericht en streven naar een (soms
utopistische) gemeenschapskunst. In De Stijl wordt dan ook een groot
aantal kunsten aan de orde gesteld: film, schilderkunst, fotografie,
literatuur, architectuur enz.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; Shipley;
Wilpert; F. Bulhof (red.). Nijhoff, Van Ostaijen,‘DeStijl’
(1976); J. Weisgerber (red.). Les avantgardes littéraires au XXe
siècle (2 dln., 1980-1981); F. Drijkoningen en J. Fontijn (red.).
Historische avantgarde (1982), p. 215-270. [G.J. van Bork]
| |
consuetudo
Term uit de retorica voor het gewone, normale spraakgebruik als
onderdeel van een correct taalgebruik (puritas). De norm
voor wat gewoon en normaal is, berust echter niet op wat een meerderheid vindt,
maar op consensus daaromtrent van mensen met ontwikkeling. Een voorbeeld is het
Algemeen Beschaafd Nederlands, dat onder druk van de democratisering
Standaardnederlands is gaan heten, maar uiteraard nog steeds dezelfde
normatieve functie heeft.
LIT: Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
contaminatie
Term uit de
stijlleer ter aanduiding van een idiomatisch
gezien onjuiste verbinding van twee bestaande woorden of zinsneden of
uitdrukkingen tot een nieuwe, bijv. ‘optelefoneren’, ‘dat
kost duur’. Hierbij worden steeds één of meer woorddelen of
woorden weggelaten uit één of twee eraan ten grondslag liggende
bestaande combinaties.
Deze taalfout wordt vaak een stilisticum bij toepassing met
humoristische bedoelingen. Omdat doorzichtigheid van het procédé
het effect in de weg kan staan, wordt er soms ook gecontamineerd op basis van
meer dan twee bestaande taalmogelijkheden, zoals in: ‘er rolde een 9 uit
in voor’ (
K. van Kooten. Koot droomt
zich af, 1982, p. 5) welke zin is opgebouwd uit ‘er rolde een
9 uit’, ‘er zat een 9 in’, en ‘er kwam een 9 in
voor’. Wanneer zo'n verbinding nog niet eerder is gemaakt, kan men zo'n
contaminatie beschouwen als een
neologisme. Doordat altijd iets is weggelaten,
is de contaminatie als taalfout verwant aan de
apokoinou en het
zeugma.
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Marouzeau; Metzler;
Shipley; Wilpert; J.M. Acket en C.F.P. Stutterheim. Stijlstudie en
stijloefening (196011), p. 135-139. [G.J. Vis]
| |
contentio
Spanning opgeroepen door een tweeledige formulering die bestaat
uit de herhaling (repetitio) van een woord of begrip.
Dit gebeurt zowel in positieve zin, bijv.
Boven mijn hoofd hebt gij uw lucht gebreid:
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 27).
als in negatieve zin, doorgaans in de vorm van een
paradox, bijv. ‘ik weet dat
ik niets weet’. In het laatste geval bevat de contentio een
antithese, welke een vaak voorkomende vorm
van de contentio is.
LIT: Lausberg; Shipley. [G.J. Vis]
| |
context of cotext
Term uit de tekstinterpretatie en de filologie voor de tekst rond
een woord, woordgroep, zin of een groter tekstgedeelte. De context is voor de
interpretator van onmisbaar belang voor het vaststellen van de
betekenismogelijkheden, de functie en de draagwijdte van de betrokken passage
daarbinnen.
Om misverstanden te vermijden met de buitentekstuele context in de
zin van ‘situatie van de werkelijkheid’ waar een tekst naar
verwijst of waarbinnen deze kan spelen, geven sommige onderzoekers de voorkeur
aan de term cotext voor de tekstuele context.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; LdMA;
MEW; Prince; Scott; Shipley; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 139. [G.J. Vis]
| |
contigu verband
In het algemeen wordt er van contiguïteit
(‘aangrenzendheid’) gesproken wanneer er tussen verschijnselen
één of meer raakpunten bestaan. In de literatuurwetenschap wordt
de term gereserveerd voor datgene wat de basis is voor
metonymie. Het gaat dan om de samenhang
tussen twee noties die causaal, logisch, temporeel of ruimtelijk aan elkaar
grenzen. Zo is er temporeel verband tussen het jaartal 1896 en de geboorte van
Paul van Ostaijen, en ruimtelijke
samenhang tussen kop en schotel (men plaatst het een op het ander). Causaal is
de relatie tussen strijken en glad worden. In de metonymische beeldspraak wordt
één van beide aan elkaar grenzende noties genoemd, bijv. in de
zin ‘geef me nog een kopje’ (ruimtelijk) waar men de inhoud
bedoelt, of in ‘Nederland won met 2-1’ (totum pro
parte) waar men de spelers met Nederland aanduidt.
LIT: Bronzwaer; H.F. Plett. Textwissenschaft und
Textanalyse (1975); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 202-203. [G.J. Vis]
| |
continue vertelwijze
Term uit de verteltheorie waarmee wordt aangegeven dat een
verteller een verhaal als aaneengesloten vertelling vertelt zonder al te
opvallende sprongen in de tijd te maken door lange episoden over te slaan of
een verhaal in scènes op te bouwen (scenische
opbouw). In deze laatste gevallen spreekt men van
discontinue vertelwijze. Men mag de continue
vertelwijze niet verwarren met de
chronologische vertelwijze, omdat het
daarbij gaat om de chronologische opeenvolging van de vertelde gebeurtenissen.
Binnen de continue vertelwijze kunnen zowel
anticipatie als
retroversie voorkomen, mits die
vooruitwijzingen of verwijzingen naar het verleden niet tot een dusdanige
omvang en zelfstandigheid leiden dat ze door de lezer ervaren worden als een
inbreuk op de continuïteit van het verhaal. Een goed voorbeeld van een
continu vertelde roman is Een Hollandsch drama (1935) van
Arthur van Schendel.
LIT: Drop; Herman/Vervaeck; E. Lämmert. Bauformen des
Erzählens (19756). [G.J. van Bork]
| |
continueringsfout
Verzamelnaam voor fouten die ontstaan wanneer een kopiist of
zetter onbewust en ongewild een stuk tekst in zijn legger of kopij herhaalt
(dittografie) dan wel overslaat (haplografie). Dergelijke fouten ontstaan doordat de kopiist
afwisselend leest en schrijft, en telkens weer in de legger moet zoeken waar
hij gebleven is. De oorzaak kan in het geheugen liggen (psychische
contaminatie), maar het kan ook een verlezing zijn omdat binnen een passage
tweemaal hetzelfde woord voorkomt (saut du même au
même of Augensprung), waardoor de kopiist na het afschrijven van
een tekstdeel op een verkeerde plaats in zijn
legger terugkeert om het lezen te hervatten.
Een continueringsfout kan een verspringing veroorzaken, waardoor een tekstdeel
verdubbeld wordt of juist verloren gaat. Een vaak voorkomende continueringsfout
in de Middelnederlandse literatuur is het overslaan van een versregel, waardoor
een
weesrijm-1 is ontstaan.
LIT: A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel
ende Elegast I (1975), p. 149-166. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
contractie-1
Het samentrekken, ten gevolge van
elisie, van de slotklinker van een woord met
de beginklinker van het direct daarop volgende woord omwille van het
metrum, bijv.
Okeanos, de wondre~Okeanos,
Hij, de~eerst-geborene van donkere~Aard
(
W. Kloos.
Verzen, 1894, p. 143).
Zou men in deze regels geen contractie toepassen, dan zou het
metrum, (hier de vijfvoetige jambe) niet worden gerealiseerd. Het
tegenovergestelde van contractie is
hiaat.
LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Marouzeau; Preminger; Shipley.
[G.J. Vis]
| |
contractie-2
Term uit de paleografie voor een manier van afkorten (abbreviatuur), waarbij alleen de belangrijkste letters van een
woord geschreven worden met daarboven een streep ten teken dat men met een
contractie te doen heeft, bijv. Ihrslm = Iherusalem. De contractie deed zijn
intrede in de West-Europese schriftgeschiedenis dankzij de joodse christenen,
die deze manier van afkorten gebruikten voor zgn. ‘heilige namen’
als het tetragram om de Godsnaam weer te geven, en in navolging hiervan ook:
DS, IHC, XPC schreven voor: Deus, Ihesus, Christus.
Veel gebruikelijker dan de contractie is afkorting d.m.v.
suspensie.
LIT: A. Cappelli. Dizionario di abbreviature latine ed
italiane (1973); B. Bischoff. Paläographie des römischen
Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p.
192-213; J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland (19802),
p. 61-67; J. Stiennon. Paléographie du Moyen Age (1973), p. 126;
P.J. Horsman, Th.J. Poelstra en J.P. Sigmond. Schriftspiegel. Nederlandse
paleografische teksten van de 13e tot de 18e eeuw (1984); B. Engelhart en
J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), m.n. p. 102-129. [W.
Kuiper]
| | | |
contradictio in terminis of contradictie
Verbinding van met elkaar strijdige terminologie binnen
één zinsverband, bijv.: ‘Hij is ziende blind’ of
‘een levend geraamte’. Wanneer men contradictie gebruikt als
retorisch middel spreekt men ook wel van
oxymoron. Zo schrijft
Louis Paul Boon in een van zijn
brieven:
Iemand is dan ook gaan vragen om wat stiller lawaai te
maken.
(
L.P. Boon. Brieven aan
literaire vrienden, ed.
Muyres, 1989, p. 136).
Wanneer de contradictio bestaat uit een zelfstandig naamwoord met
een tegengesteld bijvoeglijk naamwoord dan noemt men een dergelijke combinatie
ook wel een contradictio in adiectio: bijv. ‘een oorverdovende
stilte’.
LIT: Fowler; Gorp; HWR. [G.J. van Bork]
| |
contrafact of contrafactuur
Benaming voor een
lied waarvan de tekst op een reeds
bestaande, vaak bekende melodie werd geschreven (‘op de wijs van
...’), een gedurende de Middeleeuwen en de renaissance gebruikelijke
praktijk. Het feit dat een tekst contrafactisch is geschreven, heeft altijd
gevolgen voor de vormgeving ervan. Dit kan betrekking hebben op de regellengte
(syllabengetal), de versmaat, het aantal regels per strofe indien er meer dan
één couplet wordt geschreven, het rijm e.d.
Vaak gebeurde het dat van een wereldlijk lied een geestelijke
tegenhanger werd gemaakt. Zo werd bijv. het lied ‘Het viel eens hemels
douwe’ (Het Antwerps liedboek, ed.
Vellekoop [e.a.], dl. 1, nr. 35, dl. 2,
nr. 33):
Het viel eens hemels douwe
Voor mijns liefs vensterkijn.
Ick en weet geen schoonder vrouwe,
contrafactisch herschreven in:
Het viel eens hemels douwe
dat o.a. bewaard bleef in het meer contrafacturen bevattende
Dit is een suuerlijc boecxken in welcke staen scone leysen ende veel
scone gheestelike liedekens (1508, ed.
Mak, 1957).
Van zes strofische gedichten van
Hadewijch is bewezen dat het
contrafacten zijn. Hiermee is aangetoond dat de Strofische gedichten
bedoeld waren om te worden gezongen, een gedachte waartegen sommige filologen
zich in het verleden fel hebben verzet.
Bekende voorbeelden uit de wereld van het
kerklied zijn de
psalmen uit het Liedboek voor de
kerken (1973); de berijmingen zijn contrafactisch uitgevoerd omdat
ze geschreven zijn op 16e-eeuwse melodieën.
Ook binnen het wereldlijke lied had het contrafact soms een bewust
tegengestelde teneur ten opzichte van het origineel. Het
‘Wilhelmus’ bijv. is geschreven op de wijs van een
‘katholiek’ lied uit 1568. Later schreef
H. Oosterhuis een nieuwe tekst op de
melodie van ‘Het Wilhelmus’ onder de titel ‘Een nieuw
volkslied tegen de derde wereldoorlog’.
Als er tegenwoordig op een bestaande melodie een nieuwe tekst
geschreven wordt, is dat vaak een
parodie.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; J.A.N. Knuttel. Het
geestelijke lied in de Nederlanden voor de kerkhervorming (1906); G.A.
Bredero's Boertigh, Amoreus en Aendachtigh Groot Lied-boek, dl. 3: De
melodieën van Bredero's Liederen verz., ingel. en toegel. door F.M. Matter
(1979); L.P. Grijp. Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw - Het mechanisme
van de contrafactuur (1991); L.P. Grijp. ‘De zingende Hadewijch. Op
zoek naar de melodieën van haar Strofische Gedichten’, in: F.
Willaert e.a. (red.). Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de lage
landen (1992), p. 72-92. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
contrafactuur zie
contrafact
| |
contragedicht of contravorm
Vorm van
intertekstualiteit bestaande uit de
omzetting van een bestaand gedicht in zijn tegendeel. Evenals bij de
parodie wordt de uitgangstekst op de voet
gevolgd, maar - in tegenstelling tot de parodie - wordt de
‘bewerkte’ tekst niet belachelijk gemaakt, en bovendien wordt deze
volledig herschreven, en wel in zijn omkering.
Een van de beoefenaren van dit genre,
Jan G. Elburg, zegt erover:
Voortgekomen uit het soort nieuwsgierigheid dat sommige mensen
niet doet rusten eer zij een bepaalde grammofoonplaat ook achterstevoren hebben
gedraaid uit de neiging, als in de moderne beeldhouwkunst, om soms hol en bol,
negatieve en positieve volumen te verwisselen. (Gedichten
1950-1975, 1975, p. 435).
Zo begint een van zijn contravormen, getiteld ‘Onderdaan van
de droogte’ en omkering van ‘De regenkoning’ uit De
Oostakkerse gedichten (1955) van
Hugo Claus, met de regel
De onderdaan van de droogte verzweeg (en blasfemisch haar
ogen)
als tegendeel van Claus' regel
De regenkoning sprak (en gelovig waren mijn oren)
(J.G. Elburg. Idem, p. 436-437).
LIT: Buddingh'. [G.J. Vis]
| |
contrapositum zie
antithese
| |
contrapunt
Term uit de prosodie ter aanduiding van een ritmisch (ritme) verschijnsel dat verwant is aan
polymetrie. Basisgegeven is het feit dat er
een duidelijk metrisch (metrum) patroon in de tekst
aanwezig is waarvan op een gegeven moment wordt afgeweken (antimetrie). Dit gebeurt op een zodanige manier dat de lezer
twee metrische principes tegelijk ervaart. Dit kan bijv. plaatsvinden wanneer
een regel ritmisch geheel of gedeeltelijk polyinterpretabel is.
Men kan bijv. een metrisch gedicht hebben waarvan de eerste
versregel overwegend jambisch is, zodat men met dit patroon in het achterhoofd
naar vers twee gaat, terwijl het tweede vers niet overwegend jambisch is, maar
(gedeeltelijk) dactylisch. Dit is het geval bij de beginverzen van het gedicht
‘Tempo di menuetto’ van
Nijhoff:
De volle weelde van een melodie
Breekt uit het hart van de piano open
(M. Nijhoff. VG, 19744, p. 23).
Vs. 1 is overwegend jambisch:
Dê vól//lê wéél//dê
vân//êên mé//lôdié.
Zet daaronder: brêékt ûít hêt
hárt vân dê pî á nô ó
pên.
Doordat ‘uit’ zowel beklemtoond als onbeklemtoond kan
worden gelezen, is deze regel te concretiseren als ‘brêekt
uít hêt hárt’ enz., maar ook als ‘bréekt
uît hêt hárt’ enz. De lezer krijgt hierdoor het gevoel
in twee metrische patronen tegelijk te zitten, het aanvankelijke (jambisch) en
het daarop onmiddellijk volgende patroon (dactylisch):
brêekt úit// hêt hárt// vân
dê// pîá//nô ó//pên (vijfjambisch)
bréekt uît hêt// hárt vân
dê// pîá//nô ó//pên (tweedactylisch;
tweejambisch).
Stijgend en dalend metrum gaan hierbij dus tegen elkaar in.
LIT: Bronzwaer; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Scott; Th.
Willemze. Algemene muziekleer (1971), p. 45. [G.J. Vis]
| |
Contrareformatie
Rooms-katholieke reactie op de door Luther in 1517 ingezette
reformatie. Het Concilie van Trente, dat met
tussenpozen van 1545 tot 1563 duurde, nam een groot aantal interne
hervormingsbesluiten als tegenwicht tegen de buitenkerkelijke reformatie en
stimuleerde de verfaaiing van de kerkgebouwen om die weer aantrekkelijk te
maken voor grote groepen gelovigen. Dit leidde tot de overdadige pracht en
praal van de
barok, eerst in de architectuur, later ook
in andere kunstvormen zoals de literatuur. De Contrareformatie heeft ook een
stroom geschriften in gang gezet, gericht tegen de hervormingsgezinden. De
bekendste contrareformatorische dichteres is
Anna Bijns die in haar
rederijkersgedichten fel van leer trok tegen
Luther.
LIT: M.R. O'Connell. The Counter Reformation 1559-1610
(1974); S. Brinkkemper & I. Soepnel. Apollo en Christus (1989); A.
Keersmaekers, ‘“Triumphus Cupidinis” und “Triumphus
Jesu”: die gegenreformatorische Verarbeitung eines Barock-Themas’,
in: Klaus Garber (ed.). Europäische Barock-Rezeption (1991), p.
1057-1069. [P.J. Verkruijsse]
| |
contrast
Term uit de stijlleer voor de opvallende tegenstelling van naast
elkaar geplaatste elementen. Het verschijnsel kan in alle genres optreden. Zo
kan men denken aan de controverse tussen twee personages als de socialist Geert
en de kapitalist Bos uit Heijermans' toneelstuk Op hoop van
zegen (1900), maar contrast is evenzeer aanwijsbaar in de
tegenstelling tussen twee typografisch verschillende, onder elkaar geplaatste
tekstgedeelten op de pagina's van
L.P. Boons Menuet
(1955). Verwant aan het contrast zijn de
contentio en de
antithese.
LIT: Cuddon; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
contravorm zie
contragedicht
| |
convenance
Moderne, door
R. Dragonetti ingevoerde poëticale
term voor de deelname van de auteur aan het poëtische en het waardesysteem
dat in de gemeenschap leeft en waarvan hij de vertolking en dus de bevestiging
brengt.
LIT: F. Willaert. De poëtica van Hadewijch in de
Strofische Gedichten (1984), p. 24. [H. Struik]
| |
conventie
Uitgangspunt, vormgevingsprincipe of opvatting, in de literatuur
van een bepaalde periode algemeen aanvaard door auteurs en lezers of
toeschouwers zodat toespelingen onmiddellijk begrepen worden, maar ook
afwijkingen van de conventie direct als zodanig worden ervaren. In het
bijzonder in het drama zijn conventies erg belangrijk, omdat de auteur de
toeschouwer kan betrekken bij het gebeuren door in te spelen op zijn
verwachtingspatroon, dat voor een belangrijk deel gebaseerd is op deze
conventies. Het is sterk afhankelijk van de poëtica van een bepaalde
periode of men conventies positief of negatief beoordeelt. Sinds de romantiek
is er een tendens om ze negatief te beoordelen, omdat originaliteit en
individualiteit steeds sterker op de voorgrond treden, wat echter op zichzelf
weer tot de conventies van deze periode gerekend kan worden. Het opzettelijk
doorkruisen van verwachtingen kan tot de conventies van een bepaalde literaire
stroming gaan behoren.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bronzwaer; Cuddon; Fowler; Gorp;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; R. Zwaan. ‘Conventie’, in:
W. van Peer en K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 24-33.
[G.J. van Bork]
| |
convoluut
Term uit de
codicologie en
(analytische) bibliografie voor een boek,
waarin handschriften of drukken, die wat hun ontstaan betreft niets met elkaar
te maken hebben, door een bezitter zijn samengebonden. Zo bevat de codex UB
Leiden, Ltk. 191, zes verschillende handschriften:
Ferguut, Floris ende Blancefloer,
Der historien bloeme, Esopet,
Die bediedenisse vander missen in dietsche en
Die dietsche doctrinael. Indien het vanaf het begin af
aan de bedoeling was de verschillende teksten in één handschrift
te bundelen, spreekt men van een
verzamelhandschrift.
LIT: BDI; Brongers; Gorp; Hiller; MEW. [W. Kuiper]
| |
copia rerum
Term uit de retorica voor de voorraad
res, onderwerpen en zaken, die een redenaar
of auteur opgeslagen heeft in zijn onderbewustzijn en die hij door oefening
(exercitatio) en door een beroep te doen op zijn
geheugen (memoria) kan aanspreken bij het voorbereiden
van een rede of geschrift.
LIT: HWR; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
copia verborum
Term uit de retorica voor de voorraad
verba, taalkundige middelen en woorden, die
een redenaar ten dienste staan om de
res te verwoorden, met name als onderdeel
van de
elocutio.
LIT: HWR; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
copla
Term uit de genreleer ter aanduiding van een Spaans
puntdicht, meestal vierregelig, veelal
bedoeld om gezongen te worden, waarin uitdrukking gegeven wordt aan gevoelens
van liefde, haat, verlangen, droefheid en vreugde. Copla's zijn in het
Nederlands vertaald en bewerkt door o.a.
J.W.F. Werumeus Buning en
Hendrik de Vries, vaak in de vorm van
een simpel grappig verhaaltje, bijv.
Daar was eens een groote koning
Die drie mooie dochters had.
Hij ging ermee naar de stad,
Hij kleedde ze daar in 't rood,
Hij stopte ze in een vat,
Hij rolde ze in de sloot -
O, o, wat een rare vertooning.
(
H. de Vries.
Copla's, z.j., p. 89).
LIT: Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Preminger;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
copyright zie
auteursrecht
| |
copy-text
Term uit de analytische bibliografie en editietechniek voor de op
basis van de
druk- en tekstgeschiedenis (tekstgenese) door een
editeur gereconstrueerde (kritische
editie) tekst die het dichtst bij de auteurskopij
geacht wordt te staan. Vooral in de periode van de handpers en vooral ook
wanneer geen
manuscripten (en dus geen kopij) voorhanden
zijn, moet de analytisch-bibliograaf eerst per
druk een
ideal copy vaststellen. Vervolgens dient per
variant de graad van
autorisatie bepaald te worden. Daarbij wordt
onderscheid gemaakt tussen
accidentals en
substantives, omdat uniformering in
interpunctie en spelling dikwijls een zaak was van de zetter, niet van de
auteur. Dat impliceert dat bijv. vaak spelling en interpunctie van een
editio princeps overgenomen worden in de
copy-text, ook (of: juist) als die afwijken van het inconsequente gebruik
daarvan in de wel overgeleverde kopij.
LIT: Gorp; Mathijsen; W.W. Greg. ‘The rationale of
copy-text’, in: Studies in Bibliography 3 (1950-1951), p. 19-36;
F. Bowers. ‘Multiple authority: new problems and concepts of
copy-text’, in: The Library 5th series, 27 (1972), p.
81-115; V.E. Dearing. ‘Concepts of copy-text old and new’, in:
The Library 5th series, 28 (1973), p. 281-293; Ph. Gaskell.
A new introduction to bibliography (19742), p. 338-343; G.Th.
Tanselle. ‘Greg's theory of copy-text and the editing of american
literature’, in: Studies in Bibliography 28 (1975), p. 167-229; M.
Spies. ‘Verantwoording’, in: J. van den Vondel. Twee
zeevaart-gedichten, dl. 2 (1987), p. 1-10. [P.J. Verkruijsse]
| |
corpsmaat
Term uit de analytische bibliografie en typografie voor de
afmeting van een letterstaafje (letter) van kop tot
staart. Voor het bepalen van de corpsmaat wordt in de
analytische bibliografie-1 in navolging van
de
incunabelkunde gebruik gemaakt van de
methode van het meten van twintig regels druks in millimeters. Bij het meten
moet men ervoor zorgen over minstens 21 regels platte tekst te beschikken, bij
voorkeur een aantal malen op verschillende plaatsen in het boek. Men meet dan
loodrecht van een bepaald punt in een regel (bijv. de bovenkant van een
kapitaal) naar een corresponderend punt 21 regels lager. Het meten kan vrij
nauwkeurig gebeuren met de transparante meetlatten, de ‘type gauge’
en de ‘line gauge’, ontworpen door
K. van der Waarden.
Afwijkingen van de aldus opgemeten corpsmaat ten opzichte van de
met 20 vermenigvuldigde
kopmaat kunnen te wijten zijn aan het
krimpen van het papier (in de periode van de handpers werd het papier eerst nat
gemaakt voor het bedrukt werd), het gebruik van interlinie, een wat andere
afstelling van de gietvorm of het werken met een ten opzichte van het
letterbeeld vergroot of verkleind corps.
Samen met de kopmaat,
x-hoogte en
kapitaal-hoogte levert de corpsmaat gegevens
voor de
letterformule ter identificatie van in
drukwerk gebruikte letter. De typograaf drukt de corpsmaat uit in punten (punt-2).
LIT: Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 9-16; H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (19862), p. 145-153; G. Unger. ‘Moderne
incunabelen; typografische maten in incunabelen en recent drukwerk’, in:
T. Croiset van Uchelen en H. van Goinga. Van pen tot laser; 31 opstellen
over boek en schrift aangeboden aan Ernst Braches (...) (1996), p. 302-307.
[P.J. Verkruijsse]
| |
corpus-1
Benaming voor een verzameling teksten die een zekere eenheid
vertonen en gezamenlijk ten opzichte van andere teksten verschillen, bijv.
Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300)
uitgegeven door M. Gysseling (1977-1987).
LIT: Baldick; Best; Brongers; Gorp; Metzler. [W. Kuiper]
| |
corpus-2
Term uit de klassieke retorica voor de hoofdmoot van een
redevoering, het gedeelte zonder
proloog en
epiloog.
LIT: Gorp; Lausberg. [W. Kuiper]
| |
correctie
Verbetering van schrijf-, druk- of zetfout in een tekst. Dat kan
door de auteur zelf gebeuren, bijv. als hij
drukproeven corrigeert, maar ook door een
ander, bijv. een
kopiist, een zetter of een lezer.
Onoordeelkundige correctie leidt tot een zgn. Verschlimmbesserung. Soms
geschiedt de correctie door een apart voor dat doel aangestelde
corrector. Waar het kleinigheden betreft
wordt gebruik gemaakt van
correctietekens. Ook is het niet
ongebruikelijk gecorrigeerde passages in een tekst te renvoieren, d.w.z. in de
marge te markeren. Corrigeren tijdens het drukproces kan plaatsvinden door een
correctie op de pers; daarna kan het door
middel van een
cancel of door plakstrookjes.
LIT: Best; Hiller; Mathijsen; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
correctie op de pers of persvariant
Term uit de analytische bibliografie voor een wijziging in het
zetsel, aangebracht tijdens het drukproces. In de periode van de handpers was
het mogelijk om tijdens het drukken van de
oplage het zetsel
los te kooien en er veranderingen in aan te
brengen, hetzij correcties van
zetfouten, hetzij wijzigingen van andere
aard, bijv. op aandrang van de censuur (vandaar de neutralere term
‘persvariant’), die grote gevolgen kunnen hebben voor de
tekstgeschiedenis. De eerder bedrukte
vellen werden niet vernietigd.
Deze werkwijze maakt het noodzakelijk om via intern
collationeren te controleren of alle
exemplaren van een
druk uit de handpersperiode van hetzelfde
zetsel zijn vervaardigd. Daarbij moet altijd uitgegaan worden van de drukvorm
(binnenvorm en
buitenvorm) als eenheid van correctie. Het
variantenpatroon (de verschillende
staten) kan erg ingewikkeld worden als meer
dan eens in een drukvorm gecorrigeerd is en wanneer zowel in de buitenvorm als
in de binnenvorm is ingegrepen. Tal van voorbeelden van correcties op de pers
zijn te vinden in de variantenoverzichten van de boekbeschrijvingen in de
descriptieve persoonsbibliografie van Mattheus Smallegange
(1624-1710) (1983) door
P.J. Verkruijsse. Waren er na voltooiing
van de gehele oplage nog wijzigingen nodig, dan kon dat in de vorm van
correctie met de pen, via het overplakken van strookjes of door middel van
cancels.
LIT: Brongers; Feather; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 353-354. [P.J. Verkruijsse]
| |
correctietekens
Tekens die gebruikt worden bij het corrigeren van
drukfouten en
zetfouten in
drukproeven of schrijffouten in
handschriften. In handschriften uit de periode van voor de uitvinding van de
boekdrukkunst wordt gecorrigeerd door middel van
expungeren, het plaatsen van puntjes
(deletieteken) onder het foutieve tekstgedeelte, met de letters ‘a’
en ‘b’ om een onjuiste volgorde van versregels te markeren, of met
behulp van verwijstekens en
paragraaftekens.
Kort na de uitvinding van de boekdrukkunst zijn in het
drukkersbedrijf de correctietekens in gebruik gekomen die nu nog steeds worden
gebruikt, zij het in sterk genormaliseerde vorm (Normaalblad N 632). De
Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond geeft de correctietekens uit op een
normaalkaart over Corrigeren (197711).
LIT: BDI; Hiller; MEW; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 113-114; W.P. Gerritsen.
‘Corrections and indications for oral delivery in the Middle Dutch
Lancelot manuscript’, in: Neerlandica manuscripta. Essays presented to
G.I. Lieftinck 3 (1976), p. 39-59; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 224-225. [P.J. Verkruijsse]
| |
correctio, epanorthosis, zelfcorrectie of
zelfverbetering
Stijlfiguur waarbij een uitspraak ter plekke vervangen wordt door
een andere die als beter wordt voorgesteld, veelal in de vorm van een
tegenstelling (antithese). Het effect is meestal een
climax-1. Een veel voorkomende vorm is
‘x, nee y’, waarbij de aandacht wordt gevestigd op y dan wel op x
en y tezamen. Zo verbetert
Gezelle zichzelf in:
o neen, niet vóór uwe oogen,
(G. Gezelle. VW, dl. 11, 1936, p. 144).
Multatuli volgt hetzelfde
procédé in een van de laatste zinnen van Max
Havelaar (1860) als hij Willem III, aan wie hij het boek opdraagt,
toespreekt met ‘Prins ... meer dan Prins’. En
Boon schrijft:
En begint de ene kleine en bedrogene man ... och wat zeg ik ...
begint de ene willems willems met de schone tsinksendaghe (L.P. Boon. De Kapellekensbaan, 1964,
p. 40).
De correctie heeft hier mede een explicatieve functie.
Men kan de volgende typen onderscheiden: a) niet x, maar y; b) y,
niet x; c) x, of liever y; d) x, x? veeleer y.
De correctio gaat vaak gepaard met
parallellisme en
repetitio. Er is verwantschap met de
epanopthosis en de
enumeratio. Soms is er
ironie in het spel.
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick; Metzler;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
corrector
Degene die tot taak heeft een tekst te corrigeren. Dat kan de
auteur zelf zijn, het kan ook iemand anders zijn, bijv. gedurende de
Middeleeuwen de
kopiist van de tekst of de leider van het
scriptorium. Beroemde correctoren uit de
handschriftenperiode zijn de corrector van het Ferguut-handschrift die
de inmiddels ca. 100 jaar oude tekst van een facelift voorzag en zich in een
colofon verantwoordde:
Here, hier hebdi van Ferragute
Van beghinne ten inde al ute,
Ghecorrigeert van miere hant,
Over al soe waer ict vant,
In rijm, in vers, in ward messcreven.
(Ferguut, ed.
Rombauts e.a., 19822, vs.
5597-5601).
Fameus is ook de zgn. corrector van de Lancelot-compilatie,
die men in het verleden - zeer waarschijnlijk ten onrechte - met de auteur
Lodewijk van Velthem identificeerde, die
naast het verbeteren van fouten het handschrift geschikter maakte voor de
voordracht, voor welke functie de
codex oorspronkelijk niet lijkt te zijn
aangelegd.
Met de uitvinding van de boekdrukkunst deden de eerste
beroepscorrectoren hun intrede. Zij verfijnden de
correctietekens die in de
handschriftenperiode gebruikt werden tot een compleet systeem dat in zijn
essentie nog altijd gebruikt wordt.
LIT: Brongers; Hiller; LdMA; W.P. Gerritsen. ‘Corrections
and indications for oral delivery in the Middle Dutch Lancelot
manuscript’, in: Neerlandica manuscripta. Essays presented to G.I.
Lieftinck 3 (1976), p. 39-59; B. Besamusca. ‘De verzen van de
corrector in handschrift 's-Gravenhage, KB, 129 A 10 (de
Lancelot-compilatie)’, in: SpL 26 (1984), p. 83-88; A.A.M.
Besamusca. Het Boec van Lancelote. De Middelnederlandse vertaling in verzen
van de Lancelot en prose en het aandeel van Lodewijk van Velthem in de
totstandkoming van de Lancelotcompilatie (1988); W. Kuiper. Die riddere
metten witten scilde. Oorsprong, overlevering en auteurschap van de
Middelnederlandse Ferguut, gevolgd door een diplomatische editie en een
diplomatisch glossarium (1989), p. 71-215. [W. Kuiper]
| |
correspondentie of briefwisseling
Briefwisseling tussen twee of meer personen. Betreft het een
briefwisseling tussen fictieve personages en is deze gepubliceerd als verhaal
in brieven dan spreekt men van
briefroman, briefwisselingsroman,
epistolaire roman of roman in brieven.
Een werkelijk gevoerde correspondentie kan een bijzonder
belangrijke bron zijn voor de
biografie van een auteur, de reconstructie
van tekstelementen van diens werk of van de bedoelingen van de auteur met zijn
werk (auteursintentie). Vergelijk bijv. de uitgave van
J.C. Bloems Brieven aan P.N.
van Eyck (ed.
Dorleijn e.a., 1980). Een briefwisseling
die tegelijkertijd een tijdsbeeld geeft van de literaire wereld van 1930-1940
is die tussen
E. du Perron en
M. ter Braak (ed.
Van Galen Last, 4 dln., 1962-1967).
In de renaissance was de
brief een belangrijke kunstvorm. In
Nederland zijn de brieven van
P.C. Hooft, in het bijzonder die aan
Maria Tesselschade, een specimen van
hoogontwikkelde briefkunst (ed.
Van Tricht, 3 dln., 1976-1979). Maar ook
nu nog wordt de brief als kunstvorm geschreven. In Op weg naar het
einde (1963) en Nader tot U (1966) maakte
G.K. van het Reve opnieuw gebruik van deze
vorm.
Samen met het
dagboek, de
autobiografie en andere persoonsgebonden
geschriften behoort de brief tot de
egodocumenten.
LIT: BDI; Best; Wilpert. [G.J. van Bork]
| | | |
corruptie
Term uit de tekstkritiek (filologie) voor
een doorgaans onbewuste en ongewilde verandering ten opzichte van de
oorspronkelijke tekst door een kopiist of zetter. De reden kan onbegrip zijn of
een verlezing, maar meestal gaat het om simpele kopiistenfouten (transmissiefout), veroorzaakt door coördinatieproblemen
tussen het ‘snelle’ geheugen en de ‘trage’ hand.
Voorbeelden van corrupties zijn overgeslagen versregels (weesrijm), overgeslagen letters (haplografie), herhaling (dittografie)
en verminkte woorden als gevolg van psychische contaminatie. Is de verandering
bewust en gewild dan spreekt men van
correctie of een redactionele ingreep.
Corrupties kunnen, indien opgemerkt door een volgende kopiist,
zetter of corrector, aanleiding geven tot een zgn. Verschlimmbesserung, een
verbetering die niet tot doel heeft de oorspronkelijke tekst te reconstrueren,
maar slechts de fout te maskeren.
LIT: Best; MEW; M.J.M. de Haan. Enige aspecten van tekstkritiek
van Middelnederlandse teksten (1973); A.M. Duinhoven. Bijdragen tot
reconstructie van de Karel ende Elegast, 2 dln. (1975-1981); M.
Hogenhout-Mulder. Proeven van tekstkritiek (1984). [W. Kuiper]
| |
costeriana zie
prototypografie
| | | |
couleur locale
Een schildering van omgeving, dialect, zeden, gewoonten, kleding
enz. die gezamenlijk karakteristiek zijn voor een bepaalde regio of een
historische periode. Het gaat er daarbij niet om een zo realistisch mogelijke
beschrijving te geven, zoals bijv. in de
streekliteratuur, maar veeleer om het
oproepen van sfeer en achtergrond voor het verhaal. Vooral schrijvers van
historische romans stelden zich ten doel om
via couleur locale het verleden op te roepen voor de lezer. De derde alinea van
het eerste hoofdstuk van De roos van Dekama (1836) van
J. van Lennep vormt een goed voorbeeld van
wat men onder couleur locale verstaat.
LIT: Abrams; Baldick; Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; J. Kamerbeek. Tenants et aboutissants de la notion
‘couleur locale’ (1962). [G.J. van Bork]
| |
coup de théatre
Onverwachte gebeurtenis in het drama, bij overdracht ook wel in
een verhaal, die als keerpunt in de ontwikkelingen kan worden opgevat en zo de
handeling een bepaalde wending geeft of haar aanzienlijk versnelt. In het
klassieke drama vervulde de
deus ex machina deze functie dikwijls.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Scott; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
couplet
Term uit het grensgebied van literatuur en muziek ter aanduiding
van een
strofe in een
lied. Sommigen hanteren de term als synoniem
van strofe.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; Hobsbaum; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
creatieve analyse
Term van
W.Gs Hellinga en
H. van der Merwe Scholtz die, in het
kielzog van de
autonomiebewegingen, in 1955 hun
gezaghebbende studie publiceerden getiteld Kreatiewe analise van
taalgebruik, met als ondertitel ‘Prinsipes van stilistiek op
linguistiese grondslag.’ In hun uitleg van de methode zeggen ze dat ze
willen nagaan wat een tekstgedeelte in een bepaalde taalgebruikseenheid in een
concrete tekst feitelijk doet (dit tegenover het onderzoek naar
taalgebruiksmogelijkheden in het algemeen):
ons sitaat is [...] steeds 'n moment van die
taalgebruikseenheid, 'n onvervreemdbare onderdeel wat wesenlik afhanklik is van
die eenheid waarin hy voorkom.
Op grond hiervan is deze methode terecht ‘kreatieve
analyse’ te noemen.
Om die geheel sinteties uit sy onderdele te probeer
saamstel, deug nie. Die omgekeerde weg moet bewandel word: die onderdele moet
binnen die geantisipeerde geheel ‘geartikuleer’ word. Die kreatiewe
‘antisipasie’ en die analitiese ‘artikulasie’ van die
sitaat binne die geantisipeerde geheel, is 'n bedryf wat die suiwerste
aangedui kan word as kreatiewe analise (a.w., p. 47-48).
De auteurs baseren zich op
F. de Saussures Cours de
linguistique générale (1916), een werk dat ook de
grondslag vormt van het
structuralisme.
LIT: F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 44. [G.J.
Vis]
| | | |
crisis
In de crisis wordt het probleem of
conflict van het drama tot een zodanig
hoogtepunt gevoerd dat er wel een handeling op moet volgen die tot de
afwikkeling van het drama aanleiding geeft. In de klassieke tragedie komt men
via
expositie en
intrige-2 tot de
climax-2, waarvan de crisis deel uitmaakt en
die het keerpunt vormt naar de
peripetie en de
catastrofe. Voorbeelden van crises kan men
vinden in
Vondels Gysbreght van
Aemstel (1637) op het moment waarop de vijand de stad blijkt te
hebben ingenomen, en in Op hoop van zegen (1900) van
Herman Heijermans in het 15e toneel,
wanneer Barend door zijn moeder naar zee gestuurd wordt op een schip dat niet
zeewaardig is.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; Prince; Scott; B.
Verhagen. Dramaturgie (19632). [G.J. van Bork]
| |
cryptografie zie
geheimschrift
| | | |
cultboek
Boek dat vereerd en bewonderd wordt en een bijzondere uitwerking
heeft op hetzij een kleine groep ingewijden, hetzij een groot publiek gedurende
een gehele generatie. Naast bewonderaars kent het cultboek vrijwel altijd ook
felle bestrijders. Tot de boeken die geadoreerd én verketterd zijn, kan
men rekenen:
D.H. Lawrence. Lady
Chatterley's lover (1928),
Henry Miller. The Tropic of
Cancer (1934),
Vladimir Nabokov.
Lolita (1955),
Jack Kerouac. On the
road (1957), en in Nederland:
Theo Thijssen. Kees de
jongen (1923), vrijwel het gehele oeuvre van
Nescio,
Gerard Reve. De
avonden (1948),
Jan Cremer. Ik, Jan
Cremer (1964) en
Harry Mulisch. De
aanslag (1982). Een selectie cultboeken werd bijeengebracht in:
J. Goedegebuure. Een uitgelezen
hartstocht; de geschiedenis van 50 cultboeken in de 20ste eeuw
(1990).
LIT: [W. Kuiper]
| |
culteranismo zie
gongorisme
| | | |
cultuurlied of kunstlied
Lied dat, in tegenstelling tot het
volkslied-1, meestal van bekende herkomst is
en primair bestaat bij de gratie van de eraan toegekende artistieke waarde. Men
kan dit bijv. zien aan het hoofse lied uit de Middeleeuwen en aan de liederen
uit de renaissance, veelal ontstaan in ontwikkelde kringen. Soms paste de
dichter zijn tekst aan bij reeds bestaande muziek; voorbeelden van deze
contrafactische werkwijze vindt men bij
Bredero en
Hooft. Het omgekeerde had niet minder
vaak plaats, zoals blijkt uit sommige teksten van Goethe die getoonzet zijn
door
Schubert, of uit een groot aantal
liedjes van de Nederlander
Jan Pieter Heije (1809-1876), van muziek
voorzien door
J.J. Viotta (1814-1859). Sommige liedjes
van Heije werden zo populair dat ze de status van volkslied kregen.
De relatie tussen cultuurlied en volkslied is vergelijkbaar met
die tussen
cultuursprookje en volkssprookje (sprookje).
LIT: Krywalski; Wilpert; K.Ph. Bernet Kempers.
Muziekgeschiedenis (19656), p. 220-267; A.J.M. Asselbergs.
Dr. Jan Pieter Heije of de Kunst en het leven (1966); P. Dronke. The
medieval lyric (19782); G.A. Bredero. Boertigh, amoreus, en
aendachtigh groot lied-boeck, ed. F.H. Matter (1979), p. 9-44. [G.J.
Vis]
| |
cultuursprookje of kunstsprookje
Benaming voor het
sprookje dat niet uit mondelinge
overlevering stamt, maar speciaal - vooral sinds de romantiek - uit bewondering
voor en in navolging van het ‘naïeve’ volkssprookje is
geschreven. Men spreekt in dit verband ook wel over ‘nieuwe
sprookjes’, in tegenstelling tot oorspronkelijke of volkssprookjes.
Bekende auteurs van cultuursprookjes zijn
Hans Chr. Andersen,
Wilhelm Hauff,
E.Th.A. Hoffmann,
Brentano,
Novalis,
Ludwig Tieck,
Oscar Wilde,
Th. Storm e.a. In het Nederlandse
taalgebied schreven o.m.
Louis Couperus
(Fidessa, 1899),
Godfried Bomans
(Sprookjes, 1946) en
Louis Paul Boon (Grimmige
sprookjes, 1957) kunstsprookjes.
LIT: Lodewick; Metzler; MEW; W. Spanner. Das Märchen als
Gattung (1939). [G.J. van Bork]
| |
cumulatieve bibliografie
Lopende bibliografie die na publicatie van
een aantal afleveringen de daarin opgenomen informatie - vaak met aanvullingen
- weer binnen één systeem (alfabetisch, chronologisch of
systematisch) brengt, bijv. de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en
Literatuurwetenschap (BNTL), verschijnend vanaf 1970, eerst in
kwartaalafleveringen die per halfjaar én per jaar werden gecumuleerd, en
vervolgens in jaarafleveringen die per vijf jaar gecumuleerd worden.
LIT: BDI; Hiller. [P.J. Verkruijsse]
| |
currens of littera currens
Term uit de
paleografie voor snel en ongedisciplineerd
gebruiksschrift zonder enige kalligrafische
pretentie. De currens bezet het laagste niveau in een door
Lieftinck geïntroduceerde indeling
naar niveau van het schrift: van snel geschreven naar zorgvuldig
gekalligrafeerde letters (currens,
libraria en
formata). Bij deze indeling naar niveau is
het tamelijk moeilijk om van objectieve criteria uit te gaan: de beschrijver
moet afgaan op zijn ervaring en eigen (subjectieve) oordeel. Het begrip wordt
vaak gebruikt als toevoeging bij de objectieve, op vormelijke eigenschappen
gebaseerde schriftbenaming, bijv.:
littera hybrida currens. De littera currens
behoort, zoals de naam al zegt, evenals de
littera cursiva tot het lopend schrift.
LIT: G.I. Lieftinck. Manuscrits datés, conservés
dans les Pays Bas (1964), dl. 1, p. VII-XXX; J.P. Gumbert. ‘Iets over
laatmiddeleeuwse schrifttypen, over hun onderscheiding en hun
benamingen’, in: Archief- en Bibliotheekwezen in België 46
(1975), p. 273-282. [H. Struik]
| |
currente calamo
Letterlijk: met lopende pen. Term uit de
filologie voor een manier van vertalen die
zich kenmerkt door een ad hoc-karakter. De vertaler kent het werk dat hij
vertaalt niet in zijn geheel, maar vertaalt van episode naar episode, zonder
oog voor de samenhang van het gehele werk. Deze currente calamo-methode is niet
ongebruikelijk in Middelnederlandse vertalingen van Oudfranse romans, bijv. de
Ferguut (ed.
Rombauts e.a., 19822) en de
Lancelot-roman (ed.
Lie, 1987; ed.
Besamusca, 1991).
LIT: F.P. van Oostrom. Lantsloot vander Haghedochte.
Onderzoekingen over een Middelnederlandse bewerking van de Lancelot en
prose (1981), p. 163. Lanceloet. De Middelnederlandse vertaling van de
Lancelot en prose overgeleverd in de Lancelotcompilatie. Pars 2 (vs. 5531 -
10.741) met een inleidende studie over de vertaaltechniek uitgegeven door B.
Besamusca (1991), p. 9, 39; R.M.T. Zemel. Op zoek naar Galiene. Over de
Oudfranse Fergus en de Middelnederlandse Ferguut (1991), p. 274-275. [W.
Kuiper]
| |
cursief
Term uit de paleografie voor ‘lopend schrift’, waarbij
de letters (d.m.v. lussen) aan elkaar geschreven worden en niet los naast
elkaar staan (staand schrift), en uit de typografie voor
de drukletter die hierop geïnspireerd is. Het cursieve schrift was een
gebruiksschrift dat zich door de eeuwen heen
steeds onderscheidde van het
boekschrift en het
oorkondeschrift die een meer
gekalligrafeerde vorm vertoonden.
De Romeinen schreven aanvankelijk alleen een cursieve majuskel
(capitalis cursiva). Van ca. de 3e tot de 7e eeuw worden
een cursief majuskelschrift en een cursief
minuskelschrift naast elkaar gebruikt;
daarna komen alleen nog cursieve minuskelschriften voor.
Rond 800 ontstaat de
Karolingische minuskel, die geen cursieve
vorm kent, maar waaruit zich na ca. 1100 een
gotisch cursief schrift (littera cursiva) ontwikkelt.
Omstreeks 1400 vormt zich naast het humanistische
boekschrift ook een humanistische cursief (humanistisch
schrift), met als variant op de pauselijke kanselarij de
cancelleresca die via 16e-eeuwse
schrijfboekjes invloed gehad heeft op het ontstaan van de cursieve drukletter.
De cursieve drukletter die gebaseerd is op de (gotische) Oudhollandse
drukletter noemt men de
civilité; de cursief van de romein
die gebaseerd is op de humanistische
littera antiqua: de
littera italica.
Het gebruik van de cursief beperkt zich tegenwoordig tot een klein
aantal toepassingen, bijv. het afdrukken van poëzie. Een zeer
gebruikelijke toepassing is het cursiveren van titels in titelbeschrijvingen.
Waar een auteur niet de beschikking heeft over een cursief, wordt door middel
van onderstreping in de kopij aangegeven wat in druk gecursiveerd moet
worden.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Hiller; Scott; Wilpert; E.
Strubbe. Grondbegrippen van de Paléografie der Middeleeuwen
(1964), p. 18 e.v.; B. Bischof. Paläographie des römischen
Altertums und des abendländischen Mittelalters (1979), p. 80-83; H.
van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986). [H. Struik/P.J.
Verkruijsse]
| |
cursiefje
Luchtig of humoristisch prozastukje van beperkte omvang in een
dag- of weekblad, zo genoemd omdat het
cursief gedrukt wordt. Het cursiefje kan de
vorm hebben van een
anekdote. Het behandelt meestal alledaagse
voorvallen. Bekende auteurs van cursiefjes zijn
Simon Carmiggelt (Het Parool) en
Louis Paul Boon (Vooruit). Het
onderscheid met de
column is vaak noch inhoudelijk noch formeel
duidelijk aan te geven.
LIT: Gorp; B. Kemp. ‘Het cursiefje’, in: Jeugd en
Literatuur 13 (1968) 2, p. 68-79; ‘Ten geleide’, in:
Cursief (1969), p. 5-6. [G.J. van Bork]
| | | |
custode, bladwachter, reclame, reclamant of
wachtwoord
Letterlijk: ‘wachtwoord’. Om de juiste volgorde van de
katernen binnen de codex te garanderen, plaatsten middeleeuwse kopiisten het
eerste woord van een nieuw katern in het staartwit van de
verso-zijde van het laatste blad van het
eraan voorafgaande katern. Later werd deze methode ook toegepast om de volgorde
van de bladen binnen het katern te bewaken, soms in combinatie met
katernsignaturen. Uiteindelijk ging men er
zelfs toe over in het staartwit van elke
recto- en
verso-zijde het eerste woord van de volgende
bladzijde te zetten. De eerste boekdrukkers namen deze gewoonte over: custoden
vergemakkelijken het (voor)lezen, omdat er tijdens het omslaan van het blad
doorgelezen kan worden.
De gewoonte custoden te zetten, is blijven voortbestaan tot in het
schijfmachinetijdperk, en wel om aan te geven dat er nog een blad volgt.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Metzler; Scott; W.Gs Hellinga
en P.J.H. Vermeeren. ‘Kroniek van codicologie en filologie VIII’,
in: SpL (1962-1963), p. 210-215; R.B. McKerrow. An introduction to
bibliography for literary students (19672), p. 26, 82-84; Ph.
Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 53,
78; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de achttiende eeuw (1982), p.
170. [W. Kuiper]
| |
cyclisch gedicht
Aanduiding voor een
gedicht met een cyclische bouw, d.w.z. dat
de tekst eindigt zoals hij begonnen is. Zo begint ‘Vers 5’ van
Paul van Ostaijen met de woorden
‘Ik zou willen een jazz op de melodie van/ Frère Jacques’ en
eindigt het met ‘en ik zou willen een jazz op de melodie van/ FRERE
JACQUES’ (VW, Poëzie, dl. 1, 1979, p. 229-230). Soms
betreft de overeenkomst precies één regel, zoals het geval is bij
het gedicht ‘Sonate’ van
Martinus Nijhoff: ‘Hoor de sonate
der clavecimbale’ (VG, 1974, p. 17). Bij uitbreiding wordt de term
ook wel gebruikt voor gedichten waarvan begin en eind, zonder identiek te zijn,
door woordherhaling sterk op elkaar lijken, zoals bijv. in:
O kenner van het Oude Boek,
Gij hebt als kandelaar gediend
voor 't licht van Boek en Kruis.
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 512).
Een middeleeuws voorbeeld van een cyclisch gedicht is het
rondeel.
LIT: Lodewick; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
cyclus
Aanduiding voor een groep werken met een samenhangende inhoud,
vorm, biografische aanleiding e.d., bijv. de ‘cycle du roi’ voor de
chansons de geste die het leven en de
veroveringstochten van
Karel de Grote bezingen (epische cyclus) of de Mathilde-cyclus (1880) van
Jacques Perk.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis/W. Kuiper]
|
|
|