|
|
|
| |
E
| |
echo
Algemene aanduiding voor klankherhaling in de vorm van
rijm, hetzij dicht op elkaar (zoals bij de
diverse rijmschema's), hetzij verder uiteengeplaatst (zoals bij het
refrein-1 en vooral het
rondeel).
Een bijzondere vorm van het gebruik van de term echo betreft die
poëtische constructie waarbij een regel of woord gevolgd wordt door
herhaling van de laatste syllaben ervan, zoals in ‘Woud vermolmen
olmen’ (
P. van Ostaijen. VW Poezie dl. 2,
l979, p. l58).
Een hieraan verwant gebruik van het verschijnsel echo treedt op in
het
echodicht.
LIT: Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Preminger; Shipley; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
echodicht
Aanduiding voor een dichtkundig procédé waarbij een
vraag rijmend wordt beantwoord. Het verschijnsel kwam veel voor bij de
rederijkers en in de tijd van reformatie en contrareformatie. Zo schreef
Vondel zijn twaalfregelig ‘Gesprek
op het graf van [...] Oldenbarnevelt’, waarin het procédé
in elke afzonderlijke regel werd toegepast. De laatste regel ervan luidt:
Vr. Wat wort de Dwingelandt, die 't Recht te machtigh
was? K. Asch.
(J. v.d. Vondel. Werken, WB-ed., dl. 2, l929, p.
754).
Het verschijnsel kan ook incidenteel in een dichtwerk optreden. In
A. van de Vennes ‘Zeevsche
meyclacht’ staan de regels:
Ey segt, wat comt van niet te trouwen? rouwen,
rouwen;
Als jeucht niet teelt, wie salder bouwen, ouwen,
ouwen?
Wat raet voor my, en voor mijn bitter clacht? lacht,
lacht.
Hoe vrijt men best, by dage, of by nacht? by nacht.
(A. v.d. Venne. Zeevsche nachtegael, ed.
Meertens/
Verkruijsse, 1982, p. 92).
Ook in sommige renaissancedrama's - met name in het werk van
Theodore Rodenburg, maar ook bij
Hooft,
De Koningh,
Krul e.a. - komen echoscènes
voor, meestal op het hoogtepunt van de intrige waarna de catastrofe volgt.
Wanneer het procédé door het gehele gedicht wordt
volgehouden, noemt men het gedicht in zijn geheel ook wel echodicht of
echogedicht.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G. van Eemeren. ‘Echo-scènes
in Nederlandse toneelstukken uit de eerste helft der zeventiende eeuw’,
in: Eer is het lof des deuchts; opstellen over renaissance en classicisme
aangeboden aan dr. Fokke Veenstra (1986), p. 63-76. [G.J. Vis/P.J.
Verkruijsse]
| |
ecloge
In de Romeinse keizertijd ontstane benaming voor een klein en
oorspronkelijk, waarschijnlijk uit een verzameling gekozen, gedicht (in het
Grieks letterlijk ‘keuze’). Sinds echter de tien gedichten van de
Bucolica van
Vergilius Eclogae
werden genoemd, is het de benaming geworden voor een herdersdicht (pastorale-1). Vooral in de renaissance (
Boccaccio,
Dante,
Petrarca) was het genre populair. De
termen ecloge en
idylle worden door elkaar gebruikt.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [H. Struik]
| |
écriture automatique of automatisch
schrift
Schrijfwijze waarbij bewust de controle van de rede wordt
uitgeschakeld en uitsluitend wordt genoteerd wat spontaan uit het onderbewuste
opkomt. De écriture automatique werd in de jaren '20 geïntroduceerd
door de Franse surrealisten (o.a.
André Breton,
Philippe Soupault) als een spontane en
daardoor verrassende uiting van de psychische processen in de mens. Soms wordt
bij de écriture automatique gebruik gemaakt van hypnose of drugs om
spontane uitingen te stimuleren.
Bij de associatieve techniek van veel Vijftiger-poëzie komen
spontane woordverbindingen voor die sterk doen denken aan automatisch schrift,
zoals bijv. in
Kouwenaars gedicht ‘Als een
ding’ uit Zonder namen (1962, p. 14).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; J. van
Spaendonck. Belle époque en anti-kunst (1977), p. 254-275. [G.J.
van Bork]
| |
editeur of tekstbezorger
Filoloog (filologie) die een
editie vervaardigt van een (literaire) tekst
uit het verleden met het doel deze tekst toegankelijk te maken voor een
hedendaags publiek. Tot het werk van de editeur behoort het kiezen van een
tekst die om een bepaalde reden toelichting en verspreiding verdient. In deze
fase van de werkzaamheden is de editeur vooral literair-historicus. De
tekstgenese, inclusief de
drukgeschiedenis, zal vervolgens vastgesteld
dienen te worden voordat de editeur kan beschikken over een
basistekst. In dit stadium vallen de
bezigheden op het terrein van de hulpwetenschappen als
codicologie,
paleografie,
manuscriptologie,
systematische en
analytische bibliografie. De aard (facsimile-editie,
diplomatische of
kritische editie,
leeseditie enz.) en inrichting van de editie
tenslotte is afhankelijk van het publiek waarvoor ze bestemd is. Voet- of
eindnoten met
woord- en
zakencommentaar, variantenapparaat en
inleiding met het noodzakelijke literair- en cultuurhistorisch kader kunnen
deel uitmaken van de editie.
Gewoonlijk wordt op de
titelpagina aangegeven welke de
werkzaamheden van de editeur zijn geweest, bijv. ‘diplomatisch uitgegeven
naar de bronnen vóór het jaar 1500’ (Van den vos
Reynaerde, ed.
Hellinga, 1952), ‘kritisch
uitgegeven, met woordverklaringen, commentaar en tekstkritische
aantekeningen’ (Van den vos Reynaerde, ed.
Lulofs, 1983), ‘facsimile-editie van
exemplaar PB Zeeland 3 K 1 van de druk Middelburg 1623 met een verantwoording
en indices’ (Zeeusche Nachtegael, ed.
Meertens en
Verkruijsse, 1982) of ‘opnieuw
uitgegeven en van inleiding, aantekeningen en bijlagen voorzien’ (
Rhijnvis Feith,
Julia, ed.
Kloek en
Paasman, 1982).
In het verleden werd de editeur ook wel aangeduid als
‘uitgever’, maar die aanduiding kan beter gereserveerd worden voor
een commercieel uitgever. Van recente datum is de toevoeging ‘ed.’,
ontleend aan het Engelse ‘editor’, aan de naam of namen van de
samensteller(s) van bundels wetenschappelijke opstellen. Daarvoor kan men in
het Nederlands beter de term ‘redacteur’ gebruiken, bijv.
G.J. van Bork en
N. Laan (red.). Twee eeuwen
literatuurgeschiedenis; poëticale opvattingen in de Nederlandse
literatuur (1986).
LIT: Hiller; Mathijsen; W.Gs Hellinga. ‘De
commentaar’, in: Handelingen 24e Nederlandse Filologencongres
(1956), p. 109-127. [P.J. Verkruijsse]
| |
editie of tekstuitgave
Uitgave van een ongepubliceerde of eerder uitgegeven tekst waarbij
een editeur opgetreden is die verantwoordelijk is voor de tekstkeuze, de
tekstverzorging en de wijze van editeren. In een editie wordt bijv. door de
editeur verantwoord welk stadium uit de tekstgeschiedenis hij als basistekst
heeft gebruikt, voor welk type editie hij gekozen heeft, of hij al dan niet
zijn editie van
commentaar heeft voorzien en wat hij met
zetfouten of varianten heeft gedaan in zijn uitgave.
Er zijn verschillende vormen van edities waartoe een editeur kan
besluiten, maar voor welk type hij ook kiest, steeds zal in principe het
voorwerk van een
historisch-kritische editie daaraan vooraf
dienen te gaan om hem verantwoord te kunnen noemen. In de praktijk is dat lang
niet altijd het geval en beperkt de editeur zich tot de heruitgave van een
tekst, al dan niet met toevoeging van commentaar. Als voorbeelden van
dergelijke beperkte heruitgaven kunnen de edities genoemd worden van het
Verzameld werk van
Louis Couperus door een commissie onder
leiding van
G. Stuiveling (1952-1957) of de uitgave
van
Nicolaas Beets' Camera
obscura door
M. Stapert-Eggen (1977).
Afhankelijk van de doelstelling van de editie of van het
geïntendeerde publiek onderscheidt men de volgende editietypen:
historisch-kritische editie,
studie-editie,
leeseditie,
facsimile-editie,
archiefeditie,
kritische editie,
diplomatische editie en
schooleditie.
LIT: Bantel; BDI; Best; Brongers; Feather; Hiller; Mathijsen;
Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
editietechniek zie
teksteditie
| |
editiewetenschap zie
teksteditie
| |
editio prima
De eerste of oorspronkelijke
druk van een tekst. Wanneer het een tekst
betreft die ontstaan is vóór de uitvinding van de boekdrukkunst
noemt men de eerste druk de
editio princeps. Wanneer er onduidelijkheid
heerst over de volgorde van verschillende drukken (eerste druk en herdrukken),
is de uiterlijk best verzorgde druk soms de editio prima. Verder kan een editio
prima zich van een
herdruk onderscheiden door het voorkomen van
één of meer van de volgende kenmerken: het
voorwerk begint niet met katernsignatuur A,
maar bv. met een asterisk; het laatste katern kan blanco bladen bevatten
terwijl een herdruk zal proberen om de tekst één katern eerder
rond te krijgen; er is geen
inwinnen of
uitdrijven nodig wegens gebruik van ander
typografisch materiaal.
LIT: R.B. McKerrow. An introduction to bibliography for
literary students (19282), p. 184-199. [P.J. Verkruijsse]
| |
editio princeps
De eerste druk van een tekst waarvan het ontstaan dateert van
vóór de uitvinding van de boekdrukkunst. Als alle handschriften
intussen verloren gegaan zijn, is de editio princeps de belangrijkste bron
geworden. Door de humanisten zijn er kort na de uitvinding van de boekdrukkunst
van vele klassieken editiones principes vervaardigd. Voor de eerste
druk van een tekst van na de uitvinding van
de boekdrukkunst gebruikt men de term
editio prima.
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; Mathijsen; Metzler; MEW;
Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
e/en-rijm
Rijm van het type ‘jonkvrouwen / ontrouwe’, zoals dat
gedurende de Middeleeuwen in die gewesten gebruikt werd waar de slot- n
niet of nauwelijks hoorbaar werd uitgesproken, zoals bijv.
inVlaanderen. Middeleeuwse kopiisten uit andere streken moeten dit
e/en-rijm als
onzuiver rijm ervaren hebben of van mening
geweest zijn dat er iets aan het rijmpaar ontbrak, want heel vaak
‘verbeteren’ zij dit e/en-rijm in
volrijm door een ‘n’ toe te
voegen ‘jonkvrouwen / ontrouwen’, of weg te laten ‘nature /
uren > nature / ure’.
LIT: A. van Loey. Middelnederlandse spraakkunst II.
Klankleer (1980), § 105; W. Kuiper. Die riddere metten witten
scilde (1989), p. 128, 211. [W. Kuiper]
| |
eenakter
Dramatisch werk dat bestaat uit één enkel
bedrijf. Meestal is de eenakter van korte
duur; zelden langer dan veertig minuten. Hoewel modern toneel soms niet uit
bedrijven, maar uit scènes is opgebouwd, blijft men de term toch
gebruiken voor die toneelstukken in één bedrijf die niet
avondvullend zijn. De eenakter verhoudt zich tot het avondvullend drama als het
korte verhaal of de novelle tot de roman.
Hoewel er voor 1750 wel toneel in één bedrijf
geschreven is (overwegend kluchten), werd de term pas in de tweede helft van de
18e eeuw toegepast. In het Nederlandse taalgebied werden eenakters geschreven
door o.m.
H. Heijermans (Het
kind, 1903),
H. Claus (De
getuigen, 1952) en
L. de Boer (Darts,
1967).
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
eenheden, Aristotelische zie
Aristotelische eenheden
| |
eenheid van handeling
Eén van de
Aristotelische eenheden uit het klassieke
drama. De andere is de
eenheid van tijd. Later werd daaraan de
eenheid van plaats toegevoegd. De eenheid
van handeling houdt in dat er geen bijzaken als nevenintrige naast of door de
hoofdintrige heen lopen.
LIT: Bantel; Gorp; Metzler; MEW; M.B. Smits-Veldt. Het
Nederlandse renaissance-toneel (1991). [P.J. Verkruijsse]
| |
eenheid van plaats
Eén van de drie eenheden uit het klassieke
drama. De andere twee zijn de Aristotelische
eenheid van handeling en
eenheid van tijd. De eenheid van plaats, die
later aan de
Aristotelische eenheden werd toegevoegd,
houdt in dat de handeling zich op één plaats afspeelt;
gebeurtenissen van belang die elders gebeuren, worden bijv. door een bode
verteld (bodeverhaal;
teichoskopie).
LIT: Bantel; Gorp; Metzler; MEW; M.B. Smits-Veldt. Het
Nederlandse renaissance-toneel (1991). [P.J. Verkruijsse]
| |
eenheid van tijd
Eén van de
Aristotelische eenheden uit het klassieke
drama. De andere is de
eenheid van handeling. Op een later tijdstip
werd daaraan de
eenheid van plaats toegevoegd. De eenheid
van tijd houdt in dat de handeling op het toneel niet langer duurt dan een
etmaal.
LIT: Bantel; Gorp; Metzler; MEW; M.B. Smits-Veldt. Het
Nederlandse renaissance-toneel (1991). [P.J. Verkruijsse]
| | | |
egodocument
Geschrift dat behoort tot de autobiografische teksten, zoals de
brief, het
dagboek, de
autobiografie, het
reisverslag en de
memoires. Het gaat hierbij steeds om teksten
waarin een auteur een zelfbeeld geeft van zijn persoon (karakter, leefwijze,
levensomstandigheden) en van personen uit zijn omgeving. In die zin kunnen ook
fotoalbums, films en video-opnamen tot de egodocumenten gerekend worden,
evenals
alba amicorum.
Egodocumenten zijn een bron voor de biografie van auteurs, al zal
er altijd voorzichtig gebruik van gemaakt dienen te worden vanwege het genoemde
zelfbeeld en de stilering. Een belangrijke reeks uitgaven op dit gebied vormt
de serie Privé Domein, gepubliceerd door De Arbeiderspers
teAmsterdam.
LIT: F. Boersma. Dagboek van Nederland: geschiedenis gezien
door ooggetuigen (1984); M. Groen e.a. (red.).
‘Ego-documenten’, spec. nr. van Adem 3 (1988) 1; R. Dekker.
‘Wat zijn ego-documenten?’, in: Indische letteren 8 (1993),
p. 103-112; R. Lindeman, Y. Scherf en R.M. Dekker. Egodocumenten van
Noord-Nederlanders van de zestiende tot begin negentiende eeuw; een
chronologische lijst (1993). [G.J. van Bork]
| | | |
eindnoot
Toelichting aan het eind van een hoofdstuk, een artikel of een
boek, doorgaans in een kleiner lettertype. De meest voorkomende eindnoten
bestaan uit literatuurverwijzingen of bronnenopgaven en uit woordverklaringen
bij teksten (annotatie). In boeken en tijdschriften
worden eindnoten gewoonlijk doorlopend genummerd; in de tekst staan de
verwijzingsnummers dan superieur gedrukt. Wanneer een tekst van vers- of
regelnummering in de marge is voorzien, kunnen eindnoten ook daarnaar
verwijzen.
Noten geplaatst aan de voet van een pagina heten
voetnoten.
LIT: BDI; Best; Hiller; Scott; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 160-162. [P.J. Verkruijsse]
| |
eindrijm
Term uit de prosodie voor die vorm van
rijm waarbij het eind van een versregel
fungeert als
rijmvrager of
rijmgever. Gedurende de Middeleeuwen, de
renaissance en het classicisme was eindrijm een algemene eis voor dichtwerk
(gedicht); het werd toen altijd gecombineerd met
metrisch
ritme. Wanneer eindrijm ontbreekt, spreekt
men wel van
blank vers.
In het volgende voorbeeld fungeert het regeleinde van vs. 2 als
rijmvrager van dat van vs. 3, terwijl het eind van vs. 3 op zijn beurt
enerzijds rijmgever is van dat van vs. 2 en anderzijds rijmvrager van het eind
van vs. 5:
Elk maek' staet dat Morfeus zonder
Trouwe is. goôn kleeft valscheit aen.
'k Was eens vroeg te bedt gegaen;
Venus star was nogh niet onder;
Zy scheen klaerder dan de maen.
(
H.K. Poot.
Minnezangen, ed. Geerars, l964, p. 22).
Bij eindrijm wordt
mannelijk en
vrouwelijk rijm onderscheiden met diverse
rijmschema's.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-2; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert; C.F.P. Stutterheim. Stijlleer (1947), p. 51-60.
[G.J. Vis]
| |
elegantia
Term uit de retorica voor een stijl die zuiverheid en helderheid
(puritas en
perspicuitas) combineert.
LIT: Best; Cuddon; HWR; Lausberg; Metzler; Scott; Shipley;
Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
elegie, klaaglied, klaagzang, lamentatie, treurlied
of treurzang
Aanduiding voor die vorm van lyriek waarin uiting wordt gegeven
aan droefheid. De aanleiding kan gelegen zijn in de dood van een dierbare,
zoals bij het Middelnederlandse ‘Egidiuslied’ (Liederen
en gedichten uit het Gruuthuse-handschrift, ed.
Heeroma, l966, p. 441-442), of in een
andere droevige gebeurtenis, zoals bij
J. Kinkers ‘Weeklagt’ over de
politieke situatie in 1813 (Gedichten, dl. 2, 1820, p. 19-32). Ook een
meer algemene problematiek kan aanleiding zijn tot een klaaglied, zoals het
geval is bij
G. Gezelles ‘Waarom en kunnen wij
niet’ (VD, dl. 2, ed.
Boets, l980, p. 77).
Wanneer de lamentatie handelt over het verlies door de dood, dan
is er nauwe verwantschap met
mortuaire literatuur en
funeraire poëzie (lijkdicht,
grafdicht,
grafschrift en
in memoriam). Een specifieke vorm van de
elegie is het
elegisch distichon.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon;
Fowler; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert; M.A.P.C. Poelhekke en J.J. Giesen. Woordkunst
(1948), p. 214-215. [G.J. Vis]
| |
elegisch distichon
Aanduiding voor het
distichon, als zelfstandig geheel of als
onderdeel van een groter gedicht, dat de geëigende versvorm was voor de
elegie in de Oudheid. In later eeuwen werd
de elegie niet meer uitsluitend in de vorm van het distichon geschreven, zoals
op zijn beurt het distichon niet langer uitsluitend gebruikt werd voor de
elegie.
Een nagalm van het elegisch distichon vindt men soms bij auteurs
die het distichon beoefenden, zoals
Huygens,
Staring,
De Genestet,
C. Vosmaer,
Verwey en
Adama van Scheltema.
In het volgende kwatrijn van Scheltema, uit de
Gevleugelde spreuken, opgebouwd uit disticha die men in
technische zin als elegisch distichon kan aanmerken, zou men een
‘elegische toon’ kunnen waarnemen:
Waak en zie toe! hoed uw hartsgeweld door dit vijandelijk
leven,
Spil geen gedachte, geen daad - mors niet met uw gemoed
Weet dat de vruchtbaarste gronden één vruchtbaar
gewas maar doen rijpen -
En dat het zaad van uw geest meer telt dan dat van uw bloed!
(C.S. Adama van Scheltema. VG, 1962, p. 364).
LIT: Abrams; Buddingh'; Cuddon'; Gorp; MEW: Preminger; Shipley;
Wilpert; G.Kazemier. In de voorhof der poëzie (1965), p. 151. [G.J.
Vis]
| |
elegisch kwatrijn zie
elegische stanza
| |
elegische stanza of elegisch kwatrijn
Term uit de genreleer voor een vierregelige strofe die formeel
identiek is met het
kwatrijn uit het
Shakespeareaans sonnet, en die bovendien de
inhoudelijke kenmerken heeft van de
elegie.
Als voorbeeld van een elegische stanza kan men het gedicht
‘Droefheid’ van
J.I. de Haan beschouwen:
Ik ween. Maar niet om mijn verloren jeugd.
Maar omdat zij, die met mij knapen waren,
Als ik verloren hun onschuld en deugd,
En als ik zwerven door de leege jaren.
(J.I. de Haan. VG, dl. 2, 1952, p. 218).
LIT: Cuddon; Preminger. [G.J. Vis]
| |
elektronische publicatie
Publicatie die in digitale vorm wordt aangeboden, hetzij op
diskette, hetzij via e-mail, hetzij via Internet. Het Internet bestaat uit een
verzameling van met elkaar verbonden computernetwerken (universiteiten,
bedrijven) waartoe men met een pc, voorzien van een modem, toegang kan krijgen
via een abonnement bij een internet-provider (bijv. SURF-NET waarbij o.a. alle
Nederlandse universiteiten zijn aangesloten, of organisaties als NLnet, Planet
Internet, XS4ALL, World Access). Het populairste onderdeel van Internet is
tegenwoordig het World Wide Web (WWW), de opvolger van Gopher, dat het mogelijk
maakt voor WWW-clients als Netscape via hypertext-links (gemarkeerde
trefwoorden) naar allerlei samenhangende documenten te verwijzen (Hypertext
Transfer Protocol: http).
De electronische zoekmogelijkheden via Internet, ook op het gebied
van de neerlandistiek, nemen met de dag toe. Via Internet is het mogelijk
wereldwijd bibliotheek- en antiquariaatscatalogi te raadplegen,
gedigitaliseerde primaire teksten op te halen (bijvoorbeeld via de Digitale
Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (www.dbnl.org), in het Laurens
Janszoon Costerhuis (www-cust01.energis-idc.net/~ljcoster) en via het
Schrijversnet (www.schrijversnet.nl)), encyclopedieën in te zien,
abonnementen te nemen of elektronische tijdschriften (het neerlandistische
tijdschrift Neder-L via listserv[[at]]nic.surfnet.nl), via
discussielijsten in contact te komen met andere onderzoekers of e-mail te
versturen.
De Nederlandse host-organisatie
Pica stelt via het OBN (Open Bibliotheek
Netwerk) de CC-Nederland (centrale catalogus) en Regionale Centrale Catalogi op
Internet beschikbaar: http://www.pica.nl. Ook het Online Retrieval Systeem
(ORS) wordt door Pica via het OBN opengesteld. Dat betekent toegang tot o.a. de
BNTL, de
STCN, GLIN (Grijze literatuur in Nederland),
HinT (Historie in titels), ISTC (Incunable Short Title Catalogue) en de
brievencatalogus CEN.
LIT: BDI; E.G. Sieverts en M.W. de Jong-Hofman (eindred.).
Online opsporen van informatie. Theorie en praktijk van het gebruik van
interactieve informatiesystemen (19966); M. de Niet.
Climacterium?, in: Dokumentaal 25 (1996), p. 134-137; M.
Smolenaars. ‘Van Karel ende Elegast tot Kopland, een neerlandicus de
digitale snelweg op’, in: Dokumentaal 25 (1996), p. 138-141; B.
Mourits en Th. Vaessens. ‘Stand van zaken: This game is shareware.
Internet en de letterkundige neerlandistiek’, in: Nederlandse
Letterkunde 2 (1997), p. 75-84; M. de Niet. ‘Rondom de computer. Van
boekgeschiedenis naar informatiegeschiedenis?’, in: Jaarboek voor
Nederlandse Boekgeschiedenis 4 (1997), p. 243- 264; R. Agterberg.
‘Internet als venster op de literatuur’, in: Literatuur
1997, nr. 5, p. 306-307; B. van Wonderen. ‘Net-Neerlandistiek’, in:
UvA-link, nr. 17 (sept. 1997), p. 1-3. [P.J. Verkruijsse]
| |
elementaire reeks
In de verteltheorie gebruikte aanduiding voor (een gedeelte van)
een geschiedenis van in principe drie fasen, te weten een geopperde
mogelijkheid, een gebeurtenis als gevolg daarvan en de afsluiting van die
gebeurtenis, bijv. ‘Jan wil een boek schrijven’ (mogelijkheid);
‘Jan schrijft een boek’ (actualisering); ‘Het boek
verschijnt’ (afsluiting). De meeste elementaire reeksen zijn in een
verhaal ingebed in combinaties van dit type reeksen tot complexere reeksen die
samen het gehele verhaal uitmaken.
LIT: Bal; Cl. Bremond. ‘De logica van de narratieve
mogelijkheden’, in: W.J.M. Bronzwaer e.a. Tekstboek algemene
literatuurwetenschap (1977), p. 183-207. [G.J. van Bork]
| |
elisie
Uitstoting, omwille van het
ritme, van een klinker in een versregel.
Wanneer de elisie plaatsvindt aan het eind van een woord, spreekt men van
apocope, bijv.
Toen ik, op mijn' geboortedag,
Nog nauwlijks in het wiegje lag
Kwam 't dartel wicht, de looze Min,
Het kraamvertrek al lagchende in
(
J. Bellamy. Gezangen mijner
jeugd, ed.
Buijnsters, 1968, p. 29).
In dit geval is ‘mijnen’ geapocopeerd tot
‘mijn’. Het apostrofteken duidt erop dat de lezer niet alleen de
‘e’ moet weglaten, maar ook de daarachter staande ‘n’.
In de daarop volgende regels is ‘het’ geëlideerd tot tot
‘'t’, en is door elisie van de slotklinker van
‘lagchende’ de noodzaak ontstaan van
contractie van de ‘e’ met de
daarop volgende ‘i’ van ‘in’. Het is in de 19e eeuw
gebruikelijk om in gevallen als de laatste de elisie respectievelijk de
contractie aan de lezer zelf over te laten zonder gebruik van het apostrofteken
als leesaanwijzing.
Als de elisie een klinker binnen het woord betreft, spreekt men
van
syncope, bijv. ‘nauwlijks’ in
plaats van ‘nauwelijks’, zoals in het hierboven gegeven citaat uit
Bellamy. Het tegenovergestelde hiervan is
epenthesis. Vindt de elisie aan het begin
van een woord plaats dan noemt men deze
aphaeresis of procope.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-2; Gorp; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.E. Booij e.a. Lexicon van de
taalwetenschap (19802). [G.J. Vis]
| |
ellips
Stijlfiguur waarbij een vanzelfsprekend woord wordt weggelaten
zodat een onvolledige zin ontstaat. De weggelaten delen kunnen gemakkelijk aan
de hand van situatie en context gereconstrueerd worden. Met name in poëzie
komt men vaak elliptische zinnen tegen:
Achttien jaren [is hij], [hij heeft] rode konen;
't Eerste dons [vertoont zich] om mond en kin.
Dromen van OP KAMERS WONEN: [...].
(
A. van der Hoop Juniorsz.
‘Student worden’, in: Twaalf
Daguerréotypen, 1851, ed.
Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 19de en 20ste eeuw, 1979, p. 240).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Ueding; Wilpert; G.E. Booij e.a. Lexicon van de
taalwetenschap (19802). [P.J. Verkruijsse]
| |
elocutio
Term uit de retorica voor de derde taak van de redenaar (officia oratoris): na
inventio en
dispositio komt de elocutio, de stijlleer,
die zich bezighoudt met de taalkundige kant van de rede, de
verba: het verwoorden van het binnen de
inventio vergaarde en binnen de dispositio geordende materiaal. Er worden vier
stijldeugden, de virtutes elocutionis of virtutes dicendi, onderscheiden: de
puritas of latinitas, een idiomatisch zuiver
taalgebruik; de
perspicuitas of helderheid; de
ornatus of stilistische verfraaiing; het
aptum of decorum, de passendheid van de
bewoordingen.
LIT: Gorp; HWR; Lausberg; Leeman/Braet; Scott; Shipley. [P.J.
Verkruijsse]
| |
eloquentia
Die vorm van welsprekendheid (retorica) die
gericht is op de praktijk, de mondelinge
voordracht van teksten. Zo is er in de 19e
eeuw sprake van ‘uiterlijke welsprekendheid’ ter aanduiding van die
retoricale activiteiten die gekenmerkt worden door aandacht voor de orale
cultus, de
declamatie. Men vindt deze met name in
genootschappelijke kringen (rederijkerskamers,
dichtgenootschappen).
Een ander - hiermee samenhangend - aspect van de eloquentia is de
zorg voor mimiek en gebaren, die er in de 19e eeuw toe leidde dat de
voordrachtskunst evolueerde in de richting van het toneelspel (drama).
LIT: HWR; LdMA; Leeman/Braet; W. van den Berg. ‘Op
gehoorsafstand’, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen (red.).
Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p. 473-478. [G.J.
Vis]
| | | |
emblema, embleem, sinnebeeld of zinnebeeld
Genre in de kunst van vooral renaissance en barok dat gekenmerkt
wordt door een drieledige eenheid van opschrift (motto-2), afbeelding (pictura) en
onderschrift (subscriptio), waarin de in de afbeelding
gegeven ‘werkelijkheid’ meer betekent dan zij voorstelt. De pictura
is de visuele voorstelling van een idee door middel van het
concetto, het op scherpzinnige en
verrassende wijze verbinden van uit elkaar liggende beelden of begrippen.
Emblema betekent zoiets als ‘mozaïekversiering’;
in de
retorica had het de pejoratieve betekenis
van ‘gemeenplaats’ gekregen. Daarmee zijn tevens beide terreinen
gegeven waarop het genre zich beweegt: de beeldende kunst en de literatuur
(ut pictura poesis-literatuur). Het ontstaan van het
genre is nauwkeurig te traceren: een bundel epigrammen van
A. Alciato wordt door de uitgever
voorzien van prenten en als Emblematum liber in 1531 op
de markt gebracht. Deze formule blijkt zeer succesvol, wellicht omdat ze
aansluit bij een aantal andere genres die op dat moment in de mode zijn (maniërisme), zoals het
epigram, de
rebus, het
blazoen van de rederijkers, de
rijmprent, het portretgedicht (beeldgedicht-2) en de
impresa en bij de belangstelling voor de
hiërogliefen, de allegorische (allegorie) literatuur en mnemotechnieken uit de Middeleeuwen
en geïllustreerde boeken in het algemeen.
Een indeling in drieën van de emblematabundels is mogelijk:
heroïsch (individueel zoals
vorstenspiegels, of corporatief),
ethisch-moraliserend (religieus of erotisch) en didactisch (encyclopedisch of
iconologisch).
Daniël Heinsius (Quaeris
quid sit amor, 1601),
G.A. Bredero (in de bundel
Thronus Cupidinisvan 1618, waarin ook bijdragen van
Roemer en Anna Visscher,
Otto Vaenius,
Vondel en
Hooft),
Jacob Cats (Sinne- en
minnebeelden, 1618) en
P.C. Hooft (Emblemata
amatoria, 1611) zijn emblematici die zich met het typisch
Nederlandse liefdesemblema hebben beziggehouden, daarbij bijgestaan door de
beste illustratoren uit die tijd (
Crispijn de Passe,
Adriaan van de Venne). Beoefenaren van
religieuze (liefdes)emblemata zijn
Hermanus Hugo,
A. Poirters en
Jan Luyken. Een bijzondere categorie vormt
de hartsemblematiek (religieus en profaan), waarin het menselijk hart is
afgebeeld en centraal staat. Realistische emblemata - eveneens een typisch
Hollands subgenre - zijn van
Roemer Visscher
(Sinne-poppen, 1614),
Johan de Brune de Oude
(Emblemata, 1624) en
Jan van der Veen. Alle belangrijke
emblemata-bundels (773 in totaal) zijn op microfiches uitgegeven door Inter
Documentation Company te Leiden.
Belangrijke drukkers van embleembundels zijn
Chr. Plantin en
D.P. Pers welke laatste zowel C. Ripa's
emblematisch ‘handboek’ Iconologia vertaalde (1644), als
zijn eigen bundel Bellerophon (1614) uitgaf naast die van
o.a.
Coornhert,
Heinsius en
Vondel. In de inleiding van Vondels
Gulden Winckel (1613) omschreef Pers de
emblematiek als volgt:
de stomme schilderie en levende dicht-kunst (als twee gesusters,
malkanderen omhelsende) kunstlijcken versaemt, en het profijtelijcke by het
vermakelijcke ghevought (WB-ed., dl. 1, 1927, p. 268).
Met name in de barok spreekt men ook wel van het literair of
woordemblema bij literatuur, meestal
poëzie, die een aan de emblematiek ontleende bijzondere vorm van
beeldgebruik hanteert. Bij
Jacobus Revius en
Heiman Dullaert kan men daarvan
voorbeelden aantreffen.
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Brongers; Buddingh'; Cuddon;
Feather; Fowler; Gorp; Hiller; HWR; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; P.J.H. Vermeeren. ‘De emblemata van
Cats’, in: Aandacht voor Cats bij zijn 300-ste sterfdag (1962), p.
155-176; M. Praz. Studies in seventeenth-century imagery, 2 dln.
(19642-1974); Tot lering en vermaak; betekenissen van Hollandse
genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw (1976); A. Henkel en A.
Schöne. Emblemata; Handbuch zur Sinnbildkunst des XVI. und XVII.
Jahrhunderts (19762); K. Porteman. Inleiding tot de
Nederlandse emblemataliteratuur (1977); Wort und Bild; Buchkunst und
Druckgraphik in den Niederlanden im 16. und 17. Jahrhundert (1981); K.
Porteman. ‘De liefdesemblematiek’, in: P.C. Hooft. Emblemata
amatoria (1983), p. 6-68; P.J. Meertens en Hilary Sayles. Nederlandse
emblemata; bloemlezing uit de Noord- en Zuidnederlandse emblemata-literatuur
van de 16de en 17de eeuw (1983); K. Porteman. ‘Geschreven met de
linkerhand? Letteren tegenover schilderkunst in de Gouden Eeuw’, in: M.
Spies (red.). Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening
(1984), p. 93-113; Wort und Bild in der niederländischen Kunst und
Literatur des 16. und 17. Jahrhunderts, ed. H. Vekeman und J. Müller
Hofstede (1984); R. van Straten. Een inleiding in de iconografie (1985);
P. King. ‘Vondel en de emblematiek’, in: Jetzt kehr ich an den
Rhein, ed. H. Vekeman und H. van Uffelen (1987), p. 174-193; J. Landwehr.
Emblem and fable books, printed in the Low Countries 1524-1813; a
bibliography (1988); P.P.M. Raasveld. Pictura, poesis, musica. Een
onderzoek naar de rol van de muziek in embleemliteratuur (1995); H. Luijten
& M. Blankman. Minne- en zinnebeelden; een bloemlezing uit de
Nederlandse emblematiek (1996); E.K. Grootes. ‘Picturae in words: the
Moralia of Joannes Barbonius (1646)’, in: Emblematica 8
(1994[=1997]), p. 293-301. [P.J. Verkruijsse]
| |
emblematicus of emblematist
Een emblematicus is een samensteller van een embleemboek of een
dichter van emblemata (emblema).
LIT: K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse
emblemataliteratuur (1977), p. 9. [P.J. Verkruijsse]
| |
emblematiek
Onder emblematiek wordt verstaan de verschijningsvorm van het
emblema in zowel de literatuur, als in de
beeldende en toegepaste kunst.
LIT: Laan; Metzler; K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse
emblemataliteratuur (1977), p. 9. [P.J. Verkruijsse]
| |
emblematist zie
emblematicus
| |
emblematoloog
Een emblematoloog is een wetenschapper die het genre van het
emblema bestudeert.
LIT: K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse
emblemataliteratuur (1977), p. 9. [P.J. Verkruijsse]
| |
embryonisch rijm zie
halfrijm
| | | |
emendatio of emendatie
Term uit de
tekstkritiek voor de (re)constructie van het
archetype van een tekst met gebruikmaking
van een
stemma op basis van de overgeleverde
handschriften en drukken. De emendatio volgt na de
recensio, die de onderlinge verwantschappen
van de overgeleverde handschriften en drukken uitdrukt in een
filiatie.
De verbetering van bedorven plaatsen in een handschrift of druk
leidt tot een
kritische editie. Idealiter zou een
emendatie moeten geschieden op gezag van het stemma of van het origineel (als
de desbetreffende tekst een vertaling is). In de filologische praktijk vinden
de meeste emendaties echter plaats op basis van subjectieve criteria als
belezenheid en (on)begrip voor de tekst. Is de
corruptie evident, maar de emendatie
twijfelachtig, dan spreekt men van een
conjectuur.
De meest bekende verzameling emendaties is Tekstcritiek van J.
Verdam in het Middelnederlandsch Woordenboek samengelezen door Willem de
Vreeze (1929), opgenomen in het tiende deel van het
Middelnederlandsch Woordenboek.
LIT: Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Mathijsen; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; M.J.M. de Haan. Enige aspecten van tekstkritiek van
Middelnederlandse teksten (1973); B.J.P. Salemans. ‘Text genealogical
remarks on Lachmann, Bédier, Greg and Dearing’, in: LB 79
(1990), p. 427-468. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
emfase of emfasis
Troop (troop-2) om door middel van
accentuering (accent), opvallende woordschikking (inversie,
antithese,
climax-1), typografische hulpmiddelen
(cursief, kapitaal of onderstreping) of
ellips een woord of zinsdeel indirect nadruk
te geven. De emfase kan behalve voor
ironie ook gebruikt worden in gevallen dat
het gevaarlijk is om rechtstreeks een mening te uiten (i.v.m. censuur) of
wanneer dat ongepast zou zijn.
Een voorbeeld van typografische emfase kan men aantreffen in de
volgende zin van
Louis Paul Boon:
want zij denken er niet aan een WERkelijke sociale staat op te
richten, ze hebben Angst van een werkelijke sociale staat.
(De Kapellekensbaan, 19644, p.
219).
Een ander voorbeeld van emfase geeft het
‘Predikanten-lied’ van
Cornelis Paradijs:
Dat is scheppen, dat is dichten,
Loven, lieven, steunen, stichten ...
Zing, ten Kate! zing uw lied!
God vergeet zijn dichter niet!
(Grassprietjes, ed.
Luger, 1984, p. 56).
In de retorica verstaat men onder emfasis ook wel een rijke
gedachteninhoud die in bondige taal wordt vervat (significatio).
LIT: Best; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Leeman/Braet; Metzler;
Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley; Ueding; Wilpert; G.E. Booij e.a.
Lexicon van de taalwetenschap (19802); J. Jansen.
Brevitas (1995), p. 174-177. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| | | |
empathie
Begrip uit de esthetica en de literaire kritiek, omstreeks 1850 in
Duitsland opgekomen en aldaar met ‘Einfühlung’
aangeduid. Het behelst het veronderstelde vermogen van de lezer,
kunstbeschouwer, luisteraar enz. om de
atmosfeer van het kunstwerk en de prikkels
die van het kunstwerk uitgaan adequaat aan te voelen. De bruikbaarheid van het
begrip in de
literatuurwetenschap is nogal dubieus.
Beoefenaren van de latere
receptie-esthetica (empirische richting)
zagen de empathie als een eigenschap van sommige lezers waardoor ze kunnen
reageren op andermans gevoelens. Zo probeerde men emotionele empathie te meten
met een empathievragenlijst gericht op het onderzoek naar de ‘heightened
responsiveness to another's emotional experience’ (
Mehrebian &
Epstein, 1972, p. 525).
A. van Assche heeft gewerkt met de
hypothese dat empathische proefpersonen eerder de gevoelens van anderen tot hun
eigen gevoelens maken, m.a.w. dat de profielen van door de tekst uitgedrukte en
die van door de tekst opgewekte gevoelens de neiging vertonen samen te vallen.
Deze hypothese blijkt gedeeltelijk houdbaar te zijn. Uit onderzoek is bovendien
gebleken dat de sociaal-culturele situatie empathiegevoelens kan belemmeren of
verhinderen.
De evaluatie van de aard der gevoelens bepaalt in welke mate
proefpersonen met meer empathische aanleg zich ook empathischer zullen
opstellen. Ook de graad van vereenzelviging wordt hierdoor bepaald.
LIT: Abrams; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; A. Mehrebian en N. Epstein. ‘A measure of emotional
empathy’, in: Journal of Personality 40 (1972), p. 525-543; A. van
Assche. ‘Gevoelservaring van poëzie’, in: R.T. Segers (red.).
Receptie-esthetica (1978), p. 139-166. [G.J. Vis]
| |
emporicum
Lofdicht op een handelsstad of
stapelplaats, behorend tot het genre van het
stededicht. De kenmerken van het stededicht
zijn op het emporicum onverkort van toepassing. In het emporicum zijn echter
nadrukkelijker sexuele metaforen aanwezig in verband met de personificatie van
de stad tot maagd, tot vrouw, tot een moedermaagd die net als een handelsstad
zoveel mogelijk opslorpt om daarvan welvarender (steeds dikker = zwanger) te
worden. De connotaties die samenhangen met moeder en maagd, nl. verzorgend,
rein en moreel hoogstaand, leiden ertoe dat de stedemaagd per definitie goed
handelt, ook al verslindt ze alles om er zelf beter van te worden, bijv.
Het sta mij vrij, Vorstin [= Amsterdam], zo rijzig op de
leden,
Uw bruiloftskamers en saletten in te treden,
Uw bruidsschat te bezien en trouwring, die alom
Vermaard, de Zee verbond tot uwen bruidegom.
(
J. Antonides van der Goes.
‘Ystroom’, in: Alle de gedichten,
17486, p. 19).
En de volgende regels van Vondels gedicht Op
Amstelredam dienen waarschijnlijk ook letterlijk genomen te worden:
Aan d'Amstel en het IJ, daar doet zich heerlijk open
Zij, die als keizerin de kroon draagt van Europe.
(De Werken, WB-ed., dl. 3 (1929), p. 354).
LIT: A.J. Gelderblom. ‘De maagd en de mannen. Psychokritiek
van de stadsuitbeelding in de zeventiende en achttiende eeuw’, in: id.
Mannen en maagden in Hollands tuin (1991), p. 78-93. [P.J.
Verkruijsse]
| |
enallage of enallaxis
Term uit de stijlleer voor een
troop-1 die bestaat uit een plaats- of
vormverandering van een woord waardoor men een passage krijgt die vreemd is
binnen het geheel, en aldus op het veranderde of verschoven tekstgedeelte de
aandacht vestigt. Dit kan bijv. de tijdsvorm betreffen (‘Morgen kwam ik
thuis’), of de woordsoort (‘Momentele toiletten’ zegt
K. van Kooten in Koot droomt
zich af, 1982, p. 12). ‘Mijn eenzaam leven wandelt door de
straten’ schrijft
M. Nijhoff (VG, 1974, p. 9). In het
laatste geval is de enallage te beschouwen als een vorm van
metonymie. Een bijzondere vorm van enallage is
de
hypallage.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Lausberg; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert.
[G.J. Vis]
| | | |
encarté-handschrift
Term uit de codicologie voor een 15e-eeuws papieren handschrift,
waarvan de
katernen zijn samengesteld uit vier papieren
dubbelbladen gevat tussen twee perkamenten
dubbelbladen, dit laatste tegen het insnijden van het bindgaren in het
kwetsbaar geachte papier. Encarté-handschriften vindt men vooral in
kloosterbibliotheken. Een eenvoudiger oplossing om het insnijden tegen te gaan
is het
hartstrookje. [W. Kuiper]
| |
enchiridion
Handboek of leerboek (in het Grieks letterlijk: ‘in de hand
[gehouden]’). Bekend is de Enchiridion ad Laurentum
van
Augustinus, dat een korte weergave van de
christelijke geloofsleer bevat en de Enchiridion militis
christiani (1503) van
Erasmus, waarin staat hoe een goede
christen leven moet. Een voorbeeld uit later tijd is de Enchiridion
symbolorum et definitiorum van
Denzinger (1963) dat bestaat uit een
verzameling dogmatische uitspraken van de rooms-katholieke kerk.
LIT: Best; Brongers; Cuddon; Laan; Metzler; Scott; Wilpert; C.J.
Schumacher. Der ‘Denzinger’: Geschichte und Bedeutung eines
Buches in der Praxis der neueren Theologie (1974). [H. Struik]
| |
enclise
Samentrekking van een beklemtoond woord en een daaropvolgend
onbeklemtoond woord tot één woord, een verschijnsel dat zich
voortdurend in de spreektaal voordoet, maar dat men ook veelvuldig in de
spelling van historische teksten aantreft, met name in het Middelnederlands,
bijv. hebbic < hebbe ic; dat < dat het.
Ook in moderne letterkundige teksten kan enclise worden
aangetroffen, bijv. in het werk van
Nescio en
Theo Thijssen.
LIT: Best; Gorp; Marouzeau; Wilpert. [W. Kuiper]
| | | |
encyclopedie
De betekenis van het begrip ‘encyclopedie’ heeft zich
ontwikkeld van het leerboek voor de ontwikkelde man in het klassieke
Griekenland tot het huidige naslagwerk voor iedereen. De letterlijke betekenis
van encyclopedie (een woord dat eerst in de 16e eeuw gebruikt wordt) is: in een
cirkel opvoeden, een allround opleiding geven. Met het toenemen van de kennis
in de loop der eeuwen wordt het steeds moeilijker om een totaaloverzicht van
alle wetenschap en kennis te bieden. De systematische indeling maakt dan plaats
voor een alfabetische opzet. De inrichting van encyclopedieën is een
weerspiegeling van ideeën over classificatie van de wetenschappen, dus ook
van de steeds verdergaande specialisatie. Geheel in tegenspraak met het
allround karakter uit de klassieke tijd en de Middeleeuwen, zijn er in de 20e
eeuw naslagwerken verschenen met in de titel het woord
‘encyclopedie’, die slechts één onderwerp omvatten.
Zo zijn er bijv. encyclopedieën van het dierenrijk, van de aardrijkskunde,
van het hedendaagse Friesland, van de muziek en medische
encyclopedieën.
In de loop van de tijd zijn encyclopedische werken verschenen die
in de titel aangeduid werden als
spiegel (Speculum), som (Summa),
woordenboek (biografische woordenboeken) of
lexicon (in Duitsland Konversationslexikon).
Het lijkt het beste om de term ‘encyclopedie’ te reserveren voor
die werken, die tot doel hebben alle wetenschappen samen te vatten of die
uitputtend één onderwerp behandelen. Een lexicon is beperkter
(behandelt altijd één vakgebied) en minder uitvoerig in de
behandeling van de trefwoorden dan een encyclopedie. De naam
‘woordenboek’ wordt dan gereserveerd voor werken die de woorden van
een taal inventariseren en de betekenis van die woorden omschrijven.
In de Middeleeuwen verschijnen de eerste encyclopedieën in de
volkstaal. Nederlandheeft aan het eind van de 17e en in het begin
van de 18e eeuw een belangrijke rol gespeeld bij het drukken van
encyclopedieën die elders vanwege de censuur niet konden verschijnen. Zo
heeft Nederland bijgedragen aan de verspreiding van de nieuwe ideeën van
de verlichting zoals die inFrankrijk door de encyclopedisten
werden ontwikkeld.
De 18e- en 19e-eeuwse Nederlandstalige voorlopers van de huidige
grote encyclopedieën zijn o.a. Het algemeen historisch,
geographisch en genealogisch woordenboek (8 dln, 1724-1737) van
A.G. Luïscius, het Groot
algemeen historisch, geographisch, genealogisch en oordeelkundig
woorden-boek van
David van Hoogstraten (7 dln, 1725-1733),
De algemene Nederlandsche encyclopedie voor den beschaafden
stand (15 dln, 1865-1868) die gebaseerd was op het
Woordenboek van kunst, wetenschap, nijverheid, landbouw en
handel (1856-1866) van
Nieuwenhuis en de
Geïllustreerde encyclopedie (16 dln, 1870-1882) van
A. Winkler Prins.
In de 20e eeuw zijn de volgende encyclopedieën verschenen: de
Grote Winkler Prins: encyclopedie in 26 delen (9e druk, 1990-1993).
De Grote Oosthoek. Encyclopedie en woordenboek telt 7 drukken (21 dln,
1976-1981). De Katholieke Encyclopedie (25 dln) heeft twee drukken
beleefd (2e dr., 1949-1955). Geheel systematisch van opzet is de ENSIE
(Eerste Nederlandse Systematisch Ingerichte Encyclopedie; 10 dln,
1946-1952). Een combinatie van alfabetische en systematische indeling biedt de
Grote Spectrum Encyclopedie (24 dln, 1974-1979), waarvan de vier laatste
delen de index vormen op de voorgaande twintig. Verder zijn er nog de
Standaard Encyclopedie (14 dln), Summa. Encyclopedie en
woordenboek (22 dln, 1973-1979) en de Grote Nederlandse Larousse
Encyclopedie (25 dln, 1971-1979).
De huidige grote encyclopedieën verschijnen vaak in
aangepaste versies in verschillende taalgebieden. Ze besteden veel aandacht aan
het visuele aspect (kleurenillustraties), nemen ook weer een woordenboek op
(‘Van Dale’ in Oosthoek en Summa,
‘Koenen-Endepols’ in Larousse), leveren vaak een apart
atlasdeel erbij en stellen bezitters van voltooide drukken in de gelegenheid om
bij te blijven via supplementen en jaardelen. Ook werd geëxperimenteerd
met zgn. ‘non-book-materials’, zoals geluidsbandjes (de
‘audioclopedie’), dikwijls speciaal gericht op bepaalde doelgroepen
(jeugd- en gezinsencyclopedieën). Naast de papieren encyclopedieën
verschijnen er ook steeds meer op cd-rom.
Speciale encyclopedieën op het gebied van de literatuur met
gegevens over literaire werken, personen, stromingen en thema's zijn:
Motif-index of folk-literature (1955-1958) van
S. Thompson; Dictionnaire des
personnages littéraires et dramatiques de tous les temps et de tous les
pays (19622) van
Laffont en
Bompiani; de Franse en Duitse bewerking
van het Dizionario litterario, nl. het Dictionnaire des
oeuvres de tous les temps et de tous les pays (19624)
van
Laffont en
Bompiani, resp. Kindlers
Literatur Lexikon (1965-1972); de Moderne encyclopedie
der wereldliteratuur (1963-1977; 2e dr. 1980-1984);
Stoffe der Weltliteratur (19703);
Cassell's encyclopaedia of world literature (1973) en
Von Wilperts Lexikon der
Weltliteratur (vanaf 1975).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Laan;
LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; G.A. Zischka. Index lexicorum. Bibliographie
der lexikalischen Nachschlagewerke (1959); R.L. Collison. Encyclopedias:
their history throughout the ages (19662); J. Wels. The
circle of knowledge (1968); W. Totok, K.-H. Weimann und R. Weitzel.
Handbuch der bibliographischen Nachschlagewerke (19724); E.P.
Sheehy. Guide to reference books (19769); A.O. Kouwenhoven
(red.). Handboek bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
engagement
Term uit de literatuurkritiek voor een literatuuropvatting van
auteurs die het belang van hun teksten niet in de literaire aspecten ervan
zien, maar in een buiten de literatuur gelegen functie die doorgaans van
politieke of sociale aard is. Engagement (letterlijk: zich ergens toe
verplichten) duidt op de zelfopgelegde verplichting van de kunstenaar zich met
zijn werk in dienst te stellen van een politiek, sociaal, religieus of moreel
ideaal en zo mee te werken aan de verandering van de samenleving om dat ideaal
te verwezenlijken.
Geëngageerde literatuur komt in allerlei genres voor. Het is
buitengewoon moeilijk vast te stellen waar de grenzen liggen van wat men wel of
niet geëngageerd kan noemen. Doorgaans plaatst men geëngageerde
literatuur tegenover autonomistische literatuur (autonomiebewegingen,
l'art pour l'art).
Sötemann spreekt bij
geëngageerde poëzie van
onzuivere poëzie en stelt haar
tegenover de
zuivere poëzie. Die scheiding heeft het
voordeel dat ze gebaseerd is op objectief vaststelbare poëticale
opvattingen die door dichters zelf worden verwoord. Een probleem blijft dan
echter wel dat ook autonome literatuur vanuit een sterk engagement kan zijn
ontstaan. Dat blijkt bijv. uit een van de doelstellingen van het
modernisme: het leven te vernieuwen door de
kunst als uitgangspunt te nemen voor de esthetisering van de samenleving. Veel
modernisten waren dan ook politiek actief als socialist of communist, soms
zelfs als fascist.
Men maakt wel onderscheid tussen inhoudelijk (inhoud) en formeel (vorm) engagement,
maar vaak blijken de formele keuzen die auteurs voor hun teksten maken
inhoudelijk bepaald en omgekeerd, zodat het niet erg zinvol lijkt dit
onderscheid over te nemen.
De hierboven gegeven omschrijving van engagement maakt duidelijk
dat de term van toepassing is op tal van genres, zoals
propagandaliteratuur,
sociale literatuur,
tendensliteratuur,
didactische en
religieuze literatuur. Er is voorts een
samenhang met de term
pragmatische literatuur.
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; Th. von
Vegesack. De intellectuelen. Een geschiedenis van het literaire engagement,
1898-1968 (1989). [G.J. van Bork]
| | | | | |
enjambement, overloop of oversprong
Term uit de prosodie voor een verschijnsel dat zich op twee
terreinen afspeelt, namelijk dat van de syntaxis en dat van de versbouw. In de
(voor)leespraktijk is het verschijnsel herkenbaar aan het feit dat de lezer
zich gedwongen voelt niet of nauwelijks te pauzeren aan het eind van een regel,
maar - zonder het aanbrengen van een noemenswaardige rust - door te lezen. De
oorzaak is van syntactische aard: de afwezigheid van een zware syntactische
grens (aangegeven door punt, puntkomma, vraagteken, uitroepteken of dubbele
punt) aan het eind van de regel.
De duidelijkste gevallen van enjambement zijn die waar twee
woorden op elkaar volgen die grammaticaal zo nauw bij elkaar horen dat de lezer
ze in een adem leest (en waartussen dan ook zelfs geen komma staat), zoals bij
‘de / man’, ‘zware / wolken’ e.d. Afhankelijk van de
aard van de syntactische grens is het ene enjambement soms duidelijker dan het
andere. Men vergelijke in dit verband beide onderstaande gedichtjes, waarin men
een enjambement vindt bij de overgang van vs. 2 naar vs. 3 (‘fraai /
In’ en ‘van / Het’):
We zitten weer eens fraai
Een duif schrikt zich wild van
(
H. van Teylingen.
Voortdurend gepiep, 1974, p. 6-7).
De lezer is geneigd tussen ‘fraai / In’ iets langer te
pauzeren dan tussen ‘van / Het’.
Het enjambement heeft vaak tekstinterpretatieve gevolgen. In het
algemeen kan men zeggen dat de direct bij het enjambement betrokken woorden
nauwer met elkaar in verband worden gebracht. Dit zal te meer gelden wanneer
het enjambement in een gedicht voorkomt dat weinig enjambementen heeft.
Enjambement als stijlfiguur om de starheid van het vers (gepaard rijm) te doorbreken, wordt toegepast vanaf de
Middeleeuwen, soms ten behoeve van de voordracht gemarkeerd met een punt en/of
doorleesteken (overloopteken).
Sinds de romantiek wordt het enjambement nogal eens toegepast bij
woorden die een bewegingsnotie bevatten. Men zie bijv. vs. 3 en 4 van het
gedicht ‘Vreugd’ van
G. Gezelle:
Al dikwijls in dees droevig dal
Ontsteekt men vreugdevier,
al dikwijls maakt men groot geschal
(Verzameld dichtwerk, dl. 1, 1980, p. 111).
Sommige dichters (bijv.
Nijhoff) doen dit zo vaak dat het
effect, door de lezersgewenning, minder groot kan worden.
Enjambement kan ook een tekststructurerende functie hebben. Men
zie in dit verband de derde regel van de eerste strofe en de corresponderende
derde regel uit de laatste strofe van het gedicht ‘F.J.P. 1881’ van
Gezelle, die bewerken dat er een nauwe band ontstaat tussen beide strofen en
dat het gedicht een cyclisch karakter krijgt:
Moe en tendenuit versleten
zat en zuchtte ik, jaren lang,
om weer los, en van de keten,
vrij te gaan den vrijen gang.
Dan zult gij ook zelve eerst weten
en genieten, zoo 'k betrouw,
als gij vrij zult van de keten
zijn daar ik ben, vriend en vrouw!
(G. Gezelle. Verzameld dichtwerk, dl. 1, 1980, p.
343).
In dit laatste voorbeeld spelen trouwens ook woordbetekenis, rijm
en ritme mee om het genoemde effect te bereiken.
Het enjambement krijgt een aparte werking wanneer het, optredend
in een metrisch gedicht, samengaat met
antimetrie, zoals in de overgang van vs. 1
naar vs. 2 van het jambische gedicht ‘Na een jaar’ van
M. Nijhoff:
In deze morgen zie ik dat de nachten
Dragend geweest zijn, van extase zwaar
Ook hier spelen rijm en ritme weer mede hun rol (nácht
en / drág end).
Vergelijkbaar met dit laatste is het enjambement dat betrokken is
bij
overlooprijm:
Nu ik mijn leven overzie,
Lijkt het een droeve melo die
(M. Nijhoff. VG, 19744, p. 73).
Evenals antimetrie heeft het enjambement dikwijls geen andere
functie dan een formele, namelijk doorbreking van een patroon, met afwisseling
als gevolg. Sinds
Cats zijn goede dichters daar attent
op.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick;
Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.
Kazemier. ‘Enjambement in Middelnederlandse verzen’, in:
NTg37 (1943), p. 59-63; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van
de versregel (1962), p. 33; E. van den Berg. Middelnederlandse versbouw
en syntaxis. Ontwikkelingen in de versifikatie van verhalende poëzie ca.
1200 - ca. 1400 (1983). [G.J. Vis]
| |
enkelvoudige structuur of singulier
vertellen
Vertelwijze waarbij het verhaal is toegespitst op
één thema en geen verstrengeling van verschillende verhaaldraden
of herhaling van onderdelen optreedt, zoals bij een
samengestelde structuur wel het geval is.
Men spreekt in dit verband ook wel van een enkelvoudige
fabel-2. Als voorbeeld van een roman met een
enkelvoudige structuur wordt
Arthur van Schendels Een
Hollandsch drama (1935) genoemd.
LIT: Bergh; Drop; Gorp; Herman/Vervaeck. [G.J. van Bork]
| |
enscenering of mise-en-scène
Ontwerp voor de visuele vormgeving van het drama op het toneel met
aanwijzingen voor de decors, rekwisieten, belichting, aankleding, enz. De
enscenering is in die zin vergelijkbaar met het
scenario.
Bij uitbreiding gebruikt men de term ook voor de gehele realisatie
van de toneeltekst (inclusief de toneelaanwijzingen daarin) in de opvoering,
dus voor de voorstelling ervan in de ‘gespeelde ruimte’.
LIT: Baldick; Gorp; Metzler; MEW; Scott; M.B. Smits-Veldt en G.
Teusink. Conventies in de mise-en-scène op het toneel van Van Campen
(1637-1665) (1978). [G.J. van Bork]
| |
enthymema of ratiocinatio
Term uit de retorica voor een verkorte vorm van
syllogisme, een stelling die gebaseerd is op
een algemeen voor waar gehouden of waarschijnlijke premisse die leidt tot een
specifieke conclusie. De majorpremisse van het syllogisme ontbreekt gewoonlijk,
omdat die bekend verondersteld wordt. Een voorbeeld van een enthymema is:
‘Marleen Gorris heeft een Oscar gekregen, want haar film is bekroond bij
de Academy Awards-uitreiking in Hollywood in 1996’, waarbij ervan
uitgegaan wordt dat iedereen weet dat de prijzen in Hollywood bestaan uit
Oscars.
LIT: Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Myers/Simms; Scott; Ueding; F.
van Eemeren, R. Grootendorst, T. Kruiger. Argumentatietheorie (1986).
[W. Kuiper]
| |
entr'acte, intermezzo of tussenspel
Korte, meestal komische scène, gespeeld om het publiek
tussen de bedrijven van een groter toneelstuk te vermaken. Het tussenspel werd
vaak benut om de tijd die nodig was voor de decorwisseling op te vullen.
Oorspronkelijk werd het ook wel als onderbreking van de gangen van een maaltijd
gebruikt (tafelspel). Meestal bestond de entr'acte uit
een komisch toneelstukje, maar ze kon ook de vorm van pantomime, zangstuk,
tableaux vivants of een muziekuitvoering aannemen. Het genre kende in
West-Europa zijn grootste bloei van de 15e tot en met de 18e eeuw.
Een speciale vorm van komische tussenscènes zijn de zogenaamde
minderemanstonelen in 17e-eeuwse
schooldrama's en tragikomedies.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW: Scott; Wilpert; A.
van Gijsen. ‘De tussenspelen uit de twee “Handels der
Amo(u)reusheyt’”, in: B.A.M. Ramakers (red.). Spel in de verte.
Tekst, structuur en opvoeringspraktijk van het rederijkerstoneel (1994), p.
59-86. [G.J. van Bork]
| |
entreespel
Inleidend toneelspel waarmee de
rederijkerskamers die een rederijkersfeest
organiseren de gasten verwelkomen en het
landjuweel openen. Het entreespel kan de
vorm hebben van een begroeting op rijm, maar kan ook uitgroeien tot een
volledig en zelfstandig toneelspel. Soms worden deze spelen ook aangeduid met
de term
proloog. Zo werd in 1559 door de stad
Brussel een prijs uitgeloofd voor de beste ‘prologhe den peijs [= vrede]
aengaende’. Een voorbeeld van een entreespel is het Blyde
Inkomstspel (1614) van
Melchior van Daelhem.
LIT: J.J. Mak. De rederijkers (1944), p. 65-66. [G.J. van
Bork]
| |
entrelacement
Term uit de verteltechniek voor het verstrengelen van
verhaaldraden. Deze kroniekachtige verhaaltechniek dankt zijn bekendheid vooral
aan de toepassing ervan in de Lancelot en prose
(1220-1240), een Oudfranse
Arturroman met meer hoofdpersonen die deels
afhankelijk, deels onafhankelijk van elkaar allerlei avonturen beleven. De
entrelacement-structuur is de opvolger van de
Doppelweg-structuur.
LIT: B. Besamusca (ed.). Lanceloet. De Middelnederlandse
vertaling van de Lancelot en prose overgeleverd in de Lancelotcompilatie.
Pars 3 (vs. 10.741-16.263, 1991). [W. Kuiper]
| |
enumeratie zie
enumeratio
| |
enumeratieve bibliografie zie
systematische bibliografie
| |
enumeratio, enumeratie of opsomming
Term uit de retorica voor een opsomming van te behandelen of
behandelde punten uit een betoog. Wanneer in het
exordium of aan het eind van de
narratio, dus aan het begin van een betoog,
de punten op een rijtje gezet worden, heet dat
partitio; als de enumeratio als algemeen
overzicht om het geheugen op te frissen aan het slot van een betoog (in de
conclusio) staat, noemt men dat
recapitulatio.
In de poëtica treedt de enumeratie op als een opsomming,
hetzij in de vorm van een
asyndeton-1, hetzij van een
polysyndeton. Een enumeratie kan een
climax-1 of een
anticlimax bevatten.
Als onderdeel van de
woord- en zinsfiguren is de enumeratie
verwant aan
repetitio en
parallellisme.
Een voorbeeld van een zeer uitvoerige enumeratie (ruim 30
versregels) is te vinden in een gedicht van
Salomon van Rusting, dat als volgt
begint:
Wat is natuur? Is 't wat of niet? Of zal 't wat wesen?
Of heeft het wat geweest? is 't grousaam of kan 't vresen?
Is 't Substantivum of is 't Adjectivum? doot
Of levend? plat of ront of kantig? kleyn of groot?
Is 't dik of dun? is 't lang of kort? hoe is 't van breete?
Is 't vis of vlees? is 't kout of warrem? kan het vreten?
(
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in duizend en enige
gedichten (1986), p. 685-687.)
Een enumeratio met een eveneens komisch effect levert
Jeroen Brouwers in Mijn
Vlaamse jaren (1978), p. 210-211:
Vooral is ‘Blauw rapen’ een collage van J.
Weverberghs scheppend vernuft: waar hij uit knipt is een chaos van collages,
bestaande uit gelezenheden, onthoudenheden, verteerdheden, bewaardheden, op- en
overgeplaktheden, op kaartjes genoteerdheden, imitatieheden, onmachtheden en
gebrek-aan-talentheden, och heden, en waar hij op plakt is hetzelfde.
LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Lausberg; Leeman/Braet; Lodewick; Metzler; Myers/Simms; Ueding. [P.J.
Verkruijsse]
| |
envoi
Opdrachtstrofe aan het slot van een rederijkersgedicht, met name
de
ballade-2 en het
refrein-2, oorspronkelijk gericht aan de
prins van de
rederijkerskamer en daarom vaak beginnend
met ‘prince’ of ‘princesse’. In de Nederlanden werd het
woord ‘envoi’ niet gebruikt, maar vervangen door
prince of princesse.
Al gauw was het envoi niet meer gericht aan de prins, maar was het
een formeel kenmerk van de ballade en het refrein, waarin een variatie op het
woord ‘prince’ volstond. Het is niet erg waarschijnlijk dat Anna
Bijns (omwille van haar geslacht) ooit in een rederijkerskamer heeft
voorgedragen: zij zal zich dus niet tot de prins van die kamer gericht hebben
in haar gedichten. Evenmin zullen er veel beschermvrouwen van rederijkerskamers
zijn geweest; het gebruik van de aanspreektitel ‘princesse’ in die
zin lijkt dan ook niet erg realistisch. Het is een poëtisch spel als
Anna Bijns de vieze non in haar ballade
't Is beter geveesten dan kwalijk gevaren ('t Is al
vrouwenwerk. Refreinen van Anna Bijns, ed.
Pleij, 1987, p. 30-32) ironisch
‘prinses’ noemt.
Een voorbeeld van een envoi in de moderne literatuur is de laatste
strofe van de ‘Ballade van den merel’ van
J.W.F. Weremeus Buning, die als volgt
begint:
Zwarte prins merel op den groenen stam,
Wat weet gij dat de wereld nimmer leert,
Tenzij dat uit uw keel de nieuwe vlam
Iederen dag een nieuwe wereld eert?
(Verzamelde gedichten, 19483, p. 190).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; LdMA; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [H.
Struik]
| |
epanadiplosis zie
anadiplosis
| | | |
epanalepsis of epizeuxis
Vorm van herhaling (repetitio) bestaande
uit een verdubbeling van een woordgroep aan het begin of aan het eind van een
zin of regel, veelal bedoeld om een bijzonder, verhoogd gevoelsmatig effect te
bereiken, bijv. ‘De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining’
(
W. Kloos, in: De Nieuwe Gids,
1888, I, p. 88); ‘Je was zoo goed voor mij, lieve, zoo goed’ (M.
Nijhoff. VG, 19744, p. 39). De epanalepsis kan de vorm hebben
van een
anadiplosis. Meestal wordt de epanalepsis
onderscheiden van de
iteratio, die slechts de herhaling van een
enkel woord te zien geeft.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
epanodos
Term uit de stijlleer waarmee een bepaalde vorm van herhaling
(repetitio) wordt aangeduid. Een woord of woordgroep
wordt herhaald binnen een regel zodanig dat het herhaalde voorkomt aan het
begin en in het midden, of in het midden en aan het eind, bijv.
De doden zijn melancholiek,
Eenzaam, eenzaam. - Hun hart is ziek
(M. Nijhoff, VG, 19744, p. 78).
Ik had hem lief - en sloeg en sloeg en sloeg
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler;
Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
epanopthosis
Stijlfiguur waarbij de auteur zichzelf onderbreekt om een gedane
uitspraak te becommentariëren, zoals in:
(
H. van Teylingen.
Voortdurend gepiep, 1974, p. 11).
De tussen haakjes geplaatste regel in het volgende citaat kan men
ook als een vorm van epanopthosis beschouwen:
Een oude schipper staart voor zich uit
Met een hartverscheurend ‘Oef...’
Hij gaat langzaam te gronde in zijn kajuit
(Of, zoals hij het noemt, de roef).
(G. Staad. Grink, 1979, p. 21).
LIT: Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Scott. [G.J. Vis]
| |
epanorthosis zie
correctio
| |
epenthesis
Invoeging van een klinker in een woord omwille van het ritme,
bijv.
Het Hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten
Erbarr emt over my, en mijn benaeuwde vesten
(
J. van den Vondel. VW, WB-ed.,
dl. 3, 1929, p. 530).
waar ‘erbarremt’ staat in plaats van
‘erbarmt’ om aldus de eerste syllabe van de tweede versvoet (~ -)
ingevuld te krijgen. Het tegenovergestelde gebeurt bij de
syncope (elisie
binnen een woord).
LIT: Buddingh; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; Preminger; G.E.
Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802). [G.J.
Vis]
| | | |
epideiktische literatuur
Term uit de retorica voor een vorm van literatuur die verband
houdt met één van de drie door Aristoteles onderscheiden
genera causarum, namelijk het
genus demonstrativum, dat voortgekomen is
uit publieke ceremonies en rituelen waarin het de belangrijkste taak was goden
of mensen te prijzen. Weldra vielen hier ook andere vormen van de
lofrede onder, zoals
‘felicitatieteksten’ en funeraire redes. Teksten van dit type waren
- in tegenstelling bijv. tot de juridische en politieke rede - primair en vaak
uitsluitend afgestemd op de sierlijke vorm van zeggen (ornatus) waarbij het publiek alleen toehoorder was en geen
oordelaar.
De later als epideiktisch aangeduide literatuur is een afgeleide
van dit genre en werd gekenmerkt door gerichtheid op vermaak. Dit aspect kwam
uitstekend van pas bij gelegenheidsliteratuur (gelegenheidspoëzie), zoals het
lofdicht, het de
satire, het
epithalamium, de zegezang, het
lijkdicht en andere vormen van dit type
gebruikskunst.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; HWR; Lausberg; Metzler;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
epiek
Genreaanduiding voor één van
de drie traditioneel als hoofdindeling gehanteerde klassen van literaire
vormen: epiek,
lyriek en
dramatiek. Elk van deze genrebegrippen wordt
doorgaans gezien als grondhouding (‘Naturform’ bij
Goethe) van de verhouding tussen subject
en object. In die relatie is dramatiek de meest neutrale en objectieve, omdat
de verteller daarin het meest is teruggetreden, terwijl lyriek de meest
subjectieve vorm zou zijn. Epiek is dan de middelste of gemengde vorm, de meest
narratieve, waarin nu eens de auteur en dan weer de personages aan het woord
zijn. Deze opvatting werd uitgewerkt door
E. Staiger, die als grondbegrippen het
lyrische, het epische en het dramatische in ontologische zin onderscheidde en
die grondvormen in alle genres aanwees.
In de loop van de 20e eeuw is op deze benadering kritiek
uitgeoefend. Tegenwoordig neigt men ertoe epiek op te vatten als een door
conventies of literatuuropvattingen bepaald indelingscriterium. Het ligt voor
de hand om het
verhaal, de
novelle en de
roman om deze redenen tot de epiek te
rekenen, evenals het
epos en de (vers)vertelling.
Volgens die conventies spreekt men eveneens over middeleeuwse
epiek, een verhalend genre waarin belangrijke gebeurtenissen en heroïsche
daden van belangrijke historische personages zijn vastgelegd. Daartoe worden
onder meer de Oudnoorse
saga, het Middellatijnse
carmen, het Oudfranse
chanson de geste en de Hoogduitse
heldenliederen gerekend. De Middelnederlandse epiek wordt doorgaans
onderscheiden in Karelepiek (Karelroman) en Arturepiek
(Arturroman). Daarnaast onderscheidt men wel de zgn.
kruisvaardersepiek (kruisvaartroman) en de
geestelijke epiek. De geestelijke epiek
bestaat eigenlijk niet uit epische teksten in de strikte zin des woords, maar
uit werken die als alle middeleeuwse epische teksten in paarsgewijs rijmende
versregels geschreven zijn: bij epiek denken wij al gauw aan fictie, terwijl
heiligenlevens (hagiografie) zoals de Sint
Servaeslegende (ed.
Van Es, 19762) voor het
middeleeuwse publiek geen fictie maar feit waren. Eigenlijk bevinden zij zich
daarom in het grensgebied tussen epiek en didactiek (didactische literatuur). Ook de
Alexanderroman en de
Oosterse roman rekent men tot de
Middelnederlandse epiek, maar de termen ‘Alexanderepiek’ en
‘Oosterse epiek’ worden nooit gebruikt.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Scott; Shipley; Wilpert; G. Stuiveling. ‘Hardop denken over het
genrebegrip’, in: Handelingen van het 26e Filologencongres (1960),
p. 66-77; S. Dresden. ‘Het begrip genre’, in: Handelingen van
het 26e Filologencongres (1960), p. 77-85; E. Staiger. Grundbegriffe der
Poetik (1971); K.H. Hempfer. Gattungstheorie (1973); C.M. Bowra.
Heroic Poetry (19782); V. Mertens en U. Müller (red.).
Epische Stoffe des Mittelalters (1984); K. Beekman. ‘Omgang met
genres’, in: K. Beekman en F. de Rover (red.). Literatuur bij
benadering (1987), p. 118-137; W.P. Gerritsen & A.G. van Melle (red.).
Van Aiol tot Zwaanridder. Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun
voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst (1993). [G.J. van
Bork/H. Struik]
| |
epifonema
Term uit de retorica voor een uitroep (exclamatio) in de vorm van een
sententia die een lang betoog afsluit of
samenvat, bijv.
Adriaen van de Vennes' leerdicht over de
emblematiek, de ‘Zeeusche mey-clacht ofte schyn-kycker’, opgenomen
in de Zeeusche Nachtegael (1623; ed.
Meertens/
Verkruijsse, 1982, p. 99), waar hij zijn
betoog over het samengaan van poëzie en schilderkunst als volgt
afsluit:
Waerom wert Sinne-cunst, sou yder mogen vragen,
Iuyst boven ander cunst soo hooghe voor-gedragen?
Ick seg om dat den geest daer sonderling in speelt;
Men vint geen dergelijck, soo sin-rijck meegedeelt.
LIT: Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Marouzeau; Myers/Simms; Ueding.
[P.J. Verkruijsse]
| |
epifonesis zie
exclamatio
| |
epifoor, epifora of epistrofe
Term uit de retorica en de stijlleer voor de herhaling (repetitio) van één of meer woorden aan het eind
van twee of meer opeenvolgende zinnen of zinsdelen. Als zodanig is de epifoor
de ruimtelijke tegenvoeter van de
anafora.
Een - niet geheel zuiver - geval van een epifoor zijn de
vijf keuzemogelijkheden (die echter pas leuk zijn als er niet gekozen wordt)
die
Dirk Schelte plaatst aan het eind van
zijn gedicht ‘Saar had 'er geen weezen van’:
'k Riep Juffrouw Saar, waar binje,
'k Heb tyding uit Oostinje;
Ja 'k heb het al gehoord,
Myn man is daar vermoord,
Zy Saar, 't zal my niet rouwen,
Nu kan ik haast weer trouwen,
Myn droefheid is niet groot:
1. Die heeft'er my geweezen van, [= De dood heeft'er my
afgeweezen]
2. Ik wou'er tog wel wezen van, [= Ik wou'er gaaren af zyn]
3. Ik heb'er geen meer weezen van, [= Zyn gedaante staat my niet
meer voor]
4. Al heb ik'er nog weezen van, [= Schoon dat ik Kinderen, of
weezen overhouw]
5. Ik heb'er tog geen weezen van. [= 'k Heb'er evenwel geen
quelling om]
(
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten
(1986), p. 575-576).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Metzler; Morier; Preminger; Scott;
Ueding; Wilpert. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| | | |
epifrase
Stijlfiguur waarbij aan het eind van een schijnbaar syntactisch
afgeronde zin of woordgroep nog één of meer onderdelen worden
toegevoegd. De toevoeging kan een beklemtoning inhouden of een zelfcorrectie
(correctio), of functioneren als een
amplificatio of als een
climax-1,
anti-climax of
antithese.
Een voorbeeld van epifrase is het slot van
C. Huygens' gedicht ‘Gebed over
des Heeren Avond-mael’, in: De Nederlandse poëzie van de
17de en 18e eeuw (ed.
Komrij, 1986, p. 234):
Neen, neen, verworpen steen,
ghij zijt er van gewroken;
Maeckt maer mijn' steen tot vleesch,
en maer mijn vleesch tot steen.
LIT: Best; Dupriez-1; Gorp; HWR; Morier; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
epigoon
Term uit de literaire kritiek voor een schrijver die geen
originaliteit vertoont in zijn werk, maar het werk van anderen (slaafs)
navolgt. Hoewel een dergelijk schrijver tot een grote vormbeheersing kan komen,
ontbreekt hem eigen vinding.
In de praktijk is het bijzonder moeilijk vast te stellen wat
precies epigonisme is, omdat er in elke stroming een zekere overeenkomst in het
werk van een aantal auteurs valt waar te nemen. Bovendien is de eis van
originaliteit niet in elke literaire periode even sterk gesteld, maar vooral
vanaf de romantiek steeds nadrukkelijker geformuleerd. Vaak wordt de term
epigoon dan ook gebruikt om er een kwaliteitscriterium mee uit te drukken in de
zin van: ‘tweederangs auteur die schrijft vanuit dezelfde poëticale
opvattingen als eersterangs auteur X’. In die zin kan men bijv.
Hein Boeken zien als een epigoon van
Kloos en
Verwey. Vooral in de tijd van
Forum en bij de naoorlogse aanhangers van de ideeën van
Ter Braak en
Du Perron werd de term in deze
pejoratieve zin veel gebruikt.
In de renaissance, waarin navolging eerder regel dan uitzondering
was, zit het epigonisme in de verkeerde manier van
imitatio. De slaafse imitatie vormde de
beginfase in het leerproces; als een gevorderde auteur desondanks deze vorm van
navolging gebruikte, kon hij tot de epigonen gerekend worden.
Erasmus betitelde de slaafse navolgers
van
Cicero als ‘simii’ (apen);
de verkeerde navolgers van
Lipsius werden aangeduid als
‘Lipsiomimi’.
LIT: Baldick; Best; Gorp; Krywalski; Laan; Metzler; Wilpert. [G.J.
van Bork]
| |
epigraaf of inscriptie
Term uit de schriftgeschiedenis voor een inscriptie met een scherp
voorwerp in hard materiaal zoals rots (petroglief),
steen, klei, hout of metaal. Voor inscripties op gebouwen of monumenten is de
term epigram-2 in gebruik (opschrift), waarvan de
betekenis zich tot
puntdicht heeft ontwikkeld. De epigrafie of
epigrafiek is de wetenschap die epigrafen bestudeert.
LIT: Baldick; Hiller; Metzler; MEW; I.J. Gelb. A study of
writing (19622), p. 22-59. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
epiloog
Grieks voor ‘nawoord’ en tegenvoeter van de
proloog. De epiloog is meer (na)beschouwend
van karakter dan concluderend en praktisch identiek aan de
conclusio. Deze laatste benaming is echter
in de poëticale terminologie veel gebruikelijker. Het Middelnederlands
kent het woord ‘epiloog’ niet, maar gebruikt in plaats daarvan
‘naprologhe’.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Laan;
Lausberg; LdMA; Leeman/Braet; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince;
Scott; Shipley; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
epimythium
De moraal van een
fabel-1 of een
exempel, expliciet aan het slot verwoord,
bijv. in Esopet nr. 19:
Bi deser favelen wi verstaen:
Die in peelgrimagien gaen,
Ende haer sonden met hem draghen,
Hets om niet dat si jaghen.
(ed.
Stuiveling, dl. 2, 1965, p. 24, vs.
13-16)
Wordt de ‘lering’ aan het begin van de tekst gegeven,
dan spreekt men van een
promythium.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Shipley; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
epinicium
Lofdicht op winnaars van de spelen in het
oude Griekenland. Anders dan bij hedendaagse epinicia als
‘Ajax wint de wereldcup’ bestond het klassieke epinicium van bijv.
Pindarus uit een aantal triaden van
strofe,
antistrofe-2 en
epode-2.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; HWR; MEW; Preminger; Scott; Wilpert.
[P.J. Verkruijsse]
| |
episch drama
Drama waarin de menselijke lotgevallen op een bovenindividuele
wijze worden voorgesteld. Het kent dan ook geen specifieke held, maar
introduceert een algemeen menselijke trek, belichaamd door een personage of een
soort beschouwer van het menselijk handelen. Het episch drama wordt vaak
gesteld tegenover het
klassieke drama met zijn vaste indeling in
bedrijven en zijn
Aristotelische eenheden. Het episch drama is
daarentegen doorgaans opgebouwd uit een aaneenrijging van afzonderlijke
scènes, soms zelfs zonder causale samenhang. Het is
anti-illusionistisch, d.w.z. de illusie die het klassieke of romantische drama
oproept, wordt doelbewust doorbroken door
vervreemdingseffecten, zoals spreekkoren, of
doorbreking van de
vierde-wandfictie. De toeschouwer mag nl.
niet in de handeling opgaan bijv. door medeleven met één der
personages, omdat dat zou verhinderen dat hij voldoende afstand houdt om de
gepresenteerde situatie objectief te beoordelen. Het episch drama is overwegend
didactisch of geëngageerd.
De meest duidelijke representant van deze toneelvorm is
Bertolt Brecht, die ook veel over dit
onderwerp heeft getheoretiseerd. Het episch toneel was echter niet nieuw. De
Middeleeuwen kenden deze vorm van toneel al, met name in subgenres als het
spel van zinne en de
moraliteit, die een duidelijk
bovenpersoonlijk karakter hebben. In Den Spyeghel der salicheyt van
Elckerlijc (15e eeuw) wordt dit bovenpersoonlijke duidelijk uit
personages als Die Dood, Gheselscap, Maghe, tGoet en uiteraard Elckerlijc zelf.
Men zou zich zelfs kunnen afvragen of het Senecaans-Scaligeriaans
renaissancedrama met zijn veelheid en verscheidenheid geen epische trekken
vertoont, bijv.
Hoofts Warenar. In
het moderne Nederlandse toneelrepertoire heeft
H. Mulisch'
Tanchelijn (1960) trekken van het episch drama.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Knuvelder, dl. 1
(1970), p. 287-291; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; M. Kesting. Das epische
Theater (19673). [G.J. van Bork]
| |
epische concentratie of epische verdichting
Het toeschrijven van daden en gebeurtenissen aan één
persoon die in feite door anderen verricht c.q. aan anderen overkomen zijn. In
de middeleeuwse literatuur kwam met name rond de persoon van
Karel de Grote epische concentratie voor
in het 12e- en 13e-eeuwse
chanson de geste. De oorzaak hiervan zat hem
niet alleen in de historisch dominante positie die Karel de Grote in zijn tijd
innam, maar ook in het feit dat hij onbewust en ongewild door latere generaties
verward werd met zijn gelijknamige voorgangers of opvolgers
Karel Martel,
Karel de Kale,
Karel de Dikke en
Karel de Simpele, zoals
Jacob van Maerlant hoofdschuddend
meedeelt in Spiegel historiael IV1, 1, vs.
58-76.
Daarnaast bestaat er een vorm van epische concentratie die mensen
die in dezelfde tijd geleefd hebben - maar elkaar niet of nauwelijks gekend
hebben - met elkaar in (nauw) contact brengt, bijv.
Alexander de Grote en
Aristoteles, of
Vondel,
Hooft en
Bredero in de 19e-eeuwse visie op de
Muiderkring.
LIT: Gorp; Herman/Vervaeck; E. van den Berg en B. Besamusca
(red.). De epische wereld. Middelnederlandse Karelromans in wisselend
perspectief (1992), p. 12-13; H. van Dijk. ‘Karel de Grote’,
in: W.P. Gerritsen en A.G. van Melle (red.). Van Aiol tot de Zwaanridder
(1993), p. 186-196. [W. Kuiper]
| |
epische cyclus
Complex van oorspronkelijk zelfstandige epische verhalen (epiek)
die op grond van hun overeenkomstige inhoud bij elkaar gebracht zijn. Een
epische cyclus kan als volgt zijn ontstaan: ofwel bestaande teksten werden
geleidelijk uitgebreid met voorgeschiedenissen en vervolgen, ofwel bestaande
teksten werden gegroepeerd tot min of meer samenhangende complexen, waarin de
afzonderlijke delen (de
branches) nog herkenbaar zijn. Vervolgens
was een combinatie van beide processen ook mogelijk.
De belangrijkste epische cyclus uit de Arturepiek (Arturroman) is de Lancelot en prose, die
op zijn beurt weer deel uitmaakt van een veel uitgebreidere romancyclus,
waarvan de kern naast de Lancelot en prose bestaat uit La
Queste del Saint Graal en La Mort le roi
Artu. In zijn meest uitgebreide vorm wordt deze cyclus de
Vulgaatcyclus genoemd; het verhaal beslaat dan een periode van meer dan vijf
eeuwen: van de kruisiging van Christus tot en met de dood van koning Artur en
Lancelot. De kern van de Vulgaatcyclus is in het Middelnederlands overgeleverd
in de Lancelotcompilatie, waarin bovendien nog een aantal episodische
Arturromans is opgenomen.
In de Karelepiek (chanson de geste,
Karelroman) onderscheidt men drie cycli.
Deze zijn verdeeld naar de familie waarvan de hoofdpersoon deel uitmaakt: de
‘Geste du roi’, waarin
Karel de Grote zelf hoofdpersoon is
(zoals Karel ende Elegast en het
Roelantslied); de ‘Geste de Doon de Mayence’
of de ‘Cycle des barons révoltés’ (bijv.
Renout van Montalbaen); de ‘Geste de Garin de
Monglane’ of de ‘Cycle de Guillaume d'Orange’ (bijv.
Willem van Oringenen Gheraert van
Viane).
Ook bij de
kruisvaartromans onderscheidt men twee
cycli: ‘Le Premier Cycle de la Croissade’ en ‘Le
Deuxième Cycle de la Croissade’, waarbij de laatste eigenlijk een
‘moderne’ constructie is die geen basis heeft in de middeleeuwse
werkelijkheid.
LIT: B. Besamusca & F. Brandsma (red.). De ongevalliche
Lanceloet. Studies over de Lancelotcompilatie (1992), p. 9-19; E. van den
Berg & B. Besamusca (red.). De epische wereld. Middelnederlandse
Karelromans in wisselend perspectief (1992), p. 13-16; G.H.M. Claassens.
De Middelnederlandse kruisvaartromans (1993), p. 25-104; H. van Dijk.
‘Karel de Grote’, in: W.P. Gerritsen en A.G. van Melle (red.).
Van Aiol tot de Zwaanridder (1993), p. 186-196. [W. Kuiper]
| |
epische verdichting zie
epische concentratie
| |
episode-1
Oorspronkelijk een handeling met dialoog die tussen de koren
(koor) was geplaatst in het Griekse drama. Bij
uitbreiding toegepast op elke afgeronde gebeurtenis die verteld wordt binnen
een uitvoeriger geheel en daarmee slechts in een los verband staat, zoals bijv.
de
digressie of uitweiding.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Laan; Metzler;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
episode-2
Onderdeel van een verhaal dat in afleveringen verschijnt, zoals we
dat bijv. kennen van de vele televisiefeuilletons. Voor gedrukte teksten geeft
men meestal de voorkeur aan de term ‘aflevering’.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Prince; Scott; Shipley. [G.J. van
Bork]
| |
epistel
Letterlijk
brief, meestal gebruikt voor de zendbrieven
van de apostelen Paulus, Jacobus, Petrus, Johannes en Judas, zoals die in het
Nieuwe Testament bewaard zijn gebleven. In het hedendaags Nederlands wordt
‘epistel’ meestal schertsend of ironisch gebruikt voor een (te)
dikke, plechtstatige brief.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Fowler; LdMA; Metzler; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.C. Zieleman. Middelnederlandse
epistel- en evangeliepreken (1978). [W. Kuiper]
| |
epistolaire roman zie
briefroman
| |
epistolarium
Middeleeuwse
bloemlezing uit de brieven (epistel) van het Nieuwe Testament. Een Middelnederlandse
representant is het ‘epistolarium van Leningrad’ (ed.
De Bruin, 1974).
LIT: BDI; Best; Hiller; Metzler; Wilpert; C.C. de Bruin.
Middelnederlandse vertalingen van het nieuwe testament (1934); J.
Biemans. Middelnederlandse bijbelhandschriften (1984). [W. Kuiper]
| | | |
epitaaf zie
grafschrift en lijkrede
| |
epitaphium zie
grafschrift en lijkrede
| |
epitasis
Term uit de retorica voor het gehele middendeel van het
klassieke drama tussen
expositie of protasis en
catastrofe. In de epitasis vindt de opbouw
van de handeling (plot) plaats via
intrige-2 naar
climax-2.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lausberg; Metzler;
Myers/Simms; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
epithalamium, bruiloftslied of hymenaeus
Gelegenheidsgedicht bij een huwelijk. In de Oudheid werd nog
onderscheid gemaakt tussen het
lied dat gezongen werd voor de deur van het
bruidsvertrek (epithalamium) en het lied dat gezongen werd bij het begeleiden
van de bruid naar het huis van de bruidegom (hymenaeus), maar dat verschil
vervaagde al snel. Vooral in de renaissance en de verlichting was het
epithalamium een populair genre met als vaste thema's: de lof van bruid en
bruidegom, waarbij zo mogelijk woordspelingen op de namen van beiden uitgebuit
worden; het verlangen van de bruidegom naar de bruid, die eerst weigert maar
uiteindelijk toegeeft; de wens dat er zeer spoedig kinderen mogen komen. De
talrijke onverbloemde sexuele toespelingen die het bruiloftslied van de
renaissance kenmerken, worden in de 18e eeuw steeds bedekter, waarna het genre
uiteindelijk doodbloedt.
Vrijwel iedere auteur uit de aangegeven perioden heeft epithalamia
vervaardigd.
Jan van der Noot opent de rij in 1583
met zijn Epitalameon, oft houwelycx sanck, (ed.
Smit en
Hellinga, 1953).
J.B. Wellekens bracht in 1729 een gehele
bundel Bruiloftdichten bijeen. Tal van bruiloftsliederen
staan beschreven in
J. Bouman, Nederlandse
gelegenheidsgedichten voor 1700 (1982), bijv. de strofe uit de
‘Zang ter bruyloft van Heer Constantyn Huigens en Joffrouw Susanne van
Baerle’ door
P.C. Hooft:
Hunn' Mingod is de Zon. Wen die haer komt verwarmen,
Ontsluyt zy zich van drooght', en als met open' armen,
Den hóógen hemel lokt, dat hy haer' lust
verzaê.
Dès hy bewogen tot het weelderige boelen,
Komt, daelend' in haer' schoot, die vruchtbaerlijk bespoelen
Met regen; en zich quijt als mannelijke gaê.
(P.C. Hooft. Gedichten, ed. Leendertz/Stoett, dl. 1,
1899, p. 259).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; M.A.
Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Bruilofts- en liefdeslyriek in de 18e eeuw:
de rol van de literaire conventies’, in: NTg 67 (1974), p.
449-461; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Christus, Hymenaeus of de
teelzucht’, in: Visies op Vondel na 300 jaar (1979), p. 11-25; P.
Lammens-Pikhaus. ‘Vondels Bruyloftbed’, in: Visies op Vondel na
300 jaar (1979), p. 72-87; J. Bouman. ‘Inleiding’, in: id.
Nederlandse gelegenheidsgedichten voor 1700 (1982), p. XIII-XVI. [P.J.
Verkruijsse]
| |
epitheton
Aanduiding voor een versierend of karakteriserend adjectief dat
bij een substantief, veelal een eigennaam, wordt gevoegd. Men maakt onderscheid
tussen epitheton ornans en individualiserend epitheton.
Het epitheton ornans wordt ook wel vast of eigenschapsepitheton
genoemd. In de Klassieke Oudheid draagt de godin Athene het epitheton ornans
‘Parthenos’ (maagd); de dageraad heet bij
Homerus altijd
‘rozenvingerig’. In de Middelnederlandse letterkunde heet de vos
Reinaert ‘die felle metten roden baerde’, de ridder Walewein
‘der avonturen vader’. In de huidige omgangstaal komt het voor in
verbindingen als ‘blauwe lucht’, ‘het edele ros’,
waarbij (‘epithète de nature’) het soms een pleonastisch
(pleonasme) karakter heeft. P. van Ostaijen spreekt van
‘witte sneeuw’ (VW, Poëzie dl. 1, p. 22).
Het individualiserend epitheton, ook wel wisselend, zeldzaam of
toevalligheidsepitheton genoemd, komt - vergeleken met het epitheton ornans -
vaker voor in de Nederlandse letterkunde. Vooral in de tijd van Tachtig hadden
veel schrijvers onder invloed van het impressionisme voorkeur voor het
individualiserend karakteriseren van objecten.
Kloos schrijft:
Ik droomde van een kalmen, blauwen nacht.
De matte maan lag laag in mistig glimmen
(De nieuwe gids, 1888, I, p. 138).
Sommige gevallen kunnen verschuiven van de ene naar de andere
categorie, zoals men kan zien aan het epitheton ‘kantieke
schoolmeester’, dat van individualiserend versierend is geworden (
L.P. Boon. De
Kapellekensbaan, 1953).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Marouzeau; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
epitome
Uit de Middeleeuwen daterende verzamelnaam voor samenvattingen en
uittreksels van omvangrijke Latijnse teksten voor onderwijsdoeleinden, tot op
grote hoogte synoniem met
breviarium en
digesta. Een voorbeeld vormt de
Adagiorum epitome (1544), een uittrekselverzameling van
Erasmus' Adagia.
LIT: Best; Brongers; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
epizeuxis zie
epanalepsis
| |
epode-1
Term uit de versleer voor een korte jambische (jambe) versregel, gewoonlijk een
dimeter, volgend op een langere regel,
gewoonlijk een (jambische)
trimeter. De term epode wordt vervolgens ook
gebruikt voor een gehele strofe of een geheel gedicht in jambische maat.
Horatius heeft tal van epoden gedicht,
die hij zelf de naam Iambi gaf.
Een voorbeeld van een epode is het gedicht ‘Gedachten’
(1692) van
J. Pluimer (in:
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten,
1986, p. 661), waarin een jambische viervoet gevolgd wordt door een korte regel
van twee jamben:
Indien de tyd geen droefheid sleet,
Maar wyl de tyd de droefheid slyt
En tyd en droefheid 't gaat al heen,
Als 't eind maar vrolyk weezen zal,
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
epode-2 of toezang
Benaming uit de Griekse klassieke literatuur voor de slotstrofe in
een driedelige
ode of
hymne, na
strofe en
antistrofe-1, in een van die twee afwijkend
metrum.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
eponiem
Oorspronkelijk de naam van een historische figuur waarvan gebruik
gemaakt wordt ter aanduiding van een bepaalde historische periode, bijv. de
Victoriaanse tijd in Engeland.
In de literatuur wordt de term gebruikt om aan te geven dat de
naam van één van de hoofdpersonen uit een literair werk gebruikt
wordt voor de titel ervan, zoals het geval is met Hamlet,
Gijsbrecht van Aemstel of Max
Havelaar.
In het algemeen verstaat men onder een eponiem een woord dat is
afgeleid van een persoonsnaam. Zo heeft bijv. de Duitse uitvinder
Lumbeck zijn naam gegeven aan het
lumbecken.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Morier; Myers/Simms; Scott;
E. Sanders. Eponiemen woordenboek (19914); W. Daniëls en
K. de Wit. Hortsik! Eponiemen in de Nederlandse en Vlaamse dialecten
(1998). [G.J. van Bork]
| |
epos of heldendicht
Vorm van
heroïsche poëzie waarin op
verheven wijze uitvoerig de (krijgs)daden van goden of helden bezongen worden.
Aan de schriftelijke overlevering van epen gaat bij de meeste volkeren
waarschijnlijk een lange orale traditie in de vorm van
sagen en
liederen vooraf.
Naar het voorbeeld van de beroemdste epen uit de Oudheid, de aan
Homerustoegeschreven
Ilias en Odyssee en
Vergilius' Aeneis,
worden in de periode van renaissance en classicisme tal van heldendichten
geschreven: Orlando furioso van
Ariosto, Gerusalemme
liberata van
Tasso,
Miltons Paradise
loste.a.
In navolging van
Bowra en
Bomhoff maakt
W.A.P. Smit onderscheid tussen
heldenepos en epos of heldendicht: de eerste
term duidt dan op een epos ‘met een heroïsch onderwerp uit de
heroën-tijd’; met de tweede term kunnen de ‘literaire
heldendichten uit latere cultuur-fasen’ benoemd worden.
Als auteurs van Nederlandse bijbelse epen kunnen gelden
J. van den Vondel (Joannes de
Boetgezant, 1662),
Joan de Haes (Judas de
Verrader, 1714; Jonas de Boetgezant, 1723),
Arnold Hoogvliet (Abraham de
Aartsvader, 1728) en
Willem Bilderdijk (De ondergang
der eerste wareld, 1820). Niet-bijbelse epen zijn van de hand van
Lambert vanden Bos
(Batavias, 1648),
Lukas Rotgans (Wilhem de
Derde, 1698-1700),
Willem van Haren (Gevallen van
Friso, 1741) en
Onno Zwier van Haren (Aan het
vaderland, 1769; De Geusen, 1771-1776). Het
genre is geparodieerd door
W.G. van Focquenbroch in zijn komisch
heldendicht Typhon (1665). Nederlandse vertalingen van
klassieke heldenepen dateren reeds uit de tweede helft van de 16e eeuw:
C. van Ghistele,
D.V. Coornhert en
K. van Mander.
LIT: Abrams; Baldick; BDI; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp;
Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; G.J. Vis.
Johannes Kinker en zijn literaire theorie (1967), p. 161-215; C.M.
Bowra. Heroic poetry (1974); W.A.P. Smit. Kalliope in de Nederlanden;
het renaissancistisch-klassicistische epos van 1550 tot 1850 (1975-1983);
M. Spies. ‘Het epos in de 17e eeuw in Nederland: een literatuurhistorisch
probleem’, in: Spektator 7 (1977-1978), p. 379-411, 562-594; N.
Voorwinden. ‘Het Germaanse heldenepos’ in: M. Schipper (ed.).
Onsterfelijke roem. Het epos in verschillende culturen (1989), p. 62-80.
[P.J. Verkruijsse]
| |
epyllion
Klein
epos dat geschreven is in
hexameters en dat inhoudelijk vergelijkbaar
is met de
elegie. Vaak kent het genre een
mythologische
digressie, maar soms ook een erotische
uitweiding.
De oorsprong van het genre ligt in de Alexandrische en Romeinse
tijd. Het model van
Kallimachos' Hekale werd vrijwel
overal nagevolgd. Het verschil met latere versvertellingen, zoals die in de 19e
eeuw geschreven werden, is soms moeilijk aan te geven.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
equivalentie
Term uit de literatuurwetenschap, bekend geworden door
R. Jakobson, ter aanduiding van
correspondenties binnen een tekst. In de praktijk zijn deze altijd te herleiden
tot vormen van herhaling, zoals
parallellisme,
repetitio,
chiasme. Ze kunnen ook liggen op het niveau
van de klank (metrum,
rijm) of van de strofebouw (bijv.
kwatrijnherhaling in het octaaf van het sextet e.d.). Soms wordt voor
equivalentie ook de term
parallellie gebruikt.
LIT: Boven/Dorleijn; Cuddon; Scott; J. van Luxemburg e.a.
Inleiding in de literatuurwetenschap (19833), p. 25-27; R.
Jakobson. ‘Luinguistics and poetica’, in: Th. A. Sebeok. Style
in language (1960). [G.J. Vis]
| |
equivoque
Woordspeling, vaak toegepast in de pointe
van een epigram (puntdicht), waarin een woord of zin
twee verschillende betekenissen heeft (homoniem) en
beide betekenissen binnen de context relevant blijken te zijn, bijv. een
kalende man die bij de echtscheiding uitroept: ‘Hoe kan ik leven zonder
haar?’.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Morier;
Myers/Simms; Scott; Shipley. [G.J. van Bork]
| |
ererede
Kort 14e/15e-eeuws gedicht, enkele honderden versregels lang,
waarin het deugdzame en dadenrijke leven van een (meestal overleden) ridder
beschreven wordt. Aan het slot van de tekst wordt het heraldiek wapen van de
persoon in kwestie beschreven. Een bekend auteur van ereredes is
Heraut Gelre (ca. 1345-1414), van wiens
hand twaalf ereredes in het Wapenboek Gelre bewaard
bleven.
LIT: Metzler; W. van Anrooij. Spiegel van ridderschap. Heraut
Gelre en zijn ereredes (1990). [W. Kuiper]
| |
ergocentrisch, tekstimmanent of werkimmanent
Term uit de sfeer van de
autonomiebewegingen voor het streven van
criticus en tekstonderzoeker om zich bezig te houden met het afzonderlijke
literaire werk of de interpretatie daarvan (‘het werk centraa’)
zonder aandacht voor de drie andere instanties (van
M.H. Abrams): auteur, wereld en lezer.
Niet alle vertegenwoordigers van autonomiebewegingen waren even streng (autotelisch) in de leer. Zo gaan de representanten van het
structuralisme en het
Russisch formalisme als
Sjklowsky en de jonge
Tynjanof verder in hun afwijzing van
buitentekstuele bemoeienissen dan
I.A. Richards, de grondlegger van de
New Criticism. Een belangrijke
analysemethode binnen dit kader toegepast is die van de
close reading.
LIT: Gorp; M.H. Abrams. The mirror and the lamp (1958), p.
26-29; F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 30; J. van
Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19833),
p. 47, 66; J.J. Oversteegen. Anastasio of de schaal van Richter (1985),
p. 11-32. [G.J. Vis]
| | | |
erotische literatuur
Aanduiding voor die vorm van literatuur waarin de lichamelijke
liefde centraal staat. Over het algemeen heeft men - vgl.
Hoofts ‘eros’ tegenover
‘anteros’ - de erotische liefdesliteratuur onderscheiden van de
niet-erotische (zoals die welke men kan aantreffen in
religieuze poëzie, in teksten van
mystici e.a.), wat overigens discussie en verschillen van mening niet uitsluit
(bijv. over de erotiek bij
Hadewych).
De genres waarin erotiek aan bod komt, zijn talrijk. Vanaf de
Middeleeuwen vindt men deze stof in allegorische gedichten (bijv. het eerste
Gruuthuse-gedicht, 14e eeuw, en de Roman van de roos, ca.
1300), in boerden en in diverse dramateksten (bijv. kluchten), in minneliederen
(
Heinric van Veldeke,
Bredero,
Hooft), in
anacreontische poëzie (
Luyken,
Poot,
Bellamy), in ‘poëtisch
proza’ (
L.P. Boons
Zomerdagdroom, 1973) en uiteraard in allerlei vormen van
narratief proza (
Jan Wolkers,
Jan Cremer,
Heere Heeresma e.a.). Op grond van
criteria ontleend aan etiquette, moraal, religie e.a. is erotische literatuur
dikwijls onderwerp van discussie geweest en is menig schrijver die er zich mee
bezighield bestreden en veroordeeld. Zo zijn sommige naturalistische (naturalisme) romans door de destijds oudere generatie als
‘onzedelijke literatuur’ verworpen (vgl. de eerste druk van
Een liefde (1887) van
Lodewijk Van Deyssel met de gekuiste
tweede druk (1899) ervan). Het is vaak het zo genoemde
‘(fel)realistische’ karakter van erotische teksten dat verontrusten
in de pen doet klimmen. Godsdienstige motieven spelen soms ook een rol, zoals
bij het geruchtmakende proces, wegens ‘smalende godslastering’,
tegen
G.K. van het Reve naar aanleiding van een
passage in Nader tot U (1966), waarin beschreven wordt
hoe de hoofdpersoon met een als ezel geïncarneerde God zal paren.
Discussies over de waarde(loosheid) van sommige erotische teksten
leiden ertoe dat men in dergelijk verband wel eens de term
pornografie kan zien vallen.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Hiller; Laan; Lodewick; Metzler;
Preminger; Shipley; Wilpert; E. van Altena en L. Weverbergh. Gij goudgepunte
lans (1967); A. Coppens. Memoires van een erotisch boekverkoper
(1969); Venus' lusthof, samengest. door L. de Vries, ingel. door A.
Coppens (1977); J.L.A. Heestermans e.a. Erotisch woordenboek
(19802); J. van der Vegt. ‘Een geest van vlees’, in:
De Vlaamse Gids 64 (1980), p. 35-37; M. Ros. ‘Een geleide voor
Th.A. Sontrop’, in: Rose verhalen (1981), p. 7-11; P.J. Kearney.
Geschiedenis van de erotische literatuur, vert. E. van Altena (1983);
A.N.W. van der Plank. ‘Inleiding’ op J. Barrin. Venus in het
klooster (1983), p. I-XXVI; Reve-nr. van Tirade 27 (1983); H. Pleij
e.a. Een nyeu cluchtboeck (1983); E. van Altena. Daar ik tot zang
word aangespoord (1987). [G.J. Vis]
| |
errata of corrigenda
Letterlijk ‘fout’ respectievelijk ‘wat
gecorrigeerd moet worden’. Benaming voor een lijstje van storende fouten
in een gedrukt boek. Bemerkte een auteur tijdens het drukken dat zijn tekst
drukfouten of
zetfouten bevatte, dan kon hij aan het slot
van het
voorwerk (dat gewoonlijk het laatst gedrukt
werd), aan het eind van het boek of op een los blad de juiste lezing laten
afdrukken onder het kopje ‘errata’ of ‘corrigenda’. Op
dezelfde manier konden vergeten of weggevallen woorden hersteld worden door
middel van
addenda. Omdat in een latere druk addenda en
corrigenda doorgaans in de tekst verwerkt werden, is het voorkomen ervan een
aanwijzing voor een eerste of oorspronkelijke druk.
Een voorbeeld van errata die duidelijk de 1e en 2e druk uit
hetzelfde verschijningsjaar identificeren, zijn die in het
Journael van
Bontekoe uit 1646: in de 1e druk staat op
fol. *iiij verso ‘Den leser gelieve dese navolgende fauten aldus te
verbeteren’, hetgeen in de andere druk uit 1646 ook daadwerkelijk gebeurd
is (zie
G. Verhoeven en
P. Verkruijsse. Journael van
Bontekoe. Descriptieve bibliografie 1646-1996 (1996), p.
139-144).
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; Metzler; MEW; Scott; Wilpert;
P.J. van der Horst. Redactiewijzer. Praktische handleiding voor het
taalkundig en typografisch verzorgen van teksten (1993), p. 99. [W.
Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
Erziehungsroman zie
Bildungsroman
| |
esbatement of batement
Laatmiddeleeuwse benaming van Franse origine (letterlijk
‘amusement’) voor vermakelijk, niet hoogdravend,
(rederijkers)toneel met een satirische inslag. In de Nederlanden werd de term
gehanteerd voor een toneelstuk dat men ook wel een
blijspel zou kunnen noemen, bijv.
Een esbattement van smenschen sin en verganckelijcke
schoonheit (ed. Ned. Inst. RUG, 1967), of Esbatement van
den appelboom (ed.
Waterschoot, 1979). Het esbatement bevindt
zich genretechnisch tussen het
spel van zinne dat ernstiger en gekunstelder
is, en de middeleeuwse klucht (klucht-1) die simpeler
van structuur en humor is. De gemiddelde lengte van een esbatement is ca. 500
versregels.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; J.J.
Mak. Vier excellente cluchten (1950); J.B. Drewes. ‘Het Esbatement
van den Appelboom’ in: TNTL 82 (1966), p. 298-310; Het
esbatement van den Appelboom, ed. W. Waterschoot (1979), p. 7-29; A. van
Elslander. ‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De
Rederijkers’, in: Terugblik (1986), p. 9-25. [W. Kuiper]
| |
eschatologie
De leer die het leven op aarde beschouwt als (slechts) een
doorgangsweg naar de zgn. vier uitersten: dood, (laatste) oordeel, hemel en
hel. Met name gedurende de late Middeleeuwen vaak gethematiseerd in de
literatuur, bijv. Den camp vander doot (1493) van
Jan Pertchevael (ed.
Degroote, 1948); De Wre vander
doot (± 1516) van
Jan van den Dale (Gekende
werken, ed. Degroote, 1944), en De vier
wterste (1583) van
Johan Baptist Houwaert (ed.
Van Vinckenroye, 3 dln., 1965). Een aparte
plaats binnen de eschatologische literatuur wordt ingenomen door de
ars moriendi.
LIT: Baldick; J.F. Vanderheyden. Het thema en de uitbeelding
van den dood in de poëzie der late Middeleeuwen en der vroege Renaissance
in de Nederlanden (1930); P. Eligh. Leven in de eindtijd (1996). [W.
Kuiper]
| |
essay
Afgerond stuk beschouwend proza, waarin een auteur een meestal
persoonlijk standpunt inneemt met betrekking tot een bepaald onderwerp. De
onderwerpen voor essays kunnen op vrijwel elk gebied gevonden worden:
godsdienst, maatschappij, wetenschap, kunst e.d. De grenzen met
wetenschappelijk proza zijn, zeker wanneer men het oudere essayistische proza
erbij betrekt, vaak moeilijk aan te geven. Ook in lengte laat het essay zich
slecht onderscheiden van het wetenschappelijk proza; er zijn essays met de
omvang van een
monografie, maar ook met de lengte van een
wetenschappelijk artikel.
Tegenwoordig overheerst de opvatting dat het essay minder
objectief is dan een wetenschappelijk geschrift, omdat dat laatste minstens de
pretentie heeft een onderwerp zo systematisch en volledig mogelijk en
onderbouwd door bewijsvoering en bronnenmateriaal te behandelen. Het essay
daarentegen tracht in de eerste plaats te overtuigen met retorische middelen:
stijl, suggestieve voorbeelden, humor, paradoxen enz. Om die redenen wordt het
essay dan ook beschouwd als een literair genre. Het essay richt zich doorgaans
ook tot een ander publiek dan het wetenschappelijk artikel.
Het genre ontleent zijn naam aan de Essais
(1580) van
Montaigne, waarin deze op een tentatieve
manier bepaalde onderwerpen, zoals dood, liefde, passie, verdriet e.d. aan de
orde stelt. In Nederland kende het genre vooral in de 18e eeuw een grote bloei,
al werd dit type proza toen vooral aangeduid met de termen
vertoog,
verhandeling of proeve. In
Van Effens Hollandsche
Spectator (1731-1735) wordt meer dan de helft van de plaatsruimte
ingenomen door ‘vertoogen’. Ook de 18e- en 19e-eeuwse verhandeling,
zoals bijv. die van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
teLeiden (1806-1824), zijn in onze ogen vaak eerder essays dan
wetenschappelijke bijdragen. In de 19e eeuw werden bovendien heel wat
prozastukken geschreven onder de aanduiding ‘verpoozing’ of
‘studie’, die nu de naam ‘essay’ zouden krijgen, bijv.
N. Beets' Verpoozingen op
letterkundig gebied (1856) en
F. van Eedens
Studies (1894-1897). Een bloemlezing van de 18e- en
19e-eeuwse essays verscheen onder de titel Vrijmoedige bedenkingen.
Een eeuw essays en beschouwingen, 1766-1875 (1968) in de reeks
Spectrum van de Nederlandse Letterkunde, samengesteld door
M.C.A. van der Heijden.
In de 20e eeuw heeft een groot aantal auteurs het genre beoefend.
Bekend zijn bijv. de essays van
M. ter Braak: Demasqué
der schoonheid (1932),
S. Vestdijk: Essays in
duodecimo (1952),
A. Westerlinck: Alleen en van
geen mens gestoord (1964). De gemeente Amsterdamstelde
in 1947 een speciale essayprijs in die vanaf 1972 als de Busken Huet-prijs
tweejaarlijks wordt uitgereikt.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Brongers; Cuddon; Fowler;
Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; H.A.
Gomperts. ‘Het essay’, in: De geheime tuin (1972); J.J.
Oversteegen. ‘Het essay’, in: Literair lustrum 2 (1973), p.
58-86. [G.J. van Bork]
| |
esthetica
Leer der schoonheid, en tevens onderzoeksgebied dat zich
bezighoudt met de bestudering van kunstwerken beschouwd als objecten die zo
vervaardigd zijn dat ze een gevoel van behagen opwekken bij de recipiënt.
Dit gevoel, een speciale gemoedsontroering, zou onderscheiden zijn van andere
vormen van emotie doordat het zintuiglijk waarneembare object de aandacht trekt
door zijn vormgeving als zodanig. Vandaar ook wel de term
‘waarnemingsleer’ voor het esthetisch studieterrein. Men maakt
onderscheid tussen esthetica als onderzoeksgebied van de esthetische beleving,
overwegend psychologisch van aard, en die kunstbeschouwing die zich bezighoudt
met de bestudering van de objecten, ergocentrisch van aard. Verschillende
takken van de literatuurwetenschap bewegen zich op het terrein van de
esthetica, zoals de
receptie-esthetica, de
stijlleer en de
analyse van afzonderlijke werken. Het
streven wint veld om bij het onderzoek een aparte plaats toe te kennen aan de
auteurspoëtica en aan opvattingen en codes bij critici en recipiënten
(vgl.
esthetisch object). Dit streven vindt zijn
grond in de erkenning dat de bepaling van wat esthetisch respectievelijk
literair waardevol is, (mede) totstandkomt door de artistieke gerichtheid die
is ingebed in een literair-culturele situatie en door de artistieke erkenning
die berust op het feit dat auteurs, uitgevers, critici, literatuurhistorici en
literatuurdocenten op een gegeven moment aan een bepaald geschrift de sociale
status geven van een literair geschrift (canon).
LIT: Baldick; Fowler; Gorp; Krywalski; Lausberg; Metzler; Shipley;
Wilpert; J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding (1981); M. van Nierop e.a.
(red.). Mooie dingen: over de esthetica van het object (1993). [G.J.
Vis]
| |
estheticisme
Een levenshouding waarin schoonheid vergoddelijkt wordt op een
zodanige wijze dat ze de gehele levenssfeer doordrenkt. Het kunstwerk wordt
hierbij gezien als de uitdrukking van het esthetische individu en in zijn meest
geslaagde vorm wordt in het kunstwerk de schoonheid als metafysische
representatie van het hogere of de Idee gezien (symbolisme). De kunstenaar moet vrij zijn in de middelen die
hem ten dienste staan om de schoonheid uit te drukken. Prikkeling van de
zintuigen dient de sensaties te leveren die zo direct mogelijk in de kunst
moeten worden weergegeven. Dit leidde tot een spontane en vrije kunst, die
bijv. tot uiting komt in de
poésie pure en in het veelvuldig
voorkomende fragment, dat de snelle indruk en de beweeglijkheid daarvan moet
vastleggen. Ook
synesthesie speelt daarin een belangrijke
rol.
De bronnen voor deze kunstenaarshouding liggen in de Duitse
romantiek (de gebroeders
Schlegel,
Novalis,
Fichte,
Schelling e.a.). Al bij
Kant treffen we de opvatting aan dat
kunst niet afhankelijk is van de werkelijkheid, noch enig nut heeft. Deze
zienswijze leidde tot de bekende doctrine
l'art pour l'art. Ze hangt samen met de
toenemende isolering van de kunstenaar in de samenleving van de 19e eeuw;
enerzijds een bewust gekozen isolement, anderzijds een afwijzing van de
romantische kunstenaar door de bourgeoismoraal van die tijd. In
Nederlandvinden we de weerklank daarvan in Multatuli's personages
uit de Max Havelaar (1860): Droogstoppel versus Stern en
Sjaalman. De kunstenaar is door zijn goddelijke roeping voor de schoonheid
anders dan anderen, superieur of geniaal. Dat leidt tot non-conformisme:
bohémien,
poète maudit en
decadentie.
In Frankrijk treffen we het estheticisme als stroming
in de kunst aan vanaf Théophile Gautier. In zijn voorwoord tot
Mademoiselle de Maupin (1835) wijst hij elke nuttige
functie voor de kunst af. Deze stelling werd overgenomen en uitgewerkt door
Baudelaire,
Flaubert,
Mallarmé e.v.a., bij wie het ook
een levenshouding betekende: de dienst aan ‘la religion du
beauté’. In zijn meest extreme vorm is deze dienst aan de
goddelijke schoonheid beschreven in
J.K. Huysmans' A
rebours (1884), waarin het estheticisme bovendien een element van
de decadente cultuurmoeheid van het
fin de siècle heeft.
Het estheticisme werd in Engeland vertegenwoordigd door
Walter Pater (The
renaissance, 1873). Hij beïnvloedde auteurs als
Oscar Wilde,
Arthur Symons en
Ernest Dowson, maar ook beeldende
kunstenaars als
Aubrey Beardsley e.a.
In Nederland is de eerste echte esthetische stroming die van de
Tachtigers geweest. In Perks sonnet
‘Deine Theos’ met de bekende regels
Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,
Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;
Naast u aanbidde de aard geen andren god!
(
J. Perk.
Gedichten, ed.
Stuiveling, 19763, p.
153).
is een voorafschaduwing te zien van de schoonheidscultus van de
Tachtigers, die vooral in het werk van
Kloos (vgl. diens Inleiding op Perks
Gedichten, 1882),
Verwey,
Van Deyssel en de vroege
Gorter de meest opvallende
representanten van het estheticisme waren.
De doctrine van ‘de kunst om de kunst’ leidde tot een
kritische praktijk die het kunstwerk opvatte als een autonoom gegeven, wat tot
gevolg had dat het ook geïnterpreteerd moest worden als zodanig: los van
zijn maker of de omstandigheden waaronder het ontstond (autonomiebewegingen). Deze kritische opvatting werd uitgewerkt
onder meer in de
New Criticism.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Fowler; Gorp; Preminger; Wilpert; W.
Gaunt. The aesthetic adventure (1945; 19752); J.C. Brandt
Corstius. ‘De betekenis van een kleine literatuur voor een studie van
internationale verschijnselen’, in: Handelingen van het 28e Ned.
Filologencongres (1964), p. 68-76. [G.J. van Bork]
| |
esthetisch object
Term uit de receptie-esthetica, teruggaand op het
Praagse structuralisme (
J. Mukarovsky). Het is de representatie
van het
artefact zoals dat in de beleving van de
lezer voor hem gestalte krijgt. De omzetting van een artefact door een lezer in
een esthetisch object wordt de ‘lezersconcretisatie’ genoemd of
kortweg ‘concretisatie’. Er zijn dus evenveel esthetische objecten
van een literaire tekst als er lezers van die tekst zijn. Men zou zelfs moeten
concluderen dat het aantal nog groter is, omdat een individuele lezer op zijn
beurt een bepaalde tekst in de loop van de tijd ook nog weer eens op
verschillende wijzen blijkt te concretiseren.
LIT: Gorp; N. Groeben. Rezeptionsforschung als empirische
Literaturwissenschaft (1977); A. van Assche. Empirisch-psychologische
benadering van de relatie lezer-poëzie (1979); R. Segers. Het lezen
van literatuur (1980). [G.J. Vis]
| |
esthetische distantie
Term uit de receptie-esthetica, afkomstig van
H.R. Jauss, ter aanduiding van datgene
wat bepalend zou zijn voor de literaire of esthetische waarde van een tekst.
Het is de afstand, het verschil, tussen de structuur van een tekst en de
verwachtingshorizon van een lezer(sgroep) op
het tijdstip van het verschijnen van die tekst.
LIT: Gorp; Preminger; R. Segers. Het lezen van literatuur
(1980). [G.J. Vis]
| |
ethopoeia
Term uit de retorica voor de oefening in het uitdrukken van de
emoties van een personage uit de geschiedenis of mythologie op een beslissend
moment van zijn loopbaan of leven. De uitbeelding van een verzonnen persoon
heet
prosopopoeia. Deze ethopoeia-techniek is tot
op zekere hoogte aanwijsbaar in de laatmiddeleeuwse prozaromans als de
Historie vander destrucyen van Troyen (ca. 1500),
Buevijn van Austoen (1504) en Margaritha van
Lymborch (1516), waarin emotionele passages in verzen geschreven
zijn.
Vooral in de klassieke tragedie gaat het erom de reacties van de
hoofdpersonen te laten zien op de wisseling van het lot. Zo zien we bij Ariadne
in
P.C. Hoofts Theseus ende
Ariadne (1614) achtereenvolgens hevige verwijten, besluit tot
zelfmoord, wanhopige droefheid en blijdschap.
LIT: Best; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; Myers/Simms; Wilpert;
W.M.H. Hummelen. Versdialogen in prozaromans (1971); R.J. Resoort.
Een schoone historie vander borchgravinne van Vergi. Onderzoek naar de
intentie en gebruikssfeer van een zestiende-eeuwse prozaroman (1988);
W.M.H. Hummelen. ‘[Recensie van] R.J. Resoort. Een schoone historie
vander borchgravinne van Vergi’, in: TNTL 106 (1990), p. 320-327;
P. Wackers. ‘Het belang van de vorm in de Nederlandse literatuur van de
late middeleeuwen’, in: Millennium 5 (1991), p. 58-74; M.B.
Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissance-toneel (1991), p. 45. [W.
Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
ethos
Term uit de retorica voor de persoonlijkheid van de redenaar die
deskundig, deugdzaam en sympathiek moet overkomen op het publiek om zijn rede
geloofwaardig te maken. Als een spreker als zodanig door het publiek
geaccepteerd wordt, is dat een goede basis om de toehoorders te overtuigen.
Aristoteles onderscheidde naast het
ethos als overtuigingsmiddelen het
pathos (de emoties die de redenaar bij het
publiek moet opwekken) en de logos (de eigenlijke argumenten).
LIT: Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; MEW; Myers/Simms. [P.J.
Verkruijsse]
| |
etiketliteratuur
Etiketliteratuur is te beschouwen als een tot de
readymade behorend subgenre.
Etiketliteratuur ontleent haar teksten uitsluitend aan etiketten,
reclamefolders en verpakkingen. Een voorbeeld:
Bloopers zijn zeer brosse zoutjes met pittige kruiden. Ze zijn
belachelijk van vorm, zitten in een hele grote zak en zijn eigenlijk veel te
lekker. Bloopers van Smiths. Alleen de smaak is niet mis. (Willem Winters. Etiketliteratuur. Ready made
teksten (19912), p. 45.)
LIT: W. Winters. Etiketliteratuur. Ready made teksten
(19912). [P.J. Verkruijsse]
| |
etymologie
Term voor zowel de oorsprong en geschiedenis van een woord als
voor het onderzoek daarnaar. In de Middeleeuwen en de renaissance werd een
soort ‘natuurlijke band’ aangenomen tussen een woord en zijn
betekenis. Door te speuren naar de oorsprong van de woorden meende men ook het
wezen van de benoemde dingen te kunnen begrijpen:
Die de werelt eerst werrelt hiet,
Hine was al in dole niet:
Hij gaf hare bina rechten name;
Want bider mesdaet van Adame,
Daer hi Gode omme vererrede
Entie werelt al verwerrede,
So es hare die name comen.
(
Jacob van Maerlant.
Spiegel Historiael, 1e partie, 1e boek,
ed. De
Vries en
Verwijs, dl.1, 1863, p. 15, vss.
1-8).
Johannes Goropius Becanus
‘bewees’ in zijn Origines Antwerpianae (1569)
dat het Nederlands de oudste taal ter wereld was: Duyts < Douts = de oudste,
dus gesproken in het paradijs door Adam < aardman.
Als wetenschap is de etymologie pas echt tot ontplooiing gekomen
door de ontwikkeling van de historische klankleer in de 19e eeuw; door de
systematische vergelijking van talen en de studie van oude teksten kwam men de
zogenaamde klankwetten op het spoor, waardoor steeds oudere, onderliggende
vormen van woorden kunnen worden gereconstrueerd. Het zoeken naar de
oorspronkelijke betekenis is hierbij van secundair belang. De
onderzoeksresultaten van de etymologie zijn vastgelegd in de zogenaamde
etymologische woordenboeken. Voor het Nederlands is dat
Franck's Etymologisch
woordenboek der Nederlandsche taal (2e dr. door
N. van Wijk, 1912), dat in 1936 voorzien
werd van een Supplement door
C.B. van Haeringen. Dit woordenboek heeft
als roepnaam ‘Franck-Van Wijk-Van Haeringen’ en is in 1949 en in
1971, inclusief het supplement, ongewijzigd herdrukt (een reprint verscheen in
1980). Van recenter datum zijn
J. de Vries' Etymologisch
woordenboek. Waar komen onze woorden vandaan? (197912)
en
Nicoline van der Sijs'
Etymologisch woordenboek (1997), een bewerking van dat
van
P.A.F. van Veen uit 1989.
Verwant met de etymologie is de volksetymologie, waarbij vreemde
of onbegrepen begrippen zo vervormd worden, dat ze gaan lijken op bekende
woorden met een verwante betekenis. Een voorbeeld hiervan is de zegswijze
‘(iemand) van haver tot gort (kennen)’. Oorspronkelijk was de
uitdrukking ‘van aver tot aver’ (aver = kind, nakomeling). Toen het
woord ‘aver’ in onbruik raakte, is de uitdrukking door
volksetymologie veranderd via ‘van haver tot haver’ in ‘van
haver tot gort’.
LIT: Bantel; Brongers; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Marouzeau;
Scott; Shipley; Wilpert. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
eufemisme
Vervanging van een woord door een aanduiding die verzachtend is
bedoeld. Dit kan gebeuren op grond van (vermeende) kiesheid
(‘vomeren’ i.p.v. ‘braken’, ‘overgeven’) of
angst voor iets onaangenaams (‘ontslapen’ i.p.v.
‘sterven’). Geliefde typen bij de keuze van de aanduiding zijn de
metonymia (‘een glaasje te
veel’), de
litotes (‘niet echt muzikaal’),
het vreemde woord (‘affronteren’) en de vage aanduiding
(‘tussen de veertig en de vijftig jaar oud’). In literaire teksten
zal het eufemisme zijn bijzondere waarde krijgen wanneer context en/of situatie
leiden tot een meerwaarde, bijv.
humor.
LIT: Abrams; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
eufonie
Term uit de prosodie voor het feit dat een schrijver de
klank zodanig exploiteert dat er een
aangenaam, gehoorstrelend effect ontstaat. Wannéér dat effect
bereikt wordt, zal van geval tot geval en van lezer tot lezer verschillend
zijn, en is dus een subjectieve aangelegenheid. Vandaar dat sommigen (bijv.
R. Wellek) een onderscheid maken tussen
het klankpatroon van een tekst en de realisering daarvan door de individuele
lezer, waarbij het laatste meer aan subjectiviteit onderhevig zou zijn dan het
eerste. Wanneer men zich echter beperkt tot de tekstuele vormgeving dan blijft
nog de vraag in hoeverre een auteur, bijv. bij het schrijven van een
cantilena, erin geslaagd is om aangename
klankeffecten te ‘realiseren’, ook al is de auteursintentie terzake
nog zo evident. Sommigen denken bij eufonie vooral aan
ritme (bijv.
Shipley), anderen meer aan
rijm (Preminger e.a.). Afgeleid van het
begrip eufonie is het begrip
kakofonie, als tegengestelde, dat door
sommige auteurs opzettelijk in een tekst zou zijn aangebracht. Men zou meer
inzicht in deze problematiek kunnen krijgen door het onderzoek van
lezersreacties, zoals uitgevoerd in de experimentele
receptie-esthetica. Tevens kan het, voor een
adequater interpretatie van verschijnselen van eufonie in het klankpatroon van
een tekst, nuttig zijn desbetreffende auteursuitspraken te onderzoeken (poëtica-3). Wat dit laatste betreft is het bijv.
opmerkelijk dat iemand als
Vestdijk, sprekend namens ongenoemde
dichters, woorden als ‘liefde’, ‘moord’,
‘druiven’, ‘tinteling’ en ‘stralenkrans’
tot de ‘mooi’ klinkende woorden rekent (De glanzende
kiemcel, 19694, p. 104). Andere voorbeelden geeft hij op het
gebied van
herhaling in rijm en ritme (a.w. p.
106).
Wat de lezersreacties betreft dient men, evenals trouwens bij de
auteursopvattingen, rekening te houden met omstandigheden van tijd en plaats.
De publieke smaak wisselt, en was bijv. in de eerste helft van de 19e eeuw, met
zijn openbare voordrachtscultuur (declamatie), anders
dan tijdens de Beweging van Tachtig.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR;
Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; R. Wellek
and A. Warren. Theory of literature (19552), ch. 13. [G.J.
Vis]
| |
euphuism of euphuïsme
Engelse benaming voor de maniëristische stijl, die in het
literaire werk van
John Lylyconsequent is gehanteerd. Het
geaffecteerde taalgebruik vol
alliteraties en
antithesen in onder andere diens
Euphues: the anatomy of wit (1578) en Euphues:
his England (1580) waren in het eind-16e-eeuwse Engeland zo
opvallend dat
Gabriel Harvey er reeds in 1589 de term
‘euphuism’ (letterlijk: ‘schoon van bouw’) voor
bedacht. De invloed van Lyly's stijl op tijdgenoten en lateren is moeilijk te
taxeren en traceren, maar men veronderstelt dat het vroege werk van
Shakespeare euphuïsmen vertoont. De
literatuurhistorici van nu beperken de term het liefst tot alleen de stijl van
Lyly, maar tevens worden er parallellen getrokken met andere nationale
varianten van het
maniërisme als het Italiaanse
marinisme, het Spaanse
gongorisme, de Franse
préciosité en de Duitse
Schwulst. Via een vertaling door J.H.
Glazemaker werd Lyly's werk in de 17e eeuw in Nederland bekend: De
vermaakelijke historie, zee- en landt-reize van Euphues (1668).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR;
Laan; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
evangelarium
Middeleeuwse benaming voor de bundeling in één
boekband van de vier (canonieke) evangeliën van
Mattheus,
Marcus,
Lucas en
Johannes, meestal voorafgegaan door de
voorredes en een
concordantie-1 om onderlinge vergelijking
mogelijk te maken. Wanneer de vier evangeliën tot één tekst
gecondenseerd zijn, spreekt men van een
evangeliënharmonie.
LIT: Best; Brongers; Hiller; MEW; Wilpert; A. von Euw.
Karolingische verluchte evangelieboeken (1989). [W. Kuiper]
| |
evangeliënharmonie of diatesseron
Omdat de vier evangelisten vier verschillende evangeliën
schreven die elkaar ten dele overlappen, ten dele unieke informatie over het
leven van Jezus verschaffen, stelde
Tatianus in de 2e eeuw n.Ch. een
‘diatesseron’ (één uit vier) samen, waarin de
evangeliën tot één doorlopend verhaal aaneengeschreven
werden. Deze evangeliënharmonie vond ook navolging in het
Middelnederlands; de bekendste is het zgn. Luikse
diatesseron (ed.
De Bruin, 1970).
Als de vier evangeliën afzonderlijk in één
boekband zijn gebundeld, spreekt men van een
evangelarium.
LIT: Best; LdMA; Metzler; Wilpert; C.C. de Bruin. Jezus, het
verhaal van zijn leven, samengesteld naar de vier evangeliën (1980);
J.A.A.M. Biemans. Middelnederlandse bijbelhandschriften (1984), p.
11-33; C.R.M. van der Heijden. ‘Het diatesseron en Vanden leuene ons
heren’, in: Geschiedenis, godsdienst, letterkunde. Opstellen
aangeboden aan S.B.J. Zilverberg (1989), p. 22-27. [W. Kuiper]
| |
evidentia
Term uit de retorica voor het levendig voor ogen stellen van de
stof, zodanig dat het door de opeenstapeling van al dan niet reële maar
wel waarschijnlijke details lijkt alsof de auteur en de lezer erbij aanwezig
geweest zijn. Middelen om het ooggetuigenverslag zo levendig mogelijk te maken
zijn het gebruik van de tegenwoordige tijd, bijwoorden van plaats en de directe
rede. In de
narratio wordt vaak gebruik gemaakt van
evidentia. De
teichoskopie is een evidentia door een
personage, niet door de auteur.
Een voorbeeld van evidentia is te vinden in
J. Vollenhove, ‘Op den nieuwen
druk der Nederlantsche Historien van (...)
P.C. Hooft’, in: idem,
Poëzy (1686), p. 476:
't Welspreken toont het oproer, hoe verwildert,
't Gevecht, hoe fel en bloedig, 't lantgevaar,
Hoe byster, zo beknopt, zo net, zo klaar,
Als waar het niet beschreven, maar geschildert (...).
Het tegenovergestelde van evidentia is
percursio.
LIT: Gorp; HWR; Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
ex-tempore
Term uit de wereld van het toneel ter aanduiding van een vrije
improvisatie. Later is deze term niet alleen gebruikt voor het onvoorbereid
spreken, maar ook voor het voor de vuist opschrijven van een stukje proza of
poëzie, vaak fungerend als gelegenheidsliteratuur.
Bilderdijk schrijft in zijn gedicht
‘Ex Tempore’:
'k Las veel e x t e m p o r é - s (zoo 't heette), van
mijn leven,
Maar weinigen waar ik die lofspraak aan kon geven:
‘Zy hebben 't rechte zout naar tijdsvereischten
in.’
(W. Bilderdijk. De dichtwerken, dl. 14,
1859, p. 352).
Als voorbeeld van een ex-tempore, van dezelfde dichter, kan dienen
het gedicht ‘Aan een vriend die my op mijn verjaardag een vers
vergde’, dat aan het eind, onder de slotstrofe, de vermelding heeft
‘Ex tempore. 1829’ (Id., dl. 11, 1858, p. 512).
LIT: Wilpert. [G.J. Vis]
| |
exclamatie zie
exclamatio
| |
exclamatio, efonesis, epifonesis of
exclamatie
Term uit de retorica voor een korte, bondige uitroep. Wanneer een
uitroep in de vorm van een
sententia aan het slot van een betoog staat,
spreekt men van
epifonema. Een soortgelijk effect als de
exclamatio heeft de
dubitatio: het in vraagvorm uiten van
twijfel om aan geloofwaardigheid te winnen. In
J. van den Vondels
Elektra (1639; WB-editie, dl. 3, 1929, p. 701) roept
Klytemnestra uit: ‘O my ellendigh mensch!’
Soms heeft de exclamatie de vorm van een
apostrofe: ‘O broeder in den hemel,
wees hier ook’ (
M. Nijhoff. VG, 19744,
p. 216). Evenals de
retorische vraag kan de exclamatie ook
fungeren als een specifieke vormgevingsmogelijkheid van de sententia:
(
P. van Ostaijen.
VW/Poëzie, dl. 1, 19653, p. 79).
Men vindt de epifonesis ook wel als titel van een roman, bijv.
Help! De dokter verzuipt van
T. Kortooms.
LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet;
Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Ueding; Wilpert. [P.J. Verkruijsse/G.J.
Vis]
| | | |
exegese
Verklaring van vooral bijbel- en wetsteksten; exegese van
literaire teksten is vrij zeldzaam.
In de Romeinse oudheid waren exegeten professionele, vaak
officiële interpretatoren van dromen, orakelspreuken en voortekenen.
Joodse schriftgeleerden gebruikten de exegese van het Oude Testament
voornamelijk ter verklaring van wetten.
De christelijke exegese begint met de discussie over de verhouding
tussen het Oude en het Nieuwe Testament; hierbij richt de aandacht zich vooral
op het feit dat elke gebeurtenis in het Oude Testament een voorafspiegeling is
van een gebeurtenis in het Nieuwe Testament. Vanaf de 5e eeuw werd de
allegorische uitleg van bijbelteksten vastgelegd in handboeken, die tot ver in
de renaissance grote invloed zouden hebben. Een tekst was op vier manieren te
duiden (quator sensus scriptorum): met de letterlijke
betekenis (sensus litteralis), de morele betekenis
(sensus moralis), de allegorische betekenis (allegorese,
sensus allegoricus-1) en de betekenis in het
licht van uitersten (sensus anagogicus).
Verschijningsvormen van exegese in middeleeuwse handschriften zijn
glossen, commentaren en
preken waarin een bijbeltekst verklaard
wordt.
De exegese van niet-bijbelse of juridische teksten komt in de late
Middeleeuwen tot ontwikkeling: kernprobleem bij de verklaring van klassieke
auteurs als
Homerus,
Ovidius en
Vergilius is de verhouding tussen de
tekst en zijn verborgen betekenis (zin).
De eigenlijke historisch-filologische exegese begint zich pas te
ontwikkelen bij de humanisten. Tegenwoordig is de exegese een filosofische en
hermeneutische verklaring van gezaghebbende teksten (in het bijzonder
bijbelteksten) en van wetsteksten. In de literatuurwetenschap is de term
exegese vervangen door (tekst)interpretatie en
hermeneutiek.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [H. Struik]
| |
exempel
Middeleeuwse vertelling, dienend ter illustratie van een gestelde
these. De techniek van het exemplum is overgenomen uit de antieke
retorica. In de vroege Middeleeuwen werden
exempelen alleen gebruikt in voor monniken bestemde traktaten en preken. Vanaf
de 12e eeuw werden ook preken voor leken afgewisseld met exempelen. De inhoud
werd meestal ontleend aan bijbelverhalen,
legenden of heiligenlevens (hagiografie).
In de 14e eeuw ging men over tot de allegorische interpretatie
(allegorie) van exempelen van profane aard (bijvoorbeeld
de klassieke liefdesavonturen uit de Metamorphosen van
Ovidius), de moralisatie volgde dan als
‘fabula docet’ aan het einde van het verhaal. Het gebruik van
komische en grove exempelen bracht het genre bij de aanhangers van de
reformatie in diskrediet.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Laan; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; C.G.N. de Vooys. Middelnederlandse
stichtelijke exempelen (1953); H.D. Oppel. ‘Exemplum und Mirakel.
Versuch einer Begriffsbestimmung’, in: Archiv für
Kulturgeschichte 58 (1976), p. 96-114. [H. Struik]
| |
exemplaar-1
Bibliografische term voor één individueel drukwerk
dat deel uitmaakt van een
druk,
oplage of
uitgave. In principe horen alle exemplaren
van een oplage een identieke tekst te bevatten omdat ze binnen
één tijdsgeheel van hetzelfde zetsel gedrukt zijn. Door de
werkwijze in drukkerswerkplaatsen komt het echter vaak voor dat exemplaren door
correcties op de pers onderling verschillen.
Daardoor kan men verschillende staten (staat) in de
tekst van een
binnen- of
buitenvorm constateren. De wetenschap die
zich bezighoudt met het opsporen en verklaren van verschillen tussen exemplaren
van een oplage of druk is de
analytische bibliografie.
Het vaststellen van wat een exemplaar van een boek in materieel
opzicht moet bevatten, is vooral voor het oudere drukwerk vaak problematisch.
Daartoe is het nodig te
collationeren, te vergelijken met andere
exemplaren. Inhoudelijke collatie is vervolgens nodig om uiteindelijk de
ideal copy te kunnen vaststellen. Soms
blijken exemplaren dan samengesteld uit
katernen van verschillende drukken, de zgn.
made-up copies.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; Wilpert; F.A. Janssen.
Auteur en drukker in de geschiedenis van de typografische vormgeving
(1989). [P.J. Verkruijsse]
| | | |
exemplum
Exempla zijn voor de bewijsvoering (argumentatio), in het kader van de
inventio, voor een redenaar erg belangrijk.
Het zijn ‘gevallen’ uit de geschiedenis, literatuur, mythologie of
bijbel die als voorbeelden op het onderhavige geval betrokken kunnen worden en
als zodanig bewijskracht hebben.
In de inleiding van de niet-overgeleverde vertaling van
Buchanans Franciscanus:
Voorrede tot het gezelschap ende de vergaderinge der gener, die hem inde nieuwe
Universiteyt der stad Leyden ouffenende zijn in de Latynsche of Neder-duytsche
poezien (ed.
K.J.S. Bostoen,
S. Gabriëls en
J. Koppenol, 1993, p. 53-57), wil
Jan van Hout bijv. aantonen dat
lofprijzingen van de massa iemand juist op zijn hoede moeten doen zijn:
twelc my genouch zi mit enige oude geschiedenissen uyt velen te
bevestigen.
Als exempla volgen dan de redenaar
Phocion, de fluitspeler
Hippomachus, de beeldhouwer
Polycletus en de dichter
Eumolpus. In
Vondels Gysbreght van
Aemstel (WB-ed., dl. 3, 1929, p. 514-600) brengt een vergelijking
van Amsterdam enTroje en van Gysbreght met Aeneas
iets van de luister van Troje over op Amsterdam en iets van het heldendom van
Aeneas op Gysbreght.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Metzler; Scott;
Wilpert; H. den Haan. ‘Argumentele waarde van de geschiedenis in de
Nederlandse renaissance’, in: Spektator 8 (1978-1979), p. 446-467.
[P.J. Verkruijsse]
| |
exercitatio
De retorica als
ars moest ondersteund worden door veelvuldig
oefenen, door exercitatio. Dat kon door het lezen van literaire teksten die tot
imitatio uitnodigen, maar ook poëzie,
historische werken, wetten en politieke geschriften. De redenaar moest zich zo
breed mogelijk oriënteren, moest een homo universalis zijn. Dit
ideaalbeeld verlangt bijv.
Vondel ook van de dichter in zijn
Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (WB-ed., dl. 5,
1931, p.. 484-491, vooral regel 104-107):
Hy bevlijtige zich om dagelijx toe te nemen in kennisse van
verscheide wetenschappen, om, is het niet van alles volmaecktelijck, dat zwaer
ja onmogelijck valt, ten minste ter loop van vele dingen kennis hebben, om zijn
werck naer den eisch uit te voeren.
In de klassieke retoricascholen speelden schriftelijke oefeningen
een grote rol, de zgn.
chria, het latere schoolopstel, met als
onderdelen een lofprijzing (exordium), narratio, argumentatio met confirmatio,
refutatio, analogieën, exempla en testimonia en een peroratio.
LIT: Lausberg; A.D. Leeman. ‘Het systeem der antieke
rhetorica’, in: Lampas 9 (1976), p. 122-140. [P.J.
Verkruijsse]
| |
exil-literatuur
Literatuur van schrijvers die na de machtsovername van
Hitler en de boekverbrandingen vanaf
1933 uit Duitsland gevlucht zijn omdat zijzelf door de
nationaal-socialisten vervolgd werden of omdat hun werk als
‘entartet’ onderdrukt werd. Uiteraard werden velen van hen vervolgd
omdat ze jood waren, maar ook andere schrijvers weken uit. Veelal vestigden
deze schrijvers zich aanvankelijk in de buurlanden van
Duitsland:Frankrijk, België,
Zwitserland enNederland. In Nederland is veel werk
van deze uitgeweken auteurs uitgegeven bij Querido en Allert de Lange. Tot de
in Nederland uitgegeven exil-auteurs behoren o.m.
Klaus Mann,
Bruno Frank,
Alfred Döblin en
Lion Feuchtwanger. Lang niet al deze
auteurs verbleven in Nederland, ook al werd hun werk hier wel uitgegeven.
Döblin bijvoorbeeld week uit naar de Verenigde Statenen
Feuchtwanger naar Frankrijk.
LIT: Best; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW; Wilpert; H. Würzner
und K. Kröhnke. Deutsche Literatur im Exil in den Niederlanden
1933-1940 (1994); I. Wallace (red.). Aliens - Uneingebürgerte.
German and Austrian writers in Exile (1994). [G.J. van Bork]
| |
ex-libris
Eigendomsmerk in een boek, gewoonlijk aangebracht op de
binnenzijde van het voorplat van de
boekband. Zo'n merk kan geschreven zijn en
luidt dan aanvankelijk ‘Sum ex libris [...]’ (ik ben uit de
boekerij van, ik behoor tot de boeken van [...]). Sinds de uitvinding van de
boekdrukkunst werden vaak door bekende kunstenaars ontwerpen gemaakt. Het
ex-libris bevatte eerst alleen typografische en veel heraldische elementen; in
de 16e-18e eeuw gaan emblematische en allegorische elementen overheersen
waardoor het ex-libris overeenkomst gaat vertonen met
impresa en zinspreuk (zinspreuk-2); sinds de 19e eeuw worden ex-libris vervaardigd
waarin de persoonlijkheid van de bibliofiel tot uitdrukking komt.
Het ex-libris is zelf een kunstvoorwerp en als zodanig object van
verzamelaars geworden, die zich vaak toeleggen op een bepaald thema.
Eigendomsmerken in boeken (provenance) zijn van belang
voor de bibliotheekgeschiedenis (reconstructie van later verspreide
verzamelingen) en de receptiegeschiedenis van literatuur (wie bezat welke
boeken?).
In Nederland is in de kring van de Wereldbibliotheek
Vereniging studie gemaakt van het ex-libris. Er is ook een apart tijdschrift
aan het ex-libris gewijd: Exlibriswereld. Een grote collectie ex-libris,
waarin de verzamelingen van
Johan Schwenke en
Eugène Strens een belangrijke
plaats innemen, bevindt zich in het Museum Meermanno-Westreenianum/Museum van
het Boek in Den Haag. Bekende Nederlandse collectioneurs van
ex-libris waren
A.A. Vorsterman van Oyen,
J.F. Verster,
F.G. Waller,
P.J. Burgersdijk en
J.B.J. Kerling.
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; MEW; Wilpert; A.A.
Vorsterman van Oyen. Les dessinateurs néerlandais d'ex-libris
(1910); J. Schwencke. Het Nederlandsche exlibris (1927, 8 dln.); A.C.
Nielson. Latijnse zinspreuken op Nederlandse boekmerken (1952); J.
Schwencke. Het exlibris in Nederland (19562); Ph. van Praag.
Sociale symboliek op Nederlandse exlibris (1983); W.K. de Bruijn. Ex
libris de kat (1992); H.J.P.C. van Buul, R.E.O. Ekkart en P.H.G.E. Strens.
Eugène Strens; de verzameling Strens in het Museum van het Boek
(1995); J. van Waterschoot. Hooggeleerde exlibris (1997). [P.J.
Verkruijsse]
| |
exordium of prooemium
Term uit de retorica voor het eerste onderdeel binnen de
dispositio. In deze inleiding moet de
aandacht van het publiek gewekt worden (attentum
parare), moet het publiek welwillend gestemd worden (benevolum parare) en moet het nieuwsgierig gemaakt worden naar
de informatie die men wil gaan verstrekken (docilem
parare). Daartoe maakte de redenaar niet zelden gebruik van loci of
topoi. De meest geschikte stijl voor het
exordium is het
genus medium.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler;
Morier; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
exotische literatuur
Term voor dat type literatuur waarvoor de stof ontleend is aan
verre, vreemde landen. De nadruk ligt daarbij op het afwijkende en bijzondere,
vaak ook het extravagante van die andere culturen. Voorbeelden van exotische
literatuur zijn in de gehele literatuurgeschiedenis aan te wijzen. De
Odyssee van
Homerus kent exotische passages. In de
middeleeuwse literatuur hebben met name de kruistochten (kruisvaartroman,
Oosterse of Byzantijnse roman) stof geleverd
voor exotische elementen. Byzantium, met zijn exotische
cultuurrijkdom en liggend op de grens van twee grote culturen, heeft tal van
schilders en schrijvers geïnspireerd tot exotische schilderingen (
De la Croix,
Moreau,
Gautier,
Flaubert e.v.a.). Vooral in de
romantiek en
decadentie is intensief gebruik gemaakt van
het exotische. De exotische en decadente cultuur onder de laatste Romeinse
keizers heeft bij ons bijv.
Louis Couperus geïnspireerd
(De berg van licht, 1905), maar ook een auteur als
J.I. de Haan. Ook andere culturen spelen
een rol in het exotische. In het werk van
J.J. Slauerhoff is dat
bijv.China.
Nu onze onbekendheid met andere culturen door de media en de
grotere mobiliteit zozeer is afgenomen, lijkt het begrip steeds minder
toepasbaar. Opvallend is in dit verband dat in de Nederlandse literatuur
beschrijvingen van Nederlands-Indië en in de Vlaamse literatuur die van
Kongo niet of nauwelijks als exotisch worden ervaren, wat ongetwijfeld met de
grotere vertrouwdheid met deze landen samenhangt.
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Metzler; Preminger; Prince; Wilpert;
M. Praz. The Romantic agony (1956), p. 287-411; J. Goedegebuure.
Decadentie en literatuur (1987), p. 72-105. [G.J. van Bork]
| |
experimenteel proza
Van traditioneel proza afwijkend proza door experimenten met vorm
en inhoud (avant-garde) om daarmee tot een nieuwe
tekstopvatting te komen. De heersende literaire conventies worden doelbewust
doorbroken om de lezer tot een nieuwe manier van lezen te brengen en daarmee
tot een nieuwe waarneming van de werkelijkheid. Het experiment bestaat meestal
uit het gebruik van collagetechnieken, het doorbreken van de eenheid van het
verhaal door point of view-wisseling, naamsveranderingen van personages, het
oningevuld laten van woorden of tekstfragmenten, vragen aan de lezer, afwijkend
gebruik van de interpunctie, het doorbreken van genreconventies enz. Al deze
ingrepen in het conventionele prozaverloop hebben doorgaans een
vervreemdingseffect op de lezer, waardoor
deze gedwongen wordt telkens opnieuw positie te kiezen, actief deel te nemen
aan het vertelde en de implicaties van het gelezene kritisch te doordenken. De
lezer krijgt vrijwel nooit de gelegenheid zich te identificeren met
één der personages.
Veel van deze teksten (de experimentele prozaschrijvers hebben een
voorkeur voor de aanduiding ‘tekst’) bevatten ontleningen aan
buitenliteraire teksten: reclameteksten, krantenartikelen, politieke teksten en
soms ook bandopnamen. De bedoeling daarvan is o.a. om het fictionele karakter
van het proza te doorbreken. Omdat de schrijvers van experimenteel proza ervan
uitgaan dat de realiteit niet tot een al dan niet metafysische eenheid te
herleiden is, moet ook de autonomie van een tekst met zijn eenheidspretentie
worden afgewezen. Men spreekt in dit verband wel van een ‘open
textuur’. Deze teksten vragen m.a.w. om een andere benadering dan de
gebruikelijke interpretaties die juist op de consistentie van de tekst uit
zijn. Bovendien hebben deze teksten vaak de bedoeling de literatuur te
ontindividualiseren.
Experimentele prozaïsten zijn:
J.F. Vogelaar
(Kaleidiafragmenten, 1970),
I. Michiels (Het boek
alfa, 1963),
S. Polet (Mannekino,
1968),
E. Develing (Het
kantoor, 1973),
D. Robberechts (Praag
schrijven, 1975) e.a. Een bloemlezing van experimentele teksten
verscheen in Het mes in het beeld en andere verhalen
(1976).
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler; MEW; S. Polet.
Literatuur als werkelijkheid. Maar welke? (1972); K.D. Beekman.
‘Experimentele teksten omstreeks '70’, in: Spektator 4
(1974-1975), p. 529-540; K.D. Beekman. ‘Wetenschap, poëtika's en
experimentele literatuur’, in: Spektator 6 (1976-1977), p.
196-203; Avant-garde-nummer Raster 2 (1977). [G.J. van Bork]
| |
experimentele poëzie
Poëzie die afwijkt van de traditionele poëzie, omdat de
nadruk gelegd wordt op het experimenteren met vorm en inhoud (avant-garde). Meestal wordt vooral met de vormgeving van het
gedicht geëxperimenteerd: het loslaten van het rijm, het metrum, de
regelmaat van de regellengte of van de strofenindeling en het gebruik van het
wit. Inhoudelijke experimenten betreffen veelal het loslaten van het logische
(grammaticale) zinsverband, het gebruik van de vrije
associatie, de autonomie van de beeldspraak,
bijzondere klankeffecten e.d. Een gevolg van deze vrijere vormgeving is vooral
een grotere
ambiguïteit.
Een probleem met de term ‘experimentele poëzie’
is dat ze van toepassing is op elke poëzie die breekt met de tot dan toe
geldende vormgeving. In die zin is bijv. de sensitieve poëzie van Gorter
of de
concrete poëzie van
I.K. Bonset in
X-beelden (1920-1921) experimenteel te noemen. In de
praktijk echter blijkt de term vaak voorbehouden aan de poëzie van de
Vijftigers of experimentelen, die ook wel
atonale poëzie genoemd wordt.
LIT: Baldick; Fowler; Gorp; Lodewick; Metzler; Myers/Simms; P.P.J.
van Caspel. Experimenten op experimentelen (1955); H. Marsman.
‘Traditie en vernieuwing’, in: Verzameld werk
(19723), p. 592-594; H. Marsman. ‘Tachtig en wij’, in:
Verzameld werk (19723), p. 599-601; P. de Vree. Onder
experimenteel vuur. Vademecum voor de Vlaamse experimentele poëzie
1953-1967 (1968); J. Weisgerber. ‘De sociologie van de
avant-garde’, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift 22 (1969), p. 791-819;
H. Brems. Lichamelijkheid in de experimentele poëzie (1976). [G.J.
van Bork]
| |
experimentelen zie
Vijftigers
| |
explicateur
Iemand die uitleg geeft bij een stille vertoning (tableau vivant) ter gelegenheid van een
blijde inkomst of een andere feestelijke
gebeurtenis in de late Middeleeuwen. Omdat deze vertoningen vaak teruggingen op
bijbelse, mythologische of klassieke voorbeelden en tegelijk een actuele
(politieke) betekenis hadden, was enige uitleg doorgaans bepaald niet
overbodig. Zo werden ter gelegenheid van de doopfeesten van Karel V in 1500 in
Brussel vertoningen op een stellage onthuld en toegelicht door een
stedelijk functionaris.
LIT: H. Pleij. ‘7 maart 1500: De Brusselse stadsrederijker
Jan Smeken is uitgezonden naar Gent om te berichten over de doopfeesten van
Karel V - De rederijkerij als beschavingsinstituut’, in: M.A.
Schenkeveld-Van der Dussen (red.). Nederlandse literatuur, een
geschiedenis (1993), p. 121-125. [G.J. van Bork]
| |
expliciete lezer
Term uit de receptie-esthetica ter aanduiding van de
(tekstinterne) persoon tot wie de vertellende instantie zich richt. Men kan
hierbij denken aan de
auctoriale vertelwijze, waarbij de tekst
zinnen bevat als ‘De lezer zal zich misschien over het voorafgaande
verwonderd hebben’ (zoals te vinden in 19e-eeuwse historische romans).
Onderzoek naar de expliciete lezer zou de leesverwachting van de auteur aan het
licht kunnen brengen.
LIT: H. Link. Rezeptionsforschung (1976); R. Segers. Het
lezen van literatuur (1980). [G.J. Vis]
| |
explicit
Letterlijk ‘uitgewikkeld’. Uit de Romeinse
boekrol overgenomen slotformule in
middeleeuwse handschriften, waarmee de kopiist aangaf dat een door hem
afgeschreven tekst voltooid was. De beginformule noemt men het
incipit. Soms is het explicit burlesk, bijv.
‘explicit hic totum / da mihi potum’ (hiermee is alles voltooid;
geef me drank), soms bevat het explicit de titel van de afgeschreven tekst,
bijv. ‘explicit secretum mulieris’ (dit is het eind van Der vrouwen
heimelijkheid).
Bij uitbreiding in codicologische beschrijvingen ook gebruikt als
aanduiding van de laatste regel(s) van een handschrift of fragment voor de
identificatie daarvan, bijv.
Fr. 11 (inc.): ‘ Rigaut die dit heeft verstaen./
Andworde lucase saen.’; (expl.): ‘ Si groetene lieflike
weder./ Vor sine t(ente bede)n si neder.’ (J.B. van der Have.
Roman der Lorreinen. De fragmenten en het geheel, 1990, p. 55).
LIT: Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; Wilpert; W.
Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter (19584), p.
491-534; M. van Doorn en W. Kuiper. ‘Der vrouwen heimlicheid’, in:
Spektator 6 (1976-1977), p. 539-551; B. Bischoff. Paläographie
des römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters
(19862) p. 55-64. [W. Kuiper]
| |
expolitio
Term uit de retorica voor de uitbeelding van een gedachte op
verschillende manieren door daarop in andere formuleringen te variëren.
Een voorbeeld van expolitio is de volgende passage (vs. 411-416) uit
Jeremias de Deckers Goede
Vrydag (1651) (ed.
Buitendijk, 1978):
Men slaet de trouwe borg, die voor all' 's werelds schulden,
De borge, die voor mijn', die voor uw' schulden staet.
Men slaet den teeren rug, die met ons' schelmeryen
Men slaet de schouderen, die d'ons' van slagen vryen;
Men slaet een' God in 't vleesch, een' God en mensch te
gaêr.
Expolitio kan ook opgevat worden als de techniek om een mededeling
uit te diepen, bijvoorbeeld door in te gaan op oorzaak en gevolg, door
tegenwerpingen te noemen, vergelijkingen te maken of door extra argumenten aan
te voeren.
LIT: Lausberg; J. Konst. ‘De retorica van het
‘movere’ in Jeremias de Deckers “Goede Vrydag ofte het Lijden
onses Heeren Jesu Christi”’, in: NTg 83 (1990), p. 298-312;
J.W.H. Konst. Woedende wraakghierigheidt en vruchtelooze weeklachten: de
hartstochten in de Nederlandse tragedie van de zeventiende eeuw (1993), p.
97. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
expositie, expositio of protasis-1
In het
klassieke drama de eerste van de vijf fasen
die ten grondslag liggen aan de vaste indeling in vijf bedrijven, nl.
expositie,
intrige-2,
climax-2,
catastrofe en
peripetie. In de expositie wordt de stof
aangedragen die noodzakelijk is om de toeschouwer op de hoogte te brengen van
wat vooraf is gegaan en die hem in staat moet stellen de rest van het drama te
volgen en te begrijpen. Soms wordt de expositie gegeven in de
proloog, soms is het een
bodeverhaal, soms ook is het een inleiding
door één van de hoofdpersonen. In
Bredero's Spaanschen
Brabander (1617) wordt de expositie gegeven door Jerolimo in de
proloog. In
Vondels Gijsbreght van
Aemstel (1637) door Gijsbreght zelf (vs. 1-162). Ook buiten het
klassieke drama wordt de expositie gebruikt als inleiding voor de lezer of
toeschouwer. In
W.F. Hermans' Het omgekeerde
pension (1953) vormt de expositie onderdeel van de
neventekst.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Brongers; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Laan; Lodewick; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; B. Verhagen.
Dramaturgie (19632); J.H. Winkelman. ‘Arturs hof en
Waleweins avontuur. Interpretatieve indicaties in de expositie van de
Middelnederlandse Walewein’, in: SpL 28 (1986), p. 1-33. [G.J. van
Bork]
| | | |
expressie of uitdrukking
Het zintuiglijk waarneembaar maken van iets innerlijks,
inzonderheid van gevoelens en oordelen. In sommige perioden, bijv. de
romantiek, hechtten kunstenaars en critici veel waarde aan de expressie, en gaf
men prioriteit aan het scheppingsproces (vgl.
genie) en aan de
auteurspoëtica boven categorieën
als de tekst (autotelisch), de wereld (buitentekstuele
werkelijkheid) of de lezer (pragmatiek). Met de adjectief-variant
‘expressief’ wordt veelal dat type teksten aangeduid dat - in
tegenstelling tot persuasieve teksten - gevoelens en oordelen van de schrijver
tot uiting brengt, zoals gebeurt in
lyriek of in een genre als het
dagboek.
Sommigen, zoals
Preminger, verstaan onder de term
‘expression’ datgene wat in de retorica gerekend wordt tot het
terrein van de
elocutio. Een specifieke vorm hiervan is de
klankexpressie.
LIT: Abrams; Lodewick; Preminger; Shipley; Wilpert; C.F.P.
Stutterheim. Stijlleer (1947); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 143-144. [G.J. Vis]
| |
expressionisme
Stroming in de kunst die zich in de eerste decennia van de 20e
eeuw vooral manifesteerde in de beeldende kunst in Frankrijk en
Duitsland en die samen met
dadaïsme,
surrealisme,
futurisme,
kubisme en
constructivisme uit het begin van deze eeuw
onder de noemer van het
modernisme gebracht wordt. De term
expressionisme ontstond n.a.v. de tentoonstelling van schilderwerk van
J.A. Hervé te Parijs
(1901) en verspreidde zich over geheel West-Europa, waar groepen ontstonden als
Les Fauves, Die Brücke en Der Blaue Reiter.
Het expressionisme is antirealistisch in die zin dat het zich
verzet tegen het materialisme van het
naturalisme en haar reproductie van de
werkelijkheid in het kunstwerk, en tegen de zintuigelijkheid van het
impressionisme. Daarvoor in de plaats stelt
het expressionisme de emoties en ideeën die de werkelijkheid in de
beschouwer oproept en de verbondenheid van de mens met het universum (het
kosmische). Voor de beeldende kunst betekent dit een abstracte weergave van de
‘ervaren’ werkelijkheid, zowel in de vorm (non-figuratief) als in
het gebruik van kleuren (bijv. blauwe paarden). Het nieuwe levensgevoel dat in
het expressionisme manifest wordt (in de dubbele betekenis van het woord) is de
directe invloed die de mens op zijn omgeving kan hebben door de daad. De nadruk
komt - vooral na de Eerste Wereldoorlog - te liggen op het dynamische van het
menselijk handelen: explosief, vitaal, kosmisch, sociaal, maar ook agressief,
soms zelfs met fascistische trekken. Die dynamische levenshouding komt bijv.
tot uiting in de titels van de Duitse expressionistische tijdschriften:
Der Sturm (1910-1924), Die Aktion
(1911-1925), Das neue Pathos (1913-1914).
In de literatuur wordt het thema van de natuur verdrongen door dat
van de grote stad en alle aspecten daarvan worden benut: fabriek, machine,
verkeer, reclame, variété, massa enz. Kenmerkend is de dynamiek
van termen als ‘sprong’, ‘spanning’,
‘actie’, ‘ruimte’ e.d.; het zijn sleutelwoorden in de
expressionistische poëzie. Een belangrijk thema is voorts de
kosmische zelfvergroting. De vormgeving
wordt bepaald door de keuze voor het veelzeggende woord boven de volzin, soms
met opoffering van de grammaticaliteit. Men tracht het meest essentiële
uit te drukken door het woord te isoleren en te verabsoluteren door weglating
van de lidwoorden. Ongetwijfeld aan de schilderkunst ontleend zijn de kleuren
die bepaalde emoties, zoals gevaar, felheid, pijn e.d. moeten oproepen:
leven was enkle vlokken violette geur
(H. Marsman, VW, 1963, p. 6).
De maan, die toornig uwe flanken teistert,
wier stralen geel striemtrekken langs uw dij
(H. van den Bergh, VG, 1979, p. 6).
In beide citaten komt tevens het kosmische tot uiting in de
synesthesie en de verbondenheid van mens en
heelal.
Na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde het expressionisme zich tot
humanitair of romantisch expressionisme met
activistische of pacifistische trekken. De Nederlandse auteurs bleven over het
algemeen buiten deze ontwikkeling, waarschijnlijk omdat Nederland niet in deze
oorlog betrokken was.
Herman van den Bergh is de eerste
belangrijke expressionist. Zijn bundel, met de typisch expressionistische titel
De boog (1917), draagt hij op aan
Constant van Wessem. Samen met Van
Wessem en
Ernst Groenevelt redigeerde hij Het
Getij (1916-1924), waarin aarzelend de eerste modernistische manifesten en
expressionistische poëzie verschenen. De poëzie van Van den Bergh is
sterk individualistisch, apolitiek, paganistisch en kosmisch:
Enkelingen zijn macht, menigten verzwakking
daar 't wezen in de groep ten onder gaat
(H. van den Bergh, VG, 1979, p. 23).
Dit individualisme zal het modernisme in Nederland
sterk bepalen, in het bijzonder de poëzie van
Marsman (Verzen, 1923), die
Van den Bergh als zijn voorganger
erkende en sterke invloed onderging van de Duitse expressionisten (
Georg Trakl,
August Stramm e.a.). Ter onderscheiding
van het humanitair expressionisme spreekt men wel van het
kosmisch expressionisme van Van den Bergh en
Marsman. Marsman zelf gebruikte bij voorkeur de term
vitalisme waar het zijn eigen poëzie
betrof. Andere Nederlandse expressionisten zijn o.m.
H. de Vries,
J.J. Slauerhoff,
R. Houwink, voorzover het hun vroege
werk betreft. Voor het expressionisme was ook het tijdschrift De Vrije
Bladen (1924-1931) belangrijk als voortzetting van Het Getij.
In België, dat wel rechtstreeks in de Eerste Wereldoorlog
betrokken was, is het expressionisme veel sterker humanitair gericht geweest.
De belangrijkste auteurs ervan zijn
Wies Moens,
Gaston Burssens,
Victor J. Brunclair en
Marnix Gijsen.
Paul van Ostaijen ontwikkelde zich van
een aanvankelijk humanitair gericht expressionisme (Het
sienjaal, 1918) tot wat hij zelf omschreef als een organisch
expressionisme, de zgn. ‘zuivere lyriek’ van bijv. De
feesten van angst en pijn (1918-1921). Men kan hierbij de vraag
stellen of deze poëzie nog wel expressionistisch genoemd moet worden of
dat beter van
constructivisme gesproken kan worden. Het
belangrijkste expressionistische tijdschrift in België was
Ruimte (1920-1921).
Hoewel veel van de expressionistische verworvenheden in de
literatuur hun weg gevonden hebben, bloedde het expressionisme als stroming in
België na 1921 dood. Marsman proclameerde de dood van het vitalisme in
1933 in Forum (2, 1933, p. 256-259).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; HWR; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert; Het expressionisme.Zes lezingen gehouden door
N.A. Donkersloot, S. Dresden, A.M.W.J. Hammacher e.a. (1954); F. van Passel.
Het tijdschrift Ruimte (1920-1921) als brandpunt van het humanitair
expressionisme (1958); E. Krispijn. ‘Herman van den Bergh, Marsman en
het Noord-Nederlandse expressionisme’, in: De Gids 120 (1958), p.
231-249; A. Lehning. Marsman en het expressionisme (1959); P. Raabe
(red.). Expressionismus. Der Kampf um eine literarische Bewegung (1965);
A. Arnold. Die Literatur des Expressionismus (1966); G. Stuiveling.
‘Herman van den Bergh en de eerste jaren van Het Getij’, in:
Willens en wetens (1967), p. 244-255; P. Hadermann. Het vuur in de
verte (1970); J.J. Oversteegen. Vorm of vent (1970); H. Weisstein
(red.). Expressionism as an international literary phenomenon (1973);
R.S. Furness. Expressionism (1973). [G.J. van Bork]
| |
expungeren
Eén van de wijzen van corrigeren - de meest esthetische -
in een
codex, in een druk uit de periode van de
prototypografie of de
incunabeltijd of in een
manuscript. Onder foutieve letters plaatste
men punten ten teken dat ze genegeerd moesten worden. Een andere wijze van
expungeren is het plaatsen van één punt voor en één
punt na het weg te denken tekstdeel.
Het expungeren kan met
diacritische tekens in een teksteditie als
volgt weergegeven worden: [.a].
In manuscripten wordt het plaatsen van punten onder een geschrapte
tekst toegepast om die tekst weer geldig te maken (impungeren).
LIT: W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962),
p. 165; P.J. Verkruijsse. ‘Over diplomatisch editeren van handschriften
en het gebruik daarbij van diacritische tekens’, in: Spektator 3
(1973-1974), p. 325-346. [P.J. Verkruijsse]
| |
extracorrectie of auteurscorrectie
Elke afwijking van de oorspronkelijke kopij door de auteur op de
drukproef aangegeven. Vaak worden de kosten
hiervan, vooral als het om veel extracorrectie gaat, de auteur in rekening
gebracht.
LIT: BDI; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (1966). [G.J. van Bork]
| | |
|
|