|
|
|
| |
L
| |
lai
Een 12e- of 13e-eeuws Oudfrans verhaal in paarsgewijs rijmende
verzen van acht lettergrepen. De vraag wat een lai precies is, is nog nooit tot
ieders tevredenheid beantwoord. Het onderscheid tussen lai en
fabliau is niet volkomen duidelijk, omdat
dit laatste genre ook gedefinieerd wordt als een 13e-eeuws verhaal in
paarsgewijs rijmende achtlettergrepige verzen. Om dit probleem te omzeilen,
betrekt men de inhoud bij de definitie: lais zijn hoofs en sprookjesachtig,
fabliaux zijn eerder grofkomisch en boertig. In middeleeuwse handschriften
komen beide genres regelmatig naast elkaar voor.
De bekendste lais zijn de twaalf verhalen die rond 1170 geschreven
zijn door
Marie de France. Daarnaast is er nog een
aantal van andere auteurs overgeleverd.
In de lais van Marie de France is er sprake van twee soorten lais:
ten eerste de geschreven, ons overgeleverde verhalen in het Oudfrans, ten
tweede de gezongen, lyrische teksten van ‘Bretonse’, d.w.z.
Keltische oorsprong, waarop de auteur het verhaal gebaseerd zegt te hebben. Het
is onbekend of deze orale bronnen werkelijk bestaan hebben: voor veel
12e-eeuwse auteurs was het een retorische
topos om zich te beroepen op een oude, dus
goede traditie. Men zocht naar een autoriteit om het eigen werk meer gewicht te
geven. Het lyrische Keltische lai zou etymologisch verwant kunnen zijn aan ons
woord ‘lied’ (Oudgermaans
‘liod’, Iers ‘laid’).
De auteurs van lais hadden de gewoonte om te verwijzen naar de
‘matière de Bretagne’ (= Frans Bretagne,
Cornwall en Wales). Dit betekent meestal dat het
verhaal zich afspeelt in een sprookjesachtige, van oorsprong Keltische wereld
(Brits-Keltische roman), met dolende ridders,
feeën, reuzen, dwergen, magische bronnen, betoverde kastelen enz. Deze
wereld wordt vaak in verband gebracht met koning Artur (Arturroman), hoewel deze slechts in enkele verhalen een rol
speelt.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW;
Morier; Preminger; Scott; Shipley; Marie de France: Lais. Twaalf
liefdessprookjes uit de twaalfde eeuw, met een Nederlandse vert. door C.
Kisling en P. Verhuyck [z.j.]; De achterkant van de Ronde Tafel. De anonieme
Oudfranse lais uit de 12e en de 13e eeuw, vert. en toegel. door L. Jongen
en P. Verhuyck (1985). [H. Struik]
| | | |
lamineren
Het conserveren van een blad papier of perkament door het aan
weerszijden te beplakken met acetaatfolie. Deze techniek wordt tegenwoordig
niet meer toegepast, omdat het laminaat niet meer verwijderd kan worden zonder
onherstelbare schade aan te richten aan het papier of perkament. Een voorbeeld
van een gelamineerd handschrift zijn de Amsterdamse fragmenten van het
Roelantslied (ed.
Van Dijk, 1981), die bewaard worden in de
UB Amsterdam, onder signatuur I A 24I.
LIT: BDI; Hiller; Catalogus Spiegel van behoudenis; restauratie
van archivalia (1973), p. 24. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
landjuweel
Toneelwedstrijd tussen
rederijkerskamers in de 15e en 16e eeuw met
een bovenregionaal karakter. De wedstrijd had hierdoor een grootschaliger
karakter dan het
juweel, de toneelwedstrijd op plaatselijk of
regionaal niveau. Het landjuweel is beïnvloed door de schuttersfeesten,
waarbij de literaire afdeling van het schuttersgilde teksten declameerde en
soms toneel speelde. Een landjuweel duurde meestal enkele dagen en speelde zich
niet alleen binnenskamers af. Een publiek feest was bijvoorbeeld de intocht van
de deelnemende
rederijkers in de stad van de organiserende
kamer.
Over de landjuwelen van de 15e eeuw is minder bekend dan over die
van de 16e eeuw, die met veel pracht en praal gepaard gingen. In de 16e eeuw
nam men meestal op uitnodiging deel aan zo'n toernooi. In de uitnodiging waren
het reglement van het toernooi (de ‘kaerte’) en de vraag waar het
mededingende toneelstuk over moest gaan (zin)
geformuleerd. Het programma omvatte in de 16e eeuw altijd een
esbatement, een
factie en een
spel van zinne. De stukken werden door de
kamers zelf vervaardigd, meestal door de
factor. De prijs (het juweel) werd
uitgeloofd voor het beste esbatement. Soms werden de vertoonde spelen en de
voorgedragen gedichten gedrukt en uitgegeven, zoals die van het grootst bekende
landjuweel van Antwerpen in 1561. Dit feest duurde drie weken en
had ca. 1500 deelnemers.
Door sommigen wordt de term landjuweel uitsluitend gebruikt voor
een cyclus van wedstrijden, waarvan er voorzover bekend maar één
heeft plaatsgehad, namelijk tussen 1515 en 1561 en waarvan het Antwerpse feest
het slotstuk was. Deze term heeft in dat geval uitsluitend betrekking op het
hertogdom Brabant.
In het begin van de 20e eeuw is in België het landjuweel
nieuw leven ingeblazen in de vorm van een toneelconcours.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; J.J. Mak. De rederijkers
(1944), p. 90-97; G.Jo. Steenbergen. Het landjuweel van de rederijkers
(1950); E. van Autenboer. Het Brabants landjuweel der rederijkers
(1515-1561) (1981), p. 23-28; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven
in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in: id. Terugblik
(1986), p. 9-25. [H. Struik]
| |
landspel
Uit de 17e eeuw daterende benaming voor een in de vrije natuur
spelend toneelstuk, waarin geen herders (pastorale-2),
maar boeren optreden.
Vondel noemde zijn
Leeuwendalers (1647; WB-ed., Werken, dl. 5, 1931,
p. 261-353), een ‘lantspel’, omdat het op het Hollandse platteland
speelt, maar wellicht ook omdat het een spel voor het vaderland was, geschreven
naar aanleiding van de Vrede van Munster.
LIT: Laan; Lodewick; M. Groen. ‘Vondels Leeuwendalers,
vredespel en lantspel’, in: C. Alphenaar en C. Hamans (red.). Vondels
Leeuwendalers (1987), p. 30-36. [W. Kuiper]
| |
Langzeile
Middeleeuwse, van oorsprong Oudhoogduitse versvorm, niet gebaseerd
op het principe van de
alliteratie, maar op
eindrijm: twee- of drieregelige strofen van
volzinnen met
cesuur en vaak
binnenrijm. Deze versvorm werd ook in de
oudste Middelnederlandse epiek nagevolgd, niet alleen in de 13e-eeuwse
Middelnederlandse vertaling van het Nibelungen-epos (Nibelungenstrofe), maar ook in de 13e-eeuwse vertalingen en
bewerkingen van het Oudfranse
chanson de geste (
Aiol, Renout van Montalbaen,
Roelantslied), bijv.:
Daer was gereet die spise. vele ende diere genoech
Ay wat men al wiltbraets. ter cokenen wert droech
(Nibelungen-epos, ed.
Gysseling, 1980, vs. 1-2).
In de loop van de 13e eeuw wordt de epische Langzeile verdrongen
door de uit de Oudfranse literatuur overgenomen romanvorm (ridderroman): korte gepaard rijmende versregels met
rijmbreking en
enjambement, d.w.z. dat anders dan bij de
Langzeile het einde van een versregel of een rijmpaar niet noodzakelijk, of
juist bewust niet samenviel met het einde van de (vol)zin.
Buiten de epiek heeft de Langzeile zich langer gehandhaafd, bijv.
in het 14e-eeuwse - door het Nibelungen-epos geïnspireerde -
wensdicht Vier heren
wenschen (ed.
Blommaert, 1838-1851):
Het saten heren viere, in eenre salen wijt
Bi enen sconen viere, ende corten haren tijt
Si aten ende si dronken, si leiten heren leven,
Si wouden viere die beste, van alder werelt wesen
en in de lyriek, bijv.
Het daghet inden oosten, het lichtet overal;
Hoe luttel weet mijn liefken, och, waar ick henen sal.
(
G. Komrij (red.). De
Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige
bladzijden,1994, p. 984-987).
LIT: Bantel; Best; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; E. van den Berg.
Middelnederlandse versbouw en syntaxis. Ontwikkelingen in de versifikatie
van verhalende poëzie ca. 1200 - ca. 1400 (1983), p. 155-190. [W.
Kuiper]
| |
lapidarium
Systematische beschrijving van edelstenen en van hun
veronderstelde magische en geneeskundige krachten. In de Oudheid kende men al
lapidaria: het 37e boek van
Plinius' Historia
naturalis is de bekendste.
Isidorus van Sevilla (560-636) sluit aan
op deze klassieke traditie.
Marbodus van Rennes (1035-1123) was de
auteur van de De lapidibus, welk werk aan het begin stond
van de Franse en Anglo-Normandische traditie en veel invloed had op vertalingen
en bewerkingen van lapidaria in de volkstaal die vanaf de 12e eeuw voorkomen.
In de proloog op de Historie van Troyen (ca. 1260) claimt
Jacob van Maerlant het auteurschap van
‘den corten lapidarys’ (ed.
De Pauw, 1889, vs. 60), die niet is
overgeleverd. Wel bleef van hem over dezelfde materie het 12e boek van
Der naturen bloeme (ed.
Verwijs, dl. 2, 1878) bewaard. Lapidaria
rekent men tot de
artes-literatuur.
LIT: Baldick; Best; LdMAZ; Metzler; MEW; Wilpert; M.J.M. de Haan.
‘Illustrations of gems in the Leiden Manuscript of “Der naturen
bloeme”’, in: Neerlandica manuscripta. Essays presented to G.I.
Lieftinck, dl. 3 (1976), p. 71-79; F. van Oostrom. Maerlants wereld
(1996), p. 170-184. [H. Struik]
| | | | | | | |
laus
Publieke lofprijzing, en als zodanig onderdeel van enkele
literaire genres. Uiteraard vormt laus het hoofdbestanddeel van de
laudatio, maar ook binnen de
mortuaire literatuur, met name de
funeraire poëzie, is zij vrijwel altijd
aanwezig (zij vervult de functie van
narratio) naast de
luctus (klacht) en
consolatio (vertroosting).
LIT: Lausberg; S.F. Witstein. Funeraire poëzie in de
Nederlandse renaissance (1969), p. 106-107. [P.J. Verkruijsse]
| |
lay-out
Term uit het uitgevers- en drukkersbedrijf voor de voorbereiding
van de
kopij op een zodanige wijze dat alle
technische aanwijzingen worden gegeven die tot het uiteindelijke gedrukte
resultaat moeten leiden. De lay-out heeft betrekking op opmaak of
mise-en-page, letterkeuze, formaat, papier,
kleurgebruik, illustraties,
boekband, omslag enz. De functie van de
lay-out is niet alleen gericht op een overzichtelijke en goed leesbare tekst,
maar vooral ook op een esthetisch geheel. Veel uitgeverijen hebben mensen in
dienst die speciaal met de lay-out van het fonds zijn belast. In Nederlandse
uitgaven wordt behalve van lay-out ook wel van ‘boekverzorging’ of
‘vormgeving’ gesproken. Vaak wordt in het colofon of op de
verso-zijde van de titelpagina de naam van de boekverzorger of vormgever
vermeld. Bekende boekverzorgers zijn
H. Salden,
J. Schrofer,
A. Verberne en
J. van de Woestijne.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het
maken van boeken (1966); Boeken in Nederland. Vijfhonderd jaar
schrijven, drukken, en uitgeven (1979); Grote Winkler Prins, dl. 13
(19818); S. Morison. Grondbeginselen der typografie (1983).
[G.J. van Bork]
| | | |
lectuur
Oorspronkelijk alles wat dient om gelezen te worden, maar soms ook
als aanduiding van wat als louter leesstof ter verpozing dient en in die zin
tegengesteld aan de ‘literatuur’. In die laatste betekenis kan
lectuur een synoniem zijn voor
triviaalliteratuur.
LIT: Anbeek/Fontijn; Best; Gorp. [G.J. van Bork]
| |
leerdicht
Tot de
didactische literatuur behorend genre dat de
bedoeling heeft om in de vorm van poëzie lering te verstrekken (utile dulci). In de Middeleeuwen worden leerdichten geschreven
door o.a.
Jacob van Maerlant en
Jan van Boendale. De grote didacticus
van de renaissance is
Jacob Cats, die de christelijke ethiek
van de nieuwe Republiek op een veel breder publiek richtte dan
Coornhert eerder in proza had gedaan. Op
hoog theologisch niveau staat het leerdicht
Altaergeheimenissen (1645) van
Vondel. In later tijd kan
Bilderdijks Ziekte der
geleerden tot de leerdichten gerekend worden. Veel, zo niet alle,
geestelijke lyriek kan tot het leerdicht gerekend worden.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Laan; Metzler; MEW; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. Nederlandse
literatuur in de tijd van Rembrandt (1994), hoofdstuk III-IV. [P.J.
Verkruijsse]
| |
leerrede
Term uit de
retorica voor dat type redevoering (rede) waarin de didactiek een belangrijke rol speelt. Nadat
zich in de klassieke oudheid de pleitrede en de politieke rede (genus deliberativum) hadden ontwikkeld, kwam in het
christelijk tijdperk de kerkelijke leerrede op, waarvan de
preek het meest bekende voorbeeld is. Voor
sommigen zijn leerrede en preek synoniem.
LIT: Laan; Leeman/Braet. [G.J. Vis]
| |
leesdrama
Dramatekst die niet bedoeld is voor opvoering, maar bestemd om te
worden gelezen, bijv. Mariken van Nieumeghen (ca. 1515).
Bij uitbreiding ook gebruikt voor dramateksten die in de praktijk uitsluitend
geschikt blijken om te worden gelezen. De kenmerken van het leesdrama moeten
dan ook gezocht worden in de mate waarin het onmogelijk is om het drama
daadwerkelijk op te voeren. Zulke kenmerken zijn bijv. het ontbreken van
aanwijzingen binnen de tekst om een locatie te verwezenlijken, de lengte van
het stuk die opvoering in de praktijk niet goed mogelijk maakt, het gebrek aan
handeling, het grote aantal (soms inactieve) personages of de ingewikkelde
zinsbouw die de begrijpelijkheid bij het publiek in de weg staat. Voorts kan de
gecompliceerdheid van de
plot een belangrijke factor zijn. Door
Hogendoornwerd het ontbreken van
simultaneïteit in de dialogen aangewezen als een van de belangrijkste
kenmerken van het leesdrama.
Het genre werd graag en veel beoefend door de Engelse romantici
(het zgn. ‘closet drama’ van auteurs als
Byron,
Shelley,
Keats en
Wordsworth). Andere voorbeelden van
leesdrama's zijn
Goethe's Faust II
(1831), Frederik van Eedens De broeders (1894) en
Albert Verwey's Johan van
Oldenbarnevelt (1895).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; W.
Hogendoorn. Lezen en zien spelen (1976); W. Kuiper. ‘Mariken van
Nieumeghen: een gerenoveerd Maria-mirakel’, in: Spektator 15
(1985-1986), p. 249-267. [G.J. van Bork]
| |
leeseditie
Een door een editeur bezorgde
editie van één of meer teksten
bestemd voor een breed publiek. De leeseditie dient de tekst voor dat grotere
publiek zo toegankelijk mogelijk te maken. De ideale leeseditie is gebaseerd op
het voorwerk van een
historisch-kritische editie en bevat een
betrouwbare en volledige tekst, een goede verantwoording van die tekst en -
zeker bij oudere teksten - een
woord- en
zakencommentaar.
Bij modernere teksten kan soms volstaan worden met een inleiding
waarin bepaalde aspecten van die tekst voor de niet-gespecialiseerde lezer
worden verklaard.
Een voorbeeld van een leeseditie op basis van een
historisch-kritische editie is de uitgave van
Nijhoffs Verzamelde
gedichten (1990) door
W.J. van den Akker en
G.J. Dorleijn.
De grenzen tussen de leeseditie, de
schooleditie en de
studie-editie zijn vloeiend. De door Querido
uitgegeven Griffioenreeks is een voorbeeld van de uitgave van teksten uit het
verleden die voor een groot publiek toegankelijk zijn gemaakt door ze in
hedendaags Nederlands te ‘vertalen’.
Willem Wilmink heeft samen met
W.P. Gerritseneen editie gemaakt van
De reis van Sint Brandaan (1994, met vertaling in
hedendaags Nederlands) en met
Theo Meder een soortgelijke uitgave van de
Beatrijs (1995).
LIT: Mathijsen. [G.J. van Bork]
| |
leesgezelschap of leeskring
Particuliere vereniging die zich ten doel stelt om uit de door de
leden betaalde contributies en andere inkomsten boeken en tijdschriften aan te
schaffen en deze onder de leden ter lezing te laten circuleren. Het
lidmaatschap en de verplichtingen van de leden werden in wetten nader geregeld.
Contributie, een boetestelsel en de uiteindelijke verkoop van de eerder
aangeschafte boeken (meestal aan de leden zelf) verschaften het geld voor
nieuwe aankopen.
De oorsprong van deze gezelschappen ligt in de tweede helft van de
18e eeuw toen ze over geheelNoordwest-Europa en de Verenigde
Staten verspreid voorkwamen. Het lezen stond aanvankelijk centraal. Het
ging toen nog om kleine, 10 tot 15 leden tellende leeskringen, die gevormd
waren uit de hogere bourgeoisie en waarin teksten gelezen en
geïnterpreteerd en voordrachten gehouden werden. Later worden deze
gezelschappen groter (50 of meer leden) en ligt de nadruk minder op het sociale
contact en het samen lezen van teksten, maar meer op de uitleenfunctie.
Het ontstaan van de leesgezelschappen wordt over het algemeen
gezien als een uitvloeisel van de verlichtingsdenkbeelden en het verlangen naar
geestelijke en zedelijke ontwikkeling. In hoeverre hierbij de voorbeeldvorming
van de zogenaamde bijbelkringen, waarin bijbelteksten geïnterpreteerd en
besproken werden, een rol speelde, is onzeker. Bekend is wel de roman van
P. van Limburg Brouwer Het
leesgezelschap te Diepenbeek (1847), waarin een leesgezelschap
wordt geschilderd waar bijbellezing en -interpretatie een rol speelt en tevens
over de theologische vraagstukken van de dag wordt gediscussieerd.
Rond 1800 moeten er volgens
Buijnsters ongeveer 300
leesgezelschappen geweest zijn, die over heel Nederland verspreid
waren. Veel is er over deze gezelschappen tot nu toe niet bekend, maar van het
Leidse gezelschap Miscens Utile Dulci (1780-1883) is het hele archief bewaard
gebleven. In de tweede helft van de 19e eeuw neemt het aantal leesgezelschappen
sterk af en tegen het einde van de eeuw zijn ze vrijwel verdwenen.
Door de leesbevorderende activiteiten van het Nederlands
Bibliotheek en Lektuur Centrum (NBLC), de stichting Literaire Salon en de
Stichting Lezen kennen de leeskringen - nu ook leesclubs of literatuurclubs
genoemd - sinds de jaren '70 van de 20e eeuw weer een opleving. Deze leesclubs
zijn vaak gelieerd aan vrouwenorganisaties of plaatselijke bibliotheken. Onder
professionele begeleiding van leeskringleiders wordt in tientallen kringen
gediscussieerd over gezamenlijk gelezen literaire werken.
Enigszins verwant met het leesgezelschap is in onze tijd de
leesportefeuille op commerciële grondslag.
LIT: Best; Metzler; A.J. Verschoor. ‘Een Haarlems
leesgezelschap’, in: NTg 61 (1968), p. 157-161; P.J. Buijnsters.
‘Lesegesellschaften in den Niederlanden’, in: O. Dann (red.).
Lesegesellschaften und bürgerliche Emanzipation: Ein Europäischer
Vergleich (1981), p. 143-158; J. van Goinga-van Driel. ‘Nuttig en
aangenaam: leesgezelschappen in 18e eeuws Leiden’, in: Boeken
verzamelen: opstellen aangeboden aan Mr. J.R. de Groot (1983), p. 165-181;
P. van Zonneveld. ‘Het leesgezelschap Miscens Utile Dulci te Leiden in de
periode 1830-1840’, in: Boeken verzamelen (1983), p. 345-356; M.
Mathijsen. Het literaire leven in de negentiende eeuw (1987), p. 44-54;
G. van Dalen. Twintig jaar literatuurclubs in Drenthe. Een evaluatie
(1990); W. van den Berg. Concordia. Een Veenendaals leesgezelschap
1858-1943 (1992); M. van der Bijl. Leeslust baart kunde: 200 jaar
leesgezelschap in Alkmaar (1993); L. Duyvendak. Het Haags
Damesleesmuseum 1894-1994 (1994); H. Brouwer. Lezen en schrijven in de
provincie. De boeken van Zwolse boekverkopers 1777-1849 (1995). [G.J. van
Bork/P.J. Verkruijsse]
| |
leeskring zie
leesgezelschap
| |
leesteken zie
interpunctie
| |
legendarium
Latijnse benaming voor een verzameling van heiligenlegenden die
gedurende de Middeleeuwen zijn samengesteld. Het beroemdste legendarium is de
Legenda Aurea van
Jacobus de Voragine (ca. 1230-1298).
Hierin zijn de heiligenlevens chronologisch geordend aan de hand van de
heiligendagen op de liturgische kalender. Een legendarium geeft niet alleen
informatie over het leven der heiligen en hun
exempelen, maar bevat ook een schat aan
gegevens over kerkelijke feesten en gebruiken. In zekere zin zijn
martelaarsboeken ook te beschouwen als
legendaria omdat hierin de levens van de vroegchristelijke martelaars zijn
samengebracht. De Vitae Patrum, de levensberichten van Oosterse heiligen,
woestijnvaders en martelaars, zijn in de loop der eeuwen uitgegroeid tot vele
dikke delen.
LIT: Best; Brongers; Wilpert; J.J.A. Zuidweg. De duizend en een
nacht der heiligenlegenden. De Legenda Aurea van Jacobus de Voragine
(1948); P. Petitmengin [e.a.]. Études Augustiniennes, 2 dln.
(1981). [H. Struik]
| |
legende
Term uit de genreleer voor een verhaal in versvorm of in proza
rond het leven van een heilige, een martelaar of over heilige voorwerpen, rond
Christus of rond Maria (Marialegende). Oorspronkelijk
werd op de geboortedag van een heilige in kerk en klooster over zijn leven
verteld. Deze verhalen werden steeds meer uitgebreid en gingen een eigen leven
leiden.
Een legende is minder uitgebreid dan een
hagiografie, maar de precieze grens tussen
de twee is niet nauwkeurig aan te geven. Veelal reserveert men de termen
legende en mirakel voor episoden uit het leven van een heilige: de bekering, de
marteldood of wonderen op het graf. De inhoud van legenden werd ook gebruikt in
exempelen, verhalen die dienden ter
illustratie van een gestelde these.
Daarnaast is de legende verwant aan het
mirakelspel, maar de lering van het
beschrevene speelt een grotere rol dan de wonderen die erin gebeuren. Ook zijn
er overeenkomsten met de
mythe, die een bovennatuurlijke,
niet-menselijke hoofdpersoon heeft en met de niet-religieuze genres
sprookje en
sage.
Veel legenden zijn schriftelijk overgeleverd, bijv. in
Vincentius van Beauvais'
Speculum Historiale en afzonderlijk, zoals de Sint
Servaeslegende en Van Tondalus Vysioen. De
meest vermaarde bundel legenden is de ook in het Middelnederlands vertaalde
Legenda aurea van
Jacobus de Voragine (ca. 1230-1298).
De term legende wordt in overdrachtelijke zin gebruikt voor
verhalen die niet rond een christelijk thema spelen, maar die op
volksoverlevering berusten en waarvan het waarheidsgehalte enigszins
twijfelachtig is. Zo verschenen van
Couperus verschillende verhalen onder de
titel ‘legende’, en bewerkte
Hugo Claus een boek tot een toneelspel
met als titel De legende en de heldhaftige, vrolijke en roemrijke
avonturen van Uilenspiegel en van Lamme Goedzak in Vlaanderen en
elders (1965).
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Hiller; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; C.G.N. de Vooys.
Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de
prozateksten en het volksgeloof der middeleeuwen (19262); H.
Rosenfeld. Legende (19723); A.B. Mulder-Bakker en M.
Carasso-Kok. Gouden legenden. Heiligenlevens en heiligenverering in de
Nederlanden (1997). [H. Struik]
| |
legger, exemplaar-2 of Vorlage
Term uit de
filologie voor het handschrift c.q. de druk
die als kopij dienst deed voor respectievelijk de kopiist of de zetter. In de
praktijk van de tekstoverlevering herkent men de legger altijd in de kopie en
is die dus tot op zekere hoogte reconstrueerbaar. Zo meent men bijv. uit de
verschuiving van 54 versregels in de Hulthemse
redactie-2 van
Theophilus (ed.
Roemans en
Van Assche, 1960) te kunnen afleiden dat
de legger een handschrift geweest moet zijn van 27 regels per bladzijde. Vaak
ook is de legger lokaliseerbaar. Uit het uitsluitend in rijmpositie voorkomen
van het woord ‘woch’ in de Ferguut (ed.
Kuiper, 1989), terwijl binnen de versregel
‘wech’ gespeld wordt, kan men opmaken dat de legger de
oorspronkelijke
lezing-2 bevatte en dat de
kopie in een ander dialect geschreven is; men
kon het woord niet aan het eigen dialect aanpassen zonder het rijm aan te
tasten.
LIT: BDI; Brongers; Mathijsen; MEW; A.M. Duinhoven. ‘De
verdwaalde verzen in de Theophilus’, in: TNTL 85 (1969), p.
81-104; W. Kuiper. Die riddere metten witten scilde (1989), p. 25-59.
[W. Kuiper]
| |
Leidse boekjes
Bibliotheekcatalogus (catalogus-1) in de
vorm van oblong-boekjes waarin de fiches gebonden zijn. De band kan worden
losgemaakt om nieuwe fiches tussen te voegen. Dit systeem is voor het eerst
toegepast in de Universiteitsbibliotheek Leiden. Ook de Koninklijke Bibliotheek
in Den Haag heeft een dergelijke catalogus.
LIT: BDI. [P.J. Verkruijsse]
| |
Leitmotiv
Aan de muziekwetenschap ontleende term voor de vaste en telkens
terugkerende muzikale patronen die bijv. gebruikt worden om bepaalde
gebeurtenissen in de opera te begeleiden of aan te kondigen (vgl. het Parcifal-
of Graalmotief bij
Richard Wagner).
In de literatuurwetenschap reserveert men de term wel voor telkens
terugkerende motieven in één werk om het op die manier af te
zetten tegen het literair-historische
motief. Sommigen (
F.C. Maatje bijv.) verbijzonderen het
gebruik van Leitmotiv tot de ‘woordelijke of bijna woordelijke
herhaling’ (vgl. ook
repetitio) van bepaalde tekstuele eenheden.
Het Leitmotiv in deze laatste zin hoeft niet per se een functie te hebben in de
nadere bepaling van
idee of
thema. Een voorbeeld van een dergelijk
Leitmotiv kan men vinden in veel balladen, maar ook in de karaktertekening van
personages (vgl. Kapitein Pulver in
Jacob van Lenneps Ferdinand
Huyck, 1840).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; LdMA;
Metzler; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; F.C. Maatje.
Literatuurwetenschap (1970), p. 207-213. [G.J. van Bork]
| |
lekendichtjes
Term uit de genreleer voor een door
P.A. de Genestet zo genoemd type
gedichten van hemzelf, al dan niet in strofen, variërend in lengte van
twee tot tachtig verzen, handelend over filosofische en theologische vragen
zoals ze beschouwd worden door de niet-vakman, bijv. het gedicht
‘Individualiteit’:
‘Wees u-zelf’ zei ik tot iemand;
Maar hij kon niet: hij was niemand.
(P.A. de Genestet. CG, ed.
Oort, 19122, p.273).
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan. [G.J. Vis]
| |
lekenspel
Dramatisch werk bestemd om gespeeld te worden door amateurs die
een bepaalde, meestal religieuze of politieke doelstelling hebben en vaak
georganiseerd zijn rond een hen bindende idee. Het lekenspel is dan ook meer
gericht op de ideële betekenis ervan dan op de esthetische of spannende
werking. Sociaal gerichte lekenspelen werden geschreven door
Henriëtte Roland Holst:
Tolstoi (1930), De roep der stad
(1933), Gedroomd gebeuren (1935).
M. Nijhoff schreef een aantal religieuze
spelen rond kerkelijke hoogtijdagen: De ster van Betlehem
(1941), Des heilands tuin (1943) en De dag des
Heren (1949).
LIT: Gorp; MEW; H. Suer en A. Sweers. Het spel der
duidenden (1959); W. Spillebeen. ‘De sluitsteen van Nijhoffs
evolutie’, in: Raam (1972), p. 21-36. [G.J. van Bork]
| | | |
lemma-2
Trefwoord in een naslagwerk of teksteditie, waarna nadere uitleg
volgt bij of definiëring van het desbetreffende woord of begrip. Als
lemmata zijn dus te beschouwen de in alfabetische volgorde geplaatste woorden
in een
woordenboek of
lexicon en de (persoons)namen en begrippen
in een
encyclopedie of biografisch woordenboek. In
een
teksteditie noemt men de woorden uit de
tekst die terugkeren in het
variantenapparaat eveneens lemmata.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; Mathijsen; Metzler; H.
Boetius. ‘Textqualität und Apparatgestaltung’, in: G. Martens
en H. Zeller (red.). Texte und Varianten (1971), p. 233-250. [W.
Kuiper]
| |
leonische verzen
Term uit de versleer voor een uit de Middeleeuwen stammende
tweeregelige eenheid met een specifieke vormgeving inzake ritme en rijm. Het
laatste woord van het eerste vers, een
hexameter, rijmt op een voorafgaand woord in
deze regel, en hetzelfde gebeurt in de tweede regel, die een
pentameter is. Bij uitbreiding wordt de term
ook wel toegepast op elk
distichon dat, zoals het
elegisch distichon, bestaat uit een
hexameter en een pentameter (zonder de genoemde rijmkenmerken).
Bijvoorbeeld:
Velen kunnen niet lopen en massa's
willen niet kopen:
D'eerste groep zeer impotent,
d'anderen erg op de cent.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Preminger;
Scott; Wilpert; E. Erdmann. ‘Leonidas’, in: Corona queruea.
Festgabe K. Strecker (1924), p. 15-28. [G.J. Vis]
| |
leporelloboek
Boek waarvan de bladen uit één lange, in
harmonicavorm gevouwen strook papier bestaan. De naam is afgeleid van
Leporello, de bediende van
Don Juan in
Mozarts Don
Giovanni (1787), die de namen van de geliefden van zijn heer in een
dergelijk boek had opgeschreven. Tegenwoordig komt het leporelloboek nog wel
voor als souvenir: een serie foto's van een toeristische attractie of van de
bezienswaardigheden van een stad.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller. [H. Struik]
| |
letter
Conventioneel teken dat in alfabetisch schrift (alfabet) gebruikt wordt om een taalklank aan te duiden. Zowel
in handschrift als in druk worden tal van
lettertypen gebezigd. Letters kunnen
onderscheiden worden in majuskels (majuskelschrift) of
hoofdletters en minuskels (minuskelschrift) of kleine
letters; in de
typografie spreekt men van
kapitaal (of
bovenkast) en
onderkast.
De vorm van de schrijfletter is afhankelijk van de schrijfbeweging
(ductus), de snelheid waarmee geschreven wordt, het
gebruikte schrijfmateriaal en de hoek van pen en hand ten opzichte van het
perkament of papier. Letters kunnen er bij een identieke ductus heel
verschillend uitzien.
Aan onze huidige schrijf- en drukletter liggen het Romeinse
alfabet en schrift ten grondslag: de
capitalis quadrata en de
capitalis rustica, beide majuskelschriften
en gebruikt als sierschrift. Onder invloed van het
gebruiksschrift ontstonden cursieve
varianten die weer opgewaardeerd werden tot een nieuw sierschrift: de
unciaal (majuskelschrift) en de
halfunciaal (minuskelschrift). De laatste
benaming is verwarrend, in feite heeft de halfunciaal niets met de unciaal te
maken.
Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk ontstond er een
wildgroei van schriftsoorten, waaraan een eind kwam tijdens de regering van
Karel de Grote (742-814) die in 789 per
decreet de productie van heilige boeken uniformeerde, hetgeen omstreeks 800
leidde tot een nieuwe boekletter, de
Karolingische minuskel, een letter die
uitmunt door zijn leesbaarheid.
Uit de Karolingische minuskel ontstond het
gotische schrift van de late Middeleeuwen,
dat door de (Italiaanse) humanisten vervangen werd door de
littera antiqua, die weer teruggreep op de
Karolingische minuskel, en aan de wieg stond van de
romein-drukletter.
Op zijn beurt heeft de drukletter de schrijfletter beïnvloed:
de gotische letter verdwijnt van de 16e tot en met de 18e eeuw geleidelijk uit
Europa, behalve uit Duitslandwaar zij zich ontwikkelt
tot
fractura en
Schwabacher. De activiteiten van vooral de
Italiaanse en Nederlandse kalligrafen (kalligrafie) met
hun
schrijfboeken zijn in dit verband eveneens
van invloed geweest.
De antiqua drukletter werd eind 15e eeuw ontworpen als tegenhanger
van de gotische drukletter door
Nicolaus Jenson in
Venetië. Via aanpassingen in de drukkerij van
Aldus Manutius (waar ook de
cursief ontstond) ontwikkelde de antiqua
zich in de 16e eeuw in Frankrijk door toedoen van letterontwerpers
als
Garamond en
Grandjon en grote drukkers als Plantijn
en Elsevier. Een letter met een merkwaardige geschiedenis is de cursieve
variant van de gotische letter, de
civilité, rond 1555 door Granjon
ontworpen; de benaming van de letter hangt samen met de gedrukte
etiquetteteksten die teruggaan op de De civilitate morum
puerilium van
Erasmus (1530).
In de 18e eeuw verfijnden
Baskerville,
Didot en
Bodoni de drukletter. Beroemde
Nederlandse letterontwerpers zijn
S.H. de Roos en
Jan van Krimpen. Het gegoten loden
letterstaafje (resultaat van achtereenvolgens het snijden van een negatief
beeld op een stempel, het slaan van een positieve afdruk in een matrix en het
gieten van een negatief beeld in een gietfles) heeft intussen plaats gemaakt
voor de langs fotografische of elektronische weg ontworpen letter.
In de begintijd van de boekdrukkunst is een bepaalde drukkerij te
herkennen aan het gebruik van een bepaald soort letter; in de 16e eeuw is het
aantal typen reeds zo uitgebreid en verbreid dat een drukkerij alleen nog door
een bepaalde combinatie van gebruikte letters herkenbaar is. Met name
andersoortig typografisch materiaal (versierde kapitalen e.d.) kan dan meer tot
identificatie bijdragen dan de veel gebruikte lettersoorten.
De bibliograaf (analytische bibliografie)
die niet van een uitgeversadres voorzien drukwerk wil toeschrijven aan een
bepaalde drukker zal zich genoodzaakt zien het typografisch materiaal te
beschrijven en te vergelijken. Voor
incunabelen is de nummering van de gotische
kapitaal ‘M’, de zgn.
Proctornummering, in zwang geweest. De
gebruikte letter kan echter ook in nauwkeuriger
letterformules beschreven worden door het
opmeten van
corps- en
kopmaat,
x- en
kapitaal-hoogte. In de typografie (drukkunst) wordt de letter gemeten met typografische punten.
Voor de
codicologie en middeleeuwse
paleografie heeft men behoefte aan een
duidelijke
nomenclatuur voor de diverse schriftsoorten.
Lieftinck heeft daartoe een
internationaal aanvaarde indeling in drie lettersoorten ontworpen naar
objectief bepaalbare kenmerken:
littera textualis,
littera cursiva en
littera hybrida; en daarnaast een indeling
naar schrijfniveau van currens (laag), via libraria (midden) naar formata
(hoog). Een indeling op louter formele criteria is voorgesteld door
Gumbert. Daarbij is het mogelijk aan de
hand van drie letters die elk twee varianten kennen (nl. de ‘a’, de
‘l’ en de lange ‘s’) een kubusmodel te contrueren
waaruit het al of niet voorkomen van bepaalde schriftsoorten in bepaalde
gebieden en perioden evident wordt.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Hiller; Scott; D.B. Updike.
Printing types, their history, forms and type (19623); G.I.
Lieftinck. Manuscrits datés conservés dans les Pays-Bas,
dl. 1 (1964); W. & L. Hellinga. The fifteenth-century printing types of
the Low Countries (1966); H.D.L. Vervliet. Sixteenth century printing
types of the Low Countries (1968); Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 9-39; J.P. Gumbert. ‘A proposal
for a Cartesian nomenclature’, in: Miniatures, scripts, collections.
Essays presented to G.I. Lieftinck, dl. 4 (1976) p. 45-52; Ch.
Enschedé. Type foundries in the Netherlands (19782);
J.M.M. Hermans & G.C. Huisman. De descriptione codicum
(19813), p. 44-53; F. van der Linden. Over letters & schrift
en de beginselen van het schrijven (1983); K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 42-51; G. Noordzij. De streek. Theorie van het
schrift (1985); H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken
(19862), p. 223-303. [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]
| |
letterdieverij zie
plagiaat
| |
letterformule
Term uit de analytische bibliografie voor de (soort)naam van de
desbetreffende
letter, gevolgd door de
corpsmaat,
kopmaat,
x-hoogte (voorafgegaan door een
‘x’) en
kapitaalhoogte (voorafgegaan door
‘:’), bijv. romein, corps 82, kop 79 x 1,7 : 2,5.
Voor het toeschrijven van anonieme drukken aan een bepaalde
drukker kunnen uit die drukken gedestilleerde letterformules van nut zijn. In
de
incunabelperiode (15e eeuw) wijst het
voorkomen van een bepaalde letter vaak op een bepaalde drukkerswerkplaats. In
de 16e eeuw kan men een drukkerij herkennen aan een bepaalde combinatie van
lettermateriaal. Daarna wordt het steeds moeilijker, maar het voorkomen van
combinaties van letter en ander typografisch materiaal (sierkapitalen, randwerk
e.d.) kan toch in een bepaalde richting wijzen.
LIT: W. & L. Hellinga. The fifteenth-century printing types
of the Low Countries (1966); H.D.L. Vervliet. Sixteenth century printing
types of the Low Countries (1968); Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 12-16; M. Spies. ‘Bibliografische
aantekening’, in: Karel van Mander. De Kerck der Deucht, ed. H.
Miedema en M. Spies (19772); H. van Krimpen. Boek over het maken
van boeken (19862), p. 145-153; G. Unger. ‘Moderne
incunabelen; typografische maten in incunabelen en recent drukwerk’, in:
T. Croiset van Uchelen en H. van Goinga. Van pen tot laser; 31 opstellen
over boek en schrift aangeboden aan Ernst Braches (...) (1996), p. 302-307.
[P.J. Verkruijsse]
| |
lettergarnituur zie
letterpolis
| |
lettergreeprijm
Vorm van eindrijm waarbij
rijmvrager en
rijmgever weliswaar twee verschillende
woorden zijn, maar waarbij de rijmende bestanddelen identieke lettergrepen
zijn, bijv. toedoen / doen. Hoewel de Oudfranse
roman deze rijmtechniek veelvuldig toepast,
wordt ze in de Middelnederlandse vertalingen en bewerkingen vermeden -
waarschijnlijk omdat ze als onzuiver rijm werd ervaren - en alleen voor
speciale effecten gebruikt, bijv.
Minne es pais ende alle onraste
Minne es onpais ende alle raste
si es trouwe vol van ontrouwen
si es ontrouwe vol van trouwen
si es sekerheit al onversekert [...].
(
Heinric. Die
Rose, ed.
Verwijs, 1868, vs. 4239-4244).
Ook na de Middeleeuwen wordt het lettergreeprijm maar spaarzaam
gebruikt, het meest in liedteksten, en ook dan om een bepaald (komisch) effect
te bewerkstelligen, bijv. ‘Wat heb je gedaan, Daan? Waar kom je
vandaan?’ (Drs. P). Gebruikelijk is
volrijm.
LIT: Metzler. [W. Kuiper]
| |
lettergreepvers zie
isosyllabisch vers
| |
letterkast
In een drukkerij worden losse loden
letters bewaard in de vakjes van
letterkasten, die - zoals de letters op het toetsenbord van een schrijfmachine
- een bepaalde, per land afwijkende volgorde hebben. De letters zijn verdeeld
over een
bovenkast voor de
kapitalen en een
onderkast voor de kleine letters.
De zetter grijpt blindelings uit de vakjes de letters en plaatst
ze in zijn zethaak. Ten gevolge van verkeerd sorteren (distributiefout) kunnen verkeerde letters in een vakje
terechtkomen, en zo tot een
zetfout leiden. Eén leeg vakje, de
‘hel’, is bestemd voor beschadigd materiaal dat door de zetter
daarin gedeponeerd wordt.
LIT: BDI; Brongers; Feather; P.M. van Cleef. Handboek ter
beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p.
46-48; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 33-39; C. Schook. Handboekje voor letterzetters,
ed. F.A. Janssen (1981), p. 61-80; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 75-78; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e
eeuw (19862), p. 234-239; H. van Krimpen. Boek over het maken
van boeken (19862), p. 30-33. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
letterkreeftdicht zie
kreeftdicht
| |
letterkunde-1 zie
literatuur
| | | |
letterkundige prijzen zie
literaire prijzen
| |
letterpolis of lettergarnituur
Term uit de typografie voor een complete verzameling letters
(letter), bestaande uit
kapitaal en
onderkast, letters en cijfers in zowel
romein,
cursief als halfvet; verder uit
kleinkapitaal, leestekens,
aksanten en
ligaturen. In de periode van de losse loden
letter kon het gewicht van een polis (ook) in ponden uitgedrukt worden, waarbij
voor iedere letter en voor ieder teken een bepaald gewicht nodig was om de
letterkasten te vullen, rekening houdend met de distributie van letters voor
een bepaald taalgebied.
LIT: Brongers; Feather; Hiller; P.M. van Cleef. Handboek ter
beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p.
43-46; C. Schook. Handboekje voor letterzetters, ed. F.A. Janssen
(1981), p. 150-152; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken
(19862), p. 30-35. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
lettertype
Term uit de typografie voor een lettersoort, zoals de Baskerville,
Bembo, Bodoni, Didot, Garamond, Times.
LIT: H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken
(19862), p. 30-35. [P.J. Verkruijsse]
| |
lettre d'attente zie
representant
| | | |
leugenliteratuur
Subgenre van de
fantastische literatuur waaronder teksten
worden gerangschikt, waarin de werkelijkheid opzettelijk geweld wordt
aangedaan. Het gaat daarbij niet om het oproepen van een ander soort
werkelijkheid dan de gewone, zoals bijv. in het
sprookje of in
science fiction, maar om het onware en
onmogelijke. De wijze waarop de werkelijkheid verdraaid wordt, kan
variëren van liegen, meestal met een komische werking (vgl.
Baron Münchhausen's narrative of his marvellous travels and
campaigns in Russia van
R.E. Raspe (1785), dat in de Duitse
vertaling van
G.A. Bürger (1786) beroemd werd), tot
het chargeren van de werkelijkheid tot in het groteske of karikaturale zoals in
G. van de Lindesgedicht ‘De
schipbreuk’ (in: De gedichten, ed.
Van Deel en
Mathijsen-Verkooijen, 19762, p.
15-23).
Gedurende de rederijkerstijd beleefde het genre een grote bloei
als
refrein-2 in het zot. Leugenrefreinen bleven
bewaard in de Veelderhande geneuchlijcke dichten (1600)
en in het werk van
Eduard de Dene,
Cornelis Everaert,
Jan van Doesborch en
Matthijs de Castelein. Soms werden pseudo-
of leugenheiligen opgevoerd, zoals in het lofdicht op Sinte
Aelwaer (16e eeuw), patrones van de twistzucht. De zin van de
onwaarheid en de overdrijving is gelegen in het komische ervan, dat de
gevreesde melancholie moest verdrijven. Daarnaast wordt de leugen ook als
middel gehanteerd om indirect de waarheid te verkondigen (mundus inversus).
Ook in de 17e en 18e eeuw is het genre populair. O.m. bij
Aernout van Overbeke (
Rijmwerken, 1678) en in het liedboekje De
roemrugtige Haagsche faam (1721) komen leugenliederen voor. In de
19e eeuw zijn voorbeelden te vinden bij
A.C.W. Staring (bijv. ‘Het
hondengevecht’ (Gedichten, ed.
De Vries, 1940, p. 287) en in de
knittelverzen van De Schoolmeester.
J.J.A. Goeverneur herdichtte de
Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen (1858),
oorspronkelijk geschreven door de Zwitser
Rodolphe Töpffer. In de 20e eeuw
toont
Gerrit Komrij zijn voorliefde voor het
genre met de vertaling van Töpffers Reizen en avonturen van Dr.
Festus (1969). Dat ook de omkering nog steeds geliefd is, blijkt
uit het werk van
Raoul Chapkis: De reizen van
pater Key (1966).
LIT: Metzler; MEW; Wilpert; P. de Keyser. ‘Het liegen in de
folklore’, in: Album Prof. Dr. Paul de Keyser (1951), p. 53-91; C.
Kruyskamp. ‘Het Nederlandse leugendicht’, in: Volkskunde 63
(1962), p. 97-123, 145-157; D. Coigneau. ‘Het leugenrefrein bij de
rederijkers’, in: Studia Germania Gandensia 20 (1979), p. 31-74;
H. Pleij. Het Gilde van de Blauwe Schuit (1979); Fantastische
literatuur, spec. nr. van De Revisor 8 (1981) 5; D. Coigneau.
Refreinen in het zotte bij de rederijkers, 3 dln. (1980-1982). [G.J. van
Bork]
| |
levensbericht of necrologie
Korte beschrijving van iemands leven kort na diens overlijden,
waarin de belangrijkste activiteiten gememoreerd en de functies worden vermeld
en een kleine bibliografie wordt opgenomen. Bekend zijn de
‘Levensberichten’ in de Jaarboeken van de Maatschappij der
Nederlandse Letterkunde te Leiden, bijv.
J. Verdam, Levensbericht van
Eelco Verwijs (1880). Een register op deze levensberichten uit de
jaren 1766-1991 verscheen in 1993. De grote dagbladen hebben een vaste rubriek
waarin ze necrologieën publiceren.
LIT: BDI; Brongers; Metzler; Wilpert. [G.J. van Bork/P.J.
Verkruijsse]
| |
levensbeschrijving zie
biografie
| |
levenslied
Aanduiding voor een
lied dat in de 20e eeuw in
Parijs in zwang is gekomen en dat gekenmerkt wordt door
behandeling van onderwerpen die uit het (volks)leven gegrepen zijn. In
Nederland is het levenslied geïntroduceerd door
J.H. (Koos) Speenhoff (1869-1945), in
1909 debuterend als dichter-zanger. Hij gaf acht bundels Liedjes,
wijzen en prentjes (1903-1915) uit. Bekende liedjes zijn ‘De
schutterij’, ‘'t Broekie van Jantje’, ‘Brief van een
ouwe moeder aan haar zoon die in de nor zit’ e.a. Niet minder beroemd is
Louis Davids (1883-1939), met zijn
‘De kleine man’ en vele andere levensliederen onder zijn naam, maar
in werkelijkheid geschreven door
J. van Tol (1897-1969) en andere anonieme
broodschrijvers.
Waar het populaire levenslied naast volkse ook sentimentele
trekken krijgt, wordt het
smartlap genoemd. Uit de genoemde namen
blijkt al dat het levenslied populair was en is bij het
cabaret waar het ook vaak in gechargeerde
vorm voorkomt (vgl. ‘Nikkelen Nelis’ van
H. Verhage (ps. van
F. Wiegersma), gezongen door
Wim Sonneveld). Andere auteurs van
levensliederen zijn
J.L. Pisuisse (1880-1927),
Dirk Witte (1885-1932),
J. Clinge Doorenbos (1884-1978),
Jaap van der Merwe (1924-1989),
Willem Wilmink en
Jan Boerstoel.
Het levenslied kan allerlei vormen hebben:
vaderlandslied,
studentenlied,
strijdlied, hekeldicht (satire),
spotlied e.d.
LIT: Laan; Lodewick; W. Ibo. En nu de moraal van dit lied
(1970); J. Klöters en K. van der Veer. Ik zou je het liefste in een
doosje willen doen. Nederlandse chansons en cabaretliederen 1958-1988
(1989); J. Klöters. Omdat ik zoveel van je hou. Nederlandse chansons en
cabaretliederen 1895-1958 (1991); H. van Gelder. De spookschrijver. Het
raadsel Jacques van Tol (1992). [G.J. van Bork/G.J. Vis]
| |
levertje
Gedichtje van vier tot twaalf regels, meestal met scabreuze
inhoud, gesproken tot de bruid op het bruiloftsmaal door één van
de gasten met een stuk lever op de punt van zijn mes. Een leverrijm moet in de
eerste versregel het woord ‘levertje’ of ‘leveren’
bevatten.
Een dichtbundel waarin niet minder dan 32 levertjes voorkomen is
De Olipodrigo, bestaande in vrolijke gezangen, kusjes, rondeeltjes,
levertjes, bruilofs- en mengel-rijmpjes, 2 dln. (Amsterdam,
Evert Nieuwenhoff, 1654), bijv. (fol.
B4v):
Ter eeren deuze maaltijd zel ik dit Levertje met een Refrijn in
mijn murf douwen.
Flus ging een Bruigom na d'Ouwe, en de Bruid na de Nieuwe Kerk
om te Trouwen;
De Bruid, die van 't abuis van hare Bruigom niet en wist,
Heeft haar, daar 't yder zag, in 't Choor, van angst bepist,
En zei: ‘Och Speelnoods geefme raad, jou is mijn zaak
bekent,
Zo hy my nou verlaat, ben ik al mijn leven geschent.’
LIT: Best; Buddingh'; Laan; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
lexicon
Alfabetisch naslagwerk voor één bepaald vakgebied
met beknopte behandeling van de trefwoorden. De termen lexicon,
encyclopedie en
woordenboek werden en worden nog steeds
tamelijk willekeurig door elkaar heen gebruikt. Het lijkt het best de term
‘encyclopedie’ te reserveren voor die werken, die tot doel hebben
alle wetenschappen samen te vatten of die uitputtend één
onderwerp behandelen. De behandeling van de trefwoorden is daar ook
uitgebreider dan in een lexicon. In Duitsland gebruikt men voor
encyclopedieën vaak de naam Konversationslexikon.
Lexica op het gebied van de literaire terminologie zijn:
K. ter Laan. Letterkundig woordenboek
voor Noord en Zuid (19522);
J.T. Shipley. Dictionary of world
literary terms (19703);
M.H. Abrams. A glossary of literary
terms (19713);
A. Dusar en
A. Smeets. Lexicon van de actuele
kunst (1971);
R. Fowler. A dictionary of modern
critical terms (1973);
O.F. Best. Handbuch literarischer
Fachbegriffe (19732);
A. Preminger. Princeton Encyclopedia
of poetry and poetics (19742);
D. Krywalski. Handlexikon zur
Literaturwissenschaft (1974);
C. Buddingh'. Lexicon der
poëzie (19783);
G. von Wilpert. Sachwörterbuch
der Literatur (19796);
J.A. Cuddon. A dictionary of literary
terms (19795);
H. van Gorp e.a. Lexicon van
literaire termen (19914).
Van bio-bibliografische aard zijn het Lexicon van de moderne
Nederlandse literatuur (1978) van
J. van Geelen e.a. en het losbladige
Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur na 1945
(1980-....).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Scott; G.A.
Zischka. Index lexicorum. Bibliographie der lexikalischen
Nachschlagewerke (1959); W. Totok, K.-H. Weimann und R. Weitzel.
Handbuch der bibliographischen Nachschlagewerke (19724); E.P.
Sheehy. Guide to reference books (19769); BIZON,
Bibliografisch zoekprogramma Nederlandse letterkunde (v. 1.1, 1994). [P.J.
Verkruijsse]
| |
lezing-1
Term uit de wereld van onderwijs en cultuur voor een mondelinge
voordracht voor een luisterend publiek, niet in de zin van
declamatie, maar in die van uitgesproken
betoog, vergelijkbaar met het
essay.
In de 19e eeuw gebruikte men veelal de term
‘voorlezing’. Afhankelijk van omvang, inhoud en situatie noemt men
de lezing nu ‘vertoog’, ‘verhandeling’,
‘hoorcollege’ (bijv. op de universiteit), ‘praatje’ of
(gemeenzaam) ‘verhaal’.
De lezing kan, afhankelijk van de presentatiewijze, variëren
van een mondeling gepresenteerd opstel tot een conférence in de stijl
van het
cabaret.
LIT: BDI; Best; M. Geerinck. De stilistiek is dood! Leve de
stilistiek!? (1985), p. 51. [G.J. Vis]
| |
lezing-2
Gebruikelijke aanduiding voor een
interpretatie van een tekst of
tekstfragment. Doorgaans gebruikt men de term om een oppositie aan te duiden
tussen verschillende betekenistoekenningen aan woorden, zinnen of teksten.
Daarnaast wordt de term gebruikt voor tekstvarianten (variant) zoals die in verschillende bronnen van een tekst
kunnen worden aangetroffen.
LIT: Mathijsen; MEW. [G.J. van Bork]
| |
lias
Archiefterm voor een bundel stukken die - in de periode voor de
uitvinding van de perforator en ordner - door een koord aaneengeregen is. De
archivalia worden vaak zodanig aan het koord bevestigd, dat op de plaats van
het gaatje enig tekstverlies optreedt. In de archieven zijn de liassen
gewoonlijk uiteen gehaald en opgeborgen als omslag, map of portefeuille.
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
liber alumnorum
Feestbundel - soms in de vorm van een speciale
tijdschriftaflevering - met artikelen van oud-leerlingen, aangeboden bij een
jubileum of afscheid, bijv. Liber alumnorum Prof. Dr. E. Rombauts
(1968). [P.J. Verkruijsse]
| |
liber amicorum, album, album amicorum-2 of
Festschrift
Feestbundel - soms in de vorm van een speciale
tijdschriftaflevering (bijv. W.A.P. Smit-nummer van De Nieuwe Taalgids
1968) - met artikelen aangeboden bij een jubileum of afscheid door vrienden,
leerlingen en collega's, ook wel kortweg album genoemd (bijv. Album Prof.
Dr. Frank Baur, 2 dln., 1948). Voorbeelden zijn het Liber amicorum Dr.
Frederik van Eeden (1930), het Liber amicorum van B.H. Molkenboer
(1939) en het Liber amicorum Jac. van Hattum (1955). De Duitse term
‘Festschrift’ wordt ook wel gebruikt, bijv. A Festschrift for
Morris Halle (1973), soms ook in de zin van gedenkbundel, bijv. Joost
van den Vondel. Festschrift zum 350-jähriger Geburtstag (1937). Als de
bundel bestaat uit uitsluitend bijdragen van oud-leerlingen spreekt men van een
liber alumnorum.
Een bibliografie van libri amicorum uit de wereld van de
documentatie werd samengesteld door A.O. Kouwenhoven: t.g.v.; Nederlandse en
Vlaamse publikaties ter gelegenheid van herdenking, huldiging, viering of
afscheid in de wereld van boeken en andere documenten, van uitgeverij,
boekhandel, bibliotheken en archieven, verschenen in de periode 1914-1994
(1995).
LIT: Brongers; MEW; W. H[endriks]. ‘Neerlandistiek in
Festschriften’, in: Dokumentaal 2 (1973) 4, p. 27-47. [P.J.
Verkruijsse]
| |
liber memorialis
Herdenkingsbundel van vrienden en leerlingen ter nagedachtenis van
een overledene, bijv.
E. van Lokhorst en
B. Voeten (red.). In memoriam M.
Nijhoff (1953), en
G. van Eemeren en
F. Willaert (red.). 't Ondersoeck
leert. Studies over middeleeuwse en 17de-eeuwse literatuur ter nagedachtenis
van prof. dr. L. Rens (1986). Zo'n herdenkingsbundel bevat gewoonlijk onder
meer een biografie en bibliografie van de overledene. [W. Kuiper]
| |
libraria of littera libraria
Term uit de
paleografie voor een verzorgd schrift dat
als
boekschrift niet misstaat. De libraria bezet
het middelste niveau in een door Lieftinck geïntroduceerde indeling naar
niveau van het schrift; van snel geschreven naar zorgvuldig gekalligrafeerde
letters (currens, libraria en
formata). Bij deze indeling naar niveau is
het tamelijk moeilijk om van objectieve criteria uit te gaan: de beschrijver
moet afgaan op zijn ervaring en eigen (subjectieve) oordeel. Het begrip wordt
vaak gebruikt als toevoeging bij de objectieve, op vormelijke eigenschappen
gebaseerde schriftbenaming, bijv.
littera cursiva libraria
LIT: G.I. Lieftinck. Manuscrits datés, conservés
dans les Pays Bas (1964), dl. 1, p. VII-XXX; J.P. Gumbert. ‘Iets over
laatmiddeleeuwse schrifttypen, over hun onderscheiding en hun
benamingen’, in: Archief- en Bibliotheekwezen in België 46
(1975), p. 273-282; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882). [H. Struik]
| |
libretto
Tekst van een
opera of
operette, waarbij de auteursintentie
doorgaans gericht is op de muzikale uitvoering en/of de opvoering in het
theater-1. Sommige zijn origineel en
geschreven voor dat doel, zoals
A.J. van der Knaaps tekst voor de
operette Zigeunerleven, andere zijn bewerkingen van
bestaande literaire teksten. Sommige libretti zijn een coproductie, zoals dat
van de opera Reconstructie (1969) door
Hugo Claus en
Harry Mulisch.
LIT: Baldick; BDI; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler;
MEW; Scott; Shipley; Wilpert; U. Weisstein. The Libretto as Literature
(1960); K.-D. Link. Literarische perspektive des Opera-Librettos (1975).
[G.J. Vis]
| |
lied
Term uit de muzikale en literaire genreleer voor de aanduiding van
een tekst (meestal een gedicht) die doorgaans bedoeld is om gezongen te worden
met of zonder instrumentale begeleiding. Het behoort tot het terrein van de
zang. Gelet op de ontstaanssituatie en de
gebruikswijze maakt men onderscheid tussen
volkslied-1 en
cultuurlied. Inhoudelijk kan er onderscheid
gemaakt worden tussen geestelijk en wereldlijk lied en binnen die beide
categorieën worden weer tal van subgenres onderscheiden (klaaglied (elegie),
historielied,
kinderlied, loflied (lofdicht),
kerklied,
Marialied,
souterliedekens, etc.).
Naar de structuur onderscheidt men
strofen- of
coupletliederen (elke strofe dezelfde
melodie), doorgecomponeerde liederen (elke strofe een eigen melodie) en
mengvormen. Een liedtekst kan op een bestaande melodie worden geschreven (contrafact), zoals bij sommige kerkliederen, maar ook bij
wereldlijke liederen het geval is (bijv. bij de liederen van
G.A. Bredero). Daarentegen kan een
liedtekst ook later door een componist van een melodie worden voorzien (vgl. de
romantische liederen van
Schumann op teksten van
Eichendorff).
Soms wordt de term lied toegepast op teksten waarvan het niet de
bedoeling is dat ze worden gezongen. Vooral sinds de romantiek, wanneer er een
sterke toenadering van muziek en poëzie ontstaat, duidt men er vaak een
sterk lyrische tekst mee aan. Voorbeelden van dit gebruik van de term kan men
vinden bij
Blake (Songs of
innocence, 1789), bij
Van Eeden (Ellen, een lied van
smart, 1891), bij
Boutens (Vergeten
liedjes, 1909) en bij
Paul van Ostaijen (in:
Het sienjaal, 1918).
Uit de Middeleeuwen zijn tal van liedvormen overgeleverd, waarbij
we moeten bedenken dat wat daarvan werd opgetekend slechts het topje van de
ijsberg is, omdat het merendeel van de middeleeuwse liederen tot de orale
literatuur gerekend moet worden.
Tot de wereldlijke liederen behoren o.m. het
meilied, het
minnelied-2 of liefdeslied, de tafel- en
drinkliederen (het banck-dicht),
dansliederen, de
wachterliederen en de historieliederen.
Daarnaast zijn er liederen in omloop geweest met een gelegenheidskarakter,
zoals liederen naar aanleiding van een overwinning of een gesloten vrede en ter
gelegenheid van een huwelijk, de geboorte of het overlijden van dierbare of
hooggeplaatste personen.
Ook bij de rederijkers waren liederen zeer populair, zoals het
factielied dat ook als
straatlied werd gezongen. Daarnaast zijn er
de talrijke
balladen-2 en
refreinen-2.
Tot de geestelijke liederen behoren de
schriftuurlijke liedekens, de
souterliedekens en het specifieker Marialied.
Er zijn zes bladen met liederen overgeleverd die in de Leidse
Universiteitsbibliotheek berusten en die zijn voorzien van de muzieknotatie
(ca. 1400). Verwant met deze hoofse minnelyriek zijn de liederen die verzameld
zijn in het Haagse liederenhandschrift, dat eveneens rond 1400 is
ontstaan. Een andere belangrijke bron voor het Middelnederlandse lied is het
zgn. Antwerps liedboeck, dat onder de titel Een
schoon liedekens-boeck in 1544 inAntwerpen werd
gedrukt. Hierin zijn balladen, volksliederen, drinkliederen en historieliederen
verzameld.
In de renaissance komt er naast het vele oude dat zich slechts
heel geleidelijk wijzigt, een categorie nieuwe liederen, die zich uitdrukkelijk
richt op de jeugd. Deze nieuwe liederen zijn, in navolging van het eerste in
dit soort, Den nieuwen Lust-hof (1602), gebundeld in
talrijke, fraai uitgevoerde
liedboeken. Het zijn vooral
liefdesliederen, voorzien van een
wijsaanduiding (‘voys’, ‘wijs’ of ‘stemme’
genoemd), maar zonder muzieknotatie. Aan het wereldlijke cultuurlied hebben
vrijwel alle grote 17e-eeuwse dichters hun bijdrage geleverd. Aanvankelijk
publiceerden ze veelal anoniem of onder hun zinspreuk in de liedboeken,
vervolgens bundelden ze hun liederen, zoals bijv.
Bredero (1585-1618),
Starter (1593-1626) en
Hooft (1581-1647).
Huygens (1596-1687), behalve dichter ook
componist, dichtte en componeerde wereldlijke en geestelijke liederen, de
Pathodia sacra et profana (1647). Hij wierp zich met zijn
Gebruyck of ongebruyck van 't orgel in de kercken der Vereenighde
Nederlanden (1641) in de strijd over de al of niet door orgelspel
begeleide kerkzang. Andere bekende dichters van geestelijke liederen zijn
Revius (1586-1658),
Camphuysen (1586-1627),
De Decker (1609-1666) en
Luyken 1649-1712).
Psalmberijmingen zijn er in de periode van de
Nederlandse renaissance te over:
Camphuysen,
De Decker,
Revius,
Westerbaen (1599-1670),
Hooft en anderen hebben er
vervaardigd.
Het
strijdlied komt in de vorm van
geuzenliederen voor zolang de Opstand tegen
Spanje duurt. Onder de andere categorieën gelegenheidsgedichten zullen er
zeker ook geweest zijn in de vorm van liederen (veel poëzie heeft als
titel: ‘sangh’, ‘liedeken’ of ‘liedt’) die
gezongen konden worden op bruiloften en partijen, onderweg in de trekschuit of
op het Muiderslot.
Vondel is van belang voor het politieke
lied. In de in de 17e eeuw opkomende muziekherbergen zal zeker ook gezongen
zijn, evenals op het toneel, vooral sinds de oprichting van de Musyck-kamer
door
Jan Harmensz. Krul (1601-1646) in
1634.
Vanaf omstreeks 1800 komt er verbetering in de bestudering en de
productie van Nederlandstalige liederen. Nadat
Hoffmann von Fallersleben,
Le Jeune en
J.F. Willems het oudere liederenbezit
hadden herontdekt, gingen
Beets,
Heije en
Alberdingk Thijm oude liederen van
vóór de 17e eeuw bewerken, in de geest van de opvattingen van
D.J. van Lennep, die stelde dat men na het grondig verzamelen van historische
gegevens met verbeelding hierop dient voort te bouwen. Heije leverde daarnaast
vertalingen van tamelijk recente buitenlandse liederen en vervolgens schreef
hij veel originele liederen, getoonzet door
J.B. van Bree,
Johannes Verhulst,
J.J. Viotta,
J.W. Wilms e.a. (‘Zie de maan
schijnt door de boomen’, ‘Een karretjen langs de zandweg
reed’ e.v.a.).
In Vlaanderen was
Peter Benoit de schepper van een
romantisch-nationalistische Vlaamse liedkunst, waarvan
Emiel Hullebroeck,
R. Veremans en
A. Preud'homme belangrijke beoefenaren
waren. Vermeldenswaard zijn voorts de liedteksten van
Gezelle op muziek van
L. Mortelmans en
J. Ryelandt, en die van
K. van de Woestijne op muziek van
A. Meulemans.
In de 20e eeuw is een grote verscheidenheid aan liederen ontstaan
die ook een grote verscheidenheid aan terminologie heeft opgeleverd om de
verschillende subgenres te benoemen. In de sfeer van het kunstlied en de
klassieke muziek schreef de eerder genoemde
Arthur Meulemans een cyclus liederen
De hoovenier (1923).
Diepenbrock zette teksten van
Perk,
Verwey en
Van Deyssel op muziek. Later doet
Reinbert de Leeuw hetzelfde met teksten
van
Hugo Claus.
Nieuw was het gebruik van liederen in het episch theater van
Brecht, die gebruik maakte van muziek
van
Kurt Weil. Dit werkte door in het
moderne Nederlandse theater. Onder invloed van de Amerikaanse jazz ontstonden
in ons taalgebied tal van liederen (spirituals, songs, ballads), maar vrijwel
steeds gebruikte men daarvoor het Engels als voertaal. Groter was de invloed
van het
cabaret, dat veel, soms populaire, liederen
heeft voortgebracht:
chanson,
levenslied, cabaretlied (cabaret),
spotlied e.d. Belangrijke cabaretdichters
zijn
J.L. Pisuisse,
Dirk Witte,
Alex de Haas,
Annie M.G. Schmidt,
Hans Verhagen,
Michel van der Plas,
Willem Wilmink e.v.a.
Ook op het gebied van de popmuziek worden veel teksten in het
Nederlands geschreven, bijv. door
Bram Vermeulen,
Herman Pieter de Boer,
Doe Maar e.a. Dat ook hier de grenzen
tussen de verschillende subgenres vaak moeilijk te trekken zijn, blijkt bijv.
uit de liederen van
Ernst van Altena en
Boudewijn de Groot, die zowel tot de
popmuziek als tot het cabaret gerekend kunnen worden. Ook het onderscheid
tussen
smartlap en levenslied is niet altijd goed
aan te geven. Sommige smartlappen hebben weer veel gemeen met het
straatlied.
Dat ook in de 20e eeuw de term lied niet steeds
‘zangtekst’ impliceerde, blijkt uit de vele verzetsgedichten die in
het Geuzenliedboek (1943) verzameld zijn. Lang niet al
deze teksten konden gezongen worden en dat gold evenmin voor Lied der
achttien dooden (1941) van
Jan Campert.
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Krywalski; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G. Kalff. Het
lied in de Middeleeuwen (1884; 19722); J.A.N. Knuttel. Het
geestelijk lied in de Nederlanden voor de kerkhervorming (1906;
19742); D. Stevens. A history of song (1960); A. Sydow.
Das Lied. Ursprung, Wesen und Wandel (1962); M. Zijlstra. ‘Tien
jaar Nederlandse liedkunst’, in: Mens en Melodie 29 (1974), p.
391-395; Das Lied, spec. nr. LiLi 9 (1979), nr. 34; F.H. Matter,
De melodieën van Bredero's liederen, dl. 3 van: G.A. Bredero.
Boertigh, amoreus, en aendachtigh groot lied-boeck (1979); Literatuur
in concert. Muziek in de Nederlandse letterkunde, ed. Redactie van
Literatuur (1985); C.A. Höweler en F.H. Matter. Fontes hymnodiae
Neerlandicae impressi 1539-1700. De melodieën van het Nederlandstalig
geestelijk lied. Een bibliografie van de gedrukte bronnen (1985);
Veelzijdigheid als levensvorm. Facetten van Constantijn Huygens' leven en
werk. Een bundel studies t.g.v. zijn driehonderdste sterfdag (1987), p.
79-162; F.P. van Oostrom. Het woord van eer (1987), p. 86-135; L.P.
Grijp. Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw (1991); L.P. Grijp (red.).
Zingen in een kleine taal; de positie van het Nederlands in de muziek,
thema-nr. Volkskundig Bulletin21 (1995), nr. 2; J.W. Bonda. De
meerstemmige Nederlandse liederen van de vijftiende en zestiende eeuw
(1996); Frank Willaert (red.). Veelderhande Liedekens. Studies over het
Nederlandse lied tot 1600 (1997). [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse/G.J.
Vis]
| |
liedboek
Geschreven of gedrukte verzameling liedteksten (lied) van meer (meestal anonieme) auteurs, waaraan de
muzieknotatie vaak ontbreekt. De oudste Nederlandse liedboeken dateren uit de
Middeleeuwen. Het meest bekend is het liedboek dat (met muzieknotatie) bewaard
bleef in het zogeheten Gruuthuse-handschrift (ed.
Heeroma en
Lindenburg, 1966), een
convoluut die op zijn laatst in 1462
gebonden werd.
Doorgaans werden liedboeken gedrukt in klein
formaat (octavo of sedecimo
oblong) met weinig of geen illustraties.
Door hun goedkope en slechte uitvoering zullen er veel verloren gegaan zijn.
Met ingang van de 17e eeuw verschijnt er een nieuw type liedboek
met nieuwe, renaissancistische liederen, uitgevoerd in fraaie typografie,
dikwijls in kwarto-formaat, voorzien van fraaie illustraties en gericht op de
kapitaalkrachtige jeugd van die periode. Naast de anonieme bloemlezingen
verschijnen er weldra ook bundels van één dichter.
Tot de wereldlijke liedboeken behoort Een schoon
liedekens boeck, beter bekend als het ‘Antwerps
liedboek’ van 1544 (ed.
Vellekoop en
Wagenaar-Nolthenius, 1972), waaruit
liederen overgenomen worden in andere liedboeken tot in de 18e eeuw toe, bijv.
in het Amstelredams amoreus lietboeck (1589), maar ook
nog in het Oudt Haerlems liede-boek (31e dr.
van 1746). Den nieuwen lust-hof gaf in 1602 de stoot tot
het verschijnen van nog veel meer renaissancistische, op de jeugd gerichte
liedboeken als Den bloem-hof van de Nederlantsche jeucht
(1608, 1610, ed.
Van Dis en
Smit1955),
Hoofts Emblemata
amatoria (1611, ed.
Porteman, 1983), Cupido's
lusthof (1613), Apollo (1615, ed.
Keersmaekers 1985),
J.J. Starters Friesche
lust-hof (1621, ed.
Brouwer en
Veldhuyzen, 1966-1967) en
Bredero's Groot
lied-boeck (1622, ed.
Stuivelinge.a. 1979-1983).
Bijna even talrijk als de wereldlijke zijn de geestelijke
liedboeken vanaf Een suverlyc boecxken uit 1508 tot en
met het Liedboek voor de kerken uit 1973.
Coornhert (1522-1590),
De Harduwyn,
Camphuysen,
Bredero,
Pers,
Stalpart van der Wiele,
Luyken en vele anderen hebben liedboeken
geproduceerd met stichtelijke liederen.
Een bibliografie van liedboeken is samengesteld door
D.F. Scheurleer, Nederlandsche
liedboeken. Lijst der in Nederland tot het jaar 1800 uitgegeven
liedboeken (1912, suppl. 1923; ongew. herdr. 1977).
LIT: BDI; Cuddon; Hiller; Laan; Metzler; Wilpert; F.H. Matter.
De melodieën van Bredero's liederen, dl. 3 van: G.A. Bredero.
Boertigh, amoreus, en aendachtigh groot lied-boeck (1979); A.
Keersmaekers. ‘Drie Amsterdamse liedboeken 1602-1615. Doorbraak van de
renaissance’, in: NTg 74 (1981), p. 121-133; A.A. Keersmaekers.
Wandelend in Den Nieuwen Lust-hof. Studie over een Amsterdams liedboek
1602-(1604)-1607-(1610) (1985); C.A. Höweler en F.H. Matter. Fontes
hymnodiae Neerlandicae impressi 1539-1700. De melodieën van het
Nederlandstalig geestelijk lied. Een bibliografie van de gedrukte bronnen
(1985); M. Spies. ‘“Orde moet er zijn”: over de inrichting
van zeventiende-eeuwse dichtbundels’, in: 't Ondersoeck leert. Studies
over middeleeuwse en 17de-eeuwse literatuur ter nagedachtenis van prof. dr. L.
Rens (1986), p. 179-187; E.K. Grootes. ‘Het jeugdig publiek van de
“nieuwe liedboeken” in het eerste kwart van de zeventiende
eeuw’, in: id. Visie in veelvoud (1996), p. 29-42; P.J.
Verkruijsse. ‘P.C. Hooft: een toontje lager; over liedbundels,
lettertypes en lezers’, in: J. Jansen (red.). Zeven maal Hooft
(1997), p. 79-97. [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]
| |
liefdeslied of minnelied-2
Lied waarin de liefdesrelatie tussen twee
geliefden centraal staat zonder accent op de sexuele aspecten daarvan. Hoewel
de grens niet scherp te trekken is, hoort lyriek waarin de sexuele aspecten van
de liefde benadrukt worden tot de
erotische literatuur. Voor de middeleeuwse
liefdeslyriek hanteert men de term
minnelied-1.
Door alle eeuwen heen zijn er talloze liefdesliederen gedicht, ook
in allerlei subgenres als het
dageraadslied, het
epithalamium, het
meilied en het
wachterlied.
Vooral in de renaissance vindt het liefdeslied in navolging van
Petrarca bekende beoefenaren als
G.A. Bredero (Groote bron der
minne, 1622),
P.C. Hooft,
C. Huygens en
Jacob Cats in wier poëzie vele
petrarkistische elementen zijn aan te wijzen (petrarkisme). Vanaf de 17e eeuw verschijnen er tal van
liedboeken (Den nieuwen lust-hof van 1602 is het eerste),
bedoeld voor een jeugdig publiek, waarin een ruime plaats wordt ingenomen door
het liefdeslied. Ook de emblematiek (emblema) leent zich
uitstekend voor liefdespoëzie (
Heinsius' en
Hoofts Emblemata
amatoria, 1601, resp. 1611;
Cats' Sinne- en
minnebeelden, 1618).
Bloemlezingen met liefdesliederen uit alle perioden zijn
samengesteld door
C.J. Kelk en
Halbo C. Kool (De liefde zingt
in verzen, 1941),
Victor van Vriesland (Eros op de
Parnassus) en
Hans van Straten (Min-gekweel en
kin-gestreel, 1961).
LIT: Cuddon; Lodewick; Metzler; Joh. Vorrink. Het minnedicht in
de zeventiende eeuw (1919); E.K. Grootes. ‘Het jeugdig publiek van de
“nieuwe liedboeken” in het eerste kwart van de zeventiende
eeuw’, in: id. Visie in veelvoud (1996), p. 29-42. [P.J.
Verkruijsse]
| |
lierdicht of lierzang
Algemene benaming voor een lyrisch (lyriek)
gedicht met een verheven onderwerp. Het heeft veelal een plechtig karakter; men
denke bijv. aan het als ‘lierzang’ betitelde gedicht ‘De
verlossing en herstelling van Nederland’ (1813) van
J. Kinker. Specifieke vormen van het
lierdicht zijn de
ode,
hymne en
dithyrambe, maar ook menige
rei uit het renaissancedrama kan tot dit
genre worden gerekend.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
ligatuur
Term uit de paleografie en typografie voor twee of drie met elkaar
verbonden letters, zonder dat er sprake is van verkorting (abbreviatuur). Men onderscheidt in de paleografie twee
soorten: 1) ligaturen die ontstaan wanneer een letterdeel van de ene letter
wordt gebruikt als letterdeel voor de volgende: bijv. AE -> Æ. Deze
ligatuur wordt nu nog wel gebruikt, bijv. in Æneas; 2) ligaturen die
ontstaan als de luchtlijnen van de ene letter naar de volgende letter worden
meegeschreven: et -> &. Deze et-ligatuur (ampersand) kon aanvankelijk in alle posities binnen een woord
de lettercombinatie ‘et’ weergeven, maar vanaf de 9e eeuw beperkte
het zich steeds meer tot het voegwoord ‘et’. In de gotische periode
(gotisch schrift) werd de et-ligatuur meer en meer
vervangen door de tiroonse
nota ‘7’, maar tegenwoordig
wordt de ligatuur nog steeds gebruikt met de betekenis ‘en’; het
teken & zit boven de zeven op een toetsenbord. Andere bekende voorbeelden
van deze soort zijn de ct- en st-ligatuur. Bekend is ook de Duitse Ringel-s,
een combinatie van de lange en de ronde s: ß.
Vanaf het begin van de 9e eeuw wordt het gebruik van ligaturen
steeds zeldzamer. De gotische periode kent echter een bijzonder soort ligatuur:
de
rondboogverbinding, die kenmerkend is voor
het gotisch. De ae- en et-ligatuur zijn door de humanisten weer in ere hersteld
(humanistisch schrift).
In de typografie worden smalle uitstekende en overhangende letters
die vaak vaste verbindingen vormen op één letterstaafje gegoten
(ff, fi, fl, ffl, lange-s+t enz.), hetgeen niet alleen een esthetischer beeld
geeft, maar ook meer stevigheid tegen de druk van de pers.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; Wilpert; H. van
Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 31; B. Engelhart en
J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p. 127-28. [H.
Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
light verse
Subgenre van de poëzie waarin men minder serieuze, luchtige
of humoristische gedichten onderbrengt. In dit type poëzie speelt het
amusementsgehalte een doorslaggevende rol, maar het is vrijwel onmogelijk om de
precieze grenzen van het genre aan te geven. Verschillende soorten gedichten
worden onder dit genre gerangschikt, zoals de
limerick, de
nonsenspoëzie, de
olleke bolleke, het
palindroom, de
pantoum, de
parodie, de
pastiche, de
burleske, de
travestie, het
macaronisch gedicht e.v.a.
Door
Drs. P. worden dichters van het light
verse ‘plezierdichters’ genoemd. Tot deze plezierdichters, zich
dikwijls bewegend op het terrein van het
cabaret, behoren o.m.
Charivarius,
Kees Stip,
C. Buddingh',
Nico Scheepmaker,
Hans Dorrestein,
Ivo de Wijs en Drs. P. zelf. Een
tijdschrift dat zich speciaal op het light verse heeft toegelegd is De
Tweede Ronde (1980-...). Er bestaat zelfs een speciale prijs voor light
verse: de Kees Stip-prijs. Een bloemlezing van light verse werd samengesteld
door
Vic van de Reijt onder de titel
Ik wou dat ik twee hondjes was (19847).
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; K. Amis. The New Oxford Book of Light Verse (1978); Drs. P.
Handboek voor plezierdichters (1983); Light verse-nr. van
Randschrift 2 (1986) 7. [G.J. van Bork]
| |
ligne donnée
Dichtregel die de dichter dankzij
inspiratie (Bloem spreekt van ‘bij
inval’) geschonken krijgt en waar hij de rest van het gedicht bij
uitwerkt, soms zelfs zo dat de oorspronkelijke regel uiteindelijk geheel
verdwijnt. De term is afkomstig van
Paul Valéry, maar de ervaring
wordt door veel dichters gedeeld (vgl.
J.C. Bloem. Poëtica, 1969,
p. 18-21).
LIT: Buddingh'; Cuddon. [G.J. van Bork]
| |
limerick
Term uit de genreleer voor een
puntdicht van vijf regels met het rijmschema
aabba. Behalve door het rijm zijn de verzen ook door het ritme in twee groepen
verdeeld. De verzen 1, 2 en 5 hebben drie
heffingen, vaak anapestisch (anapest) of amfibrachisch (amfibrachus), de verzen 3 en 4 twee heffingen. De inhoud is
altijd humoristisch (humor). De eerste regel bevat vaak
een plaatsaanduiding. De tweede regel bevat dikwijls een rijmgever die door
vorm en/of inhoud botst met de rijmvrager van de eerste regel. Bekende dichters
in dit genre zijn
Charivarius,
Alex van der Heide,
John O'Mill en
Daan Zonderland, bijv. ‘Op Duymaer
van Twist’:
Hier lig ik, ik Duymaer van Twist.
'k Word niet in de Kamer gemist.
Maar als Kuyper 't gebiedt,
Dan kom ik direct uit de kist.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
liminaliteit
Term uit de moderne poëtica voor die toestand in een tekst,
waarin die tekst naar zichzelf verwijst als de uitbeelding van een
tussenruimte. Een liminale poëtica behelst ideeën over de aard en
functie van een tekst als overgangsruimte en over de procédés die
voor die uitbeelding worden gebruikt.
LIT: A. Mertens. Sluiproutes en dwaalwegen. Aspecten van een
liminale poëtica toegelicht aan de hand van het werk van Jacq Firmin
Vogelaar (1991); E. van Alphen. ‘Over de mystiek van
drempelervaringen’, in: NTg 85 (1992), p. 287-296. [W. Kuiper]
| |
liminaria zie
drempeldicht
| |
liniëren, aflijnen of afschrijven-2
Term uit de codicologie voor het aanbrengen van de bladspiegel,
voorafgaand aan het kopiëren. De afstand van de lijnen werd door prikken
(prik) aan de rand van het te beschrijven oppervlak
aangegeven. Tot de 12e eeuw gebeurde het liniëren meestal
‘blind’, d.w.z. dat de lijnen met een scherp puntig voorwerp werden
getrokken, zodat aan de ene zijde een ribbel zichtbaar werd en aan de andere
een groef. In de 12e eeuw begint men met loodstift te liniëren, vanaf de
13e eeuw ook met inkt.
Vóór de 13e eeuw schrijft men doorgaans op de
bovenste lijn, maar vanaf het begin van de 13e eeuw laat men die vrij.
LIT: BDI; Hiller; Scott; W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren.
‘Codicologie en filologie’, in: SpL 6 (1962-1963), p.
214-215; J.J.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum
(19813), p. 30-35. [F. van Thijn]
| |
litanie
Liturgisch beurtgebed, gesproken of gezongen (beurtzang), bestaande uit een reeks aanroepingen van God of
een heilige, die telkens gevolgd worden door een antwoord van de kerkelijke
gemeente. Deze tekstvorm, vooral voorkomend in de rooms-katholieke eredienst,
is meestal een smeekbede, een lofprijzing, of een combinatie van deze twee. Het
oudste voorbeeld is de ‘Litanie van Alle Heiligen’, die in verkorte
vorm gebruikt wordt op paaszaterdag. Deze begint, na een inleiding, met een
aanroeping van Maria en de heiligen (‘Heilige Maria - bid voor ons’
enz.), waarna de litanie wordt voortgezet met ‘Wees genadig - spaar ons
Heer’ enz., om te eindigen met ‘Christus - verhoor ons’.
Bij uitbreiding wordt de term ook gebruikt voor een lange
enumeratio waarin
repetitio en
parallellisme domineren, zoals toegepast in
de Litanie de la rose (1892) van
R. de Gourmont. Als aanduiding van
eindeloze reeksen lamentaties (elegie) en
lofredes fungeert het woord in titels als
Litanie der zonderlinge zielen van
Anton van Duinkerken of
Lof-Litanie van de H. Franciscus van
Marnix Gijsen.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; LdMA; MEW; Myers/Simms; Scott;
Shipley; Wilpert; Encyclopaedie van het katholicisme, ed. E. Hendrikx
e.a., dl. 2 (1955), p. 667. [G.J. Vis]
| |
literaire kritiek zie
kritiek
| |
literaire institutie zie
institutie
| |
literaire prijzen, letterkundige prijzen of
prijzen
Een literaire prijs is een doorgaans in stoffelijke vorm
uitgedrukte bekroning van een literair werk of het oeuvre van een auteur dat
men om zijn bijzondere waarde voor de cultuur en/of de kwaliteit een bekroning
waardig acht. Literaire prijzen hebben vanaf de 19e eeuw een belangrijke rol
gespeeld als extra honorering van auteurs en hebben in die zin naast royalties,
stipendia, werkbeurzen en aanvullende honoraria de rol van het vroegere
mecenaat overgenomen.
Er bestaan twee typen prijzen: prijzen die door de overheid worden
uitgeloofd en betaald, zoals staatsprijzen, de provinciale prijzen en de
gemeentelijke prijzen, en prijzen die door particuliere fondsen worden
uitgeloofd en betaald. Voor beide typen wordt steeds een jury samengesteld, die
in het kader van de voorwaarden waaronder een prijs ter beschikking wordt
gesteld, een kandidaat voor de prijs voordraagt. Tot die voorwaarden kunnen
allerlei deelcategorieën behoren die voor bekroning in aanmerking komen.
Zo zijn er prijzen die uitsluitend bestemd zijn voor poëzie (de Herman
Gorter-prijs), voor proza (de Prozaprijs van de Gemeente Amsterdam), voor essay
(de Busken Huet-prijs) of voor toneel (de Staatsprijs voor Dramatische
Letterkunde). Voorts zijn er debutantenprijzen (de Gouden Ezelsoor),
aanmoedigingsprijzen (de Anton Wachterprijs), prijzen voor bepaalde genres
zoals detectives (Gouden Strop), kinderboeken (de Gouden en Zilveren Griffels),
radio- en televisiewerk (de Edmond Hustinx-prijs) en vertalingen (de Martinus
Nijhoff-prijs).
Meestal hebben prijzen betrekking op werken of oeuvres die na
verschijnen worden bekroond, maar een enkele keer nodigt men een schrijver uit
nieuw werk in te sturen ter bekroning. Dergelijke prijzen gaan doorgaans
gepaard met of bestaan uit publicatie van de inzending (vgl. de
Dimensie-prijzen).
De belangrijkste of grootste Nederlandse literaire prijzen zijn de
Prijs der Nederlandse Letteren, de P.C. Hooft-prijs, de Constantijn
Huygens-prijs, de Jan Campert-prijs en de AKO-prijs. De belangrijkste Vlaamse
literaire prijzen zijn de Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan,
voor de Vlaamse letterkunde, voor de Vlaamse poëzie, voor het Vlaams
verhalend proza, voor kritiek en essay en voor de Vlaamse
toneelletterkunde.
De bekendste internationale literatuurprijs is ongetwijfeld de
Nobelprijs voor literatuur, waarvoor slechts enkele Nederlandstalige auteurs
ooit genoemd zijn (
S. Vestdijk en
Louis Paul Boon), maar die hier nog
nooit toegekend is.
Een overzicht van literaire prijzen geeft
H. Michaël in Nederlandse
literaire prijzen 1880-1985 (1986), welk overzicht voortgezet wordt
in het Jaarboek Letterkundig Museum vanaf jrg. 1 (1992).
LIT: Gorp; Hiller; Laan; Metzler; Jan Campertprijzen
(jaarlijkse publicatie met bio-bibliografische gegevens over de laureaten); D.
Welsink en W. Tibergien (red.). Aarts' Letterkundige Almanak voor het Willem
Elsschotjaar 1982 (1981); P. Verstegen. De Muze met de Januskop; dertig
jaar Martinus Nijhoff Prijs (1985); J. Verheul en J. Dankers. Tot stand
gekomen met steun van ...; vijftig jaar Prins Bernhard Fonds, 1940-1990
(1990); K. Bruin. ‘Het gelukkige bezit van twee heel oude,
kapitaalkrachtige freules. Steun van particulieren en overheid aan de letteren
in Nederland sinds 1945’, in: C.B. Smithuijsen (red.). De
hulpbehoevende mecenas; particulier initiatief, overheid en cultuur,
1940-1990 (1990), p. 11-71. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]
| | | |
literatuur of letterkunde-1
Algemene aanduiding voor alle mondeling (orale
literatuur) of schriftelijk overgeleverde teksten die men op
uiteenlopende gronden van andere teksten onderscheidt vanwege hun
veronderstelde specifieke, meestal kunstzinnige karakter. Doorgaans hanteert
men daarbij esthetische normen (esthetica), maar ook
andere normen worden wel als essentieel gezien, bijv. het fictieve karakter
ervan (fictie), de autonomie van een literaire tekst of
het specifieke taalgebruik dat in literaire teksten een rol speelt.
In de praktijk blijkt de literatuuropvatting van individuen of van
bepaalde groepen van doorslaggevende betekenis in wat tot de literaire
canon gerekend wordt in een bepaalde tijd.
De invloed van die literatuuropvattingen laat zich goed aflezen uit de
verschillende literatuurgeschiedenissen, waarin sommige auteurs bij de ene
literatuurhistoricus geheel ontbreken en bij een ander juist veel plaats
krijgen toegemeten, terwijl de normen daarvoor niet worden gegeven en men de
indruk wekt naar een zekere volledigheid te streven. Ook in de literaire
kritiek worden dergelijke opvattingen over literairheid (vaak impliciet)
gehanteerd, zoals bijv. blijkt uit het feit dat een auteur als
Jos van Manen-Pieters doorgaans niet, en
Jan Wolkers doorgaans wel besproken wordt. Hetzelfde kan gezegd worden over
bepaalde genres of subgenres. In bepaalde perioden in de literatuurgeschiedenis
blijken sommige genres afwezig, niet omdat ze in het geheel niet voorkomen,
maar omdat ze niet als literatuur opgevat werden. Uiteraard had dit gevolgen
voor de schrijverspraktijk: pas met de romantiek komt het proza tot volle
wasdom en in de 20e eeuw de reportageroman, om enkele voorbeelden te
noemen.
Een definitie van literatuur is dan ook niet te geven. Wat men wel
kan doen is het beschrijven van de literatuuropvattingen die in een bepaalde
periode ervoor gezorgd hebben dat bepaalde teksten wel en andere niet tot de
literatuur gerekend werden. Een dergelijke beschrijving zou dan een historisch
gebonden literatuurdefinitie op kunnen leveren.
De laatste jaren is er een toenemende belangstelling te
constateren voor de totstandkoming van de literaire canon en voor de sociale
interacties die een dergelijke canon in stand houden. Franse onderzoekers als
Escarpit en
Bourdieu hebben laten zien dat
verschillende instituties (scholen, uitgeverijen, boekhandels, literaire
kritiek, verenigingen van letterkundigen, prijzenstelsels e.d.) daar een
belangrijke rol in spelen. Het onderzoek op dit gebied is het terrein van de
empirische
literatuursociologie. Daarnaast wordt
onderzoek gedaan naar de literaire smaak (smaaksociologie:
Schücking en
Huygens).
In de
literatuurwetenschap is het niet
ongebruikelijk om de hierboven omschreven literatuur aan te duiden als
primaire literatuur en de geschriften over
deze primaire literatuur als
secundaire literatuur.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Fowler; Gorp; Hiller; LdMA;
Lodewick; Metzler; Scott; Shipley; Wilpert; L.L. Schücking. Die
Soziologie der literarischen Geschmacksbildung (1923); G.W. Huygens. De
Nederlandse auteur en zijn publiek (1946); J.P. Sartre. Wat is
literatuur? (1968); R. Escarpit. Sociologie de la littérature
(19682); W. Müller-Seidel. Probleme der literarischen
Wertung (19692); F.C. Maatje. Literatuurwetenschap
(1970); P. Hernadi (red.). What is literature? (1978); P. Bourdieu.
La distinction (1979); P.Gebhardt (red.). Literaturkritik und
literarischen Wertung (1980); J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding
(1981); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap
(1981), p. 19-30; J.J. Oversteegen. Beperkingen (1982). [G.J. van
Bork]
| |
literatuuresthetiek
In onbruik geraakte term voor het onderdeel van de algemene
kunstfilosofie (vgl.
esthetica) dat zich speciaal bezighoudt of
bezighield met de literatuur. Het is soms moeilijk te onderscheiden van de
literatuurtheorie (theoretische literatuurwetenschap)
voor zover deze gericht is op de wijsgerige benadering van het literair schone
(vgl.
schoonheid).
LIT: Krywalski; Metzler; MEW. [G.J. Vis]
| |
literatuurgeschiedenis
Beschrijving van de literatuur in haar totale historische
(diachrone) ontwikkeling of van een gedeelte daarvan. Dat deel kan dan een
bepaalde periode omvatten (Middeleeuwen, renaissance, modernisme etc.) of de
geschiedenis van een bepaald (sub)genre beschrijven (toneel, roman, kinder- en
jeugdliteratuur etc.). Doorgaans beschrijven literatuurgeschiedenissen de
literatuur van een bepaalde cultuurgemeenschap met een eigen taal. De
literatuurgeschiedenis is een van de disciplines van de
literatuurwetenschap en levert een bijdrage
aan de cultuurgeschiedenis.
De historische beschrijving van de Nederlandstalige literatuur is
op gang gekomen in de 19e eeuw. Een van de vroegste overzichtswerken op dit
gebied is
W.J.A. Jonckbloets
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (1868; 4e dr.,
6 dln., 1888-1892). Daarna volgden o.m. de Geschiedenis der
Nederlandsche letterkunde (6 dln., 1906-1910) van
G. Kalff en De ontwikkelingsgang
der Nederlandsche letterkunde (1908-1921; 2e dr., 7 dln.,
1922-1924) van
J. te Winkel. Het laatst verschenen
eenmanswerk van een soortgelijke omvang is dat van
G. Knuvelder: Handboek tot de
geschiedenis der Nederlandse letterkunde (4 dln.,
1970-19765). De Geschiedenis van de letterkunde der
Nederlanden (1939-1951; 1975) onder redactie van
F. Baur en geschreven of per deel
geredigeerd door verschillende literair-historici bleef onvoltooid (9 dln., dl.
8 ontbreekt).
Naast deze geschiedenissen van de gehele Nederlandstalige
literatuur verschenen tal van geschiedenisoverzichten over deelaspecten
daarvan, zoals die over het toneel door
J.A. Worp (2 dln., 1904-1908), over de
rederijkers door
J.J. Mak (1944), over Middelnederlandse
literatuur door
W.J.A. Jonckbloet (3 dln., 1851-1855),
over 19e-eeuwse literatuur door
J. ten Brink (3 dln, 1888-1889) en
G. Stuiveling (1941), over de Vlaamse
letterkunde van 1780 tot 1950 door
R.F. Lissens (1953) en over de
Nederlandse literatuur van 1880 tot 1980 van
T. Anbeek (1990). Ook over kinder- en
jeugdliteratuur verschenen historische overzichten:
D.L. Daalder schreef Wormcruyt
met suycker (1950) en in 1990 verscheen onder redactie van
H. Bekkering e.a.
De hele Bibelebontse berg. Het standaardwerk over
de Nederlandstalige literatuur in voormalig Nederlands-Indië is van
R. Nieuwenhuys: Oost-Indische
Spiegel (1972).
Deze literatuurgeschiedenissen verschillen onderling sterk van
elkaar op een tweetal essentiële punten. Het eerste punt is dat van de
canon. Uiteraard zal de canon van de
Indisch-Nederlandse letterkunde er anders uitzien dan die van de Nederlandse
literatuur, en dat geldt ook voor die van de kinder- en jeugdliteratuur.
Problematischer is het verschil in canon van twee gelijksoortige
literatuurgeschiedenissen. Wat Ten Brink of Kalff opneemt, verschilt van dat
wat bijv. Te Winkel in zijn geschiedenis vermeldt of van wat Baur aan teksten
en auteurs verwerkt. Die verschillen worden voornamelijk bepaald door
verschillen in literatuuropvattingen, met name over dat wat men onder
literatuur verstaat.
Het tweede punt van verschil berust op de theoretische
vooronderstellingen (literatuurtheorie) van waaruit men
literatuurgeschiedenis schrijft. In de 19e eeuw ontstonden naast elkaar twee
concurrerende theorieën: de positivistische (positivisme) en de geistesgeschichtliche (Geistesgeschichte). Ten Brinks literatuurgeschiedenis is een
voorbeeld van die eerste benadering (zij het niet consequent). In zijn
inaugurele rede bepleitte hij een benadering op basis van
Taine's uitgangspunten (ras, milieu en
moment) om daarmee wetmatigheden in het historische proces op het spoor te
komen.
Kalff,
Verwey en later
Baur zullen vooral geistesgeschichtliche
uitgangspunten hanteren: via ‘Einfühlung’ tracht men het
‘wezen’ van een bepaalde periode te achterhalen.
Onder invloed van
formalisme en
structuralisme verschuift vervolgens de
aandacht van de auteurs en hun sociaal-culturele omstandigheden naar de
literaire werken zelf. Literatuurgeschiedenis wordt dan gezien als een
opeenvolging of afwisseling van in die literaire werken gebruikte
procédés en hun uitwerking op de lezer. Uit die hoek stamt ook
René Welleks theorie over de
opeenvolging van groepen of reeksen literaire concepten in de
literatuurgeschiedenis op grond waarvan men een
periode-indeling kan maken.
Daarmee is eigenlijk tevens het verband aangegeven met de rol van
de lezer die immers de genoemde ‘werking’ van teksten ondergaat. In
zijn Literaturgeschichte als Provokation der
Literaturwissenschaft (1967) stelde
Jauss dan ook een
receptie-esthetische
literatuurgeschiedschrijving voor. Een literatuurgeschiedenis die voor
een belangrijk deel op die grondslag is geschreven is die van
Ton Anbeek: Na de oorlog. De
Nederlandse roman, 1945-1960 (1986).
De laatste decennia is er uitvoerig gedebatteerd over de
‘wetenschappelijkheid’ of de ‘empirische toetsbaarheid’
van de literatuurgeschiedschrijving. Dat debat heeft o.a. geleid tot een
tweetal benaderingen die de literatuurgeschiedenis een nieuwe component hebben
bezorgd. De eerste is gebaseerd op het onderzoek naar literatuuropvattingen.
J.J. Oversteegenlegde met zijn boek
Beperkingen (1982) de grondslag voor een nadere
bestudering van literatuuropvattingen zoals die tot uiting komen in impliciete
en expliciete poëtica's van auteurs. In het boek Twee eeuwen
literatuurgeschiedenis (1986) werd getracht om een beschrijving van
stromingen uit de 19e en 20e eeuw te geven op grond van onderzoek naar
literatuuropvattingen.
Een tweede benadering betreft de smaaksociologie of het onderzoek
naar sociale instituties die verantwoordelijk zijn voor het geldende
literatuurbegrip (literatuursociologie). Als vroeg
voorbeeld van een smaaksociologische benadering wordt doorgaans
G.W. Huygens' De Nederlandsche
auteur en zijn publiek (1946) genoemd, maar de grondslagen voor
deze benadering stammen toch vooral van
L.L. Schücking (Die
Soziologie der literarischen Geschmacksbildung, 1933) en
P. Bourdieu (La
distinction, 1979). In het in 1993 verschenen Nederlandse
Literatuur, een geschiedenis komen tal van instituties voor die een
belangrijke rol gespeeld hebben in de totstandkoming van het
literatuurconcept.
LIT: Best; Gorp; Hiller; Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Wilpert;
R. Wellek. Concepts of criticism (1963); H. Schwartz und H. Wagner.
Literaturgeschichte (1977); E. Kunne-Ibsch. ‘Periodiseren: de
historische ordening van literaire teksten’ in: W.J.M. Bronzwaer e.a.
(red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977), p. 284-297; W.
van den Berg. ‘Literatuurgeschiedenis en cultuurgeschiedenis’, in:
Spektator 16 (1986-1987), p. 29-40; E.K. Grootes. ‘De paradoxen
van de literatuurgeschiedschrijving’, in: Spektator 18
(1988-1989), p. 241-261; N. Laan. Het belang van smaak. Twee eeuwen
academische literatuurgeschiedenis (1997). [G.J. van Bork]
| |
literatuursociologie
Benadering van de literatuur waarbij die als maatschappelijk
verschijnsel wordt bestudeerd. Voorzover men economische factoren als zodanig
verantwoordelijk acht voor de wijze van productie van literatuur, spreekt men
ook wel van
materialistische literatuurtheorie, maar een
probleem daarbij vormt de (on)scheidbaarheid van economische en historische
aspecten.
Globaal onderscheidt men twee hoofdrichtingen in de
literatuursociologie. De eerste is die van wat men wel de empirische
literatuursociologie genoemd heeft, maar die men wellicht beter zou kunnen
aanduiden als de interactionistische literatuursociologie. De tweede is de
marxistisch georiënteerde literatuursociologie, die op haar beurt een
aantal uiteenlopende richtingen omvat.
De empirische of interactionistische literatuursociologie kent
eveneens een aantal varianten. De voorkeur voor de term
‘interactionistische literatuursociologie’ is gebaseerd op het feit
dat deze vorm van literatuursociologie tracht normen en rolpatronen in het
handelen van individuen en groepen die een institutioneel karakter hebben te
reconstrueren en te beschrijven. Men moet daarbij denken aan
schrijversgeneraties, literaire kritiek, literatuur en school e.a. Deze vorm
van literatuursociologie laat de vorm of structuur van teksten buiten
beschouwing en richt zich uitdrukkelijk op de verspreiding en werking van
literatuur. De nadruk komt daarmee te liggen op het tweede deel van de term,
het sociologische aspect. Daarbij zijn de kanalen in het geding waarlangs
literatuur als ‘koopwaar’ de ‘consument’ bereikt (
Escarpit,
Fügen e.a.) en de manier waarop
literatuur wordt ‘geconsumeerd’ (
Silbermann). Tot die kanalen behoren
bijv. uitgever, boekhandel, bibliotheek, literaire prijs, televisie enz., maar
ook de literaire vorming op school als centrum waar de literaire smaak wordt
ontwikkeld en waar de toekomstige consument wordt gevormd. In de praktijk
blijkt deze tak van de literatuursociologie dan ook rekening te houden met
esthetische oordelen, bijv. omdat de vraag naar de kwantitatieve verspreiding
van teksten niet alleen beantwoord kan worden vanuit de productieverhoudingen,
maar evenzeer beantwoord moet worden met een beroep op de bij lezers kennelijk
aanwezige normen. Eenvoudig gezegd gaat het hierbij niet alleen om vragen als:
Wie leest? Hoe komt men aan zijn teksten? Wie bepaalt wat wordt uitgegeven?
e.d., maar ook om de vraag: Waarom leest men juist dat?
Binnen de tweede opvatting richt men zich juist wel op het
esthetisch object en vooral op de structuurelementen die het kunstwerk bepalen.
Volgens aanhangers van deze richting (
Lukács,
Goldmann,
Adorno e.a.) is het in de
literatuurwetenschap onmogelijk het waardeoordeel buiten de theorie te houden.
Adorno bijv. staat een genuanceerd kritische literatuursociologie voor, die in
feite de ideologie-kritische functie van literatuur moet blootleggen. Omdat
deze richting duidelijk tekstgericht is, is ze minder dan de
interactionistische literatuursociologie op te vatten als een
hulpwetenschap.
Deze tweede richting echter laat zich vervolgens weer opsplitsen
in verschillende benaderingen.
De eerste daarvan is het best te karakteriseren aan de hand van de
opvattingen van Lukács en Goldmann. Lukács gaat ervan uit dat het
literaire kunstwerk in de weergave van het bijzondere (personages, handelingen,
gedachten enz.) het algemene of typische weerspiegelt. In die opvatting is
literatuur ‘realistisch’ wanneer ze langs de weg van het bijzondere
doordringt tot het algemene en dat uitdrukt in de vorm. De esthetiek van
Lukács is prescriptief, in die zin dat hij slechts de zo gedefinieerde
‘realistische’ literatuur erkent als waardevol en emancipatorisch.
Ook voor Goldmann staat de tekst centraal. Hij gaat ervan uit dat in de
structuur van de tekst een eenduidig te definiëren conceptueel systeem
wordt uitgedrukt. Dat conceptuele systeem organiseert het kunstwerk, maar drukt
tevens het sociale bewustzijn van een groep of klasse uit (wereldbeschouwing,
‘vision du monde’ genoemd). Het kunstwerk is dus zowel product van
een auteur als van een collectief bewustzijn. Zowel
Lukács als
Goldmann gaat voorbij aan de
mogelijkheid dat een auteur het hele postulaat van de conceptuele eenheid van
het literaire werk kan verwerpen. Daarom verzette
Adorno zich tegen deze opvatting, omdat
bijv.
avant-garde-literatuur niet verenigbaar is
met het standpunt van literatuur als product van een collectief bewustzijn.
Volgens Adorno reageert een literaire tekst ergens op: op reeds bestaande
literaire teksten, maar ook (of juist daardoor) op ideeën,
ideologieën enz. Bovendien zijn literaire teksten niet eenduidig, maar
polyinterpretabel, waardoor ze zich aan de mogelijkheid tot gebruik in
ideologische zin onttrekken en niet tot marktwaar kunnen worden. Daarom staan
bij Adorno de taalkundige mogelijkheden van de tekst voorop en geeft hij de
voorkeur aan open tekststructuren die zich onttrekken aan het conceptuele
denken, d.w.z. aan classificatie of systematisering, waardoor ze het gevaar
lopen dat ze nuttig gemaakt kunnen worden voor enig ideologisch systeem. Ook
bij Adorno blijkt het normatieve aspect in zijn theorievorming duidelijk:
teksten moeten de vervreemding (vervreemdingseffect) aan
het licht brengen door zich kritisch tegenover bestaande (heersende)
opvattingen op te stellen. Het zal duidelijk zijn waarom juist
avant-garde-literatuur bij Adorno de voorkeur verdient.
Steeds sterker is binnen de literatuursociologie de nadruk komen
te liggen op de talige aspecten van de tekst. Daarbij staat het onderzoek naar
semantische en/of syntactische structuren en hun verhouding tot de
werkelijkheid centraal, omdat men ervan uitgaat dat de keuze voor een
semantisch of syntactisch systeem een kritische relatie van de kunstenaar met
een maatschappelijk systeem kan uitdrukken. Het taalteken heeft een sociale
functie en is ideologisch geladen. Het gebruik ervan is een sociale handeling.
Niet alleen is er sprake van een bepaald sociolect waarbinnen lexicale en
semantische eenheden een rol spelen, maar op een hoger niveau is er sprake van
een structuur die groter is (omvattender) dan de zin: de transfrastische
structuur of het ‘discours’ genoemd. Het discours kan omschreven
worden als de dramatisering of personifiëring (d.w.z. het specifieke
gebruik) van een bepaalde (taal)code die een groep kenmerkt. De analyse van dit
discours is één van de taakstellingen van de literatuursociologie
geworden. Dit discours kan opgevat worden als een reactie op andere
discoursvormen, inclusief die van andere literaire teksten, zoals in
pastiche,
groteske,
citaat,
parodie,
allusie e.d. het geval is, maar eigenlijk -
zij het minder opvallend - in vrijwel alle literaire teksten een rol speelt.
Vandaar de belangstelling voor het verschijnsel van de
intertekstualiteit. Vrijwel steeds blijken
teksten te reageren op gesproken of geschreven teksten en in die reacties
kunnen nieuwe sociale of ideologische posities worden ingenomen die vervolgens
door de literatuursociologie kunnen worden ontrafeld.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW;
Wilpert; R. Escarpit. Sociologie de la littérature (1958); L.
Goldmann. Pour une sociologie du roman (1964); Th.W. Adorno.
Kritische Modellen, vert. en ingel. door C. Offermans en F. Prior
(1965); B. Brouwers. Literatuur en revolutie (2 dln., 1971); H.N.
Fügen. Hauptrichtungen der Literatursoziologie und ihre Methoden
(1974); T. Eagleton. Marxism and literary criticism (1976); P.V. Zima.
Literatuur en maatschappij (1981); H. Verdaasdonk en K. Rekvelt.
‘De kunstsociologie van Pierre Bourdieu’, in: De Revisor 8
(1981) 3, p. 49-57. [G.J. van Bork]
| | | |
literatuurwetenschap of letterkunde-2
Overkoepelende term voor het geheel van disciplines dat zich
bezighoudt met de bestudering van
literatuur in de meest brede zin van het
woord. Onder literatuurwetenschap wordt zowel het onderzoek naar de
verschillende aspecten van de nationale voortbrengselen van de literatuur
gerekend, als het hele complexe gebied van de
algemene literatuurwetenschap, dus zowel de
theoretische literatuurwetenschap als de
vergelijkende literatuurwetenschap.
Tot het onderzoek van de literatuurwetenschap behoren onder meer
disciplines als literatuurgeschiedschrijving, interpretatie van afzonderlijke
teksten (hermeneutiek),
filologie, de bestudering van aard en
functie van literatuur, het onderzoek naar de
canonvorming, de
genreleer, de
poëtica, de
retorica en het onderzoek naar de
vertelvormen. Sommigen rekenen ook de literaire
kritiek tot de literatuurwetenschap, anderen
beschouwen haar als object van onderzoek.
Dikwijls wordt ‘literatuurwetenschap’ gebruikt als
synoniem voor ‘algemene literatuurwetenschap’ (vgl.
J. van Luxemburg e.a.
Inleiding in de literatuurwetenschap, 1981, p. 17). Vaak
ook gebruikt men de term als synoniem voor ‘theoretische
literatuurwetenschap’ (vgl.
F.C. Maatje.
Literatuurwetenschap, 1970, dat als ondertitel heeft
‘grondslagen van een theorie van het literaire werk’).
Ook ‘letterkunde-2’ wordt gebruikt als synoniem, met
name wanneer het gaat om het onderwijs en onderzoek van de literatuur in een
bepaalde taal. In die zin spreekt men bijv. in het Academisch Statuut van de
Nederlandse of Franse taal- en letterkunde.
LIT: Best; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert; R.
Wellek & A. Warren. Theory of literature (1949); F.C. Maatje.
Literatuurwetenschap (1970); W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek
algemene literatuurwetenschap (1977); Ch. Grivel (red.). Methoden in de
literatuurwetenschap (1978); J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding
(1981); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap
(1981); J.J. Oversteegen. Beperkingen (1982); J.J. Oversteegen.
Anastasio en de schaal van Richter (1986); K. Beekman en F. de Rover
(red.). Literatuur bij benadering (1987); D. Fokkema en E. Ibsch.
Literatuurwetenschap & cultuuroverdracht (1992). [G.J. van Bork]
| |
lithografie zie
steendruk
| |
litotes
Stijlfiguur waarmee men, vaak op ironische (ironie) wijze, iets wil beweren door middel van de ontkenning
van het tegenovergestelde met de bedoeling om aldus de bewering bijzondere
nadruk te geven. De litotes ‘dat is niet slecht’ betekent
‘dat is zeer goed’. Deze stijlfiguur is verwant aan de
antoniem. Het tegenovergestelde is de
hyperbool.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
littera antiqua, antiqua of humanistische
minuskel
Naam die de Italiaanse humanisten (humanisme,
humanistisch schrift) in de 15e eeuw geven
aan de
Karolingische minuskel uit handschriften die
vóór de 12e eeuw geschreven zijn (letterlijk ‘de oude
letter’).
Ook het door de humanisten ontworpen
boekschrift krijgt de naam littera antiqua.
Deze schriftsoort die omstreeks 1400 wordt ontwikkeld door Florentijnse
humanisten is aanvankelijk een zo nauwkeurig mogelijke imitatie van de
Karolingische minuskel en wordt speciaal gebruikt voor Latijnse teksten. Al
spoedig krijgt de humanistische minuskel een geheel eigen karakter door het
gebruik van een spitse pen, de kleinere letteraanzetten en voetjes en het
vermijden van afkortingen (abbreviatuur). Wel blijven de
ae- en et-ligatuur gehandhaafd. Dit volgroeide
humanistische schrift wordt rond 1460-1470 de basis voor de drukletter
romein, die aanvankelijk ook uitsluitend
voor het drukken van Latijnse teksten wordt gebruikt. Teksten in de volkstaal
en de in de ogen van de humanisten door middeleeuwse kopiisten verminkte
klassieke literatuur zijn in de door de humanisten verafschuwde
littera textualis geschreven (gotisch schrift).
LIT: Brongers; Hiller; B.L. Ullman. The Origin and Development
of Humanistic Script (1960); B. Bischoff. Paläographie des
römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters (1979),
p. 186-189; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882), p. 181-189; J. Glenisson. Le livre au Moyen Age
(1988). [H. Struik]
| |
littera bastarda zie
littera hybrida
| |
littera currens zie
currens
| |
littera cursiva of cursiva
Snel schrijfbaar schrifttype, met als belangrijkste kenmerken het
gebruik van een spitse pen, de f en lange-s die door de schrijflijn heen gaan
en het meeschrijven van de luchtlijnen, waardoor lussen aan de stokletters
ontstonden. De precieze ontwikkeling van de cursiva is onbekend, maar in de 12e
eeuw ontstaat er voor aantekeningen en korte notities in de
marges van boeken een kleine, snel
schrijfbare schriftsoort die erg lijkt op de gewone
littera textualis van die tijd. Dit
aantekeningenschrift heeft veel invloed gehad op het ontstaan van de
cursiva.
Aan het einde van de 13e eeuw is de cursiva volledig ontwikkeld en
vanaf die tijd wordt de schriftsoort behalve als
gebruiksschrift (cursiva currens) ook als
boekschrift (cursiva textualis) gebruikt.
Parallel aan de verschijning van de cursiva als boekschrift loopt
de verschijning van
papier als schriftdrager. Vooral bij
eenvoudige boeken is de combinatie cursiva - papier heel gewoon. In de 14e eeuw
ontstaan er kalligrafische vormen met brede pen, die vaker in perkamenten
handschriften worden aangetroffen (cursiva formata).
Met uitzondering van de Nederlanden neemt de cursiva in de 15e
eeuw als boekschrift de plaats van de textualis in.
LIT: J.P. Gumbert. ‘Iets over laatmiddeleeuwse schrifttypen,
over hun onderscheiding en hun benamingen’, in: Archief- en
Bibliotheekwezen in België 46 (1975), p. 273-282; B. Engelhart en J.W.
Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p. 170-175; G.I. Lieftinck.
Manuscrits datés et conservés dans les Pays Bas (1964),
dl. 1, p. VII-XXX; J. Stiennon. Paléographie du Moyen age (1973),
p. 120; E. Strubbe. Grondbegrippen van de paléografie der
Middeleeuwen (1964), p. 114; B. Bischoff. Paläographie des
römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters (1979),
p. 175-185. [H. Struik]
| |
littera formata zie
formata
| |
littera hybrida, littera bastarda of hybrida
Term uit de
paleografie voor het laatmiddeleeuwse
gotische
minuskelschrift dat een mengvorm is van
littera textualis en
littera cursiva. Eigenlijk was de hybrida
alleen in de Nederlanden duidelijk te onderscheiden van de cursiva. Net als bij
de cursiva gaan de f en de lange-s door de schrijflijn, maar de lussen aan de
stokken ontbreken. De hybrida is minder gebroken dan de textualis. De benaming
is afkomstig uit de algemeen toegepaste
nomenclatuur van Lieftinck, die de letter
aanvankelijk littera bastarda noemde; deze naam wordt door sommigen nog steeds
gebruikt.
Het Concilie van Constanz (1414-1418), waar de hele Europese
geestelijkheid samenkwam, geldt tegenwoordig als een belangrijk moment voor de
opkomst van de hybrida. Bij deze gebeurtenis maakten de Noord-Europeanen kennis
met de Italiaanse, lusloze, cursiefachtige schriften en met de Italiaanse
textualis die veel ronder is dan die aan de noordkant van de Alpen. Mogelijk
waren deze Italiaanse schriftsoorten het voorbeeld voor de hybrida: sneller dan
de textualis, netter dan de cursiva. Het schrifttype komt tussen 1415 en 1420
al op als boekschrift. De hybrida was in de Nederlanden erg belangrijk als
boekletter, mogelijk door de invloed van de
Moderne Devotie op de boekproductie.
LIT: G.I. Lieftinck. Manuscrits datés, conservés
dans les Pays Bas (1964), dl. 1, p. VII-XXX; E. Strubbe. Grondbegrippen
van de paléografie der Middeleeuwen (1964), p. 115-117 (s.v.
bastarda); J. Stiennon. Paléographie du Moyen Age (1973), p.
112-124 (s.v. bastarda); J.P. Gumbert. ‘Iets over laatmiddeleeuwse
schrifttypen, over hun onderscheiding en hun benamingen’, in: Archief-
en Bibliotheekwezen in België 46 (1975), p. 273-282; J.P. Gumbert.
‘A proposal for Cartesian nomenclature’, in: Miniatures,
scripts, collections. Essays presented to G.I. Lieftinck (1976), p. 45-52;
B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des
abendländischen Mittelalters (1979), p. 175-186 (s.v. bastarda); B.
Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p.
176-177. [H. Struik]
| |
littera italica, italica, italiek of humanistische
cursief
Naast het humanistische
boekschrift, de
littera antiqua, ontwikkelt zich rond 1500
uit de
Karolingische minuskel ook een snellere
aaneengeschreven vorm van het
humanistisch schrift, die waarschijnlijk het
best gekenmerkt kan worden als een ‘humanistisch’ vormgegeven
gotische cursief (littera cursiva). Deze cursief wordt
geschreven met een zeer spitse pen en de letters hellen naar rechts. In
tegenstelling tot andere cursieve schriftsoorten worden de luchtlijnen niet
meegeschreven: de verbindingen tussen de letters worden gemaakt door de naar
rechts uitstekende delen van de letters, zoals het streepje door de f en het
vlaggetje van de r. De humanistische cursief wordt vooral gebruikt bij
handschriften op papier en in de bestuurlijke administratie (gebruiksschrift); het verspreidt zich in de 16e eeuw zeer
snel, vooral ten zuiden van de Alpen. In de Nederlanden verdringt het het
gotisch schrift pas in de 18e eeuw.
Op grond van de humanistische cursief ontwierp Aldus de
humanistische drukletter italic, die door sommigen ook ‘antiqua’
genoemd wordt.
LIT: B.L. Ullman. The Origin and Development of Humanistic
Script (1960); E. Strubbe. Grondbegrippen van de paléografie der
Middeleeuwen (1964), p. 130; J. Stiennon. Paléographie du Moyen
Age (1973), p. 112-124; B. Bischoff. Paläographie des
römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters (1979),
p. 186-189; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882), p. 181-189. [H. Struik]
| |
littera libraria zie
libraria
| |
littera singularis zie
sigle-1
| |
littera textualis, gotische textura, textualis of
textura
In de 12e eeuw uit de
Karolingische minuskel ontstane
schriftsoort, gedurende de hele periode van het
gotische schrift in gebruik als
boekschrift. Belangrijke kenmerken zijn de a
in twee verdiepingen, stokken zonder lussen, de f en lange s op de
schrijfregel, de
rondboogverbindingen en een zekere mate van
hoekigheid (breking). Het meest gebruikte boekschrift vertoont echter weinig
breking en had in de Middeleeuwen de contemporaine benaming littera
rotunda, niet omdat het schrift er rond
uitziet, maar omdat de voetjes van de letters gebogen zijn en niet gebroken. In
deze gewone, vrij snel te schrijven textualis zijn de boeken voor dagelijks
gebruik geschreven.
Het gebroken karakter van de textualis leidde ertoe, dat
letterdelen als stokken, schachten en boogjes tot nog kleinere bouwsteentjes
geanalyseerd konden worden. Eind 14e eeuw ontwikkelde zich dan ook een
kalligrafische vorm. Deze littera textualis formata kenmerkte zich door grote
letters, extreme breking van de letterdelen en ruitvormig uitgevoerde voetjes
en aanzetjes. De textualis formata was een tijdrovend luxeschrift en werd
voornamelijk gebruikt voor liturgische boeken, vandaar de middeleeuwse benaming
littera psalterialis.
Andere kenmerkende varianten van de textualis zijn de littera
parisiensis (in de zgn. Parijse bijbeltjes) en de littera bononiensis
(voornamelijk juridische teksten van de universiteit van Bologna).
Met uitzondering van de Nederlanden neemt de
littera cursiva in de 15e eeuw als
boekschrift de plaats van de textualis in. De textualis wordt dan alleen nog
voor liturgische handschriften gebruikt. In de Nederlanden blijft de textualis
gewoon als boekschrift in gebruik, maar krijgt aan het begin van de 15e eeuw
concurrentie van de
littera hybrida.
LIT: Feather; J.P. Gumbert. ‘Iets over laatmiddeleeuwse
schrifttypen, over hun onderscheiding en hun benamingen’, in: Archief-
en Bibliotheekwezen in België 46 (1975), p. 273-82; B. Engelhart en
J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p.164-170. [H.
Struik]
| |
liturgisch drama
Geestelijk drama dat zich ontwikkelde uit
de responsoria en de antifonen (beurtzang) van de
West-Europese rooms-katholieke liturgie. Speciaal de kerkelijke hoogtijdagen
waren aanleiding om onderdelen van de liturgie aanschouwelijk en in dialoogvorm
voor te stellen. Zo ontstond bijv. uit de
troop-1 ‘Quem quaeritus’ van de
paasdienst een steeds verder uitgebreide en gespeelde dialoog binnen de
liturgie van het paasfeest, het zgn.
paasspel. Op soortgelijke wijze ontwikkelde
zich het
kerstspel. Geleidelijk werd de taal van de
liturgie, het Latijn, vervangen door de volkstaal. Bovendien werd de band met
de liturgie en de bijbeltekst steeds losser door het invoegen van eigentijdse
en wereldse elementen in het spel. Op die manier ontwikkelde het liturgisch
drama zich tot een zelfstandig geheel dat door leken buiten de kerk kon worden
gespeeld. Er ontstond zo een vloeiende overgang naar het
mysteriespel.
De vroegste voorbeelden van het liturgisch drama stammen uit de
10e eeuw, bijv. het Ordo stellae. In de 12e eeuw werd door de kanunniken
van St. Marie te Utrecht in het antiphonarium voor de kerstnacht
een gedramatiseerde nocturne opgetekend. Soortgelijke teksten werden genoteerd
voor de paasdag en voor Driekoningen. Voor de Lieve-Vrouwekerk
teMaastricht werd rond 1200 het Maastrichtse Paasdrama
geschreven.
Blijkbaar is het liturgisch drama aan het eind van de 13e eeuw
zodanig aan de liturgie ontgroeid dat de Utrechtse synode in 1293 een verbod op
de opvoering in de kerk uitvaardigde. Het is de vraag of dit verbod veel effect
heeft gehad; in 1401 speelden de Haagse ‘gezellen van den spele’
met Pasen het spel Ons Heren Virrisenissein de kerk. In
1498 werd een
driekoningenspel in de kerk van
Delft opgevoerd en in 1503 volgde nog een paasspel in diezelfde
kerk.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; LdMA; Lodewick; MEW; Scott; Wilpert;
J.A. Worp. Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland
(dl. 1, 1903); J. Smits van Waesberghe. Muziek en drama in de
middeleeuwen (1942); B. Hunningher. The origin of the theatre
(1955); W. Tydeman. The theatre in de middle ages (1978); R.L. Erenstein
(hoofdred.). Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996). [G.J. van
Bork]
| | | |
locus amoenus
Veelvuldig in de literatuur vanaf de Oudheid voorkomend
topos dat de standaardbeschrijving van een
lustoord, een soort paradijs, behelst. Tot de stoffering van het ideale
landschap behoren bomen, een weidje, een beekje, vogelzang, bloemen en een
briesje. Het Tempe-dal inGriekenland gold als het reële
voorbeeld voor een locus amoenus.
Huygens alludeert hierop in zijn
Batava Tempe, dat is't Voor-hout van 's Gravenhage
(1621).
In de Nederlandse literatuur komt dit soort
standaardbeschrijvingen voor in de
hoofse literatuur, met name de hoofse roman,
in de
arcadia, de
pastorale-1 en het
liefdeslied van de 17e en 18e eeuw. In de
hoofse literatuur is de locus amoenus niet geschikt als locus amoris, een
plaats om de liefde te bedrijven; daar geeft men de voorkeur aan een
geciviliseerde locatie, vaak een
hortus conclusus, een afgesloten
(kasteel)tuin.
Een voorbeeld van een locus amoenus zijn de verzen 328-339 van de
Beatrijs (ed.
Lulofs, 19785):
Dus quamen si den telt ghevaren
Smorgens aen een foreest,
Daer die voghele hadden feest.
Si maecten soe groet ghescal,
Elc sanc na der naturen sine.
Daer stonden scone bloemkine
Op dat groene velt ontploken,
Die scone waren ende suete roken.
Die locht was claer ende scone.
Daer stonden vele rechte bome,
Die ghelovert waren rike.
Veel elementen van de locus amoenus zijn ook terug te vinden in de
Natureingang aan het begin (vs. 5 vlg.) van
A. vande Vennes ‘Zeeusche
mey-clacht ofte schyn-kycker’ (1623):
Ick sach al om ent om de houven en waranden,
De boomgaerts wit gebloeyt, de groene coren-landen;
Ick sach aldaer ontrent een soete clare beeck, [...].
(Zeeusche nachtegael, ed.
Meertens en
Verkruijsse, 1982, p. 91-104).
Het tegenovergestelde van een locus amoenus is een
locus terribilis.
LIT: Alphen; Best; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; E.R.
Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter
(19738), p. 191-209; D. Thoss. Studien zum locus amoenus im
Mittelalter (1972); R.M.T. Zemel. ‘De hoofse wereld in de
Beatrijs’, in: Spektator 12 (1982-1983), p. 345-376. [P.J.
Verkruijsse]
| |
locus communis
Term uit de retorica voor argumenten zonder eigenlijke
argumentatieve functie; ze versterken louter iets wat toch al door beide
partijen algemeen aanvaard is. Hoe vaker dit soort algemeen te gebruiken
argumenten gehanteerd wordt, hoe minder bewijskracht ze krijgen. Deze
gemeenplaats uit de juridische praktijk leeft verder als
topos en
cliché-1.
LIT: Leeman/Braet. [P.J. Verkruijsse]
| |
locus horribilis zie
locus terribilis
| |
locus terribilis of locus horribilis
Exemplarische en onheilspellende plek, het tegenovergestelde van
een
locus amoenus. De locatie Kriekepitte in de
Reynaert wordt door middel van de doornstruiken en de onheilsvogel de
uil afgeschilderd als een locus terribilis.
Dats een de meeste wildernesse
Diemen hevet in eenich rike.
Ic segghe u oec ghewaerlike,
2585
Dat somwijlen es een half jaer
Dat toten borne commet daer
No creature die hevet lijf,
Sonder die ule entie scuvuut
1
2590
Die daer nestelen in dat cruut,
Of eenich ander voghelijn
Dat elwaer gherne wilde zijn
Ende daer bi avontuere lijdet.
Ende daerin leghet mijn scat ghehidet!
2595
Verstaet wel! Ditte es u nutte:
Die stede heetet Kriekeputte.
(Van den vos Reynaerde, ed.
Lulofs, 19852, vss.
2582-2596).
LIT: Alphen; Gorp; Lausberg; MEW; K. Garber. Der locus amoenus
und der locus terribilis (1974). [H. Struik]
| |
lofdicht, encomium, loflied of lofzang
Term, aanvankelijk voor een encomium (Gr. koorzang) op de
overwinnaar in de Griekse spelen, later voor een
lierdicht op een historische of
legendarische figuur in het algemeen, en nog later vaak ook als paradoxale
lofdichten in ironische of satirische zin op personen of zaken (satire). Subgenres van het lofdicht zijn de
ode,
hymne en
dithyrambe. Naast de serieuze lofdichten van
bijv.
J. van der Noot, Lofsang van
Brabant (1578),
D. Heinsius, Lof-sanck van Jesus
Christus (1616), of
J. van den Vondel, Lof der
Zee-vaert (1623), staan de paradoxale lofdichten van bijv.
Roemer Visscher, Lof van een
blaeuwe scheen,
G.A. Bredero, Lof van de
rijckdom (1613) en Lof van de armoede (1614)
en
D.P. Pers, Suyp-stad of
Dronckaerts leven (1628).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; H.K. Miller. ‘The paradoxical
encomium with special reference to its vogue in England, 1600-1800’, in:
Modern Philology 53 (1955-1956), p. 145-178; E.K. Grootes en J.E.
Verlaan. ‘Literaire aspecten van Suyp-stad’, in: D.P. Pers.
Suyp-stad of Dronckaerts leven, ed. E.K. Grootes en J. Verlaan (1978),
p. 61-73; M. Spies. ‘Inleiding’, in: J. van den Vondel. Twee
zeevaart-gedichten, dl. 1 (1987), p. 143-152. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
lofrede, laudatio of panegyriek
Aanduiding voor een in proza geschreven
rede, behorend tot het
genus demonstrativum, in de Griekse Oudheid
gehouden bij een feestelijke gelegenheid of ter ere van historische of
legendarische figuren. Het genre is dikwijls als retorische oefening
(pronkrede) gehanteerd. Soms had de lofrede het karakter van een
lijkrede.
In de Nederlandstalige letterkunde is het
lofdicht meer in zwang dan de lofrede. Toch
zijn er wel voorbeelden te vinden, met name uit de sector van het onderwijs,
zoals
J. Geels Lof der
proza (1830), oorspronkelijk als rede voorgedragen.
Typisch voor de promotie tot doctor is de laudatio van de
promotor, waarin de promovendus lof wordt toegezwaaid voor de door hem/haar
verrichte wetenschappelijke prestatie.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Metzler; MEW;
Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
logogram
Term uit de schriftgeschiedenis voor een abstract teken dat een
woord verbeeldt. Logografische schriftsystemen zijn bijv. de Egyptische
hiërogliefen en het Chinees. In het Nederlands zou men tekens als
‘’ (= graad) en ‘1’ (= één) logografische
tekens kunnen noemen.
LIT: BDI; Feather; Gorp; Hiller; Scott; I.J. Gelb. A study of
writing (19632). [P.J. Verkruijsse]
| |
logopoeia
Eén van de drie niveaus waarop een tekst kan worden beleefd
en wel die op het niveau van het verstand of de rede. Daarbinnen vallen zowel
semantische als taalstructurele aspecten van de tekst, bijv.
woordspeling,
homoniem,
ironie en
associatie. De andere niveaus betreffen de
muzikale aspecten (melopoeia) en de visualiteit (fanopoeia).
LIT: Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Scott; E. Pound. ABC of
reading (1934). [G.J. van Bork]
| |
lombarde of lettrine
Term uit de
codicologie voor de meest eenvoudige vorm
van de
initiaal. De lombarde werd gebruikt als
beginletter van een nieuw tekstgedeelte in een handschrift, is meestal
één tot drie regels hoog en met pen of penseel aangebracht in
één kleur, vaak zwart of rood. De kleuren geel, groen en bruin
zijn in handschriften uit de Nederlanden zeer zeldzaam. Een enkele keer is een
lombarde van eenvoudig
penwerk voorzien.
In de middeleeuwse
codex heeft de lombarde oorspronkelijk een
structurerende functie. Na verloop van tijd gaat ze, net als het
paragraafteken, ook retorische momenten in
de tekst markeren door het aangeven van de directe rede op plaatsen waar een
(voor)lezer gemakkelijk in de fout zou kunnen gaan.
In eenvoudige handschriften werden de lombarden door de
kopiist zelf aangebracht, in meer luxe
codices werden lombarden door een aparte rubricator (rubricatie) ingetekend of ingeschilderd aan de hand van een
representant.
LIT: J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione
codicum (19813), p. 63; W. Kuiper. ‘Lombarden, paragraaf-
en semiparagraaftekens in Middelnederlandse epische teksten’, in:
Spektator 10 (1980-81), p. 50-85. [H. Struik]
| |
longseller
Boek dat door voortdurende verkoop na verloop van vele jaren een
enorme omzet bereikt, bijv.
Multatuli's Max
Havelaar (1860). Wordt een grote omzet in een korte tijd bereikt
dan spreekt men van een
bestseller.
LIT: Hiller. [W. Kuiper]
| |
lopende bibliografie
Bibliografie die in regelmatig afleveringen
verschijnt (per kwartaal, halfjaar of jaar) in tegenstelling tot een
afgesloten bibliografie. Wil een lopende
bibliografie van enige omvang hanteerbaar blijven, dan dient zij tevens een
cumulatieve bibliografie te zijn. Een
voorbeeld van een lopende cumulatieve bibliografie is de Bibliografie van de
Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap (BNTL) die vanaf 1965 de
productie op het terrein van de neerlandistiek bijhoudt in jaarlijkse
afleveringen die na enkele jaren gecumuleerd worden én die op gezette
tijden ook retrospectieve delen levert.
Een lopende bibliografie hoeft niet noodzakelijkerwijze de actuele
productie op het desbetreffende terrein bij te houden; een lopende bibliografie
over een afgesloten periode uit het verleden behoort ook tot de mogelijkheden:
zo zou bijv. een bibliografie over 18e-eeuwse tijdschriften in afleveringen
kunnen verschijnen.
Het zou aanbeveling verdienen om de term ‘actuele
bibliografie’ in te voeren voor lopende bibliografieën die de
verschijnende literatuur met betrekking tot een bepaald onderwerp
registreren.
LIT: BDI; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995), p. 68. [P.J. Verkruijsse]
| |
loskooien, ontsluiten of losslaan
Term uit de drukkerij voor het losmaken van een ingesloten (formaatmaken)
drukvorm. Tot loskooien kon men overgaan
wanneer men tijdens het drukken fouten in een bepaalde vorm constateerde die
gecorrigeerd moesten worden (correctie op de pers). Aan
het loskooien van een drukvorm zit een zeker risico omdat het zetsel kan gaan
schuiven waardoor nieuwe fouten ontstaan, of omdat zelfs een gehele vorm in
pastei kan vallen.
Een duidelijk geval van schuivend zetsel na loskooien voor
correctie is bijv. variant ‘e’ in
Smalleganges Cronyk van
Zeeland (zie:
P.J. Verkruijsse. Mattheus
Smallegange (1624-1710), 1983, p. 371-372), waar ‘geweest
zin’ gecorrigeerd wordt tot ‘geweest zijn’, waarna de
toegevoegde ‘j’ tijdens het verder drukken weer wegzakt tot de
nieuwe onjuiste versie ‘geweest zi n’ ontstaat.
LIT: F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e eeuw
(19862), p. 292-293, 294. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
loterijvers, lotprose of lotsin
Kort, meestal tweeregelig (distichon)
rijmpje, waarin vaak via een grap (puntdicht) of
volkswijsheid (spreuk of
gezegde) de hoop op het winnen van een
loterijprijs uitgesproken wordt. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw worden
in Holland grote loterijen gehouden, soms gekoppeld aan de
opvoering van toneelstukken door rederijkerskamers, voor de stichting van
oudemannen- en oudevrouwenhuizen, dol- en pesthuizen of voor de restauratie van
karakteristieke gebouwen. Collecteurs gingen voorzien van een loterijkaart
waarop doelstelling en prijzen waren vermeld tot ver in de omtrek rond om
mensen tot het inleggen van geld te bewegen. In een boek werd bijgehouden wie
voor welk bedrag loten bestelde. Iedere inlegger moest dan een rijmpje opgeven;
wie niets kon verzinnen, werd voorzien uit de voorraad van de collecteur. Deze
versjes werden samen met de naam van de inlegger later op lotbriefjes
geschreven, die bij de feestelijke trekking uit grote korven werden getrokken.
In de archieven is een aantal collecteursregisters bewaard
gebleven, die enerzijds belangrijk zijn voor bevolkingsonderzoek omdat vaak
straat voor straat duidelijk wordt wie er in welke huizen woonden (de
belastingcohieren bevatten alleen namen van de meer welgestelden!), en
anderzijds interessant omdat er versjes in voorkomen van bekende auteurs die
loten bestelden.
Er zijn gegevens bekend over o.a. de loterij voor het St.
Katrijnen Gasthuis in Leidenin 1596, georganiseerd door
Jan van Hout (stukken op het
Gemeente-archief Leiden) en voor het Haarlemse oudemannenhuis in 1606 waarvoor
ook ‘Garbrant Adriaenss in
Bredero bij de Verckens Sluijs’ in
1606 zeven loten koopt. Hij dicht daarbij als volgt:
elck garen hadt / shemels waerde schadt
die ick oock wensch alle menschen
maer den mensch is soo verkeert
dat hij sijn schade voor nut begeert / wech schadelijcke
wenschen
(Haarlem, Gemeente-archief: Archief Oudemannenhuis
3b: loterijlijsten 1606).
Van
P.C. Hooft zijn eveneens loterijverzen
bekend, bijv.
Ontdeckt de wereld niet. Waerom?
De grijns is mooyer als de mom.
(P.C. Hooft. Gedichten, ed.
Leendertz/
Stoett, dl. 1, 1899, p. 167).
LIT: H.E. van Gelder. ‘Een loterij in 1605’, in:
Jaarboek Die Haghe (1916), p. 161-170; N.H. van den Bosch-Nord Thomson.
‘Hoe het gebouw van het Frans Hals-museum tot stand kwam’, in:
Historia 14 (1949), p. 127-141; A. Huisman en J. Koppenol. Daer compt
de lotery met trommels en trompetten!: loterijen in de Nederlanden tot 1726
(1991). [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
luctus
Letterlijk: ‘rouw’. Het betonen van smart of klagen
maakt onderdeel uit van enkele literaire genres. Uiteraard komt de luctus voor
in de
elegie, maar ook binnen de
mortuaire literatuur, met name de
funeraire poëzie, is zij een vast
bestanddeel naast de vrijwel altijd voorkomende
laus (lofprijzing) en
consolatio (vertroosting). De luctus is - in
principe - een direct gevolg van de laus: er kan alleen smart zijn als de
overledene een loffelijk iemand was.
LIT: S.F. Witstein. Funeraire poëzie in de Nederlandse
renaissance (1969), p. 109. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
lumbecken
Term uit de boekbinderij voor het ‘garenloos’ binden,
zo genoemd naar de Duitse uitvinder Lumbeck. De rug van een boek wordt niet
genaaid, maar schoongesneden en van lijm voorzien, waarna het omslag eromheen
geplakt wordt (paperback). Het schoonsnijden van de rug
heeft tot gevolg dat de
katernen niet langer herkenbaar zijn. Dit
procédé wordt vooral toegepast bij
pocketboeken. Een groot nadeel van de
Lumbeck-methode is het na verloop van tijd losraken van de bladen.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken
van boeken (19862), p. 205. [P.J. Verkruijsse]
| |
lijkdicht of epicedium
Gedicht bij het lijk, dus vóór de begrafenis. Een
lijkdicht, behorend tot de
funeraire poëzie, is actueler dan een
grafdicht, dat ook nog (veel) later tot
stand kan komen. De onderdelen
laus,
luctus en
consolatio (lofprijzing, klacht en
vertroosting) komen vrijwel altijd voor in lijkdichten.
Er zijn vooral in de renaissanceperiode tal van dit soort
gelegenheidsgedichten geschreven, bijv.
P.C. Hoofts ‘Lijkklacht over
Pieter Dirxz. Hasselaer’ (P.C. Hooft. Gedichten, ed.
Leendertz/Stoett, dl. 1, 1899, p. 146-151).
LIT: Buddingh; Cuddon; MEW; Preminger; Wilpert; S.F. Witstein.
Funeraire poëzie in de Nederlandse renaissance (1969), p. 162-189;
H.H. Krummacher. ‘Das barocke Epicedium’, in: Jahrbuch deutsche
Schillergeselschaft 18 (1974), p. 89-147. [W. Kuiper]
| |
lijkrede, epitaaf, epitaphium of grafrede
Aanduiding voor een reeds in de Oudheid bestaande
rede (vgl.
genus demonstrativum) ter gelegenheid van
het overlijden van een bepaalde persoon (mortuaire
literatuur). Het genre ontwikkelde zich in de Franse renaissance als
‘oraison funèbre’, voorzien van veel Latijnse citaten en
retorische versieringen (
Ronsard,
Bossuet). In de Nederlandstalige
letterkunde is het genre van de lijkrede weinig beoefend. Als het voorkwam,
volgde het dezelfde regels die golden voor het
lijkdicht of de
elegie: eerst de
laus (lofprijzing), dan de
luctus (rouw) en tenslotte de
consolatio (troost). Een van de laatste
beoefenaren van de literaire grafrede is
J. Kinker met zijn ‘Inleidende
aanspraak’ (proloog) voorafgaande aan de ‘Treurzang’ ter
gelegenheid van de dood van Washington (1800).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; MEW; Scott; Preminger; Wilpert; S.F.
Witstein. Funeraire poëzie in de Nederlandse renaissance (1969);
G.J. Vis. De verlichte muze (1982), p. 119-126. [G.J. Vis]
| | | |
lyriek
Genreaanduiding voor één van de traditioneel als
hoofdindeling gehanteerde klassen van literaire teksten: lyriek,
epiek en
dramatiek. Deze driedeling is sinds 1800
vrij algemeen gangbaar.
Goethe beschouwde het drietal als
‘Naturformen der Poesie’, opgevat sindsdien als conventionele
ordeningsschema's. In deze lijn onderscheidde
E. Staiger in de 20e eeuw de
grondbegrippen lyrisch, episch en dramatisch, waaraan hij een ontologisch
fundament gaf. Hij vatte ze op als elementaire fasen in het menselijk bestaan:
de emoties van het kind, de beelden van de volwassene en de logica van de
grijsaard. Naar aanleiding hiervan beschouwt men nog steeds, binnen deze
triade, de lyriek als directe uiting van individuele gemoedsbewegingen. Men
komt dan ook veelvuldig de opvatting tegen dat genoemd kenmerk van lyriek meer
in poëzie te vinden is dan in proza. Maar gelet op de Goetheaanse
‘wezensdefinitie’ kan men lyriek uiteraard ook aantreffen in
clausen van toneelstukken, vooral wanneer deze de vorm hebben van exclamaties,
mijmeringen of andersoortige rechtstreekse gemoedsuitingen. Mede in verband met
de geschiedenis van de term (Grieks lyra = lier) en de daarmee samenhangende
relatie met de muziek, wordt dikwijls als een van de voornaamste subgenres het
lied genoemd. Grote aandacht besteedt de
lyricus aan de klank, niet alleen in
ode,
sonnet en
elegie, maar ook in
epigram,
Perzisch kwatrijn,
limerick en
satire.
Men maakt een onderscheid tussen
directe lyriek als rechtstreekse uiting van
een ik-figuur, en
indirecte lyriek, waarin veel symbolen
voorkomen. Als voorbeeld van het eerste zou men het gedicht ‘Ego
flos’ van
G. Gezelle kunnen noemen. Als voorbeeld
van het laatste ‘Regen’ van
J.H. Leopold.
Het spreekt vanzelf dat het gevoelsmatige karakter van dit genre
en de daarmee corresponderende subjectieve bepaling door de lezer van datgene
wat lyriek genoemd kan worden, vooral in de adjectivische variant
‘lyrisch’, ertoe leidt dat de term ook gebruikt wordt voor sommige
werken in proza met genoemde kenmerken. In dit verband kan gewezen worden op
het prozawerk Ik en mijn speelman (1928) van
A. van der Leeuw als een lyrische
tekst.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Buddingh; Cuddon; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; E. Ermatinger. Philosophie
der Literaturwissenschaft (1930); K.W. Hempfer. Gattungstheorie
(1973); E. Staiger. Grundbegriffe der Poetik (1973); P. Dronke. The
medieval lyric (19782). [G.J. Vis]
| |
lyrisch subject
Aanduiding voor de tekstuele instantie die de
impliciete auteur van het lyrisch gedicht
(lyriek) zou kunnen worden genoemd. Hierbij moet men
aantekenen dat het lyrisch subject soms min of meer expliciet aanwezig is in de
tekst, daar waar woorden als ‘ik’ of ‘mijn’ worden
gebruikt (het ‘lyrisch ik’).
LIT: Boven/Dorleijn; J. van Luxemburg e.a. Over literatuur
(1996), p. 141-142. [G.J. Vis]
|
|
|