|
|
|
| | | |
objectieve anachronie
Vorm van
anachronie in de vertelwijze die niet
behoort tot de bewustzijnsinhoud van een van de personages in een verhaal, maar
een feitelijke toekomst- of terugverwijzing betreft. Deze objectieve anachronie
staat tegenover de onechte of
subjectieve anachronie, waarbij het om een
door een subject gedachte
retroversie of
anticipatie-1 gaat. Een voorbeeld van
objectieve anachronie komt voor in de vorm van een toekomstverwijzing in
Jan Wolkers' Turks
fruit (1969): ‘Al die kleine gewone dingen wist ze jaren
later nog, toen alles tussen haar en mij al hopeloos voorbij en verloren
was’ (p. 107).
LIT: Bal. [G.J. van Bork]
| |
objectieve bibliografie
Bibliografie die de literatuur beschrijft
die over een bepaalde persoon of een bepaalde zaak verschenen is (secundaire literatuur), dit in tegenstelling tot een
bibliografie van
primaire literatuur die
subjectieve bibliografie heet.
Een voorbeeld van een objectieve
persoons- of
auteursbibliografie is de
Objectieve persoonsbibliografie van G.A. Bredero
1618-1969 (1986) door
E.K. Grootes,
P.C. Punt en
P.J. Verkruijsse.
LIT: A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995),
p. 68. [P.J. Verkruijsse]
| |
oblong of breed formaat
Term uit de bibliografie voor een
formaat waarbij de breedte van een boek
groter is dan de hoogte. Dit formaat wordt verkregen door de vellen bij het
vouwen één- of tweemaal over de lange kant te vouwen in plaats
van consequent over de korte kant, zoals gebruikelijk is. Boeken gedrukt in
oblong-formaat zijn zakboeken, meestal
liedboek(en). De oudste oblong-boeken zijn
Een schoon liedekens-boeck (1543) en de refreinenbundel
van
Jan van Doesborch (1531). Bekende
17e-eeuwse oblong-boeken zijn het Groot lied-boeck (1622)
van Bredero en
Valerius'
Gedenck-clanck (1626).
LIT: BDI; Brongers; C. Schook. Handboekje voor letterzetters,
boekdrukkers en correctors, ed. F.A. Janssen (1981); J.C. Zweijgardt. De
boekdrukkerij, ed. F.A. Janssen en J. Bouman (1986). [P.J. Verkruijsse]
| |
obscenitas
Term uit de retorica voor alles wat het schaamte- en
zedelijkheidsgevoel van het gemiddelde publiek kwetst. De obsceniteit van een
literair werk is dus afhankelijk van de receptie van de gemiddelde lezer, die
de contemporaine maatstaven aanlegt van de gemeenschap waartoe hij behoort.
De discussie over obsceniteit hangt nauw samen met die over
pornografie, maar obsceen is een ruimer
begrip dat niet alleen samenhangt met de beschrijving of afbeelding van
seksuele handelingen, maar ook met godsdienstige en maatschappelijke taboes.
Opmerkelijk is dat gedetailleerde beschrijvingen van moorden en oorlogsmisdaden
zelden of nooit tot de obsceniteiten gerekend worden. Over het algemeen is men
van mening dat de obsceniteit van een boek afgemeten dient te worden aan de
bedoeling, het hoofdthema, en niet aan obsceen taalgebruik in een enkele
passage.
Dat de
censuur het moeilijk heeft met het
definiëren van wat obsceen is, is gebleken bij het geruchtmakende proces
in 1960 over Lady Chatterley's lover (1928) van
D.H. Lawrence, dat voor die tijd alleen in
gekuiste versie mocht verschijnen. Ook het slepende proces wegens godslastering
tegen
Gerard Reve naar aanleiding van
Nader tot U (1966), dat zijn ontknoping vond in Reves
zelfverdediging en vrijspraak voor de Hoge Raad in 1968, heeft te maken met een
van de kenmerken van obscenitas, het vermengen van gewijd en profaan.
LIT: Best; Lausberg; E. en Ph. Kronhausen. Wat is pornografie?
Eros en de vrijheid van drukpers (19633); J. Fekkes. De God
van je tante. Ofwel het ezelproces van G.K. van het Reve (1968); B. Maso.
‘Vilain moz en Corteis parole. Het gevoel voor obsceniteit in de
middeleeuwen’, in: Sociologisch Tijdschrift 10 (1983), p. 411-454;
H. Montgomery Hyde. The Lady Chatterley's lover trial (1990); C.H.
Rolphe. The trial of Lady Chatterley (1990). [W. Kuiper]
| |
obscuritas
Term uit de retorica voor een tegen de helderheid (perspicuitas) indruisende fout, de duisterheid. Deze kan door
verschillende oorzaken ontstaan. De meest voorkomende zijn een te ver
doorgevoerde
brevitas, teveel geaffecteerdheid en te
weinig taalzuiverheid (puritas). Wat betreft dit laatste
kan het gebruik van neologismen, archaïsmen en barbarismen tot onduidelijk
en daarmee onbegrepen en duister taalgebruik leiden. Ook een ingewikkelde
zinsbouw kan obscuritas veroorzaken.
In de renaissance wordt het verwijt van obscuritas niet zelden
gepareerd door naar de eruditie van de beoogde doelgroep (lezers) te verwijzen.
In de Nederlandse vertaling (1696) door
Mattheus Smallegange van
Baltasar Graciáns El
Oráculo Manual (1647) is deze visie duidelijk
vertegenwoordigd. Gracián heeft getracht:
duister te wesen, om met het geringe volk niet gemeensaem te
zijn; of liever, om Groote lieden plaisier te doen (...) somtijts past de
duisterheit wel, om sich van 't gemeen te doen onderscheiden. (B.
Gracián, De konst der wijsheit (1696), fol.
A6r-A7r.)
Uit deze zinsnede mogen we concluderen dat duisterheid en
obscuritas aan het hof gewaardeerde, in ieder geval niet onnut geachte
stijlkwaliteiten waren.
In korte, puntige gedichten als het
epigram-1 dient de obscuritas, als gevolg
van scherpzinnigheid en beknoptheid, vaak een delectatief (delectare) doel. In Nederland is Constantijn Huygens wel eens
een duister dichter genoemd (Hellinga: ‘poésie
obscure’).
LIT: Cuddon; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Myers/Simms; Preminger;
Shipley; W.Gs Hellinga. ‘Document en anecdote’, in: Maatstaf
4 (1956), p. 272-295, m.n. p. 290; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. Duistere
luister. Aspecten van obscuritas (1988); J. Jansen. Brevitas.
Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en stijl in de renaissance
(1995), m.n. p. 423. [P.J. Verkruijsse]
| |
o.c., a.w., l.c. of t.a.p.
De afgekorte vormen ‘o.c.’ en ‘l.c.’ van
de Latijnse woorden ‘opere citato’ (‘in het aangehaalde
werk’), resp. ‘loco citato’ (‘ter aangehaalder
plaatse’) worden gebruikt in
voet- en
eindnoten om te verwijzen naar eerder met
vollediger gegevens aangeduide literatuur. Ook de Nederlandse afkortingen
‘a.w.’ (‘aangehaald werk’) en ‘t.a.p.’
(‘ter aangehaalder plaatse’) worden als zodanig gebruikt.
Een auteur dient ervoor te zorgen dat voor de lezer duidelijk
blijft op welke auteur en titel de verwijzing betrekking heeft. Zo noemt
Knuvelder in deel 1 van zijn Handboek
tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde (19705) in noot
1 op p. 30 ‘
E.R. Curtius, a.w., 63’; via p. 26
noot 1, p. 23 noot 2, 4 en 6, p. 22 noot 2, p. 20 noot 1, p. 19 noot 2, p. 7
noot 1 en 3 en p. 4 noot 1 komt men uiteindelijk op p. 3 in noot 2 bij Curtius'
Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter terecht. De
eerstvolgende vermelding na p. 30 is pas op p. 56 in noot 2 waar Curtius wegens
de wat al te grote afstand als volgt geciteerd wordt: ‘E.R. Curtius,
Europ. Lit., 41963, 62’.
LIT: Brongers; Cuddon; Scott; H.J. Boef (red.).
Afkortingenlijst van de Nederlandse taal (1989). [W. Kuiper]
| |
occupatio
Term uit de poëtica voor een stijlfiguur die de aandacht op
iets of iemand vestigt door middel van de bewering er niet over te willen
spreken (vgl.
praeteritio), zoals bijv. in de
Beatrijs:
Dat ic prisede hare lede,
Sonderlinghe haer scoenhede,
Dats een dinc dat niet en dochte.
(ed.
Meder &
Wilmink, 1995, vs. 23-25).
LIT: Gorp; Metzler; W.P. Gerritsen. Rhetorica en litteratuur in
de middeleeuwen. Drie inleidende colleges (1974), p. III, 3-III, 4. [W.
Kuiper]
| |
octaaf of octet
Term uit de genreleer ter aanduiding van een onderdeel van het
‘klassieke’
sonnet, d.w.z. de eerste acht verzen,
opgebouwd uit twee
kwatrijnen.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp;
Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
octavo
Term uit de bibliografie voor een
formaat dat verkregen wordt door een
vel driemaal te vouwen. De bibliografische
aanduiding is gewoonlijk ‘8o’. Een octavo-katern bestaat dus uit acht
bladen of zestien
bladzijden. De
kettinglijnen bij octavo-formaat lopen
horizontaal en het
watermerk zit - verdeeld in vier stukken op
vier bladen - in de linkerbovenhoek.
Het is mogelijk om een octavo-vel te maken met gebruik van twee
katernsignaturen, zó dat het lijkt of
er twee kwarto-katernen zijn: de vier middelste bladen van het katern worden na
vouwen en snijden verwijderd. Men spreekt dan van octavo-in-vieren
(8o-in-4). Ook is de
opmaak mogelijk in halve vellen met dezelfde
tekst tweemaal gezet. Ook dat is 8o-in-4, maar dan met tweemaal
dezelfde signatuur.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; Scott;
Wilpert; M.J. Pearce. A workbook of analytical and descriptive
bibliography (1970), p. 65-67, 70; P.M. van Cleef. Handboek ter
beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p.
88-89; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 84-107. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
ode
Aanduiding voor een
lierdicht dat, in tegenstelling tot de
hymne, een profaan onderwerp bezingt. Het
heeft meestal een complexe structuur en een aanzienlijke lengte. Sinds de
Oudheid onderscheidt men de
Pindarische ode, met een drieledige opbouw
(zang, tegenzang, toezang), en de
Horatiaanse ode, met een strofische (strofe) opbouw. Beide typen werden in de renaissance
veelvuldig beoefend, o.a. door
Vondel. Vanaf de romantiek kreeg de ode
een meer persoonlijk karakter, zoals bijv. blijkt uit de ‘Ode aan de
vryheyd’ (1790) van
P.J. de Borchgrave en
J. van Looy's ‘Ode aan
Rembrandt’ (1906). Men dient er rekening mee te houden dat niet alle oden
als zodanig worden aangeduid. Zo zou men menige
rei van Vondel kunnen zien als een ode
verwant aan het Pindarische type, terwijl omgekeerd een aanduiding als
‘Ode aan Den Haag’ (1953) van
G. Achterberg betrekking heeft op een
tekst die geen ode is, maar een sonnettencyclus.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; John J. Jump. The ode
(1974). [G.J. Vis]
| |
officia oratoris
De vijf taken van de redenaar in de ars
retorica. Eerst moet hij vaststellen
waarover hij het wil hebben en hoe hij dat wil aanpakken, de
inventio. Daarna moet hij ordening
aanbrengen in de
stof (materia), de
dispositio. Dan komt het uitschrijven en de
verdere stilering van de rede, de
elocutio. In de laatste fase komt het uit
het hoofd leren en het uitspreken van de rede,
memoria en
pronunciatio.
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
offset
Drukkersterm voor een begin 20e eeuw ontwikkeld
procédé voor
vlakdruk, gebaseerd op de eind 18e eeuw
uitgevonden
steendruk. In tegenstelling tot de steendruk
is de offset een indirecte drukmethode, een ‘overzetsysteem’
(offset), dat gebruik maakt van dunne metalen platen in plaats van steen. Deze
platen worden gebogen om een cilinder; al roterend nemen ze op de juiste
plaatsen respectievelijk water en inkt aan. Het beïnkte deel van de plaat
wordt in spiegelbeeld op een rubberdoek op een andere cilinder overgebracht die
vervolgens het beeld aanbrengt op het papier. Voordelen van offset zijn de zeer
hoge druksnelheid, mogelijk gemaakt door de rotatiepers, en de mogelijkheid om
in één drukgang meer kleuren aan te brengen.
De uitvinding van de fotografische technieken is voor de verdere
ontwikkeling van de offset van groot belang geweest, evenals het fotografisch
zetten. Alles wat op de plaat moet komen, kan gefotografeerd worden. Van het
negatief kan een positiefkopie vervaardigd worden die weer spiegelbeeldig op
film wordt gekopieerd en vervolgens leesbaar op de plaat overgebracht. Tot de
uitvinding van het fotografisch zetten, moesten boeken eerst nog in
hoogdruk gezet worden waarna van een zo
scherp mogelijke afdruk een foto gemaakt werd. Ondanks kwaliteitsverlies wordt
veelvuldig van de fotografie gebruik gemaakt om goedkoop
‘herdrukken’ van oudere werken op de markt te brengen, de zgn.
reprints.
Anders dan met boekdruk, waar ongerechtigheden in het zetsel vrij
eenvoudig te corrigeren zijn, moet bij offset bij de montage van de films op
een lichtbak uiterst nauwkeurig te werk gegaan worden omdat correcties op de
pers niet meer mogelijk zijn; er moet dan een nieuwe plaat vervaardigd worden
(de laatste proef waarop correctie mogelijk is, is de
ozalidproef). Dat geldt ook bijv. voor het
vervaardigen van twee
uitgaven van een boek waartoe bij hoogdruk
alleen het
impressum op de titelpagina aangepast hoefde
te worden; bij offset is daarvoor een tweede plaat nodig.
LIT. BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; H. van Krimpen.
Boek over het maken van boeken (1986), p. 79-84, 188-191. [W.
Kuiper]
| |
olim-signatuur
Term uit de bibliografie voor een oude
bibliotheeksignatuur. Voor het
wetenschappelijk onderzoek is het van belang dat bij het omsigneren van boeken
de oude signaturen op het
schutblad niet verwijderd worden opdat
verwijzingen naar exemplaren in oudere publicaties nagetrokken kunnen worden.
Oude bibliotheeksignaturen zijn ook interessant voor de
provenance van een boek.
Een voorbeeld van een gewijzigde signatuur die voor misverstanden
zou kunnen zorgen, is de vermelding op de titelpagina van de facsimile-editie
van de Zeevsche nachtegael (ed.
Meertens/
Verkruijsse, 1982):
‘facsimile-editie van exemplaar PB Zeeland 3 K 1’. Niet alleen de
signatuur is sinds 1982 gewijzigd in 1103 K 1, maar ook de naam van de
bibliotheek is veranderd in Zeeuwse Bibliotheek (ZB). [P.J. Verkruijsse]
| |
ollekebolleke
Vorm van plezier- of knutseldicht; de Nederlandse versie van de
Amerikaanse double dactyl of higgledy-piggledy. Het gedicht omvat
twee vierregelige strofen die elk een afgerond geheel moeten zijn. Regel 1 moet
thematisch afgerond zijn en bestaat vaak uit één, doorgaans
samengesteld, woord dat eveneens een dubbele
dactylus omvat, zoals bijv.
‘anticonceptiepil’ of ‘onoverwinnelijk’. De regels 1-3
en 5-7 bestaan elk uit een dubbele dactylus en de regels 4 en 8 uit
één dactylus plus een beklemtoonde lettergreep, bijv.
‘vadertje Cats’; regel 8 rijmt op regel 4. Dikwijls streeft men
ernaar in de laatste regel een pun (paronomasia) te
geven, maar dat hoeft niet; wel moet het hele gedicht puntig zijn:
(
I. de Wijs,
H. Polzer en
P. Nieuwint. Ollekebollekes.
Nieuwe verzameling, 1976, p. 29).
Het genre, waarvan de eerste voortbrengselen in het Nederlands in
1974 verschenen, is bij uitstek geschikt voor het beoefenen van
gelegenheidspoëzie.
LIT: Boven/Dorleijn; Shipley; Drs. P. en I. de Wijs. Het
rijmschap compleet (1984), p. 22-23, 104-118. [H. Struik]
| |
omarmend rijm
Term uit de prosodie waarmee die vorm van
eindrijm wordt aangeduid die als rijmschema
heeft a b b a, zoals bijv.:
Albert Verwey, ik had u mij gedacht,
Met ernstige oogen en te groote handen
Knutselend in uw kamer allerhande
Maskers en speelgoed waar ge zelf om lacht.
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 517).
LIT: Alphen; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Dupriez-1; Dupriez-2; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Preminger; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
omgekeerde retoriek
Term uit de stijlleer ter aanduiding van een vorm van figuurlijk
taalgebruik (beeldspraak), veelal een
cliché-1, die in zijn
oorspronkelijke, letterlijke betekenis wordt gehanteerd. De term is afkomstig
van
S. Vestdijk, die het volgende voorbeeld
geeft:
Een geur van hoger honing
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 200).
Vestdijk geeft als commentaar:
Deze honing, en de bloemen die de honing leveren, zijn als het
ware ‘bitter’, d.i. ongenietbaar [...] geworden; [...] Nijhoff
maakt hier een rhetorische uitdrukking aan zijn poëtische doeleinden
ondergeschikt, door tot haar oorsprong af te dalen en haar zo een geheel
nieuwe, persoonlijke belichting te verschaffen. (S. Vestdijk. De
glanzende kiemcel, 1969, p. 185).
Aangezien in dit voorbeeldgeval de (al dan niet afgesloten)
figuurlijke betekenis mee kan blijven spelen voor de lezer, is het te
beschouwen als een voorbeeld van
ambiguïteit.
LIT: S. Vestdijk. De glanzende kiemcel (1969), p. 183-186.
[G.J. Vis]
| |
omnibusuitgave
Een van oorsprong Engelse aanduiding (‘omnibus
edition’) voor een goedkope
uitgave van alle of van een aantal werken
van één of meer auteurs in één band. Het betreft
altijd
herdrukken van eerder verschenen, populair
werk voor een groot publiek op goedkoop papier en in een eenvoudige band. In
Engeland is op deze wijze op grote schaal het verzameld werk van
bijv.
Shakespeare en
Oscar Wilde verspreid.
InNederland hebben o.a. de Arbeiderspers en Elsevier dergelijke
uitgaven op de markt gebracht, bijv. van
A.M. de Jong,
Omnibus (1960, waarin Het verraad,
De rijkaard, Frank van Wezels roemruchte
jaren, De schotel) en van
Piet Bakker, Omnibus
(19614, waarin De Slag, Jeugd in de
Pijp, Logboek van de Gratias,
Deining in Zwinderen).
LIT: BDI; Best; Cuddon; Scott. [W. Kuiper]
| |
omniscient point of view zie
alwetende vertelinstantie
| |
omwerking of remaniement
Aanzienlijke inhoudelijke wijziging van een literair werk ten
opzichte van zijn voorbeeldtekst, zonder dat hierbij sprake hoeft te zijn van
vormverandering ten behoeve van een ander medium of publiek (adaptatie,
prozaroman). Als de inhoud niet of
nauwelijks gewijzigd is, spreekt men van een
redactie-2 of
vertaling, indien de afwijkingen matig zijn
van een
bewerking of
versie. Bij een bewerking berusten de
inhoudelijke verschillen met de voorbeeldtekst op details die bij een
samenvatting van beide teksten zouden verdwijnen, bij een omwerking is dit niet
het geval: het verhaal in de samengevatte omwerking verloopt op bepaalde punten
duidelijk anders dan in de samengevatte voorbeeldtekst. Voorbeelden van een
getrouwe vertaling zijn de zgn. Limburgse Aiol en het
eerste stuk van de Ferguut (vs. 1-2592), voorbeelden van
een bewerking vormen de zgn. Vlaamse Ayoel en het tweede stuk van de
Ferguut (vs. 2593-slot), een voorbeeld van een omwerking biedt de
Reinaert.
De driedeling vertaling, bewerking en omwerking is wellicht te
grof en de grenzen tussen de verschillende begrippen zijn diffuus; een tekst
die begint als een vertaling, kan gaandeweg veranderen in een bewerking (de
Ferguut) of zelfs een omwerking (de Reinaert). Wie vervolgens een
tekst helemaal op microniveau onderzoekt, ontdekt afwisselend passages die een
vertaling zijn, dan een bewerking, dan een omwerking, dan weer een bewerking,
een vertaling enz.
LIT: W.P. Gerritsen. ‘Les rélations
littéraires entre la France et Les Pays-Bas au Moyen Age. Quelques
observations sur la technique des traducteurs’, in: Actes du
septième congrès national de la Sociéte Française
de Littérature Comparée, Poitiers 1965 (1967), p. 28-46; F.P.
van Oostrom. ‘Origineel, vertaling, bewerking: een gevecht in Lancelot
en prose, Lancelotcompilatie en Lantsloot van de
Haghedochte’, in: NTg 72 (1979), p. 322-334; W.P. Gerritsen.
‘Vertalingen van Oudfranse literaire werken in het
Middelnederlands’, in: Franse literatuur van de middeleeuwen
(1988), p. 184-207; A.Th. Bouwman. Reinaert en Renart, het dierenepos Van
den vos Reynaerde vergeleken met de Oudfranse Roman de Renart (1991). [H.
Struik]
| |
onbetrouwbaar perspectief
Vertelwijze waarbij het
perspectief zo overheersend bij
één van de personages van een tekst ligt, dat de lezer gevangen
blijft in diens visie op de gebeurtenissen en pas achteraf of geleidelijk
tijdens het lezen tot de conclusie komt dat hij daardoor misleid wordt. Het
onbetrouwbaar perspectief doet zich vooral voor bij de
personale of
ik-vertelwijze, omdat die verteltypen de
lezer het meest dwingend tot identificatie met één der personages
brengen. De lezer komt daardoor voor het dilemma te staan of de vertelde
gebeurtenissen zich werkelijk zo hebben voorgedaan en of de interpretatie ervan
juist is, óf dat hij een (totaal) vertekend beeld krijgt voorgeschoteld.
Bij het
meervoudig perspectief wordt de
objectiviteit, zowel bij de personale als bij de ik-vertelvorm, sterker door
het wisselend point of view.
Er zijn tal van voorbeelden van romans waarin een personage binnen
de verhaalwerkelijkheid liegt, de zaken mooier voorstelt dan ze zijn of een
vertekend beeld van die werkelijkheid ophangt. Beroemde voorbeelden daarvan
zijn Het dagboek van een gek (1835) van
Gogol en Wanhoop
(1937) van
Nabokov. Vaak ook is een kind hoofdpersoon
en dient de lezer diens observaties van een eigen interpretatie te voorzien.
Een goed voorbeeld van een ik-roman met een onbetrouwbaar perspectief is
De keisnijder van Fichtenwald (1976) van
Louis Ferron. Hierin ligt het perspectief
bij de gebochelde Friedolien, die op een zeer speciale wijze aankijkt tegen het
‘sanatorium’ Fichtenwald, dat een concentratiekamp blijkt te
zijn.
LIT: Anbeek/Fontijn; Abrams; Baldick; Boven/Dorleijn;
Herman/Vervaeck; Prince; W.C. Booth. The rhetoric of fiction (1961).
[G.J. van Bork]
| |
onderbetoning, onderbetoonde heffing of stille
heffing
Term uit de prosodie voor een syllabe die, voorkomend in een
metrische (metrum) regel en staande op de plaats van een
heffing, ervaren wordt als een
daling.
Stuiveling, van wie de term afkomstig
is, gebruikt als notatieteken ‘/’ boven de syllabe en geeft als
voorbeeld de zesde syllabe (‘op’) uit de jambische regel
‘Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht’ van
Kloos (Stuiveling 1934, p. 17). Het
verschijnsel veroorzaakt
antimetrie, maar deze vorm van antimetrie
wordt in de voordracht veel minder duidelijk als zodanig ervaren dan die vorm
van antimetrie waarbij een heffing staat op een dalingsplaats. Vaak treedt
onderbetoning op bij
accentverschuiving.
LIT: Bronzwaer; G. Stuiveling. Versbouw en ritme in den tijd
van '80 (1934) p. 13. [G.J. Vis]
| |
onderbetoonde heffing zie
onderbetoning
| |
onderbroken rijm zie
gebroken rijm-1
| |
onderkast
Term uit de drukkerswereld, waarmee aanvankelijk het onderste
gedeelte van een
letterkast werd aangeduid waarin de kleine
letters waren ondergebracht. Later is de term gebruikt voor de letters zelf,
zodat met onderkast niet-kapitalen bedoeld worden. De
kapitalen waren ondergebracht in de
bovenkast. De onderkast in de typografie is
vergelijkbaar met de minuskel (minuskelschrift) in de
paleografie.
LIT: BDI; Brongers; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 33-39; Cornelis Schook. Handboekje
voor letterzetters, boekdrukkers en correctors, 1854 & 1860, ed. F.A.
Janssen (1981), p. 61-80; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e eeuw
(1982), p. 234-239; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p.
75-77. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
onirische taal
Begrip uit de literatuurkritiek en de genreleer, vooral bekend
geworden door het werk van de Franse filosoof en criticus
Gaston Bachelard (1884-1962). Enerzijds
heeft de aanduiding betrekking op die tekstuele gegevens of tekstgehelen die op
inhoudelijke of thematische gronden kunnen worden samengevat met de term
droomliteratuur. Anderzijds wordt er die
taal mee bedoeld die onder invloed staat van de literaire verbeelding als
werkzaam principe in een tekst; in deze zin is onirische taal nauw verwant aan
datgene wat in de romantiek de taal van het
genie wordt genoemd.
In beide betekenissen is onirische taal een veel voorkomend
verschijnsel in de literaire en poëticale geschriften van de surrealisten
(surrealisme), met hun voorliefde voor het onbewuste dat
vooral in de droom tot uitdrukking komt.
LIT: M.N.J. Poulssen. Onirische taal. Gaston Bachelard's
theorieën over de ‘dromende’ literaire verbeelding, getoetst
aan het oeuvre van William Faulkner (1959); A.P. Braakhuis.
‘Onirische taal’, in: NTg 60(1967), p. 401-405. [G.J.
Vis]
| |
onomasticon
Een onomasticon is een woordenboek dat (etymologische)
beschrijvingen bevat van eigennamen (plaats- en persoonsnamen). Tot de
toponymische onomastica behoren bijv. het Toponymisch woordenboek van
België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland
(vóór 1226) (1960) van
M. Gysseling en het daarop gebaseerde
Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen (1962) van
J. de Vries. Een bekend antroponymisch
woordenboek is het Woordenboek van voornamen (1979) van
J. van der Schaar.
LIT: Best; Cuddon; LdMA; Metzler; Wilpert; D. Geeraerts en G.
Janssens. Wegwijs in woordenboeken (1982), p. 88-93; H. Kost. Prisma
van de taal (1990). [P.J. Verkruijsse]
| |
onomatopee zie
klanknabootsing
| |
ontknoping
Neutrale term voor dat deel van een verhaal of toneelstuk waarin
de verwikkelingen worden opgelost en de handeling voor de hoofdpersoon met
mislukking of succes eindigt, de misverstanden de wereld uit worden geholpen
e.d. De term ontknoping is neutraler dan de voor de tragedie veel gebruikte
term
catastrofe. Vaak bestaat de ontknoping uit
het vinden van feiten die tot dan toe aan de hoofdpersoon onbekend waren.
Tekstgenres die sterk van een ontknoping afhankelijk zijn, zijn de
detectiveroman en de
gothic novel. De ontknoping maakt deel uit
van de
plot; men zou kunnen zeggen dat de plot de
voorwaarden schept voor de ontknoping. Niet altijd vormt de ontknoping tevens
het slot van het verhaal of het toneelstuk. Soms volgen nog andere delen, zoals
de
epiloog.
LIT: Abrams; Baldick; Fowler; Prince. [G.J. van Bork]
| |
ontlening
Proces waarbij een auteur
thema's,
motieven, tekstgedeelten of zelfs gehele
teksten ‘leent’ van andere auteurs en ze in zijn werk, al dan niet
in aangepaste vorm, opneemt.
In de Middeleeuwen was dit een gebruikelijke werkwijze: het was
niet belangrijk om oorspronkelijk te zijn; het was voor een auteur zelfs eervol
om een groot voorbeeld na te streven (in de renaissance spreekt men van
imitatio): het denkbeeld dat de
contemporaine mensen dwergen waren, gezeten op de schouders van reuzen
(waardoor zij iets verder konden kijken dan die reuzen), was erg populair.
Het opsporen van ontleningen aan andere werken vergt een grote
belezenheid. De auteurs van
Arturromans konden bij de ontlening van
thema's en motieven putten uit een gigantisch stofcomplex (stof) en zij hebben dit ook veelvuldig gedaan. De
Roman van Walewein (ed.
Van Es, 19762) bijvoorbeeld,
een waarschijnlijk oorspronkelijke Middelnederlandse Arturroman uit de tweede
helft van de 13e eeuw, bevat ontleningen aan andere romans die wat ouder zijn:
de Lantsloot van der Haghedochte (een
bewerking van de Oudfranse Lancelot
en prose) en de Oudfranse Perceval-continuatie van
Gerbert de Montreuil. Op zijn beurt heeft
de auteur van de Moriaen weer aan de Walewein ontleend en bevat
de Ridder metter Mouwen motieven die uit de
Moriaenafkomstig lijken te zijn.
Ontlening hoeft overigens geen proces te zijn waarbij effectbejag
bij het publiek nagestreefd wordt. Wanneer een auteur echter bewust delen van
andere teksten in zijn werk toepast (vgl.
citaat) en daarnaast van zijn publiek
verwacht dat het de verbanden tussen zijn tekst en die andere teksten als
ingrepen van hem identificeert en als belangrijk herkent voor het begrip van de
tekst, is er sprake van
intertekstualiteit. Wanneer daarentegen een
auteur ontleningen opzettelijk maskeert en het ongewenst acht dat ze herkend
worden, kan er sprake zijn van
plagiaat.
LIT: J.D. Janssens. ‘De Arturistiek: een “wout sonder
genade”’, in: SpL 21 (1979), dl. 1, p. 296-318; J.D.
Janssens. ‘Oude en nieuwe wegen in “het woud zonder
genade”’, in: NTg 75 (1982), 291-312; B. Besamusca.
Walewein, Moriaen en de Ridder metter mouwen. Intertekstualiteit in drie
Middelnederlandse Arturromans (1993). [H. Struik]
| |
ontologie
Term uit de filosofie voor de ‘zijnsleer’, overgenomen
in de literatuurwetenschap door
Roman Ingarden ter typering van zijn
eigen theorie over de vraag ‘hoe bestaat het literaire werk en hoe kunnen
wij het kennen?’ Behalve aan de ontologie raakte Ingardens
probleemstelling ook aan de epistemologie (kenleer).
LIT: Cuddon; Scott; R. Ingarden. Das literarische Kunstwerk
(1931; 19602); G. Müller. Über die Seinsweise von
Dichtung (1939; 19682); F.C. Maatje. Literatuurwetenschap
(1970), p. 42, 65; J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding (1981), p. 109.
[G.J. Vis]
| |
ontologisering
Term uit de literatuurwetenschap voor een wijze van interpreteren
(interpretatie) die eruit bestaat dat men een
materiële (empirisch aantoonbare) basis aanneemt voor abstracte
kwaliteiten (bijv. eigenschappen van een literair werk). Deze handelwijze -
o.m. te vinden bij sommige vertegenwoordigers van de
Geistesgeschichte - is later sterk
bekritiseerd. Bezwaar werd gemaakt tegen een manier van interpreteren die een
bepaalde (subjectieve) zienswijze liet doorgaan voor (objectief) feit. Ook vond
men het ontoelaatbaar (
Arnold/
Sinemus) dat sommige theoretische
begrippen (bijv. hypothetische constructies) werden gehanteerd als hadden ze
deugdelijk (empirisch) fundament; ten onrechte zou op deze begrippen
ontologisering worden ‘toegepast’.
LIT: H.L. Arnold en V. Sinemus. Grundzüge der Literatur-
und Sprachwissenschaft1(19753), p. 482; J.J. Oversteegen.
Anastasio en de schaal van Richter (1985), p. 198-218. [G.J. Vis]
| |
ontrijming of dérimage
Proces waarbij verzen van een bestaande rijmende tekst in proza
worden omgezet. Het gebruik van proza voor fictionele teksten wordt in de
Nederlanden pas min of meer standaard na de introductie van de drukpers.
Bestaande rijmteksten die in druk worden uitgegeven, worden daarvoor omgewerkt
(omwerking) tot proza. De gedrukte versies van de
middeleeuwse ridderepiek hebben er - samen met een nogal heterogene groep
andere teksten uit de 15e en 16e eeuw - de naam
prozaroman aan te danken. Ironisch genoeg
wordt aan het begin van de 16e eeuw een groot aantal van deze prozaromans weer
verrijkt met refreinen en andere verzen om ze te laten doorgaan voor
rederijkersliteratuur.
Ontrijming is overigens niet zo'n ingrijpend proces: de
rijmwoorden schemeren vaak door het proza heen (rijmresten), zoals blijkt als de verzen 1276-1295 van
Reynaerts Historie (ed.
Martin, 1874, p. 140 of ed.
Lulofs, 19852, vs. 1258-1275)
worden vergeleken met de hieronder afgedrukte prozatekst van Die
Hystorie van Reynaert die Vos uit 1479:
Die naecte paep hief op ende soude enen groten slach slaen. ende
Tybert sach en wel dat hi ymmer sterven moeste Daer vermande hi hem. ende voer
den pape tusschen sine beenen mitten claeuwen ende mitten tanden Also dat hi
hem sinen rechteren cul of haelde Desen spronck bequam den paep so qualiken
ende tot groten scanden Dit dinc viel neder op die vloer Vrouwe iulocke dit
vernam ende swoer groflick bi hoer vaders siele. si woude dattet hoer ghecost
waer die offerhande van enen heelen iaer dat den paep die scade die scande ende
die leemte niet ghesciet en waer. (Ed.
Muller &
Logeman, 1892, p. 29, rr. 14-25).
Het gebruik van proza voor fictionele teksten hangt niet alleen
samen met een geleidelijke overgang van een luister- naar een leescultuur,
waarbinnen de functionele waarde van het rijm vermindert, maar lijkt ook aan te
sluiten bij een mentaliteitsverandering die zich vanaf de 14e eeuw voltrekt.
Ten opzichte van rijm claimt het gebruik van proza namelijk op twee specifieke
punten een meerwaarde: kortheid en waarheid. De
rijmdwang kan het gebruik van het juiste
woord op een rijmpositie onmogelijk maken. De schrijver kan dus omwille van het
rijm gebonden zijn aan omslachtige en minder correcte of zelfs leugenachtige
formuleringen. In de 15e eeuw wordt het proza de overheersende vorm voor
literatuur in de volkstaal.
Toch blijft een aantal teksten in ongewijzigde vorm als rijmtekst
populair: van de Historie van coninck Karel ende van
Elegast zijn tot 1600 van zeven verschillende edities exemplaren
bewaard gebleven.
LIT: O.S.H. Lie. ‘What is truth? The verse-prose debate in
Medieval Dutch literature’, in: Queeste 1 (1994), p. 34-65. [H.
Struik]
| | | |
ontwikkelingsroman
Roman waarin het proces van geestelijke en lichamelijke groei van
de hoofdpersoon tot zijn volwassenheid centraal staat. Het verschil met de
Bildungsroman is niet altijd precies aan te
geven; sommigen maken dan ook geen verschil. Niettemin wordt de nadruk bij de
Bildungsroman doorgaans gelegd op het opvoedingselement als kenmerk. Een goed
voorbeeld van een ontwikkelingsroman is
James Joyce's A portrait of
the artist as a young man (1916). Nederlandse voorbeelden zijn
Multatuli's Woutertje
Pieterse (1870-1875) en
S. Vestdijks Anton Wachter-romans.
LIT: Best; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
onzuivere poëzie of impure poëzie
Poëticale term door
A.L. Sötemann geplaatst tegenover
de term
zuivere poëzie, een door hem gebruikt
begrippenpaar om de twee modernistische tradities in de West-Europese
poëzie te karakteriseren. Onder onzuivere poëzie wordt in dat verband
poëzie verstaan die geen doel in zichzelf kent (autonomiebewegingen), maar middel is om andere doelstellingen
te verwezenlijken. Voor de dichters van de onzuivere-poëzietraditie staat
een sociale of maatschappelijke functie van het kunstwerk op de voorgrond.
Sötemann geeft als voorbeeld van een ‘impure’ dichter
Sybren Polet, die hij met zijn
poëzieopvattingen plaatst tegenover de ‘pure’ dichter
Gerrit Kouwenaar.
De term ‘onzuivere poëzie’ vertoont uiteraard
verwantschap of overlapping met termen als
pragmatische literatuur en
tendensliteratuur.
LIT: A.L. Sötemann. ‘Twee modernistische tradities in
de Europese poëzie’, in: Over poëtica en poëzie
(1985), p. 77-94. [G.J. van Bork]
| |
oogrijm, eye-rhyme of visueel rijm
Term uit de versleer ter aanduiding van een typografisch
verschijnsel waarvan de naam ten onrechte de indruk wekt dat het noodzakelijk
iets met
klank of
rijm te maken heeft. Het ontleent zijn naam
aan de omstandigheid dat het in dezelfde situaties optreedt als
eindrijm. Wat herhaald wordt, is niet de
klank, maar zijn de lettertekens. Het komt voornamelijk voor in de Engelstalige
literatuur. Vandaar de ook in Nederland veel gebruikte term
‘eye-rhyme’.
Kees Stip maakt van dit fenomeen gebruik
in zijn gedicht ‘Op een grasmus’:
Te Rotterdam begon een grasmus
zijn nest te bouwen in Erasmus.
‘Hij nestelt goed’, zo sprak het beest,
‘hoewel het meeste dat men leest
gelijkt op rijst met pere jus.’
(K. Stip. Lachen in een leeuw, 1993, p.
106).
Er zijn oudere teksten met vormen van oogrijm die destijds vormen
van eindrijm zijn geweest, in het Duits ook wel ‘historischer Reim’
genoemd (historisch rijm), zoals bijv. in:
Ben ick van Duytschen bloet,
Blijf ick tot inden doet.
(Het geuzenliedboek, ed.
P. Leendertz Jr., dl. 1, 1924, p.
97).
De combinatie ‘o+e’ kon in de 16e eeuw de oe-klank
vertegenwoordigen, maar de ‘e’ kon ook als verlengklinker fungeren
voor de eraan voorafgaande klinker; in dit geval kon men dus ‘doet’
schrijven en ‘doot’ uitspreken.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Lodewick; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
oordeel
Geformuleerde mening van de criticus (kritiek) of de beoefenaar van de literatuurwetenschap over het
literaire werk, mede op basis van
smaak en
conventie. In het oordeel worden kwesties
van smaak vaak op een rationele manier verwoord.
In de geschiedenis van de literatuurbeschouwing van renaissance
tot romantiek is het oordeel vaak meer gericht op de vormgevingsverschijnselen
van de tekst dan op de achterliggende gevoelens of gedachten. Vandaar een nauwe
verwantschap in die periode tussen het oordeel en de
stijlleer. In de 20e eeuw wordt dit verband
veel losser en krijgt de term een wisselend scala aan betekenissen (gevoelen,
opinie, evaluatie e.a.). Richtinggevend voor een fundering van het begrip
‘oordeel’ in de literaire kritiek werd de artikelenreeks
‘Analyse en oordeel’ van
J.J. Oversteegen in het tijdschrift
Merlyn (1964). Wat betreft de literatuurgeschiedenis, zowel in heden als
verleden, is het van belang te constateren dat het oordeel in hoge mate
bepalend is voor de vorming van de
canon en afhankelijk van de per periode
veranderende literatuuropvattingen.
LIT: Shipley; J.J.A. Mooij. ‘Problemen rondom literaire
waardeoordelen’, in: De Gids 136 (1973), p. 461-473; H.T.
Boonstra. ‘Van waardeoordeel tot literatuuropvatting’, in: De
Gids142 (1979), p. 243-253; P.F. Schmitz. Kritiek en criteria
(1979); J.J. Oversteegen. Anastasio en de schaal van Richter (1986), p.
189-199. [G.J. Vis]
| |
oorkonde
Term uit de oorkondeleer en archivistiek voor een in plechtige
vorm opgestelde
akte-1. De opbouw van een oorkonde verloopt
via het zgn. protocol met de namen van de oorkonder en die van degeen voor wie
het stuk bestemd is en een groetformule, via de
dispositio (de uiteenzetting van de motieven
voor de juridische beslissing) naar het zgn. eschatocol, de eindformule met de
getuigen en de datering. De uiterlijke kenmerken (oorkondeschrift, zegel e.d.) worden bepaald door de kanselarij
waar de oorkonde vervaardigd wordt.
LIT: BDI; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
oorkondeleer of diplomatiek
Wetenschap die
oorkonden en
akten-1 typeert en beschrijft naar hun vorm.
Aanvankelijk is de diplomatiek vooral onderzoek naar de echtheid van oorkonden
(verificatio), waarbij het
oorkondeschrift mede bepalend kon zijn
(paleografie). Ruzie tussen jezuïeten en
benedictijnen heeft geleid tot de eerste wetenschappelijke publicaties op dit
gebied, nl. van
Daniël van Papenbroeck S.J. (1675)
en
Jean Mabillon (1681). Het werk van
Mabillon werd voortgezet door de benedictijnen
Toustain en
Tassin (1750-65), later door de Ecole
des Chartes, in 1821 opgericht inParijs.
O. Oppermann en
H. Pirenne hebben de diplomatiek
inNederland, respectievelijk België
geïntroduceerd.
LIT: BDI. [P.J. Verkruijsse]
| |
oorkondeschrift
Term uit de paleografie voor de pre-Karolingische schriftvormen
die tot de 11e eeuw op keizerlijke en koninklijke kanselarijen gebruikt werden
voor het schrijven van
oorkonden. Deze bijzonder smal gevormde
letters staan bekend als Merovingische cursief of diplomatische minuskel en ze
worden verder gekenmerkt door buitensporig verlengde stokken en schachten. De
diverse varianten van het oorkondeschrift worden in de loop van de 10e eeuw
verdrongen door de Karolingische minuskel.
LIT: B. Engelhart & J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882). [P.J. Verkruijsse]
| |
oorlogsliteratuur
In feite kan hieronder worden verstaan alle literatuur die de
oorlog als voornaamste onderwerp heeft, maar de term is eigenlijk van
toepassing op de literatuur van en over de beide laatste wereldoorlogen.
Het verschil met oudere literatuur over oorlogen, zoals de
ridderepiek met zijn krijgshandelingen, of het oorlogsepos bij uitstek,
Homerus' Ilias,
zit vooral in de beschrijving van de held of de heroïek van de veldslagen,
waarin dapperheid, kameraadschap, trouw en zelfopoffering de centrale thema's
waren. Helden hebben doorgaans plaatsgemaakt voor antihelden, of liever voor de
zinloosheid van de oorlog en haar slachtoffers, en waar dat niet het geval was,
kon dat ontmaskerd worden als ‘mannenfantasie’ (Theweleit).
Beroemde oorlogsliteratuur van in of na de Eerste Wereldoorlog is
o.m.
Ernest Hemingway's A farewell
to arms (1929),
E.M. Remarque's Im Westen nichts
Neues (1929) en de poëzie van de ‘war poets’ in
1914 and other poems. België, dat in tegenstelling tot
Nederland wel bij de Eerste Wereldoorlog betrokken was, heeft veel
oorlogsliteratuur als gevolg daarvan:
Daan Boens' Van glorie en
lijden (1917),
Aug. van Cauwelaerts Liederen
van droom en daad (1918),
Ernest Claes'
Oorlogsnovellen (1919) en
F. de Pillecijns De
rit (1927).
Na de Tweede Wereldoorlog beleefde de oorlogsliteratuur een nieuwe
hausse. Er dient in dit verband onderscheid gemaakt te worden tussen
clandestiene literatuur,
verzetsliteratuur of illegale literatuur en
oorlogsliteratuur. Clandestiene of illegale literatuur hoeft niet per se de
oorlog tot onderwerp te hebben, terwijl verzetsliteratuur steeds tegen de
onderdrukker gericht is. De meeste oorlogsliteratuur verscheen na de oorlog.
Bekende voorbeelden van na 1945 zijn
L.P. Boons Mijn kleine
oorlog (1946),
P. van Akens Alleen de doden
ontkomen (1947),
Marga Minco's Het bittere
kruid (1957),
S. Vestdijks
Bevrijdingsfeest (1958) en
W.F. Hermans' De donkere kamer
van Damocles (1958). Er werd tijdens en na de oorlog ook
oorlogspoëzie gepubliceerd, o.m. van
Maurits Mok,
Ed Hoornik en
J.C. Bloem.
LIT: Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; J. Vic. La
littérature de guerre (2 dln., 1923-1924); C.B. Falls. War
books (1930); ‘Nationale snipperdag’, bijz. nr. van Critisch
Bulletin 21 (1954); B. Bergonzi. Heroes twilight: a study of the
literature of the great war (1965); P.A. Veldheer. ‘De
oorlogsroman’, in: Lezerskrant 6 (1979) 2; K. Theweleit.
Männerphantasien (2 dln., 19802). [G.J. van Bork]
| |
oosters kwatrijn zie
Perzisch kwatrijn
| |
oosterse roman of byzantijnse roman
Verzamelnaam voor die middeleeuwse
(hoofse) romans die ofwel hun
stof (materie) voor een deel ontlenen aan de
Arabische literatuur dan wel zich (grotendeels) in de Oriënt afspelen.
Als belangrijkste representant van de oosterse roman noemt men de
rond 1275 door
Diederic van Assenede uit het Oudfrans
vertaalde Floris ende Blancefloer (ed.
Mak, 19804). Tegenwoordig neigt
men ertoe dit werk te classificeren als een (hoofse)
Karelroman: Floris en Blancefloer zijn immers
de grootouders van
Karel de Grote, zoals vermeld wordt in de
epiloog (vs. 3959-3967). In de Oudfranse
Floire et Blancheflor (ca. 1160) wordt dit feit echter
nadrukkelijk in de
proloog meegedeeld. Van de oosterse roman als
aparte groep blijft dan verder weinig over, omdat de overige romans gemakkelijk
ondergebracht kunnen worden in andere groepen: de
kruisvaartroman (bijv.
Hughe van Bordeus, Seghelijn van
Jherusalem, ed.
Claassens, 1993) en de
Alexanderroman (
Jacob van Maerlants Alexanders
Geesten, ed.
Franck, 1882).
LIT: Buddingh'; Gorp; Knuvelder; Laan; MEW; G.M.H. Claassens.
De Middelnederlandse kruisvaartromans (1993); L.J. Engels.
‘Alexander de Grote’, in: W.P. Gerritsen & A.G. van Melle
(red.). Van Aiol tot Zwaanridder, Personages uit de middeleeuwse
verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst
(1993), p. 19-30. [H. Struik]
| |
opbouwformule of katernformule
Term uit de codicologie en de analytische bibliografie voor de
formule waarmee de opbouw van een
codex of van een
exemplaar van een
druk of
oplage wordt weergegeven, m.a.w. hoeveel
bladen er in dat bepaalde exemplaar aanwezig zijn. De opbouwformule wordt ook
wel
collatieformule genoemd, maar - zeker in de
analytische bibliografie - kan men deze laatste term beter reserveren voor de
opbouw van de
ideal copy. Codicologie en analytische
bibliografie hanteren verschillende formules.
Binnen de codicologie wordt meestal de zgn. katernformule van
Löffler gebruikt, waarin het aantal
dubbelbladen per katern wordt aangeduid met
een romeins cijfer en het aantal katernen met een arabisch cijfer. Doorgaans
voegt men tussen ronde haken het subtotaal der
bladen-2 toe. Toegevoegde of ontbrekende
bladen worden weergegeven met een plus- of min-teken, bijv. 3V (30) + I (32)
geeft de opbouwformule van de Ferguut-codex (Leiden, UB,
Ltk. 191), nl. 3
quinio's die tezamen 30 folia bevatten plus
één bifolium, wat het totale aantal bladen op 32 brengt. Zou in
het bovengenoemde voorbeeld één blad uit het derde katern
verwijderd zijn, dan zou de formule luiden: 2V (20) + V-1 (29) + I (31).
De opbouwformule in de analytische bibliografie wordt voorafgegaan
door de aanduiding van het bibliografische
formaat van het desbetreffende boek. Ze
bestaat uit een opgave van het aantal
katernen en d.m.v. een bovengeschreven
cijfer het aantal bladen per katern. Tussen haakjes worden toegevoegde,
vervangende (cancels) of ontbrekende bladen aangegeven
met resp. +, ± en -, en na een ‘$’-teken het aantal bladen
dat per katern gesigneerd is. Toegevoegde bladen in het
voorwerk worden aangeduid met
‘π’; in het hoofdwerk met ‘χ’, bijv.
8o: *8(±*2) π4 A-E8
F8(-F8) G-K8
L8(L6+χ) M-Y8 Z4 [$5 (- *1, *2,
A1; + B6); Z4 $3]. Dit betekent: dit exemplaar van de desbetreffende
octavo-druk telt 192 bladen, nl. een katern van acht gesigneerde en een katern
van vier ongesigneerde bladen in het voorwerk + 22 katernen van acht bladen (de
letters J, U en W worden in het bibliografische alfabet niet gebruikt) en een
katern van vier bladen in het hoofdwerk; in het voorwerk is het tweede blad van
het asterisk-katern een cancel; in het F-katern ontbreekt het laatste blad; in
het L-katern is tussen het zesde en zevende blad een extra niet-gesigneerd blad
toegevoegd; alle katernen zijn tot en met het vijfde blad gesigneerd, behalve
het Z-katern dat slechts drie gesigneerde bladen heeft; op de eerste twee
bladen van het asterisk-katern is geen
katernsignatuur geplaatst evenals op het
eerste blad van het A-katern; een extra signatuur daarentegen bevindt zich op
blad 6 van het B-katern.
LIT: betreffende codicologie: W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren.
‘Codicologie en filologie’, in: SpL 6 (1962), p. 312-316;
J.M.M. Hermans & G.C. Huisman. De descriptione codicum
(19813), p. 25-28; betreffende analytische bibliografie: W.W. Greg.
‘A formulary of collation’, in: The Library, 4th series, 14
(1934), p. 365-382; F. Bowers. Principles of bibliographical description
(1949), p. 196-254; W.W. Greg. A bibliography of the English printed drama
to the Restoration, vol. 4 (1959), p. I-CLXXIV; M.J. Pearce. A workbook
of analytical & descriptive bibliography (1970), p. 73-95; Ph. Gaskell.
A new introduction to bibliography (19742), p. 328-332; P.J.
Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983), p. 43-44. [P.J.
Verkruijsse]
| |
opdracht of dedicatie
Geschreven of gedrukte mededeling van een auteur of
drukker/uitgever voor in een boek of in een exemplaar daarvan, dat hij het
desbetreffende werk opdraagt aan een bepaalde persoon of instantie.
In de Middeleeuwen was de opdracht doorgaans in de
proloog verwerkt en gericht aan de
opdrachtgever of mecenas (mecenaat), zoals bijv. in
Jan van Boendales Der leken
spiegel:
Ic hope het sal ghenoeghen wale
Minen heer van Levedale
1,
Minen heer Rogier ende mijnre vrouwen
2,
Die goede dinghe gherne scouwen,
Ende in die scrifture hebben jolijt.
(ed.
De Vries, dl.1, 1844, vs. 47-51).
De bedoeling van de auteur was het boek aanzien te geven en
mogelijkerwijs de voorwaarden te scheppen voor de continuering van de
begunstiging: aan het boek zelf verdiende hij namelijk niets. Anderzijds was de
opdracht vleiend voor de in de opdracht genoemde persoon (destinataris).
Middeleeuwse handschriften die ook werkelijk bedoeld geweest zijn
voor de opdrachtgever (het dedicatiehandschrift) zijn zeldzaam; meestal zijn
alleen één of meer kopieën van dat handschrift overgeleverd.
Van
Dirc van Delfts Tafel vander
kersten ghelove is het dedicatiehandschrift voor
graaf Albrecht van Beieren wel bewaard
gebleven.
In zeer veel gevallen is het voorkomen van een gedrukte opdracht
aan wereldlijke en kerkelijke overheden en aan rijke particulieren een
aanwijzing voor
mecenaat. In een aantal gevallen is met een
opdracht geen financieel belang gemoeid, zoals bij
Vondels ‘Dedicatie aende
jonck-vrouwen vant Nederlandt’ in de waarschijnlijk door hem geredigeerde
bundel Den nieuwen verbeterden lust-hof (1607).
Het aantal boeken met opdracht gericht aan de Staten van Holland
liep in financieel opzicht dusdanig uit de hand dat daaraan bij resoluties uit
1632 en 1657 paal en perk werd gesteld.
Een auteur kon zich in een opdracht tot meer instanties tegelijk
wenden. Zo richt
E. Poppius zich in de opdracht van
De enge poorte (1630) tot zowel de Staten van Holland,
als de bestuurders van Amsterdam én die van
Gouda. Soms ook werd het voorwerk aangepast aan een andere
instantie via een
cancel, zodat hetzelfde boek met verschillende
opdrachten verscheen.
Handgeschreven opdrachten van auteurs aan vrienden en bekenden in
een exemplaar van hun werk verschaffen zo'n exemplaar antiquarische meerwaarde
en kunnen een bijdrage leveren aan de biografie van de auteur.
Opdrachten in moderne boeken zijn vaak bestemd voor ‘hen die
wij liefhebben’: ouders, kinderen of partners, die de auteur hebben
gesteund en die soms hebben geleden onder diens arbeid. Wetenschappelijke
studies worden nog wel eens opgedragen aan leermeesters of beroemde
voorgangers.
LIT: Alphen; BDI; Best; Brongers; Feather; Hiller; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Wilpert; J. Bumke. Mäzene im Mittelalter. Die Gönner
und Auftraggeber der höfischen Literatur in Deutschland 1150-1300
(1979); J.J.V.M. de Vet. ‘Maecenaat in de pruikentijd’, in:
Handelingen van het 38e Nederlands Filologencongres 1984 (1985), p.
149-175; F.P. van Oostrom. Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse
hof omstreeks 1400 (1987); P.J. Verkruijsse. ‘Het boekenmecenaat in
de zeventiende eeuw’, in: Cultuur en economie, thema-nr. De
Zeventiende Eeuw 6 (1990), p. 137-143; M. Spies. ‘Betaald werk?
Poëzie als ambacht in de 17e eeuw’, in: Kunst in opdracht in de
Gouden Eeuw, thema-nr. van Holland23 (1991), p. 210-224; P.J.
Verkruijsse. ‘Holland “gedediceerd”; boekopdrachten in
Holland in de 17e eeuw’, in: Kunst in opdracht in de Gouden Eeuw,
thema-nr. van Holland23 (1991), p. 225-242; A. Korteweg. Voor Mies,
van Maarten. Exemplaren met opdracht, een verkenning (1992); F. van
Oostrom. Maerlants wereld (1996). [P.J. Verkruijsse/H. Struik]
| |
open couplet
Aan de Engelse letterkunde ontleende term voor een tweeregelige
eenheid met gepaard rijm waarin een gedachte nog niet geheel is uitgeschreven,
zodat de mededeling doorloopt in één of meer volgende regels. Als
voorbeeld kan het gedicht ‘Reflex’ van
G. Achterberggelden:
De nacht liet het verlies in droom genezen
en van uw lichaam de vertederingen lezen.
Maar 's morgens heeft het licht zich weer verzet
tegen een liefde, die zo nauwgezet
omhelzingen herhaalde, of geen graf
u enkel maar voor deze stonde gaf.
(G. Achterberg. VG, 19745, p. 151).
LIT: Cuddon; Myers/Simms; Scott. [G.J. Vis]
| |
open plek
Term uit de receptie-esthetica afkomstig van
W. Iser. Hij bedoelde hiermee het effect
in een tekst, dat bepaalde voor de structuur van het verhaal relevante
informatie niet of nauwelijks wordt meegedeeld. Het is aan de lezer om die
informatie zelf in te vullen, waarmee de lezer dan zijn esthetische respons
geeft waarvoor de onbepaaldheid, voortkomend uit de open plek, de fundamentele
voorwaarde is. Aldus wordt de verbeelding van de lezer geactiveerd. Vandaar dat
de ‘open plek’ geen manco in de tekst is, maar volgens Iser juist
een belangrijk positief gegeven als schakel tussen tekst en lezer.
LIT: H. Link. Rezeptionsforschung (1976); R. Segers. Het
lezen van literatuur (1980); E. Andringa. ‘Open plekken’, in:
W. van Peer en K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 120-126.
[G.J. Vis]
| |
open variant
Term uit de editietechniek voor een
variant in een
manuscript die als equivalent naast een
eerdere versie gegeven wordt zonder die te vervangen. De auteur heeft in het
geval van open varianten nog geen keuze bepaald; dat gebeurt eventueel pas in
een later stadium, hetzij in het manuscript waarin een van de mogelijkheden
uiteindelijk geschrapt wordt, hetzij in de
kopij voor een geplande druk.
Veel open varianten kan men aantreffen in de Rijmkladboeken van
P.C. Hooft, bijv. in het gedicht
‘Dartelavondt’, waarin telkens de tweede helft van iedere strofe
een equivalent met het opschrift ‘anders’ dwars in de marge heeft
gekregen. Uiteindelijk heeft Hooft alle regels van de tweede helft van de
strofen doorgehaald, evenals ‘anders’ boven de regels in de marge,
waardoor de open variant ongedaan werd gemaakt (vgl. Hs. II C 14 UB Amsterdam,
p. 397-399 en P.C. Hooft. Gedichten, ed.
Leendertz/
Stoett, dl. 1, 1899, p. 176-177; dl. 2,
1900, p. 466-467).
LIT: Mathijsen. [P.J. Verkruijsse]
| |
opening
Term uit de bibliografie voor de twee naast elkaar liggende
pagina's die men ziet wanneer men een boek op een willekeurige plaats
openslaat. In een opening bevindt zich links altijd een
verso-zijde van een blad (met een even
paginanummer) en rechts altijd een
recto-zijde (met een oneven paginanummer).
In een
codex treft men normaliter in een opening
altijd óf twee
haarzijden óf twee
vleeszijden van het perkament aan (regel van
Gregory).
LIT: BDI; Brongers; J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De
descriptione codicum (19813), p. 18-19. [P.J. Verkruijsse]
| |
opera
Term uit de muzikale en literaire genreleer voor een
(hoofdzakelijk) gezongen toneelstuk met muzikale begeleiding, gebaseerd op een
bestaand of een speciaal daarvoor geschreven
libretto. De inhoud is gewoonlijk van
ernstige aard (opera seria), maar soms ook luchtig en kluchtig (opera buffa;
operette).
De eerste opera-uitvoering in Nederland, die van
Isis van
Jean-Baptiste Lully, vond plaats in 1677
bij de heropening van de Schouwburg.
Vondels Faëton
werd in een bewerking van
Govert Bidloo ‘met balletten en
musijck’ opgevoerd in 1685, maar op enkele incidentele opvoeringen van
dit stuk in de 18e eeuw na kwamen er geen opera's op de planken. Bidloo is ook
de auteur van de Opera op de zinspreuk ‘Zonder spys en wyn kan
geen liefde zyn’ (1686).
Belangrijk is de oprichting van de Wagnervereniging (1883) en de
sinds 1886 ondernomen actie van de Hollandsche Opera ten gunste van de
Nederlandstalige opera onder de stimulerende leiding van
J.G. de Groot. Van de oorspronkelijke
Nederlandse opera's uit de 20e eeuw verdienen o.a. vermelding
Willem Pijpers
Halewijn (1933) op tekst van
M. Nijhoff,
Philomela (1934) van
H. Andriessen op tekst van
J. Engelman,
Reconstructie (1969) van
H. Claus,
H. Mulisch en
P. Schat, Naïma
(1985) van
Th. Loevendie en
Ithaka (1986) van
K. Hin en
O. Ketting.
In tegenstelling tot het
oratorium wordt de opera altijd scenisch
opgevoerd. In dat opzicht is de opera verwant aan het
zangspel.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; S.A.M. Bottenheim. De opera in Nederland (1946); E.
Reeser. Een eeuw Nederlandse muziek (1950); K.Ph. Bernet Kempers.
Muziekgeschiedenis (19656); L. Riemens. Groot operaboek
(19744); J.W. Hofstra (red.). Prisma van de opera (1990);
R.A. Rasch, ‘19 februari 1685: Onder regie van Govard Bidloo wordt
Vondels Faëton opgevoerd als een muziekdramatische show; toneel en muziek
aan het eind van de zeventiende eeuw’, in: R.L. Erenstein (hoofdred.).
Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996), p.272-277. [G.J.
Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
opera omnia zie
verzameld werk
| | | |
operette
Zangspel dat in tegenstelling tot de meeste
opera's een lichte inhoud heeft en doorgaans
dan ook een goede afloop kent. De operette bestaat uit een luchtig verhaal (het
libretto), dat deels gesproken en deels
gezongen wordt in solo's, duetten, koorzang etc., met begeleiding van
orkestmuziek. De operette heeft zich ontwikkeld uit de opera buffa, de
opéra comique en de vaudeville.
J. Offenbach wordt gezien als de eerste
belangrijke operettecomponist met Pépito (1853),
Orphée aux enfers (1854) en La belle
Hélène (1864) waarin hij de wals, de galop en de
cancan verwerkte en tevens de opera parodieerde. Met name de Weense operette
heeft een grote faam met componisten als
Frans von Suppé
(Boccacio, 1879),
Johan Strauss (Die
Fledermaus, 1874) en
Oscar Strauss (Ein
Walzertraum, 1907). Beroemde andere operettecomponisten zijn
Emmerich Kàlman (Die
Czardasfürstin, 1915) en
Frans Lehar (Das Land des
Lächelns, 1930). In Amerika ontwikkelde zich uit
de operette de
musical met als overgangsfiguur
S. Romberg met The desert
song (1926).
In Nederland ontstond aan het begin van deze eeuw een
opvoeringstraditie (o.m. onder leiding van de Bouwmeesters), maar een
belangrijke operetteproductie hebben wij niet gekend, terwijl er na de Tweede
Wereldoorlog wel een musicaltraditie ontstond. Toch werden er wel enkele
Nederlandstalige operettes geschreven, zoals Sepp'l
(1926) van
Emiel Hullebroeck en
Marijke (1942) van
Jan Vogel (muziek) en
Anton Beuving (tekst).
Evenals de
musical is de operette een directe opvolger
van het
zangspel. Sommigen (
K. ter Laan) noemen de ‘singhende
klucht’ Melis Tyssen van
J.Jz. Starter een operette. Het genre
heeft in de Nederlandstalige situatie ook producties opgeleverd die bedoeld
zijn voor opvoering voor kinderen, zoals het in de jaren ‘30 geschreven
‘kinderzangspel’ Zigeunerleven van
A.J. van der Knaap met muziek van
Anton Th. Vis, dat veel op scholen werd
uitgevoerd.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Laan; MEW; Shipley; Wilpert; B. Grun.
Kulturgeschichte der Operette (19672); F. Bredschneyder.
Nieuw operette en musical boek (1988). [G.J. van Bork/G.J. Vis]
| |
opkooien zie
formaatmaken
| |
oplage
Druktechnische en bibliografische term voor alle exemplaren van
een
druk die tot dezelfde aanmaakeenheid
behoren. In de periode van de handpers valt de oplaag meestal samen met de druk
omdat het zetsel van een
drukvorm na het voltooien van de beoogde
oplage gedistribueerd werd om weer voor de volgende drukvorm gebruikt te kunnen
worden. Wanneer het zetsel blijft staan, kan men steeds opnieuw naar behoefte
nieuwe oplagen (bijdruk) maken, die al of niet herzien
worden. Strikt genomen is het met de fotografische facsimilemethode mogelijk om
nu een 2e oplage te vervaardigen van een boek waarvan het zetsel al eeuwen
geleden gedistribueerd is. Een zo verkregen oplage wordt echter gewoonlijk
aangeduid als
reprint of
facsimile-uitgave.
In de praktijk wordt oplage ook in andere, meer kwantitatieve
betekenissen gebruikt, nl. als ‘drukoplage’ (het totaal aantal
exemplaren dat van één druk van een werk is gemaakt, dus alle
oplagen samen) en als ‘titeloplage’ (het aantal exemplaren dat in
de loop van de tijd in totaal van een werk is verschenen, dus alle oplagen en
drukken samen). De druktechnische term voor oplage zou ter onderscheiding van
de beide andere termen dan ‘deeloplage’ kunnen luiden.
De aanduiding van oplagen in moderne boeken gebeurt wel met
duizendtallen, bijv. ‘1e dr., 10e-12e duizendtallen’, maar meestal
met alleen de vermelding ‘2e, enz. oplage’.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; Mathijsen; Metzler;
Scott; Wilpert; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 313-316; F.A. Janssen. ‘Notities bij de aanduiding
van herdrukken’, in: Spektator 4 (1974-1975), p. 275-283; B.P.M.
Dongelmans. ‘De betekenis van oplage’, in: Jaarboek voor
Nederlandse Boekgeschiedenis 1 (1994), p. 181-201. [P.J. Verkruijsse]
| |
opmaak of mise-en-page
Term uit de typografie voor het op de juiste wijze samenstellen
van
bladzijden uit in de
galei gezette regels of - bij de moderne
zettechnieken - het op juiste lengte brengen van de pagina's vanaf stroken (al
dan niet met behulp van een zgn. plakproef). Tijdens de opmaak worden de
kopregels aangebracht, de
katernsignaturen, de
paginering of
foliëring,
voetnoten of marginale noten en
illustraties. Er dient op gelet te worden dat er bijv. geen
hoerenjong ontstaat en dat nog een aantal
andere opmaakregels in acht genomen wordt. Na de opmaak kan het
formaatmaken, het rangschikken van de
bladzijden zetsel in de vorm, plaatsvinden.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; P.M. van Cleef. Handboek
ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p.
66-67; C. Schook. Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en
correctors, ed. F.A. Janssen (1981), p. 36-48; K.F. Treebus.
Tekstwijzer (19832), p. 227-233; H. van Krimpen. Boek over
het maken van boeken (19862), p. 387-392; F.A. Janssen.
Zetten en drukken in de 18e eeuw (19862), p. 296-301. [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
opschrift of epigram-2
Uit het Griekse epigram, dat oorspronkelijk opschrift betekende,
ontwikkelde zich de betekenis van epigram-1 als
puntdicht, hetgeen ook niet zo verwonderlijk
is omdat veel opschriften puntig geformuleerd zijn. Opschriften kunnen in
principe overal op aangebracht worden (epigraaf), maar
uithangborden van horecagelegenheden, reclamedrukwerk, winkelramen en
gevelstenen liggen het meest voor de hand, zoals reeds blijkt uit het lijvige
17e-eeuwse werk van
Jeroen Jeroense (= H. Sweerts),
Koddige en ernstige opschriften op luyffens, wagens, glazen,
uythangborden, en andere tafereelen (2 dln., 1682-1683) en het
curieuze werk van
Isaac vanden Berg, Het
gestoffeerde winkel en luyfen banquet, dienstig voor alle winkeliers die eenige
rymen (haar koopmanschap betreffende) voor luyfens, deuren, of in pak-papieren
willen zetten, wat waren yder te verhandelen heeft; koddig gerymt, voor de
winkeliers en liefhebbers te grabbel gegooyt (1693). Uithangtekens
ontlenen hun onderwerpen aan vrijwel alles: historische personen en
overleveringen, de mythologie, de literatuur of de heraldiek, spreekwoorden, de
bijbel, menselijke bezigheden en beroepen, of de natuur.
Een prachtig geschilderd uithangbord met een afbeelding van de
drukkerij bevond zich in 1623 aan de winkel van de gebroeders
Vande Venne te Middelburg
en had als opschrift: ‘Hier inde schilderywinckel drucktmen boecken in
verscheiden tael: ende placcaeten van verkoopingen van landen, huysen, schepen,
en ander goederen’. Er waren tal van opschriften op rijm en ook
raadselopschriften waren in trek, zoals: ‘O Mensch U U U U U U U U
Godt’ (= O Mensch acht uwen Godt).
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; Wilpert; F. de
Potter. Het boek der vermaarde uithangborden (1861); J. van Lennep en J.
ter Gouw. De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven
beschouwd (2 dln., 1867-1868; repr. z.j.). [P.J. Verkruijsse]
| | | |
opstel
Ontwerp of schets van een geschrift in proza, dan wel het
volledige geschrift zelf, hetzij in de vorm van een
verhandeling, hetzij in die van een
essay. Een bijzonder gebruik van de term is
gangbaar binnen het vak Nederlands in het voortgezet onderwijs, waar het een
stijl- en argumentatieoefening betreft; een opgegeven of zelf gekozen onderwerp
wordt behandeld, essayerend, verhalend/vertellend (met of zonder fantasie) of
anderszins.
LIT: BDI; Best. [G.J. Vis]
| |
orale literatuur
Benaming voor literatuur die mondeling wordt voorgedragen (voordracht) én overgeleverd. Orale literatuur en
schriftcultuur kunnen naast elkaar bestaan en ook nu nog bestaat er een orale
traditie, hoewel die oorspronkelijke overleveringsvorm dreigt te verdwijnen
omdat men, door de invloed van radio en televisie, in huiselijke kring geen
verhalen meer vertelt. Niettemin valt er een herleving te constateren van de
beoefening van de orale cultuur in de vorm van lezingen, voordrachten en
openbare vertelprogramma's en de daarmee samenhangende opkomst en bloei van
stichtingen voor literaire activiteiten (SLAA, SLAZ, e.d.), verhalenhuizen en
-wedstrijden, poëzieavonden e.d.
Als gevolg van het maatschappelijke en culturele verval van
Europa is in de 10e eeuw de schriftcultuur teruggedrongen tot in
de kloosters. Daarbuiten wordt nauwelijks nog geschreven; literatuuroverdracht
vindt mondeling plaats. Over het belang van deze orale literatuur, in het
bijzonder in verband met het ontstaan van het
chanson de geste, wordt al lang geredetwist.
Volgens
Gaston Paris zouden de chansons de geste
teruggaan op liederen die direct na een belangrijke gebeurtenis als het ware
vanzelf ontstonden bij het volk. Deze liederen zouden eeuwenlang mondeling zijn
overgeleverd en pas in een laat stadium zijn opgeschreven. Tegenover deze
traditionalistische theorie staat de individualistische theorie van
Joseph Bédier, die meent dat de
chansons de geste in de 12e eeuw op basis van historische overlevering door
monniken en
jongleurs zijn geschreven in de belangrijke
religieuze centra langs de grote pelgrimsroutes. Hoewel deze richtingenstrijd
nog niet voorbij is, nemen tegenwoordig veel onderzoekers aan dat de waarheid
in het midden ligt; het lijkt in ieder geval niet erg waarschijnlijk dat de
circa 100 chansons de geste die in de loop van drie eeuwen zijn opgetekend, op
identieke wijze zijn ontstaan. Problematisch bij het onderzoek naar oraliteit
is het feit dat wij alleen over geschreven bronnen beschikken, waarbij de
teksten beïnvloed zijn door allerlei schriftelijke stijlconventies.
Onderzoek van de orale tradities van hedendaagse ‘analfabete’
culturen kan daarom behulpzaam zijn bij de opsporing en interpretatie van
restanten van orale stijlkenmerken in geschreven teksten.
De vorm van de oudste overgeleverde Middelnederlandse teksten,
zoals Het Roelantslied en Renout van
Montalbaen (Karelroman), vertoont nog sporen
van mondelinge voordracht en wellicht ook van mondelinge overlevering: grenzen
van zinnen en bijzinnen vallen meestal samen met versgrenzen, zodat de teksten
vrij gemakkelijk uit het hoofd te leren en voor te dragen zijn, terwijl het
voor de toehoorders vrij eenvoudig is om het verhaal te volgen. Ook de stijl
sluit hierbij aan door de regelmatige herhaling van formuleringen, motieven en
verhaalpatronen. Daarnaast vallen stereotype (persoons)aanduidingen (epitheton) en andere vaste formules op. Een ervaren voordrager
beschikte over een heel arsenaal van deze formules, die als hij de draad
kwijtraakte tijdens de voordracht - met of zonder handschrift als geheugensteun
- een hulpmiddel konden zijn om het verhaal in rijmende verzen voort te
zetten.
Ook voor hun verhaalstof (stof) lijken
Middelnederlandse auteurs inspiratie te hebben opgedaan uit orale tradities.
Een aanwijzing in die richting is de karaktertekening van
Walewein, de neef van koning
Artur, in de Middelnederlandse
Arturroman. In de Franse Arturtraditie wordt
zijn pendant
Gauvain steeds negatiever afgeschilderd:
hij zakt af van een perfecte, hoofse ridder in de romans van
Chrétien de Troyes tot een
tragische, falende dolende ridder bij de latere auteurs. In Middelnederlandse
Arturromans komt Walewein er stukken beter vanaf: zijn falen wordt afgezwakt en
zijn successen worden breed uitgemeten.
J.D. Janssens vermoedt hier de invloed
van een orale Waleweintraditie die zich apart van de Franse traditie ontwikkeld
heeft en waarin Walewein een bij uitstek positieve held is. Dit vermoeden wordt
gesterkt door het al vroeg voorkomen van de naam Walewein in de
Nederlanden.
In de 18e en 19e eeuw kende de literatuur tot de opkomst van de
Tachtigers een sterk orale traditie. Bij veel gelegenheden werden teksten,
zowel poëzie als proza, voorgedragen. Niet alleen bij belangrijke
gebeurtenissen traden auteurs op als voordrager of voorlezer van eigen teksten,
maar ook in tal van organisaties, zoals letterkundige genootschappen, culturele
maatschappijen, rederijkerskamers, leesgezelschappen en wat dies meer zij.
Bovendien werden teksten voorgedragen in de huiselijke kring, getuige het
avondje bij de familie Stastok, zoals dat beschreven werd door
Beets (Camera
obscura, 1839). In feite wordt deze traditie in de 20e eeuw
voortgezet in manifestaties als Poëzie in Carré en Poetry
International.
De overleveringskant van de orale traditie speelt een belangrijke
rol in het radioprogramma van
Ate Doornbosch. In dit programma werden
tal van oude teksten ten gehore gebracht die gezongen werden door mensen die
deze teksten uit overlevering kenden. Dit materiaal wordt onder de titel
Onder de groene linde: verhalende liederen uit de mondelinge
overlevering (7 dln., 1987-...) uitgegeven.
LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Krywalski; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Preminger; N. Voorwinden en M.J.M. de Haan (red.). Oral
poetry. Das Problem der Mündlichkeit mittelalterlicher epischer Dichtung
(1979); J.D. Janssens. ‘De Arturistiek: Een “wout sonder
genade”’, in: SpL 21 (1979), dl. 1, p. 296-318; W.J. Ong.
Orality and literacy (1982); W.P. Gerritsen. ‘Walewein van Melle
(anno 1118) en de Oudnederlandse Arturlitteratuur’, in: Naamkunde
16 (1984), p. 115-134; W. van den Berg. ‘Sociabiliteit,
genootschappelijkheid en de orale cultus’, in: M. Spies (red.).
Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening (1984), p. 151-170;
E. van den Berg. ‘De Karelepiek. Van voorgedragen naar individueel
gelezen literatuur’, in: Tussentijds. Bundel studies aangeboden aan
W.P. Gerritsen ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag (1985), p.
9-24; R. Finnegan. Literacy and Orality. Studies in the Technology of
Communication (1988); R.E.V. Stuip en C. Vellekoop (red.). Oraliteit en
schriftcultuur (1993); M. Mostert. Oraliteit (1998). [H. Struik/G.J.
van Bork]
| | | |
oratorisch
Kwalificatie van die teksten die primair beheerst worden door dat
element van de
retorica dat de
ars persuadendi betreft: overreden,
overtuigen. Vandaar dat oratorische teksten of tekstgedeelten gericht zijn op
het geven van argumenten, bewijzen en condities ter adstructie van de
hoofdgedachte. Oratorische teksten hoeven niet per se in proza te zijn
geschreven, maar kunnen ook de vorm van poëzie hebben (bijv. als
leerdicht), al zal men ze zelden zien
samenvallen met lyrische (lyriek) poëzie.
In de traditie maakt men een onderscheid tussen de oratorische
periode (periodus-1) of volzin en de historische; de
laatste geeft feiten en omstandigheden.
LIT: Baldick; Lausberg. [G.J. Vis]
| |
oratorium
Term uit de literaire en muzikale genreleer voor een zangstuk
bestaande uit koorgedeelten, meestal dramatisch, meer lyrische sologedeelten
(aria's, duetten), en recitatieven, veelal episch-verhalend. Het oratorium kwam
tot ontwikkeling in de 17e eeuw, de bloeitijd van de
cantate, waarmee het oratorium nauw verwant
is. Het verschilt ervan doordat het oratorium van oorsprong een geestelijk
(maar niet voor de kerkelijke eredienst bedoeld) karakter heeft, meer epiek en
dramatiek bevat, en groter van omvang is. Er is nogal wat discussie over de
terminologie. Zo is het niet ongebruikelijk om
J.S. Bachs
Weihnachtsoratorium een cyclus van cantates te noemen,
evenals het oratorium De Jaargetijden (vertaling
J. Kinker, 1803) van
J. Haydn, omdat ze, in tegenstelling tot
het oratorium, niet ononderbroken voortgaan.
Wat de Nederlandstalige oratoriumteksten betreft valt het op dat
het genre vooral in Zuid-Nederland gebloeid heeft. Men denke aan St.
Franciscus (1888), gecomponeerd door
E. Tinel op tekst van
L. de Koninck, of aan De
Rhijn (1889) van
J. de Geyter op muziek van
P. Benoit. Maar geheel onbetuigd liet het
Noorden zich nu ook weer niet, getuige het veel geroemde oratorium
Apocalyps (1948), op bijbelteksten en met muziek van
H. Badings. Het oratorium is verwant aan
zangspel en
opera, maar verschilt ervan doordat het niet
scenisch wordt opgevoerd en dus geen muziekdrama is.
LIT: Best; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Wilpert; E.W. Schallenberg.
Uit de geschiedenis van het oratorium (1951). [G.J. Vis]
| |
ordo artificialis
Term uit de poëtica voor een gekunstelde, van het natuurlijke
chronologisch verloop van de tijd afwijkende, beschrijving van gebeurtenissen.
Zo is het in literaire teksten niet ongebruikelijk met een spectaculaire
gebeurtenis of dito traumatische ervaring te beginnen (in
medias res), waarvan later de voorgeschiedenis verteld wordt.
LIT: Lausberg. [W. Kuiper]
| |
ordo naturalis
Term uit de poëtica voor een natuurlijk chronologisch verloop
van de tijd, dit in tegenstelling tot de
ordo artificialis, de gekunstelde, de
chronologie doorbrekende beschrijving van de gebeurtenissen, bijv.
in medias res.
LIT: Lausberg. [W. Kuiper]
| |
organisch expressionisme
Term uit de auteurspoëtica van
Paul van Ostaijen, overgenomen door
latere literatuurhistorici, voor een fase in zijn artistieke ontwikkeling. De
wortels ervan zijn reeds aanwijsbaar in de poëticale opvattingen van
Kinker. Deze zag het kunstwerk als een
nieuwe schepping (originaliteit), niet onmiddellijk
herleidbaar tot het gevoel of de gedachte die er de aanleiding van is geweest
(inhoud) en evenmin samenvallend met de stijl waarin de
auteur zich uit (vorm). Nadat
Kloos de eenheid van vorm en inhoud had
uitgewerkt, was de weg vrijgemaakt voor opvattingen als die van Van Ostaijen
over de autonomie van het kunstwerk (autonomiebewegingen). In de fase volgend op die van het
humanitair expressionisme verandert zijn
werk heel sterk, zoals blijkt uit de bundels De feesten van angst en
pijn (1918-1921) en Bezette stad (1921). Zijn
versexterne poëtica loopt hiermee parallel. Van Ostaijen bepleit een
organisch
expressionisme: zuivere lyriek is het doel,
autonome poëzie, die los staat van de biografische persoon van de
schepper. Het woord dient in ons onderbewustzijn de herinnering aan de
platoonse idee te wekken. Van Ostaijen sluit met deze opvattingen aan bij de
richting van de zogenaamde formalisten (
Nijhoff,
Binnendijk,
Marsman) tegenover die van de
‘ventisten’ (
Ter Braak,
Du Perron), en situeerde zichzelf
daarbinnen op geheel eigen wijze als iemand die een ‘in het metafysische
verankerd’ spel met woorden speelt. Hij illustreert zijn literaire
opvattingen vaak door parallellen te trekken met de beeldende kunst en voelt
zich verwant met het
constructivisme. Men zie hiervoor de
beschouwingen in zijn ‘tijdschriftbijdragen, lezingen en ongepubliceerde
opstellen’ (VW, Proza, dl. 2, 1979, p. 9-40).
LIT: J.J. Oversteegen. Vorm of vent (1970), p. 125-184; F.
Drijkoningen en J. Fontijn (red.). Historische avant-garde
(19862), p. 215-270; G.J. van Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen
literatuurgeschiedenis (1987), p. 192-197. [G.J. van Bork]
| |
organische metafoor zie
impliciete metafoor
| |
originaliteit
Term uit de literaire kritiek voor een kwaliteit die vooral sinds
de
romantiek hoog genoteerd staat en beschouwd
wordt als belangrijke voorwaarde voor goede literatuur en kunst:
oorspronkelijkheid.
Oorspronkelijkheid impliceert vrijheid en onafhankelijkheid van de
kunstenaar inzake keuze en thematiek (inhoud) en/of
literaire vormgeving (vorm); ten aanzien van het werk
impliceert originaliteit in ieder geval uniciteit. Als zodanig is het begrip
min of meer tegengesteld aan
imitatio, hoewel ook in de renaissance
regelmatig de nadruk gelegd werd op het belang van een individuele stijl. Hoe
minder een auteur
epigoon wil zijn en hoe verder hij zich
verwijderd houdt van alles wat te maken heeft met
conventies, des te groter zal de kans zijn
dat hij vernieuwingen toepast die originaliteit verraden. Dat geldt
bijvoorbeeld reeds in de renaissance voor anti-idealistische dichters als
J. Six van Chandelier,
M. van de Merwede en
W.G. van Focquenbroch.
De aanhanger van de normatieve
poëtica-1 zal minder gemakkelijk
origineel werk scheppen dan degene die, in afwijking van een geldende
wet, ondogmatisch te werk gaat. Sommige
kunstenaars zochten hun oorspronkelijkheid te realiseren in verzet tegen de
conventies van de burgerlijke maatschappij, zoals bijv. de
bohémien, hetgeen niet altijd hoefde
samen te gaan met het scheppen van originele kunst.
Typisch voor het begrip is het ‘opvattelijk’ karakter
ervan. Menigeen - kunstenaar en criticus - spreekt erover en acht originaliteit
een positief te waarderen zaak; weinigen zijn echter in staat exact aan te
geven bij welke auteur en in welk werk originaliteit concreet aanwijsbaar is.
De originaliteitseis behoort tot het terrein van de literatuuropvattingen en is
als zodanig een conventie geworden.
LIT: Cuddon; Fowler; Gorp; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; R.
Wellek. A history of modern criticism, dl. 1 (1955), p. 109 e.v.; C. de
Deugd. Het metafysisch grondpatroon van het romantische literaire denken
(1966), p. 24 e.v.; G.J. Vis. Johannes Kinker en zijn literaire theorie
(1967), p. 28-32; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Najaar 1649: Jan Six
van Chandelier overnacht in Toulouse; drie anti-idealistische dichters’,
in: id. (hoofdred.). Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p.
255-259; J. Jansen. Brevitas. Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en
stijl in de renaissance (1995), p. 160-170. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
origineel
Onder een origineel verstaat men in de literatuurwetenschap een
oorspronkelijk werk (originaliteit) dat niet geschreven
is in navolging (imitatio) van een voorbeeld. In de
reprografie is een origineel een document (een
codex, een
manuscript of een
exemplaar van een boek) waarvan langs
fotografische weg een
kopie (facsimile)
vervaardigd wordt.
LIT: BDI; Best; Metzler; MEW; Wilpert. [W. Kuiper/P.J.
Verkruijsse]
| |
ornatus
Term uit de retorica voor de meest omvangrijke van de vier
stijldeugden binnen de
elocutio: de stilistische verfraaiing. De
stijlmiddelen die daartoe gebruikt kunnen worden zijn talrijk. Ze kunnen
onderverdeeld worden in
tropen-1 die betekenisverandering of
-overdracht bij afzonderlijke woorden teweeg brengen (zoals metafoor, pars pro
toto) en
stijlfiguren (figurae) die weer te verdelen
zijn in figurae verborum of woordfiguren (zoals inversie, enumeratie,
annominatio) en figurae sententiarum of gedachtefiguren (zoals antithese,
retorische vraag). Tenslotte is er de
compositio of woordschikking met
syntactische (periode, colon, comma), fonetische (homoeoprophoron) en metrische
(versvoeten) implicaties.
LIT: Boven/Dorleijn; Gorp; Lausberg; LdMA; Metzler; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
ossegal
Gal van de os, vroeger gebruikt als reagens om onleesbaar geworden
tekst op
perkament weer leesbaar te maken. Het
resultaat van zo'n behandeling is op korte termijn zeer goed, maar na verloop
van tijd worden de behandelde gedeelten diepbruin en nog meer onleesbaar dan
ooit. Men is er nog niet in geslaagd om met moderne middelen dit ossegal te
verwijderen: veel charters en oorkonden vertonen de gevolgen van
ossegalbehandeling.
LIT: Catalogus Spiegel van behoudenis; restauratie van
archivalia (1973), p. 26. [P.J. Verkruijsse]
| |
Ossianisme
Literair-historische aanduiding voor een rage uit de periode van
de vroege romantiek, ontstaan naar aanleiding van de teksten die
James Macpherson (1736-1796) maakte
onder het mom van vertalingen van het poëtisch proza van de Gaëlische
dichter
Ossian (3e eeuw). Deze
mystificaties hebben grote invloed gehad op
de Duitse Sturm und Drang-beweging, vooral op
Herder en
Goethe. De populariteit van het
pseudo-Noordse primitieve hing samen met het opkomend verzet tegen gevestigde
normen. InNederland is
Bilderdijk (Zangen van
Ossian, 1803-1805) een van de belangrijkste bewerkers geweest van
Macphersons Ossianteksten. Hij typeert ze als teksten gekenmerkt door eenvoud
en natuur, verhevenheid van gevoelens, tederheid, vurige verbeelding en
helderheid van structuur.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Knuvelder, dl. 3
(1975), p. 216; Metzler; Wilpert; Q.W.J. Daas. De gezangen van Ossian in
Nederland (1961). [G.J. Vis]
| | | |
Oudnederlands
Benaming voor de taalfase van het Nederlands zoals die rond het
jaar 1000 bestaat en die in de 12e eeuw overgaat in het
Middelnederlands. Het Oudnederlands bestaat
uit een verzameling Oudnederfrankische dialecten, te lokaliseren in het gebied
vanaf de grote rivieren tot aan de Germaans-Romaanse taalgrens in het zuiden,
en het Ingweoons kustdialect, te lokaliseren langs de kust van wat tegenwoordig
Vlaanderen, Zeeland enHolland heet.
Binnen het Oudnederlands kunnen het Oudvlaams, het Oudbrabants en het
Oudhollands worden onderscheiden.
De bronnen voor het Oudnederlands zijn schaars: Oudnederlandse
woorden in Latijnse teksten (glossen), bijv.
watriscap (waterschap); een
probatio pennae in een Oudwestvlaams
dialect; en de fragmentarisch overgeleverde Wachtendonckse
psalmen in een Oudoostnederlands dialect:
Blithent in mendint thiadi, uuanda thu irduomis folc an rehti, in
thiadi an erthon gerihtis (Psalm 66 of 67:5) Dat de natiën zich
verheugen en jubelen, omdat Gij de volkeren in rechtmatigheid richt en de
natiën op de aarde leidt.(Corpus van Middelnederlandse teksten
(tot en met het jaar 1300), ed.
Gysseling &
Pijnenburg, Reeks II: Literaire
handschriften, dl. 1: Fragmenten, 1980, p. 73).
LIT: Laan; M.J van der Wal en C. van Bree. De geschiedenis van
het Nederlands (1992); J.W. de Vries, R. Willemijns en P. Burger. Het
verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands (1993). [H. Struik]
| |
overbetoning of overbetoonde daling
Term uit de prosodie waarmee
G. Stuiveling een syllabe aanduidt die,
voorkomend in een metrische (metrum) regel, staande op
een dalingsplaats, ervaren wordt als een heffing. Hiervoor wordt het
notatieteken # boven de syllabe gebruikt. Als voorbeeld geeft
Stuiveling de eerste syllabe en de
zevende van de regel van
Perk ‘Klinkt helder op,
gebeeld houwde sonnetten’ (G. Stuiveling 1934, p. 17). Het
verschijnsel veroorzaakt
antimetrie en treedt vaak op bij
accentverschuiving.
LIT: Scott; G. Stuiveling. Versbouw en ritme in den tijd van
'80 (1934); A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de
versregel (1962); C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen (1963).
[G.J. Vis]
| |
overbetoonde daling zie
overbetoning
| |
overdrachtelijk taalgebruik zie
beeldspraak
| |
overdruk
Afzonderlijke
uitgave van een artikel uit een tijdschrift,
gewoonlijk voorzien van een omslag met als opdruk ‘Overdruk uit
...’ en soms ook van een extra nieuwe paginering naast de
oorspronkelijke. Het is de gewoonte de auteur van een artikel een aantal
overdrukken te bezorgen. Bij de titelbeschrijving dient aangegeven te worden
dat gebruik gemaakt is van een overdruk van een artikel door vóór
de tijdschrifttitel op te nemen: ‘Overdr. uit: ...’, bijv.
W.G. Hellinga. ‘Principes
linguistiques d'édition de textes’, overdr. uit: Lingua 3
(1952-1953), p. 295-308.
LIT: BDI; Brongers; Hiller. [P.J. Verkruijsse]
| |
overglijding
Stijlmiddel binnen de Middelnederlandse literatuur dat gekenmerkt
wordt door de overgang van een indirecte rede in de directe rede, bijv.
Daerna teldi [Ferguut] hem [zijn gastheer] te waren
Hoe hi ter roken wilde varen
Den wimpel halen ende den horen:
‘Comt mi die swerte ridder tevoren,
ic segt u wel alsonder faelgi,
Ic sal hem leveren battaelgie;’
(Ferguut, ed.
Rombauts e.a., 19822, vs.
1297-1302).
Het gebruik hangt naar alle waarschijnlijkheid samen met de
bedoeling van de dichter zijn verhaal door afwisseling levendig te houden.
LIT: K. Heeroma. Moriaen, Lantsloot en Elegast (1973), p.
92-98, 136-140; A.A.M. Besamusca. Het ‘Boec van lancelote’
(1988), p. 79-82; 223-225. [W. Kuiper]
| |
overleveringsgeschiedenis zie
tekstgenese
| | | |
overlooprijm of kettingrijm
Term uit de prosodie ter aanduiding van die vorm van
rijm waarbij de slotklanken van een regel
fungeren als
rijmvrager en de beginklanken van de direct
daarop volgende regel als
rijmgever, zoals in:
Heer Schimmelpenninck weet van sparen:
jaren at hij boter, vleesch noch visch!
(
G. Gezelle. Verzameld
dichtwerk, dl. 3, 1981, p. 281).
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Metzler;
Morier; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
overloopteken
Door
G.A. van Es in zijn
Walewein-editie geïntroduceerde benaming voor de
middeleeuwse ‘coma’: een leesteken (interpunctie) aan het eind van een versregel, bestaande uit
een punt met daarboven een omgekeerde komma (punctus
elevatus), (al of niet) in combinatie met een
punctus (punt) in de daaropvolgende
versregel.
Voor degene die de tekst voordraagt, is dit leesteken een signaal,
dat de voordrachtstoon niet moet dalen, omdat de zin op de volgende versregel
nog verder gaat (enjambement), en dat er doorgelezen
moet worden tot aan de punt in de volgende versregel of tot aan het einde van
de volgende versregel, waar overigens zelden een punt staat. Bijv.
Heeft ju bi [subtylen] engiene.
Verraden. ju staet te ghesciene
Groten ramp ende swaer verlies
(
Pieter en
Penninc Vostaert. De jeeste
van Walewein en het schaakbord. Ed. G.A. van Es (1957), dl. 1, p.
234, vss. 8010-8014).
Een betere benaming zou wellicht ‘doorleesteken’
zijn.
LIT: Pieter en Penninc Vostaert. De jeeste van Walewein en het
schaakbord van Penninc en Pieter Vostaert. Artur-epos uit het begin van de 13e
eeuw, uitg., verklaard en ingel. door G.A. van Es, 2 dln. (1957), p.
431-458; J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland (19802),
p. 52-55. [H. Struik]
| |
overslaan zie
formaatmaken
| |
oversprong zie
enjambement
| |
oxymoron
Term uit de stilistiek ter aanduiding van een bijzondere vorm van
antithese, en wel een antithese per
afzonderlijk woord. In deze
contradictio in terminis, vaak in de vorm
van een contradictio in adiectio, gaat tussen de twee leden van de antithese
een intellectuele
paradox schuil.
Bijv.: ‘hoorbare stilte’; ‘jeugdige
grijsaard’. De notie van het toegevoegde adjectief (de adjectiva
‘hoorbare’ en ‘jeugdige’) is strijdig en vormt een
contradictie met de notie van de andere term (de substantieven
‘stilte’ en ‘grijsaard’).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
ozalidproef
Drukkersterm voor de laatste
drukproef voordat de definitieve drukplaten
voor de offsetpers (offset) gemaakt worden. De ozalid
bestaat uit een lichtdruk- of diazotypie-kopie op papier van de gefotografeerde
en op film gemonteerde pagina's: de te drukken delen zijn wit en het wit van de
pagina is zwart. Vaak is deze laatste proef de eerste mogelijkheid voor de
auteur van het desbetreffende boek om te controleren of alle illustraties op de
juiste plaats zijn opgenomen.
LIT: BDI; Hiller. [P.J. Verkruijsse]
|
|
|