|
|
|
| |
B
| |
bacchius
Term uit de prosodie ter aanduiding van een
versvoet uit de Klassieke Oudheid bestaande
uit een
daling gevolgd door twee
heffingen: ^--. In de theorie en de praktijk
van de Nederlandse letterkunde is deze voet niet expliciet aanwezig. Impliciet
kan men deze figuur vaak tegenkomen in die vormen van metrische poëzie die
veel variaties op hun patronen vertonen. Zo schrijft
Nijhoff in zijn jambisch gedicht
‘Awater’ de volgende regels (alle beginnend met een ritmisch
motiefje dat als bacchius kan worden aangeduid):
Mên wíl níet, als geheel een vorige eeuw
(vs. 5).
Hêt wórdt stíl, het wordt warmer in de zaal
(vs. 33).
Dê klók tíkt, tikt, slaat, tikt tot half-zes
slaat (vs. 47).
(M. Nijhoff. VG, 19744, p. 215 e.v.).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Lausberg; Metzler; Myers/Simms;
Preminger; Shipley. [G.J. Vis]
| |
bakerpreek
Parodie op de 19e-eeuwse preek, zoals door
Multatuli opgenomen in diens
Ideën (VW, dl. 2, 1951, p. 584-594).
Multatuli baseerde deze preek op de tekst van een gezegde van de baker uit
Woutertje Pieterse.
LIT: Laan. [G.J. van Bork]
| |
bakerrijmen
Rijmpjes voor kinderen die werden opgezegd of gezongen door de
baker. Deze versjes werden vaak van generatie op generatie overgeleverd.
J. van Vloten verzamelde in 1873 de
Nederlandsche baker- en kinderrijmen, waarvoor
M.A. Brandts Buys de melodieën
bijeenbracht. Bakerrijmen vormen een aparte categorie van de
kinder- en jeugdliteratuur. Ze zijn
vergelijkbaar met het
wiegelied.
LIT: Baldick; Buddingh'; Gorp; Laan; J. van Coillie. ‘Baker-
en kinderrijmpjes’, in: Lexicon van de jeugdliteratuur (1984), p.
1-4. [G.J. van Bork]
| |
ballad opera
Zangspel ontstaan in Engeland als persiflage op de
Italiaanse
opera ten tijde van
G.F. Händel (1685-1759). In plaats
van antieke helden vertoonde de ballad opera bedelaars en geboefte, en de
aria's werden vervangen door straatdeuntjes (straatlied). Bekend is The Beggar's
opera van
John Gay (1728), een kluchtig spel met
muziek en ingelaste zanggedeelten. Via het Duitse Singspiel heeft de ballad
opera het Nederlandse zangspel in de tweede helft van de 18e eeuw nieuwe
impulsen gegeven, zoals blijkt uit het - als ‘toneelspel’
aangeduide - zangspel Pietje en Agnietje of de doos van
Pandora (1779) van
Onno Zwier van Haren.
LIT: Best; Cuddon; Metzler; Scott; J.A. Worp. Geschiedenis van
het drama en van het tooneel in Nederland, dl. 2 (1907), p. 167; K.Ph.
Bernet Kempers. Muziekgeschiedenis (19656), p. 195-196. [G.J.
Vis]
| |
ballade-1 of volksballade
Verhalend lied met een doorgaans tragische afloop. De meeste
balladen zijn anoniem en werden oorspronkelijk mondeling overgeleverd (orale
literatuur). Vanwege hun aandoenlijke, ongepolijste, ongekunstelde vorm
en inhoud noemt men deze liederen ook wel volksballaden of romantische
balladen, om hen te onderscheiden van de latere literaire ballade (ballade-2) die wordt gekenmerkt door zijn vorm. Volksballaden
met een gelukkige afloop noemt men wel
romance.
Voorbeelden van middeleeuwse balladen zijn: ‘Het Lied van
Heer Halewijn’, ‘Het daghet inden Oosten’ en ‘Het waren
twee koninghs kindren’ (alle in:
G. Komrij (red). De
Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige
bladzijden (1994), p. 466-471, 984-987, 484-487).
De Romantische dichters lieten zich inspireren door middeleeuwse
verhalende liederen met een doorgaans tragische afloop die in de mondelinge
overlevering waren blijven voortleven of waren herontdekt, zoals bijv.
W. Hofdijks
Kennemerland (1850). Eigentijdse balladen, zoals
geschreven door
J.W.F. Werumeus Buning Negen
Balladen (1935) en
K. Stip Ballade van de honderd
vrijers (1951) sluiten aan bij deze traditie.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Buddingh'; Cuddon; Feather; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Wilpert; G. Kalff. Het lied in de
Middeleeuwen (1884), p. 52-250; S.A.P.J.H. Iansen. Verkenningen in
Matthijs Casteleins Const van rhetoriken (1971), p. 140-144, 145-154; J.
Reynaert. ‘Aspecten van de dichtvorm in het Gruuthuse-liedboek’,
in: SpL 29 (1987), p. 165-195; F. Willaert. ‘Het minnelied als
danslied. Over verspreiding en functie van een ballade-achtige dichtvorm in de
middeleeuwen’, in: F.P. van Oostrom en F. Willaert (red.). De studie
van de Middelnederlandse letterkunde. Stand en toekomst (Symposium Antwerpen
22-24 sept) (1989), p. 71-91. [H. Struik/W. Kuiper]
| |
ballade-2, rederijkersballade of romance
Van oorsprong een Frans anoniem danslied (volkslied), vanaf de 13e eeuw door de Noord-Franse
trouvères en dan met name
Guillaume de Machaut (1284-1377) als
cultuurlied beoefend. Normaal gesproken
bestaat een ballade uit drie strofen van niet minder dan 7 en niet meer dan 10
versregels, en een refrein van één regel. De ballade is opgebouwd
volgens het principe van de drieledigheid (tripartition): een strofe bestaat uit een
kop (twee ‘stollen’ (stol) ab), gevolgd door de
staart (een ‘overgang’ bc
en besloten met een ‘refrein’ C (refrein-1): ababbcC. De oudste Middelnederlandse balladen
vindt men in het laat-14e-eeuwse Brugse Gruuthuse-handschrift,
bijv.:
Ne gheen solaes vor vrauwen minne!
Si sijn van herten reine!
Het lach een wijf van frisschen zinne
In anders arem vast ghemeine.
Si helsden vaste omtrent de crop:
‘Ay mi, lieve Jacop! ai mi, lieve Jacop!’
(ed.
Heeroma en
Lindenburg, 1966, p. 286)
In de loop van de 15e eeuw onderging de ballade evenals het
rondeel een vormverzwaring: het aantal
versregels per strofe nam toe, de rijmschema's werden ingewikkelder en er werd
een
envoi, een opdracht aan de
prins, aan toegevoegd, bijv.:
Hoe net een houeken staet ghegroeyt
Met soete cruydekens wel ommestelt
Hoe vriendelijck dat elck bloemken bloeyt
Daer elcken lustighen sin naer helt
Nochtans des wijnters swaer ghewelt
Verdrijft de schoonheydt vanden coluere
Dat hooghe stondt / wordt neder ghevelt
Want naer tzoete commet suere enz.
(De gedichten van Anthonis de Roovere, ed.
Mak, 1955, p. 301-302).
Hierdoor kreeg de ballade het uiterlijk van een refrein in het
klein (refrein-2).
In de renaissance hield de ballade op te bestaan als artistieke
creatie op niveau. Pas tijdens de preromantiek gingen dichters weer balladen
schrijven. Deze balladen vertonen echter geen enkele overeenkomst in vorm en
inhoud met de hierboven beschreven ballade. De dichters uit de romantiek lieten
zich inspireren door middeleeuwse verhalende liederen met een doorgaans
tragische afloop die in de mondelinge overlevering waren blijven voortleven of
waren herontdekt (ballade-1).
Eigentijdse balladen, zoals geschreven door
J.W.F. Werumeus Buning Negen
Balladen (1935) en
K. Stip Ballade van de honderd
vrijers (1951) sluiten eveneens aan bij de traditie van de
volksballade.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; LdMA; Lodewick;
Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.
Kalff. Het lied in de Middeleeuwen (1884), p. 52-250; S.A.P.J.H. Iansen.
Verkenningen in Matthijs Casteleins Const van rhetoriken (1971), p.
140-144, 145-154; J. Reynaert. ‘Aspecten van de dichtvorm in het
Gruuthuse-liedboek’, in: SpL 29 (1987), p. 165-195; F. Willaert.
‘Het minnelied als danslied. Over verspreiding en functie van een
ballade-achtige dichtvorm in de middeleeuwen’, in: F.P. van Oostrom en F.
Willaert (red.). De studie van de Middelnederlandse letterkunde. Stand en
toekomst (Symposium Antwerpen 22-24 sept.) (1989), p. 71-91. [W. Kuiper/H.
Struik]
| |
ballette
Lyrisch genre dat in de tweede helft van de 13e eeuw zeer populair
was in Frankrijk. De ballette is anders dan de
ballade-2 niet opgebouwd volgens het
principe van de drieledigheid (tripartition) met een
kop, een
snede en een
staart, maar bestaat uit
zadjal-strofen: drie op elkaar rijmende
verzen gevolgd door een vers met hetzelfde rijm als het refrein (refrein-1).
Een voorbeeld van een ballette van Nederlandse bodem is van
hertog Jan I van Brabant
(1253-1294):
In een scoen boemgaerdekijn
Daer vant ic drie joncfrouwen staen;
Dene sanc vore, dander sanc na:
Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.
(
G. Komrij (red). De
Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige
bladzijden (1994), p. 72).
LIT: F. Willaert. ‘A propos d'une ballette de Jan Ier, duc
de Brabant (1253-1294)’, in: Études Germaniques 35 (1980),
p. 387-397. [H. Struik]
| |
barbarisme
Term uit de retorica die een vergrijp aangeeft tegen de
puritas, het idiomatisch juiste taalgebruik,
nl. een ontlening aan een andere taal, hetzij syntactisch, morfologisch of
lexicologisch. Het Nederlands, dat tussen drie grote taalgebieden in ligt,
ontleent zowel aan het Duits (germanisme), Engels (anglicisme), als Frans
(gallicisme).
Met name tijdens de fase van de opbouw van het Nederlands in de
tweede helft van de 16e en de eerste helft van de 17e eeuw wordt discussie
gevoerd over barbarismen of bastaardwoorden (de zgn.
‘schuimwoorden’) door puristen als
Coornhert,
Spiegelen
Stevin. Zo opent de
Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst (1584; ed.
Caron, 1962, p. 10) met een dispuut tussen
Roemer en
Gedeon, dat als volgt verloopt:
Bon jours Neef. G. ghoeden dagh Cozyn. R. ey ziet
hoe fyn slaat onze tong discoord. G. elck verduitscht en verduistert
anders wóórd. R. wats dat te zeggen? G. als ick voor bon
jours ghoeden dagh zeg/ is dat niet verduitscht/ en voor Neef Cozyn
is immers verduistert: want Neef een eighe Duits wóórd is/ en
Cozyn een Fransóys basterd. R. en basterd is dat niet mede
een basterd? G. Neen in trouwen. R. hoe zó/ ist niet óóck
Fransóys? Ja/ maar zy hebben t'zelfde vanden Duitschen
gheërft.
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg;
Metzler; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; L. van den Branden. Het
streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16e
eeuw (1956). [P.J. Verkruijsse]
| |
barbarolexis
Menging van talen, bijv. Nederlands en Duits, bij wijze van
stijlfiguur toegepast in middeleeuwse teksten om een bepaalde sfeer te
creëren (in het Gruuthuse-handschrift). Bijv.:
Ich aen ghegheven hertze ende zin
Hoe verre dat ic van haer bin,
Ten vruechden anich crancken spoet,
of ic en zie haer lievelic scijn.
Dan mach mir nicht verghessen zijn.
(
K. Heeroma (ed.). Liederen
en gedichten uit het Gruuthuse-handschrift (1966), p. 237).
Misschien hebben praktische overwegingen ook een rol gespeeld,
bijv. aan het grafelijk hof vanHolland ten tijde van graaf
Albrecht van Beieren, waar een Duits
gekleurde cultuurtaal behalve deftig ook handig moet zijn geweest. Hiertegen
pleit echter dat de Duitse kleuring zich beperkt tot de lyriek (in het
Haags liederenhandschrift) en niet op grote schaal is
toegepast (bijv. in de hofrekeningen).
LIT: LdMA; Lausberg; W.P. Gerritsen & B. Schludermann.
‘Deutsch-niederländische Literaturbeziehungen im Mittelalter.
Sprachmischung als Kommunikationsweise und als poetisches Mittel’, in: L.
Forster & H.G. Roloff (red.). Akten des V. internationalen
Germanisten-Kongresses Cambridge, 1975, dl. 2 (1976), p. 329-339; F.P. van
Oostrom. Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks
1400 (1987), p. 18-19, p. 86-135; W. van Anrooij. Spiegel van
ridderschap. Heraut Gelre en zijn ereredes (1990), p. 201-202; J.H.
Winkelman. ‘Potjesmiddelhoogduits in het Haagse
liederenhandschrift’, in: SpL 32 (1990), p. 167-179; T. Meder.
Sprookspreker in Holland. Leven en werk van Willem van Hildegaersberch (ca.
1400) (1991), p. 13. [H. Struik]
| |
bard
Keltische hofdichter, behorend tot een aparte stand van
geletterden. Bardenpoëzie rekent men tot de lyriek; de epische teksten
werden gemaakt door de zogeheten
fili. De bard is tot op zekere hoogte
vergelijkbaar met de Noord-Germaanse
skald en de Zuid-Germaanse skop.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; A.G. van Hamel.
‘Keltische letterkunde’, in: Algemene
literatuurgeschiedenis, dl. 2 (z.j.), p. 43-69; M. Draak en F. de Jong
(vert.). Van helden, elfen en dichters. De oudste verhalen uit Ierland
(1979). [W. Kuiper]
| |
Bargoens
Het woord ‘Bargoens’ is waarschijnlijk een
verbastering van Bourgondisch en wordt gebruikt als aanduiding van vreemde of
onbegrijpelijke sterke taal of dieventaal. Bargoens is onderdeel van de
volkstaal, maar waar de grens tussen Bargoens en volkstaal ligt, is niet
precies te zeggen. Een deel ervan vindt ongetwijfeld zijn oorsprong als
geheimtaal in de onderwereld. Dat geldt met name voor de aanduidingen van het
geld (‘heitje’, ‘joetje’, ‘geeltje’) of de
dienaren der wet (‘glimmerik’ voor agent in uniform). Andere
Bargoense woorden stammen uit het Jiddisch (‘jatten’ voor handen,
‘majem’ voor water). Ook seksualiteit wordt vaak verwoord in de
geheimtaal van het Bargoens: ‘fietsen’,
‘fleppen’,‘tokkelen’. Soms heeft Bargoens zijn weg
gevonden naar de algemene omgangstaal, zoals bijv. ‘gappen’,
‘dat zit gebeiteld’, ‘piek’. Andere Bargoense woorden
of uitdrukkingen zijn daarentegen juist ontleend aan de algemene omgangstaal om
er geheimtaal van te maken, terwijl ze zo gewoon klinken: ‘werken’
voor stelen, ‘huisbaas’ voor pooier, ‘uitgaan’ voor
tippelen. In de literatuur wordt Bargoens vaak gebruikt om het realistische van
de beschrijving of van het taalgebruik van personages te versterken, zoals in
veel door het naturalisme beïnvloede literatuur, bijv.
H. Heijermans. Kamertjes
zonde (1896). Ook in
misdaadromans wordt veel gebruik gemaakt van
Bargoens vanwege het realiteitseffect.
LIT: J.G.M. Moormann. De geheimtalen (1932); E. Endt.
Een taal van horen zeggen (1969); E. Endt en L. Frerichs. Bargoens
woordenboek (19742). [G.J. van Bork]
| |
barok
De term barok (waarschijnlijk afgeleid van het Portugese woord
‘barroca’: parel van onregelmatige vorm) wordt zowel voor een stijl
als voor een periode gehanteerd. In de eerste betekenis werd hij in pejoratieve
betekenis gebruikt in Frankrijk in de 18e eeuw voor een gekunstelde, weelderig
versierende, opgeblazen stijl, in de literatuur werkend met veel epitheta. Als
kunsthistorisch periodebegrip werd barok eind 19e eeuw geïntroduceerd door
Wölfflin voor de periode die tussen
renaissance en
classicisme in zit, dus ongeveer 1580-1700.
Curtius zou de term barok liever willen
afschaffen en vervangen door
maniërisme omdat hij in die periode
maniëristische tendensen overheersend acht. Volgens anderen (
Sypher bijv.) wordt de barok van de
renaissance gescheiden door juist de diverse maniëristische stromingen als
marinisme,
gongorisme,
préciosité,
euphuism en
Schwulst. Ook wordt barok wel gelijkgesteld
met
rococo.
De complexiteit van het begrip barok wordt nog vergroot omdat het
vaak in verband gebracht wordt met de
Contrareformatie, die in gang gezet is door
de tweede zitting (1551-1552) van het Concilie van Trente
(1545-1563). Zeker voor de beginperiode en voor Zuid-Europa mag
dat juist zijn, maar naarmate de barok zich verbreidde door tijd en ruimte
verdween het rooms-katholieke stempel langzamerhand.
Als kenmerkend voor de barok (resp. voor het maniërisme),
afgezet tegen de renaissance, is te beschouwen meer dynamiek, minder
individualisme, meer ‘duisterheid’, maar uiteraard wordt ook de
kunst van de voorafgaande periode voor een belangrijk deel voortgezet. Dat
blijkt uit een grote productie van religieuze en liefdespoëzie, van
klassieke tragedies, van pastorales en epen. Uit mengvormen van toneel, ballet
en muziek ontstaat de
opera.
In hoeverre in de Nederlandse literatuurgeschiedenis een barokke
periode is te onderscheiden, is de vraag, omdat de renaissance hier vrij laat
doordringt. In Duitsland daarentegen spreekt men wat betreft de
17e-eeuwse literatuur juist wel over barok, maar daar is de renaissance dan ook
wegens de politieke toestand nauwelijks doorgedrongen. Met name
Heinsius en
Vondel hebben invloed gehad op de Duitse
barokauteurs. Zij beiden worden dan ook, samen met
Vos en
Revius soms barokkunstenaars
genoemd.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; HWR;
Knuvelder dl. 2 (1971), p. 15-28; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; E.R. Curtius. Europäische Literatur
und lateinisches Mittelalter (19738), p. 277-305; G. Brom.
Barok en Romantiek (1923); G.A. van Es. Barokke lyriek van
protestantsche dichters in de 17e eeuw (1946); W. Kramer. Vondel als
barokkunstenaar (1946); W. Sypher. Four stages of Renaissance style
(1956); R. Wellek. Concepts of criticism (1963), 69-127; E. van Gelder
e.a. De barok (1965); G.R. Hocke. Manierismus in der Literatur
(1966); G. Ueding. Einführung in die Rhetorik (1976), 78-99; W.J.C.
Buitendijk. ‘Inleiding’, in: Nederlandse strijdzangen
(1525-1648) (19772), 14-21; E.K. Grootes. ‘Barockrezeption
in Holland’, in: K. Garber (red.). Europäische
Barock-Rezeption (1991), p. 1047-1056. [P.J. Verkruijsse]
| |
basistekst
Term uit de editietechniek voor een
diplomatische of
archiefeditie van een - bij voorkeur
geautoriseerde (autorisatie) - ‘voltooide’
versie uit de tekstgeschiedenis (tekstgenese) waarop een
editeur van een
historisch-kritische editie zich baseert
voor een van schrijf- of zetfouten gezuiverde leestekst. In principe maakt het
niet zoveel uit welke versie genomen wordt als er meer dan één
geautoriseerde voltooide versie beschikbaar is; de keuze hangt af van de
intentie van de editeur al naar gelang hij wil aansluiten bij hetzij de
prima manus, hetzij de
ultima manus van de auteur. In het eerste
geval zullen in het tekstkritisch apparaat de latere stadia van de
tekstgenese aangegeven moeten worden; in het
laatste geval de eerdere stadia. Bij teksten waarin de auteur ingrijpende
wijzigingen heeft aangebracht, zullen de verschillen tussen prima en ultima
manus zo groot zijn dat er meer dan één basistekst geconstitueerd
en meer dan één leestekst geëditeerd kan worden.
LIT: Mathijsen; A. Kets-Vree. Woord voor woord. Theorie en
praktijk van de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd
aan Een ontgoocheling van Willem Elsschot (1983), p. 324, 370; G.J.
Dorleijn. J.H. Leopolds Gedichten uit de nalatenschap, uitgeg. en van
editie-technisch en genetisch-interpretatief commentaar voorz., dl. 1
(1984), p. 47-55; M.Th.C. Mathijsen-Verkooijen. De brieven van De
Schoolmeester. Documentair-kritische uitgave, dl. 3 (1987), p. 35-38. [P.J.
Verkruijsse]
| |
bastaardvloek
Opzettelijk veranderde vloek waarvan het uitspreken opluchtend
werkt, maar die als gevolg van de onschuldige formulering zijn magische kracht
verloren heeft, veelvuldig gebruikt in het
rederijkerstoneel en het 17e-eeuwse
kluchtige drama, bijv. ‘gants lyden’ in plaats van ‘Gods
lijden’ zoals in
G.A. Bredero. Spaanschen
Brabander (ed.
Damsteegt en
Stoett. 19783, vs. 58). Een
moderne bastaardvloek is tjeempie, oorspronkelijk ‘Jezus mijn’.
LIT: C. de Baere. Krachtpatsers in de Nederlandse volkstaal:
een verzameling oudere en jongere bastaardvloeken (1940). [W. Kuiper]
| |
bastarda of brevitura
Van oorsprong laatmiddeleeuwse, door
B. Kruitwagen opnieuw
geïntroduceerde, benaming voor de kleinste van de drie schriftsoorten
(fraterschrift) die door de Broederschap van het gemene
leven (Moderne Devotie) gebruikt werd voor het schrijven
van boeken. De bastarda is een variatie op de gotische littera
currens, en werd vooral toegepast bij
marginale notities en commentaren (glos, noot). De beide
andere soorten heten
fractura en
rotunda.
Pogingen om een
nomenclatuur op te stellen die gebaseerd is
op de middeleeuwse benamingen, moesten worden gestaakt: het aantal gebruikte
termen was veel te groot en te verwarrend en strikte definities konden
nauwelijks gegeven worden. Tegenwoordig gebruikt men de door
G.I. Lieftinck ontwikkelde nomenclatuur,
die overigens ontstaan is uit pogingen om op basis van Kruitwagens studie de
nomenclatuur van de Moderne Devotie te reconstrueren.
LIT: Feather; Hiller; B. Kruitwagen. Laat-middeleeuwse
paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942), p.
VI-IX, 23-116. [H. Struik]
| | | |
battologie
Herhaling van een spraakklank bij het stotteren. In de literatuur
is het een aanduiding voor een
repetitio die als onnodig en storend wordt
ervaren (vgl.
dittografie). Wanneer deze functioneel
gebruikt wordt, is het geen stijlfout maar een stijlfiguur, en als zodanig te
vergelijken met verschijnselen als de
apokoinou en de
anakoloet.
Uiteraard is de battologie zeer geschikt om een bepaald soort
taalgebruik (spottend) te typeren (pastiche), zoals
K. van Kooten doet in ‘Een koffer
vol poep’, waar hij spreekt over ‘de stapel leesboeken die het hele
jaar was blijven liggen, voor 's avonds voor lekker te
lezen’ (Koot graaft zich autobio, 1979, p. 27).
LIT: Buddingh'; Dupriez-1; Morier; Shipley. [G.J. Vis]
| | | |
bedrijf of akte-2
Hoofdgeleding van het drama, die zelf kan bestaan uit een of meer
scènes. In de praktijk wordt vaak elk bedrijf geopend of afgesloten met
respectievelijk het opgaan of vallen van het doek. Onder invloed van Horatius
werd het classicistisch drama opgebouwd uit vijf bedrijven met een vaste
volgorde van
expositie,
intrige-2,
climax-2,
catastrofe en
peripetie. In het renaissancedrama werden de
eerste vier bedrijven veelal afgesloten met een
rei-1. Sinds de romantiek werd het drama
flexibeler van vormgeving en werd het opgedeeld in wisselende aantallen
bedrijven, maar zelden meer dan vier. In het moderne drama kunnen de bedrijven
zelfs geheel plaats maken voor een opbouw in scènes.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Lodewick;
Metzler; G.B. Tennyson. An introduction to drama (1967), p. 20-27; G.
van Eemeren. ‘De benamingen voor ‘bedrijf’ en
‘scene’ in het Nederlandse drama tussen 1575-1625’, in:
SpL 15 (1973), p. 161-186. [G.J. van Bork/P.J.Verkruijsse]
| |
beeldgedicht-1 zie
figuurgedicht
| |
beeldgedicht-2
Term voor die poëzie die geïnspireerd is op een werk uit
de beeldende kunst. Het beeldgedicht kent verschillende vormen. Zo is er het
portretgedicht, dat een tekening, schilderij
of gravure vergezelt, en waarin, meestal in de vorm van een epigram (puntdicht), de voorgestelde persoon als voorwerp van
lofprijzing centraal staat. Vondel was hierin zeer productief. Ook het
emblema kan als vorm van het beeldgedicht
gezien worden. Een voorbeeld van een 20e-eeuws beeldgedicht is
H. Claus' ‘Visio Tondali’
uit Een geverfde ruiter (1961).
Tom van Deel verzamelde een aantal
beeldgedichten in Ik heb het Rood van 't Joodse Bruidje
lief (1988).
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; G. Kranz. Das
Bildgedicht, 2 dln (1981); K. Porteman. ‘Geschreven met de
linkerhand? Letteren tegenover schilderkunst in de Gouden Eeuw’, in: M.
Spies (red.). Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening
(1984), p. 93-113, m.n. 103-109; Tom van Deel. ‘Inleiding’, in:
Ik heb het Rood van 't Joodse Bruidje lief (1988). [G.J. Vis]
| |
beeldschrift zie
pictogram
| |
beeldspraak, figuurlijk taalgebruik of
overdrachtelijke taalgebruik
Term uit de stijlleer ter aanduiding van de vervanging van
letterlijk door figuurlijk taalgebruik. Bij dit overdrachtelijk taalgebruik
(troop-1) hanteert men de woorden niet in hun lexicale
betekenis, maar draagt men het woord, en daarmee (een deel van) de betekenis,
over op een andere dan in het woordenboek in eerste instantie daarvoor genoemde
persoon of zaak. Vaak wordt beeldspraak gerekend tot het terrein van de
inhoudelijke
stijlfiguren (gedachtefiguren). Een veel gebruikte indeling berust op het
onderscheid dat men maakt tussen metaforische en metonymische beeldspraak. De
eerstgenoemde, de metaforiek (metafoor), is gebaseerd op
overeenkomst tussen het beeld en het verbeelde. De
metonymie daarentegen berust niet op
overeenkomst, maar op een of andere vorm van contiguïteit (temporeel,
locaal, causaal of anderszins). Veel voorkomende vormen van beeldspraak zijn
vergelijking,
allegorie,
personificatie en
symbool.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Lodewick; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; W.A. Shibles. Metaphor. An
annotated bibliography and history (1972). [G.J. Vis]
| |
beeldverhaal zie
stripverhaal
| |
beginrijm
Term uit de prosodie ter aanduiding van die vorm van
medeklinkerrijm die bestaat uit herhaling
van medeklinkers aan het begin van opeenvolgende of dicht bij elkaar staande
woorden, bijv.
Een schelle schicht schoot
schichtig uit den hoogen
(
J. Perk. ‘Sanctissima
virgo’ in: Gedichten, ed. Stuiveling, 1958, p.
78).
Sommigen hanteren de term beginrijm als synoniem van
alliteratie.
LIT: Best; Cuddon; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Shipley.
[G.J. Vis]
| |
bekentenisliteratuur
Verzamelnaam voor geschriften waarin de auteur gegevens over
zichzelf prijs geeft. Tot de bekentenisliteratuur worden het
dagboek, de
autobiografie, de
memoires en soortgelijke
egodocumenten gerekend. Soms spreekt men ook
bij romans of andere vormen van fictie met een hoog gehalte aan
autobiografische informatie van bekentenisliteratuur. Een beroemd voorbeeld
hiervan is
Stendhals Vie de Henry
Brulard (1836). Een Nederlands voorbeeld vormt
Du Perrons Het land van
herkomst (1935). Beide werken zijn sterk autobiografisch gerichte
romans die tevens kunnen gelden als
sleutelroman.
LIT: Best; Gorp; Metzler. [G.J. van Bork]
| |
beletselteken
Leesteken in de vorm van punten ... of asterisken
***, die de lezer er opmerkzaam op maken dat hier bewust iets
onuitgesproken wordt gelaten, bijv. om redenen van discretie, zoals in
Multatuli's Max
Havelaar (ed.
Van Lennep, 1860), waarin Van Lennep
plaatsnamen als volgt weergeeft: L***.
Het beletselteken kan ook gebruikt worden om aan te geven dat
woorden te kort schieten, zoals in
Rhijnvis Feiths
Julia (1783):
.... De onsterflijkheid, JULIA!.....och gij geeft mij aan
mijn zelven weder
(ed-
Kloek en
Paasman, 1982, p. 98).
Aldus gebruikt is het beletselteken verwant aan het
aandachtsstreepje.
Het beletselteken wordt voorts gebruikt om nadruk op iets te
vestigen door het te verzwijgen (reticentia).
Tegenwoordig is het een aanduiding voor een afgebroken zin en in de voordracht
een markering van een rust.
LIT: Brongers; P.J. van der Horst. Leestekenwijzer. Praktische
handleiding voor het gebruik van leestekens en andere tekens (1980), p. 10,
68-70. [F. Van Thijn/W. Kuiper]
| |
belles lettres
Term sinds het begin van de 18e eeuw in gebruik als synoniem voor
‘schone letteren’ of ‘litterae humaniores’ om
voortbrengselen der letterkunde te onderscheiden van de ‘beaux
arts’ of ‘schone kunsten’, de beeldende kunst. Hiervan
afgeleid ontstond de vorm
bellettrie.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert.
[G.J. van Bork]
| |
bellettrie
Als afgeleide vorm van het Franse
belles lettres ontstond de aanduiding
bellettrie als verzamelnaam voor alles wat met de beoefening der ‘schone
letteren’ te maken heeft, dus zowel letterkundig werk van primaire aard
als fictioneel proza, poëzie of drama, als dat van secundaire aard (essay,
monografie, biografie). De term is in de 19e eeuw in Nederland in
gebruik gekomen en wordt bijv. door
Cd. Busken Huet gebruikt in de titel
Nederlandsche bellettrie (1876). Tegenwoordig duidt men
er vooral de ‘lichtere’ vormen van literatuurbeoefening mee aan. De
wetenschappelijke (secundaire) beoefening van de literatuurstudie valt er niet
meer onder.
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; Shipley.
[G.J. van Bork]
| |
benevolum parare
Term uit de retorica voor het welwillend stemmen van het publiek
in het
exordium, het eerste onderdeel binnen de
dispositio. In dit verband kan de redenaar
een beroep doen op loci (topos) waarin hij een
bescheidenheidsformule opneemt, of zich als een integer man voorstelt met een
aanroeping van God of de Muzen (locus a persona sua). Ook een locus ab
auditorum persona kan de toehoorder gunstig stemmen, nl. door hem te prijzen.
Tenslotte kan de redenaar ook de lofwaardigheid van het eigen standpunt of de
verwerpelijkheid van dat van de opponent aan het publiek voorhouden, maar dat
houdt het gevaar van arrogantie in.
In de ‘Toe-schrijvingh aende eerbare en wel-sprekende
M.P.D.’ van
Bredero's Griane
(ed.
Veenstra, 1973, p. 103) komt het volgende
voorbeeld voor:
Ghy sult my waarde Maria, ofte te veel vertrouwens, ofte te
weynich oordeels toerekenen, vermits ick so vermetel ben geweest, van dat ick
niet alleen U.L. hebbe darren anspreken, maar oock, om dat ick so stout ben,
dat ick u dese myne Rijmeleryen toe-eyghenen darf, mitsgaders dat ick dit
onvolmaackte werck voor de nijdighe, of de al te kiesche hebbe durven brenghen,
die ongetwijffelt haar stinckende tanden daar mede stoken, en my eenige
leelijcke kleicken en klacken toewerpen sullen.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
berecht-1
Inlichting die (met name in de 17e eeuw) door een auteur gegeven
wordt aan de lezer of een bepaalde categorie lezers. Het berecht komt overeen
met de huidige inleiding en/of het voorwoord, waarin werkwijze en doelstelling
toegelicht en verantwoord worden. Als aanhef wordt ook gebruikt ‘tot den
leser’, ‘aen den leser’ of ‘voorrede’.
J. van den Vondel heeft bij enkele
drama's een berecht opgenomen. Bij Lucifer (1654) een
‘Berecht aen alle kunstgenooten, en begunstigers der
tooneelspelen’, bij Salmoneus (1657) een
‘Berecht aen alle kunstgenooten en voorstanders van den Schouburgh’
en bij Jeptha (1659) een ‘Berecht aen de
begunstelingen der toneelkunste’.
LIT: E.K. Grootes. ‘Het Berecht voor Jeptha en de
Prolegomena van Grotius' Phoenissae-vertaling’, in: Visies op Vondel
na 300 jaar (1979), p. 236-246; J. van den Vondel. Poëtologisch
proza (ed. Rens, z.j.). [P.J. Verkruijsse]
| |
berecht-2
Waarschuwing die door een drukker/uitgever aan een boekbinder
gegeven wordt in de vorm van een ‘bericht voor den binder/q}. Deze wordt
er in het berecht op gewezen dat hij ervoor moet zorgen dat alles in de goede
volgorde gebonden wordt. Vooral bij boeken met illustraties die tussen de
katernen of bladen gevoegd moeten worden, komt zo'n aanwijzing van de volgorde
der prenten vaak voor.
Aan het eind van
M. Smallegange's Nieuwe cronyk
van Zeeland (1696) staat: ‘Bericht voor den boek-binder, om
de figueren in dit eerste deel yder op sijn behoorlijke plaets te
stellen’.
LIT: [P.J. Verkruijsse]
| |
bericht
Term op het gebied van het
drama voor een mededeling, veelal in korte
vorm, van feiten of gebeurtenissen. Bekende vormen zijn het
bodeverhaal en de
teichoskopie. In de
verteltheorie wordt de term gebruikt voor
datgene wat, in tegenstelling tot de
scenische presentatie, gekenmerkt wordt door
samenvatting en dus
tijdverdichting.
LIT: Best; Gorp; Metzler; Wilpert; W. Kayser. Das sprachliche
Kunstwerk (19639), p. 183; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in
de literatuurwetenschap (19833), p. 216. [G.J. Vis]
| |
beschrijving-1 of descriptie
Verbale schildering van personen, objecten, landschappen,
interieurs enz. Beschrijvingen kunnen uitvoerig zijn, waarbij men een opsomming
kan geven van vrijwel alle eigenschappen, of bondig door een suggestie te geven
van het te beschrijven object of een aantal van de meest opvallende details.
Beschrijvingen komen zowel voor in poëzie als in proza. In 19e-eeuws proza
kwamen vaak zeer uitvoerige beschrijvingen voor, bijv. in de historische roman,
waar ze doorgaans de functie hebben om
couleur locale te geven. Het proza van de
Tachtigers kende een type beschrijvingen dat sterk beïnvloed was door het
impressionisme. Sommige van hun korte
prozawerken bestonden vrijwel uitsluitend uit beschrijving, waarbij vooral
kleur- en lichtindrukken een belangrijke rol speelden. Deze
‘proza-schetsen’ behoren tot de door Forum zo gesmade
beschrijvingskunst van de Tachtigers. Een bekend voorbeeld daarvan is
Arij Prins' Uit het
leven (1885). In het moderne proza worden onder invloed van
veranderde literatuuropvattingen uitvoerige beschrijvingen zoveel mogelijk
vermeden, bijv. omdat ze de vaart uit het verhaal halen.
LIT: Best; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Prince; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
beschrijving-2
Term uit de methodologie, waarmee men één van de
doelstellingen van de empirische wetenschap aanduidt, nl. het streven naar een
antwoord op de vraag wat de eigenschappen zijn van een verschijnsel x, waarbij
x staat voor elk willekeurig empirisch verschijnsel dat men wil onderzoeken.
Binnen de literatuurwetenschap zou die beschrijving het antwoord moeten geven
op de vraag wat de eigenschappen zijn van bijv. het gedicht of de roman.
LIT: P.G.E. Wesley. Inleiding tot de methodenleer der
empirische wetenschappen (syll. CI, UvA, 1974); J.J. Oversteegen.
Beperkingen (1982), p. 28-31. [G.J. van Bork]
| |
bestiarium
Middeleeuws boek over (wilde) beesten en fabeldieren, waarin niet
zo zeer een descriptieve zoölogische beschrijving gegeven wordt als wel
een normatieve, theologisch-allegorische (allegorese,
allegorie) en moraalfilosofische verklaring
van hun naam (nomen est omen), aard en gedrag. De bestiaria gaan terug op de
Physiologus, een pseudo-wetenschappelijke Griekse tekst,
omstreeks 200 n.Chr. te Alexandrië geschreven en in de 5e
eeuw in het Latijn vertaald. De bestiaria bereikten hun hoogtepunt tussen de
12e en de 14e eeuw en werden ook in de volkstaal vertaald, in het
Middelnederlands uit het Frans door
Willem Utenhove, priester te
Aardenburg, welk bestiarium verloren gegaan is, en bewerkt:
Bestiare d'amours, van welk werk een
Oost-Middelnederlandse vertaling bewaard is gebleven (ed.
Holmberg, 1925).
Jacob van Maerlants Der naturen
bloeme (ca. 1272), een encyclopedisch werk over dieren, planten,
vissen, vogels, edelstenen enz. vertoont trekken van een bestiarium, maar is
dat strikt genomen niet.
Van Maerlant geeft een wetenschappelijke
beschrijving van dieren; in het bestiarium daarentegen is het dier een middel
en geen doel. De inhoud van de middeleeuwse bestiaria moet een ruime
verspreiding gekend hebben gelet op de absorptie ervan in de literatuur in de
volkstaal, bijv. Van den vos Reynaerde (ed.
Lulofs, 19852) en
Sibilla (ed.
Besamusca e.a., 1988).
LIT: Baldick; Best; Brongers; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hiller;
Laan; LdMA; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Wilpert; T.H. White.
The book of beasts (1954); Jacob van Maerlant. Het boek der
natuur. Samenst. en vert. P. Burger (1989); W.P. Gerritsen. ‘Waar is
‘Die beestearis’?’, in: W.P. Gerritsen, A. van Gijsen en
O.S.H. Lie (red.). Een school spierinkjes. Kleine opstellen over
Middelnederlandse artes-literatuur (1991), p. 68-71. [W. Kuiper]
| |
bestseller
Boek dat door hoge verkoopcijfers een grote oplage bereikt.
Meestal duidt men ermee aan dat boeken in korte tijd na verschijnen een grote
omzet hebben gehaald, zoals bijv. bij Ik Jan Cremer
(1964) en
Jan Wolkers' De kus
(1978) het geval was. In navolging van de grammofoonplatenhandel, die
‘hitlijsten’ of ‘toptienlijsten’ publiceert, bestaan er
sinds enkele jaren ook voor boeken bestsellerlijsten, die vaak weer
verkoopbevorderend werken. In Nederland wordt doorgaans van een
bestseller gesproken bij een aantal van 10.000 verkochte exemplaren of meer.
Sommige uitgaven bereiken dergelijke aantallen pas na vele jaren (longseller), zoals bij
N. Beets' Camera
obscura (1839) of bij
Multatuli's Max
Havelaar (1860) het geval is, maar ook in die gevallen kan men van
bestsellers spreken.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; MEW;
Scott; J. Sutherland. Bestsellers (1981). [G.J. van Bork]
| | | |
beurtzang of antifoon
Term ter aanduiding van een
kerklied dat afwisselend wordt gezongen door
twee koren, of door een voorzanger, respectievelijk voorganger enerzijds en een
koor, respectievelijk de gemeente anderzijds. De term ‘antifoon’
had oorspronkelijk betrekking op een Latijnse zangvorm uit de rooms-katholieke
liturgie en is als synoniem voor de huidige beurtzang vrijwel in onbruik
geraakt. Een veel voorkomende vorm van beurtzang is die van een lied met een
telkens herhaald refrein, zoals de beurtzang ‘Genade en trouw’ uit
psalm 85 van
H. Oosterhuis (Liturgische
gezangen voor de viering van de eucharistie, 1972, p. 234).
De term ‘beurtzang’ komt tot in de 19e eeuw ook voor
ter aanduiding van een, niet specifiek religieuze, wisselzang in het
algemeen.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
Beweging van Tachtig zie
Tachtigers
| |
Beweging van Vijftig zie
Vijftigers
| |
bewerking
Aanpassing van een literair werk door het geheel of gedeeltelijk
te herschrijven. Soms bewerkt men een literair werk om het geschikt te maken
voor een ander medium of publiek, bijv. een roman die bewerkt wordt voor toneel
of film. Men spreekt in dat geval van
adaptatie. Soms wordt een literaire tekst
aangepast omdat de oorspronkelijke versie de auteur niet (meer) bevalt: bijv.
L.P. Boons bewerking van Het
nieuwe onkruid (1964) tot Als het onkruid
bloeit (1972). Ouder werk kan bewerkt worden voor een modern
publiek, zoals
Jan Frans Willems deed met zijn
Reinaert-berijming (1839).
Bij middeleeuwse teksten noemt men een tekst een bewerking of
versie als hij ten opzichte van de
voorbeeldtekst matig afwijkt. Als er niet of nauwelijks gewijzigd is, spreekt
men van een
redactie-2, indien de afwijkingen ingrijpend
zijn van een
omwerking of remaniement. De
Middelnederlandse literatuur kent tal van bewerkingen van Oudfranse teksten,
bijv. de Ferguut en Die Wrake van
Ragisel. In de overgeleverde vertalingen van de Oudfranse
Arturroman Lancelot en
prose zijn de verschillende stadia van vertaling/bewerking
duidelijk waarneembaar: de Lantsloot vander Haghedochte
is een zeer vrije bewerking van het Franse origineel waarbij de dichter
herhaaldelijk een auctoriale verteller laat optreden en ruimte- en
tijdaanduidingen opzettelijk vervaagt. Hij heeft hiermee willen aansluiten bij
de traditie van de Arturroman in verzen zoals die door
Chrétien de Troyes en zijn
navolgers werden geschreven. De slechts fragmentarisch overgeleverde
Middelnederlandse proza vertaling van de Lancelot en
prose blijft zeer dicht bij zijn origineel, terwijl bij de
Lanceloet, die deel uitmaakt van de Lancelot-compilatie, een middenweg
bewandeld is: de dichter sluit enerzijds aan bij de traditie van
Chrétien de Troyes als het om de vorm van zijn werken gaat (namelijk in
verzen), terwijl hij anderzijds een tamelijk getrouwe vertaling geeft van de
Lancelot en prose, waarbij verschillen meestal het gevolg zijn van
versificatorische eisen.
In de renaissance zijn de grenzen tussen vertaling (translatio) en bewerking (imitatio)
vaak moeilijk te trekken. In de literaire praktijk sprak men van
‘navolging’ of ‘nae 's landts gheleghentheyt
verduytschet’.
De mate van verandering in een tekst kan aanleiding zijn om
onderscheid te maken tussen een bewerking en een herziene of gewijzigde
druk. De grenzen hiertussen zijn vloeiend en
onderwerp van het onderzoek naar de tekstgeschiedenis (tekstgenese).
LIT: BDI; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Scott; A.G. van Hamel.
Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over literatuur in
Nederland (1918); W.P. Gerritsen. ‘Les rélations
littéraires entre la France et Les Pays-Bas au Moyen Age. Quelques
observations sur la technique des traducteurs’, in: Actes du
septième congrès national de la société
Française de Littérature Comparée, Poitiers 1965
(1967), p. 28-46; W.P. Gerritsen. Die Wrake van Ragisel. Onderzoekingen over
de Middelnederlandse bewerkingen van de Vengeance Raguidel, gevolgd door een
uitgave van de Wrake-teksten (1963); E.K. Grootes. Dramatische structuur
in tweevoud (1973), p. 238-276; F.P. van Oostrom. ‘Origineel,
vertaling, bewerking: een gevecht in Lancelot en prose,
Lancelotcompilatie en Lantsloot van de Haghedochte’, in:
NTg 72 (1979), p. 322-334; Scenarium 4 (1980); F.P. van Oostrom.
Lantsloot van de Haghedochte. Onderzoekingen over een
Middelnederlandse bewerking van de Lancelot en prose (1981); B. Besamusca.
‘Ende Walewein, een ridder van prise. De bewerker van de Ferguut
en de Middelnederlandse Arturroman’, in: SpL 24 (1982), p.
225-229; F.P. van Oostrom. ‘De Middelnederlandse Proza-Lancelot’,
in: Spiegel Historiael 17 (1982), p. 626-633; W.P. Gerritsen.
‘Vertalingen van Oudfranse literaire werken in het
Middelnederlands’, in: Franse literatuur van de middeleeuwen
(1988), p. 184-207; R. Zemel. Op zoek naar Galiene. Over de Oudfranse Fergus
en de Middelnederlandse Ferguut (1991). [G.J. van Bork/H. Struik]
| |
bibliofagie
Straf waarbij de auteur van een religieus of politiek verderfelijk
geacht boek gedwongen wordt zijn eigen publicatie op te eten, hetgeen vaak de
dood tot gevolg heeft. Dit soort praktijken, het gevolg van
bibliolatrie, was gangbaar tot in de 18e
eeuw, maar schijnt sporadisch nog voor te komen.
LIT: Best; H. Rafetseder. Bücherverbrennung; die
öffentliche Hinrichtung von Schriften im historischen Wandel (1988);
B. Büch. ‘“Boek- en mensverbranding nauw met elkaar
verbonden”; bibliolatrie Khomeiny kent in geschiedenis geen
pendant’, in: NRC/Handelsblad 21 februari 1989. [P.J.
Verkruijsse]
| |
bibliofiele uitgave
Een bibliofiele
uitgave is een boek, aan de uiterlijke
verzorging waarvan bijzondere aandacht besteed is, dat daardoor duurder is dan
de niet-bibliofiele uitgave van dezelfde tekst en dat vaak in een beperkte
oplage verkrijgbaar is. Het bibliofiele boek
kenmerkt zich door esthetisch samenspel van gekozen
letter(s),
papier,
illustratie en
boekband en door het feit dat aangegeven
wordt hoeveel exemplaren zijn gedrukt en welk nummer het desbetreffende
exemplaar is. Het mooiste resultaat wordt vaak bereikt wanneer de productie van
een bibliofiel boek in één hand is.
Door de gehele periode van de boekdrukkunst heen is - met name in
de Nederlanden - bijzonder goed verzorgd drukwerk tot stand gekomen (Plantijn,
Elsevier, Blaeu), maar de als bibliofiel bedoelde uitgave volgens de hierboven
gegeven omschrijving is ontstaan door de nieuwe belangstelling voor de
typografie, eind 19e eeuw in gang gezet door
William Morrisin Engeland.
In Nederland zijn de publicaties van
S.H. de Roos en
A.A.M. Stols toonaangevend geweest. De
bekendste bibliofiele reeks is die van de Stichting De Roos, opgericht in 1946,
met een maximum aantal van 175 leden. In België behartigt de
Vereeniging der Antwerpsche Bibliophielen, sinds 1877 gevestigd in het Museum
Plantin-Moretus, de belangen van het bibliofiele boek in het Zuiden. In
Nederland bestaat sinds 1990 het Nederlands Genootschap van Bibliofielen.
In 1960 kwam er in het Noorden een Museum van het Boek tot stand
in het Haagse Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum waar regelmatig bibliofiel
drukwerk wordt tentoongesteld. Het is tegenwoordig vooral de Stichting Drukwerk
in de Marge, opgericht in 1975, die de activiteiten van diverse kleine drukkers
van bibliofiel drukwerk coördineert.
Een voorbeeld van een bibliofiele uitgave is Het
hert, een tekst van
Theun de Vries, opnieuw uitgegeven t.g.v.
zijn 80e verjaardag in 1987 door Phoenix Editions te Amsterdam, gezet uit de
Erhardt door Zetcentrale Meppel en gedrukt op 150 grams Hahnemuller bij
drukkerij Heijermann te Amsterdam in een oplage van 80 exemplaren, waarvan de
nrs. I-V in heel perkament gebonden, in foudraal en voorzien van een extra
afdruk van de ets van Harry van Kruiningen f 395,- kosten, de nrs. 1-20 in
halfperkament in foudraal voor f 185,- verkrijgbaar waren en voor de nrs. 21-75
in heellinnen een prijs gerekend werd van f 120,-.
LIT: BDI; Hiller; Catalogus van de tentoonstelling van oude en
nieuwe boekkunst in de Nederlanden (1920); A.A.M. Stols. Het schoone
boek (1935); M.R. Radermacher Schorer. Bijdrage tot de geschiedenis van
de renaissance der Nederlandse boekdrukkunst (1952); E. Braches. Het
boek als nieuwe kunst 1892-1903; een studie in Art Nouveau (1973); J.H. van
Eikeren. Over boekverzorging (19842); 10 jaar Stichting
Drukwerk in de Marge (1985); Stichting ‘De Roos’ 40 jaar,
1946-1986; catalogus bij de tentoonstelling in het Singer Museum, Laren N-H
(1986); Verzameld verlangen. Het Nederlands Genootschap van Bibliofielen
exposeert uit het bezit van leden (1993). [P.J. Verkruijsse]
| |
bibliofilie
De ‘liefde tot het boek’ van de bibliofiel is veel
selectiever dan die van de
bibliomaan. Hoewel een bibliofiel ook boeken
kan verzamelen om hun uiterlijk (vanwege bijv. de boekband, illustraties,
typografie), gaat het hem toch - anders dan bij de bibliomaan - tevens om de
tekst. Zo zijn veel bibliofiele verzamelingen opgebouwd uit alle drukken van
een bepaalde tekst of auteur, eerste drukken van een auteur, boeken over een
bepaald onderwerp (emblematiek), uit een bepaalde periode (incunabelen) of
bepaalde categorieën drukwerk (pamfletten).
Reeds in de oudheid kunnen bijv.
Plato en
Cicero als bibliofielen bestempeld
worden. Uit de 14e eeuw dateert het werkje Philobiblon
van de Engelsman
Richard de Bury. In de 15e eeuw bouwde
Filips de Goede een schitterende
bibliotheek op en in de 16e eeuw zijn er bekende bibliofielen zoals
Jean Grolier in Frankrijk die
zijn boeken in prachtige banden (de zgn. Grolier-banden) liet binden, of in
Nederland
Philips van Marnix van St. Aldegonde,
wiens bibliotheek in 1599 op de eerst bekende boekenveiling werd verkocht.
De 17e-eeuwse hertog
August zu Braunschweig und Lüneburg
bracht een schitterende bibliotheek bijeen van 135.000 titels met behulp van
speciale agenten die in heel Europa boeken voor hem kochten. Het gevolg is dat
de huidige
Herzog August Bibliothek te
Wolfenbüttel ook voor de neerlandistiek onmisbaar is. Een aantal
17e-eeuwse bibliofielen bestelde boekbanden van
Albert Magnus:
Pieter van Brederode,
Samuel Diodati,
Michel Tijmonsz. Hinlopen
(prenten-collectie),
Michel van de Grijp (atlassen), de
gebroeders
Hendrik en Laurens van der Hem
(atlassen),
F.W. van Loon (atlassen) en
Paulo van Uchelen (plaatwerken).
In de 18e eeuw wordt er door zeer velen verzameld.
Gerard Meerman was zo'n bibliofiel.
Diens zoon
Johan Meerman breidde de collectie uit,
waarvan nu een deel - samen met de collectie van
W.H.J. baron van Westreenen - de kern
vormt van het bezit van het Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum/Museum van het
Boek te 's-Gravenhage.
In de 19e en 20e eeuw zijn de collecties ontstaan van o.a.
Van Hulthem (middeleeuwse codices),
De Jonge van Ellemeet (Museum
Catsianum),
J.F.M. Sterck (Vondel),
P.A. Pijnappel (zeer grote collectie
geschiedenis, letterkunde, filosofie en aardrijkskunde, nu in de
Universiteitsbibliotheek Amsterdam),
D.F. Scheurleer (liedboeken),
F.G. Waller (volksboeken, nu in de
Koninklijke Bibliotheek Den Haag),
V.F.M. Scheepers (volksboeken),
Lessing J. Rosenwald (volksboeken uit de
collectie-Arenberg, nu in de Verenigde Staten),
M.B.B. Nijkerk (bibliofiele uitgaven uit
de 20e eeuw, nu in het Stedelijk Museum Amsterdam).
Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst is de bibliofilie
verbonden geweest met de
private press. Verenigingen van bibliofielen
houden zich bezig met het doen vervaardigen van bibliofiele uitgaven, zoals in
Nederland de Stichting De Roos en Drukwerk in de Marge,
inBelgië de vereniging van Vlaamsche en later de Antwerpsche
Bibliophielen en in Nederland het Nederlands Genootschap van Bibliofielen
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; Laan; Metzler;
MEW; Scott; Wilpert; G.A.E. Bogeng. Die grossen Bibliophilen, dl. 1
(1922), p. 208-220; G.A.E. Bogeng. Einführung in die Bibliophilie
(1931); J. Kirchner. Lexikon des Buchwesens (1952-1956);
Philobiblon (tijdschrift vanaf 1957); J. Carter. ABC for
book-collectors (19664); M. Vaucaire. La bibliophilie
(1970); Verzamelen is ook een kunst; onsterfelijkheid in oude boeken,
ed. J. den Haan (1971); L. Bielschowsky. Der Büchersammler (1972);
Proeven van bewerking voor een catalogus van bibliofiele boeken in
Nederlands openbaar bezit, in: Open 5 (1973), p. 541-544
(Zilverdistel, Kunera Pers), 6 (1974), p. 148-151 (Halcyon Pers); H. de la
Fontaine Verwey. ‘De binder Albert Magnus en de verzamelaars van zijn
tijd’, in: id. Uit de wereld van het boek, dl. 2 (1976), p.
147-169; N.A. Basbanes. A gentle madness. Bibliophiles, bibliomanes, and the
eternal passion for books (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
bibliografie
De betekenis van het begrip ‘bibliografie’ heeft zich
ontwikkeld van het
afschrijven-1 van teksten tot het schrijven
over boeken en uiteindelijk het beschrijven van boeken. Binnen de
bibliografiebeoefening zijn er twee hoofdrichtingen: de
analytische bibliografie-1 of
kritische bibliografie die zich vooral richt
op het boek als materieel object en de resultaten van het analytisch onderzoek
vastlegt in descriptieve bibliografieën, én de systematische of
enumeratieve bibliografie die de beschreven
boeken naar hun inhoud rangschikt.
Bibliografieën zijn in twee typen te verdelen: algemene en
speciale, beide nationaal of internationaal. Een nationale algemene
bibliografie vermeldt alle boeken, geschreven in een bepaalde taal of
uitgegeven in een bepaald land; zo'n bibliografie kan slechts dan goed
functioneren wanneer in een land een
wettelijk depot bestaat. Aangezien
Nederland niet over een wettelijk depot beschikt, fungeert hier
als nationale bibliografie de als ‘catalogus’ aangeduide
Brinkman's (cumulatieve) catalogus van boeken en tijdschriften,
verschenen in Nederland en Vlaanderen en in de Nederlandse taal
elders (sinds 1846). De voorlopers van ‘de Brinkman’
zijn het Naamregister van
Van Abkoudeen
Arrenberg en de
Naamlijst van
J. de Jong en de
‘Naamlijst-Saakes’. De Bibliotheca Belgica
(1964-1975) is als de nationale retrospectieve bibliografie voor de periode tot
1600 opgezet, maar het werk is zeer onvolledig gebleven. Het lopende
STCN-project (Short-Title Catalogue, Netherlands) heeft de bedoeling een
overzicht te geven van de Nederlandse boekproductie van het begin van de
boekdrukkunst tot ongeveer 1800. Een voorbeeld van een nationale speciale of
vakbibliografie is de Bibliografie
van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap (BNTL) die vanaf
1970 verschijnt.
Bibliografieën kunnen afgesloten, lopend of retrospectief
zijn. Afgesloten bibliografieën hebben niet de bedoeling om op de een of
andere manier nog aan te vullen (bijv.
P.J. Buijnsters. Bibliografie
der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken, 1979).
Lopende bibliografieën verschijnen in afleveringen en werken vaak na enige
tijd cumulatief, zoals de BNTL die na vier jaardelen een cumulatief deel
geeft (met aanvullingen) waarin de afgelopen vier jaar zijn opgenomen plus het
lopende vijfde jaar. Retrospectieve bibliografieën beschrijven publicaties
uit een afgesloten periode, zoals de reeds genoemde Bibliotheca Belgica,
of zoals de delen 1-23 van de BNTL waarvan tot nu toe alleen de delen 18
(1940-1945), 22 en 23 (1960-1969) zijn verschenen.
Bibliografieën kunnen alfabetisch, chronologisch of
systematisch zijn ingericht; ze kunnen uitputtend of selectief zijn,
zelfstandig of verborgen (bijv. verschenen in tijdschriften of verzamelwerken).
Het verschil tussen een bibliografie en een
catalogus-1 is, dat een catalogus een
plaatsgebonden collectie beschrijft en een bibliografie boeken over een bepaald
onderwerp ongeacht de plaats waar die boeken zich bevinden.
De algemene internationale systematische bibliografie heeft de
langste geschiedenis:
Konrad Gessner trachtte in 1545 in een
universele bibliografie alle publicaties te beschrijven in zijn
Bibliotheca Universalis. De expansief groeiende
publicatiestroom was echter niet meer bij te houden, ook niet in het Institut
International de Bibliographie (IIB; 1895-1914), door
Paul Otlet en
Henri LaFontaine te Brussel
opgericht, welk instituut het Répertoire bibliographique
universel had moeten leveren. Het samenstellen van speciale
internationale bibliografieën is echter al een hele opgave. Dankzij de
inschakeling van moderne apparatuur (computers, magneetbanden, cd-rom's,
microfiches enz.) tracht de documentaire dienstverlening (documentatie) de stroom aan informatie de baas te blijven.
De bibliografieën als ontsluitingsmiddelen voor onderzoek
moeten vaak eerst zelf weer vindbaar gemaakt worden via bronnengidsen, zoals
voor de neerlandistiek het Vermakelijk bibliografisch
ganzenbord van
A.M.J. van Buuren,
W.P. Gerritsen en
A.N. Paasman (19835) of het
recentere computerprogramma BIZON (Bibliografisch Zoekprogramma Nederlandse
letterkunde), of via bibliografieën van bibliografieën zoals
Th. Besterman's A world
bibliography of bibliographies (5 dln., 1965-19664) en
het computerprogramma GIRAF (versie 1.0: 1994).
De doelstelling die een bibliograaf met een bibliografie heeft,
bepaalt de inrichting ervan. Zo zullen de boekbeschrijvingen in een
systematische bibliografie van de Nederlandse 18e-eeuwse roman er anders
uitzien dan in een descriptieve bibliografie van het werk van
Bredero. Als minimumeis voor de
beschrijving van boeken uit de handpersperiode kan gelden: vermelding van
auteur, (verkorte) titel,
impressum en bewaarplaats van het beschreven
exemplaar. Een analytisch-bibliograaf die de drukgeschiedenis van een tekst wil
achterhalen, zal méér moeten doen, nl. een
ideal copy beschrijven.
De bibliografische beschrijvingsregels voor boeken van na 1800
richten zich naar de Regels voor de titelbeschrijving, uitgegeven door
het Nederlands Bibliotheek en Lektuur Centrum (6 dln., 1978-1982), maar die
regels zijn opgesteld speciaal voor de beschrijving van boeken in
bibliotheekcatalogi en niet voor het samenstellen van bibliografieën.
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp;
Hiller; Krywalski; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; F. Bowers.
Principles of bibliographical description (1949); Roy Stokes. The
function of bibliography (1969); David F. Foxon. Thoughts on the history
and future of bibliographical description (1970); Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742); P.S. Dunkin.
Bibliography. Tiger or fat cat? (1975); L.N. Malclès. Manuel
de bibliographie (19763); P.S.A. Groot. Documentaire
dienstverlening (1981); P. Schneiders. De bibliotheek- en
documentatiebeweging 1880-1914 (1982); A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
biblioklastie zie
bibliolythie
| |
bibliolatrie
Een zodanige voorkeur voor een boek, meestal een religieus of
politiek standaardwerk, dat daarnaast geen andere boeken - in ieder geval geen
boeken die dat standaardwerk tegenspreken of ter discussie stellen - geduld
worden. Bibliolatrie leidt dan ook vaak tot
bibliolythie, de vernietiging van andere
boeken en de vervolging van de auteurs daarvan. Een voorbeeld van bibliolatrie
ten aanzien van de koran is het vonnis van
Khomeiny tegen de auteur van
De duivelsverzen (1988),
Salman Rushdie. Ook de bijbel en de
geschriften van bijvoorbeeld
Marx,
Stalin en
Mao hebben geleid tot bibliolatrie.
LIT: Best; Cuddon; Hiller; Scott; B. Büch.
‘‘Boek- en mensverbranding nauw met elkaar verbonden’;
bibliolatrie Khomeiny kent in geschiedenis geen pendant‘, in:
NRC/Handelsblad 21 februari 1989. [P.J. Verkruijsse]
| |
bibliologie of boekgeschiedenis
De wetenschap van het gedrukte boek in al zijn aspecten. Daaronder
valt de geschiedenis van de boekdrukkunst, van alle materialen die daarbij
nodig zijn (drukpers, papier, inkt, letter, illustratiemateriaal, boekband),
van het productieproces van kopij tot druk (analytische
bibliografie), van de boekbeschrijving (bibliografie), van de verspreidingsmogelijkheden via
uitgeverij, boekhandel en veilingwezen, van de verzamelmogelijkheden (van
bibliofiel tot bibliotheekgeschiedenis) en van de receptie van het boek
(lezersonderzoek;
publiek-2). Voor de wetenschap van het
middeleeuwse handgeschreven boek kan men het best de term
codicologie hanteren, hoewel dit terrein
soms ook tot de bibliologie gerekend wordt. Bibliologische publicaties in ruime
zin vormen een bijdrage tot de cultuurgeschiedenis, bijv. die van
H. de la Fontaine Verwey, verzameld in
vier delen Uit de wereld van het boek
(19762-1997), en die van
B. van Selm, gebundeld in
Inzichten en vergezichten (1992).
LIT: BDI; Brongers; Gorp; Hiller; MEW; A.O. Kouwenhoven (red.).
Handboek bibliografie (1995), p. 10-11. [P.J. Verkruijsse]
| |
bibliolythie of biblioklastie
Zucht tot boekvernietiging buiten de officiële
censuur om, betrekking hebbend op
staatsgevaarlijk of godsdienstvijandig geachte geschriften. Gewoonlijk
resulteert bibliolythie in georganiseerde boekverbrandingen zoals in 1933 in
nazi-Duitsland, gecombineerd met vervolging en berechting c.q. executie van de
auteur. Een illustratief voorbeeld is het uit
bibliolatrie voortgekomen vonnis van
Khomeiny tegen De
duivelsverzen (1988) van
Salman Rushdie.
LIT: Cuddon; Hiller; Scott; H. Rafetseder.
Bücherverbrennung; die öffentliche Hinrichtung von Schriften im
historischen Wandel (1988); B. Büch.‘‘Boek- en
mensverbranding nauw met elkaar verbonden’; bibliolatrie Khomeiny kent in
geschiedenis geen pendant’, in: NRC/Handelsblad 21 februari 1989;
P. Manasse. Verdwenen archieven en bibliotheken; de verrichtingen van de
Einsatzstab Rosenberg gedurende de Tweede Wereldoorlog (1995). [P.J.
Verkruijsse]
| |
bibliomanie
Ziekelijke neiging om boeken te bezitten, desnoods door diefstal.
De bibliofiel (bibliofilie) verzamelt selectief, bv.
incunabelen, eerste drukken uit een bepaalde periode, emblemataboeken; de
bibliomaan offert vaak zijn gehele vermogen op aan zijn veel minder selectieve
hobby en gaat dan verder met stelen uit boekhandels of bibliotheken. Vooral in
de 19e eeuw was de bibliomanie welhaast epidemisch in Engeland en
Frankrijk. Een Nederlands bibliomaan was de 18e-eeuwse Utrechtse
hoogleraar
Christoffel Saxe die ‘per
ongeluk’ nogal wat delen uit de bibliotheek van
Mr. Kaspar Burman in huis had. Een
berucht bibliomaan was ook
Suffridus Sixtinus (begin 17e eeuw) die
zijn huis aan de Amsterdamse Eglantiersgracht volgestouwd had met de meest
kostbare, meestal gestolen, handschriften en boeken.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; MEW; Scott;
Wilpert; G.A.E. Bogeng. Die grossen Bibliophilen (1922), dl. 1, p.
499-512; J.H. Kruizinga. Tussen papyrus en paperback (z.j.), p. 26-39;
H. de la Fontaine Verwey. ‘The history of the Amsterdam Caesar
codex’, in: Quaerendo 9 (1979), p. 179-207; H. Jackson. The
anatomy of bibliomania (1981); N.A. Basbanes. A gentle madness.
Bibliophiles, bibliomanes, and the eternal passion for books (1995). [P.J.
Verkruijsse]
| |
bibliometrie
De wetenschap die met behulp van mathematische en statistische
methoden inzicht tracht te krijgen in de boekproductie in samenhang met
politieke, economische, demografische en culturele verschijnselen. In de
bibliologie is men tot het inzicht gekomen
dat bijv. bij de reconstructie van drukkers- en uitgeversfondsen
bibliometrische methoden niet mogen uitgaan van de productie aan titels, maar
dat het aantal geproduceerde vellen (vel) het richtsnoer
moet zijn. Een handicap bij dit alles is, dat men vrijwel nooit over
oplagecijfers beschikt.
LIT: BDI; Brongers; K. Gnirrep. ‘Quantitative techniques in
the study of early printed books. The Netherlands in the 15th and early 16th
centuries’, in: Gazette du Livre Médiéval 5 (1984),
p. 7-9; H.D.L. Vervliet. ‘Het landschap van de Nederlandse incunabelen:
een verkennend onderzoek naar publikatiepatronen’, in: F. Vanwijngaerden
e.a. (red.). Liber amicorum Herman Liebaers (1984), p. 335-353; W.
Heijting. ‘Succes becijferd. Een bibliometrische analyse van het fonds
van Gheraert Leeu’, in: Koen Goudriaan e.a. (red.). Een drukker zoekt
publiek. Gheraert Leeu te Gouda 1477-1484 (1993), p. 204-223. [P.J.
Verkruijsse]
| |
bibliotheek-1
Een bibliotheek is zowel een bewaarplaats voor, als een geordende
en via
catalogi-1 toegankelijke verzameling van
boeken en/of andere informatiedragers, verkregen door koop, ruil, schenking of
bruikleen. Door de ontwikkeling van de informatietechnologie is de grens tussen
bibliotheek en documentatie-instelling (documentatie)
vervaagd: de infotheek is daarvan het voorbeeld.
Er zijn verschillende soorten bibliotheken met verschillende
doelstellingen en dientengevolge anders samengestelde collecties. In de
Nederlanden zijn de klooster- en kerkelijke bibliotheken het oudst, zoals de
Librije te Zutphen. Met de opkomst van de universiteiten ontstaan
ook de universiteitsbibliotheken. De oudste daarvan is die te
Leuven (15e eeuw). Van later datum zijn de nationale bibliotheken
met als speciale taak het samenstellen van de
nationale bibliografie, zo mogelijk op basis
van een
wettelijk depot. In België
dateert de Koninklijke Bibliotheek Albert I te Brussel officieel
van 1837, maar zij is gebaseerd op de 16e-eeuwse collecties van de
Bourgondische hertogen. De Koninklijke Bibliotheek inDen Haag
dateert uit de Franse tijd toen de bibliotheek van Willem V tot Nationale
Bibliotheek werd verheven. De Openbare Bibliotheken vinden hun wortels in het
streven naar volksontwikkeling uit de Verlichting. Met name de Maatschappij tot
Nut van het Algemeen heeft in dit opzicht belangrijk werk verricht.
Naast de bovengenoemde bibliotheken met algemene collecties zijn
er ook speciale bibliotheken met zeer gespecialiseerde verzamelingen, zoals
opgebouwd door de van de universiteitsbibliotheken losgemaakte universitaire
instituutsbibliotheken, door bedrijven of instellingen. Ook op het terrein van
de openbare bibliotheek is de specialisatie steeds verder gegaan: jeugd-,
bejaarden-, blindenbibliotheken enz. Juist in gespecialiseerde bibliotheken
heeft de integratie met de documentatie plaatsgevonden.
Van groot belang waren en zijn de particuliere bibliotheken van
bibliofielen die in veel gevallen de grondslag vormen van nationale of
universiteitsbibliotheken of andere later openbaar geworden collecties.
Voor de neerlandistiek belangrijke collecties bevinden zich ook in
het buitenland: o.a. de British Library te Londen, de
Bibliothèque Nationale te Parijs en de Herzog August
Bibliothek te Wolfenbüttel. Het bestuderen van de
geschiedenis van de collectievorming van bibliotheken is een belangrijk
hulpmiddel om te weten te komen waar zich voor de neerlandistiek interessante
verzamelingen bevinden. Boek- en bibliotheekgeschiedenis zijn belangrijke
wetenschappen in verband met de bestudering van de receptie van de literatuur
uit het verleden.
De weg naar voor het neerlandistisch onderzoek belangrijke
bibliotheken kan men vinden via
A.M.J. van Buuren,
W.P. Gerritsen en
A.N. Paasman. Vermakelijk
bibliografisch ganzenbord (19835), p. 19-23, het
computerprogramma BIZON en de meest recente drukken van de Nederlandse en
Vlaamse Bidoc-gidsen, de Inventaris van Belgische onderzoekscentra die over
een bibliotheek of documentatiedienst beschikken van
J. Verougstraete, het Repertorium van
het oude boekenbezit in België en de World guide to
libraries.
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Groot; Hiller; Krywalski; Metzler;
MEW; Wilpert; K.O. Meinsma. Middeleeuwsche bibliotheken (1903); L.
Brummel. Geschiedenis der Koninklijke Bibliotheek (1939); F. Milkau.
Handbuch der Bibliothekswissenschaft, 5 dln. (1952-1965);
Bibliothèque Royale; mémorial 1559-1969 (1969);
Bibliotheek en documentatie, ed. Th.P. Loosjes e.a. (1977); H. de la
Fontaine Verwey. De stedelijke bibliotheek van Amsterdam in de Nieuwe
Kerk (1980); Een Vrije Universiteitsbibliotheek, ed. J.
Stellingwerff (1980); D. de Weerdt. Bibliografie van de Koninklijke
Bibliotheek Albert I (1982; overdruk uit Archief- en Bibliotheekwezen
van België 52 (1981), p. 59-122); Boeken verzamelen; opstellen
aangeboden aan Mr J.R. de Groot bij zijn afscheid als bibliothecaris der
Rijksuniversiteit te Leiden (1983); Liber amicorum Herman Liebaers,
ed. F. Vanwijngaerden e.a. (1984), p. 1-172; B. van Selm. ‘Onderzoek naar
de privé-bibliotheek van een Hollandse burger uit de zeventiende eeuw:
analyse van het boekenbezit van Pieter Jansz Saenredam’, in:
Dokumentaal 13 (1984), p. 64-66; Opstellen over de Koninklijke
Bibliotheek en andere studies (1986); D. Grosheide, A.D.A. Monna en P.N.G.
Pesch. Vier eeuwen Universiteitsbibliotheek Utrecht (1986-); M. Debae.
De Librije van Margareta van Oostenrijk (1987); B. van Selm. Een
menighte treffelijcke boecken (1987), p. 111-119; Colloquium over
leescultuur en boekverspreiding in Noord en Zuid in de 19de eeuw; 3de
colloquium van het Snellaertcomité (1987); B. van Selm. ‘De
bibliotheek van Pieter Saenredam’, in: Kunstschrift 32 (1988), p.
14-19, 34; K.O. Meinsma. De Librye te Zutphen, ed. B. Looper en A.J.
Geurts (1988); B. van Selm en H. de Kooker. Boekcultuur in de Lage
Landen (1993); P. Schneiders. Nederlandse bibliotheekgeschiedenis; van
librije tot virtuele bibliotheek (1997). [P.J. Verkruijsse]
| |
bibliotheek-2
Een in principe oneindige reeks werken van verschillende auteurs
die bij een bepaalde uitgever worden uitgegeven (uitgeversreeks), al dan niet onder redactie van een commissie
(redactiereeks), wordt vaak als
‘bibliotheek’ aangeduid. Voorbeelden zijn de Bibliotheek voor
Middelnederlandsche Letterkunde bij uitgeverij Wolters in 1869 opgezet
onder leiding van
H.E. Moltzer, later ook met o.a.
Jan te Winkel,
W.J.A. Jonckbloet,
J. Verdam en
M. de Vries in de redactie; de
Bibliotheek der Nederlandsche Letteren, uitgegeven door de Vlaamse
Akademie en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, begonnen in 1939; de
Bibliotheek van Nederlandsche Letterkunde van
T. Terwey,
J. Koopmans en
C.G.N. de Vooys waarin dicht- en
prozawerken uit de 15e tot en met 19e eeuw uitgegeven werden. Ook de in de
Leidse universiteitsbibliotheek bewaarde Bibliotheca Neerlandica
Manuscripta van
Willem de Vreese heeft deze aanduiding
in de naam.
LIT: Hiller; Laan; Regels voor de titelbeschrijving
(196811), p. 31-32; L. Kuitert. Het ene boek in vele delen. De
uitgave van literaire series in Nederland, 1850-1900 (1993). [P.J.
Verkruijsse]
| |
bibliotheeksignatuur
Plaatsaanduiding van een boek in een
bibliotheek-1, meestal bestaande uit een
combinatie van letters en cijfers, geplaatst op de rug van het boek en op het
fiche in de
catalogus-1. De meest eenvoudige aanduiding
is die van de kast met een cijfer, van de plank met een letter en van de
volgorde op de plank weer met een cijfer. Zo betekent 13 C 4 dan: het vierde
boek op plank C van kast 13. Sommige signaturen vertonen nog duidelijk de
opstelling van de boeken volgens bibliografisch
formaat, zoals eertijds vaak de gewoonte
was, bijv. signatuur Z qu 224 van de Universiteitsbibliotheek
Utrecht verwijst naar het kwarto-formaat (qu = quarto) van dit
werk. In bibliotheken waar gewerkt wordt met de
UDC zien de signaturen er ingewikkelder uit,
bijv. 839.3.091‘‘17/18’’. Speciale collecties blijven
vaak in het magazijn bijeen geplaatst, bijv. op de UB Utrecht: Moltzer 2 c 3,
waarmee de verzameling van Prof. Dr.
H.E. Moltzer wordt aangegeven.
Bibliotheken die ingericht zijn volgens het UDC-systeem hoeven bij
uitbreiding of verhuizing hun signaturen niet aan te passen; bij gebruik van
andere plaatsnummers dient daarentegen wel omgesigneerd te worden. Voor het
wetenschappelijk onderzoek is het dan van belang dat de oude signaturen, de
zgn. olim-signaturen, niet verwijderd worden. Oude bibliotheek- en
bezitterskenmerken zijn interessant voor de
provenance van een boek.
LIT: BDI; Hiller; G. Leyh. ‘Aufstellung und
Signaturen’, in: Handbuch der Bibliothekswissenschaft, dl. 2
(1961), p. 684-734. [P.J. Verkruijsse]
| |
bibliotherapie
Het gebruik van geselecteerde lectuur als therapeutisch hulpmiddel
bij medische en psychiatrische behandeling; ook: begeleiding bij de oplossing
van persoonlijke problemen door gericht lezen. In ziekenhuisbibliotheken wordt
primaire literatuur ten behoeve van bibliotherapie op een speciale wijze
betrefwoord.
LIT: BDI; Gorp; Hiller; Bibliotherapie; vijf lezingen over
theorie en praktijk van de toepassing van literatuur als hulpmiddel bij vorming
en genezing in de Verenigde Staten (1975); G.J. Bremer & M.J. Brink.
Nederlandse bellettrie over ziek zijn (1989). [P.J. Verkruijsse]
| |
biedermeier
De naam Biedermaier werd voor het eerst gebruikt door
Ludwig Eichrodt (1827-1892) die in de
Fliegende Blätter gedichten parodieerde van een
schoolmeester uit Schwaben die hij Biedermaier noemde en die in 1869 verschenen
als Biedermaiers Liederlust. De aard van deze
geparodieerde poëzie was vriendelijk en naïef, waarbij de onderwerpen
gekozen waren uit het alledaagse gezinsleven. De naam ‘Biedermaier’
werd tot de term ‘biedermeier’ om er de typische bourgeoiscultuur
mee aan te duiden van de periode 1815-1870. Meestal wordt de term gebruikt ter
aanduiding van de meubelstijl die op de empire-stijl volgde, maar ook wordt er
de levensopvatting mee aangegeven die getuigt van liefde voor orde, aandacht
voor het kleine en concrete en voorliefde voor het vriendelijke en
‘gezonde’ of normale. Dit alles dan vaak overgoten met een sausje
romantiek. Het is de wereld van de bourgeoismoraal, de
‘huiselijkheid’, waarin uitersten vooral vermeden dienen te worden.
Voor de kunst in het algemeen geldt dat ze moet voldoen aan de eisen van de
geldende moraal, het lagere niet mag weergeven en dat ze
‘waarheidsgetrouw’ moet zijn; in de kritiek telkens terug te vinden
in de trits ‘goed-schoon-waar’.
In de Nederlandse literatuur verstaat men onder
biedermeierliteratuur de zwakromantische en moralistische literaire
voortbrengselen uit de 19e eeuw van vóór de Tachtigers. Zowel in
het proza als in de poëzie overheerst het eenvoudige en
idyllisch-sentimentele. Er heerst bovendien een sfeer van deftige voornaamheid
die voortkomt uit de burgerlijke behoefte aan fatsoen en vertoon van eruditie.
De thematiek van het biedermeier is meestal beperkt tot godsdienst, vaderland
en gezin. In het proza wordt gebruik gemaakt van de
auctoriale vertelwijze, of zoals
J. Smit het noemt in zijn
Bijdrage tot de kennis van Potgieter's stijl (1937), van
de cicerone-stijl. De vormgeving is traditioneel: regelmatig rijm, regelmatige
strofenbouw, vast en gemakkelijk metrum. De beeldspraak is eenvoudig en doet
tegenwoordig sterk clichématig aan. Er wordt veel gebruik gemaakt van
pathetic fallacy. Een goed voorbeeld van
biedermeierproza is
N. Beets' schets ‘Teun de
Jager’ uit de Camera obscura (18544).
Tot de biedermeierdichters behoren
N. Beets,
E.A. Borger,
B. ter Haar,
J.J.L. ten Kate,
C. Loots e.v.a.
De biedermeierpoëzie werd door
W. Kloos en
A. Verwey geparodieerd onder het
pseudoniem Guido in Julia (1885), gevolgd door een
brochure van dezelfde auteurs waarin zij afrekenden met hun critici en daarmee
met het genre: De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek
(1886).
F. van Eeden schreef onder het pseudoniem
Cornelis Paradijs de parodie
Grassprietjes (1885). De term biedermeier staat - zeker
na het optreden van de Tachtigers - in een kwade reuk: men is er veel
19e-eeuwse literatuur van burgerlijke oorsprong in pejoratieve zin mee gaan
aanduiden. Dat maakt de term minder goed bruikbaar om er een stroming objectief
mee aan te duiden.
Bloemlezingen van biedermeierpoëzie verschenen van
H. Dommisse Helaas! Voor
altijd zwijgt de cither ... (1958), en van
A. Korteweg en
W. Idema Vinger Gods, wat zijt
gij groot (1978).
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Krywalski; Lodewick; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Preminger; Shipley; R. Majut. ‘Das literarische
Biedermeier: Aufriss und Probleme’, in: Germanisch-Romanische
Monatschrift 20 (1932), p. 401 e.v.; Biedermeier-Heft van het Deutsche
Vierteljahrschrift für Literaturwissenschaft und
Geistesgeschichte 13 (1935); H.E. van Gelder e.a. Het tijdperk van de
Camera Obscura (1940); G. Stuiveling. Een eeuw Nederlandse letteren
(19714); E.J. Krol. De smaak der natie; opvattingen over
huiselijkheid in de Noord-Nederlandse poëzie van 1800 tot 1840 (1997).
[G.J. van Bork]
| | | |
Bildungsroman of Erziehungsroman
Roman waarin de opvoeding en karakterontwikkeling van de
hoofdpersoon centraal staat. Het gaat daarbij om de vorming van de held tot
zijn volwassenheid. De grenzen met de
ontwikkelingsroman zijn moeilijk aan te
geven. Bij de ontwikkelingsroman ligt de nadruk vooral op het proces van de
lichamelijke en geestelijke groei van het kind tot volwassene. In feite
vertoont de Bildungsroman didactische trekken die gebaseerd zijn op de
opvoedingsidealen zoals die bijv. in de Verlichting werden geformuleerd. Een
beroemd voorbeeld is
Goethe's Wilhelm Meisters
Lehrjahre (1795-1796). Ook
Dickens' David
Copperfield (1849-1850) wordt als voorbeeld genoemd. In Nederland
kan
De kleine Johannes (1887) van
F. van Eeden als voorbeeld gelden, evenals
André Terval (1930) van
R. Brulez.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; F.
Martini. ‘Der Bildungsroman’, in: Deutsche
Vierteljahrschrift 35 (1961), p. 44-63. [G.J. van Bork]
| |
binderssignatuur zie
katernsignatuur
| |
binio
Term uit de codicologie voor een
katern samengesteld uit twee dubbelbladen
(dubbelblad). Een binio is zeer ongebruikelijk. Normaal
voor perkamenten handschriften zijn het
quaternio en
quinio (resp. 4 en 5 dubbelbladen), voor
papieren handschriften het
senio (6 dubbelbladen).
LIT: W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en
filologie’, in: SpL 5 (1961), p. 300-307. [W. Kuiper]
| |
binnenrijm
Term uit de prosodie ter aanduiding van dat type rijm waarbij
rijmvrager en
rijmgever zich binnen een en dezelfde
versregel bevinden, bijv.
Maar als ik opkeek van mijn boek,
D oken er sp oken uit een hoek
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 70).
Binnenrijm als verstechnisch basisprincipe vinden we in de oudste
Middelnederlandse vertalingen en bewerkingen van het Oudfranse
chanson de geste,
Aiol, Renout van Montalbaen, het
Roelantslied (ca. 1200), bijv.
Doe sprac die bisscop Tulpijn: ‘God moet u ghenadich
sijn.’
Ende stont op altehant ende nam den Olifant.
(Het Roelantslied, ed.
Van Dijk, 1981, p. 395).
Deze manier van versificeren (Langzeile)
wordt verdrongen door het aan de Oudfranse
ridderroman ontleende
eindrijm.
Binnenrijm als waarde toevoegend vormgevingskenmerk aan in
eindrijm geschreven teksten vindt men vanaf de rederijkersliteratuur, bijv.
Een gaey, wel fraey, nisch, frisch joncwijveken
ghewrocht, gecnocht, wel gent int lijveken
quam laesten, met haesten, ghegaen om wijn
(De gedichten van Anthonis de Roovere, ed.
Mak, 1955, p. 399).
Een speciale vorm van binnenrijm is het
cesuurrijm, waarbij het rijm op een bepaalde
plaats staat, namelijk na een bepaalde voet (syllabe).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Gorp; Lodewick; Metzler; Preminger; Shipley. [gv/wk]
| |
binnenspel
Term uit de dramaturgie voor een toneelstuk dat omvat wordt door
een ander toneelstuk, het zogenaamde
buitenspel. De verhouding van het binnenspel
ten opzichte van het buitenspel wordt verantwoord als een opvoering van het
binnenspel aan de personages van het buitenspel, zoals in
Piramus en
Thisbe (ca. 1518, ed.
Van Es, 1965). Een ander voorbeeld is
Naaman Prinche van Sijrien (1553, ed.
Hummelen en
Schmidt, z.j.), waarin het binnenspel een
droom is die door de hoofdpersoon van het buitenspel gedroomd wordt. Het
Wagenspel van Masscheroen in de Mariken van
Nieumeghen heeft de kenmerken van een binnenspel, maar de
Mariken wordt in zijn overgeleverde vorm niet als een toneelstuk, maar
als een leestekst beschouwd.
LIT: G.A. van Es (ed.). Piramus en Thisbe. Twee
rederijkersspelen uit de zestiende eeuw (1965); W. Kuiper. ‘Mariken
van Nieumeghen, een gerenoveerd Maria-mirakel’, in: Spektator 15
(1985-1986), p. 249-267. [H. Struik]
| |
binnenvorm
Druktechnische term voor de
drukvorm die het zetsel bevat dat bij
seriatim zetten de pagina's van de
schoondruk oplevert. In de binnenvorm zitten
dus de tweede en voorlaatste pagina van een
katern. Het zetsel dat de pagina's van de
weerdruk bevat, zit in de
buitenvorm. Binnen- en buitenvorm samen
bevatten het zetsel voor het gehele
vel dat - na bedrukt en gevouwen te zijn -
een katern vormt.
Het is bij het
collationeren van belang om te weten welke
pagina's tot dezelfde vorm behoren. Voor een
correctie op de pers in een bepaalde pagina
moet immers de gehele vorm
losgekooid worden, bij welke gelegenheid dan
ook andere, minder storende
zet- of
drukfouten in dezelfde vorm gemakkelijk
gecorrigeerd kunnen worden.
In de binnenvorm zitten bij
folio-1-formaat (in het eerste gepagineerde
katern van een boek)
bladzijde 2 en 3 of
folium 1 verso en 2 recto. Bij
kwarto-formaat zijn dat blz. 2, 3, 6 en 7 of
fol. 1v, 2r, 3v en 4r en bij
octavo-formaat blz. 2, 3, 6, 7, 10, 11, 14
en 15 of fol. 1v, 2r, 3v, 4r, 5v, 6r, 7v en 8r. Voor de kleinere formaten
raadplege men de hieronder genoemde literatuur.
LIT: Feather; M.J. Pearce. A workbook of analytical &
descriptive bibliography (1970), p. 61-69; P.M. van Cleef. Handboek ter
beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. Janssen, 1974, p. 84-109;
Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p.
79-107. [P.J. Verkruijsse]
| |
biografie of levensbeschrijving
De relatief volledige beschrijving van iemands leven. In de
biografie wordt gewoonlijk een poging gedaan om naast de belangrijkste
feitelijke gegevens uit het bestaan van de beschrevene ook diens karakter en
milieu te schilderen. De biograaf put zijn gegevens zoveel mogelijk uit
historisch materiaal en uit door de betrokkene zelf geschreven bronnen (egodocumenten), zoals brieven, memoires, dagboeken. Een korte
biografische schets, meestal een necrologie, noemt men een
levensbericht.
De biografie is sedert de renaissance bijzonder populair geweest,
in het bijzonder inEngeland. Onder invloed van het formalisme en
structuralisme, en van het ergocentrisme van de New Criticism is de biografie
in de letterkunde minder belangrijk geworden.
Bekende voorbeelden van Nederlandse biografieën zijn
C. van Manders
Schilder-boeck (1604), waarin een aantal schilders wordt
beschreven,
G. Brandts Het leven van Joost
van den Vondel (1682), Het leven van Mr. Cornelis van
Lennep en Mr. David Jacob van Lennep (4 dln., 1865) door
Jacob van Lennep, en
G. Stuivelings Het korte leven
van Jacques Perk (1957). Korte biografieën van belangrijke
historische figuren uit het Nederlandse taalgebied verschenen in het
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (10 dln.,
1911-1937), het Biografisch woordenboek van Nederland
(vanaf 1979) en voor België het Nationaal
biografisch woordenboek (vanaf 1964). Nadat onder invloed van
autonomiebewegingen de biografie in de
literatuurwetenschap sterk op de achtergrond raakte, is er gedurende de jaren
'80 opnieuw belangstelling voor ontstaan. In 1990 werd door de stichting
Dordtse Academie een prijs voor de biografie ingesteld, de Dordt-prijs, die
voor het eerst werd toegekend aan
Jan Fontijn voor diens biografie over
Frederik van Eeden
Tweespalt (1990). Door dezelfde stichting wordt een
Jaarboek voor de Biografie uitgegeven. In de reeks Open
Domein van de Arbeiderspers verschijnen biografieën van auteurs en
componisten. Sinds 1990 bestaat de Werkgroep Biografie, die is aangesloten bij
de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Deze werkgroep geeft het driemaal
per jaar verschijnende Biografie Bulletin uit.
Bijzondere vormen van de biografie zijn de
autobiografie, de
vie romancée en de
vite.
LIT: Abrams; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Fowler; Gorp; Hiller;
HWR; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; J.M. Romein.
De biografie (19512); S. Dresden. De structuur van de
biografie (1956); J. Anthierens e.a. Aspecten van de literaire
biografie (1990); J. Fontijn. De Nederlandse schrijversbiografie
(1992). [G.J. van Bork]
| |
blad-1
Periodiek verschijnende publicatie in de vorm van een
tijdschrift of
dagblad.
LIT: Hiller. [G.J. van Bork]
| |
blad-2, folio-2 of folium
Term uit de
bibliografie en
codicologie voor een bedrukt of beschreven
stuk
papier of
perkament in een boek of handschrift.
Vroeger werd in de drukkerij de term ‘blad’ wel gebruikt voor
‘vel’ (plano).
Hoewel een boek uit losse bladen kan bestaan (lumbecken), was het tot de Tweede Wereldoorlog gebruikelijk
dat bladen gevouwen werden uit een vel dat een aantal malen groter was dan het
blad. Door het vouwen van het vel ontstaan het
formaat van het boek en de grootte van het
blad.
Al naar gelang het formaat vormen één of meer
gevouwen vellen een
katern, dat na het opensnijden een aantal
dubbelbladen (dubbelblad) geeft die door de boekbinder
katerngewijs tot een
boekblok gebonden worden. Een foliokatern
(folio-1) telt twee bladen, een
kwarto-katern vier bladen, een boek in
octavo heeft acht bladen per katern enz.
Bij papieren bladen kan men uit de loop van de
kettinglijnen en de plaats van het
watermerk het formaat afleiden, bij
perkamenten bladen gaat dat minder gemakkelijk, al kunnen
liniëring en aalsporen voldoende
aanwijzingen geven.
Gedurende de Middeleeuwen telde men de bladen, na de Middeleeuwen
ging men over op het nummeren van de bladzijden. De voorzijde van het blad
noemt men de
recto-zijde, de achterkant de
verso-zijde. Voor de handschriftenperiode
gebruikt men doorgaans de benaming fol., kort voor folium (ook wel onjuist
weergegeven als folio), Latijn voor blad. Bij perkamenten bladen onderscheidt
men een
haarzijde en een
vleeszijde.
In een
codex of in een boek uit de handpersperiode
werd een blad aangeduid met de
katernsignatuur, een combinatie van een
letter en een cijfer, geplaatst in het
staartwit op de recto-zijden van de folia
uit de eerste helft (vaak ook de helft plus één) van het katern.
Ook
foliëring bovenaan op de recto's komt
wel voor; in dat geval ontbreken de katernsignaturen.
Vooral omdat er dikwijls weinig aandacht besteed werd aan een
correcte
paginering, is het in de bibliografie de
gewoonte om te verwijzen naar de bladnummering en niet naar de
paginering: met A1r(ecto) wordt dan pagina 1
van katern A bedoeld, met A1v(erso) bladzijde 2 van katern A; fol(ium) A2r is
pagina 3 van het A-katern enz. In de
opbouw- en
collatieformule van een boek wordt het
aantal bladen per katern aangegeven via een superscript cijfer. De
paginaformule in een bibliografische beschrijving wordt voorafgegaan door de
vermelding van het aantal bladen, welk aantal af te leiden is uit de opbouw- of
collatieformule.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; Scott; G.Th.
Tanselle. ‘The bibliographical description of paper’, in:
Studies in Bibliography 24 (1971), p. 27-67; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 7, 52, 332; P.M. van
Cleef. Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A.
Janssen (1974), p. 84-109; L. Gilissen. Prolégomènes à
la codicologie (1977); F.A. Janssen. Zetten en drukken in de achttiende
eeuw (19862), p. 151-152. [P.J. Verkruijsse/H. Struik]
| |
bladspiegel
Term uit de drukkerswereld en de codicologie voor de positie die
de
zetspiegel respectievelijk de geschreven
tekst inneemt op het blad (blad-2) papier. Voor het
bepalen van de fraaiste indeling van een
opening van een boek zijn diverse methoden
in omloop, maar er zijn zovele factoren medebepalend voor het eindresultaat
(afmetingen zetspiegel, grootte van de letter,
kop- en
voetregels, afmetingen van het
vel, al of geen marginale noten, e.d.) dat
er nauwelijks standaardregels vast te stellen zijn. Al uit de Oudheid dateert
de indeling, gebaseerd op de zgn.
Gulden Snede; recenter (1946) is de methode
van
Van de Graaf die door het trekken van
diagonalen en het oprichten van loodlijnen tot een aangename indeling van twee
tegenover elkaar liggende pagina's komt.
De bladspiegel in codices werd aangebracht via een vaak
ingewikkeld systeem van prikken (prik) en liniëring
(liniëren), aangepast aan de soort tekst die men
wilde schrijven.
LIT: BDI; Brongers; Gorp; Hiller; Lodewick; J.M.M. Hermans en G.C.
Huisman. De descriptione codicum (1981), p. 30-35; K.F. Treebus.
Tekstwijzer (19832), p. 149-150. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
bladzijde of pagina
Eén van de zijden,
recto- of
verso-zijde, van een blad (blad-2). Het
pagineren van de bladzijden van een boek is
van jonger datum dan het
foliëren.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller. [P.J. Verkruijsse]
| |
blank vers
Term die beschouwd wordt als een anglicisme (‘blank
verse’) en die fungeert als een aanduiding van een vers zonder
eindrijm. In de periode van renaissance en
classicisme, waarin schrijvers zich onderwierpen aan de toen geldende
normatieve poëtica waarin werd voorgeschreven aan welke regels en eisen
men zich diende te houden, kwam dit verschijnsel praktisch niet voor, al zijn
er experimenten bekend uit het
marinisme (hier te lande
Geeraerdt Brandt,
Hooft en
Huygens). Zelfs de rijmloze verzen van
Shakespeare werden toen in het
Nederlands op rijm vertaald, omdat eindrijm een absolute eis was voor goed
dichtwerk. In de loop van de 18e eeuw gaan schrijvers zich langzamerhand wat
los maken van de prescriptieve dwang en begint de opvatting veld te winnen dat
de individuele schrijver zelf bepaalt welke vormen hij kiest.
Aan het eind van de 18e eeuw gaat men het rijmloze vers beoefenen.
Een van de eersten in de Nederlandse literatuur die dit doet, is
J. Bellamy:
Ai zeg, gij stugge Wijsgeer,
Wat smaalt gij op mijn zangen
En noemt hen laffe dwaasheid?
Ik zing alleen van Liefde,
(
J. Bellamy. Gezangen mijner
jeugd, ed. Buijnsters, 1968, p. 5).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; L.C. Michels. ‘Klassieke maten en
rijmloze verzen in de 17e eeuw’, in: id. Filologische opstellen,
dl. 2 (1958), p. 298-304. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
blauwboekjes
De 17e- en 18e-eeuwse nazaten van laatmiddeleeuwse
volksboeken en
prozaromans. De naam gaat terug op de Franse
‘livres bleus’, zo genoemd naar de blauwe omslag, die sedert 1596
werden uitgegeven door
Nicolas I Oudot. De boekjes werden niet
via de boekwinkel, maar door leurders en
marskramers aan de man gebracht. De inhoud
is van velerlei aard en wordt gerekend tot de
triviaalliteratuur. In de 17e eeuw wordt
blauwboekje ook gebruikt in de zin van
pamflet-2.
LIT: Cuddon; Gorp; Hiller; G.D.J. Schotel. Vaderlandse
volksboeken (1874); Em. van Heurck en G.J. Boekenoogen. L'imagerie
populaire des Pays-Bas (1930); Em. van Heurck. De Vlaamsche
volksboeken (1943); L. Debaene. De Nederlandse volksboeken (1951).
[W. Kuiper]
| |
blazoen
Zinnebeeldig wapenschild van een
rederijkerskamer onderschreven met een
zinspreuk-2 of devies met behulp waarvan de
voorstelling geduid moest worden en waarmee aan de naam van de kamer een
diepere betekenis werd gegeven. Zo voerde de Amsterdamse kamer d'Eglentier als
blazoen Christus aan het kruis met de zinspreuk ‘In liefde
bloeyende’. Hierbij slaat ‘bloeyende’ zowel op de naam van de
kamer, d'Eglantier, de rozeboom die een bekend symbool van de liefde was, als
ook op Christus' bloedende kruiswonden. Overigens hangt Christus niet aan het
traditionele kruis, maar aan een eglantier die bovenin in een T-vorm is
vertakt.
LIT: Baldick; Cuddon; Laan; Metzler; MEW; Shipley; J.J. Mak. De
rederijkers (1944), p. 17-18; P. van Duyse. De rederijkkamers in
Nederland, dl. 1 (1900), p. 49-54, 61-66. [W. Kuiper]
| |
blinddruk
Druktechnische term voor de afdruk in het papier van niet
geïnkt zetsel als gevolg van opvulling van zetsel met letters in plaats
van met wit, òf van doordruk op een tweede vel papier bij het
vervaardigen van een
proefdruk, óf van het niet goed
inkten van het zetsel.
Als boekbindersterm wordt blinddruk ook gebruikt voor
blindstempeling.
LIT: Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden
(1962), p. 141-142 (afb. 5, 6, 23, 156, 157). [P.J. Verkruijsse]
| |
blindstempeling
Boekbindersterm voor stempelversiering in een leren
boekband zonder gebruik te maken van goud of
kleur. In plaats van blindstempeling wordt ook wel de term
blinddruk gebruikt, maar deze kan beter
gereserveerd worden voor de afdruk van niet geïnkt zetsel.
LIT: BDI; Feather; Hiller; Scott; De vijfhonderdste verjaring
van de boekdrukkunst in de Nederlanden (1973), p. 556. [P.J.
Verkruijsse]
| |
bliscappen
Zevental laatmiddeleeuwse toneelstukken, waarin de zeven vreugden
van de moedermaagd Maria gedramatiseerd worden. Alleen de eerste en de zevende
bliscap zijn bewaard gebleven. De zeven bliscappen werden tussen 1441 (volgens
anderen 1448) en ca. 1566 te Brusselopgevoerd in een cyclus van
zeven jaar. De bliscappen zijn verwant aan de Franse
mysteriespelen. Uit de regieaanwijzingen
blijkt dat de stukken met togen (toog) en muziek
gelardeerd werden.
LIT: LdMA; MEW; J. Deschamps. Catalogus van Middelnederlandse
handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (1972), p. 137-139;
W.H. Beuken. Die eerste bliscap van Maria en Die sevenste bliscap van onser
vrouwen (1973); R. Stein. ‘Nogmaals de datering van de Bliscappen van
Maria’, in: SpL 33 (1991), p. 73-78; R. Stein. ‘Cultuur en
politiek in Brussel in de vijftiende eeuw. Wat beoogde het Brusselse
stadsbestuur bij de annexatie van de plaatselijke ommegang?’, in: H.
Pleij e.a. Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de
Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen (1991), p. 228-243. [W.
Kuiper]
| |
bloemlezing, anthologie, chrestomatie of
florilegium
Selectie van teksten uit het werk van één of meer
auteurs, bijeengebracht in een afzonderlijke uitgave. Vaak hebben bloemlezingen
de pretentie een representatief beeld te geven van de literatuur van een
auteur, genre of periode, terwijl de smaak van de bloemlezer zo doorslaggevend
kan zijn dat het objectieve beeld daarachter verdwijnt. Er zijn bloemlezingen
die gebaseerd zijn op esthetische overwegingen met een duidelijk
programmatische inslag. Een goed voorbeeld daarvan is
Paul Rodenko's Nieuwe
griffels, schone leien (1963). Ook in De Nederlandse
poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige
gedichten (1979) van
Gerrit Komrij wordt duidelijk gekozen op
grond van persoonlijke esthetiek. Een bekende bloemlezing van poëzie is
voorts de Spiegel van de Nederlandse poëzie door alle
eeuwen (5 dln, 1947-1954) door
V.E. van Vriesland. In het
Spectrum van de Nederlandse letterkunde (25 dln,
1967-1972) heeft
M.C.A. van der Heijden getracht het meest
representatieve van de Nederlandse letterkunde in een bloemlezing bijeen te
brengen.
Bij een keuze van spreuken of zinswendingen uit klassieke auteurs
spreekt men bij voorkeur van een florilegium. Anthologieën waren
oorspronkelijk verzamelingen van Griekse epigrammen. De chrestomatie had
aanvankelijk de bijbetekenis dat het een bloemlezing betrof die voor het
onderwijs bestemd was.
Bijzondere vormen van de bloemlezing zijn het
epistolarium, de
analecta en de
digesta.
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Brongers; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Hiller; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
van Bork]
| |
blokboek
Term uit de analytische biografie voor een 15e-eeuws boek gemaakt
van
houtsneden. Aanvankelijk werden houtsneden
vervaardigd door vellen (vel) of bladen (blad-2) papier op een uitgesneden houten blok te leggen en er
met een tampon de inkt op af te wrijven. Meestal ging het om aan
één kant bedrukte (‘anopistografische’) vellen, omdat
men een inkt op waterbasis gebruikte, die door het papier heen ging. Door een
aantal van zulke vellen na het drukproces met de ruggen tegen elkaar te
plakken, ontstond wat men een blokboek noemt. Er wordt een onderscheid gemaakt
tussen puur xylografische (houtsnede) blokboeken,
waarbij houtsnede en tekst uit één blok gesneden zijn,
chiro-xylografische, waarbij de afbeeldingen houtsneden zijn, maar de tekst
handgeschreven is (zoals bij het Blokboek van Sint
Servaas, ed.
Koldewey en
Pesch, 1984) en typoxylografische, waarbij
de tekst bestaat uit losse gedrukte letters. Het oudst bewaard gebleven
blokboek in de Nederlanden dateert uit ca. 1451. Het merendeel van de
blokboeken werd geproduceerd tussen ca. 1470 en 1500.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Hiller; LdMA; Metzler; MEW;
Scott; Wilpert; L. Kohut. ‘Das Blokbuch, insbesondere die Biblia
Pauperum, ein Vorlaüfer des illustrierten Buches’, in:
Beiträge zur Inkunabelkunde. Dritte Folge 4 (1969), p. 112-122;
G.J. Jaspers. De blokboeken en incunabelen in Haarlems Libry (1988), p.
17-27. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
blurb of flaptekst
Uit het Engels afkomstige term ter aanduiding van de korte
reclameachtige tekst op het stofomslag of de achterflap van een boek, waarin
een korte, vaak lofprijzende samenvatting van de inhoud wordt gegeven. Simon
Vinkenoog gebruikte de term als titel voor zijn tijdschrift Blurb
(1950-1951).
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Scott. [G.J. van
Bork]
| |
blijde inkomst
De plechtige en feestelijke ontvangst van een landsheer of -vrouwe
in een stad die zijn feodaal bezit was, waarbij de wederzijdse rechten,
plichten, privileges en vrijheden opnieuw bevestigd werden. Bij uitbreiding ook
gebruikt voor welkomstgedichten die speciaal voor die gelegenheid - veelal door
rederijkers - gecomponeerd werden, zoals
Anthonis de Rooveres Blyde
incompste van Vrauw Margriete van Yorck,
Lucas de Heeres gedicht bij de intocht van
de prins van Oranje in Gent in 1577 of
Justus de Harduwijns dichtwerk bij de
blijde inkomst van
Ferdinand van Oostenrijkin dezelfde stad
in 1635, en als aanduiding voor het
charter waarin de nieuwe vorst en zijn
onderdanen hun goede wil en wederzijdse hulp uitspraken.
Een van de stedelijke activiteiten waarin de Amsterdamse kamer de
Eglentier een rol heeft gespeeld, is de intocht van
Willem van Oranje in
Amsterdam (17-19 maart 1580). Hiervan getuigt een pamflet,
Incomste van den doorluchtighen Vorst ende Heere mijn Heere den Prince van
Oraengien binnen der vermaerde coopstadt van Amsterdam den XVIIen Martij
1580. Veelal werd in dergelijke blijde inkomsten de propaganda rond de
prins in overleg met de kring rond Oranje verzorgd. Zo werd in de
intochtliederen, in pamfletten en allegorische prenten bij deze inkomst de
(religieuze) verdraagzaamheid gepropageerd.
Caspar Barlaeus dichtte in 1638 zijn
Medicea hospes ter gelegenheid van de grootse intocht van
Maria de Medicis in
Amsterdam; het werd door
Vondel vertaald als Blyde
inkomst der allerdoorluchtighste koninginne, Maria de Medicis. Van
Govert Bidloo is de Komste van
zyne majesteit Willem III. koning van Groot Britanje enz. in
Holland (1691). Een bibliografie van blijde-inkomstboeken is van
J. Landwehr: Splendid
ceremonies. State entries and royal funerals in the Low Countries
(1971).
LIT: I. von Roeder-Baumbach & H.G. Evers. Versieringen bij
Blijde Inkomsten gebruikt in de Zuidelijke Nederlanden gedurende de 16e en 17e
eeuw (1943); Blijde inkomst. Vier Vlaams-Bourgondische gedichten.
Ed. G. Degroote (1950); R. van Bragt. De blijde inkomst van de hertogen van
Brabant Johanna en Wenceslas (1956); D.P. Snoep. Praal en propaganda:
triumfalia in de Noordelijke Nederlanden in de 16de en 17de eeuw (1975);
Jochen Becker. [Recensies van Landwehr en Snoep], in: Quaerendo 7
(1977), p. 91-101; P.J. Buijnsters. Het verzamelen van boeken. Een
handleiding (19922), p. 211-213. [W. Kuiper/P.J.
Verkruijsse]
| |
blijspel of komedie
Dramatisch werk waarin op amusante wijze over gewone mensen in
alledaagse situaties gehandeld wordt. Meestal begint het blijspel met
verwikkelingen die naar een
climax-1 gevoerd worden en tenslotte naar
genoegen worden opgelost. Het komische daarbij wordt vaak bereikt doordat de
toeschouwer op de hoogte is van zaken waar de personages in het stuk nog achter
moeten komen, de zgn.
dramatische ironie. Het blijspel laat
menselijke fouten zien van een belachelijke kant en houdt op die manier de
toeschouwer een spiegel voor. De bedoeling van het blijspel is te amuseren,
maar vaak niet zonder te moraliseren.
Tot de meest gebruikelijke thema's behoren liefdesverwikkelingen
en menselijke ondeugden en zwakheden als schraapzucht, ingebeeldheid,
kleinzerigheid e.a. en types als de vrekkige oude man, de listige knecht, de
jonge man met liefdesverdriet e.d. Het blijspel ligt dicht bij de klucht (klucht-1), die echter korter en eenvoudiger van handeling
is.
In Nederland is het vroegste blijspel
Bredero's Moortje
(1615), een bewerking van
Terentius' Eunuchus.
P.C. Hooftheeft
Plautus' Aulularia
naar 's Landts gheleghentheyt verduytschet en gaf daarmee een voorbeeld van
creatieve
imitatio in zijn Warenar
(1617). Het thema van de vrek zou later door
Molière opnieuw worden benut voor
zijn blijspel L'avare (1668).
Pieter Langendijk onderging op zijn beurt
invloed van Molière, bijv. in Het wederzijdsch
huwelijksbedrog (1712). Men kan deze blijspelen classicistisch
noemen wegens hun navolging van klassieke voorbeelden of hun pogen om de
klassieke eenheden te volgen. Daartegenover staat het romantische blijspel,
zoals
Shakespeare dat schreef met bijv.
A midsummernight's dream (1595-1596) en The
merchant of Venice (1596), spelen waarin ook wat somberder
toonaarden worden aangeslagen. Het probleem met de term romantisch blijspel is
echter dat hierdoor verwarring kan ontstaan met het bijvoeglijk naamwoord
ontleend aan het periodebegrip romantiek, waarmee veeleer individualistische
tendensen in het blijspel worden beschreven. ‘Romantisch’ wordt
hier dan ook gebruikt in de zin van niet-klassiek. Als Nederlands voorbeeld van
een dergelijk romantisch blijspel kan
Bredero's Spaanschen
Brabander (1617) gelden, een bewerking van de schelmenroman
Vida de Lazarillo de Tormes (1554), die
Bredero in vertaling las. Ook
Rodenburghs bewerkingen van de stukken van
Lope de Vega zijn voorbeelden van
romantische blijspelen van dit type.
In de loop van de 18e eeuw, met de opkomst van het
burgerlijk drama, verandert ook de opzet en
inhoud van het blijspel. De pragmatische tendens blijft, maar de bouw van het
blijspel wordt vrijer. In Italië maakt
Carlo Goldoni (1707-1793) gebruik van de
improvisatie-elementen uit de
commedia dell'arte, die hij inpast in een
volledig uitgeschreven tekst, zoals in zijn L'uomo di
mondo (De volmaakte mens, 1738). In Nederland zijn na de 18e eeuw
weinig blijspelen van enig niveau geschreven. De eerste belangrijke
toneelschrijver is dan weer
Herman Heijermans, die zijn
Schakels (1903) een ‘vrolijk spel’ noemde en
Eva Bonheur (1916) ‘een genoegelijk
toneelspel’. Moderne schrijvers van blijspelen zijn o.m.
Annie M.G. Schmidt en
Dimitri Frenkel Frank.
Behalve de indeling in klassiek en romantisch blijspel, is er ook
een indeling op andere inhoudelijke elementen. Men spreekt van
karakter-blijspel of
comédie de caractère, wanneer
de hoofdpersoon een bepaald mensentype vertegenwoordigt, bijv. een vrek, een
intrigant of een opschepper. Daarnaast kent men het zedenblijspel of de
comédie de moeurs, waarin de sociale
code van een bepaalde groep of periode op de hak wordt genomen. En tenslotte is
er het intrigeblijspel of de
comédie d'intrigue, waarin
gecompliceerde verwikkelingen de plot bepalen.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert;
G.B. Tennyson. An introduction to drama (1967); E. Olson. The theory
of comedy (1968); H. van den Bergh. Konstanten in de komedie (1972).
[G.J. van Bork]
| |
bodeverhaal
Een bodeverhaal is een dramaturgisch hulpmiddel om door middel van
een boodschapper of een ander personage achteraf verslag uit te laten brengen
van gebeurtenissen die wel van belang zijn voor de
handeling in het
drama, maar die niet op het toneel vertoond
kunnen worden. De tekst van een kort bodeverhaal wordt wel
bericht genoemd. Enerzijds kan een element
uit de toneeltheorie, bijv. de eenheid van plaats (Aristotelische eenheden) of het verbod tot het afbeelden van
gruwelijke gebeurtenissen, een belemmering zijn om iets ten tonele te voeren;
anderzijds kunnen technische bezwaren een voorstelling in de weg staan, zoals
veld- of zeeslagen.
Vooral het klassieke drama maakt gebruik van de bode. Zo is er in
Vondels Gysbreght van
Aemstel (WB-editie, dl. 3, 1929, p. 520 e.v.) eigenlijk een
doorlopend bodeverhaal vanaf vs. 1093 in het vierde bedrijf (na de inleidende
woorden in vs. 1092: ‘Hoor toe, ick zal't verhaelen’) waar Arend
van Aemstel verslag begint te doen van de gevechten in Amsterdam. In het vijfde
bedrijf vanaf vs. 1294 neemt Gysbreght het verhaal over, waarna pas in vs.
1393-1520 de echte bode het verslag afrondt.
Verwant met het bodeverhaal is de
teichoskopie, waarbij iemand op het toneel
verslag doet van gebeurtenissen die zich tegelijkertijd buiten de scène
afspelen.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; Scott; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
boek
Een boek is een verzameling gevouwen vellen (vel;
katern) perkament of papier, die een
bibliografische eenheid vormen en die gebonden kunnen worden in een
boekband. Het middeleeuwse handgeschreven
boek wordt
codex genoemd. In principe kan een boek uit
één katern bestaan, maar als het blanco bladen betreft, wordt het
cahier genoemd; drukwerken van die omvang
heten pamflet (pamflet-1,
-2),
brochure-1 of
aflevering (van een seriewerk of
tijdschrift).
Een boekband die meer bibliografische eenheden bevat (convoluut;
verzamelhandschrift), wordt ook als boek
aangeduid, evenals in vroeger eeuwen een onderdeel van een literair werk (de
bijbelboeken e.d.). Tenslotte is boek een papiermaat voor 25 of 24 vel (het
twintigste deel van een riem).
Het boek als bibliografische eenheid werd tot in de 19e eeuw
gekenmerkt door een doorlopende reeks
katernsignaturen, al dan niet gecombineerd
met
foliëring of
paginering; vanaf de 19e eeuw wordt er
uitsluitend gepagineerd. De bestudering en beschrijving van boeken is onderwerp
van de
bibliologie (het boek als cultureel
verschijnsel), de
analytische bibliografie (het boek als
materieel object) en de
systematische bibliografie (beschrijving
naar inhoud).
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Krywalski; Metzler; MEW;
Wilpert; S.H. Steinberg. Five hundred years of printing
(19743); P.F.J. Obbema e.a. Boeken in Nederland. Vijfhonderd jaar
schrijven, drukken, en uitgeven (1979); E.L. Eisenstein. The printing
press as an agent of change; communications and cultural transformations in
early-modern Europe (1979); D. Diringer. The book before printing:
ancient, medieval and oriental (1982); H. van Krimpen. Boek over het
maken van boeken (1986); H. van Krimpen. Een boek is pas een boek als
het een boek is (1986); L. Febvre en H.-J. Martin. The coming of the
book. The impact of printing 1450-1800 (1990); S.L. Hindman (ed.).
Printing the written word; the social history of books, circa 1450-1520
(1991). [P.J. Verkruijsse]
| |
boekband
De taak van de binder is om een band om een boek te maken. Voor
hij echter daaraan toe is, moet hij de losse vellen eerst nog vouwen tot
katernen, of als dat al gebeurd is, moet hij
controleren of de katernen in de juiste volgorde liggen aan de hand van de
katern- of
binderssignaturen. Een bindfout heeft
gevolgen voor de volgorde van de tekst, maar is in de praktijk vrij gemakkelijk
te herstellen aan de hand van de katernsignaturen, de foliëring of
paginering. De binder brengt ook de rugtitel aan, evenals de vergulding van de
voor-, staart- en/of kopsnede. Versiering van de voorsnede was zinvol in de
tijd dat boeken met perkamenten banden met de rug naar achter in de kast werden
geplaatst.
Tot in de 19e eeuw, dus in de periode van de handpers, was het om
economische redenen de gewoonte om boeken in ongebonden toestand aan de
boekhandel te leveren. De klant gaf een binder opdracht om zijn exemplaar in te
binden. De uniforme papieren uitgeversband komt in de 18e eeuw (de oudst
bekende dateert van 1771), uitgezonderd het gebruik ervan voor het kleine
gedeelte van de oplage dat door de uitgever/drukker in zijn eigen winkel werd
verkocht. Het binden is lang handwerk geweest en als het om kleine hoeveelheden
of heel bijzondere banden gaat, wordt het nog steeds met de hand gedaan. Het
bindgaren wordt door de rug van de katernen geleid en om de touwen heen die op
de naaibank gespannen zijn. De katernen worden zo aan elkaar genaaid. Daarna
kan de band er omheen en kunnen de schutbladen bevestigd worden. De touwen
waarop de katernen genaaid zijn, hebben de ribben op de rug ten gevolge. Later
worden de touwen door een inkeping in de rug van de katernen weggewerkt. Als
opvulmateriaal wordt
maculatuur gebruikt: uit de ruggen en
platten van boeken komen soms interessante fragmenten van versneden teksten
(bv. in 1971 nog enkele 15e-eeuwse fragmenten van de
Reinaert uit een 16e-eeuwse band: KB Brussel Hs. IV
774).
De duurdere middeleeuwse boekband bestaat gewoonlijk uit houten
platten of borden, overtrokken met leer,
voorzien van beslag, sloten of gespen en soms ingelegd met goud en edelstenen.
De goedkope band is alleen een perkamenten omslag, de zgn. registerband. In
sommige bibliotheken werd aan de band een ketting bevestigd om diefstal te
voorkomen (vb.: de Librije inZutphen). Veel
bibliofielen lieten al hun boeken uniform
binden; op de band werd het familiewapen gestempeld. Eenvoudiger versiering in
de vorm van
blindstempeling kwam vaker voor, o.a. voor
bibliotheekbanden. Versiering met goudopdruk treft men aan sinds het einde van
de 16e eeuw. In het algemeen kan men stellen: hoe fraaier de band (marokijn,
saffiaan), hoe meer waardering er is voor de inhoud van het boek. Zo vindt men
in de 17e en 18e eeuw de mooiste banden om de bijbel, de Blaeu-atlas en de
werken van
Cats en
Camphuysen. Een bijzondere categorie
vormen de
prijsbanden.
Het hout voor de platten wordt geleidelijk vervangen door karton.
In de 19e eeuw komt de papieren en gekartonneerde uitgeversband. Ter
bescherming van de band gaat men er een stofomslag omheen doen of een cassette.
De opkomst van het goedkope
pocketboek en de
paperback betekent dat bij dit soort boeken
niet meer van de dure bindtechniek gebruik gemaakt kan worden: er wordt alleen
ingenaaid, waarna een omslag op de rug geplakt wordt (brocheren), óf de ruggen van de katernen worden
afgesneden, ingesmeerd met lijm en beplakt met het omslag (lumbecken) dat er steeds meer verkoopbevorderend uit gaat
zien. De ‘cover-art’, zoals de kunst van het ontwerpen van
boekomslagen wordt genoemd, is in
Nederland beoefend door o.a.
Kees Nieuwenhuijzen en
H. Berserik (Ooievaar-pockets),
Theo Kurpershoek (Salamander-reeks) en
Dick Bruna (Zwarte Beertjes).
Typografische verzorging, illustratie en band- of omslagontwerp zijn vaak in
één hand of worden in nauwe samenwerking tot stand gebracht.
Bekende bandontwerpers zijn o.a.
Helmut Salden en wat betreft de
art-nouveau-banden:
R.N. Roland Holst,
J.Th. Toorop,
G.W. Dijsselhof,
A.J. Derkinderen en
H.P. Berlage. Een beroemd Nederlands
boekbinder en bandverluchter uit de 17e eeuw is
Albert Magnus. De renaissancistische
bandversiering werd in de 16e eeuw vanuit Frankrijk in de Nederlanden
geïntroduceerd door
Chr. Plantijn.
De studie van de Nederlandse boekband is nog volop in
ontwikkeling. De resultaten daarvan kunnen interessant zijn, niet alleen voor
het opsporen van bindersateliers, maar ook voor de reconstructie van
privé- en openbare verzamelingen.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; HWR; MEW; Wilpert; Hendrik de
Haas. De boekbinder of volledige beschrijving van al het gene wat tot deze
konst betrekking heeft (1806); Ernst Braches. Het boek als Nieuwe Kunst
1892-1903. Een studie in Art Nouveau (1973); Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (1974‘2’), p. 146-153, 231-250; H.
de la Fontaine Verwey. ‘Amsterdamse uitgeversbanden van Cornelis Claesz
en Laurens Jacobsz’ en ‘De binder Albert Magnus en de verzamelaars
van zijn tijd’, in: id. Uit de wereld van het boek, dl. 2 (1976),
p. 33-48, 147-169; Aldren A. Watson. Boekbinden. Een ambachtelijk
instructieboek (1977); Dirk de Bray. Kort onderweijs van het
boeckenbinden (ed. K. van der Horst/C. de Wolf, 1977); Jan Storm van
Leeuwen. Vorstelijke boekbanden uit de Koninklijke Bibliotheek (1978);
Boeken in Nederland. Vijfhonderd jaar schrijven, drukken en uitgeven
(1979), p.49-50, 86-87, 95-96; Mirjam M. Foot. Studies in the history of
bookbinding (1978[=1979]); W.K. Gnirrep, J.P. Gumbert en J.A. Szirmai.
Kneep en binding. Een terminologie voor de beschrijving van de constructies
van oude boekbanden (1992); Goud en velijn, Middelburgse boekbanden van
de 17e tot de 19e eeuw (1992); J. Storm van Leeuwen. Europese boekbanden
anno 1995. Catalogus (...) tentoonstelling Koninklijke Bibliotheek (1996).
[P.J. Verkruijsse]
| |
boekbespreking zie
recensie
| |
boekblok
Term voor de aan elkaar genaaide
katernen van een boek, voordat de
boekband er omheen komt. Vanaf de 7e eeuw
was het algemeen gebruik om stevige koorden of in elkaar gedraaide stroken leer
of perkament dwars over de rug te leggen en daar het naaigaren bij het
doorwerken van elk katern omheen te draaien. De uiteinden van deze koorden
werden aan de
platten van de boekband bevestigd.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; H. Helwig. Einführung in die
Einbandkunde (1970); J.J.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione
codicum (19813), p. 73-75; H. van Krimpen. Boek over het
maken van boeken (19862), p. 197-199; W.K. Gnirrep, J.P. Gumbert
en J.A. Szirmai. Kneep en binding. Een terminologie voor de beschrijving van
de constructies van oude boekbanden (1992). [F. van Thijn]
| | | |
boekgeschiedenis zie
bibliologie
| |
boekletter zie
broodletter
| |
boekrol of volumen
In de Klassieke Oudheid de enige verschijningsvorm van het boek.
Voor een boekrol (Lat. volumen) werden vellen papyrus aan elkaar gelijmd tot
stroken van gemiddeld drie meter lengte (lengtes van 20 meter kwamen ook voor)
en 30 tot 40 centimeter breedte. Een boekrol werd beschreven in kolommen (Lat.
pagina), waarbij de regels in de lengterichting van de rol staan. Door de
boekrol links op te rollen en rechts af te rollen krijgt de lezer telkens
nieuwe kolommen te zien.
Vanaf de 2e eeuw n.Chr. werd de boekrol langzaam maar zeker
verdrongen door het boek in zijn huidige verschijningsvorm: de
codex. De werken van de klassieke, heidense
auteurs verschenen nog vaak als boekrol, maar christelijke teksten verschenen
altijd als codex.
De middeleeuwse boekrol was kleiner dan de antieke (oorkonden,
poëzie en toneelteksten). De tekst werd in één kolom over de
breedte van de rol geschreven en van boven naar onder gelezen.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Metzler; B. Engelhart en J.W. Klein.
50 eeuwen schrift (19882), p. 110. [H. Struik]
| |
boekschrift
Verzamelnaam voor die schrifttypen die gedurende de Oudheid en de
Middeleeuwen specifiek gebruikt werden voor het schrijven van boeken, dit in
tegenstelling tot
gebruiksschrift dat geen kalligrafische
(kalligrafie) pretenties heeft. Het Romeinse boekschrift
was de
capitalis rustica, een
majuskelschrift, het middeleeuwse
boekschrift een
minuskelschrift, gebaseerd op de
Karolingische minuskel. Het boekschrift in
de Nederlanden bestond uit de
littera textualis (de standaard boekletter
tot ca. 1400), de 15e-eeuwse
littera cursiva en de mengvorm van beide
schriftsoorten, de
littera hybrida. In de 15e-eeuwse
Bourgondische Nederlanden gebruikte men de cursieve
Bourgondische bâtarde. Met het
humanisme doet de
littera antiqua zijn intrede.
LIT: BDI; Hiller; E. Strubbe. Grondbegrippen van de
paléografie der Middeleeuwen (1964), p. 18; J.L. van der Gouw.
Oud schrift in Nederland (19802), p. 9-27; B. Engelhart en
J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882). [W. Kuiper]
| |
boekverluchting, illuminatie of verluchting
Om de waarde van het boek te vergroten, ging men er gedurende de
Middeleeuwen toe over boeken met stralende kleuren en schitterend bladgoud te
‘verlichten’. De eenvoudigste vorm van boekverluchting was de
zwarte inkt af te wisselen of door te halen (ophogen) met rode inkt (rubrum) of
verf (minium), vandaar
rubricatie en
miniatuur. Ingewikkelder zijn de gestileerde
afbeeldingen van planten en ranken, dieren, vissen en vogels, en gezaghebbende
auteurs als bijv. de evangelisten. Vanaf de 13e eeuw ging men ertoe over het
boek behalve te verluchten ook te illustreren, een ontwikkeling die samenhangt
met het zelfstandig lezen in plaats van voorgelezen worden. De illustratie kon
in de beginletter zijn verwerkt (gehistorieerde
initiaal-1), een afbeelding zijn van een
tekstpassage, bijv. de zgn. Walewein-miniatuur, maar kon ook de vorm
hebben van een groteske, marginale illustratie. De Middelnederlandse literaire
teksten bevatten nauwelijks illustraties, omdat ze bijna allemaal bedoeld waren
om uit voor te lezen. Rijk verluchte boeken, zoals het
getijdenboek, werden door de beste
kunstenaars voor de hoogste klasse gemaakt. De interpretatie van afbeeldingen
behoort tot het domein van de
iconografie.
Met de uitvinding van de boekdrukkunst werden de middeleeuwse
miniaturen nagevolgd door middel van houtsneden. In de incunabeltijd (incunabel) was het nog gebruikelijk het gedrukte boek te
verluchten als ware het een handgeschreven boek. Vanaf de 16e eeuw gaat de
illuminatie van het gedrukte boek zijn eigen weg via koper- en staalgravures.
Tegenwoordig is het niet ongebruikelijk een roman te verluchten met foto's van
een verfilming ervan. Een recente vorm van boekverluchting is de wervende
afbeelding op het omslag van paperback en pocketboek. Binnen de kinder- en
jeugdliteratuur wordt jaarlijks een prijs (het gouden of zilveren penseel)
uitgereikt voor het best verluchte kinderboek.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; L.M.C. Randall. Images in the
margins of gothic manuscripts (1966); Het geïllustreerde boek in
het westen van de vroege Middeleeuwen tot heden (1977); P.F.J. Obbema e.a.
Boeken in Nederland. Vijfhonderd jaar schrijven, drukken en uitgeven
(1979); F. Garnier. Le language de l'image au Moyen Age. Signification et
symbolique (1982); P. van Boheemen e.a. Het boek in Nederland in de 16e
eeuw (1986); J.M.M. Hermans. Middeleeuwse handschriften uit Groningse
kloosters (1988); A. von Euw. Karolingische verluchte
evangelieboeken (1989); S. Scott-Fleming. Pen flourishing in
thirteenth-century manuscripts (1989); H.L.M. Defoer. The golden age of
Dutch manuscript painting (1989); Kriezels, aubergines en takkenbossen;
randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de 15e eeuw. [W.
Kuiper]
| |
boekzaal
Benaming voor een geleerdentijdschrift, het eerst gebruikt door
Pieter Rabus voor zijn
Boekzaal van Europe (1692-1701). In dit tijdschrift
én in de Boekzaal der geleerde werelt (1705-1708)
verschijnt de eerste literaire kritiek in Nederland. Af en toe duikt tot in de
20e eeuw de titel ‘Boekzaal’ op in een tijdschrifttitel:
Boekzaal der heeren en dames (1762-1765);
Boekzaal voor onderwyzers der jeugd (1801);
Boekzaal der geleerde wereld, tijdschrift voor
letterkundigen (1811-1863); en het bibliografische tijdschrift
Boekzaal der geheele wereld (1925-1932).
LIT: MEW; Laan; J.J.V.M. de Vet. Pieter Rabus: een wegbereider
van de Noordnederlandse verlichting (1980). [P.J. Verkruijsse]
| |
boerde
Middelnederlandse benaming voor een korte komische, in versvorm
geschreven tekst, vergelijkbaar met het Franse
fabliau. De boerde kan worden beschouwd als
een subgenre van de
sproke, een van oorsprong Middelnederlandse,
niet duidelijk gespecificeerde verzamelnaam voor korte teksten bestemd voor de
voordracht. De benaming boerde staat vaak in
de titels, die overigens door een kopiist van het handschrift-Van Hulthem aan
de tekst toegevoegd kunnen zijn: Van eenre baghinen ene goede
boerde, Een bispel van .ij. clerken, ene goede
boerde (ed. Kruyskamp, 1957, p. 36-45) en Vanden cnape
van Dordrecht ene sotte boerde (ed.
Van Dijk e.a. Klein kapitaal uit
het handschrift-Van Hulthem, 1992, p. 104-112).
Jacob van Maerlant gebruikt de term
boerde in een negatieve toonzetting:
Karel [de Grote] es menech waerf
belogen
in groeten boerden ende in hogen
(
Jacob van Maerlant. Spiegel
historiael, ed.
De Vries en
Verwijs (1861-1879), IV1 1,
vs. 39-40).
Maerlant doelt hiermee helemaal niet op echte boerden, maar op
serieus bedoelde, maar verzonnen teksten over Karel de Grote, zoals
Karel ende Elegast. Door dit soort teksten boerden te
noemen, degradeert hij die (nl. van zijn concurrenten) opzettelijk en doet hij
ze af als niet-serieus en onwaar.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; C.
Kruyskamp. De Middelnederlandse boerden (1957); Ph. Menard. Contes
à rire (1983); L. Jongen (vert.). Van papen en hoeren, van
ridders en boeren. Tien middeleeuwse moppen (1995); F.J. Lodder. Lachen
om list en lust (1997). [H. Struik]
| |
bohémien
Type van de romantische kunstenaar die zich verzet tegen
maatschappelijke conventies door excentriek gedrag en kleding. De naam is
ontleend aan Bohemen, het land van oorsprong der zigeuners. Bohémien
heeft in het Frans dezelfde betekenis als ‘tzigane’ of zigeuner.
Onder invloed van de romantiek werd de kunstenaar steeds meer gezien (of zag
hij zichzelf) als het geniale individu dat niet langer gebonden was aan de
conventies van de burgerlijke maatschappij. Kunstenaars groepeerden zich, vaak
in de grote steden, tot kringen van gelijkgezinden, die met dédain
spraken over burgerlijk fatsoen en moraal, en die zich doelbewust van die
burgerlijke maatschappij onderscheidden in kleding en gedrag. In
Henri Murgers Scènes de
la vie de bohème (1849) werd het leven der bohémiens
in het Parijse Quartier Latin beschreven. Dat er grote belangstelling voor
bestond, bewijst het feit dat zowel
Puccini als
Leoncavallo er een gelijknamige opera over
schreven, La bohème (1896, 1897), op basis van het
boek van Murger.
Gérard de Nerval beschreef zijn
bohèmemilieu in La bohème galante (1852).
Tegen het eind van de 19e eeuw speelt onder invloed van het
symbolisme ook nog mee dat kunstenaars het
kunstmatige gaan benadrukken en ook van zichzelf geneigd zijn een kunstwerk te
maken. Daar raken
decadentie en bohème elkaar.
In Nederland kan men vlak voor de eeuwwisseling spreken van de
bohème van Tachtig (
Lodewijk van Deyssel,
Willem Kloos,
Albert Verwey e.a.). Daarna golden
individualisten als
Erik Wichman (1890-1929),
J.K. Rensburg (1870-1943) en
Apie Prins (1881-1958) als
bohémiens.
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; F. Carco. De Montmartre
au Quartier Latin (1927); H. Kreuzer. ‘Zum Begriff der
Bohème’, in: Deutsche Vierteljahrschrift 38 (1964), p.
170-208; M. Easton. Artists and writers in Paris. The Bohemian idea,
1803-1867 (1964); E. Endt. ‘De spanning tussen kunst en leven’,
in: Spektator 1 (1971-1972), p. 3-17. [G.J. van Bork]
| |
bombast
Term uit de stijlleer ter aanduiding van die vorm van de
hyperbool die wordt ervaren als ongepaste
overdrijving. Aangezien de bepaling van de grens tussen ongepaste en gepaste
overdrijving een subjectieve zaak van lezer en criticus is, kan men moeilijk
een algemeen geldig voorbeeld geven. Een samengaan van bombast en
cliché-1 leidt tot
retoriek.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Lodewick; Myers/Simms; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
Bourgondische bâtarde
Cursief (littera cursiva)
boekschrift, karakteristiek voor de boeken
die gedurende de 15e eeuw in het Bourgondische rijk geschreven werden. Omdat de
Zuidelijke Nederlanden deel uitmaakten van het Bourgondische rijk, werd deze
letter ook gebruikt in een aantal boeken met Middelnederlandse teksten, bijv.
de Brugse vertaling van
Christine de Pisans Le livre
de la Cité des Dames (1404-1407): De stede der
vrauwen (1475).
LIT: B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882), p. 170-175. [W. Kuiper]
| |
boustrophedon
Term uit de schriftgeschiedenis voor een wijze van schrijven
‘als een ploegende os’, d.w.z. niet uitsluitend van links naar
rechts of van rechts naar links, maar alternerend, dus de ene regel van links
naar rechts en de volgende van rechts naar links enz.
LIT: Brongers; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Metzler; Scott;
Shipley; Wilpert; I.J. Gelb. A study of writing (19632), p.
178. [P.J. Verkruijsse]
| |
boutade
Vorm van humor bestaande uit een korte, geestig bedoelde uitval
als teken van mishagen, schertsend en tegelijk schamper. De boutade kan de vorm
hebben van een
gezegde, zoals in de uiting ‘loop naar
de pomp’. Het verschijnsel heeft de beknoptheid gemeen met de
calembourg en de
paronomasia.
Dat een boutade ook wel eens wat langer kan uitvallen, bewijst het
bekende gelijknamige twaalfregelige gedicht van
P.A. de Genestet beginnend met de regel
‘O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen’ (Complete
gedichten, 19122, p. 128).
LIT: Buddingh'; Gorp. [G.J. Vis]
| |
bovenkast
Term uit de drukkerswereld waarmee aanvankelijk het bovenste
gedeelte van een letterkast werd aangeduid waarin o.a. de
kapitalen waren ondergebracht. Later is de
term gebruikt voor de letters uit de bovenkast, kapitalen dus, in tegenstelling
tot de kleine letters die met
onderkast aangeduid kunnen worden. Bij
handschriften spreekt men van majuskel (majuskelschrift), in tegenstelling tot de pas later opgekomen
kleine letter, de minuskel (minuskelschrift).
LIT: BDI; Philip Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 33-39; Cornelis Schook. Handboekje
voor letterzetters, boekdrukkers en correctors, 1854 & 1860, ed.-F.A.
Janssen (1981), p. 61-80; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e eeuw
(1982), p. 234-239; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p.
75-77. [P.J. Verkruijsse]
| |
brachycatalectisch
Term uit de prosodie ter aanduiding van een
catalectische versregel waarvan de laatste
voet volledig is weggevallen. Dit is het geval in de tweede regel van het
volgende verzenpaar:
Sprei uit uw vlerken, stille nacht!
O wolken! drijft voorbij!
(
H. van Alphen.
Bloemlezing, ed. Buijnsters, 1967, p. 64).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
brachygrafie zie
tachygrafie
| |
brachylogie
Term uit de stijlleer ter aanduiding van een onderdeel van de
brevitas uit de retorica. Deze retorische
figuur bestaat uit de weglating van zinsdelen om kortheid te betrachten, bijv.
‘Jong geleerd, oud gedaan’. Behalve in
gezegden komt de brachylogie ook in
literaire teksten voor, zoals in de volgende strofe uit Music
Hall van
P. van Ostaijen:
Zoveel in de maand bespaard,
Is dat niet je liefde waard?
(VW, Poëzie, dl. 1, 19653, p. 11).
Men zou het
asyndeton-1 als een vorm van brachylogie
kunnen beschouwen, evenals de - vaak met ongrammaticaliteit gepaard gaande -
ellips en het
zeugma.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR;
Lausberg; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
branche
Term uit de romanistiek voor een op zichzelf staande tekst die
deel uitmaakt van een groter geheel. Zo bestaat de (kern van de)
Roman de Renart uit een vijftiental afzonderlijke
verhalen (branches), geschreven door verschillend auteurs tussen 1174 en
1205.
LIT: Gorp; Laan; R. Bossuat. Le Roman de Renard (1967);
A.Th. Bouwman. Reinaert en Renart, het dierenepos Van den vos Reynaerde
vergeleken met de Oudfranse Roman de Renart (1991). [W. Kuiper]
| | | | | |
breviarium of brevier
Middeleeuwse verzamelnaam voor compilaties van bijbelse,
historische, medische, juridische, excorcistische enz. (Latijnse) teksten, tot
op zekere hoogte synoniem met
epitome en
digesta. De naam is blijven voortleven als
rooms-katholiek gebedenboek, welke benaming ook al gedurende de (late)
Middeleeuwen gebruikt werd, getuige de woorden van oom Ghijsbrecht als hij
Moenen verdrijft:
Fel gheest, dat sal ic u wel beletten!
Ick hebbe hier, meen ick, in minen brevier
acht of tien regulen in een papier.
Si selen u schier doen anders wrimpen.
(Mariken van Nieumeghen, ed.
Coigneau, 1982, vs. 992-995).
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Scott;
Wilpert. [W. Kuiper]
| | | |
brevitas
Term uit de retorica voor de stijlkwaliteit van de beknoptheid.
Brachylogie,
asyndeton en
zeugma zijn vormen van brevitas. Een te
grote beknoptheid kan echter leiden tot de ondeugd van de
obscuritas.
LIT: Gorp; HWR; Lausberg; E.R. Curtius. Europäische
Literatur und lateinisches Mittelalter (19738), p. 479-485; J.
Jansen. Brevitas. Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en stijl in de
renaissance (2 dln., 1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
brevitas-formule
Expliciete verklaring in een literair werk uit de mond van de
auteur-verteller dat in de tekst gebeurtenissen niet worden beschreven omdat ze
als overbodig worden ervaren en het publiek zouden vervelen. Met name in de
middeleeuwse literatuur wordt de brevitas-formule vaak toegepast, bijv.
Doe mochte men horen aneslaen
Ende die verse die daertoe hoorden
Ic seit oec in waren woorden
Ne ware oec ware ons te lanc
Wie daer der zielen vers zanc
Ende wie die zielen lesse zanc
(Van den vos Reynaerde, ed.
Lulofs, 19852, vs.
442-449).
[W. Kuiper]
| | | |
brief
Geschrift, naar de vorm bestemd om aan degene, aan wie het gericht
is, iets mede te delen. Heel lang is de brief het middel geweest voor
communicatie op afstand. Als geschreven welsprekendheid was de brief onderhevig
aan de regels van de poëtica of de retorica. Gedurende de Middeleeuwen
werd de brief als gevolg van de zich uitbreidende overheidsadministratie zelfs
zo belangrijk dat de poëtica zich dreigde te verengen tot
ars dictaminis, de kunst van het dicteren of
schrijven van brieven. Tal van handboeken met voorschriften voor diverse
soorten brieven werden samengesteld, ook nog in de periode van de renaissance
(de zgn. papegaaiboeken) en nog steeds in het kader van opleidingen tot
secretaresse, bijv.
J.A. Kolkhuis Tanke. Creatieve
zakenbrieven (1981). In renaissance en verlichting fungeert de vaak
in het Latijn gestelde geleerdenbrief om de nieuwste inzichten op
wetenschappelijk gebied te verbreiden.
De brief met haar typische onderdelen als adressering, datering,
aanhef en slotformule is door velen ook als literair genre gehanteerd.
Hoewel de brief in principe niet bestemd is voor publicatie,
houden tal van briefschrijvers er toch rekening mee dat hun brieven ooit
gepubliceerd worden of worden sommige brieven zelfs gecomponeerd met de
bedoeling ze te publiceren (bijv. de brieven van
Gerard Reve aan
Simon Carmiggelt). Fictionele
correspondentie treft men aan in de
18e-eeuwse
briefroman. Het
briefgedicht is meestal tot een ruimer kring
van lezers of toehoorders gericht.
Tal van brieven van geleerden en letterkundigen worden bewaard in
archieven, bibliotheken en musea. Een centrale registratie van brieven in een
aantal grote instellingen in Nederland is in 1984 van start gegaan: het
Nationaal Brievenproject, via
Pica beschikbaar als Catalogus Epistolarum
Neerlandicarum (CEN).
De oudste ‘literaire’ brieven zijn die van de
13e-eeuwse mystica
Hadewijch (ed.
Van Bladel en
Spaapen, 1954). Er zijn omvangrijke
brievenedities van Nederlandse letterkundigen tot stand gekomen, o.a. de
briefwisseling van
Constantijn Huygens door
J.A. Worp (1911-1917), de briefwisseling
van
P.C. Hooft door
H.W. van Tricht (1976-1979), die van
Bilderdijk door
J. Bosch (1955), de brieven van
De Schoolmeester door
M. Mathijsen (1987) en de briefwisseling
van
Ter Braak en
Du Perron (1962-1967). Bloemlezingen van
brieven door de eeuwen heen zijn Het hart op de tong
(1941 en 1957) van
W.Gs Hellinga en de
tentoonstellingscatalogus van het Nederlands Letterkundig Museum en
Documentatiecentrum Brieven in beeld (1976).
Het editeren van brieven stelt de editeur vaak voor heel speciale
problemen: deze zeer persoonlijke documenten moeten enerzijds zo authentiek
mogelijk gepresenteerd worden (inclusief gebrekkige formuleringen, grove
spelfouten en alleen voor de geadresseerde begrijpelijke vaagheden) en
anderzijds (door een uitgebreide zakencommentaar) toegankelijk gemaakt worden
voor niet ingewijden.
LIT: Baldick; BDI; Best; Cuddon; Curtius; Gorp; HWR; Laan;
Lausberg; LdMA; Lodewick; Mathijsen; Metzler; MEW; Myers/Simms; Ned.
Arch.-term.; Shipley; Wilpert; W. Hellinga. ‘Notities bij het overwegen
van het uitgeven van brieven’, in: NTg, Van
Haeringen-nummer (1970), p. 80-87; C. de Munck. De Nederlandse
briefstijl. Bibliografie van brievenboeken en andere handleidingen tot
het briefschrijven (1974); W. van den Berg. ‘Epistolariteit als
literair procédé’, in: Handelingen van het 33e
Nederlands Filologencongres (1975), p. 13-28; G. Ueding. Einführung
in die Rhetorik (1976), p. 74; Probleme der Brief-Edition (1977); W.
van den Berg. ‘Briefreflectie in briefinstructie’, in:
Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw 38 (1978), p. 1-22; Ch.M.G.
Berkvens-Stevelinck, S.A.J. van Faassen en C.A.J. Thomassen. ‘Het
nationaal brievenproject’, in: Dokumentaal 12 (1983), p. 117-122.
[P.J. Verkruijsse]
| |
briefgedicht of rijmbrief
Een meestal fictieve
brief in versvorm, gewoonlijk - in
tegenstelling tot de normale brief - bestemd voor publicatie of in ieder geval
voor een ruimer publiek.
Bekend is de rijmbrief die
P.C. Hooft in 1600 vanuit
Florenceschreef ‘Aen de Camer In Liefd' Bloeyende’ te
Amsterdam (P.C. Hooft. Gedichten, ed. Stoett, dl. 1,
1899, p. 5-10). Latere briefgedichten zijn van o.a.
Simon Vinkenoog,
Gerrit Kouwenaar en
Remco Campert (Brieven in
beeld, 1976, p. 146-153).
LIT: Best; Fowler; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Shipley;
Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
briefroman, briefwisselingsroman, epistolaire roman
of roman in brieven
Roman die bestaat uit de gefingeerde brieven van één
of meer fictieve personages. Vaak wordt in de briefroman gebruik gemaakt van de
editeursfictie, die de authenticiteit van de gewisselde brieven moet
bevestigen. Zo wordt bijv. in Clarissa (1748) van
Samuel Richardson de authenticiteit
voorgewend door het te laten voorkomen dat er iemand belast is met het
verzamelen van de gevoerde correspondentie om die na de dood van Clarissa uit
te geven, opdat ze als een waarschuwend voorbeeld kan gelden voor latere
generaties. Meestal wordt de editeursfictie in een voorwoord uiteen gezet.
Er laten zich drie typen briefromans of briefwisselingsromans
onderscheiden:
- De roman geeft uitsluitend de brieven van één
briefschrijver: A -> B (C, D, enz.). Dit type nadert heel dicht de
dagboekroman en is vergelijkbaar met de
ik-roman of
ik-vertelwijze. Voorbeelden daarvan zijn
Goethe's Die Leiden des jungen
Werthers (1774) en Majoor Frans (1874) van
A.L.G. Bosboom-Toussaint. In
Brieven van Abraham Blankaart (3 dln, 1787-1789) van
E. Wolffen
A. Deken is ook sprake van
één briefschrijver, maar hier met meer geadresseerden.
- De roman geeft de brieven die gewisseld zijn tussen twee
personages: A <=> B. Een Nederlands voorbeeld hiervan is Het
land, in brieven (1788) van
E.M. Post. Een bijzondere vorm van dit
type roman vormt de briefwisselingsroman waarin twee auteurs elk
één fictieve correspondent voor hun rekening nemen, zoals
S. Vestdijk en
H. van Eyk deden in Avontuur met
Titia (1949).
- De roman geeft de correspondentie van een groter aantal dan twee
briefschrijvers: algemene uitwisseling van brieven tussen A, B, C, D, enz. Soms
bestaat niet tussen alle correspondenten een rechtstreekse relatie. Voorbeelden
van dit type roman zijn
S. Richardson Pamela or virtue
rewarded (1740) en Clarissa;
Ch. de Laclos Les liaisons
dangereuses (1782);
E. Wolff en
A. Deken Historie van Mejuffrouw
Sara Burgerhart (1782).
Bij beide laatstgenoemde typen is er in feite sprake van een
wisselend
perspectief, ondanks het gebruik van de
ik-vorm in deze romans. Sommige auteurs zijn van mening dat het beter zou zijn
om alleen in het eerste geval te spreken van briefroman, terwijl bij romans met
meer correspondenten de term briefwisselingsroman op zijn plaats zou zijn.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW;
F.G. Black. ‘The technique of letterfiction in England from
1740-1800’, in: Harvard studies and notes in philology and
literature 15 (1933), p. 291-312; B. Romberg. Studies in narrative
technique of the first- person novel (1962); N. Würzbach. Die
Struktur des Briefromans und seine Entstehung in England (1964); W.
van den Berg. ‘Epistolariteit als literair procédé’,
in: Handelingen Nederlands Filologencongres 33 (1974), p. 13-28; L.
Versini. Le roman épistolaire (1979). [G.J. van Bork]
| |
briefwisseling zie
correspondentie
| |
briefwisselingsroman zie
briefroman
| |
Brits-Keltische roman, Britse roman of Keltische
roman
Verzamelnaam voor 12e- en 13e-eeuwse
ridderromans (hoofse
literatuur), gebaseerd op de
matière de Bretagne: Keltische
verhaalstof uit Bretagne,
Normandië,Engeland en Ierland. De
hoofdmoot van de Brits-Keltische literatuur bestaat uit Arturromans (Arturroman), welk genre gecreëerd werd door
Chrétien de Troyes (2e helft 12e
eeuw). Een Brits-Keltische, niet-Arturroman is de tragische liefdesgeschiedenis
van Tristan en Iseut, die in de twee geheel verschillende 12e-eeuwse versies
van Béroul en Thomas fragmentarisch is overgeleverd. De Tristanromans
worden vaak tot de Arturromans gerekend, maar het verhaal speelt zich af aan
het hof van koning Marc van Cornwall; ridders van het hof van koning Artur
spelen nauwelijks een rol.
Marie de France schreef een aantal
Lais, korte verhalen (lai) die eveneens tot de
Brits-Keltische roman gerekend worden.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; LdMA; MEW; F.P. van Oostrom (red.).
Arturistiek in artikelen (1978); De achterkant van de Ronde Tafel. De
anonieme Oudfranse lais uit de 12e en 13e eeuw, vert. en toegel. door L.
Jongen en P. Verhuyck (1985); K. Busby. ‘Arthur en Tristan’, in:
R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de middeleeuwen (1988), p.
102-120. [W. Kuiper]
| | | |
brocheren of innaaien
Term uit de drukkerswereld voor het naaien, lijmen of nieten, en
van een stofomslag voorzien van een boek. Dat betekent dus dat het boek niet
wordt voorzien van een harde band (boekband), maar dat
op de rug van het
boekblok een omslag van stevig papier
gelijmd wordt. Gebrocheerde boeken (paperback) werden
vaak niet opengesneden aan kop, staart en voorsnee. In de handpersperiode was
het de gewoonte boeken in losse
katernen te verhandelen; later verschijnen
van boeken vaak gebonden en gebrocheerde uitgaven naast elkaar.
LIT: BDI; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (1986), p. 197-199. [P.J. Verkruijsse]
| |
brochure-1
Naar het uiterlijk een genaaid (brocheren)
of geniet, dus niet gebonden, drukwerk van geringe omvang. Doorgaans telt een
brochure niet meer pagina's dan één katern van het
32o-formaat bevat (64 pagina's).
LIT: BDI; Best; Gorp; Hiller; MEW; Scott. [P.J. Verkruijsse]
| |
brochure-2
In de 19e eeuw heeft de benaming ‘brochure’ vrijwel de
plaats ingenomen van
pamflet-2, waardoor de brochure een actuele,
polemische inhoud kreeg. Tegenwoordig dient de brochure meestal wervende
doeleinden (reclame). De omvang van de pamflettaire brochure mag niet veel
groter zijn dan 64 pagina's (brochure-1).
Vb.:
W.F. Hermans' pamflet Annum
veritatis (1968), verschenen onder het pseudoniem
Pater Anastase Prudhomme S.J., kan men qua
omvang een brochure noemen.
Harry Mulisch' Soep lepelen met
een vork (1972) kan met zijn 82 pagina's beter aangeduid worden als
een pamflet in boekvorm.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Scott; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
Broederschap van het gemene leven zie
Moderne Devotie
| |
bron
Het materiële object (handschrift,
manuscript-2,
druk) waarin een letterkundig werk is
overgeleverd. Tegenwoordig beschikken wij meestal over de tekst zoals die door
de auteur geschreven, geredigeerd of persklaar gemaakt is. In dat geval is de
bron een
autograaf, een
typoscript of een door de auteur
gecorrigeerde
drukproef. Naarmate men echter verder
teruggaat in het verleden, wordt de onderzoeker geconfronteerd met
handschriften of drukken die onafhankelijk van de auteur geproduceerd zijn en
als gevolg daarvan allerlei afwijkingen ten opzichte van de originele tekst
bevatten. De studie van de bron waarin een tekst is overgeleverd, behoort tot
de taken van de
filologie.
In de moderne editietechniek spreekt men van documentaire bronnen,
waarvan de editeur de autorisatiegraad dient te bepalen voordat hij overgaat
tot het vaststellen van een basistekst als basis voor zijn editie.
LIT: BDI; Mathijsen. [wk/pv]
| |
bronnenproblematiek
De Middelnederlandse en - in mindere mate - de 17e-eeuwse
literatuur is overgeleverd in drukken en handschriften die vaak buiten de
auteur om tot stand gekomen zijn en daardoor allerlei afwijkingen ten opzichte
van de originele tekst vertonen. Het behoort tot de taken van de
filologie de bron waarin een tekst is
overgeleverd op zijn waarde te schatten. Na een inventarisatie van alle
overgeleverde bronnen wordt een stamboom (stemma)
opgesteld, waarin de onderlinge relatie van de bewaard gebleven bronnen
schematisch wordt weergegeven. Waar de bronnen ten opzichte van elkaar
verschillen (variant), wordt getracht door middel van
tekstkritiek tot de oorspronkelijke tekst te
komen. De hulpwetenschappen die de filoloog hiertoe ten dienste staan zijn de
codicologie voor het met de hand geschreven
boek, en de
analytische bibliografie-1 voor het gedrukte
boek.
Ook moderne bronnen stellen de filoloog en tekstediteur voor tal
van problemen in verband met de autorisatie (autoriseren). De autorisatiegraad van
paralipomena, klad- en netversies,
kopij,
proefdrukken en
drukproeven (al dan niet met
handschriftelijke correcties), tijdschriftpublicaties, drukken en herdrukken
dient vastgesteld te worden alvorens tot editeren overgegaan kan worden.
LIT: Mathijsen. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
broodletter of boekletter
Met broodletter wordt de
letter aangeduid waaruit de tekst van een
boek gezet wordt. Aan de broodletter worden meer eisen gesteld ten aanzien van
een goede leesbaarheid dan aan de lettertypen die bijvoorbeeld gebruikt worden
in het
voor- of
nawerk van een publicatie. Omdat het
leesonderwijs op de scholen tot diep in de 18e eeuw gericht was op de gotische
letter, treft men die - zeker in populair drukwerk - in het Nederlands tot in
de 19e eeuw als broodletter aan. Voor boeken in de Romaanse talen geldt de
romein als de broodletter.
LIT: BDI. [P.J. Verkruijsse]
| |
bruiloftslied zie
epithalamium
| |
bruiloftsspel
Rederijkerstoneel, subgenre binnen het
tafelspel, waarin onder het geven van
geschenken gethematiseerd wordt dat de bruidegom het wilde vrijgezellenleven
opgeeft en een verstandig huiselijk leven zal gaan leiden.
LIT: Gorp; W.M.H. Hummelen. Repertorium van het
rederijkersdrama, 1500-ca. 1620 (1968), p. 339; P. Pikhaus. Het
tafelspel bij de rederijkers. 2 dln. (1988-1989); H. Pleij. ‘Van
keikoppen en droge jonkers: Spotgezelschappen, wijkverenigingen en het
jongerengericht in de literatuur en het culturele leven van de late
middeleeuwen’, in: Volkskundig Bulletin 15 (1989), 3, p. 297-315.
[W. Kuiper].
| |
bucolische literatuur of pastorale
literatuur
Verzamelnaam voor literatuur die handelt over herders, hetzij
lyrisch (pastorale-1), episch (arcadia) of dramatisch (pastorale-2).
Kenmerken van alle bucolische literatuur - de term is ontleend aan
Vergilius'
Bucolica - zijn autobiografische allusies, het erin
voorkomen van het thema van de liefde en de dood, en het gegeven dat de herders
geen strijd om het bestaan kennen.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Wilpert; P.E.L.
Verkuyl. Battista Guarini's Il Pastor Fido in de Nederlandse dramatische
literatuur (1971), p. 10. [P.J. Verkruijsse]
| |
bucolische poëzie
Bucolische poëzie in strikte zin bestaat uit de
eclogen of Bucolica
van
Vergilius en de
translatio en
imitatio daarvan. Minder strikt opgevat, wordt
ze gelijkgesteld met de
pastorale-1 of het herdersdicht. Het
onderscheidende element van de bucolische poëzie ten opzichte van de
pastorale zou gelegen zijn in het feit dat de pastorale uit de Vergiliaanse
traditie in de hogere kringen speelt, waar men wel vee houdt, maar geen schapen
en geiten. Desalniettemin komen laatstgenoemde diersoorten wel degelijk voor in
de Bucolica.
J. van den Vondels translatio van
P. Virgilius Maroos Herderszangen (in proza 1646, in
poëzie 1660: WB-ed., dl. 6, 1932, p. 95-175) zou dan tot de bucolische
poëzie gerekend moeten worden.
LIT: Baldick; Buddingh'; Curtius; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
buitenspel
Term uit de dramaturgie voor een toneelstuk dat een ander
toneelstuk, het zogenaamde
binnenspel, omvat. De verhouding van het
binnenspel ten opzichte van het buitenspel wordt verantwoord als een opvoering
van het binnenspel aan de personages van het buitenspel, zoals in
Piramus en Thisbe (ca. 1518, ed.
Van Es, 1965). Een ander voorbeeld is
Naaman Prinche van Sijrien (1553, ed.
Hummelen en
Schmidt, [z.j.]), waarin het binnenspel
een droom is die door de hoofdpersoon van het buitenspel gedroomd wordt.
LIT: Knuvelder; G.A. van Es (ed.). Piramus en Thisbe. Twee
rederijkersspelen uit de zestiende eeuw (1965). [H. Struik]
| |
buitenvorm
Druktechnische term voor de
drukvorm die het zetsel bevat dat bij
seriatim zetten de pagina's van de
weerdruk oplevert. In de buitenvorm zitten
dus de eerste en laatste pagina van een
katern. Het zetsel dat de pagina's van de
schoondruk bevat, zit in de
binnenvorm. Buiten- en binnenvorm samen
bevatten het zetsel voor het gehele
vel dat - na bedrukt en gevouwen te zijn -
een katern vormt.
Het is bij het
collationeren van belang om te weten welke
pagina's tot dezelfde vorm behoren. Voor een
correctie op de pers in een bepaalde pagina
moet immers de gehele vorm
losgekooid worden, bij welke gelegenheid dan
ook andere, minder storende
zet- of
drukfouten in dezelfde vorm gemakkelijk
gecorrigeerd kunnen worden.
In de buitenvorm zitten bij
folio-1-formaat (in het eerste gepagineerde
katern van een boek)
bladzijde 1 en 4 of folium 1 (blad-2) recto en 2 verso. Bij
kwarto-formaat zijn dat bladzijden 1, 4, 5
en 8 of fol. 1r, 2v, 3r en 4v en bij
octavo-formaat de bladzijden 1, 4, 5, 8, 9,
12, 13 en 16 of fol. 1r, 2v, 3r, 4v, 5r, 6v, 7r en 8v, enz.
LIT: M.J. Pearce. A workbook of analytical & descriptive
bibliography (1970), p. 61-69; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 79-107; P.M. van Cleef. Handboek ter
beoefening der boekdrukkunst in Nederland (ed. F.A. Janssen, 1974), p.
84-109. [P.J. Verkruijsse]
| |
bulkboek
Boek dat door zijn eenvoudige uitvoering geschikt is om als
goedkoop massaproduct op de markt gebracht te worden. Juist door het streven
naar een zo voordelig mogelijke uitvoering verliest het bulkboek zijn karakter
van boek: het krijgt de vorm van een krant, gedrukt op krantenpapier. Het
bulkboek onderscheidt zich dan ook van het goedkope
pocketboek doordat het niet is ingenaaid of
gelumbeckt. Het goedkope uiterlijk impliceert niet dat een bulkboek
triviaalliteratuur bevat; de inhoud bestaat vaak uit de heruitgave van eerder
verschenen (literair) werk. Een voorbeeld is de serie BulkBoek van
uitgeverij Knippenberg, verschijnend sinds de jaren 1970 met Nederlandse
literaire werken in krantenvorm.
LIT: Brongers. [P.J. Verkruijsse]
| |
burgerlijk drama
Standendrama dat zijn stof put uit de problematiek van de burgerij
en dat met de groeiende invloed van deze klasse in de 18e eeuw terrein wint op
de klassieke tragedie en het blijspel met hun vaste eenheden van tijd, plaats
en handeling. Het burgerlijk drama is een genre tussen tragedie en blijspel in,
waarin de personages gekozen zijn uit de bourgeoisie en geplaatst worden in een
vaak ernstige, soms pathetische situatie. Hun handelingen en uitspraken moeten
de toeschouwer de zuiverheid van hun moraal tonen, waardoor ze hun
aanvankelijke misfortuin uiteindelijk overwinnen.
Omdat het burgerlijk drama vaak sentimentele trekken vertoont,
wordt het inFrankrijk ook aangeduid als ‘comédie
larmoyante’. In Engeland, waar de burgerij al vroeg haar
zelfstandigheid en zelfbewustzijn ontwikkelde, ontstond het burgerlijk drama
het eerst, met als bekendste vertegenwoordiger
Richard Steele met zijn
‘sentimental comedies’. In Frankrijk was
Diderot de belangrijkste verdediger en
schrijver van burgerlijk drama met o.m. Le fils naturel ou les
épreuves de la vertu (1757), en in Duitsland
Lessing met het naar Engels voorbeeld
geschreven Miss Sarah Sampson (1755).
In Nederland werd het burgerlijk drama, meestal in
vertaling, vooral geïntroduceerd door
Cornelis van Engelen (1722-1793). Hoewel
de problematiek van de bourgeoisie sedert de romantiek herhaaldelijk onderwerp
is geweest van het drama, met name in het naturalistisch toneel, lijkt het
verstandiger de term te reserveren voor het hier beschreven genre van het
18e-eeuwse toneel.
LIT: Best; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; J. Prinsen
J.Lzn. Het drama in de 18e eeuw in West-Europa (1931). [G.J. van
Bork]
| |
burleske literatuur
Verzamelnaam voor teksten die worden gekenmerkt door een
(gechargeerd) komische (humor) voorstelling van zaken.
Daarin wordt met name het grootse en verhevene gepersifleerd (persiflage), variërend van onderwerpen en thema's uit de
klassieke literatuur tot bepaalde genres of stijlverschijnselen van een auteur
of groep auteurs. Het genre volgt het procédé van de
pastiche.
Zo werd, in navolging van de Franse dichter en toneelschrijver
P. Scarron (1610-1660), in de tweede
helft van de 17e eeuw een soort poëzie in Nederland populair
die burlesk genoemd werd. Daarbij kan men globaal twee typen onderscheiden.
Enerzijds ziet men een verheven onderwerp in niet-verheven, c.q. platvloerse
stijl behandeld (vgl.
travestie), anderzijds wordt de omgekeerde
weg gevolgd (mock heroic). Men vindt beide
procédés verenigd in het volgende fragment van een sonnet van
Focqenbroch:
Laas! zal mijn onluk dan zijn wreedheid nimmer staken?
Zal dan mijn smart, dus lang gerezen in den top,
nooit dalen? Zal mijn ramp dan nimmer meer houden op,
maar steeds volharden in op mij zijn haat te braken?
Dus klaagde Phillis laatst met tranen op haar kaken
en wrong gelijk ontzind haar hagelwitte krop:
En rukte zoveel haar in één uur uit haar kop,
Dat m'er wel met fatsoen zes ballen van kon maken.
(
W. van Focqenbroch. De
geurige zanggodin, ed. Decorte, 1966, p. 11).
Over het algemeen is de humor eerder koddig of boertig dan
geestig. Als een burlesk auteur een
karikatuur maakt van een auteursstijl door
een bepaald werk (geheel of gedeeltelijk) op de voet te volgen, gaat de
pastiche over in de
parodie. Wordt het bewerkte origineel
opzettelijk verzwegen dan kan men te maken hebben met
plagiaat. Krijgt de
persiflage een fel spottend karakter dan kan
men spreken van een
satire.
Sommigen zien burleske literatuur als een vorm van
anti-literatuur, anderen beschouwen menige burleske tekst als een vorm van
literaire kritiek, zoals ook het geval is met de parodie. Dominant in de
receptie van lezers en critici is de opvatting van dit genre als een vorm van
vermaak. Als zodanig is deze literatuur nauw verwant aan de klucht (klucht-1/2) en de
revue.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Fowler; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; J.G. Riewald. ‘Parody as criticism’, in:
Neophilologus 50 (1966), p. 125-148, vooral 126; G.J. Vis. Johannes
Kinker en zijn literaire theorie (1967), p. 111, 312-313. [G.J. Vis]
| |
bijbels drama
Het bijbels drama uit de periode van de renaissance en barok
dramatiseert bijbelstof, bij voorkeur rondom bekende figuren en gebeurtenissen
uit het Oude (de zondeval, Kaïn en Abel, Jozef) of Nieuwe Testament
(verloren zoon). Het bijbels drama wijkt duidelijk af van het
geestelijk drama uit de Middeleeuwen en het
bijbelspel van de rederijkers dat vooral de
bedoeling had kerkelijke feesten te begeleiden en de christelijke
leerstellingen te verkondigen. Het bijbelse
schooldrama had een duidelijke didactische
functie.
In Nederland stuitte de op de bijbel gebaseerde
tragedie op verzet van de predikanten die van mening waren dat Gods woord op
geen enkele wijze bewerkt mocht worden. Met name
Joost van den Vondel trachtte zijn op de
klassieken geënte bijbelse helden tegen hen te verdedigen, o.a. in de
opdracht van Gebroeders (1640). Sindsdien heeft Vondel
een indrukwekkende reeks bijbelse drama's geschreven: Joseph in
Dothan (1640), Joseph in Egypten (1640; het
derde Josef-stuk, Sofompaneas of Joseph in 't
hof dateert van 1635), Salomon (1648),
Lucifer (1654), Jeptha (1659),
Koning David in ballingschap (1660), Koning
David herstelt (1660), Samson (1660),
Adonias (1661), Adam in
ballingschap (1664), Noah (1667). De
Frans-classicisten van
Nil Volentibus Arduum, met name
Andries Pels, veroordeelden de opvoering
van bijbelse drama's. Andere auteurs van bijbels drama zijn
Samuel Coster,
Abraham de Koningh en - in de 20e eeuw pas
weer -
Israël Querido,
Martinus Nijhoff en
Carel Scharten.
LIT: Best; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; W.A.P. Smit. Van Pascha
tot Noah, 3 dln. (1956-1962); K. Langvik-Johannessen. Zwischen Himmel
und Erde (19862); M.B. Smits-Veldt. Het Nederlands
Renaissance-toneel (1991), p. 31-33, 74-77, 84-86, 90-150. [P.J.
Verkruijsse]
| |
bijbelspel
Subgenre binnen het rederijkerstoneel, deel uitmakend van de
historiaelspelen die verhalende stof dramatiseren, en het
bijbels drama. Een bekend bijbelspel is
Naaman Prinche van Sijrien (1553, ed.
Hummelen en
Schmidt, z.j.).
LIT: W.M.H. Hummelen. Repertorium van het rederijkersdrama,
1500- ca. 1620 (1968); W.M.H. Hummelen. ‘The Biblical Plays of the
Rhetoricians and the Pageants of Oudenaarde and Lille’, in: Modern
Dutch Studies. Essays in honour of Peter King (1988), p. 88-104. [W.
Kuiper]
| |
bijdruk
Weinig gangbare bibliografische term voor een nieuwe
oplage. De term kan niet gelijkgesteld
worden met oplage omdat de eerste oplage van een
druk niet als bijdruk betiteld kan worden;
dat kan pas vanaf de tweede oplage die bij-gedrukt wordt. [P.J.
Verkruijsse]
| |
bijlage, aanhangsel, appendix of supplement
Aanhangsel van een boek (achterin het boek zelf of als
afzonderlijk deel) waarin díe informatie wordt ondergebracht die wel van
belang is voor het behandelde onderwerp, maar die bij opname tussen de tekst te
veel zou storen, zoals kaarten, tabellen met cijfermateriaal, prenten,
uitgebreide aantekeningen en citaten. Als er meer dan één bijlage
is, worden ze genummerd.
In de
archivistiek omschrijft men een bijlage als
een stuk dat bij een ander stuk is gevoegd, omdat het ten aanzien daarvan een
dienende functie vervult.
Een oneigenlijk gebruik van de term bijlage is de opdruk
‘Bijlage bij...’ op reclamefolders die met tijdschriftafleveringen
worden meegezonden.
Een werk met veel bijlagen is bijv.
H.W. van Tricht:
De briefwisseling van P.C. Hooft met in dl. 1
(1976) 15 bijlagen op p. 831-891, in dl. 2 (1977) 9 bijlagen op p. 979-997 en
in dl. 3 (1979) 9 bijlagen op p. 801-820.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Metzler; Ned. Arch.-term; Scott;
Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
Byronisme
Aanduiding van de navolging in de romantische literatuur van de
eerste helft van de 19e eeuw van het werk van de Engelse dichter
Lord G.G. Byron (1788-1824), die met
zijn individualistische vrijheidsidealen, zijn gevoelens van melancholie over
de onvervulbaarheid van het ideaal, zijn heldendom, wanhoop en cynisme, talloze
West-Europese bewonderaars en navolgers kende. In Nederland vond Byrons werk
gedurende een tiental jaren slechts een zwakke weerklank, onder meer in het
werk van de jonge
N. Beets, die hem vertaalde en navolgde
in José (1834), Kuser (1835)
en Guy de Vlaming (1836), in een periode die hij later
zou aanduiden als zijn ‘zwarte tijd’.
LIT: Baldick; Best; Gorp; Lodewick; Metzler; Shipley; T. Popma.
Byron en het Byronisme in de Nederlandsche letterkunde (1928); U.
Schults. Het Byronisme in Nederland (1929); H.E. van Gelder.
Hildebrands voorbereiding (1956). [G.J. van Bork]
| |
byzantinisme
Term uit de literaire kritiek waarmee doorgaans het type
literatuuropvatting wordt aangeduid dat gekenmerkt wordt door lege
vormendienst, pedanterie, haarkloverij en kleingeestige spitsvondigheid.
De byzantijnse letterkunde (330-1453) had oorspronkelijk de
navolging van de Griekse traditie als voornaamste kenmerk. Hierbij traden
veelal gecompliceerde vormen op die een beroep doen op de kennis van de lezer,
met positieve en negatieve kanten.
Naar aanleiding van het deels geleerde, deels verstarde karakter
van deze letterkunde merkt
Vestdijk in zijn opstel
‘Hedendaags byzantinisme’ op: ‘het symbool is het
sleutelbegrip van het Byzantinisme, in gunstige als ongunstige zin’.
Volgens hem botsen hierbij ‘onbeholpen primitiviteit en kunstmatig
raffinement’ op elkaar zoals dat in de periode van de byzantijnse
letterkunde ook het geval zou zijn. Kenmerkend acht hij ook het optreden van
‘desintegrerende en nivellerende’ elementen (De Poolse
ruiter (19582), p. 183-222).
LIT: Gorp; MEW; Preminger. [G.J. Vis]
| |
byzantijnse roman zie
Oosterse roman
|
|
|