|
|
|
| |
K
| |
kader
Term uit de bibliografie voor een omlijsting van de
bladspiegel. Een lijst kan bestaan uit
één deel: een houtblok of koperplaat waarbinnen een uitsparing is
gemaakt voor het aanbrengen van zetsel; een lijst kan ook opgebouwd zijn uit
diverse onderdelen die al of niet met delen van andere kaders gecombineerd
(kunnen) worden. Kaders kunnen eveneens opgebouwd worden uit lijnen of andere
typografische ornamenten. Gewoonlijk treft men kaders slechts aan op een
titelpagina, maar soms wordt iedere pagina
door een kader omgeven. Samen met het andere in een
druk gebruikte typografisch materiaal (vignet,
fleuron, versierde
initialen, lijnen en lettermateriaal) kunnen
kaders helpen ongeïdentificeerde boeken aan een bepaalde drukker toe te
schrijven.
LIT: M.J. Pearce. A workbook of analytical and descriptive
bibliography (1970). [P.J. Verkruijsse]
| |
kaderverhaal zie
kadervertelling
| |
kadervertelling, kaderverhaal of
raamvertelling
Vertelling waarvan de fictieve vertelsituatie het kader vormt
waarin één of meer verhalen zijn ingebed. De kadervertelling
functioneert als het samenbindende element van de erin opgenomen
vertelling(en), bijv. omdat zij de oorspronkelijke vertelsituatie weergeeft
(vgl.
Boccaccio's
Decamerone, 1353). Soms beperkt het kader zich tot de
omstandigheden waaronder het vertellen plaatsvindt en een nadere aanduiding van
de verteller(s), zoals in de Verhalen van 1001 nacht en
in de Canterbury tales (1387) van
Chaucer. Een Nederlands voorbeeld is
Jacob Cats'
Trouringh (1637). In andere gevallen ligt het accent op
het kader zelf en zijn de ingebedde verhalen min of meer illustraties of
uitwerkingen van het kader of een element daaruit (vgl. ‘Saïdja en
Adinda’ in
Multatuli's Max
Havelaar, 1860). Het kaderverhaal kan ook tot doel hebben om de
echtheid of geloofwaardigheid van wat gaat volgen te versterken, bijv. in
gevallen waarin sprake is van een manuscript- of editeursfictie (vgl.
J. van Lenneps Ferdinand
Huyck, 1840, of de vele
dagboek- en
briefromans waarin in het kader de herkomst
van het dagboek of de brieven wordt uiteengezet). De oudste West-Europese
kadervertelling is het dierenepos Ecbasis captivi
(± 1045).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; Metzler;
MEW; Scott; Wilpert; K. van het Reve. ‘In die doos zat weer een
doos’, in: FdL 2 (1961), p. 49-56; F.C. Maatje. Der
Doppelroman (19682). [G.J. van Bork]
| |
kaderwerk
Bibliografische term voor een werk met een afgerond aantal delen,
waarvan de delen, veelal onder redactiebegeleiding, door verschillende auteurs
zijn geschreven. Een vervolgwerk waarvan de verschillende delen door dezelfde
auteur of auteurs zijn geschreven, wordt een
deelwerk genoemd.
Een voorbeeld van een kaderwerk is het literaire handboek
Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden (GLN),
begonnen in 1939 onder hoofdredactie van
F. Baur (‘Handboek Baur’),
vooralsnog onvoltooid (verschenen dl. 1-7, 9) en geschreven door verschillende
medewerkers.
LIT: Regels voor de titelbeschrijving (196811),
p. 30-31. [P.J. Verkruijsse]
| |
kakofonie
Term uit de prosodie voor klankeffecten die onaangenaam aandoen.
Bekend is in dit opzicht de Engelse dichter
R. Browning. In de Nederlandse
letterkunde wordt
Jules Deelder wel genoemd als
kakofonisch dichter, bijv. in sommige gedichten uit de bundel Junkers
88 (1983).
Het spreekt vanzelf dat kakofonie, als tegengestelde van
eufonie, een kwalificatie is die sterk
afhankelijk is van de subjectieve lezersreactie, al dan niet ingegeven door
kennis van de auteurspoëtica (poetica-3)
terzake.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Metzler;
Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
kakografie
Tekst, teksteditie of studie die inhoudelijk van inferieure
kwaliteit is. Met name de beginjaren van de beoefening van de Middelnederlandse
letterkunde hebben enkele kakografieën opgeleverd, bijv. de
Ferguut-editie van
L.G. Visscher (1838) en de editie van
het Gruuthuse-handschrift van
Ch. Carton (1848).
LIT: Hiller; G. Karsten. 100 jaar philologie. M. de Vries en
zijn school (1849); H. de Buck. De studie van het Middelnederlandsch tot
in het midden der negentiende eeuw (1930). [W. Kuiper]
| |
kalligrafie
De kunst van het schoonschrijven. In principe vallen alle
boekschriften uit de periode dat er nog niet
gedrukt werd onder de kalligrafie. Voor de opleving van de schrijfkunst (ars
pennae) in de Nederlanden in de 16e en 17e eeuw is een aantal factoren aan te
wijzen. De wereldwijde handel vroeg om mensen die duidelijk konden schrijven en
die de verschillende Europese handschriften beheersten. Verder vroeg de
bloeiende cartografie om een duidelijke belettering en beschikte men hier over
een groot aantal goede graveurs.
De beroemdste schrijfmeesters zijn vrijwel allemaal uit het Zuiden
afkomstig, uitgeweken na 1585. Dáár, in Antwerpen,
had de cartograaf
Mercator de basis gelegd voor een
kalligrafische traditie, die tot en met de 18e eeuw uitgeoefend zou worden door
de zogenaamde ‘afsetters’ of ‘verluchters’,
specialisten die kaarten van bijschriften en kleuren voorzagen. Voor de
belettering van zijn veel gevraagde en nauwkeurige landkaarten had Mercator een
duidelijke letter nodig. Hij ontwierp daarvoor een schrijfmethode die aansloot
bij zijn grote Italiaanse voorbeelden
Ludovico degli Arrighi (1522) en
Giovantonio Tagliente (1524) en die hij
publiceerde in 1540 onder de titel: Literarum Latinarum.
Jodocus Hondius nam niet alleen Mercators
kaartmateriaal over, maar gaf ook een schrijfboek uit: Theatrum artis
scribendi (1594).
Daarna komt er een ware lawine van
schrijfboeken in Nederland
(tussen 1600 en 1650 ongeveer 45), vooral uit de kringen van de schoolmeesters
aan de Franse scholen, hier door de uitgeweken Zuiderlingen opgericht. Bekende
namen zijn
George de Carpentier,
David Roelants,
Felix van Sambix,
Maria Strick,
Samuel de Swaef,
Lieven van Coppenol,
Hendrik Meurs,
Cornelis Boissens,
Ambrosius Perling en vooral
Jan vanden Velde. De laatste hield in
1599 een vurig pleidooi voor het schoonschrift en voor het schrijfonderwijs op
school in zijn Lettre defensive, pour l'art de bien escrire.
De beoefenaars van de tiende muze, zoals de ars pennae ook wel
aangeduid werd, bijvoorbeeld door
Carel van Mander in zijn
Schilder-boeck van 1604, stonden in hoog aanzien.
Rembrandt schilderde het portret van
Coppenol,
Quellijn maakte zijn standbeeld en
Vondel,
Huygens en
Westerbaen schreven gedichten op hem. Ook
de dochters van Roemer Visscher waren kalligrafisch actief en beoefenden de
glasgraveerkunst. Van de schoonschrijfkunst van
Anna Roemers Visscher is een voorbeeld
bewaard gebleven: een bundel gelegenheidsgedichten, die onder de titel
Letter-juweel in facsimile is uitgegeven (ed.
C.W. de Kruyter, 1971).
De schrijfboeken van meesters als
Coppenol dienden als voorbeelden, als
‘exemplaerboecken’, om de erin afgebeelde lettertypes na te
schrijven, niet zozeer op school (waar eenvoudiger en goedkoper materiaal
beschikbaar was) als wel voor beoefenaars van beroepen die verschillende
schriftsoorten nodig hadden. Behalve het leren schrijven, konden de
schrijfboeken ook het leren lezen van andere handen bevorderen.
In de ‘Hollandse Schoolordre’ van 1625 wordt een
opvallende plaats ingeruimd voor het vak kalligrafie op de Latijnse school.
Vier maal per week wordt er een uur besteed aan het oefenen van een fraai
handschrift: ‘quotidie horâ unâ litteras formare nectereque
discant, elegantiaque eam ad rem exemplaria proponantur’ (elke dag 1 uur
letters vormen en verbinden volgens sierlijke voorbeelden), zowel in het
Nederlands als in het Latijn. Ongetwijfeld zal dit onderwijs in de kalligrafie
evenals op de Franse scholen in het teken hebben gestaan van het bijbrengen van
een fraaie hand aan het toekomstige ambtenarenapparaat van de Republiek, want
ook
Jan vanden Velde ziet als doelgroep voor
zijn schrijfvoorbeelden advocaten, secretarissen en notarissen. In het midden
van de 18e eeuw verdwijnt de kalligrafie van het rooster op de Latijnse
school.
Het schrijfboek van
Mercator was nog geïllustreerd met
houtsneden. Ook de Antwerpse heruitgave van de Italiaanse methodes van
Arrighi en
Tagliente waren zo uitgevoerd. De
Exercitatio alphabetica van
Clément Perret uit 1569 is echter
in kopergravure uitgegeven, een belangrijke verbetering. Een aantal
schrijfmeesters graveerde zelf zijn materieboeken in koper (o.a. Hondius en
Boissens) en deed dat bovendien voor
collega's (o.a.
Simon de Vries,
De Swaef,
Perling) of zelfs uitsluitend voor
collega's (
Coppenol). Iemand die uitsluitend als
schriftgraveur optrad voor o.a.
Vanden Velde,
Smyters en
De Carpentier was
Gerard Gauw met niet minder dan dertien
edities van materieboeken. Daarnaast hebben de zgn.
typografische schrijfboeken enige tijd furore
gemaakt: het vroegste dat overgeleverd is, is van
Ameet Tavernier uit de jaren '60 van de
16e eeuw.
Er werden ook wedstrijden in de kalligrafie georganiseerd, niet
alleen op de scholen, maar ook tussen de schrijfmeesters onderling. Over de
Rotterdamse wedstrijd van 1590 om de Prix de la Plume Couronnée zijn wat
meer gegevens bekend.
Na 1650 gaat het bergafwaarts met de ‘penneconst’. Er
zijn nog wel namen te noemen van 18e-eeuwse kalligrafen met als uitschieter
Ambrosius Perling, maar de kwaliteit en
kwantiteit van de schrijfboeken is veel minder.
Ondanks de roem die de schrijfmeesters ten deel viel, moeten ze
toch ook aangewezen worden als degenen die de schrijfcultuur om zeep hebben
geholpen. De regelmaat van de beitelvormige pen uit de 16e eeuw werd door hen
verstoord. Zij graveerden hun schrijfvoorbeelden met een naald; het navolgen
daarvan met een spitse pen laat wel fraai krulwerk toe, maar bij minder
geoefende en snel schrijvende handen wordt de onleesbaarheid groter. De
voorbeelden daarvan liggen opgetast in het oud archief van de 17e-19e eeuw. Pas
rond de helft van de 19e eeuw kwam er verbetering met de reorganisatie van het
onderwijs. Er werden echter te veel methodes ontworpen en gebruikt om een echte
eenheid te krijgen.
De handschriftverbetering die
William Morris eind 19e eeuw op gang
bracht door teruggrijpen op de humanistische cursief, heeft wel navolging
gevonden, maar de noodzaak om te schrijven wordt in de hedendaagse cultuur
steeds geringer: schrijfmachine en tekstverwerker, telefoon en fax, geluidsband
en fotokopieerapparatuur hebben voor een deel de plaats ingenomen van het
schrijven en handschriftelijk kopiëren.
LIT: BDI; Gorp; Hiller; Scott; P.H. van Gestel en G.C.F. van der
Laan. Schrijven en schrijfonderwijs (19193), p. 147-168; H.
de la Fontaine Verwey. ‘Typografische schrijfboeken. Een hoofdstuk uit de
geschiedenis van de civilité-letter’, in: id. Uit de wereld van
het boek I: Humanisten, dwepers en rebellen in de 16e eeuw
(19762), p. 133-160; H. de la Fontaine Verwey. ‘The Golden Age
of Dutch calligraphy’, in: Litterae textuales. Essays presented to
G.I. Lieftinck (dl. 4, 1976); A.R.A. Croiset van Uchelen. Nederlandse
schrijfmeesters uit de zeventiende eeuw (catalogus Meermanno-Westreenianum
1978); A.R.A. Croiset van Uchelen. ‘Initial books and typographical
writing-books from the sixteenth-century Low Countries’, in: Hellinga
Festschrift / Feestbundel / Mélanges (1980), p. 109-134; T. Croiset
van Uchelen. ‘Schrijfmeesters als schriftgraveurs. Gedachten bij een
brief van Ambrosius Perling’, in: A. Gerits (red.). For Bob de Graaf.
Antiquarian bookseller, publisher, bibliographer. Festschrift on the occasion
of his 65th birthday (1992), p. 107-113; P. Visser (ed.). Scripta
manent. Drukletters over schoonschrift of een vriendenboekje van collega's
aangeboden aan drs. A.R.A. Croiset van Uchelen (...) (1997). [P.J.
Verkruijsse]
| |
kalligram
Aanduiding voor een tekst die, als vorm van
concrete poëzie, in zijn typografische
voorstelling de zaak uitbeeldt waar het woord naar verwijst (iconiciteit). Zo schrijft
P. van Ostaijen het woord
‘zeppelin’ in de vorm van een zeppelin (VW, Poëzie, dl.
2, 1979, p. 63), en het verschijnsel ‘kralen van de rozenkrans’
beeldt hij aldus uit:
In deze betekenis is kalligram bij velen synoniem met
figuurgedicht. In ruimere zin duidt
kalligram op dat type tekst dat op één of andere wijze opvalt
door zijn grafische vormgeving. Men denke hier bijv. aan de handgeschreven in
diverse kleuren uitgevoerde verzen en strofen uit De feesten van
angst en pijn van P. van Ostaijen (VW, Poëzie, dl. 1,
1979, p. 155-257).
LIT: Buddingh'; Gorp. [G.J. Vis]
| |
kamer van retorike zie
rederijkerskamer
| |
kamertoneel
Toneel dat bestemd is om te worden gespeeld in een kleine intieme
ruimte en met beperkte middelen, om de toeschouwer zo direct mogelijk
deelgenoot te maken van de meest verfijnde dramatische handelingen op het
toneel. Het kamertoneel leent zich door de geringe afstand tussen acteurs en
publiek bijzonder goed voor een nauwkeurige waarneming van spelelementen die
een psychologisch effect beogen.
De term kamertoneel is afkomstig van de Duitse
‘Kammerspiele’ van
Max Reinhardt (vanaf 1906). Veel
avant-gardetoneel heeft gebruik gemaakt van de voordelen van het kamertoneel,
dat eveneens wordt gespeeld in kleine theaters, soms met het publiek rondom,
zoals bij Studio of Het Vestzaktheater.
LIT: Best; Gorp; MEW; Wilpert; M. Jones. Theater in the
round (1951). [G.J. van Bork]
| |
kanselarijstijl
Taalgebruik van de griffie, waar staatsstukken in ambtelijke stijl
worden gemaakt. De woordkeus is vaak gekenmerkt door elementen uit het
(dikwijls juridische) vakjargon, dat veelal duister is voor de niet-ingewijde,
mede door het gebruik van verouderde woorden.
Voorbeelden van dit soort taalgebruik vindt men in wetsartikelen,
notariële akten en andere officiële stukken. Maar ook in zakelijke
brieven komt deze stijl voor, zoals in de brieven die
P.C. Hooft als drost van Muiden aan
officiële instanties schreef (Briefwisseling ed.
Van Tricht, dl. 1, 1976, brief nr.
45).
De term wordt soms in ongunstige zin gebruikt voor een dorre, met
vaktermen en bastaardwoorden overladen schrijftrant, dikwijls mede getypeerd
door ingewikkelde zinsbouw.
LIT: Best; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
kanselstijl
Term uit het grensgebied tussen literatuur en theologie voor de
taal van de predikant (leerrede) zoals die gehanteerd werd en wordt op de
kansel. Vanouds was deze stijl, gedicteerd door het genre van de
rede, sterk onderhevig aan de regels die
golden voor dat deel van de
retorica dat het goed verzorgde taalgebruik
betreft (elocutio), en daarnaast ook voor die van de
opbouw (dispositio). Specifiek voor de taal van de
preek zijn de schoolse indeling, stereotype
wendingen en een zekere wijdlopigheid.
LIT: Laan; MEW; Wilpert; J. Bosma. Woorden van een gezond
verstand. De invloed van de Verlichting op de in het Nederlands uitgegeven
preken van 1750 tot 1800. Monografie & bibliografie (1997). [G.J.
Vis]
| |
kapitaal
Typografische term voor hoofdletter (bovenkast) of grote letter. Versierde kapitalen worden
initialen genoemd.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het
maken van boeken (19862), p. 30. [P.J. Verkruijsse]
| |
kapitaalcursief zie
capitalis cursiva
| |
kapitaalhoogte
Term uit de typografie en analytische bibliografie voor de hoogte
in millimeters van een normale
kapitaal. Samen met
corps- en
kopmaat en
x-hoogte maakt de kapitaalhoogte onderdeel
uit van de
letterformule ter identificatie van in
drukwerk gebruikte letter. Het meten kan vrij nauwkeurig gebeuren met de
transparante meetlatten, de ‘type gauge’ en de ‘line
gauge’, ontworpen door
K. van der Waarden.
LIT: Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 14; H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (19862), p. 150-152; G. Unger. ‘Moderne
incunabelen; typografische maten in incunabelen en recent drukwerk’, in:
T. Croiset van Uchelen en H. van Goinga. Van pen tot laser; 31 opstellen
over boek en schrift aangeboden aan Ernst Braches (...) (1996), p. 302-307.
[P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
karakterblijspel zie
comédie de caractère
| |
karakterdrama
Drama waarin het zwaartepunt van de handeling ligt op de
karaktereigenschappen van één of meer personages en de manier
waarop ze daardoor in een conflictsituatie reageren. In het karakterdrama
worden personages getekend in hun innerlijke identiteit. Opvallend is wel dat
in het karakterblijspel (comédie de
caractère) overwegend sprake is van typeringen (vrek,
melancholicus, intrigant enz.) en in de karaktertragedie van
individueel-psychologische karaktertekening. Vaak echter zijn de grenzen tussen
het komische en het tragische juist in het karakterdrama niet duidelijk aan te
geven. Zowel
Bredero's Spaanschen
Brabander (1618) als
Tsjechows De
kersentuin (1903) bevatten beide elementen. Een goed voorbeeld van
een Nederlands karakterdrama is
Herman Heijermans' Dora
Kremer (1893).
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
Karelroman of Frankische roman
Overkoepelende benaming voor de 13e- tot en met 16e-eeuwse
Middelnederlandse
vertalingen,
bewerkingen en navolgingen van Oudfranse
chansons de geste. Centraal in deze
ridderromans staat de figuur van
Karel de Grote (742-814). De voornaamste
thema's zijn: 1) de trouw aan de vorst (bijv. Karel ende
Elegast); 2) de strijd tegen de Saracenen (bijv. het
Roelantslied); 3) het kruistochtideaal (bijv. de
Riddere metter Swane); 4) de trouw aan de familie en de
eer van het geslacht (bijv. de Roman der Lorreinen); 5)
de feodale conflicten tussen ofwel leenheer en leenman, ofwel leenmannen
onderling (bijv.
Renout van Montalbaen).
Omdat de liefde tussen man en vrouw in deze teksten nauwelijks een
rol speelt, vrouwen soms geslagen worden, en omdat sommige teksten ouder zijn
dan de
Brits-Keltische roman, rekent men de
Frankische roman tot de zogeheten voorhoofse literatuur. Deze opvatting geldt
tegenwoordig als verouderd, omdat de receptie van de zogenaamde voorhoofse en
de
hoofse literatuur gelijktijdig
plaatsvond.
Van de vroege geschiedenis van de Middelnederlandse Karelroman in
verzen is weinig bekend; de overgeleverde bronnen dateren vrijwel allemaal uit
de tweede helft van de veertiende eeuw. Van een dertigtal teksten zijn
fragmenten bewaard gebleven, waarvan Aiol en Mirabel,
Karel ende Elegast, Renout van
Montalbaen, het Roelantslied en de
Roman der Lorreinen de bekendste zijn; slechts de
Karel ende Elegast is in zijn geheel bewaard gebleven in drukken van
rond 1500. Compleet overgeleverde prozateksten dateren van na de uitvinding van
de boekdrukkunst, bijv.: De vier Heemskinderen,
Hughe van Bordeaus, Sibilla en
De historie van Malegijs. Anders dan in Frankrijk zijn er
geen prozabewerkingen uit de handschriftenperiode bekend.
Hoewel de Middelnederlandse Karelromans (doorgaans zeer vrije)
vertalingen en bewerkingen van Oudfranse teksten zijn, hebben de
Middelnederlandse dichters de laisse-structuur (strofen van willekeurige
lengte) met assonerend rijm van het chanson de geste niet nagevolgd. De oudste
vertalingen c.q. bewerkingen hebben het karakter van de Hoogduitse versificatie
in ‘lange regels’ (Langzeile). Onder invloed
van de achtlettergrepige Oudfranse roman in verzen zoals die vanaf het midden
van de 12e eeuw ontstond, vond echter een vormverandering plaats naar teksten
met
gepaard (eind)rijm.
Bij de vertaling en bewerking van de Oudfranse chansons de geste
gebruikten de Middelnederlandse dichters bronnen van verschillende aard. In een
aantal gevallen (bijv. het Roelantslied) maakten zij
gebruik van een Oudfrans voorbeeldhandschrift. Andere Karelromans (bijv.
Renout van Montalbaen) zijn gebaseerd op mondeling
overgedragen versies van chansons de geste. De grote verschillen tussen de
overgeleverde Oudfranse en Middelnederlandse teksten zijn alleen verklaarbaar
als men er vanuit gaat dat de dichters hun werk schreven op grond van hun
herinnering van een voorgedragen tekst.
De schrijfstijl van de Karelromans lijkt aan te sluiten bij deze
orale overdracht door de regelmatige herhaling van formuleringen, motieven en
verhaalpatronen. Stereotiepe, epithetische persoonsaanduidingen (bijv.
‘Olivier die ridder fiere’) komen in de Karelroman vaker voor dan
in andere 13e-eeuwse teksten.
LIT: Buddingh'; Gorp; MEW; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot
reconstructie van de Karel ende Elegast (2 dln., 1975-1981); B. Besamusca.
Repertorium van de Middelnederlandse Karelepiek. Een beknopte beschrijving
van de handschriftelijke en gedrukte overlevering (1983); E. van den Berg.
Middelnederlandse versbouw en syntaxis. Ontwikkelingen in de versifikatie
van verhalende poëzie ca. 1200 - ca. 1400 (1983); W. Kuiper.
‘Over het slaan van vrouwen in de voorhoofse epiek’, in:
Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 35 (1984), p. 228-242; E. van den
Berg. ‘De Karelepiek. Van voorgedragen naar individueel gelezen
literatuur’, in: Tussentijds. Bundel studies aangeboden aan W.P.
Gerritsen ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag (1985), p. 9-24;
H. Kienhorst. De handschriften van de Middelnederlandse ridderepiek. Een
codicologische beschrijving. 2 dln. (1988); B.W.Th. Duijvesteijn.
Madelgijs. De Middelnederlandse fragmenten en de overeenkomstige Hoogduitse
verzen (1989); E. van den Berg en B. Besamusca (red.). De epische
wereld. Middelnederlandse Karelromans in wisselend perspectief (1992). [H.
Struik]
| |
karikatuur
Oorspronkelijk uit de beeldende kunst afkomstige aanduiding voor
een portrettekening waarin de trekken van een bepaald, als bekend verondersteld
personage komisch vervormd of overdreven worden. Als zodanig is de karikatuur
in de beeldende kunst wat de
parodie is in de literatuur. Later wordt het
woord karikatuur ook gebruikt voor spotprent in het algemeen (zoals de cartoon)
en vervolgens kwam de term in de letterkunde in gebruik, vooral in komische
genres (vgl.
humor) als
blijspel,
klucht-1,
spotlied,
pastiche en
parodie. Als negatieve vertekening van de
werkelijkheid kan men de karikatuur zien als antipode van de idealisering.
Verwant aan de karikatuur is de
groteske.
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lodewick; Metzler;
MEW; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
Karolingische minuskel
Schriftsoort die overal in West-Europa gebruikt werd van de 8/9e
tot de 12e eeuw, met als bloeitijd de tweede helft van de 9e en het begin van
de 10e eeuw. De Karolingische minuskel is het product van verschillende min of
meer gelijktijdig werkende invloeden. De eerste daarvan was dat geleerden in de
kloosters teruggrepen op laatklassieke teksten, waardoor men kennis opdeed van
de oorspronkelijke vorm van de
unciaal en de
semi-unciaal. Bij het schrijven vormde men
vervolgens de lettertekens naar de voorbeelden uit de klassieke handschriften.
Belangrijk is hierbij dat men de lettertekens ging analyseren: de letterdelen
die bij de verschillende letters met elkaar overeenkwamen, ging men identiek
uitvoeren. Minstens zo belangrijk is, dat men in de 8e eeuw woordscheiding ging
toepassen: tot de Karolingische periode schreef men overwegend zonder ruimte
tussen de woorden. Aldus ontstond een vormvast, snel schrijfbaar en makkelijk
te leren schrift, waarin het gebruik van afkortingen (abbreviaturen) en
ligaturen doorgaans beperkt was. Ongeveer
gelijktijdig aan de opkomst van het Karolingisch gaat de rol van het ambtelijk
schrijven achteruit; de door het verdwijnen van de bijbehorende ambtelijke
schrijftradities vrijkomende ruimte wordt vervolgens opgevuld door de
Karolingische minuskel, zodat er geen onderscheid tussen een
boek- en een
gebruiksschrift te maken valt.
De Karolingische minuskel bepaalde voorgoed de vorm van het
schrift van de westerse wereld, omdat de Italiaanse humanisten hun schrift
vormden naar de Karolingische minuskel (humanistisch
schrift). In de late 15e eeuw werden de eerste drukletters gevormd naar
het voorbeeld van de humanistische minuskel (romein);
onze huidige kleine drukletters (onderkast) zijn, op een
paar kleine moderniseringen na, Karolingische minuskels.
LIT: Brongers; Hiller; B. Bisschoff. Paläographie des
römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters
(19862), p. 143-162; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen
schrift (19882), p. 145-155. [H. Struik]
| |
kasteelroman
Populaire voortzetting van de
gothic novel in de vorm van een
damesroman en als zodanig een subgenre van
de
triviaalliteratuur. Binnen de zogenaamde
pulpliteratuur bestaat voor dit genre een speciale reeks
‘Kasteelromans’, die in kiosken en grootwinkelbedrijven verkocht
wordt.
LIT: Lodewick. [G.J. van Bork]
| |
katern
Term uit de boekproductie voor een al dan niet beschreven of
gedrukt
vel papier of perkament, dat
één of meer keer (doorgaans in het midden) is gevouwen. Een
codex, een boek of een gewoon schriftje is
opgebouwd uit katernen. Hoewel ‘katern’ afgeleid is van het
Latijnse
quaternio, dat eigenlijk een katern van vier
eenmaal gevouwen vellen (dubbelblad) is, is bij het
begrip ‘katern’ het aantal niet van belang. In de Middeleeuwen
betekende ‘quaternus’ ook wel een niet-gebonden klein boekje, dat
overigens wel een behoorlijk aantal
bladen-2 kon bevatten. Afhankelijk van het
aantal keren dat een vel (plano) gevouwen is, spreekt
men van
folio (eenmaal),
kwarto (tweemaal),
octavo (driemaal) enz. De afmetingen van het
gebruikte vel en het aantal vouwingen bepalen de grootte van het katern; het
aantal vouwingen alleen bepaalt het
formaat van het katern. Daarbij moet men er
rekening mee houden dat soms twee of meer katernen in elkaar geschoven kunnen
zijn, waardoor bijvoorbeeld uit twee kwarto's ogenschijnlijk één
octavo ontstaat.
Een katern kan op verschillende manieren uit een vel perkament of
papier worden gehaald: door een aantal vellen te vouwen en in elkaar te
schuiven of door een vel een aantal malen te vouwen en dan pas te snijden.
Een middeleeuwse codex bestaat gewoonlijk uit perkamenten of
papieren katernen. De meest voorkomende combinaties van beide zijn de volgende:
1) een perkamenten dubbelblad aan de buitenkant (en/of in het midden) van een
papieren katern, met het doel het
boekblok steviger te maken (encarté-handschrift); 2) een perkamenten strook ter
versteviging in het midden van een katern (hartstrookje). Hiervoor werden vaak stukjes oud perkament
gebruikt; er kunnen dus soms tekstfragmenten op staan (maculatuur); 3) in papieren handschriften werd voor
belangrijke
initialen en
miniaturen wel perkament gebruikt; dat kan
een enkel blad of een dubbelblad zijn.
Bij het drukken moet men er bij de opmaak van het zetsel rekening
mee houden in welk formaat een uitgave zal verschijnen, omdat het vouwen tot
katern na het drukken gebeurt. Dit betekent dat men berekent wat tot de
binnen- en wat tot de
buitenvorm behoort en in welke volgorde de
pagina's vervolgens op beide vormen moeten worden afgedrukt, opdat na het
vouwen een aaneensluitende en doorgepagineerde tekst ontstaat.
In de volgende fase van de boekproductie ontstaat uit een aantal
gebonden, ingenaaide of gelijmde katernen het boek, waarbij de katernen aan de
randen gelijkgesneden worden. Voor het binden of innaaien van de katernen gaf
men door middel van een
katernsignatuur (een letter- en
cijfercombinatie onderaan de
recto-zijden van de bladen in de eerste
helft van ieder katern) de volgorde aan.
Voor de tekstgenese en voor de editie van teksten is de kennis van
deze materiële aspecten van de boekproductie van belang, omdat men op die
manier onder meer tekstvarianten, zet- en drukfouten kan opsporen en
verklaren.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; Scott; Ph.
Gaskell. A new introduction to bibliography (1972), p. 78-117; J.M.M.
Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p.
23-30. [H. Struik]
| |
katernformule zie
opbouwformule
| |
katernsignatuur of binderssignatuur
Term uit de bibliografie (analytische
bibliografie;
codicologie) en drukkerij voor gewoonlijk
een combinatie van een letter en een cijfer, geplaatst in het staartwit
onderaan de
recto-zijden van de
bladen in de eerste helft van ieder
katern van een
codex of
druk. Aan de hand van de katernsignatuur kan
de binder zien of een katern goed gevouwen is en of de katernen in de goede
volgorde liggen. Ieder katern wordt namelijk aangeduid met een letter uit het
alfabet en binnen ieder katern worden de bladen genummerd. In de Nederlandse
drukkerspraktijk was het de gewoonte om de bladen te nummeren tot
één blad over het midden van een katern, terwijl in Frankrijk en
Engeland gewoonlijk slechts tot aan het midden werd genummerd. Omdat vrijwel
uitsluitend naar de signering werd gekeken en niet naar de
paginering van een boek, is het
bibliografisch gezien beter niet te verwijzen naar
bladzijden in boeken uit de handpersperiode,
maar naar de recto- en
verso-zijde van een blad dat door middel van
de katernsignatuur aangeduid kan worden. Zo betekent
fol. A1 recto: pagina 1 van het A-katern;
fol. A1 verso: pagina 2 van het A-katern enz. In de moderne drukkerij krijgen
de katernen een zwart blokje op de rug gedrukt dat bij ieder volgend katern
iets lager staat. Daaraan kan de binder zien of de katernen in de goede
volgorde liggen.
Het
voorwerk van een boek heeft vaak een
afwijkende signatuur (dikwijls een asterisk (*)), zeker in eerste drukken,
omdat dat het laatst tot stand komt.
Als een boek meer katernen telt dan het alfabet letters heeft,
wordt er verdubbeld (na het Z-katern volgt het Aa-katern enz.) of
verdriedubbeld (na Zz volgt Aaa) enz. Het bibliografische alfabet telt
overigens slechts 23 letters omdat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen I
en J en tussen U, V en W. Een volledige lijst signaturen geeft nauwkeurig in
een
opbouw- of
collatieformule de samenstelling van een
exemplaar-1 van een codex of druk, of van
een
ideal copy van een druk.
De posities van de katernsignaturen ten opzichte van de onderste
gedrukte regel maken het voor de analytisch-bibliograaf mogelijk uitspraken te
doen over al of niet gelijk zetsel. Notatie van enkele
katernsignatuurposities (een
fingerprint) maakt het mogelijk andere
exemplaren daaraan te confronteren.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Feather; Hiller; Scott; F. Bowers.
Principles of bibliographical description (1949); W.Gs Hellinga.
Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 237; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 51-52, 143-145,
328-335; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken
(19862), p. 394-395; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de
achttiende eeuw (19862), p. 368-370. [P.J. Verkruijsse]
| |
katernsignatuurpositie
De plaats die de
katernsignatuur inneemt ten opzichte van de
onderste gedrukte regel van een pagina kan voor de analytisch-bibliograaf
(analytische bibliografie-1) een belangrijk hulpmiddel
zijn bij de bepaling of verschillende exemplaren-1 tot dezelfde
druk behoren of niet. Wanneer de
desbetreffende signatuur onder dezelfde letters of tekens staat, is er sprake
van gelijk zetsel, dus van één en dezelfde druk. Het is immers
absoluut onmogelijk dat een zetter - zelfs bij een pagina-voor-pagina-herdruk -
de signaturen door het gehele boek heen op exact dezelfde posities plaatst.
De methode van drukonderscheiding door signatuurposities is eind
19e eeuw voor het eerst toegepast door
Madan, maar pas in de jaren '70 en '80
op ruimer schaal bij grote bibliografische ondernemingen als de
STCN. De STCN noteert de eerste en laatste
katernsignatuurpositie van respectievelijk voor-, hoofd- en nawerk in een
formule, die
fingerprint genoemd wordt.
Wanneer alle signatuurposities uit een exemplaar genoteerd worden,
is het soms mogelijk door
collationeren van zoveel mogelijk exemplaren
varianten binnen één druk op
te sporen. Als tussenoplossing tussen vaak niet haalbare totaalcollatie en geen
collatie kan deze partiële collatie uitkomst brengen.
Het noteren van signatuurposities kan zoals bij de
STCN-fingerprint in een voor de computer leesbare formule, maar het kan ook
door onderstreping van het tekstgedeelte uit de onderste regel waaronder de
katernsignatuur zich bevindt (een spatie kan aangegeven worden door
‘^’):
*4 mag^*5 geweest, A dat dit enz.
LIT: F. Madan. ‘On method in bibliography’, in:
Transactions of the Bibliographical Society of America 1 (1893), p. 96;
P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983), p. 32-51;
P.C.A. Vriesema. ‘The STCN fingerprint’, in: Studies in
Bibliography 39 (1986), p. 93-100 (ook in Dokumentaal 15 (1986), p.
55-61). [P.J. Verkruijsse]
| | | | | | | | | | | |
kenning
Dichterlijke omschrijving die bestaat uit een min of meer complexe
of vage aanduiding die in plaats van een bedoelde persoon, een zaak of een
begrip gesteld wordt. Kenningar zijn kenmerkend voor de skaldenpoëzie
(skald). De basis van een kenning is de
metafoor (de relatie tussen het basiswoord
van de kenning en het omschreven begrip is de analogie: ‘paard van de
zee’ = ‘schip’), een metoniem (metonymia) (het basiswoord van de kenning drukt een feitelijke
functie of een eigenschap van het omschreven begrip uit: ‘weg van de
maan’ = ‘hemel’) of een
synecdoche (waarbij het basiswoord en het
omschreven begrip een gemeenschappelijk, bovenliggend begrip toebedeeld wordt:
‘rivier van het lijk’ = ‘bloed’; het gemeenschappelijke
is hier ‘vloeistof’). Andere voorbeelden van kenningar zijn:
‘schildboom’ = ‘krijger’, ‘woudverwoester’
= ‘vuur’ of ‘Odins zoon’ = ‘Balder’.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; E. Marold. Kenningkunst.
Ein Beitrag zu einer Poetik der Skaldendichtung (1983). [H. Struik]
| |
kerklied
Term uit de wereld van het liturgische
lied ter aanduiding van een genre dat op het
raakvlak ligt van drie sferen:
poëzie (inzonderheid
religieuze poëzie), muziek en
kerkelijke eredienst. In reformatorische kringen speelt het onderscheid tussen
psalmen en gezangen een belangrijke rol. In
rooms-katholieke kringen domineert het onderscheid tussen Latijnse (veelal
gregoriaanse) gezangen en liederen in de volkstaal. Aangezien het lied in de
volkstaal in de rooms-katholieke eredienst tot voor kort nauwelijks een plaats
had, is de geschiedenis van het Nederlandstalige kerklied feitelijk een
reformatorische aangelegenheid. Die geschiedenis gaat terug tot in de 16e eeuw
en heeft een productie opgeleverd die van groot kwantitatief en kwalitatief
belang is voor de Nederlandse letterkunde. Twee markante jaartallen hierbij
zijn 1566 (Datheense psalmberijming) en 1973 (Liedboek voor de
kerken). Wat zich tussen die twee jaartallen heeft afgespeeld, kan
in diverse stromen worden onderscheiden.
Allereerst is daar een calvinistische stroom. Deze werd enerzijds
gekenmerkt door de prioriteit van het boek der psalmen uit het Oude Testament,
anderzijds door een beduchtheid voor gezangen in de kerk. Zo werden bijbelse
gezangen, bijv. de
schriftuurlijke liedekens uit de 16e eeuw,
buiten de kerk gehouden. De psalmen kregen een bewerking vanuit de Hebreeuwse
oertekst in de volkstaal in de vorm van strofische (strofe) gedichten, die in
coupletten konden worden gezongen (z.g.
gesloten vorm). Datheens psalmboek werd voorzien van de Geneefse melodieën
van
Louis Bourgeois,
Maistre Pierre e.a. Omdat Datheens werk
veel kritiek ondervond, zijn er nogal wat nieuwe berijmingen gemaakt, o.a. door
Marnix van Sint-Aldegonde (1580). In dit
verband kunnen ook de uit de 16e eeuw daterende
souterliedekens worden genoemd. In de 18e
eeuw komt er een nieuwe ‘staatsberijming’, voorgeschreven in 1773
door de Staten-Generaal. Na de scheiding van kerk en staat in 1798 werd er
verder beraadslaagd in de vergaderingen van de negen provinciale synodes van de
kerk, hetgeen ertoe leidde dat in 1807 naast het psalmboek de bundel
Evangelische gezangen in gebruik werd genomen. De
invoering hiervan was een van de redenen van de Afscheiding van 1834, die
vervolgens met de Doleantie van 1886 oorzaak was van het ontstaan in 1892 van
de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’.
In de bundel van 1807 vindt men originele bijdragen van
H. van Alphen,
Ah. van den Berg,
P.L. van de Kasteele,
R. Feithen anderen, naast vertalingen en
bewerkingen van Duitse poëzie (
C.F. Gellert,
F.G. Klopstock). Een vervolgbundel van
1866 bracht nieuwe gezangen van o.a.
N. Beets,
P.A. de Genestet,
B. ter Haar,
J.J.L. ten Kate en
E.J. Potgieter. Deze liederen hebben een
sterkere bijbelse inslag dan die van 1807, en omvatten ook vertaald werk uit
het Duits (
Luther,
Paul Gerhardt). De volgende bundel
(1938) putte niet alleen uit de voorafgaande bundels maar ook uit andere
bronnen:
Valerius'
Gedenck-clanck (‘Komt nu met zang’,
‘Wilhelmus’),
Camphuysen,
Revius,
Vondel en Duitse en Engelse auteurs.
Muzikale medewerking verleenden
Adriaans Engels en
A.C. Schuurman.
Andere stromen waren die van de (al even aangestipte)
gereformeerden, remonstranten, doopsgezinden en luthersen.
Na een eigen bundel Eenige gezangen in gebruik bij de
Gereformeerde Kerken in Nederland (1934) gingen de gereformeerden
steeds meer samenwerken met de hervormden.
De remonstranten hadden lang uit hun eigen psalmboek en hun eigen
gezangbundel gezongen. In 1882 namen ze de bundel Godsdienstige
liederen in gebruik (samengsteld door de Nederlandse
Protestantenbond), die in 1944 door een nieuwe
Liederenbundel werd vervangen.
De doopsgezinden hadden in de wederdopers een voorgeschiedenis die
ouder is dan die van het calvinisme in de Nederlanden. In de 16e eeuw zongen ze
‘geestelijke liedekens’ uit het liedboek van
Hans de Ries (1582), en in 1644 kwam het
geliefde
't Kleyn Hoorns Liet-Boeck uit. In 1944 werd -
naast de twintig verschillende bundels die sinds 1850 in de diverse gemeenten
in gebruik waren geweest - uit verlangen naar meer eenheid een nieuwe bundel
aanvaard.
De luthersen meenden - in navolging van
Luther, die hierin hetzelfde dacht als
Calvijn - dat de gezamenlijke zang het
best gediend was met de gesloten, strofische vorm. In tegenstelling tot Calvijn
toonde Luther geen beschroomdheid tegenover gezangen. Zoals de eerste
calvinisten sterk op Frankrijk waren georiënteerd, zo hadden
de eerste luthersen een sterke binding met Duitsland. Hun oudste
bundel is die van de Antwerpenaar
Willem van Haecht (1579), waarin een
volledige berijming van de psalmen voorkwam, naast een dertigtal liederen van
Luther en een twintigtal andere lutherse liederen, ontleend aan het
Bonner Gesangbuch (1544, 1550, 1561). Nieuwe bundels
waren de door
J. van Duisberg herziene Van Haechtbundel
(ingevoerd in 1687), en een bundel van 1779. In 1955 werd een nieuw
Gezangboek in gebruik genomen, waarin ook een aantal
gezangen voorkomt met een open, niet-strofische vorm.
Al deze stromen vloeiden langzamerhand naar elkaar toe. In 1953
ontstond interkerkelijke samenwerking. Intussen hadden de hervormden tot een
nieuwe berijming besloten, waaraan meewerkten
M. Nijhoff,
K.H. Heeroma (dichterpseudoniem:
Muus Jacobse),
W. Barnard (dichterpseudoniem:
Guillaume van der Graft),
A.C. den Besten,
J.W. Schulte Nordholt en
Jan Wit, welke laatste vijf de
‘Landvolkdichters’ werden genoemd naar hun bundel Het
landvolk (1958), waaraan ze, na de dood van hun leider
Nijhoff (1953), hadden gewerkt. In 1967
verscheen de definitieve versie van de psalmberijming. Na hun proefbundel
102 gezangen was de definitieve gezangenbundel van 1973 een
interkerkelijke geworden.
Nauwere samenwerking leidde tot het Liedboek voor de
kerken (1973), officieel in gebruik genomen door hervormden,
gereformeerden, remonstranten, doopsgezinden en luthersen. Hierin vindt men
ongeveer 200 oorspronkelijke liederen, voornamelijk van de hand van de vijf
Landvolkdichters, maar ook van twee pastores-dichters van rooms-katholieken
huize (
T. Naastepad en
H. Oosterhuis). Hun gedichten zijn
getoonzet door moderne componisten als
Bernard Huijbers,
Frits Mehrtens,
Jan Pasveer,
Willem Talsma en
Willem Vogel; daarnaast echter zijn er ook
veel teksten
contrafactisch geschreven.
Het Liedboek is in twee opzichten uniek.
Nederland is (met Zuid-Afrika) het enige land met een
gezangenbundel waarin het volledige psalter (souter) is
opgenomen. En verder is het Liedboek de enige bundel waarin alle
Geneefse melodieën opgenomen zijn.
Vermelding verdient nog de onafhankelijke (van huis uit
rooms-katholieke) ‘Stichting Werkgroep voor Volkstaalliturgie’ te
Amsterdam (met
Huijbers,
Oosterhuis e.a.). De resultaten van het
werk worden gepubliceerd in de losbladige ringband Liturgische
gezangen voor de viering van de eucharistie. Opvallend in de bundel
is het genre van de mengvorm van psalm en gezang; het illustreert het feit dat
de strikte scheiding uit het verleden tussen psalmen en gezangen door sommige
schrijvers is losgelaten.
In België werd de rooms-katholieke bundel Zingt
jubilate in 1977 in gebruik genomen, waarin meer uit het
(reformatorische) Liedboek is geput dan uit alle rooms-katholieke
bundels van Nederland tezamen.
Tenslotte kan nog gewezen worden op de jonge ‘Stichting
Leerhuis en Liturgie’. Deze stichting geeft sinds 1980 een
Werkschrift uit. Kenmerkend voor de hierin opgenomen
religieuze poëzie - veelal (mede) voor kerkelijke vieringen bedoeld - is
de aandacht voor actuele maatschappelijke vraagstukken.
LIT: Bantel; Best; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; E. Bruning.
Het Nederlandse kerklied van de 14e tot de 20e eeuw (1934); H. Heikens.
‘Van Datheen tot liedboek - vier eeuwen Nederlands kerklied in
vogelvlucht’, in: Huismuziek (1978), 5, p. 8-13, en 6, p. 6-14;
Jahrbuch für Liturgik und Hymnologie (1955 -....); Jubilate Deo;
het Nederlandse kerklied sinds de Reformatie. Catalogus P.B. Zeeland
(1973). [G.J. Vis]
| |
kerstlied
Aanduiding voor een geestelijk
lied van christelijke signatuur waarin de
geboorte van Christus centraal staat. Afhankelijk van de plaats en de
gebruikssituatie kan men het onderscheid maken tussen een kerstlied als
kerklied,
cantate,
oratorium of als religieus lied in het
algemeen. Naar het ontstaan onderscheidt men het genre in
volkslied-1 en
cultuurlied.
Veel kerstliederen gaan over de thematiek van Maria en het kind
(naar Lucas 2: 6-7); ze zijn daardoor veelal tevens als
kinderlied te beschouwen. De populariteit
van het kerstfeest als gezinsfeest of huiselijk feest in het algemeen heeft
ertoe geleid dat kerstliederen in allerlei bundels voor huiselijk of algemeen
gebruik terechtkwamen, zoals in het prismadeeltje Religieuze
poëzie der Nederlanden, verzameld door
M. van der Plas (z.j.) en in het
Prisma liederenboek van
M. Veldhuyzen (1971). Uiteraard zijn veel
kerstliederen ook te vinden in de bundels bestemd voor het zangonderwijs op
school, zoals Kinderzang en kinderspel (2 dln., 1961) van
J. Pollmann en
P. Tiggers. In dergelijke bundels vindt
men meestal wel een of meer van de bekende kerstliederen als ‘Stille
nacht’, ‘Nu zijt wellecome’, ‘Herders hij is
geboren’, ‘Er is een kindeken’, ‘Hoe leit dit
kindeken’, ‘Maria die zoude naar Bethlehem gaan’ en het zeer
populaire ‘De herdertjes lagen bij nachte’. Een afzonderlijke
bundel Middeleeuwse Kerstliederen werd uitgegeven door J.J. Mak en E.
Bruning (1948).
LIT: Gorp; Laan; Wilpert; C. Santegoets. ‘Zoals de ouden
zongen: het kerstlied door de eeuwen heen’, in: Rond de Schutsboom
3 (1983), 2 (dec.), p. 6-9; M.J.G. de Jong. Vrede en vrolijckheyt.
Kerstfeest in de Middeleeuwen (1985), p. 135-213. [G.J. Vis]
| |
kerstspel
Religieus toneelspel, ontstaan in de Middeleeuwen door uitbeelding
van de kerkelijke
beurtzangen van de kerstliturgie. Het spel
speelt zich af rond Jezus' kribbe met Maria en Jozef, het bezoek van de drie
koningen en de aanbidding van de herders. Later werd het kerstspel met meer
dramatische elementen uitgebreid en met het
driekoningenspel samengesmolten, zoals bijv.
in de Ordo stellae uit Rouen (11e eeuw) het
geval is. Het meest uitvoerige kerstspel dateert uit de 15e eeuw, het zgn.
Hessische kerstspel.
Als gevolg van allerlei bijbelse en wereldlijke toevoegingen werd
het spel uit de kerk geweerd en verplaatst naar een toneel buiten de kerk.
Later werd het kerstspel vooral door leken gespeeld en tal van
literaire auteurs hebben kerstspelen als lekespel geschreven. Zo schreef
M. Nijhoff voor de Vrijzinnig
Christelijke Jeugdcentrale het kerstspel De ster van
Bethlehem (1942).
LIT: Laan; Metzler; MEW; J. Smits van Waesberghe. Muziek en
drama in de Middeleeuwen (1942). [G.J. van Bork]
| |
ketendicht
Dichtvorm die gebruik maakt van
overlooprijm, bijv.:
Prinsesse, dit wil ik u uut jonsten schinken.
Schinken zoud'ik u mijn bloed, waar 't wijn om drinken;
Drinken zoudy 't, liefken; wilt op mij dinken,
uit het gedicht ‘Een heb ik verkoren, ik en zal z'niet
laten’ van
Anna Bijns (Meer zuurs dan
zoets, ed.
Roose, 19752, p. 28).
Bij uitbreiding wordt de term ketendicht ook gebruikt voor een
gedicht waarvan de strofen door herhaling van een regel of rijmklank met elkaar
worden verbonden, zoals dat het geval is met de
villanelle, het
rondeel en het
refrein-2.
LIT: Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick;
Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
kettinglijnen
Term uit de papiermakerij voor de op een afstand van ca. 2,5 cm
evenwijdig van elkaar tussen de lange zijden van het
vel lopende lijnen die zichtbaar zijn als
men het
papier tegen het licht houdt. De loodrecht
daarop staande lijnen die heel dicht bij elkaar lopen, heten
waterlijnen. Ketting- en waterlijnen,
evenals het
watermerk, ontstaan in het papier door de
afdruk in de papierpulp van de draden waarmee de zeef gevlochten is. De
richting waarin de kettinglijnen lopen is medebepalend voor de vaststelling van
het bibliografisch
formaat van een boek: verticaal bij
folio, horizontaal bij
kwarto, verticaal bij
octavo, horizontaal bij normaal
duodecimo enz.
LIT: BDI; M.J. Pearce. A workbook of analytical &
descriptive bibliography (1970), p. 69-71; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19743), p. 58, 84-107. [P.J.
Verkruijsse]
| |
kettingrijm zie
overlooprijm
| |
keukenmeidenroman
Term ter aanduiding van het soort
lectuur dat het lagere personeel
verondersteld werd te lezen en als zodanig subgenre van de
triviaalliteratuur.
LIT: Cuddon; Scott. [G.J. van Bork]
| | | |
kinderlied
Lied gemaakt voor en/of gezongen door
kinderen. Kinderliederen kunnen behoren tot het gebied van het
volkslied-1 of dat van het
cultuurlied. Er zijn ook mengvormen. Als
volkslied kan men beschouwen de aftelrijmen, een groot deel van de
wiege- en
knieliedjes, en de gelegenheidsliedjes,
zoals de sinterklaasliedjes. Andere voorbeelden van het gelegenheidslied zijn
bijv. ‘Dezeken schudt zijn beddeken uit’, in Zuid-Nederland
gezongen als het sneeuwt, of het rommelpotliedje (op vastenavond gezongen), met
de regels:
Ik heb een braden hoendertje,
(
K. ter Laan. Folkloristisch
woordenboek, 1949, p. 322).
Een ander deel van de kinderliederen behoort tot het cultuurlied.
Men maakt hierbij wel een onderscheid tussen het kinderlied geschreven in de
volkstoon (dat zonder begeleiding kan worden gezongen), en het kunstkinderlied
(dat niet zonder begeleiding kan). Tot in de tweede helft van de 18e eeuw
zongen kinderen (naast de
baker- en
kinderrijmen) de religieuze en profane
liederen van de volwassenen. In het laatste kwart van de 18e eeuw ontstond -
mede onder invloed van het Duitse romantische lied - een nieuw type kinderlied.
Zo gaf de Maatschappij tot Nut van het Algemeen een bundel uit met een
‘kermiszang’, contrafactisch geschreven op de melodie van psalm 6
volgens de berijming van 1773. Weldra volgden kinderliedjes op melodieën
ontleend aan Franse opera's, zoals sommige kinderliedjes in de bundel
Economische liedjes (1781) van
B. Wolff en
A. Deken. De kindergedichten van
H. van Alphen (1778-1782), die zeer snel
populair werden, zijn nog in de 18e eeuw getoonzet. Behalve Van Alphen was het
in de 19e eeuw
J.P. Heije (bijv. ‘Een karretje op
een zandweg reed’) en weldra niet minder
J.J.A. Goeverneur (
Fabelboek, 1837) op wie kinderen en componisten vielen.
Belangrijke namen zijn verder
Catharina van Rennes (1858-1940), die veel
gedichten van haar leerlingen op muziek zette, en de
componiste-tekstschrijfster
Hendrika van Tussenbroek (1854-1935), die
volgens critici erin slaagden een grote eenheid van tekst en melodie te
bereiken. Dit geldt ook voor sommige componisten en tekstschrijvers van het
kinderzangspel (vgl.
operette).
Succesvolle auteurs van kinderliedjes uit de tweede helft van de
20e eeuw zijn
Annie M.G. Schmidt,
Willem Wilmink en
Hans Dorrestijn.
Veel gebruikte bundels zijn Kun je nog zingen, zing dan
mee van
J. Veldkamp en
K. de Boer (1906), afleveringen uit de
serie Zingende harten (vanaf 1925) en die uit de reeks
Tiental (vanaf 1933) van Jacob Hamels Kinderkoor. Geliefd
waren ook Nieuwe oogst van
J.W. van Setten (z.j.) en
Kinderzang en kinderspel van
D. Kes,
J. Pollmann en
P. Tigges (2 dln., 19619).
LIT: Best; Laan; Lodewick; Wilpert; M.J.E. Sanders. Van
Hieronymus van Alphen tot Catharina van Rennes (1958). [G.J. Vis]
| |
kinder- en jeugdliteratuur
Literatuur bestemd voor de lezersgroep die bestaat uit kinderen
van de peuterleeftijd tot en met jongeren van 16 jaar. Enerzijds verstaat men
er alle literatuur onder die door volwassenen geschikt wordt geacht voor de
genoemde leeftijdsgroep, anderzijds is het alle literatuur die voor jongeren
geschreven wordt. Over wat men geschikt of ongeschikt acht voor de jeugd is
door de eeuwen heen een groot verschil van opvatting te constateren. Tot ver in
de 19e eeuw overheerste de opvatting dat kinderliteratuur overwegend educatief
moest zijn om de jeugd zo snel mogelijk tot volwassenheid te vormen (vgl.
Jacob Cats). Daarbij vormde het
leesonderwijs een belangrijke stimulans voor de jeugdlectuur:
ABC-boeken, hanenboeken e.d. Een ander
voorbeeld vormen de catechismusboeken, waarvan de godsdienstige teksten tevens
gebruikt werden voor onderricht in spelling, schrijven en lezen. De
fabel-1 moest nuttige levenswijsheid in
aangename vorm presenteren en de 17e-eeuwse ‘spieghelboecken’
brachten de kinderen kennis bij over de Spaanse overheersers.
Pas in de loop van de 18e eeuw ontstond, vooral onder invloed van
Rousseau, een reactie die ertoe leidde
dat men meer en meer de eigen denkwereld van het kind erkent en speciaal voor
kinderen gaat schrijven. In Nederland speelde
Willem Emmery de Perponchereen rol bij
de introductie van Rousseau's denkbeelden. Aanvankelijk echter blijft het
opvoedende en moraliserende overheersen in Nederland. Dat kinderen
uitsluitend voor hun plezier lezen is een 20e-eeuwse verworvenheid. In H. van
Alphens Proeve van kleine gedigten voor kinderen (1778)
staat de dichter weliswaar op het standpunt van het kind zelf, maar dat
standpunt vertoont een door volwassenen verlangde braafheid. Dezelfde braafheid
vinden we in het beruchte De brave Hendrik (1828) van de
pedagoog
Nicolaas Anslijn, waarmee generaties
19e-eeuwers zijn opgevoed (vgl.
N. Beets. ‘Vooruitgang’ in
De Gids, dl.3, 1837, p. 345-351). Niettemin zal geleidelijk het
kinderstandpunt het pleit gaan winnen. De romantiek met haar voorkeur voor het
grillige, onderbewuste, fantastische en natuurlijke, en dus voor het kinderlijk
spontane, heeft een rijke literatuur voor de jeugd opgeleverd. Allereerst is er
natuurlijk de hernieuwde aandacht voor het
sprookje (
Hoffmann von Fallersleben, de gebroeders
Grimm,
J. Chr. Andersen e.v.a.), die zowel
verzamelingen van oude als van nieuwe sprookjes heeft opgeleverd. Bovendien
gaat het eigen historisch cultuurgoed een rol spelen in de jeugdliteratuur.
Bewerkingen van de Reinaertverhalen,
Tijl Uilenspiegel en ridderverhalen gaan
deel uitmaken van de jeugdliteratuur. Van veel verhalen en romans bestaat
daardoor bij het publiek de indruk dat het om kinderboeken gaat, terwijl ze
oorspronkelijk geschreven zijn voor volwassenen: Don
Quichotte (1605), Gullivers travels (1726),
Robinson Crusoe (1719) e.v.a. De talloze bewerkingen voor
de jeugd hebben van de oorspronkelijke teksten vaak weinig heel gelaten. De 19e
eeuw heeft daarnaast tal van originele klassieke kinderboeken opgeleverd,
waarvan de beroemdste voorbeelden zijn Uncle Tom's Cabin
(1852) van
Harriet Beecher Stowe, Alice in
Wonderland (1865) van
Lewis Caroll, Sans
famille (1878) van
Hector Malot en
Pinocchio (1883) van
Carlo Collodi. In Nederland zijn het o.m.
J.J.A. Goeverneurs Reizen en
avonturen van Mijnheer Prikkebeen (1858) en
J.P. Heijes
Kinderliederen (1861) die een blijvende bijdrage tot de
jeugdliteratuur betekenen. Een nieuw verschijnsel is de opkomst van
tijdschriften voor kinderen: De Kindercourant
(1850-1905), Voor de Lieve Kleinen (1859-1928),
De Kindervriend (1887-1905) e.d. Geleidelijk wordt de
toon en teneur van het jeugdboek natuurlijker en sluit het nauwer aan bij de
belevingswereld van het kind. Tot die natuurlijkheid heeft de vernieuwing van
het taalgebruik door de Tachtigers ongetwijfeld bijgedragen.
Ook al blijven literatoren van naam incidenteel bijdragen leveren
aan de jeugdliteratuur (
Top Naeff,
Jo van Ammers-Küller,
Leo Vroman,
Hans Andreus e.a.), in de loop van de
20e eeuw wordt het schrijven van kinder- en jeugdliteratuur steeds meer een
specialisme. Er komen meer en meer auteurs die hun naam vooral of uitsluitend
te danken hebben aan boeken voor jongeren:
C. Joh. Kievit,
Nienke van Hichtum,
A.C.C. de Vletter,
Chr. van Abkoude,
Cissy van Marxveldt,
Leonard Roggeveen, en na de Tweede
Wereldoorlog
Annie M.G. Schmidt,
Jaap ter Haar,
Thea Beckman,
Jan Terlouw,
Willem Wilmink,
Henk Barnard,
Guus Kuijer e.a. Nieuw is ook de opkomst
van het
stripverhaal.
De erkenning van de specifieke eisen die aan kinder- en
jeugdliteratuur gesteld worden, komt o.m. tot uiting in de instituties die
erdoor ontstaan. Sommige uitgevers zijn gespecialiseerd in het uitgeven van
jeugdlectuur: Lemniscaat, Van Holkema & Warendorf, Van Goor e.a. Er is een
speciale kinderboekenweek, jaarlijks in oktober. Er zijn speciale prijzen
ingesteld: gouden en zilveren griffels voor de schrijvers, gouden en zilveren
penselen voor de illustratoren. Op 19 december 1975 werd voor het eerst een
grote Conferentie Jeugdliteratuur georganiseerd. In Leiden is
zelfs naar een kroondocentschap voor kinder- en jeugdliteratuur gestreefd.
De uitgaven voor de jeugd worden gewoonlijk geclassificeerd naar
leeftijdsgroep of naar sekse (jongensboek en
meisjesboek). Boekhandelaren en bibliotheken
richten er speciale afdelingen voor in. Het specialisatieaspect spreekt ook uit
de grotere aandacht die literaire kritiek en theorie aan de jeugdliteratuur
schenken, bijv. in speciale tijdschriften over het genre: Verkenningen op
het gebied van de jeugdliteratuur (vanaf 1970), Refleks (vanaf
1976), Leestekens (vanaf 1981). Bovendien verschijnt een tweetal reeksen
die van belang zijn: het Project Jeugdliteratuur Plus (vanaf 1976) en de
reeks Boek en Jeugd, een jeugdlectuurgids voor gezin en school
(jaarlijks vanaf 1965). Vanaf 1982 verschijnt voorts het losbladige Lexicon
van de jeugdliteratuur.
De literatuurwetenschap heeft lange tijd nauwelijks aandacht
besteed aan de kinder- en jeugdliteratuur, maar in de jaren '60 groeide aan de
universiteiten en lerarenopleidingen de belangstelling, vooral omdat men zich
vragen ging stellen over het leesgedrag en de relatie jeugdliteratuur -
literatuur, bijv. vanuit didactische overwegingen. In 1989 verscheen een
omvangrijke geschiedenis van het kinderboek in Nederland en Vlaanderen vanaf de
Middeleeuwen onder de titel De hele Bibelebontse berg.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Krywalski; Metzler; MEW;
Wilpert; L.J.T. Wirth. Een eeuw kinderpoëzie, 1778-1878 (1926); G.
Schmook. Het oude en het nieuwe kinderboek (1934); M.J.E. Sanders.
Van Hieronymus van Alphen tot Catharina van Rennes (1958); ‘Het
jeugd en kinderboek in Vlaanderen’, spec. nr. van Vlaanderen 17
(1968) 98; Werkgroep Kinder- en jeugdliteratuur. Het kinderboek vanuit een
andere hoek (4 dln., 1974-1980); Lexikon der Kinder- und
Jugendliteratur (3 dln., 1975-1979); D.L. Daalder. Wormcruyt met
suycker (19762); S.G. van Campen en C. van der Burg. De
onderste plank (1976); F. de Swert. Over jeugdliteratuur (1977); J.
Riemens-Reurslag. Het jeugdboek in de loop der eeuwen (1977); E.
Hulsens. Het kinderhoofd is gauw gevuld: kritieken en essays over
jeugdliteratuur (1980); Peter van Hoven. Achter de keukendeur
(1980); Jeugdliteratuur, thema-nr. van Spektator 11 (1981-1982) 2; Lea
Dasberg. Het kinderboek als opvoeder (1981); R. Ghesquiere. Het
verschijnsel jeugdliteratuur (1982); W. van Peer.
‘Jeugdliteratuur’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 83-92; P.J. Buijnsters en L. Buijnsters-Smets.
Bibliografie van de Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800
(1997). [G.J. van Bork]
| |
kinderprent
Rijmprent bestemd voor kinderen. Sommige
van deze kinderprenten werden vanwege hun populariteit in zulke grote aantallen
gedrukt dat de kostprijs slechts één of enkele centen bedroeg en
daarom ook wel
centsprent werden genoemd. Populair was
bijv. de kinderprent Jan de Wasser.
C.F. van Veen stelde in 1976 een
catalogus Centsprenten. Nederlandse volks- en kinderprenten samen voor
het Rijksprentenkabinet te Amsterdam.
LIT: N. de Meijer. De volks- en kinderprent in de Nederlanden
van de 15e tot de 20e eeuw (1967). [G.J. van Bork]
| |
kitsch
Term uit de literaire
kritiek voor die soort teksten die zich als
kunst voordoen maar die een zich respecterend criticus doorgaans niet zal
willen bespreken vanwege de vermeende inferieure literaire kwaliteit ervan (bij
voorbeeld met betrekking tot ‘onechte gevoelens’ die in het werk
zouden worden geventileerd). Een normatieve houding van de criticus is hier
dominant. Een neutraler aanduiding voor deze categorie schijnkunst die als
‘goedkoop’ product op een groot publiek is afgestemd, is
semi-literatuur.
Het feit dat deze teksten geen erkenning vinden als kunstwerk
(canon), delen ze met menig werk dat behoort tot de
groepen jeugdboeken, stichtelijke romans, godsdienstige verhalen en verzen,
patriottische liederen, streekromans, sagen en andere volksverhalen,
feuilletonliteratuur, damesbladverhalen, misdaadromans, oorlogsromans en
pornografie. Het gaat bij kitsch in veel
gevallen om specimina van de zogenaamde
triviaalliteratuur (pseudo-literatuur,
populaire literatuur, massaliteratuur, consumptieliteratuur, subliteratuur,
paraliteratuur); hierbij echter speelt de normatieve houding van de criticus
een minder dominante rol dan bij kitsch zoals boven omschreven, omdat het
primair gaat om een typologische onderscheiding aangebracht op grond van de
receptie van dit soort teksten bij het publiek.
In de praktijk blijkt het bij kitsch vaak om teksten te gaan die
inhoudelijk weinig diepgang hebben en in technisch opzicht (vorm) weinig voorstellen. Zo ziet men dat de
kasteel-,
dokters- en
verpleegstersroman in series als de
Boeketreeks allemaal volgens eenzelfde simpel procédé zijn
geschreven - interviews met auteurs bevestigen dit - zodat vernieuwing ver te
zoeken is en voorspelbaarheid troef. Kortom: authenticiteit en originaliteit
ontbreken - althans, zo oordeelt menig criticus.
Men kan de verhouding tussen semi-literatuur en
literatuur-als-kunst op twee manieren zien. De ene mogelijkheid is dat
semi-literatuur de rol wordt toegekend van veroorzaker van echte literatuur,
zoals het geval is met de opkomst van de roman omstreeks 1700. Anderzijds kan,
precies contrair, de semi-literatuur als (afval)product gezien worden van de
artistieke literatuur (men denke aan een subtiele vertelvorm als de monologue
intérieur), zodat men te maken heeft met ‘gesunkenes
Kulturgut’.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Shipley; S.
Dresden. Souvenir, een beschouwing over kunst en kitsch (1963); P.
Bourdieu. La distinction (1979); J.J.A. Mooij. Idee en
verbeelding (1981), p. 10-15. [G.J. Vis]
| | | | | |
klad
Term uit de archivistiek, manuscriptologie en editietechniek voor
een voorlopig ontwerp van een geschrift. In de
tekstgenese vertegenwoordigen een of meer
kladden het eerste stadium; een
concept is een definitiever en completer
ontwerp dat al of niet met tussenstadia leidt tot het
net. Een klad is vrijwel altijd een
autograaf. Van veel teksten is het
kladstadium niet bewaard gebleven; als er wel kladjes zijn overgeleverd,
leveren die vaak problemen bij het editeren door de chaotische en
fragmentarische inrichting ervan. In een
archiefeditie of
historisch-kritische editie zijn
diacritische tekens nodig om de varianten te
organiseren en vaak maakt alleen een
facsimile-editie duidelijk hoe de tekst in
het klad gesitueerd is.
Voorbeelden van overgeleverde kladden zijn die (aanwezig op het
Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag) voor de
Gedichten van
J.H. Leopold, geëditeerd door G.J.
Dorleijn, H.T.M. van Vliet en A.L. Sötemann (1984-1985).
LIT: BDI; Best; Mathijsen; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
klank
Term uit de prosodie voor de auditief of perceptief fonetische
laag van een uitgesproken tekst. De hoorder verwerkt de tekst direct
(luisterend naar een akoestische realisatie ervan, waarbij de tekst hardop
wordt uitgesproken) of indirect (via stillezen).
Omdat de spraakklanken niet losstaan van de articulatorische en de
fysische fonetiek, spreekt men in de literatuurwetenschap over het onderscheid
tussen enerzijds de inherente klankelementen (timbre, klankkleur) en anderzijds
de relationele klankelementen (toonhoogte, sterkte, duur). De inherente
klankelementen vormen de basis voor
rijm, de relationele voor
ritme. Gecombineerd optreden van beide vindt
men bij voorbeeld bij
stafrijm, en bij
eindrijm in metrische (metrum) poëzie.
Het is niet ongebruikelijk om bij
analyse en
interpretatie van poëzie aparte
aandacht te geven aan de klanklaag, het zgn. fonische of fonetische niveau. De
status van de
klankanalyse is problematisch, vooral als
het gaat om de toekenning van functies aan de klankvormgeving van een tekst,
zoals het geval is bij
klankexpressie,
klankschildering,
klanksymboliek en
klanknabootsing.
LIT: Alphen; Bronzwaer; Fowler; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW;
Morier; Preminger; Shipley; Wilpert; C.F.P. Stutterheim. Conflicten en
grenzen (1963), p. 62-114; R. Wellek en A. Warren. Theory of
literature (1963); G.N. Leech. A linguistic guide to English
literature (1969); G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap
(19802). [G.J. Vis]
| |
klankanalyse
Term uit de literatuurwetenschap voor die discipline die zich
bezighoudt met de
analyse van de literaire vormgeving van een
tekst voor zover die de
klank betreft. Vooral
ritme en
rijm, met name in poëzie, zijn daarbij
het object van onderzoek. De opvatting wint veld dat klankanalyse slechts
zinvol is wanneer deze wordt uitgevoerd op basis van de bestudering van het
syntactisch-semantische niveau en van het stilistische (stijl) niveau van de desbetreffende tekst.
De analyse van het rijm en die van het ritme stellen elk hun eigen
eisen. Bij die van het rijm is het vaak moeilijk vast te stellen of
overeenkomst in timbre tussen twee woorden nog binnen de auditieve of
perceptieve fonetiek valt en of er in zo'n geval nog wel gesproken kan worden
van een poëtisch signaal, juist daar waar de betrokken woorden verder van
elkaar verwijderd staan in de tekst dan twee of drie regels. Zo liggen er zes
(tamelijk lange) regels tussen de rijmvrager ‘voelen’ en de
rijmgever ‘spoelen’ in de volgende twee verzen uit
‘Zomerregenlied’ van
P. van Ostaijen:
Lust van te gaan en de regendruppels sterven te voelen [...]
Want zoals de watren van de regen wegspoelen
(P. van Ostaijen. VW Poëzie, dl. 1, 1979, p. 90).
Gebruik van gegevens uit de
auteurspoëtica en uit de literaire
conventie biedt soms mogelijkheden voor een plausibele interpretatie.
Bij de analyse van het ritme doen zich vaak problemen voor ten
aanzien van de vraag of een vers metrisch (metrum) is of
niet. Men zoekt dan vaak houvast in het woordaccent, waarover het woordenboek
(uiteraard alleen bij meersyllabige woorden) uitsluitsel geeft. Zo is de
prominentieverhouding (de verhouding tussen de syllaben gelet op het accent)
van de syllaben van het woord ‘witte’ respectievelijk
heffing en
daling: witte. Maar geplaatst in de
context van een zin of regel zou de accentverhouding wel eens anders kunnen
zijn. Men zie bij voorbeeld de regel
Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren
(
M. Nijhoff. VG, 1974, p.
10).
waarbij de lezer die op grond van semantisch-syntactische analyse
het woord ‘Gods’ sterk accentueert, tot de volgende ritmische
notatie zou kunnen komen:
Het licht, Gods w itte licht,
breekt zich in kleuren
met het gevolg dat van het linguïstische accent (ontleend aan
het woordenboek) op de eerste syllabe van ‘witte’ niets meer over
is gebleven.
Om vast te stellen of een regel of een gedicht een metrisch
patroon (of een combinatie van metrische patronen, zoals bij
polymetrie) als grondslag heeft, kan men
gebruik maken van de statistische methode zoals toegepast door
Braakhuis (1962).
Ook bij de analyse en interpretatie van het ritme zal men vaak
zijn voordeel kunnen doen met gegevens uit de literaire context: dichtbundel en
oeuvre van de auteur, poëticale opvattingen van tijdgenoten en kenmerken
van literair-historische
stromingen en
perioden-1.
LIT: Alphen; Bronzwaer; Hobsbaum; A.P. Braakhuis. De
thematische structuur van de versregel (1962), p. 9-22; J. van Luxemburg
e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19833), p.
250-259; G.J. Vis. ‘Vorm en functie in de poëzie. Een
methodologische verkenning, met voorbeelden uit het werk van J. Kinker en W.
Kloos’, in: SpL 33 (1991), p. 247-260. [G.J. Vis]
| |
klankexpressie
Term uit het grensgebied van prosodie en literaire kritiek voor
het feit dat klankverschijnselen (klank) van een tekst
iets toevoegen, gevoelsmatig of rationeel, aan de betekenis van een woord,
woordgroep of zin. Die extra betekenis is dikwijls moeilijk bewijsbaar, maar
ligt meestal op het vlak van de subjectieve receptie van de lezer. Als
voorbeeld van klankexpressie in het
rijm zie men de volgende verzen van
Bloem:
Mijn wangen gloeiden warmer
Toen ik het vorstlijk marmer
(
J.C. Bloem. VG, 1965, p.
50).
Hierbij valt op te merken dat de
rijmvrager ‘warmer’ in de
rijmgever ‘marmer’ de notie
‘koud’ kan releveren, terwijl vervolgens de rijmgever
‘armer’ in de rijmvrager ‘marmer’ (in de
forma formata) de notie ‘rijk’
kan oproepen. Aan de formele waarde (waarmee bedoeld is het prettig klinken
zonder meer) van dit rijm wordt op deze manier iets toegevoegd en deze meer dan
formele rijmesthetiek is een vorm van functionele klankexpressie, die
grotendeels steunt op de betekenismogelijkheden van de betrokken woorden, welke
door de plaats binnen de tekst, meer dan door de klankwerking ervan, op elkaar
worden betrokken.
Anders ligt het met de, eveneens tot het gebied van de
klankexpressie behorende, verschijnselen als
klanknabootsing,
klankschildering en
klanksymboliek.
LIT: Bronzwaer; Gorp; Metzler; MEW; R. Wellek en A. Warren.
Theory of literature (1962); C.F.P. Stutterheim. Conflicten en
grenzen (1963); J. Boets. Moderne theorieën in verband met
klankexpressie (1965); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 250-252; G.J. Vis.
‘Iconiciteit en ritme: klankexpressie bij Nijhoff’, in: FdL
32 (1991), p. 46-60. [G.J. Vis]
| |
klankfiguren
Term uit de retorica en de stijlleer voor die groep van
stijlfiguren die een organisatie op
klankniveau (klank) als basis hebben, bijv.
anafora,
paronomasia,
klanknabootsing. In sommige gevallen treedt
er overlapping op met andere categorieën van stijlfiguren. Zo is de
anafora, als onderdeel van de
repetitio, verwant aan de
woord- en zinsfiguren.
LIT: Alphen; Bronzwaer. [G.J. Vis]
| |
klanknabootsing of onomatopee
Term uit het grensgebied van prosodie en literaire kritiek voor
een woord dat gevormd is, c.q. functioneert, op grond van overeenkomst tussen
de klank ervan en een akoestisch kenmerk van de zaak die door het woord wordt
aangeduid, bv. koekoek. Bij uitbreiding kan de term ook betrekking
hebben op een woordgroep of zelfs een groter tekstgeheel, wanneer de schrijver
klankschilderend (klankschildering) tewerk gaat. In dit
laatste geval kan men te maken hebben met een geval van
klanksymboliek.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Fowler; Gorp; Lausberg; Metzler; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
klankschildering
Term uit de prosodie als algemene aanduiding voor die vormen van
klankexpressie die, minder duidelijk dan de
onomatopee (klanknabootsing), door middel van klank een
handeling of gevoel uitbeelden of suggereren. Sommigen gebruiken de term voor
bewegingschildering, zoals in woorden als ‘flikkeren’ of
‘slingeren’, waarbij de verklaringen voor de basis waarop het
schilderend karakter van zulke woorden berust, zeer uiteenlopend zijn. Voor
anderen is klankschildering synoniem met
klanksymboliek: weergave van niet nauwkeurig
te omschrijven begrippen en kwaliteiten als kleinheid, lichtheid e.a., maar ook
weergave van gevoelens of stemmingen.
Klankschildering kan men vinden op het vlak van het rijm maar ook
van het ritme. Een combinatie van beide vindt men bijv. in het gedicht
‘Uitvaart’ van
Bilderdijk, waarin het ritme de statige
treurmars uitbeeldt en het rijm de ‘sombere’ klank van de
‘trom’ weergeeft:
Befloersde trom / Noch rouwgebrom / Ga rommlende om
(
M.J.G. de Jong en
W. Zaal. Bilderdijk. Een
overzicht van zijn leven en een keuze uit zijn werken, 1960, p.
198).
LIT: Bantel; Best; Metzler; Wilpert; R. Wellek en A. Warren.
Theory of literature (1953), hfdst. 13; J. Boets. Moderne
theorieën in verband met klankexpressie (1965), p. 25. [G.J. Vis]
| |
klanksymboliek
Term uit het grensgebied van prosodie en literaire kritiek waarmee
wordt aangeduid dat klankverschijnselen (in
ritme en/of
rijm) bepaalde noties, stemmingen, gevoelens
c.q. een bepaalde sfeer van een tekst weergeven of versterken. Deze vormen van
klankexpressie (door sommigen ook wel
klankschildering genoemd) kan men bijv.
ervaren in een gedicht als ‘Juffer Lola’ van
P. van Ostaijen, waarvan de eerste
strofe luidt:
Juffer Lola, dit is waar,
(P. van Ostaijen. VW, Poëzie, dl. 1, 1979, p.
73).
LIT: Best; Wilpert; R. Wellek en A. Warren. Theory of
literature (1963); J. Boets. Moderne thorieën in verband met
klankexpressie (1965); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (1981). [G.J. Vis]
| |
klapper
Term uit de archivistiek voor een alfabetische
index-1. Ook in de neerlandistiek worden
klappers vervaardigd op archivistische bestanden van documentatiecentra zoals
de Klapper op het bezit Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven
(AMVC) (19814) en de Klapper op het bezit van de afdeling
Documentatie Nederlandse Letterkunde van het Instituut voor Neerlandistiek van
de Universiteit van Amsterdam (19812).
LIT: BDI; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
klassiek drama
Het op de Griekse en Romeinse klassieken gebaseerde toneel -
tragedie,
komedie,
tragikomedie - beleeft met name in
Amsterdam tijdens de renaissance een ongekende bloei. Aanvankelijk
hebben de tragedies van
Seneca grote invloed gehad - mede door
het Neolatijnse
schooldrama -, later ook die van de Griekse
tragici
Sophocles en
Euripides, vooral op
Joost van den Vondel. De vernieuwingen
breken door in de rederijkerskamers D'Eglentier en Het Wit Lavendel. Wanneer in
D'Eglentier de niet-klassieke dramaopvattingen van
Theodore Rodenburgh de overhand krijgen,
wordt de klassieke traditie voortgezet in de Nederduytsche Academie van
Coster, later in de Amsterdamse
Schouwburg, totdat Nil Volentibus Arduum het
classicistische drama introduceert.
LIT: Laan; M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse
renaissancetoneel (1991). [P.J. Verkruijsse]
| |
klassieke roman of matière de Rome
Term uit de genreleer voor het type
ridderroman (hoofse
literatuur) waarvan de stof is ontleend aan gebeurtenissen en
heldendaden uit de Klassieke Oudheid; het genre wordt daarom ook als
‘matière de Rome’ aangeduid.
De oudste Middelnederlandse hoofse roman, waarvan we overigens
slechts een Duitse bewerking kennen, is een klassieke: de
Eneidevan
Hendrik van Veldeke. Dit werk was ca. 1174
grotendeels voltooid, waarna het manuscript (of de Oudfranse brontekst,
daarover is men het niet eens) op een bruiloft in Kleef gestolen
werd. De auteur kon zijn roman pas ruim 10 jaar later, tussen 1184 en 1190, in
Thüringen afmaken.
Andere Middelnederlandse voorbeelden zijn de fragmenten van de
13e-eeuwse Troje-roman van
Segher Diengotgaf, die als
Tprieel van Troyen Tpaerlement van Troyen en
Den Groten strijtzijn opgenomen in
Jacob van Maerlants Troje-roman
Historie van Troyen (ed.
Verdam, 1873, vs. 2771-3694, 3695-4060 en
4288-5309), maar ook als zelfstandige teksten zijn overgeleverd in het
handschrift-Van Hulthem. Tenslotte beschikken we nog over Jacob van Maerlants
Alexanders Geesten (ca. 1260). Dit laatste werk, dat over
het leven van
Alexander de Grote handelt, wordt ook wel
tot een apart genre gerekend: de
Alexanderroman.
LIT: Laan; G. Schieb. Henric van Veldeke, Heinrich von
Veldeke (1965); M. Gosman. ‘De receptie van het klassieke erfgoed in
de Franse middeleeuwen. De Alexanderlegende als voorbeeld’, in: R.E.V.
Stuip (red.). Franse literatuur van de middeleeuwen (1988), p. 85-101.
[H. Struik]
| |
kleinkapitaal
Term uit de typografie voor
letters die de vorm van de
kapitaal hebben, maar de hoogte van de
onderkast (x-hoogte).
Vaak is de bij een
letterpolis behorende kleinkapitaal iets
breder dan de erbij behorende kapitaal. Ze worden gebruikt om in de tekst de
nodige typografische variatie aan te brengen: persoonsnamen, tussenkopjes of
letterwoorden worden ermee gezet of in toneelteksten de namen van de sprekende
personen, de aanduiding van bedrijven e.d.
LIT: BDI; Hiller; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 52-53; H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (19862), p. 30-31. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | | | |
klinkerrijm zie
assonance
| | | |
klucht-1, clute, cluyt of farce
Kort, komisch toneelgenre met een vaak ogenschijnlijk
pretentieloze komische inhoud en met een eenvoudige
intrige, die meestal neerkomt op een
gedramatiseerde grap met een
pointe. De onderwerpen van de klucht liggen
vooral in de volkse, platkomische of scabreuze sfeer. Onmatigheid en bedrog, in
het bijzonder op sexueel gebied of op het gebied van eten en drinken, zijn veel
voorkomende thema's. De personages zijn vaak karikaturaal getekend (flat character); vaak ook is de handeling als zodanig
karikaturaal. Zeker in de middeleeuwse, maar ook in latere kluchten ontbreekt
het moraliserende element niet. Kluchten werden vaak als voor- of nastuk (het
woord ‘klucht’ is verwant met ‘klieven’ en betekent
‘stuk’) bij groter werk opgevoerd of gepresenteerd naast andere
vermakelijkheden op kermissen en bij feesten.
In het handschrift-Van Hulthem (ca. 1410) is een aantal
laat-14e-eeuwse kluchten overgeleverd; op elk serieus
abel spel volgt een komische uitsmijter:
Esmoreit en Lippijn,
Gloriant en Die buskenblazer,
Lanseloet en Die hexe,
Winter ende somer en Rubben.
Fragmentarisch overgeleverd in hetzelfde handschrift zijn
Truwanten en Drie daghe Here. Deze
korte toneelteksten worden
sotternieën genoemd, maar het is niet
duidelijk of het hierbij om een zelfstandige genreaanduiding gaat. Iets jonger,
uit de 15e eeuw, zijn Nu Noch en
Playerwater.
De vaak korte
esbatementen, komische
tafelspelen en kluchten die in de 16e eeuw
door de rederijkers geschreven werden, kunnen worden beschouwd als de
voorlopers van de 17e-eeuwse klucht. Uit deze periode dateren o.m. de
Cluchte van eenen Donkaert van
Cornelis Crul (ca. 1540) en de
Cluyt van Tielebuys (ca. 1541).
J.J. Mak gaf een viertal
rederijkerskluchten uit in Vier excellente kluchten
(1950).
De 17e-eeuwse klucht heeft een ander karakter en onderscheidt zich
door het snelle, op subtieler verwikkelingen gebaseerde spelverloop,
uitgesproken hoofdrollen, een uitgewerkter intrige en een grotere aandacht voor
couleur locale. Opvallend is dat in bijna
iedere klucht bedrog centraal staat, waarbij de aandacht zich vooral op de
bedrogene richt; niet omdat deze onrechtvaardig behandeld wordt, maar omdat hij
dom, roekeloos of hebzuchtig is, waardoor hij een gemakkelijk slachtoffer is
voor de geslepen medemens. De teksten blijven echter kort (ca. 500 regels).
Bekende voorbeelden uit die periode zijn de kluchten van
G.A. Bredero (bijv.
Klucht van de koe, 1612; Klucht van de
molenaar, 1613),
Constantijn Huygens (Trijntje
Cornelis, 1657) en
Thomas Asselijn (bijv. De
kwakzalver, 1692). In
Jan Vos' De klucht van
Oene (1670) speelt ook
scatologie een rol. Veel kluchten uit de
renaissance ontlenen hun thematiek aan de prozanovellen uit
Boccaccio's
Decamerone, zoals die van
W.D. Hooft,
Abraham Bormeester en
J. Noozeman. In de bundel Van
Bredero tot Langendyk (ed.
Ornée, 1985) is een groot aantal
fragmenten van kluchten uit de 17e en 18e eeuw verzameld.
Aan het eind van de 17e eeuw werden onder invloed van het
dichtgenootschap
Nil Volentibus Arduum bestaande kluchten
bewerkt, gekuist, gemoraliseerd en onder de naam van de bewerker opnieuw
gespeeld en uitgegeven. Originele kluchten uit die periode, bijv. die van
Thomas Asselijn, zijn moralistischer en
sterk satirisch.
In de 19e eeuw konden oudere kluchten vaak niet meer gespeeld
worden, omdat men ze te scabreus vond. In de kluchten uit die tijd ontbreekt
dan ook het platte of scabreuze.
J.J. Cremers
Titulair (1874) is een lang uitgevallen klucht, die
daardoor aan het
blijspel doet denken. Ook het succesvolle
Janus Tulp (1879) van
Justus van Maurik is alleen vanwege het
volkse nog een klucht te noemen. Die toenadering tussen de subgenres klucht en
blijspel zette zich in de 20e eeuw voort.
Herman Heijermans'klucht Het
kamerschut (1903) zou men ook een blijspel in één
bedrijf kunnen noemen. Het omgekeerde zou kunnen gelden voor de korte
blijspelen van
Feydeau (1862-1921). Het lijkt erop dat de
inhoudelijke elementen bij de definiëring van de term beperkt raken tot
het grappige, terwijl de omvang daarbij maatgevender is geworden.
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler; MEW;
Laan; Wilpert; J. van Vloten. Het Nederlandsche kluchtspel van de 14e tot de
18e eeuw, 3 dln. (1878-18812); Ph. van Moerkerken.
Het Nederlandsche kluchtspel in de 17e eeuw (1899); J.A. Worp.
Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland, 2 dln.
(1904-1908); W.A. Ornée. ‘Gezichtspunten bij de beoordeling van
het zeventiende- en achttiende-eeuwse klucht- en blijspel’, in:
Handelingen van het 32e Nederlands Filologencongres (1974), p. 132-140;
H. Pleij. ‘De sociale functie van humor en trivialiteit op het
rederijkerstoneel’, in: Spektator 5 (1975-1976), p. 108-127; W.A.
Ornée. ‘Het kluchtspel in de Nederlanden, 1600-1760’, in:
Scenarium (1981), p. 107-121; F. van Meurs. ‘De abele spelen en de
navolgende sotternieën als thematisch tweeluik’, in:
Literatuur 5 (1988), p. 149-156; R. van Stipriaan. Leugens en
vermaak. Boccaccio's novellen in de kluchtcultuur van de Nederlandse
renaissance (1996). [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse/H. Struik]
| |
klucht-2
Kort, realistisch (vaak erotisch of scatologisch), doorgaans
grappig, lineair opgebouwd prozaverhaal (novelle),
meestal uitlopend op een
pointe. De pointe kan een grappige
woordspeling (facete dictum) zijn zoals in de
facetiae, of een grappige handeling (facete
factum). Tijd, plaats, handeling en personages van een klucht zijn schetsmatig.
Het verschil met een
anekdote en een
apophthegma is dat die de handelingen,
respectievelijk uitspraken van een historische persoon betreffen. Uit de 15e
tot 18e eeuw zijn diverse verzamelingen kluchten in
kluchtboeken bekend.
LIT: P.P. Schmidt. Zeventiende-eeuwse kluchtboeken uit de
Nederlanden; een descriptieve bibliografie (1986), p. 14-15; R. van
Stipriaan. Leugens en vermaak; Boccaccio's novellen in de kluchtcultuur van
de Nederlandse renaissance (1996). [P.J. Verkruijsse]
| |
kluchtboek
Verzameling prozakluchten (klucht-2) die
duidelijk onderscheiden moeten worden van de klucht (klucht-1) als komisch toneelstuk. De kluchtboeken - een
onderdeel van de populaire literatuur (triviaalliteratuur) van de 15e tot de 18e eeuw - vertonen veel
overeenkomst met de middeleeuwse
exempelverzamelingen en de
facetiaeverzamelingen van de humanisten.
Behalve exempelen en facetiae kan men in kluchtboeken ook gedichten,
apophthegmata,
anekdotes,
novellen,
grafschriften,
raadsels en
spotprognosticaties aantreffen. Belangrijke
bronnen waaruit steeds opnieuw geput werd, waren
J. Pauli's Schimpff und
Ernst en
A. le Metels Contes aux heures
perdues.
Een aantal samenstellers van kluchtboeken is bekend, o.a.
Joan de Grieck,
Jan van Duisberg (De geest van
Jan Tamboer, 12 drukken tussen 1656-1824),
Simon de Vries en
Jan Zoet (Het leven en bedrijf
van Clément Marot, 19 drukken tussen 1655 en het begin van
de 19e eeuw). Prozakluchten zijn uitgegeven in Het zal koud zijn in
't water als 't vriest (ed.
Van Kampen,
Pleij,
Stumpel e.a., 1980) en in Een
nyeuwe clucht boeck (ed. Pleij e.a., 1983). Een descriptieve
bibliografie van Zeventiende-eeuwse kluchtboeken uit de
Nederlanden (1986) werd samengesteld door
P.P. Schmidt.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Feather; Laan; Scott; Shipley;
Wilpert; J. Bolte. ‘Zur Schwankliteratur des 16. und 17.
Jahrhunderts’, in: TNTL 39 (1920), p. 75-96; R. Dekker. Lachen
in de Gouden Eeuw; een geschiedenis van de Nederlandse humor (1997). [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
knipzang
De knipzang is een bijzonder geval van de
velddeun, nl. een erotisch-arcadisch
sneeuwbalgedicht van zeventien auteurs dat aansluit op
P.C. Hoofts
Veltdeuntjen (1611) met de beginregel ‘Rosemondt
die lach en sliep’ (Gedichten, ed.
Stoett, 1899, p. 110) en dat varieert op
het woord ‘knippen’ (= knijpen; verleiden; knippen) uit regel 4 van
dat gedicht. Daartoe aangespoord door dichter-boekverkoper
H. Sweerts werden in 1654 strofen
vervaardigd door resp.
J. van den Vondel,
L. Sanderus,
Pieter Dubbels,
Thomas Asselijn,
David Questiers,
G. Verbiest,
Sweerts zelf,
Catharina Verwers,
J. Lemmers,
Katharina Questiers, waarschijnlijk
Jeremias de Decker,
Goudina van Weert,
Gerbrand van den Eekhout,
Maria Massa,
I. Massa,
François Snellinx,
W. Schellinks en nogmaals Vondel.
Om het literaire spel te vervolmaken dichtte
I.D. Klijn een zogenaamde tegenknip
onder de titel ‘Kermis-Gift’ van evenveel strofen met toespelingen
op de dichters van de knipzangen. De gehele knipzang en de tegenknip werden
samen uitgegeven in het
liedboek De nieuwe Hofsche
rommelzoo, gedischst voor de laatdunckende knip-rymers en rymerzen
(1655) nadat de strofen van Hooft en Vondel al gepubliceerd waren in
De Olipodrigo van 1654.
LIT: Gorp; Laan; P. Minderaa. ‘De Knipzang’, in:
TNTL 79 (1963), p. 10-35. [P.J. Verkruijsse]
| |
knittelvers
Term uit de prosodie voor dichtregels met eindrijm die, evenals
het
heffingsvers, niet
isosyllabisch zijn en bovendien geen
metrisch (metrum) patroon hebben. De indruk van
onbeholpenheid die dit soort poëzie bij sommige lezers wekt, is vaak door
de auteur bewust gewild, omdat hij bijv. een humoristisch (humor) effect beoogd heeft:
Gy moet u daarom over 't zwemmen geenszins bekommeren,
Noch met een kurken toestel voor 't vluchten u beslommeren
(De Schoolmeester. Gedichten ed.
Van Deel en
Mathijsen-Verkooijen, 1975, p.
41).
In uitzonderingsgevallen treedt in dit soort poëzie
isometrie op, zoals in het volgende fragment
(curs. van ons):
En hand aanvaardde en zijn moeder werd (Id., p. 24).
Hoewel de term knittelvers velen aan De Schoolmeester doet denken,
is het verschijnsel, formeel gesproken, te beschouwen als een vorm van
vrij vers-2 en als zodanig in de 20e eeuw
royaler te vinden dan in de periode daarvoor. Sommige schrijvers hebben een
voorkeur voor knittelverzen, zoals
P. van Ostaijen (blijkens zijn
verspraktijk) en
H. Claus (blijkens een uitspraak door
hem gedaan in een tv-interview).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
knuppelvers
Vorm van een
knittelvers met gepaard
eindrijm, de suggestie wekkend van
geknutsel, bijv.
Sprak tot de bevolking: 'Toe mensen, juich 'ns
Opdat ik iets van jullie ontzag voor cultuur merk
Bij de aanblik van 's werelds eerste slingeruurwerk
(
Drs. P. Ons
knutselhoekje, 1975, p. 9).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Scott. [G.J. Vis]
| |
kohier
Term uit de archivistiek voor een staat van in een bepaalde
periode te innen belastingaanslagen. Kohieren uit het verleden kunnen een bron
zijn voor literair-historisch onderzoek naar de sociale omstandigheden van
letterkundigen en boekproducenten. In dit opzicht belangrijke uitgegeven
kohieren zijn Amsterdam in 1585 (1941), waarin
J.G. van Dillen het Amsterdamse kohier
der capitale impositie van 1585 editeert met gegevens over (de familie van)
Hooft,
H.L. Spiegel en
Roemer Visscher, en het Kohier
van de personeele quotisatie te Amsterdam over het jaar 1742 (ed.
Oldewelt, 2 dln., 1945).
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
koningsspel
Middeleeuws vraag- en antwoordspel over de liefde, behorend tot de
hoofse literatuur. Het koningsspel zou
bedacht zijn door
Margriete van Limborch, zoals te lezen
is in het 11e boek van de Roman van Heinric en Margriete van
Limborch (ca. 1300, ed.
Van den Bergh, 1846-47; voor de
geamplificeerde tekst
Meesters, 1951). In haar gezelschap zou
het spel voor het eerst gespeeld zijn. Het koningsspel gaat als volgt: eerst
wordt door aftellen iemand tot koning benoemd. Deze stelt vervolgens aan alle
leden van het gezelschap een vraag over de liefde. Deze vragen moeten
beantwoord worden. Daarna stellen de ondervraagden om de beurt de koning een
vraag.
Het koningsspel is een variant op een ouder spel: le roi qui ne
ment pas (de koning die niet liegt), dat we kennen uit
Adam de la Halles Li gieus de
Robin et Marion (ca. 1275; ed. en vert.-
Stuip, 1980). Het koningsspel moet zeer
geliefd zijn geweest. De tekst uit de Roman van Heinric en Margriete
van Limborch is bewerkt in het 15e-eeuwse Van vrouwen
ende van minne (ed.
Verwijs, 1871) en in het DBoeck
der amoreusheyt (1580). Een vergeestelijkte versie vinden we in het
Leven van Sinte Amand (2e helft 14e eeuw?; ed.
Blommaert, 1842-43). In de
prozaroman Die schoone hystorie van
Margarieten des hertoghen dochter van Lymborch (1516; ed.
Schellart, 1952) heeft het koningsspel
meer het karakter van een raadselspel gekregen. Eveneens komt er een
koningsspel voor in de Roman van Cassamus (2e helft 14e
eeuw?; ed.
Verwijs, 1869).
LIT: Laan; E. Langlois. ‘Le jeu du Roi qui ne ment pas et le
jeu du Roi et de la Reine’, in: Mélanges Chabaneau (Romanische
Forschungen) 23 (1907), p. 163-73); A. Klein. Die altfranzösischen
Minnefragen (1911); W.E. Hegman. ‘Het “Schoon Coninc
Spel” uit DBoeck van amoreusheyt (1580) geïdentificeerd’, in:
SpL 9 (1965-66), p. 263-65; W.M.H. Hummelen. Versdialogen in
prozaromans (1971); D.E. van der Poel. ‘Minnevragen in de
Middelnederlandse letterkunde’, in: F. Willaert (red.). Een zoet
akkoord, Middeleeuwse lyriek in de lage landen (1992), p. 207-218. [H.
Struik]
| |
koor
In de Griekse tragedie is het koor (choros) een in de handeling
betrokken groepspersonage met zowel handelingsgebonden (handeling) als niet-handelingsgebonden functies. Tot de
handelingsgebonden functies horen wisselzangen met een personage, het vertellen
van de voorgeschiedenis van het drama, het overbruggen van pauzes, samenvatten,
of personages aankondigen. Tot de niet-handelingsgebonden taak hoort het
plaatsen van de gebeurtenissen in een hoger perspectief om zodoende het
vertoonde universele waarde te verlenen. In de Romeinse tragedie (met name
Seneca) wordt het aandeel van het koor
(chorus) in het handelingsverloop kleiner: het zwaartepunt komt te liggen op de
oden tussen de bedrijven. Vooral Seneca's opvatting van het koor werkt door in
de renaissancetragedie én in het Neolatijnse
schooldrama: het wordt niet meer als
verhaalpersonage gezien, maar als normerende instantie van het publiek. Van
rode draad door het hele stuk is het koor geworden tot verdeler van de tragedie
in vijf bedrijven, waarin de functies van het koor veel vrijer en
onregelmatiger zijn geworden. Het koor krijgt dan ook een nieuwe naam:
rei-1, hoewel sommige tragedieschrijvers ook
de vernederlandste vorm van chorus ‘choor’ gebruiken, het eerst
P.C. Hooft in Achilles en
Polyxena (ca. 1600). Ook
Vondel gebruikt choor in Het
Pascha (1610), maar uit zijn omschrijving daarvan met ‘de
leerlijcheyt ofte moralisatie’ blijkt wel dat hij er een uitsluitend
moraliserende functie aan toekende.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler; MEW;
Scott; L. van Gemert. Tussen de bedrijven door? De functie van de rei in
Nederlandstalig toneel 1556-1625 (1990). [P.J. Verkruijsse]
| |
kop of front
Begrip uit de hoofse lyriek voor het bovenste deel van een
strofe van een
minnelied-1, door een
snede gescheiden van de
staart. De techniek om op deze wijze een
lied op te bouwen, noemt men
tripartition. De kop is een formeel kenmerk
van de Noord-Franse hoofse poëzie (hoofse
literatuur); een Noord- Franse kop bestaat doorgaans uit twee
stollen van elk twee versregels, van elkaar
gescheiden door een
vore. Dit type komt voor in de strofische
gedichten van
Hadewijch (zie tripartition voor een
voorbeeld).
LIT: N. de Paepe. Grondige studie van een Middelnederlandse
auteur. Hadewijch. Strofische gedichten, 2 dln. (19722), deel
Studie, p. 39-43. [H. Struik]
| |
kopie, afdruk of afschrift
Term uit de archivistiek en editietechniek voor een geschrift,
gelijkluidend aan een ander geschrift waarnaar het (niet-mechanisch) is
vervaardigd; een afdruk is een (foto)mechanische kopie. In de Middeleeuwen
werden handschriften (codex) door
kopiisten afgeschreven (afschrijven-1), maar ook na de uitvinding van de boekdrukkunst
werden van veel manuscripten (handschrift) kopieën
gemaakt, eenvoudige van met name uitgaande brieven en voor kopie conform
getekende van officiële notulen e.d. Een druk kan men beschouwen als een
mechanisch vervaardigde kopie naar de
kopij. Wanneer in 17e-eeuwse boeken op de
titelpagina de vermelding voorkomt ‘(Gedrukt) naar de copy te
Parijs’ dan betekent dat, dat de eerder te Parijs verschenen
druk als
legger gediend heeft.
LIT: BDI; Brongers; Gorp; Mathijsen; Ned. Arch.-term. [P.J.
Verkruijsse]
| |
kopiist of afschrijver
Term uit de codicologie voor degene die de
codex in materiële zin vervaardigt,
niet te verwarren met de
auteur, de geestelijke vader van de tekst.
De Middelnederlandse literatuur is vrijwel uitsluitend in
apografen, afschriften van beroeps- en
gelegenheidskopiisten, bewaard gebleven; er zijn slechts enkele
autografen: handschriften van de auteur
zelf. Doorgaans gebruikte de kopiist een ander handschrift als
legger soms schreef hij
wastafels af.
Het werk van de kopiist stond als uiterst zwaar bekend. Alvorens
met het eigenlijke afschrijven te kunnen beginnen moest de kopiist eerst zijn
schrijfmateriaal (perkament, papier, inkt en pennen) prepareren en de
katernen vouwen, prikken en liniëren.
Na het schrijven kwam de
rubricatie, de correctie en het zetten van
custoden en
katernsignaturen.
Ook na de Middeleeuwen worden nog tal van teksten afgeschreven
door min of meer professionele kopiisten, die dan vaak een functie als
secretaris hebben. Zo is de apograaf van Trijntje
Cornelis (ed.
H.M. Hermkens, dl. I,1 (1987), p. 34-42)
door Huygens' secretaris vervaardigd, en ook
Hoofts Historien
zijn gekopieerd door een assistent van de Amsterdamse secretaris
Mostaert.
LIT: BDI; Th. Glorieux-De Gand. Het woord van de kopiist;
colofons van gedateerde handschriften (1991). [H. Struik/P.J.
Verkruijsse]
| |
kopiistenfout zie
transmissiefout
| |
kopmaat
Term uit de analytische bibliografie en typografie voor de afstand
in millimeters tussen de top van een stijgende letter en de onderkant van een
dalende letter, de ‘kp’-afstand, vermenigvuldigd met 20. Het meten
dient meermalen te gebeuren op verschillende plaatsen in een boek, daar waar
een stijgende en dalende letter zo dicht mogelijk bijeen staan. De
vermenigvuldiging met 20 dient om de maten van kop en corps vergelijkbaar te
maken. Het geeft in ieder geval een indicatie van de minimale
corpsmaat waarop de kop zich bevindt. Het
meten kan vrij nauwkeurig gebeuren met de transparante meetlatten, de
‘type gauge’ en de ‘line gauge’, ontworpen door
K. van der Waarden.
De gegevens van kop- en corpsmaat leveren samen met die van
x-hoogte en
kapitaalhoogte de onderdelen voor de
letterformule ter identificatie van in
drukwerk gebruikte letter.
LIT: Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 9-16; H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (19862), p. 146-148; G. Unger. ‘Moderne
incunabelen; typografische maten in incunabelen en recent drukwerk’, in:
T. Croiset van Uchelen en H. van Goinga. Van pen tot laser; 31 opstellen
over boek en schrift aangeboden aan Ernst Braches (...) (1996), p. 302-307.
[P.J. Verkruijsse]
| |
koppermaandagprent
Term uit de drukkerswereld voor een drukwerkje dat ter gelegenheid
van koppermaandag aan relaties van drukkers wordt gestuurd. Koppermaandag, de
eerste maandag na Driekoningen (dus meestal de tweede maandag van januari),
werd vroeger door de gilden gevierd; alleen bij de drukkers en zetters is deze
dag in ere gebleven ter herdenking van de uitvinder van de boekdrukkunst
(destijds dacht men nog aan
Lourens Jansz Coster). De
drukkersgezellen gingen vroeger op koppermaandag nieuwjaarswensen afleggen in
ruil voor een kopperpenning, een welkome aanvulling van hun vaak niet zo hoge
loon. De koppermaandagprent - een proeve van typografisch kunnen of een
typografisch grapje, dikwijls in de vorm van een kalender - werd in ruil
daarvoor overhandigd.
In de 18e eeuw bevatten de kopperprenten, zoals ze ook wel genoemd
worden, vaak teksten in dichtvorm; in de 19e eeuw vormen ze met veel
vakmanschap tot stand gebrachte kunstige drukwerken waarvoor een ruime greep
gedaan wordt in de kasten met typografisch materiaal. De traditie is in de 20e
eeuw weer opgepakt door o.a. de Stichting Drukwerk in de Marge, die ieder jaar
aan de contribuanten een kopperprent stuurt, bijv.:
Bert van Selm. Beeld van een
lettergieter (koppermaandag 12 januari 1987), dat heel toepasselijk
gaat over het redden van een gevelsteen in Haarlem met het beeld
van Laurens Jansz. Coster.
Een overzicht van 421 koppermaandagprenten uit de periode
1700-1989, voorzien van een historische inleiding, geeft de publicatie van
J. de Zoete en
M. Versteeg: Koppermaandagprenten.
Verkenning van een Nederlandse grafische traditie (1991).
LIT: Brongers. [P.J. Verkruijsse]
| |
kopregel of running title
Term uit de typografie voor de regel zetsel in het
kopwit met daarin het paginanummer en de op
iedere pagina terugkerende (verkorte) titel van het boek en/of hoofdstuk, ook
wel aangeduid met het Engelse ‘running title’. De kopregels van een
verso- en een
recto-pagina in een
opening kunnen ook een doorlopend geheel
vormen, bijv. links de boektitel en rechts de hoofdstuktitel.
Omdat dezelfde kopregels - uiteraard met gewijzigd paginanummer -
telkens weer nodig waren bij het insluiten van nieuwe
drukvormen in het raam, werd het zetsel van
de kopregel gewoonlijk niet gedistribueerd. Wanneer er maar met
één raam gewerkt wordt, kan men identieke kopregels (vast te
stellen met behulp van transparantfotokopieën) aantreffen in zowel
binnen- als
buitenvorm van een
katern.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; F. Bowers.
‘Notes on running-titles as bibliographical evidence’, in: The
Library, 4th series, 19 (1938-1939), p. 315-338; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 109-110. [P.J.
Verkruijsse]
| |
kopwit
Term uit de typografie voor de bovenmarge, dus het gedeelte van de
pagina dat zich boven de
zetspiegel bevindt. In het kopwit kan de
paginanummering geplaatst worden en de
kopregel. De andere marges heten
rug-,
snij- en
staartwit.
LIT: BDI; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p.
149-150. [P.J. Verkruijsse]
| |
kopij
Kopij is de druktechnische term voor het
manuscript of
typoscript van een auteur dat naar de zetter
gaat. In de begintijd van de boekdrukkunst konden uiteraard ook codices (codex) als kopij dienen en bij een
herdruk ligt het voor de hand een
exemplaar-1 van een eerdere
druk als kopij te nemen. Tegenwoordig wordt
de kopij steeds meer op diskette aangeleverd, waarna conversie naar
fotozetsystemen plaatsvindt.
Goede kopij dient aan een aantal voorwaarden te voldoen: de
kopijbladen dienen aan één zijde zo duidelijk mogelijk beschreven
of getypt te zijn met dubbele of anderhalve regelafstand en brede marges. Veel
uitgevers en redacties van tijdschriften beschikken over voorbedrukte
kopijbladen met aanwijzingen voor auteurs, een raamwerk waarbinnen getypt moet
worden en een regelnummering. Dat stelt in staat om vrij nauwkeurig te
berekenen hoeveel vellen druks een bepaalde publicatie zal beslaan.
De ruime interlinie maakt het mogelijk allerlei aanwijzingen voor
de zetter aan te brengen, de zgn. zetinstructie, met betrekking tot het gebruik
van lettertypes (cursief, kleinkapitaal, grootkapitaal enz.), hetgeen nog vaak
gebeurt door het desbetreffende gedeelte van de tekst met verschillende kleuren
te onderlijnen. Voorschriften voor het persklaar maken van kopij zijn
gepubliceerd door het Nederlands Normalisatie-instituut op Normblad NEN
2390.
De schakel van de kopij in de
tekstgenese ontbreekt meestal omdat de kopij
niet bewaard wordt. Wel overgeleverde kopij uit de periode van de handpers kan
men herkennen aan het voorkomen van
formaatsignaturen, door de zetter
aangebrachte tekens bij de overgang van de ene pagina zetsel naar de volgende.
Andere tekenen die erop kunnen wijzen dat men met kopij van doen heeft, zijn:
vingerafdrukken met drukinkt, afdrukken in spiegelbeeld van een natte
proefdruk of
drukproef, bepaalde vouwen in de kopij om
deze aan de maat van het visorium aan te passen.
Wanneer de kopij en de daarnaar vervaardigde druk bewaard zijn,
kunnen aan de hand daarvan conclusies getrokken worden omtrent de vrijheid in
bijv. spelling en interpunctie die zetters zich in het verleden
veroorloofden.
Voorbeelden van overgeleverde kopij komen voor vanaf de vroegste
periode van de drukkunst in de Nederlanden, zoals uit de werkplaats van
Ketelaer en De Leempt (1473). Ook is er kopij voor
Hoofts Granida en
Baeto uit de drukkerij van Blaeu en de gedrukte kopij
voor de Statenvertaling van de bijbel uit de drukkerij van
P.A. van Ravesteyn.
LIT: BDI; Feather; Hiller; Mathijsen; MEW; Scott; W.Gs Hellinga.
Kopij en druk in de Nederlanden (1962), 94-108; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 40-43; F.A. Janssen.
Zetten en drukken in de 18e eeuw (1982), p. 161-163; K.F. Treebus.
Tekstwijzer (19832), p. 201-215; H. van Krimpen. Boek over
het maken van boeken (19862), p. 348-378; J.C. Zweijgardt. De
boekdrukkerij, ed. F.A. Janssen en J. Bouman (1986), p. 47-48; E.
Steuperaert. Conversie van gegevens: verbinding van personal computers en
kantoortekstverwerkers met fotozetsystemen (1988). [P.J. Verkruijsse]
| |
kort verhaal zie
verhaal-1
| |
kosmisch expressionisme
Binnen het
expressionisme maakt men gewoonlijk
onderscheid tussen
humanitair expressionisme en het individueel
of kosmisch expressionisme. Dat onderscheid is echter niet goed vol te houden,
omdat ook het humanitair expressionisme kosmische trekken heeft: de kosmische
verbondenheid van individu en gemeenschap (maatschappij). Meestal bedoelt men
dat het kosmisch expressionisme sterker op het individu en zijn verbondenheid
met de kosmos gericht is, terwijl het uitgesproken ethische van het humanitair
expressionisme daaraan ontbreekt of ondergeschikt gemaakt is. Het kosmisch
expressionisme zou autonomer zijn dan het humanitair expressionisme, waarin
steeds ook een buiten de literatuur liggend doel een rol speelt.
Bij het kosmisch expressionisme gaat het vooral om de wederzijdse
doordringing van individu en kosmos (heelal), zoals dat bijv. goed tot uiting
komt in een schilderij als De gil van
Edvard Munch. In de literatuur vinden we
duidelijke voorbeelden bij
Herman van den Bergh en
H. Marsman:
De maan, die toornig uwe flanken teistert
(
H. v.d. Bergh, VG, 1979, p.
18).
De maan verft een gevaar over de gracht,
ik schuifel elken nacht na middernacht,
in een verloren echolozen stap,
ruggelings schuivend langs de hemelschuinte,
de treden der verlaten wenteltrap
(
H. Marsman, VW, 1960, p.
24).
Om de wederkerige kosmische betrokkenheid uit te drukken, maakt
men graag gebruik van
synesthesie (‘violette geur’) en
verschuivingen in de reële verhoudingen.
LIT: E. Krispijn. ‘Herman van den Bergh, Marsman en het
Noord-Nederlandse expressionisme’, in: De Gids 120 (1958), p.
231-249; A. Lehning. Marsman en het expressionisme (1959). [G.J. van
Bork]
| |
kosmische zelfvergroting
Oorspronkelijk romantisch motief, waarbij de dichter zich in een
exaltatie van individueel superioriteitsgevoel uitbreidt en kosmische
proporties aanneemt alsof hij zich verenigt met het heelal. Er is samenhang met
het Ikarus-motief en het Prometheus-motief. Het motief van de kosmische
zelfvergroting hangt samen met de vergoddelijking in het romantische
genie-begrip.
Voorbeelden van kosmische zelfvergroting kan men aantreffen in
W. Bilderdijks Napoleon.
Ode (1806),
J. Perks sonnet ‘Hemelvaart’ (
VG, 1957, p. 111) en
H. Marsmans ‘Heerser’ (
VW, 1963, p. 6).
LIT: J. Smit. ‘De kosmische zelfvergroting van de dichter
bij Bilderdijk, Perk en Marsman’, in: Meded. Kon. Ned. Akademie van
Wetenschappen, Nwe Reeks 20, 4 (1957). [G.J. van Bork]
| | | |
kreeft(ge)dicht, letterkreeftdicht of
retrograde
Versvorm waarbij de regels ook van achter naar voor kunnen worden
gelezen zonder dat de betekenis van het gedicht verandert. Vele rederijkers
hebben dit genre beoefend. Zo begint de ‘Retrograde ten loue van
Maria’ van
Anthonis de Roovere aldus:
Marie weerde Moedere ghenaden
Vrije Coninghinne wilt my beraden
Reyne Maghet gracieuse soete
Fonteyne suyvere, tscommers boete
(Gedichten ed.
Mak, 1953, p. 206).
Een bijzondere vorm van het kreeftdicht is het
palindroom.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
kritiek of literaire kritiek
Aanduiding voor het beoordelen van literatuur. Hieronder vallen
zowel de
recensie alsook uitspraken behorend tot het
terrein van de
auteurspoëtica, te vinden in
essays, correspondentie, interviews e.a.
Mede onder invloed van buitenlandse termen als
‘Kritik’ en ‘criticism’ wordt door sommigen de term
niet alleen gebruikt voor de evaluatie van literaire teksten, maar ook voor de
interpretatie en de
analyse ervan.
LIT: Abrams; Baldick; BDI; Brongers; Cuddon; Fowler; Gorp; Hiller;
Laan; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert;
P.F. Schmitz. Kritiek en Criteria (1979); J.J.A. Mooij. Idee en
verbeelding (1981), p. 54-59; J.J. Oversteegen. Beperkingen (1982),
p. 219-227; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap
(19833), p. 66-85. [G.J. Vis]
| |
kritische bibliografie
Term uit de bibliografie die in het Angelsaksische taalgebied als
‘critical bibliography’ dezelfde betekenis heeft als
analytische bibliografie en die als
Nederlandse term de betekenis heeft van een
bibliografie (het betreft vrijwel altijd een
objectieve bibliografie) waarin de opgenomen
publicaties van een waardeoordeel worden voorzien. Veel
enumeratieve bibliografieën zijn in dit
opzicht kritisch zonder dat dat met zoveel woorden is aangegeven.
LIT: BDI; Hiller; E.W. Padwick, Bibliographical method
(1969), p. 16-17. [P.J. Verkruijsse]
| |
kritische editie
Term uit de editietechniek voor een editie waarin tekstkritiek is
toegepast, in tegenstelling tot de
diplomatische editie waarin de tekst gegeven
wordt zoals het lezende oog deze na het gereed komen van codex of druk zag.
Editeurs van middeleeuwse teksten zullen geneigd zijn kritische edities te
vervaardigen omdat de teksten uit die periode niet in geautoriseerde (autoriseren) versies zijn overgeleverd.
LIT: Best; Hiller; Mathijsen; Metzler; MEW. [P.J. Verkruijsse]
| |
kroniek
Oorspronkelijk de optekening van historische gebeurtenissen in een
strikt chronologische volgorde. Aan de basis van het genre staat de kroniek van
Eusebius van Caesarea (339): een
verzameling synchronistische tabellen van Abrahams geboorte tot aan het jaar
324 n.Chr. Eusebius' doel was het leggen van een verband tussen de tijdrekening
van de Israëlitische geschiedenis en die van de Klassieke Oudheid. De
uitbreiding/vertaling ervan in het Latijn door
Hiëronymus en het
Chronicon de sex aetatibus mundi van
Beda vormden de grondslag voor de
wereldkronieken die in de 11e eeuw in de kloosters worden geschreven.
In de 11e eeuw gaat men in de kronieken ook beperkter onderwerpen
vastleggen: de geschiedenis van een klooster, een bisdom of een wereldlijke
dynastie, waarbij het begin vaak is gebaseerd op een wereldkroniek. In de 13e
en 14e eeuw worden kronieken in de volkstaal vertaald en geschreven; eerst in
gepaard rijmende verzen (rijmkroniek), later ook in
proza. In de late Middeleeuwen wordt de term kroniek ook gebruikt voor
geschiedwerken met een sterk literair karakter.
In 1517 verschijnt de Chronycke van Hollandt, Zeelandt
ende Vrieslandt van
Cornelius Aurelius. Dit lijvige boekwerk,
dat ook wel de Divisiekroniek genoemd wordt, bevat een
overzicht van alle belangrijke gebeurtenissen in Holland,
Zeeland en Friesland van de tijd van Adam en Eva tot
de eigen tijd. De geschiedenis van de graven van Holland maakt van dat
overzicht een belangrijk deel uit. De Divisiekroniek is tot in de 18e
eeuw voor velen een handboek in de vaderlandse geschiedenis.
Tegenwoordig wordt het begrip kroniek nog steeds gebruikt in
tijdschrifttitels van geschiedkundige verenigingen, zoals de Kroniek van de
Historische Vereniging Rijswijk en de Vestdijkkroniek en in titels van
populariserende historische werken als de Kroniek van de 20e
eeuw (1993).
Anton van Duinkerken publiceerde een
Kroniek der Nederlandsche letteren (1937).
LIT: Baldick; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; MEW;
Scott; E.L. Poole. Chronicles and annals (1926); J. Romein.
Geschiedenis van de Noord-Nederlandsche Geschiedschrijving in de
Middeleeuwen (1932); M. Carasso-Kok. Repertorium van verhalende
historische bronnen uit de middeleeuwen (1981); A.L.H. Hage. Sonder
favele, sonder lieghen. Onderzoek naar vorm en functie van de Middelnederlandse
rijmkroniek als historiografisch genre (1989); E.O.G. Haitsma Mulier e.a.
Repertorium van geschiedschrijvers in Nederland 1500-1800 (1990). [H.
Struik]
| |
kruisstelling zie
chiasme
| |
kruisvaartroman
Verzamelnaam voor de middeleeuwse
ridderroman, waarin de kruisvaart naar het
Heilige Land het centrale onderwerp is en historische gebeurtenissen en
personages de hoofdrol spelen. In de Middeleeuwen werd de kruisvaartroman
gezien als een apart stofcomplex naast genres als de
Arturroman en de
Karelroman. Men onderscheidt binnen het
genre twee
epische cyclussen: ‘Le Premier Cycle
de la Croissade’ en ‘Le Deuxième Cycle de la
Croissade’, waarbij de laatste eigenlijk een ‘moderne’
constructie is die geen basis heeft in de middeleeuwse werkelijkheid.
De Middelnederlandse kruisvaartromans zijn als berijmde teksten in
handschriften slechts fragmentarisch bewaard gebleven, bijv.
Godevaerts Kintshede en de Roman van
Antiochië (ed.
Claassens, 1993, p. 108-159). Alleen
Dystorie van Saladine (ed.
Serrure, 1848) is, in gedrukte vorm als
incunabel, compleet overgeleverd in versvorm.
Dit werk wordt in veel oudere literatuur vaak ten onrechte geïdentificeerd
als
Hein van Akens Van den coninc
Saladijn ende van Hughen van Tabarien (ed.
De Keyser, 1950), dat geen kruisvaartroman
is, maar eerder een ‘ridderspiegel’ met de kruistochten als
achtergrond.
LIT: Best; G.M.H. Claassens. De Middelnederlandse
kruisvaartromans (1993). [H. Struik]
| |
kubisme
Stroming in de beeldende kunst van de eerste decennia van de 20e
eeuw die behoort tot de
historische avant-garde. Belangrijke
vertegenwoordigers ervan zijn
Picasso,
Braque,
Gris en
Picabia. Het kubisme streefde ernaar de
werkelijkheid om te zetten in grondvormen die als constructies of wetmatigheden
die werkelijkheid lijken te beheersen. Het kubisme tracht m.a.w. het absolute
vast te leggen dat aan het individuele of diverse ten grondslag ligt. Het is in
principe anti-individueel en/of collectivistisch en kan dan ook beschouwd
worden als een reactie op het individueel-estheticisme van
impressionisme en
symbolisme.
Theo van Doesburg heeft het Franse
kubisme de grondslag genoemd voor de
avant-garde. Hij spreekt in De Stijl
(1921) over neokubisme, waarmee hij het streven bedoelt naar abstractie en
synthese. Omdat het kubisme in de Nederlandse literatuur slechts een
ondergeschikte rol speelt en de term ook beter toepasbaar is op de beeldende
kunst, is het wellicht verstandiger de vergelijkbare opvattingen van
Van Ostaijen en
Van Doesburg onder het
constructivisme te bespreken.
Sommige critici rekenen
F. Bordewijks
Blokken (1931) tot het kubisme. Die toeschrijving is
nogal twijfelachtig, temeer daar anderen het boek tot de
nieuwe zakelijkheid rekenen.
LIT: Best; Myers/Simms; Preminger; Scott; F. Drijkoningen en J.
Fontijn (red.). Historische avantgarde (1982), p. 215-270; H. Beurskens.
‘Kubisme en poëzie’, in: Schrijven zonder stoel (1982),
p. 7-18. [G.J. van Bork]
| |
kunst en vliegwerk
Toneelterm uit de periode van de Nederlandse renaissance voor
apparatuur en machines die het mogelijk maken allerlei kunstgrepen uit te
voeren op het toneel. In de nieuwe Schouwburg teAmsterdam van 1665
waren toestellen aangebracht om snel van coulissen te wisselen en om mensen en
voorwerpen zowel boven als onder het toneel te verplaatsen. Vooral
Jan Vos maakte in zijn toneelstukken
veelvuldig gebruik van de mogelijkheden die de nieuwe toneelinrichting bood.
Zijn treurspel Medea (1667) vermeldde op de titelpagina
‘met verscheidene Kunst en Vliegwerken, nieuwe Baletten, Zang en
Vertooningen’ en bevatte o.a. een scène waarin een wagen,
bespannen met vuurspuwende draken, door de lucht vliegt.
Overigens bevatte de oude Schouwburg van Costers Academie ook al
een ‘daelend hemelwerck’, maar dat bleef beperkt tot een op en neer
bewegende wolk.
LIT: Laan; MEW; W.M.H. Hummelen. Amsterdams toneel in het begin
van de Gouden Eeuw (1982), p. 170-173. [P.J. Verkruijsse]
| |
kunstlied zie
cultuurlied
| |
kunstsprookje zie
cultuursprookje
| |
kwantitatief accent zie
kwantiteitsaccent
| |
kwantiteitsaccent, duuraccent, kwantitatief accent
of temporeel accent
Term uit de prosodie, met betrekking tot het terrein van het
ritme, ter aanduiding van dat soort
prominentie van bepaalde syllaben dat gekenmerkt wordt door de tijdsduur ervan.
Weliswaar behoort dit verschijnsel tot de auditieve of perceptieve fonetiek,
omdat het gaat om de wijze waarop de hoorder de hem bereikende spraakklanken
verwerkt, maar er zijn aanwijzingen uit de fysische fonetiek die het vermoeden
wettigen dat de ervaring van het kwantiteitsaccent niet uitsluitend een
subjectieve zaak van de luisteraar is.
Volgens de klassieke filologen had het klassieke Grieks primair
een kwantiteitsaccent. Maar ook in het Nederlands, dat volgens traditionele
opvattingen primair
dynamisch accent kent en volgens recente
opvattingen voornamelijk door
melodisch accent wordt bepaald, speelt het
kwantiteitsaccent een rol.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-2; Marouzeau; MEW; Morier;
Scott; Wilpert; G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap
(19802). [G.J. Vis]
| |
kwarto
Term uit de bibliografie voor een
formaat dat verkregen wordt door een
vel tweemaal te vouwen. De bibliografische
aanduiding is gewoonlijk ‘4o’. Een kwarto-katern bestaat dus uit vier
bladen of acht
bladzijden. Wanneer twee kwarto-katernen in
elkaar gelegd worden, spreekt men van kwarto-in-achten (4o-in-8). De
kettinglijnen bij kwarto-formaat lopen
verticaal en het
watermerk zit in het midden van de rug,
verdeeld over hetzij blad 1 en 4, hetzij blad 2 en 3.
Een kwarto-drukvorm kan ook zodanig
opgemaakt worden, dat na tweemaal vouwen en
snijden twee katernen van twee bladen met twee verschillende
katernsignaturen ontstaan, het zgn. formaat
kwarto-in-tweeën (4o-in-2). Bij opmaak in halve vellen ontstaan
eveneens twee katernen van twee bladen, nu echter met dezelfde signatuur (en
dezelfde tekst); men heeft dan op één vel tweemaal hetzelfde
katern, echter van verschillend zetsel.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; Scott; M.J. Pearce.
A workbook of analytical and descriptive bibliography (1970), p. 64-65,
70; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in
Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 86; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 84-107. [P.J.
Verkruijsse]
| |
kwatrijn
Term uit de genreleer voor een vierregelige strofe of een
vierregelig gedicht (tetrastichon). De ontwikkeling van
het Nederlandstalige kwatrijn heeft sterke impulsen gekregen vanuit de
Grieks-Romeinse Oudheid enerzijds en de Perzische literatuur anderzijds.
Sinds de renaissance heeft het kwatrijn grotendeels als
epigram-1 gefungeerd. Doorgaans heeft het
eindrijm: gepaard, gekruist of omarmend. Het Perzische kwatrijn heeft als
rijmschema aaba. Het volgende kwatrijn (puntdicht) heeft slechts
één rijmklank:
Laetse by quaedt weder varen,
Die noyt van de ree en waren;
Luyden wijs van weder-varen
Sullen niet licht weder varen.
(
C. Huygens.
Koren-bloemen dl. 2, 1672, p. 163).
Soms lijkt het kwatrijn een dubbel
distichon, zoals in het gedicht
‘Profeten en poëten’ van
Revius:
Waer in verschillen doch propheten en poëten?
Het onderscheyt is cleyn, doch duydelijck, te weten
De eerste seggen waer van tgeen men noch verwacht,
De tweede liegen van hetgeen al is volbracht.
(
J. Revius. Over-Ysselsche
sangen en dichten ed.
Smit, dl. 2, 1935, p. 55).
Over de relatie tussen Griekse en Perzische kwatrijnen schreef
J.I. de Haan het gedicht
‘Kwatrijnen’:
Ook Grieksche dichters schreven in Kwatrijnen.
Men vindt ze vaak woordlijk bij Omar weer.
Want overal zijn één der menschen pijnen.
Hun vreugde en hunne liefde, mild en teer.
(J.I. de Haan. Kwatrijnen, 1924, p.
173).
De door De Haan bedoelde Omar Khayyam (wellicht een mythe!) is
o.m. vertaald door
Leopold,
Boutens,
Keuls en
De Mérode (Perzisch kwatrijn).
Behalve als epigram vindt men het kwatrijn ook als
puntdicht:
'k Was jong, en vroeg: wie is de Vrije Man? -
Een Grijsaard antwoordde op mijn vragen:
't Is Hij, die zonder morrend klagen,
Het onverkrijgbre missen kan.
(
A.C.W. Staring. Gedichten, ed.
De Vries, 1940, p. 429).
Behalve als zelfstandig gedicht, vat men het kwatrijn ook op als
strofe: het dubbele kwatrijn fungeert als
octaaf in het sonnet.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.D.Ph.
Warners. Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds de
Renaissance (1947). [G.J. Vis]
| |
KWIC-index zie
concordantie-1
| |
KWOC-index zie
woordindex
|
|
|