|
|
|
| |
T
| |
taalbouw
Het streven om de nationale volkstaal op een gelijk niveau met het
Latijn te brengen door het standaardiseren van spelling en grammatica. De
belangstelling voor de klassieken leidde ertoe dat veel humanisten (humanisme) zich uitsluitend van het Latijn bedienden als taal
van kunst en wetenschap; de nationaal gerichte
renaissance had - uiteraard het eerst in
Italië(Dante,
Boccaccio,
Petrarca) - waardering voor de
moedertaal, die eveneens geschikt bleek voor literaire werken van gehalte. In
de 16e en 17e eeuw kreeg de taalbouw voor de West-Europese talen haar beslag,
in de Nederlanden vooral in navolging van wat in de kring van de
Pléiade reeds bereikt was (J. du
Bellay. La deffense et illustration de la langue
françoise, 1549).
Vanaf het midden van de 16e eeuw werpen
spraakkonstenaren als
Joos Lambrecht,
Pontus de Heuiter,
Christiaen van Heule,
Jacob van der Schuere,
Petrus Leupenius en anderen zich op de
verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands, bijgestaan door
invloedrijke wetenschappers (Simon Stevin) en
literatoren (Coornhert,
Van Hout,
Hooft,
Vondel). Aan het eind van de 18e eeuw is
het taalbouwproces min of meer voltooid: er was toen een vrij algemeen
aanvaarde schrijftaal ontstaan. Belangrijke momenten in de taalbouwfase, waarin
de zuivering (purisme) van de taal een belangrijke rol
speelt, zijn de publicatie van het Nederlandse
trivium: de
Twee-spraack (1584), het
Ruygh-bewerp (1585) en de
Rederijck-kunst (1587); het taalkundig overleg tussen
Hooft,
Vondel,
De Hubert en
Reael (1622-1625) en tussen de
translateurs in het kader van de voorbereiding op de Statenvertaling van de
bijbel (1628-1633).
Bloemlezingen waarin belangrijke stukken en uitspraken in verband
met de taalbouw zijn uitgegeven, zijn van
F.L. Zwaan. Uit de
geschiedenis der Nederlandsche spraakkunst (1939) en
G.S. Overdiep. Onze Renaissance
in proza (1939).
LIT: C.G.N. de Vooys. Geschiedenis van de Nederlandse taal
(19525), hoofdstuk III-IV; L. van den Branden. Het streven naar
verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16de eeuw
(1956); W. Hellinga. Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse
taalcultuur, ed. P. Tuynman (1968); D.M. Bakker & G.R.W. Dibbets
(red.). Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde (1977), hoofdstuk 2-3;
G.R.W. Dibbets (ed.). Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst (1584)
(1985); L. Peeters. Taalopbouw als renaissance-ideaal (1990); M. van der
Wal en C. van Bree. Geschiedenis van het Nederlands (1992), hoofdstuk
7-10; M.J. van der Wal. De moedertaal centraal; standaardisatie-aspecten in
de Nederlanden omstreeks 1650 (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
taalspel
In algemene zin verstaat men onder taalspel de spelregels die in
poëzie gehanteerd worden om aan een tekst een specifiek poëtische
functie toe te kennen. De lezer wordt geacht die spelregels te kennen om een
tekst als poëzie te lezen (de zogenaamde poëtische leeshouding) en
niet als een normale referentiële taaluiting. Wanneer
Armando de tekst van een reclamefolder
gebruikt in het hier volgende voorbeeld
de machine is uitgerust met 4 hakborden
de machine heeft 3 luchtbandwielen
de machine werkt ook met 3 groepen van 2 borden
(De Nieuwe Stijl, dl. 1, 1965, p. 97-109)
dan veronderstellen de presentatiewijze en de plaats van
publicatie (in een literair tijdschrift) een poëtische leeshouding van de
lezer, waardoor de oorspronkelijk referentiële tekst een poëtische
wordt.
In engere zin gebruikt men de term ook voor meer specifieke vormen
van taalgebruik, zoals het
woordenspel of de
woordspeling.
LIT: Alphen. [G.J. van Bork]
| |
taalzuivering zie
purisme
| |
tableau vivant, stomme vertoning of
vertoning
Toneelterm voor een uitbeelding door zwijgende personen van een
tafereel (allegorisch, bijbels of historisch), hetzij als onderdeel van een
toneelspel-1, hetzij als afzonderlijk
geheel. Soms worden tableaux vivants door een gesproken tekst verduidelijkt. In
de Middeleeuwen komen tableaux vivants voor in de
mysteriespelen en
moraliteiten. De rederijkers voerden
tableaux (toog) mee op wagens tijdens hun optochten.
Tijdens de renaissance werden vertoningen ingericht bij belangrijke historische
gebeurtenissen als de Vrede van Munster (1648) en bij intochten van
staatshoofden als
Christina van Zweden in 1656 en
Amalia van Solms in 1659.
Ook kunnen vertoningen ingelast worden in de
tragedie, al worden die meestal niet
expliciet in de tekst aangegeven. Een aantal van de zogenaamde ‘stomme
personagien’ die vaak wel aangegeven worden, zal te zien geweest zijn in
de vertoningen (bijv. Witte van Haemstede in
Vondels Gysbreght). Diverse
stukken van Vondel zijn gelardeerd met vertoningen, ontworpen door
Jan Vos, bijv. de Gysbreght
van Aemstel, Maegden en
Gebroeders. In
Jan van Arps Chimon
worden de vertoningen uitdrukkelijk aangegeven (fol. G4 recto): ‘I.
Vertooninghe. Waer Florimondt trouwt Luciana, in Iunoos Tempel door den
Priester; II. Vertooninghe. Waer Polidoor trouwt Casandera, als de
voorgaende’. Een aantal toneelvertoningen heeft ongetwijfeld als
inspiratiebron gediend voor schilderijen van o.a.
Rembrandt.
In Amsterdam was het verzorgen van vertoningen
opgedragen aan Samuel Coster in de jaren 1618-1648 en aan
Jan Vos in de periode 1648-1667. Dat
tableaux vivants nog lang tot de toneelpraktijk hebben behoord, bewijst het in
1753 verschenen Verscheide vertooningen, geschikt ter versieringe van
eenige tooneelspelen. Ook tegenwoordig nog komen ze voor op
praalwagens in allerlei optochten.
LIT: Baldick; Best; Gorp; Metzler; Scott; G. Kalff.
‘Bijdrage tot de geschiedenis van het Amsterdamsch tooneel in de 17e
eeuw’, in: Oud-Holland 13 (1895), 1-33; B. Hunningher. Het
toneel in de Amsterdamse Schouwburg van 1637 (1959); W.M.H. Hummelen.
Inrichting en gebruik van het toneel in de Amsterdamse Schouwburg van
1637 (1967); D.P. Snoep. Praal en propaganda; triumfalia in de
Noordelijke Nederlanden in de 16de en 17de eeuw (1975); B. Albach. Langs
kermissen en hoven; ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in
de 17de eeuw (1977); M.B. Smits-Veldt en G. Teusink. Conventies in de
mise-en-scène op het toneel van Van Campen (1637-1665); een onderzoek
naar de voorstelling van de ‘gespeelde ruimte’ (1978); W.
Hoogendoorn. ‘Sieraaden van het tooneel. Iets over vertoningen in de
Amsterdamse schouwburgen van 1637 en 1665’, in: In memoriam Dr. W.Ph.
Pos. Scenarium (1978), nr. 2, p. 70-82; E. Oey-De Vita. ‘Vertoningen
en pantomimes in vroeg-17e-eeuwse toneelstukken (1610-±1620)’, in:
Nederlands toneel in de 17de en 18de eeuw. Scenarium (1984), nr. 8, p.
9-25. [W. Kuiper]
| |
Tachtigers of Beweging van Tachtig
Beweging van jonge Nederlandse schrijvers die rond 1880 voor het
eerst in de openbaarheid traden met poëzie, proza en kritisch proza, en
die zich afzetten tegen literatuuropvattingen van hun voorgangers, met name de
19e-eeuwse realisten. In een tweetal publicaties werd met die voorgangers
afgerekend.
Cornelis Paradijs (=
Frederik van Eeden) schreef een parodie
op de ‘domineespoëzie’ die de roem van
Ten Kate,
Beets,
Ter Haar,
Schaepman e.v.a. deed verkeren in
beruchtheid. En vervolgens toonden
Kloos en
Verwey De onbevoegdheid der
Hollandsche literaire kritiek (1886) aan naar aanleiding van de
recensies van hun
mystificatie Julia, een verhaal van
Sicilië (1885), zogenaamd geschreven door Guido.
In hun werk worden de consequenties van het individualisme van de
internationale romantiek ten volle serieus genomen.
Jacques Perk (1859-1881) werd door de
Tachtigers als voorloper gezien. Zijn sonnettenkrans
Mathilde (1882) werd uitgegeven door
Carel Vosmaer en
Willem Kloos, van wie de laatste er een
inleiding bij schreef die door de Tachtigers als een poëtisch manifest
werd beschouwd. De belangrijkste vertegenwoordigers van de beweging waren
Willem Kloos,
Albert Verwey,
Frederik van Eeden,
W.A. Paap,
F. van der Goes,
Lodewijk van Deyssel,
Herman Gorter en
Hélène Swarth.
Vóór 1885 vonden de Tachtigers publicatiemogelijkheden in De
Nederlandsche Spectator en De Amsterdammer, maar in 1885 richtten ze
hun eigen tijdschrift op: De Nieuwe Gids. Dit blad kan tot 1894 en in
feite alleen voor het literaire deel erin aanspraak maken op het predikaat
Tachtiger-tijdschrift.
De Tachtigers concentreerden zich aanvankelijk te
Amsterdam, waar onder de herleefde economische bloei een
progressieve culturele sfeer ontstond, waarin ook de impressionistische (impressionisme) schilderkunst opkwam. In het begin was de
ontmoetingsplaats de sociëteit Flanor in de Kalverstraat.
Het poëtisch programma van Tachtig moet gereconstrueerd
worden uit een aantal van hun geschriften. De belangrijkste punten ervan
zijn:
1. Kunst is passie. In de inleiding op Perks Gedichten
(1882) verwijst Kloos naar
Leigh Hunts definitie van poëzie:
‘Poetry is imaginative passion’.
2. De Tachtigers richtten zich vooral op de schoonheid. Het is een
esthetische beweging, waarin het moraliserende of nuttige voor de kunst werd
afgewezen. Dit is het bekende
l'art pour l'art-principe.
3. Het was een individualistische beweging. De kunst moest zijn de
‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’
schreef Kloos in zijn inleiding op Perk en naar aanleiding van Gorters
sensitieve verzen.
4. Vorm en inhoud dienden één te zijn, d.w.z. de
vorm dient de betekenis en stemming van het gedicht uit te drukken. Kloos
formuleert dat in zijn inleiding op Perks' sonnetten als volgt:
Vorm en inhoud bij poëzie zijn één, in
zooverre iedere verandering in de woorden een gelijkloopende wijziging in het
beeld of de gedachte, en iedere wijziging in deze eene overeenkomstige
nuanceering van de stemming aanduidt. (Jacques Perks Gedichten, ed.
Stuiveling, 1958, p. 56).
5. Zintuigelijke waarneming staat - in navolging van het
impressionisme in de schilderkunst - voorop. Vandaar dan ook dat kleuren,
geuren, geluid en beweging of vermenging van die elementen tot
synesthesie bij de Tachtigers een grote rol
spelen.
De belangrijkste buitenlandse voorbeelden voor de Tachtigers waren
Shelley,
Keats,
Wordsworth,
Hunt,
Swinburne,
Rossetti en
Von Platen voor de poëzie. Voor het
proza waren dat vooral de Franse naturalisten:
Zola en de gebroeders De Goncourt. De
invloed van de Tachtigers op de beweging van Van Nu en Straks in de
Zuid-Nederlandse letteren is evident. De Beweging van Tachtig functioneerde
slechts kort als een eenheid. Toen de nieuwe poëzie eenmaal geaccepteerd
was, konden veel Tachtigers al geen vrede meer hebben met het puur esthetische
van de beweging en begonnen de paden uiteen te lopen.
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; Preminger; A. Verwey.
Inleiding tot de nieuwe Nederlandsche dichtkunst (1905); E. d'Oliveira.
De mannen van '80 aan het woord (1908); N.A. Donkersloot. De episode
van de vernieuwing onzer poëzie (1880-1894) (1929); G. Stuiveling.
De Nieuwe Gids als geestelijk brandpunt (1935); W.J.M.A. Asselbergs.
Het tijdperk der vernieuwing van de Noordnederlandse letterkunde
(Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, dl. 9, 1951); N.A.
Donkersloot. Beeld van Tachtig (1952); J.C. Brandt Corstius. Het
poëtisch programma van Tachtig (1968); B. Luger e.a. (red.). De
Beweging van Tachtig. Schrijversprentenboek 22 (1982); E. Endt. Het
festijn van Tachtig (1990). [G.J. van Bork]
| |
tachygrafie of brachygrafie
De oudste vorm van snelschrift, ontwikkeld in de Griekse oudheid;
De tiroonse notae (nota-1) die veelvuldig gebruik
maakten van
abbreviaturen. Van deze notae werd in de
Karolingische tijd opnieuw veel gebruik gemaakt. De tachygrafie is later
vervangen door de
stenografie.
LIT: Brongers. [P.J. Verkruijsse]
| |
tafelspel of presentspel
Eenvoudig gelegenheidstoneelstuk behorend tot het
rederijkerstoneel, dat voornamelijk in de
15e en 16e eeuw bij een feestelijke gelegenheid voor een tafelend
privé-gezelschap werd opgevoerd. In tegenstelling tot de andere
toneelvormen van de rederijkers was het tafelspel niet bedoeld om in het
openbaar vertoond te worden. Omdat na afloop van het stuk ook wel eens een
geschenk werd overhandigd, valt in dit verband soms de term presentspel. Het
spel was ca. 200 tot ca. 400 versregels lang en werd gespeeld door maximaal
vier acteurs, die met elkaar en (in geval van een monoloog door
één acteur) met het publiek discussieerden over een of andere in
de gegeven situatie actuele kwestie (bijv. de prioriteitsvraag bij de aan te
bieden geschenken).
Het tafelspel is in tegenstelling tot het
spotsermoen geen voordracht maar spel, ook
als er sprake is van een monoloog door één acteur. Mak heeft het
vermoeden uitgesproken dat het genre teruggaat op een dialoog van een zot
(nar) met zijn marot. Rechtstreekse aanspraak van en
allusies op het feestgezelschap wijzen op het feit dat het publiek direct bij
het spel betrokken werd, wat vergemakkelijkt werd doordat er niet op een
toneel, maar gewoon tussen het etende gezelschap werd gespeeld. In een groot
aantal gevallen werden de stukken expliciet tafelspel genoemd, bijv. het
Tafelspel van een personagie genaemt S. Lasant ende is een
Pillegrom of het Tafelspel van twee
bedelaers. Een deel van het genre gaat echter schuil achter de
benamingen van een aantal verwante genres, zoals
bruiloftspel en
vastenavondspel. Ook onder
(es)batementen en
kluchten vinden we vertegenwoordigers van het
tafelspel.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Laan; MEW; Wilpert; J.J. Mak. De
rederijkers (1944), p. 79-89; J.J. Mak. ‘De tafelspelen van
Hooft’, in: Uyt ionsten versaemt. Retoricale studieën
1946-1956 (1957), p. 202-210; W.M.H. Hummelen Repertorium van het
rederijkersdrama, 1500-ca. 1620 (1968); H. Pleij. Het gilde van
de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late
middeleeuwen (19832), p. 81-86; P. Lammens-Pikhaus. Het
tafelspel bij de rederijkers, 2 dln. (1988-1989). [H. Struik]
| | | | | |
tautologie
Stijlfiguur, door sommigen als voorbeeld van de
perifrase aangemerkt, waarbij eenzelfde zaak
tweemaal geheel tot uitdrukking wordt gebracht. De bedoeling daarvan kan zijn
dat men iets wil benadrukken:
(G. Gossaert.
Experimenten 194911, p. 162).
Ook kunnen tautologieën dienst doen metri causa of als
stoplappen vereist worden door rijmdwang. Deze vorm van redundant taalgebruik
is verwant aan het
pleonasme.
LIT: Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW;
Morier; Myers/Simms; Scott; Wilpert; J.W. Muller. ‘Over tautologiën
in het Nederlands’, in: Mélanges (...) Salverda de Grave
(1931), p. 218-232. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
tegenzang zie
antistrofe-1
| |
teichoskopie
De teichoskopie (of muurschouw, genoemd naar de passage in het
derde boek van
Homerus' Ilias
waarin Helena, staande op de muur van Troje, de Griekse helden
beschrijft die voor Troje gelegerd zijn) is een dramaturgisch hulpmiddel om
door middel van een waarnemer op een hoger punt (stadswallen, toren, heuvel)
verslag te laten uitbrengen van gebeurtenissen die zich tegelijkertijd elders
afspelen en die wel van belang zijn voor de handeling in het drama, maar die
niet op het toneel vertoond kunnen worden. Enerzijds kan een element uit de
toneeltheorie, bijv. de
eenheid van plaats (Aristotelische eenheden) of het verbod tot het afbeelden van
gruwelijke gebeurtenissen, een belemmering zijn om iets ten tonele te voeren;
anderzijds kunnen technische bezwaren een voorstelling in de weg staan, zoals
veld- of zeeslagen.
Vooral het klassieke drama maakt gebruik van teichoskopie. Bij
Vondel zijn er voorbeelden van te vinden
in de Maeghden (1639), in de
Gebroeders (1640), in Koning David
herstelt (1660) en in Joseph in Dotan (1640).
In Maeghden bijv. klimt de burgemeester van Keulen met de
aartsbisschop op de muur om uitzicht te hebben op het leger van Attila en van
de maagden:
Klim zacht, vermoeide Vorst, geeft my uw rechte hand.
Nu zet u hier, dees trans heeft over 't platte land
Zijn uitzicht (vss. 875-877).
De teichoskopie is verwant aan het
bodeverhaal waarin iemand achteraf verslag
doet van gebeurtenissen die zich elders hebben afgespeeld.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; J.C. Arens.
‘De teichoscopie uit Euripides’ Phoenissae in Vondels
Maeghden’, in: NTg 57 (1964), p. 161-164; M.B. Smits-Veldt.
‘Vondel en de Schouwburg van Jacob van Campen’, in: Visies op
Vondel na 300 jaar (1979), p. 247-269. [P.J. Verkruijsse]
| |
teken
Term uit de wetenschapsleer als algemene aanduiding voor een
onderdeel van een proces (semiotiek) waarin iets
verwijst naar iets anders. Het representatieve (symbool)
karakter van een teken fungeert binnen een drieledige relatie: (1) met andere
tekens, (2) met datgene waarnaar het teken verwijst en (3) met de gebruiker die
het interpreteert. Dienovereenkomstig onderscheidt men linguïstisch gezien
drie gebieden: syntaxis, semantiek en pragmatiek.
In de literatuurwetenschap is het niet ongebruikelijk om de
literaire taal - ten opzichte van de omgangstaal, de taal van alledag in woord
en geschrift - als een secundair tekensysteem te zien (vormgevingsprincipes). Zo kan men een vorm van beeldspraak als
de
metafoor beschouwen als een secundair teken
ten opzichte van de tekens van het letterlijk taalgebruik als primair teken dat
aan het figuurlijk taalgebruik van de beeldspraak ten grondslag ligt.
LIT: Alphen; Best; Boven/Dorleijn; Gorp; Marouzeau; Shipley; A.
van Zoest. Semiotiek (1978), p. 63-97; G.E. Booij e.a. Lexicon van de
taalwetenschap (19802); J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding
(1981), p. 43; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 57-61. [G.J. Vis]
| |
tekst
Reeks taaltekens die gepresenteerd worden als een op enigerlei
wijze afgerond geheel. Een tekst kan dus zowel een gedicht, een roman of een
toneeltekst zijn, als een dialoog, een krantenbericht of een menukaart in een
restaurant. Onder invloed van het
modernisme werden allerlei tekstvormen in de
literatuur geïntroduceerd die daarvoor niet of nauwelijks een rol
speelden. Met name in de
collage begonnen reclameteksten,
krantenkoppen en soortgelijke tekstvormen een functie te vervullen in de
literatuur. Ook bij een beweging als het
neorealisme werden in de tijdschriften
Barbarber en Gard Sivik teksten opgenomen die ontleend werden aan
folders, circulaires, reclamemateriaal etc., de zgn.
readymades. Daarmee werd de vraag naar de
meerwaarde of ‘het andere’ van de literaire tekst gesteld, een
vraag die in feite niet te beantwoorden valt, ook niet door op het aspect van
de fictionaliteit (fictie) te wijzen. Blijkbaar is het
van de vigerende literatuuropvatting afhankelijk wat men onder literatuur
verstaat en het is vooral om die reden dat men in de literatuurwetenschap vaak
de voorkeur geeft aan de neutraler term ‘tekst’.
Dat is dan ook één van de redenen waarom in de jaren
'60 ook binnen de algemene literatuurwetenschap een subdiscipline
tekstwetenschap ontstond.
LIT: Baldick; BDI; Boven/Dorleijn; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck;
Krywalski; MEW; Wilpert; S.J. Schmidt. Teksttheorie (1976); Teun A. van
Dijk. Tekstwetenschap. Een interdisciplinaire inleiding (1978); H.
Kalverkämper. Orientierung zur Textlinguistik (1981); J. van
Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (1981), p. 98-117;
W. van Peer. ‘Tekst’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 158-165. [G.J. van Bork]
| | | |
tekstbezorger zie
editeur
| |
teksteditie, editietechniek of
editiewetenschap
De vereiste wetenschappelijke kennis en technische vaardigheden om
te komen tot een verantwoorde wijze van het editeren van teksten. Tot die
kennis en vaardigheden behoren tal van (sub)disciplines, zoals de
codicologie, de
analytische bibliografie, de
archivistiek, de
paleografie en de
heuristiek. Voor een degelijk
commentaar is bovendien een grote kennis van
de biografie van de auteur, de contemporaine (cultuur)historische situatie en
van de historisch-taalkundige aspecten van de tekst noodzakelijk.
Bij de editietechniek zal men doorgaans ook het geïntendeerde
publiek van een tekstuitgave in het oog houden, omdat daarvan afhangt voor welk
type
editie een editeur of tekstbezorger zal
kiezen: historisch-kritische editie,
studie-editie,
schooleditie,
leeseditie,
facsimile-editie,
diplomatische editie,
archiefeditie e.d.
Voor een wetenschappelijk verantwoorde wijze van uitgeven is voor
al deze editietypen het voorwerk van de
historisch-kritische editie vereist. Daarbij
is immers nagegaan hoe de verhouding is tussen de verschillende tekststadia en
de tekstvarianten die zich in die stadia voordoen. Alleen op die manier is een
verantwoorde basistekst voor een uitgave vast te stellen. Bij de meeste
tekstuitgaven ontbreekt echter een dergelijke grondslag en dat is dan ook de
reden geweest voor de oprichting van het Constantijn Huygens Instituut
(CHI).
Dit instituut werd in 1992 onder de naam ‘Constantijn
Huygens Instituut voor tekstedities en intellectuele geschiedenis’
opgericht. Het CHI kwam voort uit de fusie van drie bestaande instituten,
waarvan het Bureau Basisvoorziening Tekstedities al een langere staat van
dienst had op het gebied van de teksteditie. Zo kwamen onder meer de
historisch-kritische edities van het werk van
Bloem,
Leopold en
Nijhoff onder auspiciën van dit
instituut tot stand, evenals het verzameld werk van
Couperus. Op initiatief van het CHI werd
tevens in 1995 het standaardwerk over teksteditie uitgegeven dat geschreven
werd door M. Mathijsen: Naar de letter. Handboek editiewetenschap.
LIT: Baldick; BDI; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller;
Mathijsen; Metzler; MEW; Ph. Gaskell. From writer to reader. Studies in
editorial method (1978); K. Kanzog. Einführung in die
Editionsphilologie des neueren deutschen Literatur (1991); G. Martens und
W. Woesler (red.). Edition als Wissenschaft (1991); Voortgang en
resultaten (jaarverslagen CHI vanaf 1993). [G.J. van Bork/P.J.
Verkruijsse]
| |
tekstgenese, tekstgeschiedenis of
tekstoverlevering
Term uit de editietechniek voor de diachrone ontwikkeling van een
tekst door verschillende synchrone, geautoriseerde (autoriseren) stadia heen. De stadia (ontwerp,
klad,
manuscript-2,
typoscript,
redactie-2) moeten tekstuele en
ontstaansverwantschap vertonen.
Soms bevat een klad elementen voor verschillende gedichten die
tekstueel weinig met elkaar te maken hebben; er is dan geen sprake van
één tekstontwikkeling hoewel een deel van de genese
gemeenschappelijk is. Zo blijken in één kladmanuscript van
J.H. Leopold genetische elementen te
zitten voor ‘Alsof alleen ik en ontdaan’ en voor gedichten uit de
reeks ‘Voor vrouwestem’.
Ook is het mogelijk dat twee gedichten die tekstueel verwantschap
vertonen een totaal andere tekstgenese hebben doorlopen. Dat is bijvoorbeeld
het geval met Leopolds ‘In de bleeke wangen als violen’ en
‘Dit dan eerst’.
Bestudering van de tekstgenese kan in belangrijke mate bijdragen
aan het inzicht in de poëticale opvattingen van een auteur. De
verschillende stadia van de tekstgenese worden daartoe in een
historisch-kritische editie zodanig geordend
en weergegeven (vaak met behulp van
diacritische tekens-1 in een
variantenapparaat) dat de
ontwikkelingsgeschiedenis goed te volgen is. Een voorbeeld van de weergave van
de genese van een prozatekst, nl.
Willem Elsschots Een
ontgoocheling, is
A. Kets-Vree: Woord voor woord;
theorie en praktijk van de historisch-kritische uitgave van een
prozatekst (1983). De tekstgenese van gedichten van
J.H. Leopold is te vinden in de
historisch-kritische edities van
G.J. Dorleijn en
H.T.M. van Vliet/
G. Sötemann: Gedichten uit de
nalatenschap (2 dln., 1984), respectievelijk Gedichten II: nagelaten
poëzie (2 dln. in 3 banden, 1985).
LIT: Gorp; Mathijsen; MEW; Texte und Varianten, ed. G.
Martens en H. Zeller (1971), passim; A. Kets-Vree. Woord voor woord
(1983), hoofdstuk III; G.J. Dorleijn. ‘Inleiding’, in: J.H.
Leopold. Gedichten uit de nalatenschap, dl. 1 (1984), m.n. p. 20-21.
[P.J. Verkruijsse]
| |
tekstgeschiedenis zie
tekstgenese
| |
tekstinterpretatie zie
interpretatie
| |
tekstkritiek
Tekstkritiek vormt de basis voor de
filologie van de bijbel en de klassieken die
alleen in veel latere afschriften waren overgeleverd. De filoloog moest
trachten aan de hand van dat gebrekkige materiaal corrupties op te sporen en in
een
kritische editie het
archetype te reconstrueren. De 19e-eeuwse
filoloog
Karl Lachmann introduceerde de
tekstkritische methode ook in de filologie van latere perioden, de
neofilogie. Aanvankelijk dacht men dat
tekstkritiek van gedrukte bronnen overbodig was, totdat men ontdekte dat ook in
exemplaren van drukken varianten voorkwamen (analytische
bibliografie).
LIT: Cuddon; Krywalski; Mathijsen; Metzler; Myers/Simms; Wilpert.
[P.J. Verkruijsse]
| |
tekstoverlevering zie
tekstgenese
| |
tekstreconstructie
Vorm van
tekstkritiek die zich niet alleen ten doel
stelt
transmissiefouten, tijdens het kopiëren
of het zetten ontstaan, te herstellen, maar die ook en vooral door middel van
close reading corrupte plaatsen en passages
tracht op te sporen en in de oorspronkelijke staat terug te brengen.
LIT: A.M. Duinhoven. Bijdragen tot de reconstructie van Karel
ende Elegast, 2 dln. (1975-1981). [W. Kuiper]
| | | |
tekstwetenschap
Afstudeerrichting van de
algemene literatuurwetenschap (ALW) waarin
men zich bezighoudt met de bestudering van structuren en functies van teksten
(tekst) in het algemeen. De tekstwetenschap is een
interdisciplinaire wetenschap waartoe behalve algemeen
literatuurwetenschappelijke problematiek ook de stijlwetenschap, de
retorica en de tekstlinguïstiek
behoren. Het object van de tekstwetenschap wordt gevormd door teksten in de
meest brede zin die daaraan gegeven kan worden: reclameteksten, nieuws,
propaganda, literatuur, redevoeringen, toneel etc. De tekstwetenschap tracht
theorieën en beschrijvingsmiddelen te ontwikkelen om teksten te kunnen
analyseren op verschillende aspecten, nl. zowel wat betreft de structuur als
wat betreft de sociale en psychologische werking ervan. Ook de wisselwerking
tussen sociaal-historische context, de structuur van de tekst en de werking
ervan behoren tot het domein van de tekstwetenschap.
De tekstwetenschap ontwikkelde zich sinds de jaren '60 onder
invloed van een aantal factoren. In de eerste plaats trachtte men te ontkomen
aan het waardeprobleem van de literatuurwetenschap waarin een literaire tekst
opgevat werd als een op een bijzondere wijze gestructureerde of op z'n minst
geordende en afgeronde reeks taaluitingen die een autonoom karakter heeft.
Daarnaast ging men in de linguïstiek teksten bestuderen (dus ook literaire
teksten) als taalgebruikseenheden om zo te komen tot een tekstgrammatica die
eveneens meer ‘waardevrij’ zou zijn. In Nederland werd
dit onderzoek vooral door
T.A. van Dijk ondernomen, o.a. in zijn
Some aspects of text grammar (1972). Ook het
intertekstualiteitsonderzoek (intertekstualiteit) richt
zich op teksten in het algemeen en met name op de onderlinge verwevenheid van
teksten. De
semiotiek tenslotte vestigde de aandacht op de
codes die tekstgebruikers sturen in de perceptie van teksten of elementen
daarvan. Daarbij ligt de nadruk vooral op het tekstgebruik.
LIT: Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler; T.A. van Dijk. Taal,
tekst, teken (1971); Text Grammar and Narrative Structures, spec. nr. van
Poetics 3 (1972); T.A. van Dijk. Tekstwetenschap. Een
interdisciplinaire inleiding (1978). [G.J. van Bork]
| |
telestichon
Soort
acrostichon waarbij de eindletters of
slotwoorden van een aantal versregels - en dan meestal van onder naar boven -
een naam vormen, zoals bijv. aan het slot van het Brusselse handschrift van
Reinaerts historie (ed.
Hellinga, 1952), waar de kopiist
Claes van Aken zijn naam zowel van onder
naar boven in de slotletters van de laatste 12 versregels (7794-7805) als in de
slotletters van de (binnen)rijmwoorden (mesostichon)
vervlochten heeft.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley. [W. Kuiper]
| |
televisiespel
Dramavorm die speciaal is geschreven om door de televisie te
worden uitgezonden. Het televisiespel onderscheidt zich van het toneelstuk door
de specifieke mogelijkheden die het medium biedt: o.m. beeldbandopname,
waardoor een grotere perfectie bereikt kan worden, en de camera-instelling
(bijv. close-up, inzoomen e.d.). Om die reden ligt het televisiespel in de
praktijk dan ook dichter bij de film. Een belangrijk verschil met de film is
daarentegen de grootte van het scherm, waardoor televisie meer op detailopname
gericht is om de betrokkenheid van de kijker te optimaliseren.
Veel auteurs schrijven rechtstreeks voor televisie:
Lodewijk de Boer,
Dimitri Frenkel Frank e.a. Een aantal
auteurs werkte samen aan de VARA-serie Klaverweide. Daarnaast worden ook
bekende Nederlandse romans of novellen bewerkt tot televisiespel, zoals
Louis Couperus' Van oude
menschen, de dingen die voorbij gaan (1906),
H. Teirlincks Maria
Speermalie (1940) en
Belcampo's verhaal Het grote
gebeuren (1958).
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW. [G.J. van Bork]
| |
telling
Term uit de
verteltheorie of
romananalyse voor één van de
beide grondvormen van het vertellen; de andere betreft
showing. Onder telling verstaat men de
manier van vertellen waarbij de verteller ingrijpt in wat hij weergeeft door
commentaar te geven, samen te vatten, zijn visie te geven op de geschiedenis
etc. Bij deze manier van vertellen is de verteller duidelijk als middelaar
tussen de geschiedenis en de lezer aanwezig. Vooral bij de
auctoriale vertelwijze komt deze vorm van
vertellen aan bod, omdat de bemiddeling geschiedt door een alwetende verteller
die meestal zelf buiten het verhaal staat.
LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Prince; W.C. Booth. The rhetoric
of fiction (1961); F.C. de Rover. ‘De boodschap van de vent achter de
vorm’, in: Spektator 4 (1974-1975), p. 249-268. [G.J. van
Bork]
| |
temporeel accent zie
kwantiteitsaccent
| |
tendensliteratuur of strekkingsliteratuur
Term uit de literaire kritiek voor literatuur waarvan het
uiteindelijk belang niet ligt in de literatuur als zodanig, maar daarbuiten.
Tendensliteratuur wordt daarbij gezien als middel tot politieke, sociale,
religieuze of morele emancipatie en men spreekt in dit verband dan ook over het
engagement van de auteur.
Het begrip valt moeilijk nauwkeurig af te grenzen. Tal van andere
termen - zoals
didactische literatuur,
religieuze poëzie, moralistische
literatuur,
sociale literatuur, politieke literatuur,
marxistische literatuur,
propagandaliteratuur - benoemen mogelijke
vormen van tendensliteratuur. Gewoonlijk rekent men teksten die overwegend of
uitsluitend aan hun esthetische functie hun bestaansrecht ontlenen (l'art pour l'art,
autonomiebewegingen) niet tot de
tendensliteratuur.
Dikwijls hecht men een negatieve connotatie aan de term
tendensliteratuur: het zou een mindere soort literatuur zijn. Uiteraard is dat
een kwestie van literatuuropvatting in een bepaalde tijd of van een bepaalde
persoon. De ruimheid van het begrip en de betrekkelijkheid van het oordeel
blijken ook uit wat doorgaans bij tendensliteratuur als voorbeeld wordt
genoemd: Uncle Tom's cabin (1852) van
H. Beecher-Stowe,
Multatuli's Max
Havelaar (1860),
Herman Heijermans Op hoop van
zegen (1900),
Herman Gorters Pan
(1916) of
H. Mulisch' Bericht aan de
rattenkoning (1966). Uit deze voorbeelden blijkt tevens dat het
verschijnsel zich in verschillende genres kan voordoen.
De toepassing van de term blijkt vaak een kwestie van gradatie:
naarmate de auteur duidelijker is in zijn politieke, sociale of andere
stellingname(s) is men eerder geneigd van tendensliteratuur te spreken.
Er is een duidelijke verwantschap van deze term met de termen
pragmatische literatuur en
onzuivere poëzie.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW;
Wilpert; C.M. Bowra. Poetry and politics (1966). [G.J. van Bork]
| |
ternio
Term uit de codicologie voor een
katern opgebouwd uit drie
dubbelbladen; dit is gelijk aan zes bladen
of twaalf bladzijden.
LIT: W.Gs Hellinga & P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en
filologie’, in: SpL 5 (1961), p. 300-307. [W. Kuiper]
| |
tertiaire literatuur
Term uit de documentaire wetenschap voor díe publicaties
die een overzicht geven van bibliografische hulpmiddelen op een bepaald
vakgebied. In de neerlandistiek rekent men deze - samen met wat men elders
secundaire literatuur noemt - tot het
apparaat van de neerlandicus. Het
Vermakelijk bibliografisch ganzenbord (19835)
van
A.M.J. van Buuren,
W.P. Gerritsen en
A.N. Paasman zou tot de tertiaire
literatuur gerekend kunnen worden.
De opvattingen van de neerlandicus en de documentalist verschillen
eveneens met betrekking tot wat een
bron en wat
primaire literatuur is. [P.J.
Verkruijsse]
| |
tertium comparationis
Term op het gebied van de
beeldspraak voor het ‘derde’ van
een vergelijking, ook wel ‘punctum comparationis’, het punt van
vergelijking, genoemd. Het gaat om datgene in de metaforiek (metafoor) wat gezien kan worden als het punt van
overeenstemming tussen het eerste (beeld) en het tweede (verbeelde). Zo is in
de zin ‘een boom van een vent’ de grootheid, de lengte het tertium
comparationis van het beeld (‘boom’) en het verbeelde
(‘vent’).
LIT: Best; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lausberg; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
terugblik zie
retroversie
| |
terugverwijzing zie
retroversie
| |
terza rima
Dichtvorm (terzine) afkomstig uit
Italië waarvan de strofen zijn opgebouwd uit drie
vijfjambische (jambe) regels met het rijmschema aba bcb
etc.
Dante gebruikte deze terzinen in zijn
Divina Commedia. In Engeland werd deze vorm
toegepast door
Milton,
Browning en
Eliot. Nederlandse letterkundigen die
gebruik maakten van het verschijnsel terza rima zijn
Potgieter (Florence)
en
Van Eeden (Het lied van schijn
en wezen).
LIT: Abrams; Baldick; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Hobsbaum; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
terzine of terzet
Drieregelige strofe (tristichon).
Oorspronkelijk had een in terzinen geschreven gedicht een vijfvoetige jambische
(jambe) versmaat,
vrouwelijk rijm en het rijmschema aba bcb
etc., maar later werd hier van afgeweken. Als voorbeeld volgt hier een fragment
uit een in terzinen geschreven gedicht van
H. Roland Holst-van der Schalk, met een
afwijking van de oorspronkelijke vorm (mannelijk rijm
naast vrouwelijk rijm):
Ik geloof aan de waarheid dat is aan
het onvoorwaardelijk beschapoen wezen
der dingen, en aan hun volstrekt bestaan.
Wij zijn het, die hun zin verschillend lezen,
als naar onze verwijdering en stand
hoogte en gestalt van bergen schijnt te wezen.
(Sonnetten en verzen in terzinen
geschreven, 19132, p. 81).
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
terzijde
Onderdeel van het drama waarin een personage een (meestal kort)
commentaar geeft op een situatie of het door één of meer andere
personages gesprokene, waarbij deze andere personages verondersteld worden dat
niet te horen. Eigenlijk is het publiek op dat moment de luisterende partij,
waarbij dus in feite de zogenaamde
vierde-wandfictie doorbroken wordt, maar
zonder dat de tekst het karakter van
ad spectatores krijgt. Het terzijde komt
veel voor bij het komisch toneel, omdat het in staat stelt tot een komisch
contrast, bijv. door de tegenstelling tussen wat op het toneel tegen een ander
personage wordt gezegd en wat (met een knipoog) tot het publiek is gericht. In
Bredero's Spaanschen
Brabander (1617) geeft Robbeknol herhaaldelijk in terzijdes
commentaar op zijn meester Jerolimo. Zijn antwoord ‘En hebdy gien
swijns-veeren? Daar isser gien in huys’ op Jerolimo's vraag ‘En
hedy geen borstel?’ (vss. 491-493) blijkt door Jerolimo's reactie daarop
met ‘Maar wat est, dagge al secht?’ een duidelijk terzijde te zijn
(vgl. ook vss. 244-248, ed.
Stutterheim, 1974).
LIT: Baldick; Bergh; Gorp; Metzler; MEW; C.F.P. Stutterheim.
‘Het conflict der werkelijkheden in het taalkunstwerk’, in:
NTg 48(1955), p. 208-220. [G.J. van Bork]
| |
testament
Literair genre van de
rederijkers, waarschijnlijk ontstaan in
navolging van de beweging van de
Moderne Devotie. Binnen die kringen ontstond
de gewoonte dat een stervende een geestelijk testament opstelde waarmee de
nabestaanden vermaand werden. Er zijn zowel serieuze testamenten, bijv. het
Testament Rhetoricael (1561) van
Eduard de Dene, als satirische
testamenten, zoals Jan Splinters testament.
LIT: LdMA; MEW; Ned. Arch.-term.; J.J. Mak. De rederijkers
(1944), p. 28, 158-159. [W. Kuiper]
| |
tetralogie
Oorspronkelijk Griekse benaming voor een groep van vier
toneelspelen, nl. drie samenhangende stukken (trilogie)
die samen met een vierde spel, aanvankelijk een saterspel, achter elkaar werden
gespeeld in wedstrijdverband. Later verstond men er vier (inhoudelijk)
samenhangende literaire werken (meestal toneelstukken of romans) onder. Een
voorbeeld van een moderne tetralogie vormt de
romancyclus van
Raymond Brulez Mijn
woningen bestaande uit Het huis te Borgen
(1950), Het pakt der Triumviren (1951), De
haven (1952) en Het mirakel der rozen (1955).
Clem Schouwenaars schreef de tetralogie
Emily Beyns (1981-1982).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; MEW; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
tetrameter
Term uit de klassieke prosodie voor een versregel die uit vier
gelijke metrische (metrum) delen bestaat, bijv. vier
jambische (jambe), trocheïsche (trochee) of anapestische (anapest)
dipodieën. Zulke lange regels bestaan
er in de Nederlandse poëzie niet, tenzij men sommige regels twee aan twee
achter elkaar zet. Het laatste kan men doen met een fragment uit een gedicht
van
J. Kinker dat er dan als volgt uit gaat
zien:
Wie slechts met klank of teken speelt/ Is schaarsch met
kunstgevoel bedeeld.
(J. Kinker. Gedichten, dl. 3, 1821, p. 99).
Maar het is duidelijk dat dit hooguit een pseudo-tetrameter
genoemd kan worden, omdat het origineel in de vorm van twee regels is
aangeboden.
In de
knittelverzen van
De Schoolmeester vindt men soms een
verdwaalde tetrameter, zoals het trocheïsche
Enfin, ik ver/haal u wat ik/ van mijn kleinzoon/ heb gehoord
(De gedichten, ed.
Van Deel en
Mathijsen, 1975, p. 23).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Hobsbaum; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
tetrapodie
Term uit de prosodie voor een viervoetige (versvoet) ritmische eenheid in een metrisch (metrum) gedicht. In het volgende voorbeeld bestaat elke regel
uit een (trocheïsche) tetrapodie:
Ver van huis, in gindsche dreven,
Waar de lijder lichter zucht
Balsem vraagt voor 't kwijnend leven
(P.A. de Genestet. CG, ed.
Oort, 19122, p. 248).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
tetrastichon
Term uit de Griekse Oudheid, nu in onbruik geraakt, voor een
vierregelige strofe. Een bekende vorm van het tetrastichon is het
kwatrijn, dat bijv. gebruikelijk is in de
eerste strofen van het
sonnet.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | | | |
theater-1 of schouwburg
Gebouw waar een
publiek-1 samenkomt om een voorstelling van
dramatisch karakter (drama, opera, operette, musical, revue, cabaret e.d.) te
zien en te horen. Binnen de literatuurwetenschap is het theater van belang
voorzover de ruimte medebepalend is voor de vormgeving en interpretatie van
dramatische teksten. Het onderzoek naar de geschiedenis en functie van theaters
en andere ruimtelijke vormen waarin dramatische voorstellingen gegeven werden
of worden, is het terrein van de theaterwetenschap.
Het middeleeuwse toneel maakte gebruik van een breed en ondiep
toneel waarop zich verschillende handelingen gelijktijdig konden voltrekken,
het zgn.
simultaantoneel. Het middeleeuwse toneel
kende echter het theater als gebouw niet, maar men speelde toneel in of bij de
kerk, aan het hof of op plankiers of wagens in de open lucht.
Het eerste echte Nederlandse theater werd gebouwd op de plaats
waar
Samuel Coster in 1617 de Nederduytsche
Academie had ondergebracht in een houten Academiegebouw dat in 1637 werd
gesloopt om op die plaats de Amsterdamsche Schouwburg van
Jacob van Campen op te trekken. Op 3
januari 1638 werd dit theater geopend met
Vondels Gijsbrecht van
Aemstel. Het gebouw stelde een toneelschrijver in staat gebruik te
maken van een breed toneel met galerijen, een wolkenlift (voor het optreden van
engelen, de
deus ex machina e.d.) en een zinkluik (voor de
onderwereld, geestverschijningen e.d.). In de loop van de 17e eeuw verandert
het theater in die zin dat niet alleen de architecten het toneel bepalen, maar
vooral de theateringenieurs die met de meest uiteenlopende toestellen en decors
welhaast onmogelijke effecten op het toneel weten te creëren.
InNederland is het werk van
Jan Vos (bijv. diens
Medea (1667) treurspel met ‘konst- en
vlieghwerken’) sterk door deze theatermogelijkheden bepaald (vgl.
spektakelstuk).
Naast deze theatervormen ontwikkelt zich, vooral in de 18e en 19e
eeuw, het vaak speciaal gebouwde operatheater, waar toneel en publiek
gescheiden worden door de orkestbak. Nederland heeft op het gebied van de opera
weinig traditie. In 1894 komt de Amsterdamse Stadsschouwburg tot stand, maar
dit was een theater dat zowel toneel als opera en ballet moest dienen.
Rond de eeuwwisseling ontstaat ook het
kamertoneel dat gebruik maakt van een kleine
intieme ruimte, waar veel gevergd wordt van de acteurs omdat het publiek ook de
kleinste expressiemiddelen kan waarnemen. In diezelfde periode ontstaat het
volkstheater.
In de 20e eeuw wordt opnieuw gebruik gemaakt van toneelvormen
waarbij het publiek sterker bij de voorstelling wordt betrokken, zoals in het
episch drama en het theater waar het publiek
rondom de speelvloer zit (theater rondom of
‘theatre-in-the-round’).
Na de Tweede Wereldoorlog heeft het theater een enorme verbreiding
gevonden, mede onder invloed van het cultuur- en subsidiebeleid. Bovendien
onderging het theater een vorm van specialisatie die ertoe leidde dat allerlei
typen theaters ontstonden, vooral in de grotere steden, met een speciale
geschiktheid voor bepaalde dramatische vormen (cabarettheater, revuetheater,
operatheater e.d.).
LIT: Best; Gorp; Krywalski; LdMA; De Leeuwe/Uitman; Metzler; MEW;
Shipley; Wilpert; J.A. Worp. Geschiedenis van het drama en het tooneel in
Nederland (2 dln., 1903-1907); B. Hunningher. Een eeuw Nederlands
toneel (1949); R. Southern. The seven ages of theatre (1962); B.
Albach. Duizend jaar toneel in Nederland (1965); J.L. Styan. Drama,
stage and audience (1975); W. Tydeman. The theatre in the middle
ages (1978); R.L. Erenstein (hoofdred.). Een theatergeschiedenis der
Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen
(1996). [G.J. van Bork]
| |
theater-2
Verzamelnaam voor alle dramatische vormen die in een schouwburg
kunnen worden vertoond. Daaronder vallen dus alle producties waarvoor mensen
naar een
theater-1 komen: toneel, revue, cabaret,
opera, operette, musical, variété etc.
LIT: Best; Gorp; Metzler. [G.J. van Bork]
| |
thema
Korte aanduiding van de belangrijkste inhoudelijke elementen van
een literair werk, waarbij geabstraheerd wordt van de specifieke tijds- en
ruimtelijke aspecten van de tekst. Het thema is dus de noemer waarop een reeks
inhoudelijke elementen van een tekst kan worden teruggebracht, zoals bijv.
ongelukkige liefde, het opgroeien tot volwassenheid, sociale hervormingen, de
wraak etc. Drop definieert het thema dan ook als de ‘kortste aanduiding
van het centrale probleem waarover een verhaal gaat’. Men gaat er
gewoonlijk van uit dat de motieven van een literaire tekst samen het thema van
die tekst vormen of op zijn minst het thema ondersteunen.
Bij het gebruik van de term ‘thema’ doet zich echter
een aantal praktische problemen voor. In de eerste plaats is de afgrenzing van
begrippen als
motief en
idee lang niet zo eenvoudig als vaak wordt
gesuggereerd. In de praktijk worden ze dan ook nogal eens voor hetzelfde
gebruikt. In de Franse literatuurwetenschap blijkt de term
‘thème’ toegepast op dat wat gewoonlijk een motief genoemd
wordt. Bovendien geeft o.m.
Abrams onder motief voorbeelden
(‘carpe diem’-motief) die Maatje als ‘idee’ definieert,
terwijl
Drop het thema de ‘uiterste
abstractie van het concrete verhaal’ noemt, een formulering die bij
Maatje nu juist voor ‘idee’
is voorbehouden.
Daar komt nog bij dat het vaststellen van het thema van een
literair werk een kwestie van interpretatie is: diachroon blijkt een thema in
een tekst niet eenduidig vaststelbaar (vgl. de verschillende interpretaties van
Shakespeare's
Hamlet), maar ook tijdgenoten kunnen van mening
verschillen over de interpretatie van een literair werk (waar de een spreekt
over ‘het menselijk tekort’ als thema, ziet de ander ‘sociale
problematiek’ als centraal gegeven).
Wil men de term derhalve zinvol gebruiken dan lijkt het geboden om
vooraf precies aan te geven in welke zin men ‘thema’ gebruikt en de
term nauwkeurig af te grenzen van idee en motief.
LIT: Abrams; Baldick; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop;
Dupriez-1; Fowler; Gorp; Lodewick; MEW; Morier; Myers/Simms; Prince; Scott;
Shipley; Wilpert; F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 203-213;
Gerhard P. Knapp. ‘Stoff-Motiv-Idee’, in: Grundzüge der
Literatur- und Sprachwissenschaft (Bd. 1, 19806), p. 200-207.
[G.J. van Bork]
| |
theoretische literatuurwetenschap, literaire theorie
of literatuurtheorie
Het geheel van wetenschappelijke disciplines dat op basis van
één of meer literaire theorieën tracht te komen tot een
sluitend systeem van wetenschappelijk gefundeerde uitspraken over
literatuur of over bepaalde deelaspecten
daarvan. Tot de theoretische literatuurwetenschap behoren derhalve zowel
algemene theorieën over het verschijnsel literatuur, als
deeltheorieën die gericht zijn op bepaalde aspecten van de literatuur
zoals de
verteltheorie of narratologie, de
dramatheorie, theorieën over
genres, over
retorica, over poëtica-1, -2 en -3, de
receptie-esthetica en de
semiotiek.
Theoretische literatuurwetenschap is onderdeel van de
algemene literatuurwetenschap. Soms wordt de
term gebruikt als synoniem voor
literatuurwetenschap, een toepassing die
echter verwarrend is vanwege het ruimere karakter van die laatste term. Om die
reden wordt de term hier dan ook niet als synoniem opgenomen.
Theorieën over literatuur zijn al door
Aristoteles geformuleerd, maar als
wetenschappelijke discipline is de theoretische literatuurwetenschap nog niet
zo oud. Pas sinds de 19e eeuw heeft men pogingen ondernomen om de
wetenschappelijke bestudering van literatuur theoretisch te funderen. Voordien
was de literatuurwetenschap overwegend hermeneutisch (hermeneutiek) en/of filologisch (filologie). In de 19e eeuw spelen twee algemene theorieën
een hoofdrol: de positivistische (positivisme) en de
geistesgeschichtliche (Geistesgeschichte)
literatuurwetenschap. Hoewel
Marx en
Engels reeds in de 19e eeuw enkele
uitspraken deden over literatuur, kan toch pas in de 20e eeuw gesproken worden
van een uitwerking van hun (schaarse) ideeën tot wat de marxistische of
materialistische literatuurtheorie en de
literatuursociologie genoemd wordt.
In de 20e eeuw volgen de scholen en richtingen elkaar in steeds
sneller tempo op:
formalisme,
structuralisme, receptie-esthetica,
literatuursociologie, semiotiek,
intertekstualiteit etc. De afgelopen
decennia kan van een grote toename van het aantal benaderingen of
theorieën gesproken worden, in die mate dat sommigen zelfs spreken van een
woekering aan theorieën (vgl.
A. Mertens in Het literaire
klimaat 1970-1985, 1986). De jaren '70 stonden in het teken van een
methodenstrijd, waaraan het in breder kring bekend worden van de ideeën
van
Popper niet vreemd is geweest, maar waarin
evenzeer rechtvaardigingen voor een bepaald soort (meestal avant-gardistische)
literatuur een rol speelden. Onder invloed van die methodenstrijd is
bijvoorbeeld de hermeneutiek of interpretatieleer onder druk komen te staan
omdat ze niet aan wetenschappelijke eisen als empirische toetsbaarheid zou
kunnen voldoen. Voor sommigen (Verdaasdonk,
Van Rees e.a.) betekende het uitgangspunt
van de empirische toetsbaarheid van literair-wetenschappelijke uitspraken in
laatste instantie dat de literaire tekst zelf geen rol meer diende te spelen in
het onderzoek, maar wel de sociale instituties die de literaire
canon bepalen, omdat dit type onderzoek wel
empirisch wetenschappelijke feiten (statistisch materiaal bijvoorbeeld)
oplevert.
Die elkaar snel opvolgende voorstellen voor
literatuurwetenschappelijk onderzoek hebben ertoe geleid dat naast elkaar aan
de verschillende universiteiten een verscheidenheid aan benaderingen bestaat
die elkaar nauwelijks lijken te beïnvloeden of op z'n minst als
rechtvaardiging voor het eigen soort onderzoek worden opgeëist. Naast de
reeds genoemde richtingen hebben zo inmiddels het
deconstructivisme, de literatuurpsychologie,
de structurele verhaalanalyse, de tekstgrammatica en andere onderzoeksmethoden
opgeld gedaan.
Ook het theoriebegrip zelf is onderwerp van discussie.
Maatje bijvoorbeeld formuleerde zijn
theoriebegrip nog als een eenvoudig beslissingsmechanisme dat als een computer
ware van niet-ware verschijnselen zou kunnen onderscheiden. Heel wat
voorzichtiger is later bijvoorbeeld
Oversteegen die uitgaat van
De Grootstheoriedefinitie: een systeem
van logisch samenhangende, met name niet-strijdige beweringen, opvattingen en
begrippen betreffende een werkelijkheidsgebied, die zo zijn geformuleerd, dat
het mogelijk is er toetsbare hypothesen uit af te leiden. Oversteegen
constateert dat het problematische van het werkelijkheidsgebied in deze
definitie, de literatuur dus in ons geval, altijd verbonden is met een bepaalde
literatuuropvatting. Van eminent belang wordt in zijn voorstellen dan ook deze
literatuuropvatting die aan elke theorie een ad hoc karakter verleent.
Van enige dominantie van een bepaalde theorie kan dus vooralsnog
niet gesproken worden, eerder van een zekere vorm van symbiose van de
verschillende benaderingen, zoals bijvoorbeeld tot uiting komt in een boek als
dat van
R.T. Segers (red.), Vormen van
literatuurwetenschap (1985), waarin ze als gelijkwaardig aan de
lezer worden gepresenteerd.
LIT: Best; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger;
W. Kayser. Das sprachliche Kunstwerk (1948); R. Wellek and A. Warren.
Theory of literature (1949); Max Wehrli. Allgemeine
Literaturwissenschaft (1951); F.C. Maatje. Literatuurwetenschap
(1970); W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek algemene
literatuurwetenschap (1977); D.W. Fokkema en E. Kunne Ibsch. Theories of
literature in the twentieth century. Structuralism, Marxism, Aesthetics of
Reception, Semiotics (1977); J.J.A. Mooij. Tekst en lezer (1979);
J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (1981);
J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding (1981); H. Verdaasdonk.
‘Literaire theorievorming en literatuuropvatting’, in:
Handelingen 36e Filologencongres (1981), p. 73-83; J.J. Oversteegen.
Beperkingen (1982); K. Beekman en F. de Rover (red.). Literatuur bij
benadering (1987). [G.J. van Bork]
| |
thesaurus-1
Een groot verzamelwerk. De term wordt vaak gebruikt als aanduiding
voor een woordenboek waarin in principe de gehele woordenschat van een taal is
opgeslagen. Bekend is de Thesaurus Theutonicae linguae, Schat der
Nederduytscher spraken, het woordenboek van
Cornelis Kiliaen uit 1573. Het Instituut
voor Nederlandse Lexicologie te Leiden kent een afdeling Thesaurus
die zich bezighoudt met het aanleggen van een woordarchief van de Nederlandse
taal met behulp van een computer.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Hiller; Metzler; MEW; Scott; De
Nederlandse lexicologie tussen handwerk en machine, ed. P.G.J. van
Sterkenburg (1976). [P.J. Verkruijsse]
| |
thesaurus-2
Als term uit de documentaire informatieverwerking betekent
thesaurus een lijst van bij de invoer van informatie in een databank nauwkeurig
omschreven trefwoorden met verwijzingen van mogelijke synoniemen en varianten
naar de gebruikte termen. Via de thesaurus is het mogelijk ingevoerde
informatie ook weer onder de juiste trefwoorden op te roepen. Een thesaurus in
deze betekenis is de Thesaurus 1473-1800. Nederlandse boekdrukkers en
boekverkopers (1989) van
J.A. Gruys en
C. de Wolf waarin de voor de
STCN gekozen standaardvormen van de namen van
de boekproducenten uit de desbetreffende periode zijn aangegeven; er wordt
vanaf de variante vormen verwezen naar die standaardvorm.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Metzler; P.S.A. Groot. Documentaire
dienstverlening (1981), p. 49-51. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
threnos
Gelegenheidsgedicht bij de verwoesting van steden, maar vaak ook
wordt de term algemener gebruikt voor
elegie. De threnos behoort tot de
funeraire poëzie als onderdeel van de
mortuaire literatuur en behelst daarom de
vrijwel altijd daarin voorkomende onderdelen
laus,
luctus en
consolatio (lofprijzing, klacht en
vertroosting).
J. van den Vondels ‘Klaghte op den
ondergangk der Rijcksstede Aken’ (J. van den Vondel, WB-ed., dl. 8, 1935,
p. 193-195) uit 1656 is een voorbeeld van een threnos.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Wilpert; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen.
‘Poëzie als gebruiksartikel: gelegenheidsgedichten in de zeventiende
eeuw’, in: M. Spies (red.). Historische letterkunde. Facetten van
vakbeoefening (1984), p. 75-92. [P.J. Verkruijsse]
| |
thriller
Tekst - doorgaans een prozatekst - waarvan de
plot draait om een misdrijf waarvan de
dreigende verwezenlijking de lezer in constante spanning houdt, mede omdat de
lezer weet wie het slachtoffer ervan zal zijn. Het verschil met de
detective- of
politieroman berust op het feit dat daarin
de misdaad die tot opheldering gebracht moet worden reeds heeft plaats
gevonden, terwijl in de thriller het misdrijf nog moet plaats vinden en zowel
de dader als het slachtoffer doorgaans bekend zijn. In feite zijn deze genres
echter niet zo precies meer van elkaar te onderscheiden, omdat ook in de
detectiveroman de eerste moord vaak de inleiding vormt tot volgende misdrijven.
Het accent is daardoor steeds sterker op het element spanning komen te liggen.
Sedert in de eerste helft van de 20e eeuw veel Amerikaanse schrijvers (Raymond Chandler,
Dashiell Hammett e.a.) zich toegelegd
hebben op de ‘hard-boiled’ detective, werden ook daardoor de
grenzen vager. Ook de
spionageroman en het
griezelverhaal worden vanwege hun spanning
tot de thrillers gerekend.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott; S. Sutherland.
Blood in their ink (1953); J. Symons. Moord en doodslag. Een
geschiedenis van het misdaadverhaal (1976). [G.J. van Bork]
| |
tintenel
Term uit de codicologie voor niet uit tekst bestaande regelvulling
in middeleeuwse handschriften die tot doel had het schriftbeeld en de
bladspiegel een volledig rechthoekig uiterlijk te verlenen.
LIT: Vlaamse kunst op perkament; handschriften en miniaturen te
Brugge van de 12de tot de 16de eeuw (tentoonstellingscat., 1981), p. 28.
[H. Struik]
| |
tirade
Lange ononderbroken
monoloog, wervend, belerend en soms met een
scheldkarakter (filippica), in het
toneelspel-2. In de
rede wordt de tirade veel gehanteerd in de
conclusio van een betoog, een lofrede
e.a.
Menige tirade heeft een individualistisch karakter, vandaar de
toepasselijkheid van de titel van het gelijknamige in 1957 door
Van Oorschot opgerichte tijdschrift
Tirade, mogelijk niet zonder zelfspot gekozen.
Soms wordt de term in ongunstige zin gebruikt voor een theatraal
(vgl.
retorica) uitgesproken en omslachtig geheel
van woorden dat op het eerste gehoor indrukwekkend is, maar bij nadere
ontleding zonder veel inhoud blijkt te zijn.
LIT: Best; Cuddon; Metzler; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
titel
De naam of het opschrift van een object uit de beeldende kunst of
van een (onderdeel van) een (literair) geschrift (inclusief software) waardoor
het zich identificeert ten opzichte van andere objecten en onder die naam
bescherming geniet tegen misbruik en piraterij en plagiaat. Bij (literaire)
teksten betreft het titels van boeken, seriewerken, kranten en tijdschriften -
vaak voorzien van een ondertitel - en onderdelen daarvan, zoals gedichten,
hoofdstukken, verhalen en artikelen. De titel kan in al dan niet ingekorte of
gewijzigde vorm op verschillende plaatsen op en in een boek voorkomen: op het
titelblad, als
rugtitel, omslagtitel,
Franse titel of
kopregel (‘running title’). In
de
bibliografie impliceert
titelbeschrijving ook het opnemen, naast de
titel en ondertitel, van andere elementen als auteursnaam en
impressum.
De boektitel is sterk afhankelijk van mode en literaire
conventies. Middeleeuwse handschriften (codex) en vroege
incunabelen waren nog niet van een titel
voorzien; het
incipit functioneerde als inhoudsaanduiding
(‘Hier beghinnen die epistelen entie ewangelien ...’). De eerste
Nederlandse
titelpagina met een titel komt voor in een
boek uit 1483: Dit is dat boec van Arent Bosman. Behalve
ter identificatie van een tekst heeft de literaire titel nog meer functies. Ze
kan als eerste element van een literair werk bij de lezer een bepaalde
verwachting creëren die tijdens of na lezing herzien dient te worden door
de erin aangebrachte polyinterpretabiliteit (S.
Vestdijks De ziener blijkt (ook) een voyeur te
zijn). Dikwijls samen met de ondertitel plaatst de titel een tekst in een
bepaald literair genre en in een literaire traditie (T.
Tasso: Aminta, herders bly-eindende treur-spel; S.
Vestdijk: De ziener. Roman) en tenslotte heeft ze ook een
commerciële functie die eist dat een titel beknopt en pakkend is.
Die eis van beknoptheid is door de eeuwen sterker geworden: veel
16e- tot 19e-eeuwse titels zijn voorzien van een neventitel (bijv.
Multatuli's Max Havelaar of De
koffijveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij) of
uitvoerige ondertitels (E.G.H [appel]. Huidensdaegsche krygs-roman,
vervattende een korte, doch naeuwkeurige, beschrijving deses acht-jarigen
laesten oorloogs door Christenrijk, van het jaer 1672. tot het jaer 1680.
Nevens een klaer bericht van de gelegentheden der voornaemste landen binnen en
buiten Euroop, door een geleerde pen heerlijk beschreven onder de letteren van
E.G.H., 1681). De titel van de
nouveau roman daarentegen lijkt geen relatie
met de inhoud van de tekst te hebben.
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; J.
Schoolmeesters. ‘Titel en tekst. Aspecten van een theorie van de
literaire titel’, in: SpL 19 (1977), p. 1-20; Y.G. Vermeulen.
‘Tot profijt en genoegen’. Motiveringen voor de produktie van
Nederlandstalige gedrukte teksten 1477-1540 (1986), hoofdstuk 1-3; R. de
Belser. ‘Conventie en inventie in de naoorlogse Nederlandse
romantitel’, in: Verslagen en Mededelingen Kon. Academie voor Nederl.
Taal- en Letterk. (1986), p. 291-303. [P.J. Verkruijsse]
| |
titelbeschrijving
Term uit de bibliotheekwereld voor het beschrijven van publicaties
(waaronder ook muziek, audiovisuele media en kaarten) volgens
gestandaardiseerde regels ten behoeve van
bibliografieën en
catalogi-1. Door de automatisering is het
streven naar uniformering op nationaal en mondiaal niveau toegenomen.
Desondanks is de uitgebreidheid van een titelbeschrijving sterk afhankelijk van
het doel.
Ten behoeve van de catalogi van wetenschappelijke bibliotheken is
in Nederlandlange tijd (1924-1975) gebruik gemaakt van de
Regels voor de titelbeschrijving, vastgesteld door de
Rijkscommissie van advies inzake het bibliotheekwezen. Op onderdelen werden
deze regels aangepast aan de eisen van de in 1961 gehouden International
Conference on Cataloguing Principles (ICCP) te Parijs. Een ‘voorlopige
uitgave’ van nieuwe Regels voor de titelbeschrijving van boeken
en periodieken verscheen in 1975. Hierin is rekening gehouden met
de inmiddels ontworpen ISBD, de International Standard Bibliographic
Description van 1971, respectievelijk de ISBD(M) voor ‘monographic
publications’ en de ISBD(S) voor ‘serials’. Pas in 1978
verschenen de ‘definitieve’ Regels, nl. de
Beschrijvingsregels voor niet-seriële publikaties en de
Beschrijvingsregels voor seriële publikaties, nu onder
auspiciën van de FOBID, de Federatie van Organisaties op het gebied van
het Bibliotheek-, Informatie- en Dokumentatiewezen.
De titelbeschrijving van een boek vindt sindsdien plaats volgens
zogenaamde velden, in een vaste volgorde en gescheiden door nauwkeurig
aangegeven interpunctie: titel- en auteursveld (hoofdtitel : ondertitel /
eerste auteur ; volgende auteurs), editieveld (. - drukaanduiding),
impressumveld (. - plaats van uitgave : uitgever, jaar), collatieveld (. -
paginering of aantal delen: illustraties; formaat), reeksveld (. - titel van de
reeks ; nummering binnen de reeks), annotatieveld (. - aanvullende
noodzakelijke informatie), ISBN-, bindwijze- en prijsveld (. -
ISBN bindwijze : prijs).
Voor de internationale uitwisseling van bibliografische gegevens
wordt veel gebruik gemaakt van het Amerikaanse MARC-format (Machine Readable
Cataloguing) en van UNIMARC, o.a. door het Nederlandse
catalogusautomatiseringssysteem
Pica.
Voor het oude boek tot ongeveer 1800 gelden afwijkende regels,
voortgekomen uit de eisen die de
analytische bibliografie-1 stelt. In
Nederland hebben de regels die ontworpen zijn voor de
STCN in dezen een normatieve werking. Ze
zijn vastgelegd in de 2e herziene uitgave van de Handleiding voor de
medewerkers aan de STCN (1988). Achtereenvolgens worden genoteerd: het
hoofdwoord (auteur of woord uit de anonieme titel), een
short title, auteursvermelding, vermelding
van uitgave,
impressum, collatie (bibliografisch
formaat en
collatieformule),
fingerprint, eventuele annotaties,
vindplaatsen (bibliotheeksignaturen). In het dossier dat
ten behoeve van de beschrijving wordt aangelegd, wordt bovendien nog een
fotokopie van de titelpagina gelegd en worden typografische kenmerken
(illustraties, lettertypes e.d.) genoteerd.
LIT: BDI; Brongers; S.W. Hoexum. ‘Titelbeschrijving’,
in: Bibliotheek en documentatie. Handboek ten dienste van de opleidingen
(19843), p. 195-212; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995), p. 82-86. [P.J. Verkruijsse]
| |
titelbibliografie
Een titelbibliografie is een
bibliografie waarin de opgenomen werken
gealfabetiseerd zijn op het eerste woord en/of op een of meer belangrijke
woorden uit de
titel. Titelbibliografieën kunnen
behulpzaam zijn bij het opsporen van
anoniem verschenen werken of van de auteur
van een werk waarvan men alleen de titel kent. Voor Nederland is
in de vijfjaarlijkse nationale bibliografie, Brinkman's catalogus van
boeken en tijdschriften, een dergelijke aparte
‘titelcatalogus’ opgenomen; in de cumulatieve jaardelen,
Brinkman's cumulatieve catalogus, daarentegen vormt de titelbibliografie
één alfabet met de hoofdwoordenbibliografie en het
trefwoordenrepertorium. [P.J. Verkruijsse]
| |
titelblad
Term uit de bibliografie voor het
blad-2 uit het
voorwerk van een boek waarop op de
recto-zijde de
titelpagina is opgenomen. Aanvankelijk was
de
verso-zijde van het titelblad blanco, maar
vooral ten gevolge van de automatisering en uniformering van bibliografische
gegevens is informatie uit het
colofon steeds meer naar de verso van het
titelblad verplaatst. Tegenwoordig kan men daar aantreffen gegevens over
vertalers, oorspronkelijke titels van vertaald werk, illustratoren, medewerkers
aan seriewerken, de promotoren in een proefschrift, zet-, druk- en bindwerk,
drukken, herdrukken en oplagecijfers, de
copyrightformule, de
CIP-beschrijving, het
ISBN, de
UGI-code en
SISO- en
UDC-classificatie en het
D-nummer (depot-nummer).
In werken uit de 16e tot 19e eeuw zit soms een extra titelblad met
een
titelprent.
LIT: BDI; Hiller; MEW; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 157. [P.J. Verkruijsse]
| |
titelpagina
Term uit de bibliografie voor de
recto-zijde van het
titelblad waarop zich de
titel van het boek bevindt. Bij de
titelbeschrijving baseert men zich in eerste instantie op de gegevens zoals die
op de titelpagina voorkomen en niet op die van
Franse titel,
rugtitel of omslag. De titelpagina bevat
gewoonlijk de auteursnaam, de titel en ondertitel, gegevens over vertaler of
illustrator, de drukvermelding, het
drukkersmerk en het
impressum met de naam van de uitgever, de
plaats en het jaar van uitgave. Titel- en impressumgegevens bevinden zich vaak
ook op de
titelprent. Serietitels staan gewoonlijk op
de
verso-zijde van de Franse titel. Als gevolg
van de automatisering en standaardisering van bibliografische gegevens zijn
langzamerhand steeds meer titelpaginagegevens verhuisd naar de verso-zijde van
het titelblad, zoals informatie over vertalers, oorspronkelijke titels van
vertaald werk, illustratoren, drukken en herdrukken en oplagecijfers.
De titelpagina is ontstaan na de uitvinding van de boekdrukkunst
toen teksten in meer exemplaren en in grotere hoeveelheden beschikbaar kwamen
voor een leespubliek. De middeleeuwse
codex had geen titelpagina nodig; een
incipit was voor de individuele bezitter van
het unieke exemplaar voldoende om het van andere codices te onderscheiden. De
eerste drukkers bootsten de codices na en brachten de gegevens over plaats en
jaar van drukken onder in het
colofon. Ten behoeve van een duidelijker
presentatie in de boekhandel voor het publiek kwam uiteindelijk de titelpagina
tot stand. De eerste Nederlandse titelpagina werd door de Haarlemse drukker
Jacob Bellaert in 1483 aangebracht in
het boek Dit is dat boec van arent Bosman. Reeds in 1487
doen de meeste drukkers aan deze nieuwe mode mee. In 1501 staat voor het eerst
een drukkersnaam (Thielman Kerver) op een
Nederlandse titelpagina en in 1520 een volledig impressum
(Antwerpen,
Claes de Grave, 1520).
Bij de bibliografische beschrijving van boeken uit de periode van
de handpers (analytische bibliografie) is lange tijd
zeer veel aandacht besteed aan de titelpagina voor de identificatie van drukken
en herdrukken. Met de
quasi-facsimile-transcriptiemethode werden
de diverse lettertypen zo nauwkeurig mogelijk aangegeven. Tegenwoordig acht men
het belang van de titelpagina voor dat doel van ondergeschikt belang en hecht
men meer aan de
fingerprint-methode. Onderzoek naar de
titelpagina lijkt vooral ook voor de kunstgeschiedenis en de boekhistorie
interessant.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en
druk in de Nederlanden (1962), p. 110-111; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 156; Y.G. Vermeulen. ‘Tot profijt en
genoegen’. Motiveringen voor de produktie van Nederlandstalige gedrukte
teksten 1477-1540 (1986), p. 6-9. [P.J. Verkruijsse]
| |
titelprent of frontispies
In boeken uit de 16e tot 19e eeuw kan men een titelprent (prent)
aantreffen, een afzonderlijk gegraveerd
titelblad dat vooraf ging aan de gedrukte
titelpagina. De titelprent geeft
één of meer scènes weer die betrekking hebben op de inhoud
van het werk of ze biedt een emblematische afbeelding (emblematiek). Op de prent is vaak een verkorte titel vermeld,
evenals een
impressum dat soms afwijkt van dat van de
titelpagina. Het komt regelmatig voor dat het jaar van uitgave
één jaar verschilt omdat de graveur eerder klaar was dan de
drukker of omgekeerd. De titelprent zal vaak als reclamemateriaal gefungeerd
hebben voor het raam van de boekhandel waar het boek te koop was.
LIT: BDI; Hiller; Metzler; MEW; Scott; M.A. Becker-Moelands. De
juridische titelprent in de 17de eeuw (1985); E.O.G. Haitsma Mulier.
‘Woord en beeld: titelprenten van enkele Nederlandse historische werken
uit de 17e en 18e eeuw’, in: Gedrukt in Holland, thema-nr. van
Holland 26 (1994), nr. 4/5, p. 274-291. [P.J. Verkruijsse]
| |
titeluitgave
Bibliografische term voor een
uitgave die alleen van de rest van de
druk of
oplage afwijkt doordat zij voorzien is van
een andere titelpagina, die in de vorm van een
cancel is ingeplakt of die samen met de rest
van het eerste
katern opnieuw gezet is. Titeluitgaven
worden meestal op de markt gebracht in geval van boeken die slecht verkocht
worden. Als een uitgever met een restant van een oplaag blijft zitten, kan hij
in een later stadium proberen het boek weer als nieuw te slijten, voorzien van
een recent jaar van uitgave en vaak van een nieuwe drukaanduiding. Ook bij
overname van uitgeversrestanten besluit de nieuwe uitgever vaak tot het
aanbrengen van gewijzigde titelpagina's, soms slechts tot het overplakken van
het
impressum.
Een voorbeeld van een titeluitgave met op het gecancelde titelblad
de uitermate misleidende vermelding ‘Sijnde desen Nieuwen Druk met meer
dan 100 Plaaten vermeerdert, en doorgaans verbetert’ is De
Werken van Mars van
A.M. Mallet, die in 3 dln. in 1686 bij J.
en
G.J. van Waasberge in
Amsterdam was verschenen en vervolgens door de Leidse boekverkoper
Pieter vander Aa op de markt werd gebracht
in 1695.
Een recenter voorbeeld waar met een plakstrookje gewerkt wordt,
vormen de delen 1-3 van de serie Literaire Tijdschriften in Nederland
(LTN), verschenen in 1975 bij uitgeverij Thespa te Amsterdam en in 1981
overgenomen door uitgeverij De Graaf in Nieuwkoop.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; MEW; Wilpert; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 313-316; F.A. Janssen.
‘Notities bij de aanduiding van herdrukken’, in: Spektator
4(1974-1975) 5, p. 275-283. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
toekomstliteratuur
Subgenre van de
fantastische literatuur waarin een beeld
gegeven wordt van een te verwachten verre toekomst, hetzij als ideaalbeeld van
een nastrevenswaardige samenlevingsvorm (utopische
literatuur), hetzij als een cultuurvorm die het noodlottige gevolg is
van een door de auteur als verwerpelijk geziene politieke, sociale of
technologische ontwikkeling (dystopie).
Het onderscheid tussen
sciencefiction en toekomstliteratuur is
moeilijk vast te stellen. In de praktijk lijkt men teksten waarin de nadruk
ligt op toekomstige politieke of sociale omstandigheden die het gevolg zijn van
reeds in gang gezette ontwikkelingen toekomstliteratuur te noemen en ligt bij
sciencefiction de nadruk veeleer op de technologische ontwikkelingen. Maar vaak
zijn die technologische ontwikkelingen in sciencefiction slechts een aanleiding
tot het beschrijven van een toekomstige samenlevingsvorm.
Als beroemde voorbeelden van toekomstromans kunnen worden genoemd
Zamjàtins
My (1922),
A. Huxley's Brave new
world (1932) en
G. Orwell's Nineteen Eighty
Four (1949). Nederlandse voorbeelden zijn
Betje Wolffs Holland in 't jaar
2440 (1777) en
F. Bordewijks
Blokken (1931). Verzamelingen van toekomstverhalen werden
bijeengebracht door
Manuel van Loggem in De nieuwe
morgen (1982) en
Rob van de Schoor in Voorbije
toekomst (1988).
LIT: Best; Gorp; Lodewick; Metzler; R. Reinsma. Van hoop naar
waarschuwing (1970). [G.J. van Bork]
| |
toekomstverwijzing zie
anticipatie-1
| | | | | | | |
toneel-3
Speelplaats of ruimte waar de acteurs de toneelhandeling (drama)
verrichten. Sinds de renaissance is dat gewoonlijk een ruimte binnen het
theater-1, nl. een podium waarvan de ruimte
begrensd wordt door de decors en het gordijn. In openluchtvoorstellingen
gebruikt men als toneel meestal een verhoging om voor de toeschouwers zichtbaar
te zijn. In de Middeleeuwen was dat een plankier op tonnen
(‘tonneel’) of ook wel een platte wagen (wagenspel). Bovendien werden middeleeuwse drama's gespeeld in
of bij de kerk of aan het hof, waarbij de ruimte in verschillende
‘tonelen’ verdeeld werd, bijv. hemel en hel, of het oosten en het
westen. Dit soort toneelindeling maakte ook het middeleeuwse
simultaantoneel mogelijk.
Vondel formuleert het in zijn
Tooneelschilt of Pleitreede voor het tooneelrecht (1661)
(ed.
L. Rens, Poëtologisch
proza (z.j.), p. 121-122) als volgt: ‘Het tooneel is een
verheven plat, toegestelt naer den eisch der rolle van de personaedjen, die
elck volgens heuren staet ingekleet, en gelijck vermomt, door stemmen en gebaer
uitbeelden eene historie, of waerschijnende verzieringe, of klucht, waerdigh
tot stichtigh vermaeck, in het openbaer, gehoort en gezien te
worden’.
Het toneel in deze zin is voor de literatuurwetenschap alleen van
belang voorzover er uit de gebruikte ruimte tekstuele consequenties
voortvloeien. Zo kan het voor de interpretatie van de tekst van belang zijn om
te weten of een personage op het toneel aanwezig is of vanuit de zaal opkomt,
bijv. als vertegenwoordiger van het publiek. Andere aspecten zijn het
onderzoeksterrein van de theaterwetenschap.
Een grote collectie van documentatiemateriaal en attributen op het
gebied van het Nederlandse toneel is ondergebracht in het Theater Instituut
Nederland (TIN), Herengracht 168,Amsterdam.
LIT: Bantel; Bergh; Gorp; Knuvelder; Metzler; MEW; J.A. Worp.
Geschiedenis van het drama en het tooneel in Nederland (2 dln.,
1903-1907); R.L. Erenstein (hoofdred.). Een theatergeschiedenis der
Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen
(1996). [G.J. van Bork]
| |
toneelaanwijzing of regieaanwijzing
In het algemeen alle aanwijzingen die door de toneelschrijver
worden gegeven in of bij zijn dramatekst om de toneelvoorstelling ervan te
realiseren. Die aanwijzingen worden door de regisseur (spelleider) gebruikt
voor de
regie. Ze betreffen gewoonlijk de
dramatis personae, de wijze van handelen van
de acteurs (voordracht, mimiek en handeling), de locatie, de kleding, de
rekwisieten, de decors, de geluids- en lichteffecten e.d.
Men maakt onderscheid tussen de directe toneelaanwijzingen, zoals
die in de
neventekst gegeven worden, en de indirecte
toneelaanwijzingen, die uit de
hoofdtekst afleidbaar zijn. Voor de
literatuurwetenschap zijn vooral de aantekeningen van de auteur zelf van
belang, zoals hij die in het script verwerkte of daaraan afzonderlijk heeft
toegevoegd. In het renaissancetoneel werden dergelijke aanwijzingen slechts
schaars gegeven. Vaak schreven regisseurs of spelers regieaanwijzingen bij de
toneeltekst, soms ook diende het handschrift van de auteur zelf als regieboek,
hetgeen dan onbedoeld leidde tot het overnemen van deze aanwijzingen in de druk
wanneer dit materiaal als kopij gebruikt werd (vgl. ook
roofdruk).
Later werden de aanwijzingen die de auteur direct aan zijn tekst
toevoegde steeds uitgebreider, vooral bij de naturalistische toneelschrijvers.
Een auteur als
Herman Heijermans gaf precies aan hoe de
locatie er uit moest zien en hoe de acteurs dienden te handelen en te spreken.
Zijn Dora Kremer (Heijermans 1961, p. 15-16) opent bijv.
met een uitvoerige beschrijving van ‘De “goede kamer” van een
rijke hereboer’. De dialoog gaat vergezeld van een nauwkeurige aanduiding
van handelingen en emoties:
Dora, gaat naar de whisttafel: Een van de heren nog
thee?...
Haring, kregelig: M'n hele bakje is leeg.
Later ontstaat echter weer de neiging om deze aanwijzingen weg te
laten en de regisseur en de acteurs meer ruimte te laten voor een eigen
interpretatie van de toneeltekst.
LIT: Cuddon; Metzler; MEW; Scott; A. Dean. Fundamentals of play
directory (1960); M. Gallaway. The director in the theatre (1963);
H. Schwarz. Regie (1965); E. Meier. Realism and reality (1967);
E. Oey-De Vita. ‘Problemen van kopijonderzoek voor toneelstukken uit de
zeventiende eeuw’, in: Spektator 3 (1973-74), p. 12-29, 661-679.
[G.J. van Bork]
| |
toneelbewerking-1
Adaptatie van een tekst die oorspronkelijk
niet voor het toneel geschreven werd door hem zodanig te bewerken dat hij
gebruikt kan worden voor opvoering op het toneel. Men spreekt dan van het
dramatiseren-1 van de tekst.
Herman Heijermans bewerkte bijv. zijn
schets Dolle Jan's droom tot het toneelstuk
Uitkomst (1907), en
Hugo Claus zijn novelle
Suiker tot het gelijknamige toneelstuk (1958). Van
L.P. Boons Menuet
werd door de toneelgroep Studio een toneelbewerking gemaakt in 1972.
LIT: Metzler; MEW; Scenarium 4 (1980). [G.J. van Bork]
| |
toneelbewerking-2
Bewerking van een bestaande dramatekst voor
een ander publiek dan waarvoor deze oorspronkelijk werd geschreven. Meestal
betreft het de modernisering van het oorspronkelijke drama door het taalgebruik
en soms ook de stof te actualiseren. Een dergelijke bewerking onderging bijv.
Sophocles' Oedipus
Rex herhaaldelijk. In het Nederlandse taalgebied werden moderne
versies van het Oedipusthema geschreven door
Hugo Claus en door
Harry Mulisch. Van
Bredero's Spaanschen
Brabander bestaat een moderne toneelbewerking van
Erik Vos en
Guus Rekers (1969).
In sommige gevallen kan men ook bij vertalingen beter van een
toneelbewerking spreken. Dat kan afhankelijk zijn van de mate waarin de
vertalende auteur heeft ingegrepen in de oorspronkelijke tekst, bijv. om die
aan het eigen publiek aan te passen. Voorbeelden zijn
P.C. Hoofts
Warenar (1617), die ‘nae 's landts gheleghentheyt
verduytschet’ is naar het voorbeeld van Aulularia
van
Plautus, en Hugo Claus' vrije vertaling
van
Fernando Rojas' leesdrama La
Celestina (1499) tot De Spaanse hoer (1970);
een echte vertaling ervan maakte
Albert Helman in 1942.
LIT: Metzler; MEW; Scenarium 4 (1980). [G.J. van Bork]
| |
toneelspel-1 of spel-1
Sommige auteurs gebruiken de term toneelspel of spel voor een
drama dat noch de kenmerken van de
tragedie, noch die van het
blijspel heeft. De term toneelspel is
opgekomen onder invloed van het
burgerlijk drama, dat - zoals eerder de
tragikomedie - een tussenpositie inneemt
tussen de klassieke tragedie en het blijspel, maar als een ernstig toneelstuk
moet worden beschouwd dat echter niet per se een noodlottige afloop heeft. We
vinden de term later terug bij bijv.
Herman Heijermans, die zijn
Eva Bonheur (1916) een ‘genoegelijk
toneelspel’ noemde. Daar blijkt de term vrijwel samen te vallen met de
aanduiding ‘toneelstuk’ die even neutraal is als de term
‘drama’.
LIT: Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler;
MEW; Shipley. [G.J. van Bork]
| |
toneelspel-2 of spel-2
Het acteren van de acteur(s), d.w.z. de combinatie van het
uitspreken van de tekst (pronunciatio), de intonatie
daarbij, de handeling(en) en de mimiek die samen het uitbeelden van een
personage of een situatie uitmaken. Bestaat die uitbeelding uitsluitend uit
mimiek en handeling dan spreekt men wel van ‘stil spel’.
LIT: E. Duerr. The length and depth of acting (1963). [G.J.
van Bork]
| |
toog
In de 15e en 16e eeuw gebruikelijke benaming voor een
tableau vivant, een ‘stomme
vertoning’, aanvankelijk vooral van een scène uit de
heilsgeschiedenis. De toog kon deel uitmaken van een processie, maar ook van
een intocht van een vorst, een
blijde inkomste. Een van de eerste, wat
uitvoeriger beschreven togen is die n.a.v. de intocht van
Filips de Goede in Brugge
in 1440, toen er te zien waren op
tallen houcke verscheiden chierate, poorten van triumphe ende
costelicke tooghen ghemaect van stomme personagien, beeldewijs, metter
inscriptie daer toe dienende. (Chronijke van den lande ende
graefscepe van Vlaanderen, van de jaeren 405 tot 1492, ed.
De Jonghe, dl. III, 1839, p. 433).
De toog was opgesteld in een van drie zijden ingesloten ruimte op
een bepaalde locatie of op een wagen. Doorgaans ging het om een stellage met
enkele achterschermcompartimenten en eventueel meer dan één
verdieping (speelhuis). De voorstelling kon worden
toegelicht door een geschreven tekst, maar ook door een
explicateur.
Na verloop van tijd ging de toog meer en meer deel uitmaken van
een toneelspel, waarin de personages met pantomime of zelfs met gesproken woord
deelnamen aan de gehele voorstelling (toogspelen). In ca. 265 van de ongeveer
600 bewaard gebleven rederijkersspelen (rederijkers,
spel van zinne,
esbatement) komt een toog voor.
LIT: Gorp; Laan; W.M.H. Hummelen. ‘Het tableau vivant, de
“toog” in de toneelspelen van de rederijkers’, in:
TNTL 108 (1992), p. 193-222; B.A.M. Ramakers. Spelen en figuren.
Toneelkunst en processiecultuur in Oudenaarde tussen Middeleeuwen en moderne
tijd (1996). [G.J. van Bork]
| | | | | | | |
topiek of topica
Term uit de retorica voor de leer van de topoi (topos), de voorraad ‘gemeenplaatsen’ uit klassieke
auteurs waaruit door iedere redenaar of auteur telkens opnieuw geput kon
worden, bijv. ten behoeve van de inleiding of het slot van een betoog. Het
oudste werk over deze materie is
Aristoteles'
Topica; ook
Cicero schreef een Topica. De
middeleeuwse topiek werd in beeld gebracht door
H. Brinkmann en
E.R. Curtius.
LIT: Best; LdMA; E.R. Curtius. Europäische Literatur und
lateinisches Mittelalter (19738), m.n. hoofdstuk 5. [P.J.
Verkruijsse]
| |
topos, toop of locus
Topoi of loci zijn in de retorica de aspecten van een onderwerp
waaraan in het kader van de bewijsvoering (argumentatio)
bij de
inventio argumenten te ontlenen zijn. Omdat
die bepaalde aspecten stereotiep geworden waren, was men de stereotiepen zelf -
ten onrechte - topoi of loci gaan noemen. Er zijn semantisch verschillende
soorten topoi te onderscheiden, nl. door vergelijking (locus a simili), door
vergelijking met het tegendeel (locus a contrario) en door vergelijking van het
ongelijke (loci a simili impari), nl. door deductie (locus a maiore ad minus)
en inductie (locus a minore ad maius). De vragen die te stellen zijn naar de in
de loci verborgen ideeën kunnen in de volgende hexameter samengevat
worden: ‘Quis, quid, ubi, quibus auxiliis, cur, quomodo, quando?’
(‘Wie, wat, waar, waarmee, waarom, hoe, wanneer?’). Als antwoord
vindt men dan de locus a persona, locus a re, locus a loco, locus ab
instrumento, locus a causa, locus a modo en locus a tempore.
Bij de
dispositio kunnen in het
exordium topoi gebruikt worden om de
aandacht van het publiek te trekken en vast te houden of om het publiek gunstig
te stemmen (attentum parare,
docilem parare en
benevolum parare). De locus a persona sua
bevat dan vaak een bescheidenheidsformule. Zeer veel opdrachten in boeken en
bij toneelstukken bevatten zo'n topos. Men kan ook beginnen met het publiek te
prijzen door middel van een locus ab auditorum persona. Veelvuldig gebruik van
een topos kan leiden tot een
locus communis.
Het topos-begrip is door
Curtius in de literatuurwetenschap
gebracht. Het betekent dan dat bepaalde begrippen die in een bepaalde cultuur
door schoolopleiding en literaire traditie gemeengoed geworden zijn door
auteurs opnieuw gebruikt worden, nu geactualiseerd; anders verworden ze tot
cliché-1, maar ze dienen wel zodanig
gebruikt te worden dat ze voor de lezer herkenbaar zijn.
Voorbeelden die veelvuldig in de literatuur voorkomen zijn bijv.
de
locus amoenus (de standaardbeschrijving van
een lustoord), de topos van de ongelijke liefde (jong meisje - oude man;
jongeman - oude vrouw), de puer-senex-topos (jeugd-ouderdom-tegenstelling) en
de topos van de omgekeerde wereld.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Fowler; Gorp; Lausberg; Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Wilpert; E.R.
Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter
(19738). [P.J. Verkruijsse]
| |
toppenvers zie
heffingsvers
| |
totaaltheater
Toneelvorm waarin een groot aantal kunstvormen in
één voorstelling verenigd wordt. Men spreekt in dit verband ook
wel van een
Gesamtkunstwerk, omdat het berust op het
samengaan van kunstvormen als toneel, mime, muziek, dans, beeldende kunst
(decors e.d.), architectuur (bijv. toneelopbouw) en soms ook beeld- of
filmprojectie. Hoewel de term vrij nieuw is, vond ook in het klassieke toneel
reeds versmelting van verschillende kunstvormen plaats. Toneel, zang en dans
vormden al bij de Grieken elementen van één voorstelling.
Modernere vormen van totaaltheater werden verwezenlijkt door o.m.
Max Reinhardt en
Antonin Artaud. In
Nederland kan als voorbeeld gelden de opera Labyrint
(1966), gebaseerd op
Louis Paul Boons De
Paradijsvogel en bewerkt door componist
Peter Schat in samenwerking met
Lodewijk de Boer (tekstschrijver),
Koert Stuyf (choreograaf) en
Albert Seelen (cinematograaf).
LIT: Cuddon; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
totum pro parte
Vorm van metonymische (metonymie)
beeldspraak die bestaat uit het noemen van het geheel in plaats van het deel,
en als zodanig een vorm van
synecdoche: ‘De garage heeft de auto
gerepareerd’ (i.p.v. iemand van de garage).
Het tegenovergestelde van totum pro parte is
pars pro toto.
LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Morier; Preminger;
Shipley. [G.J. Vis]
| |
tragedie of treurspel
Eén van de dramatische genres (volgens de klassieke
literaire theorie samen met het
epos het meest hoogstaande genre) naast de
komedie (blijspel), de
tragikomedie en de klucht (klucht-1), inhoudelijk gekenmerkt door fatale gebeurtenissen
die de hoofdpersoon, de held, overkomen door het noodlot of die hij over zich
afroept door het begaan van een tragische vergissing of door overmoed, en
formeel gekenmerkt door een structuur die in grote lijnen volgens een vast
stramien verloopt (proloog - drie tot vijf bedrijven,
vaak gescheiden door een
rei-1 - slotlied).
De klassieke tragedie ontwikkelde zich in Griekenland
waarschijnlijk uit de geitenliederen (tragedie = geitenlied) van de
Dionysusfeesten via de
dithyrambe tot een toneelstuk met steeds
meer handelende personen en een steeds minder prominente rol van het
koor bij tragedieschrijvers als
Aeschylus (invoering tweede acteur),
Sophocles (invoering derde acteur) en
Euripides in de 5e eeuw v.Chr. De
Griekse tragediepraktijk werd vastgelegd door
Aristoteles
(Poetica), die de tragedie zag als nabootsing (mimesis) door de handelende personen van een handeling, en wel
op verheven wijze en in een verheven taal. De tragedie moet medelijden en vrees
verwekken bij de toeschouwer, opdat hij een
catharsis ondergaat. Kenmerkende elementen
zijn: enkelvoudige handeling zonder nevenintriges, die zich bij voorkeur binnen
één etmaal afspeelt en die zo waarschijnlijk mogelijk moet zijn;
de rei treedt op als één van de personages; een hoogstaande held
die door een fout ten val komt; een ommekeer (peripetie); een indeling in proloog - parodos (intredezang van
het koor) - vijf episoden (‘bedrijven’) gescheiden door stasima
(reien) - exodos.
Uit de Romeinse periode zijn de naar Grieks model gevormde
tragedies van
Seneca van belang. De inhoud van zijn
spelen is echter veel gruwelijker en pathetischer en de strekking is naar
voorbeeld van de stoïsche moraalfilosofie ethisch-belerend: de morele les
wordt door de reien uitgesproken.
Tijdens
humanisme en
renaissance wordt de klassieke tragedie
herontdekt. Het Neolatijnse
schooldrama heeft daarbij waarschijnlijk een
belangrijke rol gespeeld. Er zijn in ieder geval duidelijke invloeden van het
humanistische
retorica-onderwijs te herkennen in de wijze
waarop aandacht gegeven wordt aan retorische technieken in afzonderlijke
scènes boven die aan de voortgang van de handeling. Met name de bij
Seneca aansluitende opvattingen van
Julius Caesar Scaliger zijn door diens
in Leiden docerende zoon
Josephus Justus Scaliger in
Nederland verbreid. In de eerste helft van de 17e eeuw zijn dan
ook veel gruwelijke gebeurtenissen met hooggeplaatste personen die tot een
ongelukkige afloop (exitus infelix) leiden in de tragedie waar te nemen,
culminerend in
Jan Vos' Aran en
Titus (1641), evenals door de reien verwoorde morele lessen die uit
de handeling getrokken moeten worden. De Amsterdamse rederijkerskamer
D'Eglentier en de Nederduytsche Academie van
Samuel Coster hebben begin 17e eeuw een
belangrijke rol gespeeld bij de vernieuwing van het toneel. De belangrijkste
tragediedichters zijn daaruit voortgekomen:
G.A. Bredero met Rodd'rick ende
Alphonsus (1616), Griane (1616),
Lucelle (1616), Stommen Ridder
(1619) en Angeniet (1623), Samuel Coster met
Itys (1615), Iphigenia (1617),
Isabella (1619) en Polyxena (1619),
P.C. Hooft met Geeraerdt van
Velsen (1613), Achilles en Polyxena (1614),
Theseus en Ariadne (1614), Granida
(1615) en Baeto (1626),
Abraham de Koningh met o.a.
Achab (1618) en Iephthah
(1615).
Behalve de Senecaans-Scaligeriaanse traditie is er ook de
Aristotelisch-Griekse traditie, hier gepropageerd door
D. Heinsius (De tragoediae
constitutione, 1611) en
G.J. Vossius (Institutiones
poeticae, 1647) en in de praktijk gebracht door de belangrijkste
Nederlandse tragediedichter
Joost van den Vondel. In zijn tragedies
gaat het vooral om het innerlijk conflict van de held: de peripetie, het moment
waarop geluk in ongeluk verandert, is het centrale moment. De tragedie hoeft
ook niet per se een ongelukkige afloop (exitus infelix) te hebben; een
gelukkige afloop (exitus felix) leidt niet vanzelf tot een tragikomedie (de
Gysbreght van Aemstel heeft een min of meer gelukkige
afloop). Evenmin is het nodig dat de morele les in Vondels
‘ideeëndrama's’ door de reien vertolkt wordt; die blijkt voor
de toeschouwer uit de handeling zelf. In een aantal voorberichten bij zijn
drama's heeft
Vondel zich over zijn toneeltheorie
uitgelaten; met name het ‘Berecht’ bij Jeptha
(1659) is van belang.
De tragedies uit de eerste helft van de 17e eeuw zijn
geïnventariseerd door
Hubert Meeus in zijn
Repertorium van het ernstige drama in de Nederlanden
1600-1650 (1983). Een onderverdeling binnen het genre is geprobeerd
door
L. Rens en
G. van Eemeren in Genres in het
ernstige Renaissancetoneel der Nederlanden tot 1625 (1977) en G.
van Eemeren en H. Meeus in Genres in het ernstige Renaissancetoneel der
Nederlanden 1626-1650 (1988). De door hen onderscheiden groepen, die
uiteenlopen van ‘klassieke’ tot ‘archaïsche’
tragedie, worden naar hun stof onderverdeeld in klassiek-mythologische (bijv.
Vondels Elektra, 1639), historische (bijv. Vondels
Gysbreght, 1637), bijbelse (bijv. Vondels Joseph in
Dothan, 1640), romaneske en pastorale (bijv. Vondels
Leeuwendalers, 1647) tragedies. Opvoeringsgegevens van
tragedies zijn bijeengebracht door
W.M.H. Hummelen in Amsterdams toneel in
het begin van de Gouden Eeuw (1982) en door
E. Oey-De Vita en
M. Geesink in Academie en
Schouwburg; Amsterdams toneelrepertoire 1617-1665 (1983).
Eind 17e eeuw komt de tragedie in Nederland door het optreden van
Nil Volentibus Arduum onder invloed van het
Franse
classicistische drama van met name
Corneille en
Racine. De nieuwe eisen werden
geformuleerd door
Andries Pelsin diens Het gebruik en
misbruik des tooneels (1681): o.a. waarschijnlijkheids- en
welvoeglijkheidseis; vijf bedrijven; geen bijbelstof; geen gruwelen; vasthouden
aan de
Aristotelische eenheden van tijd, plaats en
handeling; geen reien. Tragedieschrijvers uit de periode van het
Frans-classicisme zijn o.a.
Lodewijk Meyer (Verloofde
Koninksbruidt, 1668),
Lucas Rotgans (Eneas en
Turnus, 1705) en
Balthasar Huydecoper
(Achilles, 1719).
In de 19e eeuw verdwijnen langzamerhand de formele kenmerken van
de tragedie (geen vijf bedrijven meer; geen Aristotelische eenheden meer) en
ook de tragische held verdwijnt: in plaats van het tragische individu als
representant van de gehele maatschappij komt de ondergang van een bepaalde
sociale groepering. Het toneelwerk van
Herman Heijermans is hiervan een
voorbeeld. In de 20e eeuw blijft uiteindelijk de tragische ‘held’
nog slechts als individu over.
De ontwikkelingen ten aanzien van de tragedie in de 16e en 17e
eeuw in Engeland enSpanje wijken af van die in
Frankrijk en Nederland. De Elizabethaanse tragedie
(Shakespeare) handelt vooral over heersers en hun
lotgevallen (koningsdrama's) en gaat meer in de richting van de tragikomedie
doordat er vaak ook komische scènes in weinig verheven taal ingevoegd
worden (Hamlet, Macbeth). Ook de
Spaanse toneelschrijvers als
Lope de Vega (en in diens voetspoor
Theodoor Rodenburg in
Nederland) en
Calderon de la Barca veroorloven zich vrij
veel formele vrijheden. De 18e-eeuwse Duitse tragedie van
Lessing en de jonge
Goethe en
Schiller is burgerlijk van karakter en
trekt zich eveneens weinig aan van de voorgeschreven vormkenmerken van de
klassieke tragedie.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; J.A. Worp. Geschiedenis van het drama en van het tooneel
in Nederland (2 dln., 1904-1908); A.G. van Hamel. Zeventiende-eeuwsche
opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland (1918), p.
82-168; W.A.P. Smit. ‘Inleiding’, in: Van Pascha tot Noah; een
verkenning van Vondels drama's naar continuïteit en ontwikkeling in hun
grondmotief en structuur (dl. 1, 1956), p. 7-28; W.A.P. Smit. ‘Het
Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de
literatuurhistorie’, in: id. Twaalf studies (1968), p. 1-39; S.F.
Witstein. Bredero's ridder Rodderick (1975); Joost van den Vondel.
Poëtologisch proza, ed. L. Rens [1980]; M.B. Smits-Veldt. Samuel
Coster ethicus-didacticus (1986), hoofdstuk II; E.K. Grootes. Het
literaire leven in de zeventiende eeuw (19882), p. 65-68; A.J.E.
Harmsen. Onderwys in de tooneel-poëzy; de opvattingen over toneel van
het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum (1989); M.B. Smits-Veldt. Het
Nederlandse renaissancetoneel (1991); A.S. de Haas. De wetten van het
treurspel. Over ernstig toneel in Nederland, 1700-1772 (1997). [P.J.
Verkruijsse]
| |
tragikomedie
De tragikomedie is een dramatische genre dat elementen bevat van
zowel de
tragedie als de komedie (blijspel), maar in de literaire theorie is het nooit gelukt
het genre enigszins duidelijk af te scheiden van met name de tragedie omdat een
van de belangrijkste kenmerken van de tragikomedie, de gelukkige afloop (exitus
felix), ook wel voorkomt bij als tragedie aangeduide stukken. Behalve door de
exitus felix wordt de tragikomedie gekenmerkt door het optreden van zowel hoog-
als laaggeplaatste personen, door de afwisseling van ernstige en komische
scènes en dientengevolge van verheven en ‘gewoon’
taalgebruik. Behalve de term ‘tragikomedie’ (Vondel, Pascha, 1612) zijn in de 16e
en 17e eeuw nog andere benamingen gangbaar: tragica-comedia (D.V. Coornhert, Vanden thien
maeghden), blyhoopspel (Johan Beets,
Daphne, 1668), bly-eynde-spel (Th.
Rodenburg, Keyser Otto den derden en Galdrada,
1616), blij-eyndigh-treurspel (G. vanden Brande,
La Gitanilla, 1649), treur-blyd'-endend-spel (J.J. Coleveldt, Hartoginne van
Savoyen, 1634), droef en bly-eynd'-spel (J.
Tonnis, Ioseph, 1639). In navolging van
Guarini's Il pastor
fidonoemen veel
pastorales-2 zich ‘bly-eynd' herders
treurspel’ (bijv.
David de Potters Getrouwen
herder, 1650).
Vermenging van tragische en komische elementen kwam al in de
Griekse oudheid voor, maar
Plautus was de eerste die voor zijn
Amphitryon de term ‘tragicocomoedia’
gebruikte. De tragikomedie als genre is geïntroduceerd door Guarini die er
in zijn Compendio della poesia tragicomica (1601) voor
pleitte haar als een zelfstandig dramatisch genre te beschouwen met als
voornaamste doel: de
catharsis van melancholie bij het publiek, dat
door ingetoomde gemoedsbewegingen vermaakt en niet droef gestemd wordt. De
personages zijn voornaam; de hoofdhandeling hoeft dat niet te zijn.
Vooral het Spaanse (Lope de Vega) en
Engelse (Shakespeare) toneel van de 16e en 17e eeuw
kan onder de noemer van de tragikomedie gebracht worden.
InNederland zijn
Jacob Duym,
Rodenburgh,
Bredero en
Starter auteurs van tragikomische
toneelspelen. Met de komst van het Frans-classicisme met
zijn stringent vasthouden aan de klassieke regels van de tragedie verdwijnt de
tragikomedie goeddeels. Het komt weer terug als burgerlijk drama in de 18e eeuw
(comédie larmoyante) en in de periode van Sturm
und Drang en
romantiek (Kleist,
Hugo,
Lessing,
Schelling). In recenter tijd wordt de
term ‘tragikomedie’ niet meer gebruikt, al blijft er toneel
geschreven worden waarin het ernstige en het komische gemengd worden (bijv.
toneelspel-1;
melodrama).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; J.A. Worp. Geschiedenis van het
drama en van het tooneel in Nederland (2 dln., 1904-1908); A.G. van Hamel.
Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in
Nederland (1918), p. 82-168; W.A.P. Smit. ‘Inleiding’, in:
Van Pascha tot Noah; een verkenning van Vondels drama's naar
continuïteit en ontwikkeling in hun grondmotief en structuur (dl. 1,
1956), p. 7-28; P.E.L. Verkuyl. Battista Guarini's Il Pastor Fido in de
Nederlandse dramatische literatuur (1971), m.n. hoofdstuk III; L. Rens en
G. van Eemeren. Genres in het ernstige Renaissancetoneel der Nederlanden tot
1625 (1977); H. Meeus. Repertorium van het ernstige drama in de
Nederlanden 1600-1650 (1983); G. van Eemeren en H. Meeus. Genres in het
ernstige Renaissancetoneel der Nederlanden 1626-1650 (1988); M.B.
Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissancetoneel (1991). [P.J.
Verkruijsse]
| |
traktaat
Verhandeling in proza waarin een bepaald onderwerp, vaak een
godsdienstig of zedekundig probleem, min of meer stelselmatig wordt behandeld.
In de tekst wordt een aantal feiten en argumenten als uitgangspunt genomen voor
een betoog dat resulteert in een of meer conclusies. Anders dan de
preek is het traktaat van meet af aan
bedoeld om op schrift gesteld te worden. Het traktaat kan tot de
didactische literatuur gerekend worden.
LIT: Baldick; Gorp; Metzler; MEW; MNW; Gorp; Wilpert. [H.
Struik]
| |
tranche de vie
Term voor het eerst gebruikt door de Franse toneelschrijver
Jean Jullien (1854-1919) voor het werk
van naturalistische auteurs in verband met het realistisch gehalte ervan.
Doorgaans suggereert men ermee dat een auteur de werkelijkheid in het literaire
werk zo rechtstreeks mogelijk weergeeft, d.w.z. zó dat het lijkt of hij
het materiaal onbewerkt, zonder nadere vormgeving, overneemt uit het dagelijks
leven.
De term is niet altijd even duidelijk, omdat men er zowel sterk
realistische passages in het literaire werk mee aanduidt, als protocollen van
geluids- of beeldopnamen (vgl.
Enno Develings Het
kantoor, 1973). De enige overeenkomst is dat in beide gevallen de
nadruk ligt op de poging de werkelijkheid zo objectief mogelijk weer te
geven.
Als een voorbeeld van vóór de tijd dat de term in
gebruik kwam, zou men ook de door
Bredero ingelaste stadskeur in de
Spaanschen Brabander kunnen zien. Die stadskeur wekt de
sterke suggestie van echtheid, maar is het in werkelijkheid niet.
Doorgaans spreekt men bij
montage van bestaande teksten of bij de
readymade niet van tranche de vie, hoewel
dergelijke procédés er wel heel dicht bij in de buurt komen.
LIT: Cuddon; MEW; Scott. [G.J. van Bork]
| |
transcriptie
Term uit de editietechniek voor het overbrengen van de
lettertekens, de signa (signum), van een bron uit een
oudere fase van een taal naar lettertekens van de huidige periode, gewoonlijk
ten behoeve van een
teksteditie. In de praktijk betekent dat
bijv. het overbrengen van de geschreven tekens uit een
codex, de gotische drukletter uit een
incunabel of het handschrift uit een
manuscript-1 en
-2 van een auteur naar een huidige gedrukte
teksteditie. Wanneer de transcriptie zelf, voorzien van
diacritische tekens-1, wordt
geëditeerd, spreekt men van een
archiefeditie. Typische
transcriptieproblemen voor de editeur van Nederlandse codices en manuscripten
zijn steeds weer de weergave van ‘i’ en ‘j’,
‘u’ en ‘v’ en de ‘ij’ of ‘y’
met of zonder punten, de keuze tussen
kapitaal en
onderkast en de woordscheiding. Naast signa
bevatten handschriften en manuscripten ook figurae (figura-2), niet-lettertekens (bijv. tekeningen of andere
illustratieve of tekstgeleding aanbrengende elementen), die voor een goed
begrip van de tekst eveneens (in facsimile) in een editie overgenomen dienen te
worden.
Het overzetten van taaltekens uit een ander taalsysteem (bijv. het
Griekse of Russische naar het Latijnse alfabet) heet
translitteratie, hoewel beide termen ook wel
in precies omgekeerde betekenis worden gebruikt. Ook wordt transcriptie
gebruikt voor de fonetische weergave in de eigen taal van de getranslittereerde
taaltekens uit het vreemde taalsysteem.
LIT: BDI; Brongers; Ned. Arch.-term; W.Gs Hellinga.
‘Principes linguistiques d'édition de textes’, in:
Lingua 3 (1953), p. 295-308; P.J. Verkruijsse. ‘Over diplomatisch
editeren van handschriften en het gebruik daarbij van diacritische
tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346; I.J. Gelb. A
study of writing (1974), p. 253. [P.J. Verkruijsse]
| |
transfix
Term uit de archivistiek voor een
charter waarvan de zegelstaarten
vóór de bezegeling door een ander charter zijn gestoken. De akten
(akte-1) op de zo verbonden charters vertonen
inhoudelijke samenhang.
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
transformatiespel
Toneelspel dat verwant is met het
monodrama en waarin één acteur
of actrice verschillende personages speelt, zoals in
Herman Heijermans' In de Jonge
Jan (1903), door de auteur een monologenspel genoemd. [G.J. van
Bork]
| |
translatio
De translatio, het vertalen, wordt in de klassieke
retoricahandboeken gezien als leerschool voor de aankomende redenaar of
dichter. Door het vertalen van erkende meesterwerken is men gedwongen goed te
formuleren en komt men in contact met de ideeënwereld van anderen. In de
renaissance worden de klassieken mede vertaald om de nationale taal op te
bouwen en te beschaven. Een vrije
vertaling, een
bewerking van een origineel, leidt tot
imitatio, het nabootsen vanuit de eigen
situatie, en uiteindelijk tot
aemulatio, het trachten te evenaren en zelfs
overtreffen van het bewonderde voorbeeld. De genoemde trits activiteiten is in
de praktijk meestal niet duidelijk te scheiden; met name translatio en imitatio
vloeien in elkaar over.
Over het vertalen zegt
Vondel:
het overzetten uit vermaerde Poeten helpt den aenkomende Poeet,
gelijck het kopieeren van kunstige meesterstucken den Schilders leerling.
(Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste, uitgeg.
en toegel. door een werkgroep van Utrechtse neerlandici, 1977, r.
121-123).
Een bekend voorbeeld van translatio is
P.C. Hoofts vertaling van
Tacitus' Annales
ter voorbereiding van zijn Nederlandsche Historien
(1642).
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; A. Geerebaert. Lijst van de
gedrukte Nederlandsche vertalingen der oude Grieksche en Latijnsche
schrijvers (1924); J.D.P. Warners. ‘Translatio - imitatio -
aemulatio’, in: NTg 49 (1956), p. 289-295; 50 (1957), p. 82-88,
193-201; J. van IJzeren. Lijst van Nederlandse vertalingen van
Griekse en Latijnse niet-christelijke dichters en prozaschrijvers (1958;
aanvullingen hierop in het tijdschrift Hermeneus vanaf jrg. 30); een
overzicht van vertalingen van klassieken voor 1600 in het Engels, Frans, Duits,
Italiaans en Spaans in: R.R. Bolger. The classical heritage and its
beneficiaries (1964); K.M. van Leuven-Zwart. Vertaling en origineel
(1984); P. De Rynck en A. Welkenhuysen. De Oudheid in het Nederlands;
repertorium en bibliografische gids voor vertalingen van Griekse en Latijnse
auteurs en geschriften (1992; supplement 1997). [P.J. Verkruijsse]
| |
translitteratie
Term uit de editietechniek voor het overzetten van taaltekens uit
een ander taalsysteem (bijv. het Griekse of Russische) naar het Latijnse
alfabet. De term wordt ook wel gebruikt in de betekenis van
transcriptie, het overbrengen van de
lettertekens uit een oudere fase van een taal naar de huidige.
LIT: BDI; MEW; W.Gs Hellinga. ‘Principes linguistiques
d'édition de textes’, in: Lingua 3 (1953), p. 295-308; I.J.
Gelb. A study of writing (1974), p. 253. [P.J. Verkruijsse]
| |
transmissiefout of kopiistenfout
Verzamelnaam voor fouten begaan door een
kopiist bij het reproduceren van een tekst
in handschrift (codex). De meeste transmissiefouten
hebben een psychische oorzaak en zijn ontstaan door het verschil tussen het
snelle oog en de trage(re) hand tijdens een van de (volgens Dain) vier fasen
van het kopieerproces: 1) lezen; 2) onthouden; 3) dicteren en 4) schrijven.
Duinhoven wil tussen fase 1 en 2
‘begrijpen’ invoeren.
Veel voorkomende fouten zijn de
continueringsfout, waarbij onbewust een stuk
tekst uit de
legger herhaald of overgeslagen wordt (saute du même au même) en de
dicteerfout, waarbij de kopiist niet
schrijft wat hij leest, maar wat hij zichzelf hoort dicteren (dictée intérieur,
dittografie,
haplografie).
De wetenschap die zich bezighoudt met het opsporen en corrigeren
van kopiistenfouten is de
tekstkritiek. Verder gaat nog de
tekstreconstructie die de oorspronkelijke
lezing tracht te achterhalen waar er door de kopiist is ingegrepen in de tekst,
bijv. om een onregelmatigheid weg te werken, wat doorgaans een
Verschlimmbesserung opleverde. Het gedrag van de kopiist is vergelijkbaar met
dat van de zetter (zetfout), zoals dat wordt bestudeerd
binnen de
analytische bibliografie-1.
LIT: A. Dain. Les manuscrits (19753); A.M.
Duinhoven. Bijdragen tot de reconstructie van Karel ende Elegast, 2 dln.
(1975-1981). [H. Struik]
| |
transmutatio
Term uit de retorica voor het wijzigen van de positie van een
onderdeel binnen een geheel. Naast de
adiectio,
detractio en
immutatio is de transmutatio
één van de wijzigingsmogelijkheden binnen de
dispositio. Als twee aan elkaar grenzende
onderdelen omgewisseld worden, heet dat anastrofe (inversie); gebeurt de omwisseling over grotere afstand dan is
het hyperbaton (Distanzstellung). Een variant daarop is
het
chiasme.
In het handschrift van Dartelavondt heeft
Hooft transmutatio toegepast door de derde
strofe van het gedicht in zijn oorspronkelijke vorm bij uitbreiding van het
gedicht te verplaatsen naar het eind (P.C. Hooft.
Gedichten, ed.
Leendertz/
Stoett, dl. 1, 1899, p. 176-177; dl. 2,
1900, p. 466-467).
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
transsumpt
Verouderde term uit de archivistiek voor een authentiek afschrift
(kopie) van een
akte-1. Een niet-geautoriseerde weergave van
de tekst van een akte, opgenomen in een andere akte, heet
vidimus.
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
travestie
Aanduiding voor een
parodie gekenmerkt door het behoud van de
(ernstige, verheven) inhoud en verandering van de vorm, die een alledaags,
triviaal karakter krijgt. Bekend schrijver van dramatische travestieën was
destijds
J. Kinker. Hij parodieerde bij voorbeeld
zijn eigen filosofische zinnespel Eeuwfeest (1801), met
behoud van de inhoud en wijziging van de vorm tot een gemeenzame stijl, in zijn
toneelstuk De menschheid in het lazarushuis (1801). De
travestie kan de vorm hebben van een farce (klucht-1).
De travestie is verwant aan de
mock heroic, maar er is verschil op twee
punten: de mock heroic heeft een verheven vorm (de stijl van het heldendicht)
voor een triviaal onderwerp en is bovendien geen parodie maar een
pastiche. Overigens wordt dit onderscheid
niet altijd scherp aangehouden; sommigen beschouwen bepaalde pastiches ook als
een vorm van travestie (vgl.
burleske literatuur).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
travestieverhaal
Een travestieverhaal of -roman is een avonturenverhaal (avonturenroman), waarin het travestie-thema een overheersende
rol speelt. Travestie-motieven komen in vrijwel alle literaire genres voor, met
name in het
lied, de
pastorale-2, de klucht (klucht-1) en de komedie (blijspel). Een
travestieverhaal is een gewoonlijk (pseudo)biografisch of -autobiografisch
verhaal waarin de avonturen van de als man verklede vrouw worden verteld. Dat
het altijd om verklede vrouwen gaat, is verklaarbaar uit de maatschappelijke
omstandigheden van de 17e en 18e eeuw, de periode waaruit veel van deze
verhalen stammen. De motivering kon gelegen zijn in het ontkomen aan een
opgedrongen huwelijk, in het vinden van werk (vaak in het leger of op de
vloot), in een vermomming om veilig te reizen en op die manier de
maagdelijkheid te behouden of om lesbische relaties aan te knopen.
Een aantal travestieverhalen berust op waar gebeurde voorvallen,
zoals De Bredasche heldinne van
F.L. Kersteman (ed.
Dekker e.a., 1988) over
Maria van Antwerpen die onder de naam
Jan van Ant in het leger ging. De
processtukken - travestie was strafbaar! - zijn bewaard gebleven. Ook
Het wonderlyk leven en de oorlogs-daden van de kloekmoedige land en
zee heldin (1711) berust op historische feiten. Een vroeg voorbeeld
van een verhaal waarin de travestie veel aandacht krijgt, is
Wonderlicke avontuer van twee goelieven (1624, ed.
Grootes e.a., 1984). Geïsoleerde late
voorbeelden zijn Majoor Frans (1875) van
A.L.G. Bosboom-Toussaint en
Filip de Pillecyns Monsieur
Hawarden (1934).
LIT: W. Kusters. ‘Over het aantrekken van een broek;
travestie als literair motief’, in: De Revisor 5 (1978), nr. 5, p.
50-54, nr. 6, p. 56-59; R. Dekker en L. van de Pol. Daar was laatst een
meisje loos; Nederlandse vrouwen als matrozen en soldaten; een historisch
onderzoek (1981); J. Stouten. Verlichting in de letteren (1984), p.
28-31. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | | | |
trilogie
Oorspronkelijk bij de klassieken, met name in
Griekenland, gebruikte term voor de opvoering van drie onderling
inhoudelijk samenhangende drama's op één dag. De term werd later
overgenomen voor elk drietal drama's dat deze inhoudelijke samenhang vertoont,
ongeacht de wijze van opvoering. Een Nederlands voorbeeld vormt Vondels
toneeltrilogie Jozef in Dothan, Jozef in
Egypte en Jozef aan het hof (1635-1640).
Ook voor andere literaire vormen werd de term trilogie voor
drieledig werk gebruikt. Speciaal de roman kent tal van trilogieën, in het
bijzonder de familieroman en de ontwikkelingsroman. Beroemd zijn
John Galsworthy's Forsyte
saga (1922) en
Gulbranssens
En eeuwig zingen de bossen (1933), De
winden waaien om de rotsen (1934) en De weg tot
elkander (1935).
Het verschil met de roman in drie delen moet vooral gezocht worden
in het feit dat de delen van de trilogie zich ook zelfstandig laten lezen en
daarom dan ook een eigen titel hebben. Als dat criterium juist is, zou
Van Looy's Jaapje
(1917), Jaap (1923) en Jacob (1930)
een trilogie zijn, maar
Van Eedens De kleine
Johannes (1885, 1905, 1906) niet. Bovendien blijken trilogieën
vaak nog een titel te hebben die voor de reeks als geheel geldt, zoals
Jan de Hartogs trilogie Het
koninkrijk van de vrede (1972-1974), die bestaat uit de delen
De kinderen van het licht, Het heilige
experiment en Het uitverkoren volk.
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; H. Steinmetz. Der Trilogie (1968).
[G.J. van Bork]
| |
trimeter of senarius
Term uit de klassieke prosodie voor elke versregel die bestaat uit
drie gelijke metrische (metrum) delen, bijv. drie
jambische (jambe)
dipodieën. Het verschijnsel komt in de
Nederlandse letterkunde nauwelijks voor. Als voorbeeld zou men kunnen geven de
tweede regel van het volgende fragment:
't Ontzaglijk middenpunt dier glinsterende bollen
Is zilverwit, en wordt bewoond door
't schoonst geslacht
(J. Kinker. Gedichten, dl. 3,
1821, p. 33).
Evenals dit bij de
dimeter en de
tetrameter het geval is, omvat de
trimeter een gehele versregel.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Hobsbaum; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
triolet, rondeau simple of rondelet
Oorspronkelijk Franse dichtvorm uit het begin van de 14e eeuw.
Eigenlijk een
rondeel van acht versregels, rijmschema
ABaAabAB. De benaming ‘triolet’ dateert uit de 16e eeuw en slaat op
de drie versregels 1, 4 en 7 die identiek zijn. De versregels 2 en 8 zijn
eveneens identiek. Bijvoorbeeld:
Die gheen pluymen en can strijcken
Die en dooch ter werelt niet
Is hy aerm / hy en sal niet rijcken
Die gheen pluymen en can strijcken
Alomme soe heeft hy tachterkijcken
Hy wordt verschoven / waer men hem siet
Die gheen pluymen en can strijcken
Die en dooch ter werelt niet.
(De gedichten van Anthonis de Roovere, ed.
Mak, 1955, p. 319).
Drs. P. vervaardigde een triolet voor
Dartelen met versvormen (19772, p. 25).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick;
Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; H. Chatelain.
Recherches sur le vers français au XV siècle. Rimes,
mètres et strophes (19742), p. 200-212; Drs. P. en I. de
Wijs. Het rijmschap compleet (1984), p. 200-212. [H. Struik]
| |
tripartition
Begrip uit de poëtica voor de opbouw van een 13e-eeuws hoofs
minnelied-1 in drie delen (letterlijk:
drieledigheid). Doorgaans bestaat een (Frans) minnelied uit een
kop van vier versregels die door een
vore in twee stollen (stol) gesplitst is. De Noord-Franse
trouvères hadden hierbij een voorkeur
voor het rijmschema ab/ab, de Provençaalse
troubadours gebruikten bij voorkeur ab/ba.
Duitse dichters schreven graag koppen van zes of acht versregels (abc/abc of
abcd/abcd).
De kop werd gevolgd door een
staart; de scheiding tussen beide delen
noemt men de
snede. De staart kon al of niet dezelfde
rijmklanken hebben als de kop.
Van de strofische gedichten van
Hadewijch hebben er 29 een driedelige
opbouw, waarvan er 23 een Noord-Franse kop hebben, bijv.:
| stol | k | Tsaermeer sal in corten
tide |
| | | Tsap vanden wortelen opwaert
slaen |
| | o | [vore] |
| stol | | Daer bi sal verre ende
wide |
| | p | Bempt ende cruut sijn loef
ontfaen |
| | | [snede] |
| | s | Dies so hebben wij sekeren
waen |
| | t | Die voghele werden blide |
| | a | Die gheet in minnen
stride |
| | a | Hi sal verwinnen saen |
| | r | Opdat hi niet en mide |
| | t | |
(Hadewijch. Strofische
gedichten, ed.
De Paepe, 1983, II vs. 1-9).
LIT: N. de Paepe. Grondige studie van een Middelnederlandse
auteur. Hadewijch. Strofische gedichten, 2 dln. (19722), deel
Studie, p. 39-43. [H. Struik]
| |
triplet
Terzine met
slagrijm, als strofe voorkomend of als
zelfstandig gedicht, bijv.:
Eén die een goede dag besluit,
Een overmoedig liedje fluit
En onderweg is naar zijn bruid...
(J. Greshoff. VW. Gedichten,
1948, p. 45).
LIT: Baldick; Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
tripodie
Term uit de prosodie ter aanduiding van een drievoetige ritmische
eenheid in een metrisch gedicht. In het volgende voorbeeld bestaat elke regel
uit een tripodie:
Hoe komt 't toch, dat zoo garen
De meisjes - vraagt ge mij -
In 't lieve maantje staren
(P.A. de Genestet. Complete
gedichten, ed.
Oort, 19122, p. 226).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
tristichon
Term uit de Griekse Oudheid voor een drieregelige strofe. De term
is nu in onbruik geraakt. Een bekende vorm van het tristichon is de
terzine, gebruikelijk in de laatste twee
strofen van het
sonnet.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Scott. [G.J. Vis]
| |
tritagonist
Personage in een literair werk dat tussen de
protagonist of hoofdpersoon en diens
tegenspeler of
antagonist in staat. De term is meestal van
toepassing op een personage uit het drama. De tritagonist kan verschillende
functies vervullen, zoals werktuig van één der partijen,
aanstichter van het conflict, bemiddelaar etc., of deze functies tegelijkertijd
of achtereenvolgens. In
Vondels Lucifer
(1654) treedt Rafaël bijv. op als bemiddelaar en verzoener.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; B.
Verhagen. Dramaturgie (19632). [G.J. van Bork]
| |
triviaalliteratuur, massaliteratuur, populaire
literatuur of subliteratuur
Normatieve aanduiding van dat deel van de literatuur dat niet
behoort tot de
lectuur die gewoonlijk in de
literatuurgeschiedenissen wordt behandeld of die in de literatuurkritiek buiten
beschouwing wordt gelaten omdat ze niet tot de gecanoniseerde (canon) literatuur behoort. De grenzen tussen literatuur en
triviaalliteratuur (prozaroman,
volksboek) zijn in feite niet aan te geven
omdat de normen waaraan het verschil tussen ‘hogere’ en
‘lagere’ literatuur is af te meten niet kunnen worden
geëxpliciteerd. In feite hanteert men daartoe esthetische normen die
liggen op het terrein van de originaliteit, de hechte structuur of de
psychologische of filosofische diepgang van literatuur. Die normen worden ook
ontleend aan de adequaatheid van het realiteitsgehalte in de literatuur. In de
praktijk echter blijken die normen per cultuurperiode te wisselen, zodat geen
hecht fundament bestaat waarop men een onderscheid tussen triviaalliteratuur en
literatuur kan baseren. De vraag naar wat triviaalliteratuur is, is dezelfde
vraag als die naar de status van literatuur en in de literatuurwetenschap heeft
men ervan afgezien die vraag te beantwoorden. Het enige wat men erover zeggen
kan, is dat er blijkbaar zoiets als een communis opinio bestaat over wat men er
in een bepaalde periode onder laat vallen. Te grote voorspelbaarheid van het
verhaalverloop, een weinig gecompliceerde vertelopbouw, vereenvoudiging van de
werkelijkheid en een conservatieve benadering van het onderwerp spelen in dat
oordeel - afzonderlijk of cumulatief - een belangrijke rol.
Daarnaast speelt de productiewijze van triviaalliteratuur een
grote rol in dat oordeel. Veel van dit type literatuur wordt in opdracht van
bepaalde uitgevers geproduceerd door speciaal voor dit doel aangetrokken
schrijvers. Deze auteurs schrijven hun teksten gericht op een bepaald publiek,
waarvan vaak van te voren onderzocht is wat dat publiek graag leest. Grote
aantallen
kasteelromans,
damesromans,
doktersromans, oorlogsromans (oorlogsliteratuur) en misdaadverhalen verschijnen in hoge
oplagen in goedkope reeksen als de Bouquetreeks, de Ivanov-reeks,
Kasteelromanreeks etc. en worden in sigarenwinkels, kiosken voor tijdschriften
en supermarkten verkocht. Misschien ligt in die productiewijze en de manier
waarop deze literatuur verkocht wordt wel het meest duidelijke criterium voor
het oordeel over wat triviaalliteratuur is. Veel van deze literatuur zal in het
verleden ook verspreid zijn door
marskramers.
LIT: Anbeek/Fontijn; Bantel; BDI; Best; Gorp; Krywalski; Lodewick;
Metzler; MEW; Wilpert; Massaliteratuur. Een onderzoek naar de schriftroman
Saskia.... 2 dln. (1974); Jan Fontijn (red.). Populaire literatuur
(19752); E.K. Grootes. ‘De bestudering van populaire
literatuur uit de zeventiende eeuw’, in: Spektator 12 (1982-1983),
p. 3-24; Volk en boek 1450-1800, thema-nr. van Leidschrift,
historisch tijdschrift 5 (1989), nr. 3; P.J. Verkruijsse. ‘Oktober
1678: Amsterdamse boekverkopers vragen om maatregelen tegen venters van
“allerhande vuyle en schandaleuze Boeckjens”; de verspreiding van
populaire literatuur’, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (hoofdred.).
Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p. 292-297. [G.J. van
Bork/P.J. Verkruijsse]
| |
trivium
Het theoretische of ‘literaire’ onderdeel van de zeven
vrije kunsten (artes liberales):
grammatica (spelling, vormleer, woordkeus),
dialectica (argumenteren in woord en
geschrift) en
retorica (de opbouw van het betoog, de kunst
van het goed en daardoor overtuigend spreken door gebruik te maken van alle
beschikbare stilistische technieken). Het trivium leerde lezen, spreken en
redeneren en was een vast en onmisbaar onderdeel van de intellectuele vorming
vanaf het laat-Romeinse rijk tot en met de renaissance. Na deze
‘drievoudige weg’ met succes te hebben gevolgd, kon de student zich
verder bekwamen in de andere vier, de praktische, artes liberales, verenigd in
het
quadrivium: geometria, arithmetica,
astronomia en musica.
De eerste Nederlandstalige leerboeken ten behoeve van het trivium
ontstonden in de kring van de Amsterdamse
rederijkerskamer d'Eglentier. Daar was
waarschijnlijk
H.L. Spiegelde auteur van de grammatica
Twe-spraack van de Nederduitsche letterkunst (1584), de
dialectica Ruygh-bewerp van de redenkaveling ofte Nederduijtsche
dialectike en Kort begrip des redenkavelings
(1585) en de retorica Rederijck-kunst in rijm opt kortst
vervat (1587).
LIT: Best; Cuddon; Lausberg; LdMA: Metzler; Scott; Wilpert; E.R.
Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter
(19738), p. 46-55, 474-476; P. Wackers. Met ogen van toen
(19822); H. Klifman. Studies op het gebied van de
vroegnieuwnederlandse triviumtraditie (ca. 1550-ca. 1650) (1983); A.
Verwer. Schets van de Nederlandse taal; grammatica, poëtica en
retorica, naar de ed. van E. van Driel vertaald door J. Knol, bezorgd door
Th.A.J.M. Janssen e.a. (1996). [P.J. Verkruijsse/H. Struik]
| | | |
trochee of trochaeus
Term uit de prosodie voor een
versvoet bestaande uit een
heffing gevolgd door een
daling (bijv.:
‘lopen’).
In de volgende strofe uit het gedicht ‘De humorist’
van
P.A. de Genestet is elke regel gebouwd
op een viervoetige trochee:
Eenmaal had ik zeven vrinden,
Bloemen in mijn levensgaard,
Die ik tot een krans mocht binden
Om mijn hoofd en om mijn haard.
Luister, en, van één tot zeven,
Zeg ik in een bondig lied,
Waar zij allen zijn gebleven,
Want ik had - maar heb ze niet.
(CG, ed.
Oort, 19122, p. 67).
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lausberg; Lodewick; Metzler; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
troop-1
Term uit de retorica voor een woord dat gebruikt wordt in een
betekenis die het eigenlijk niet heeft, maar waarop die betekenis wordt
overgedragen, wanneer het de plaats overneemt van een woord dat die betekenis
wel heeft. Een troop impliceert dus betekenisverandering; dit onderscheidt hem
van de stijlfiguren, waarin woorden hun eigen betekenis houden. De term is
enigszins in onbruik geraakt, mogelijk omdat de inhoud voor sommigen vrijwel
samenvalt met de groep stijlfiguren die als
gedachtefiguren bekend staat.
De belangrijkste tropen zijn de
perifrase, waarbij het woord vervangen wordt
door een verklarende, eufemistische of accentuerende omschrijving; de
litotes, de versterkende omschrijving door
ontkenning van het tegendeel; de
hyperbool of overdrijving; de
emfase, met een nadrukkelijke omschrijving
op indirecte wijze te verstaan geven; de
synecdoche, de vervanging van een woord door
een deel i.p.v. een geheel (pars pro toto) of een
meervoud i.p.v. een enkelvoud (singularis pro pluralis) e.d. te noemen; en de
metonymia, waarbij een gevolg de oorzaak, de
maker het gemaakte e.d. vervangt.
Het
synoniem is geen troop, maar een semantisch
alternatief: het maakt gebruik van het feit dat een taal vaak meer woorden
heeft voor hetzelfde begrip, waarbij overigens wel sprake kan zijn van een
sfeer- of betekenisnuance.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lausberg; LdMA; Leeman/Breat; Marouzeau; MEW;
Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [H. Struik]
| |
troop-2
Term uit de liturgie voor een ingevoegd gedeelte in een bestaand
liturgisch gezang. Het vervaardigen van deze tropen was vanaf de vroege
Middeleeuwen geliefd als stijloefening onder monniken, omdat ze in goed
kerklatijn geschreven moesten zijn. In de Nederlanden zijn dan ook alleen
tropen in het Latijn overgeleverd. Deze tropen spelen een grote rol in de
discussie rond het ontstaan van het middeleeuws toneel (drama), met name de
quem quaeretis-troop zou volgens een
inmiddels achterhaalde theorie een grote invloed hebben gehad.
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; LdMA; MEW; Metzler; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert; B. Hunningher. The origin of the theater
(1955); H. Pleij. ‘Volksfeest en toneel in de middeleeuwen’, dl.
II, in: De Revisor 4 (1977) 1, p. 34-41; R.L. Erenstein (hoofdred.).
Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996), p. 2-9. [W. Kuiper]
| |
troubadour
Twaalfde-eeuwse Zuid-Franse benaming voor een dichter-zanger van
hoofse (fin' amors) lyriek (canso). De naam is ontleend aan het Middellatijnse werkwoord
‘tropare’, wat zowel het maken van tropen (troop-2) betekent als het vinden van stof (inventio). De oudst bekende troubadour is
Guillaume IX van Aquitanië
(1071-1127). Er zijn ongeveer 2500 liederen bewaard gebleven uit de periode
1100-1300, en van ongeveer 350 troubadours kennen wij de naam. De troubadours
worden onderscheiden in 1) trobar leu (helder en begrijpelijk), 2) trobar clus
(duister en hermetisch) en 3) trobar ric (gekunsteld). Beroemde representanten
van deze drie categorieën zijn respectievelijk
Bernard de Ventadour,
Raimbaut d'Orange en
Arnaut Daniel.
Een troubadour is in de eerste plaats een componist, pas in de
tweede plaats een uitvoerend kunstenaar. Veel troubadours lieten hun werk
uitvoeren door een chanteur of een
jongleur. In de tweede helft van de 12e eeuw
vond de troubadourspoëzie haar weg naar de Noord-Franse
trouvères.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; H. Davenson. De troubadours
(1967); E. van Altena. Daar ik tot zang word aangespoord (1987); C.
Hogetoorn. ‘Lyrische dichtkunst’ in: R.E.V. Stuip (red.). Franse
literatuur van de middeleeuwen (1988), p. 57-84; E. Baumgartner. Moyen
Age (1988), p. 85-94. [W. Kuiper]
| |
trouvère
Twaalfde-eeuwse Noord-Franse benaming voor een scheppend literair
kunstenaar, met name van hoofse lyriek, een vertaling van het Zuid-Franse
troubadour. De trouvères
introduceerden de Zuid-Franse troubadourslyriek en de
fin' amors (hoofse
liefde) in het noorden vanFrankrijk. Bekende
trouvères zijn de romancier
Chrétien de Troyesen de lyrici
Conon de Béthune en
Thibaut de Champagne. De Noord-Franse
trouvères hebben grote invloed uitgeoefend op Middelnederlandse dichters
van liefdeslyriek als
Heinric van Veldeke en
Hadewijch.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; F. Willaert. De poëtica van Hadewijch in de
Strofische Gedichten (1984), p. 17-79; C. Hogetoorn. ‘Lyrische
dichtkunst’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de
middeleeuwen (1988), p. 60-70. [W. Kuiper]
| |
Tsjechisch structuralisme zie
Praags structuralisme
| |
tuimeldruk
Boek dat zodanig gebonden is, dat het zowel aan de voor- als
achterzijde met een titelpagina begint en van twee kanten naar het midden toe
gelezen kan worden door het om zijn breedte-as te laten tuimelen. Bij een
bibliografische beschrijving kan een dergelijke contradorsaal gebonden
tuimeldruk beschouwd worden als 2 dln. in 1 band. Voorbeelden van tuimeldrukken
zijn: Adriaan en Olivieren Olivier en
Adriaan (z.j., 2 dln. in 1 bd.) en het
Auteursnamen/Pseudoniemen-boek van
Wim Hazeu ([1976]), dat aan de ene zijde
een alfabetische lijst van pseudoniemen geeft met de auteursnamen en aan de
andere zijde auteursnamen met de pseudoniemen.
LIT: L. Simons. ‘Tuimeldruk’, in: Dietsche Warande
& Belfort 116 (1971), p. 306. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
tweefasestructuur zie
Doppelweg-structuur
| | | |
tijdgeest of Zeitgeist
Term waarin de overheersende opvatting(en) of de
geestesgesteldheid van een bepaalde historische
periode-1 tot uitdrukking wordt gebracht. In
feite brengt men diverse verschijnselen uit één tijdvak onder
één noemer om op die manier het wezen van dat tijdvak uit te
drukken. Het spreken over een bepaalde tijdgeest berust dan ook op een
holistisch uitgangspunt. Het begrip stamt uit de Hegeliaanse geschiedopvatting,
waarbij niet de zichtbare werkelijkheid het doel van de beschrijving is, maar
de daarachter verborgen algemeen geldende geest. In de Diltheyaanse
Geistesgeschichte dienden de waargenomen
deelverschijnselen te worden beschreven in het kader van het wezenlijke. Binnen
die wetenschapsopvatting gold de Zeitgeist als dat centrale en wezenlijk
bepalende van een periode. Vooral in de cultuurwetenschappen (bijvoorbeeld bij
Burckhart en
Huizinga) is het benoemen van de
tijdgeest een veel voorkomende poging geweest om tot periodisering te komen. In
feite is het een mentale constructie van de geschiedschrijver.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Scott; H.J. Schoeps. Was ist und
was will die Geistesgeschichte. Ueber Theorie und Praxis der
Zeitgeistforschung (1959); J. Kamerbeek. ‘Geschiedenis en
problematiek van het begrip ‘tijdgeest’, in: FdL 5(1964), p.
191-215; E.H. Gombrich. In search of cultural history (1969). [G.J. van
Bork]
| |
tijdroman
Term uit de literaire kritiek, doorgaans gebruikt voor het type
roman waarin men als overheersende trek het oproepen van een bepaald tijdsbeeld
meent te kunnen aanwijzen. Daarbij maakt men gewoonlijk onderscheid tussen de
tijdroman in engere zin, een roman waarin een ‘realistisch’ beeld
van de eigen tijd van de auteur wordt gegeven (bijvoorbeeld in documentaire
vorm), en de tijdroman in ruimere zin, een roman waarin door de auteur een
beeld van welke tijd dan ook wordt gegeven (verleden, heden of toekomst). In
die laatste zin vallen dus zowel de
historische roman als de roman die behoort
tot de
toekomstliteratuur eronder.
In het Engelse taalgebied onderscheidt men nog een derde type,
namelijk de roman die de tijd als zodanig tot onderwerp neemt, zoals
bijvoorbeeld in
Prousts A la recherche du
temps perdu (1923-1927) gebeurt. In het Nederlandse taalgebied zou
dat kunnen gelden voor
Paul de Wispelaeres Brieven uit
Nergenshuizen (1986).
Voorbeelden van de beide eerdere typen zijn respectievelijk
Ina Boudier-Bakkers De klop op
de deur (1930) en
A.L.G. Bosboom-Toussaints Het
huis Lauernesse (1840).
Hoe betrekkelijk de toepassing van de term is, blijkt uit het feit
dat vrijwel iedere roman uit het verleden of over het verleden voor de lezer
wel een tijdsbeeld bevat. Bovendien is het onderscheid met andere typen romans,
zoals de
zedenroman, de sociale roman of de
familieroman niet goed aan te geven.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
tijdsafwijking zie
anachronie
| |
tijdsaspecten
Men kan ten aanzien van het aspect tijd in de literatuur twee
mogelijke benaderingen aanwijzen die overigens niet los van elkaar te zien
zijn. De eerste daarvan houdt rekening met de recipiënt en legt de nadruk
op de relatie
verteltijd en
vertelde tijd. De leesduur of de tijd van
presentatie (voordracht of toneel) kan samenvallen met de in de tekst zelf
gepresenteerde tijd, maar kan daar ook sterk van afwijken. Bij veel
toneelteksten zal de tijdsduur van presentatie van een scène samenvallen
met de in die scène gepresenteerde tijd. In een roman daarentegen kan de
geschiedenis variëren in tijdsduur van enkele uren of een dag tot
één of meer mensenlevens lang (vgl.
Jeroen Brouwers, Zonsopgangen
boven zee, 1978 en
Louis Couperus, De boeken der
kleine zielen, 1901-1903).
Maatje heeft op grond van deze
verschillen in zijn boek Literatuurwetenschap (1970)
gemeend een essentieel onderscheid in deze tijdsbehandeling te kunnen aanwijzen
in de genres
drama,
lyriek en
epiek. In de lyriek zou dan de tijd zijn
stilgezet. Veel gedichten geven een momentopname, waarin gevoelens of
sentimenten een rol spelen, opgeroepen door de beschreven omstandigheden. Bij
drama loopt de tijd binnen het werk parallel aan de tijd van realisatie van de
tekst. In de epiek daarentegen is er een mogelijkheid tot versnelling of
vertraging binnen de tekst. De drie genoemde tijdsrelaties vormen volgens
Maatje de principiële of basismogelijkheden van de genoemde genres:
dramatische tijd = overeenkomst in tijd; lyrische tijd = concentratie op
ogenblik en toestand; epische tijd = variabele verhouding tussen tijden.
De tweede benadering legt de nadruk op het tijdsverloop binnen de
tekst zelf als structurerend element. Er is sprake van een geschiedenis die
verteld wordt en die kent een zeker tijdsverloop. De auteur kan dat
tijdsverloop manipuleren en daartoe staat hem een aantal technieken ten
dienste. Zo kan hij gebruik maken van
tijdsverdichting of samenvattende
presentatie, van
vertraging of retardering en van
simultaneïteit of gelijktijdigheid. Het
ligt voor de hand dat deze technieken niet losstaan van de verteltijd.
Tijdverdichting neemt van de verteltijd minder ruimte in beslag dan vertraging
(relatief gezien).
Er zijn nog andere vormen van tijdsmanipulatie mogelijk. Zo kan
een geschiedenis gepresenteerd worden
in medias res, waarna door middel van
retroversie op het voorafgaande kan worden
teruggekeken. De auteur kan op bepaalde zaken vooruitlopen (anticipatie-1). Bij dit soort inbreuken op de
chronologische vertelwijze spreekt men van
anachronie, een verschijnsel dat men
onderscheidt in
subjectieve anachronie (een personage denkt
op een in de chronologie passend moment terug aan iets uit het verleden) en
objectieve anachronie (het beschrevene past
niet in de chronologie).
In de dramatheorie gebruikt men voor soortgelijke verschijnselen
een wat andere terminologie:
prospectief aspect (anticipatie),
retrospectief aspect of flashback
(retroversie),
simultaanaspect (simultaneïteit).
In de loop van de 20e eeuw wordt de tijd steeds vaker thematiek in
de literatuur. Niet alleen wordt de tijd zelf als een relatief gegeven
gepresenteerd, maar ook de scheiding tussen heden en verleden wordt
geproblematiseerd. In de moderne roman komt dat onder meer tot uiting in de
antichronologische vertelwijze, in het ‘open’ romanbegin en -einde,
en vooral in de subjectieve anachronie zoals die deel uitmaakt van bijvoorbeeld
de
stream of consciousness. Voorbeelden van
romans waarin op die of een dergelijke manier de tijd geproblematiseerd wordt,
zijn
L.P. Boons De
Kapellekensbaan (1953) en
Paul de Wispelaeres Brieven uit
Nergenshuizen (1986).
LIT: Boven/Dorleijn; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler;
Prince; E. Lämmert. Bauformen des Erzählens (1955); F.C.
Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p.116-149; M. Bal. De theorie
van vertellen en verhalen (1978); G. Genette. Tijdsaspecten in de roman.
Volgorde, duur, herhaling (1979); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (1981), p. 154-156. [G.J. van Bork]
| |
tijdschrift, magazine, magazijn of periodiek
Drukwerk dat periodiek verschijnt, voor het merendeel in de vorm
van gebrocheerde of geniete cahiers van zeer uiteenlopend formaat. Meestal
rekent men het
dag- of
weekblad niet onder de tijdschriften, maar
vanaf een frequentie die lager ligt dan wekelijks zijn er tijdschriften van
zeer uiteenlopende periodiciteit: per twee weken, maandelijks, per twee
maanden, per kwartaal, halfjaarlijks en zelfs jaarlijks. Daarnaast zijn er
tijdschriften die zonder enige regelmaat verschenen (bijv.
Dremples en De Klopgeest). Hoewel
de frequentiegrens gewoonlijk bij het weekblad ligt, maakt men soms toch
onderscheid tussen bladen van het type Vrij Nederland en die van het
type Libelle of Panorama. Men rangschikt dit laatste type ook
onder de tijdschriften, terwijl de materiële vormgeving van Vrij
Nederland en De Nieuwe Linie aanleiding is om in dat geval eerder
van een krant of weekblad te spreken.
Vrijwel steeds kent het tijdschrift een
redactie-1, ook al is daarvoor soms maar
één persoon verantwoordelijk, zoals met Tirade lange tijd
het geval is geweest.
Een van de eerste Nederlandse tijdschriften was de
Boekzaal van Europe (1692-1700) van
Pieter Rabus. In de 18e en 19e eeuw werden
veel tijdschriften met de term ‘magazijn’ aangeduid, waarmee werd
aangegeven dat deze tijdschriften een voorraadkamer vol onschatbare informatie
zouden zijn, zoals het Magazijn voor wetenschappen, kunsten en letteren
(1822-1830) of het Magazijn van geschiedenissen, romans en verhalen
(1790-1796). Tegenwoordig wordt deze aanduiding nog wel gebruikt, zoals voor
het Nieuw Letterkundig Magazijn van de Maatschappij der Nederlandse
Letterkunde.
Naast tijdschriften van algemene inhoud, zijn er tijdschriften die
gericht zijn op een speciaal onderwerp of vakgebied, zoals de vaktijdschriften
of literaire tijdschriften. Tot de vaktijdschriften behoren wat betreft de
neerlandistiek o.m. Nederlandse Letterkunde, Forum der Letteren,
Spiegel der Letteren, Literatuur en het Tijdschrift voor
Nederlandse Taal- en Letterkunde. Literaire tijdschriften zijn o.m.
Bzzlletin, Dietsche Warande & Belfort, Maatstaf,
Nieuw Vlaams Tijdschrift en De Revisor. Voor volledige
overzichten van de voor de neerlandistiek belangrijke moderne tijdschriften kan
men de tijdschriftenlijst van de Bibliografie van de Nederlandse taal- en
literatuurwetenschap (BNTL) raadplegen. Overzichten van 19e-eeuwse
tijdschriften verschenen in De Negentiende Eeuw (vanaf 1977) en een
uitvoerig standaardwerk over geïllustreerde tijdschriften is van
Joan Hemels en
Renée Vegt: Het
geïllustreerde tijdschrift in Nederland. Bron van kennis en vermaak, lust
voor het oog. Bibliografie, dl. I: 1840-1945 (1993), dl. II (2 banden):
1945-1995 (1997).
Reeksen monografieën die aan tijdschiften gewijd zijn, zijn
de Bibliografie van de literaire tijdschriften in Vlaanderen en
Nederland (BLTVN), de Bibliografie van de Vlaamse tijdschriften
in de negentiende eeuw, Bibliografische analyses, Literaire
tijdschriften in Nederland (LTN) en de Monografieën van
Literaire Tijdschriften (MLT-reeks).
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller;
Krywalski; Metzler; MEW; Wilpert; G.J. van Bork. ‘Letterkundige
tijdschriften’, in: Grote Winkler Prins, dl. 11 (1970); B. van de
Velde. ‘Een projekt voor een bibliografisch onderontwikkeld
gebied’, in: Spektator 1 (1971-1972), 7/8, p. 510-525; P.J.
Verkruijsse. ‘Tijdschriftenanalyse’, in: Weerwerk (1973), p.
207-212; Ts. Tijdschrift voor Tijdschriftstudies (vanaf 1997). [G.J. van
Bork/P.J. Verkruijsse]
| | | |
tijdverdichting, samenvattende presentatie of
verdichting van tijd
Term uit de verteltheorie waarmee wordt aangegeven dat een in
verhouding grotere spanne tijds wordt behandeld in een gering aantal pagina's
of woorden. Anders geformuleerd: wanneer binnen de verhouding tussen
vertelde tijd en
verteltijd in een verhaal de vertelde tijd
omvangrijk is en de verteltijd gering, spreekt men van tijdverdichting (ook wel
‘Raffung’ genoemd, in tegenstelling tot ‘Dehnung’ of
vertraging). In
Van Deyssels Een
liefde (1e druk, 1887) wordt in het befaamde 13e hoofdstuk een
periode beschreven van enkele weken in juni in meer dan 100 pagina's. Het
laatste, 14e hoofdstuk, omvat anderhalve pagina en behandelt de periode van
eind juni tot april van het volgende jaar. Dit laatste hoofdstuk vertoont dus
duidelijk een versnelling of tijdverdichting. Daaruit blijkt overigens dat de
mate van verdichting afhankelijk is van de context.
In het algemeen neemt men aan dat de relatie tussen verteltijd en
vertelde tijd iets laat zien van het belang van bepaalde verhaaldelen. Delen
met een sterke tijdverdichting zouden relatief minder belangrijk zijn dan
fragmenten waarin die verdichting niet optreedt. Die opvatting lijkt echter
vrij makkelijk te weerleggen met tal van tegenvoorbeelden.
LIT: Boven/Dorleijn; Drop; Gorp; Herman/Vervaeck; G. Müller.
‘Erzählzeit und erzählte Zeit’, in: Morphologische
Poetik (1968); F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (19774),
p. 142-151. [G.J. van Bork]
| | | |
tijdzang
Aanduiding voor een soort poëzie waarin actuele
gebeurtenissen, meestal van politieke of maatschappelijke aard, behandeld
worden. Een van de oudst bekende voorbeelden is het Onrymich
vreuchdenliedt der stadt Leiden opte noodinge van zijn F.G. comende van 't
overwinnen van Groningen (± 1595) van
J. van Hout. Het genre bloeide vooral in
de eerste helft van de 19e eeuw. Het jaar 1848 is aanleiding geweest tot menige
tijdzang, zoals dat van
Da Costa getiteld 1648 en
1848 (1848).
Busken Huet beschouwde de tijdzang als een
van de hogere vormen van literatuur, althans hoger dan die
gelegenheidspoëzie die men als de burgerlijke ‘huiselijke’
poëzie (‘poésie du foyer’) kenschetst. Maar
tegelijkertijd plaatste Huet de tijdzang lager dan de zgn.
‘tijdloze’ poëzie, omdat de laatste soort fundamenteler de
condition humaine behandelt.
Na de 19e eeuw raakt het genre, althans onder de naam tijdzang, op
de achtergrond. Maar men kan uiteraard menig 20e-eeuws (en vroeger)
levenslied,
strijdlied, hekeldicht (satire),
spotlied of protestsong als tijdzang
beschouwen.
LIT: Best; Laan. [G.J. Vis]
| |
type
In het algemeen aanduiding voor personen of objecten die voldoen
aan bepaalde kenmerkende eigenschappen waarop ze geclassificeerd kunnen worden.
In de literatuurwetenschap gebruikt men voor literaire werken in dergelijke
gevallen bij voorkeur de term
genre. Voor een
personage dat op deze wijze getypeerd wordt,
gebruikt men ook wel het begrip
flat character. In deze zin gebruikte
J. Kneppelhout bijvoorbeeld het woord in
zijn Studententypen (1839-1841). Ook in de kluchten en
blijspelen van de 17e en 18e eeuw wordt veelvuldig van typen gebruik gemaakt:
kwakzalvers, gierigaards, ingebeelde zieken e.d. Ook in de
fysiologie en
zedeprint worden typen opgevoerd.
LIT: Baldick; Best; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| | | |
typografisch schrijfboek
Een typografisch schrijfboek is een instructieboek voor het leren
schrijven, gezet uit de
civilité-letter en uitgevoerd in het
formaat kwarto-oblong. De typografische
schrijfboeken kwamen in zwang na de ‘uitvinding’ van deze op een
gotische schrijfletter gelijkende letter door Robert Granjon. De kalligrafische
schrijfboeken waren in hout gesneden of
gegraveerd en daardoor duur; nu werd het mogelijk ze veel goedkoper te
produceren zodat ze ook bereikbaar werden voor diegenen die op school wel
hadden leren lezen, maar niet hadden leren schrijven (het onderricht in beide
vaardigheden liep niet parallel!). Ook de schoolmeesters zelf hadden behoefte
aan schrijfvoorbeelden. Omdat de voorbeelden vaak als alfabet werden
aangeboden, fungeren typografische schrijfboeken tevens als
abc-boek, tot diep in de 18e eeuw.
Het oudste voorbeeld van een typografisch schrijfboek is gedrukt
door
Ameet Tavernier, Eenen
gheestelijcken A.B.C. (ca. 1561), een tekst van
Cornelis Crul. Willem Silvius drukte
Eenen nieuwen ABC of materi-boeck van
Coornhert (1564) en
Plantijn volgde in 1567 met zijn
ABC, oft exemplen om de kinderen bequamelick te leren
schryven.
LIT: Brongers; H. de la Fontaine Verwey. ‘Typografische
schrijfboeken. Een hoofdstuk uit de geschiedenis van de
civilité-letter’, in: id. Uit de wereld van het boek, dl. 1
(19762), p. 133-160. [P.J. Verkruijsse]
| |
typologie
Middeleeuwse opvatting over de bijbel waarbij het Oude Testament
wordt gezien als de voorafschaduwing van het Nieuwe Testament en figuren uit
het Oude Testament worden geïnterpreteerd in het licht van
nieuwtestamentische figuren (quator sensus scriptorum,
sensus allegoricus-1). Daarin speelt het
heilshistorisch gewicht van de nieuwtestamentische figuren een belangrijke
rol.
In de
tableaux vivants (toog) wordt deze typologie gebruikt omdat de toeschouwers
daarmee doorgaans vertrouwd waren. Ook in het in
clausulen geschreven strofische gedicht over
Jezus' leven (ed. Cardon e.a., 1985) wordt deze typologie toegepast.
LIT: Baldick; Gorp; LdMA; Metzler; B. Cardon, R. Lievens en M.
Smeyers. Typologische taferelen uit het leven van Jezus (1985); B.A.M.
Ramakers. Spelen en figuren (1996), p. 313-314. [G.J. van Bork]
| |
typoscript
Een met de schrijfmachine vervaardigde tekst, bedoeld als
kopij voor de zetter. Hoewel het eerste
schrijfmachineoctrooi al uit 1714 dateert, wordt de machine toch pas in de 20e
eeuw gemeengoed. Voor die tijd heeft de zetter en dus ook de tekstediteur
uitsluitend te maken met
manuscripten-2. Het typoscript stelt de
editeur voor bijzondere problemen in verband met eventueel vervaardigde
doorslagen en de daarmee samenhangende correctiemogelijkheden.
Hoewel het materiaal het mogelijk maakt - ook op een oud model
hamerslagmachine - duidelijke kopij af te leveren, weten veel auteurs toch
slecht met de schrijfmachine om te gaan, wat resulteert in dansende, half
afgedrukte of zelfs ontbrekende letters en aanvullingen en correcties met de
hand. Een berucht voorbeeld van een slecht typist is
Slauerhoff, van wie typoscripten
aanwezig zijn op het Letterkundig Museum in Den Haag.
Wanneer er niet alleen een voorslag, maar ook doorslagen zijn
gemaakt met behulp van carbonpapier wordt de kwaliteit er niet beter op, vooral
als typefouten niet op voor- én doorslag(en) uitgegumd zijn, maar door
overslag ‘verbeterd’ zijn. Correctie met vloeibaar papier (tipp-ex)
bedekt alleen de foutieve lezing maar verwijdert die niet; de oorspronkelijke
lezing is vaak te zien wanneer het papier tegen het licht gehouden wordt.
Schrijfmachines met carbon- en correctielintmechanisme maken het
mogelijk om op de voorslag goed te corrigeren, al blijft zeker op de niet
opnieuw door tekst bedekte plaatsen de indruk in het papier zichtbaar. De
doorslagen moeten op de ‘ouderwetse’ manier behandeld worden. Op
doorslagpapier met ‘ingebouwd’ carbon is alleen correctie mogelijk
met vloeibaar papier.
Een tekstverwerker of computer maakt het mogelijk om van hetzelfde
‘zetsel’ typoscripten te vervaardigen in verschillende lettertypes
en in afwijkende
lay-out met één of
verschillende printers (matrix-, kwaliteits- of laserprinters).
In alle gevallen lijkt het gewenst voor een tekstediteur om voor
een editie zoveel mogelijk typoscripten (voor- en doorslagen) te achterhalen en
te
collationeren in verband met de
tekstgenese.
LIT: Hiller; Mathijsen; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
|
|
|