|
|
|
| |
V
| |
vaderlandslied
Aanduiding voor een soort poëzie - dikwijls in
één adem genoemd met de contemporaine vaderlandse roman en het
vaderlandse drama - uit de Franse tijd en vlak daarna waarin het vaderland
verheerlijkt wordt. Relevante auteursnamen in dit verband zijn die van
J.F. Helmers (De Hollandsche
natie, 1812),
C. Loots (De Batavieren ten
tijde van Julius Caesar, 1805) en
J. Kinker (Stille
bemoeding, 1810) voor het Noorden, en
P.J. de Borchgrave (1751-1819) voor het
Zuiden (De Belgen, 1810). Het kan zich manifesteren als
tijdzang,
strijdlied, klaagzang (elegie) of als een vorm van
verzetsliteratuur, dan wel een combinatie
daarvan. Het vaderlandslied is verwant aan het
levenslied, maar mist soms de aansluiting bij
het volksleven en is dikwijls langer van stof en vorm.
LIT: Best; Laan; Lodewick. [G.J. Vis]
| |
vado mori
Thema uit de letterkunde van de (late) Middeleeuwen dat zijn naam
ontleent aan de beginregel van een Latijnse hymne. In de late Middeleeuwen was
de dood, al dan niet gepersonifieerd, een veel voorkomend thema in literatuur
en beeldende kunst. Men baseerde zich daarbij op 12e- en 13e-eeuwse Latijnse
hymnen, waaruit (tref)woorden werden gelicht. Zo ontstonden het vado mori-, het
ubi sunt?- en het
vanitas-thema.
Het vado mori-thema komt al in de 12e eeuw voor en wordt opgebouwd
volgens de orde van de
standensatire, waarin vertegenwoordigers van
alle standen per strofe sprekend worden opgevoerd. Iedere strofe begint en
eindigt met ‘vado mori’ (ik ga sterven). Van dit type teksten
bestaan Middelnederlandse vertalingen als Van stervene ende hoe elc
mensce mach segghen, ic ga sterven.
LIT: D.Th. Enklaar. De dodendans (1950); H. Pleij. Het
gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late
middeleeuwen (19832), p. 170-174. [H. Struik/W. Kuiper]
| |
vaganten of goliarden
12e- en 13e-eeuwse ambulante intellectuelen die van
(universiteits)stad naar (universiteits)stad trokken, naar hun legendarische
patroon Golias ook wel goliarden genaamd. De vaganten behoorden, ook als ze
alleen maar ‘studeerden’ tot de stand der geestelijken. Van hen
zijn sterk ritmische Latijnse liederen bewaard gebleven, waarvan de inhoud
aards genoemd mag worden: drank en vrouwen voeren de boventoon. Deze liederen
zijn bekend geworden onder de verzamelnaam Carmina burana
(vert.
Van Elden, 19694). Men moet de
vaganten niet verwarren met de laatmiddeleeuwse
varende luyden,
Aernoutsbroeders, marskramers, kwakzalvers,
bedelaars, muzikanten en ander maatschappelijk drijfhout zonder een vaste woon-
of verblijfplaats.
In de Spiegel historiael (III5,
48) scheert
Jacob van Maerlant de goliarden over
één kam met de
minstrelen, waarschijnlijk omdat het niet
ongewoon was dat gesjeesde of werkloze studenten als entertainer aan de kost
trachtten te komen.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA;
Metzler; MEW; Wilpert; E. Faral. Les jongleurs en France au Moyen Age
(1910); H. Waddell. Vaganten in de middeleeuwen (19782). [W.
Kuiper]
| |
vakbibliografie
Een vakbibliografie is een speciale
bibliografie die de publicaties op een
bepaald vakgebied beschrijft. Voor de neerlandistiek is de
Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap
(BNTL) de vakbibliografie, die als lopende bibliografie zowel de
jaarlijkse productie bijhoudt als via retrospectieve delen de publicaties op
het vakgebied uit het verleden registreert. De lopende jaardelen worden na een
aantal jaren gecumuleerd. De BNTL is ook on line beschikbaar via
Pica.
LIT: A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995).
[P.J. Verkruijsse]
| | | |
vampierverhaal
Tekst waarin een menselijke vampier optreedt die vanwege de
bedreigende rol ten opzichte van de vaak onschuldige slachtoffers ervoor zorgt
dat vampierverhalen tot de gruwel of
griezelliteratuur gerekend worden.
De vampier in deze verhalen heeft een aantal kenmerkende
eigenschappen. Hij heeft een bleek gelaat, bloedrode lippen, lange nagels, maar
vooral vlijmscherpe hoektanden waarmee hij de hals van zijn slachtoffer
doorboort om het bloed te drinken. Vampiers manifesteren zich doorgaans 's
nachts. Meestal is de vampier een van de adel afkomstige nazaat met
bovennatuurlijke eigenschappen. Hij behoort zowel tot het rijk der levenden als
dat van de doden. Hij verlengt zijn bestaan en verjongt zich telkens weer door
vers bloed te drinken van slachtoffers (bij voorkeur jonge vrouwen) die op hun
beurt tot de ‘on-doden’ gaan behoren.
Vampiers zijn alleen te bestrijden met het Kruis (waarbij alleen
de schijn van een kruis al voldoende kan zijn, bijv. de wieken van een molen of
een kruisteken), met een roos of met knoflook. In tal van gevallen wordt de
bloeddorst van de vampier gerelateerd aan sexuele begeerte.
Met name sinds de romantiek spelen vampierverhalen een belangrijke
rol. Het meest bekend is
Bram Stokers
Dracula (1897). In Nederland schreef
Belcampo een vampierverhaal, ‘Bloed
zonder bodem’, dat is opgenomen in De ideale dahlia
(1968).
Ethel Portnoy bundelde in
Vampier, vampier, bijt me nog een keer (1972) 23
vampierverhalen. Als thema komt de vampier voor bij tal van Nederlandse
auteurs, bijvoorbeeld in het werk van
Staring,
Van het Reve en
Brouwers.
LIT: Sturm, Dieter und Klaus Völker. Von denen Vampieren
oder Menschensaugern (1968); K.D. Beekman. ‘Vampierverhalen:
struktuur, verwerking en effekt’, in J. Fontijn (red.). Populaire
literatuur (1974), p. 121-152. [G.J. van Bork]
| |
vanitas
Thema uit de letterkunde van de (late) Middeleeuwen dat zijn naam
ontleent aan de beginregel van een Latijnse hymne. In de late Middeleeuwen was
de dood, al dan niet gepersonifieerd, een veel voorkomend thema in literatuur
en beeldende kunst. Men baseerde zich daarbij op 12e- en 13e-eeuwse Latijnse
hymnen, waaruit (tref)woorden werden gelicht. Zo ontstonden het
vado mori-, het
ubi sunt?- en het vanitas-thema.
Het vanitas-thema gaat via de hymne De vanitate
mundi (Over de ijdelheid van de wereld) terug op Prediker
1:2: ‘Vanitas vanitatis. Omnia vanitas est: IJdelheid der
ijdelheden! Alles is ijdelheid!’ Een Nederlandse representant van de
vanitas-gedachte is het gedicht Van der Mollenfeeste van
Anthonis de Roovere (Gedichten, ed.
J.J. Mak, 1955).
LIT: LdMA; D.Th. Enklaar. De dodendans (1950); H. Pleij.
Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de
late middeleeuwen (19832), p. 170-174. [H. Struik/W. Kuiper]
| |
van-vergelijking zie
vergelijking-met-van
| |
varende luyden
Door
D.Th. Enklaar geïntroduceerde
verzamelnaam voor verarmde middeleeuwers zonder vaste woon- of verblijfplaats.
De teksten spreken zelf meestal over
Aernoutsbroeders. In de zgn. Varende
Luyden-teksten worden de land- en leegloperij verheerlijkt. Anders dan in deze
teksten gesuggereerd wordt, zijn ze echter niet geschreven door de betrokkenen
zelf, maar door de gezeten burgerij. Deze veegt alle maatschappelijke
mislukkelingen op één hoop in pseudo-gilden met als patroon een
pseudo-heilige die luistert naar de cynische en veelzeggende naam van Sinte
Reynuyt of Sinte Hebniet, terwijl ze insinueert dat hun armoede het gevolg is
van luiheid of sociaal wangedrag: eigen schuld dus. Varende Luyden-teksten zijn
bewaard gebleven in de 16e-eeuwse bundel Veelderhande geneuchlijcke
dichten (ed. Mij. Ned. Letterk., 1899). Varende luyden moeten niet
verward worden met van stad naar stad trekkende intellectuelen, de
vaganten.
LIT: D.Th. Enklaar. Varende Luyden (19753); H.
Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en
burgermoraal in de late middeleeuwen (19832); H. Pleij (red.).
Van schelmen en schavuiten. Laatmiddeleeuwse vagebondteksten (1985). [W.
Kuiper/H. Struik]
| |
variant
Term uit de editietechniek voor een in een tekst aangebrachte
wijziging, hetzij door de auteur, hetzij door anderen tijdens het
reproductieproces van een
codex of
manuscript (door de
kopiist) of van een boek (door een uitgever,
zetter, corrector of redacteur). Wanneer een auteur een wijziging aanbrengt,
spreekt men van geautoriseerde varianten (autoriseren).
Wanneer een auteur een door een ander voorgestelde of aangebrachte wijziging
achteraf goedkeurt, spreekt men van een secundair geautoriseerde variant. Met
name in de periode van de handpers zijn er veel secundair geautoriseerde
varianten omdat de uniformering van spelling, interpunctie en
hoofdlettergebruik vaak overgelaten werd aan de zetter. In de
analytische bibliografie-1 spreekt men in
dit soort gevallen van
accidentals tegenover de intentionele,
geautoriseerde
substantives. Als een auteur in een
manuscript een variant aanbrengt zonder de oorspronkelijke lezing te schrappen,
noemt men dat een
open variant.
Tot de niet-geautoriseerde varianten horen de gewoonlijk
niet-intentionele wijzigingen die ontstaan tijdens het productieproces van
klad via één of meer
afschriften (apograaf), waarvan er een als
kopij kan dienen, via niet goed
gecorrigeerde
drukproeven, tot boek. Bij
herdrukken kunnen weer nieuwe
niet-geautoriseerde, niet-intentionele varianten ontstaan. Vooral wanneer er
geen geautoriseerde voorstadia aanwezig zijn (geen
autografen die de
tekstgenese kunnen verduidelijken) - hetgeen
het geval is bij vrijwel de gehele middeleeuwse en een goed deel van de latere
literatuur - kan bestudering van de tekst- en
drukgeschiedenis ertoe leiden dat op basis
van
tekstkritiek intentionele, maar
niet-geautoriseerde, varianten aangebracht worden die de bedoeling hebben de
oorspronkelijke tekst te reconstrueren (copy-text),
respectievelijk een
basistekst te constitueren.
Men onderscheidt interne varianten (dat zijn varianten die in het
manuscript of boek zelf zijn aangebracht) en externe varianten (dat zijn
varianten die elders, bijv. in brieven of losse notities, ter sprake
komen).
In een
archiefeditie worden de varianten door
middel van
diacritische tekens-1 geïntegreerd in
de tekst; in een
diplomatische,
kritische en
historisch-kritische editie (vaak ingericht
naar het principe
prima manus of
ultima manus) worden ze opgenomen in een
variantenapparaat. De door
analytisch-bibliografisch onderzoek opgespoorde staten (staat) van varianten kunnen in een
descriptieve bibliografie in een overzicht
ondergebracht worden, waarna de tekstediteur ze in een editie kan
verwerken.
Enkele voorbeelden van verschillende soorten edities waar
uitgebreid variantenmateriaal van diverse aard aan de orde komt, zijn:
Constantijn Huygens, Heilighe
daghen (ed.
Strengholt, 1974), waarin een interessante
discussie over een externe variant in een briefwisseling tussen Huygens en
Barlaeus;
Constantijn Huygens,
Sneldichten. Mensen (ed.
Blijlevens e.a., 1988); R.L.K. Fokkema,
Varianten bij Achterberg (2 dln., 19802);
Willem Elsschot, Een
ontgoocheling (ed.
Kets-Vree, in: Woord voor
woord, 1983);
J.H. Leopold, Gedichten uit de
nalatenschap (ed.
Dorleijn, 2 dln., 1984); J.H. Leopold,
Gedichten II: Nagelaten poëzie (ed.
Van Vliet en Sötemann, 2 dln.,
1985).
LIT: BDI; Best; Mathijsen; Metzler; MEW; W.W. Greg. ‘The
rationale of copy-text’, in: Studies in bibliography 3
(1950-1951), p. 19-36; Texte und Varianten, ed. G. Martens en H. Zeller
(1971), passim, m.n. p. 150-163; F.A. Janssen. ‘Varianten in orde en
chaos; over de varianten in een nieuwe druk van De donkere kamer van
Damocles’, in: Raam, nr. 80 (1972), p. 26-39; Fr. Bowers.
‘Multiple authority: new problems and concepts of copy-text’, in:
The Library 5th series, 27 (1972), p. 81-115; V.E. Dearing.
‘Concepts of copy-text old and new’, in: The Library 5th
series, 28 (1973), p. 281-293; M.J.M. de Haan. Enige aspecten van de
tekstkritiek van Middelnederlandse teksten (1973); Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 336-360; G.Th.
Tanselle. ‘Greg's theory of copy-text and the editing of american
literature’, in: Studies in Bibliography 28 (1975), p. 167-229;
A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast (2
dln., 1975-1981); R.L.K. Fokkema. Varianten bij Achterberg
(19802), m.n. deel II; A. Kets-Vree. Woord voor woord; theorie en
praktijk van de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd
aan Een ontgoocheling van Willem Elsschot (1983), hoofdstuk III; M.J.
Hogenhout-Mulder. Proeven van tekstkritiek (1984); B. Salemans.
‘Van Lachmann tot Hennig: Cladistische tekstkritiek’, in:
Gramma 11 (1987), p. 191-224; B. Salemans. ‘Varianten als
bouwstenen van stemma's: een pleidooi voor eenvoud en openheid bij het
opstellen van tekststambomen’, in: Wat duikers vent is dit! Opstellen
voor W.M.H. Hummelen (1989), p. 319-343. [P.J. Verkruijsse]
| |
variantenapparaat
Term uit de editietechniek voor de plaats in een
teksteditie waar de
varianten zijn ondergebracht. Een
variantenapparaat komt noodzakelijkerwijze voor in een
archiefeditie, in een
diplomatische,
kritische en
historisch-kritische editie en soms in een
studie- of
leeseditie, en kan de vorm hebben van een
paralleltekst naast (synoptische editie) of onder elkaar
(partituureditie), van
voet- of
eindnoten, een appendix (bijlage) of een afzonderlijk deel. In een archiefeditie worden
de varianten tussen
diacritische tekens-1 in de tekst
aangebracht, bijv.
J. van Maerlant, Den anderen
merten (ed.
Mertens, 1978).
Het variantenapparaat moet zo volledig mogelijk informatie
verschaffen over de soort (directe wijziging of verandering in latere stadia
van de
tekstgenese; gebruik van verschillende
schrijfmaterialen als inkt en potlood), de plaats (op, boven of onder de regel;
in de marge) en de chronologie van de varianten. In een editie volgens het
principe
prima manus komen alle stadia daarna in het
variantenapparaat; bij een editie
ultima manus worden alle voorafgaande stadia
uit de tekstgenese in het apparaat ondergebracht. Het steeds weer terugkerende
probleem voor de editeur van met name
manuscripten is de spanning tussen de
nagestreefde volledigheid en een voor de gebruiker van de editie leesbare en
overzichtelijke presentatie.
Na de oude praktijk van de
variorumeditie ontstond langzamerhand voor
de editie van de klassieken een systeem met diacritische tekens dat
uiteindelijk geüniformeerd werd door
Bidez en
Drachmann in 1938 en door
Masai in 1950 werd bijgesteld voor
gebruik in diplomatische edities van modernere auteurs. Dit systeem werd verder
uitgewerkt en verfijnd door
Hellinga en
Verkruijssevoor toepassing op ook
niet-gedrukt materiaal (manuscripten) van zowel oudere als recente auteurs.
Inmiddels was de Duits-Zwitserse editieschool met voorstellen
(Backmann 1924) gekomen voor variantenweergave
waarin de tekstgenese zo nauwkeurig mogelijk weerspiegeld diende te worden.
Backmanns onleesbare apparaat werd ten behoeve van de
Hölderlin-editie gemodificeerd door
Beissner tot een trapsgewijze
inzichtelijke weergave. In 1958 maakte
Zeller door zijn - onmogelijke - eis dat
op basis van het variantenapparaat een manuscript reconstrueerbaar diende te
zijn, het systeem dusdanig ingewikkeld dat het vrijwel onhanteerbaar werd.
De editiepraktijk in Nederland werkt tegenwoordig wat
betreft manuscripten uit de oudere letterkunde veelal met het systeem
Hellinga-
Verkruijsse, bijv.
C. Huygens, Sneldichten.
Mensen (ed.
Blijlevens e.a., 1988). Voor edities van
oude drukken kiest men gewoonlijk het systeem met voetnoten, bijv. de jongste
editie van de Werken van
Bredero (o.r.v. G. Stuiveling);
analytisch-bibliografisch opgespoorde varianten die in een
descriptieve bibliografie worden opgenomen
zonder dat het tot een editie komt, kunnen in een variantenoverzicht opgenomen
worden, bijv.
P.J. Verkruijsse, Mattheus
Smallegange (1624-1710) (1983). Voor de moderne letterkunde met
vaak ingewikkeld manuscriptmateriaal sluit de Utrechtse school van
Sötemann aan bij de Duitse traditie,
bijv.
J.H. Leopold. Gedichten II:
Nagelaten poëzie (ed.
Van Vliet en
Sötemann, 2 dln., 1985).
LIT: Mathijsen; Wilpert; R. Backmann. ‘Die Gestaltung des
Apparates in den kritischen Ausgaben neuerer deutscher Dichter’, in:
Euphorion 25 (1924), p. 629-662; J. Bidez en A.B. Drachmann. Emploi
des signes critiques; disposition de l'apparat dans les éditions de
textes grecs et latins (1938); F. Masai. ‘Principes et conventions de
l'édition diplomatique’, in: Scriptorium 4 (1950), p.
177-193; H. Zeller. ‘Zur gegenwärtigen Aufgabe der Editionstechnik;
ein Versuch, komplizierte Handschriften darzustellen’, in:
Euphorion 52 (1958), p. 356-377; H. Boethius. ‘Textqualität
und Apparatgestaltung’, in: Texte und Varianten, ed. G. Martens en
H. Zeller (1971), p. 233-250; P.J. Verkruijsse. ‘Over diplomatisch
editeren van handschriften en het gebruik daarbij van diacritische
tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346; A. Kets-Vree.
Woord voor woord (1983), p. 34-44. [P.J. Verkruijsse]
| |
variorum-editie
Term uit de editietechniek voor een editie, speciaal uit de 17e en
18e eeuw, van een klassiek auteur waarin uittreksels uit de tekstkritische
(tekstkritiek) commentaar van voorgaande filologen zijn
opgenomen: ‘auctores classici cum notis variorum’, bijv. de
Plinius-editie met de voordien onuitgegeven commentaar van
Dominicus Baudius en verder die van
Lipsius,
Livinaeus,
Gruterus,
Rittershusius en anderen:
Panegyricus liber Trajano dictus, cum annotationibus antehac ineditis
Domenici Baudii. Iis accedunt commentarius Justi Lipsii, integrae notae Joannes
Livinaei, Jani Gruteri, Conradi Rittershusii ac selectae variorum
(1675).
Tegenwoordig wordt de term ook gebruikt voor iedere
teksteditie die voorzien is van een
variantenapparaat.
LIT: Baldick; BDI; Cuddon; Mathijsen; MEW; Scott. [W. Kuiper]
| |
vastelavondviering
Middeleeuwse benaming voor een aantal feestdagen in de periode van
Sint Maarten (11 november) tot Pasen, die, elk met eigen naamgeving en
herkomst, naar organisatie en gebruiken de kenmerken bevatten van het
eigenlijke vastelavondfeest op de drie dagen voor Aswoensdag: de tijdelijke
omkering van de bestaande verhoudingen in de samenleving.
De moraal van deze samenleving is bij de vastelavondfeesten in het
geding: de bespotting en tijdelijke omkering van alles wat deze moraal
nastreeft en creëert, vormt een essentiële bijdrage tot de opbouw en
handhaving ervan. Het feest functioneert als gelegenheid om stoom af te blazen:
door tijdelijk de bestaande orde om te keren of te loochenen ontstaat een
bevrijdende chaos. Deze wanorde laat de feestvierders inzien dat het beter is
om de rest van het jaar de wetten en regels van de geordende samenleving zo
goed mogelijk na te leven.
Middeleeuwse geleerden zien de vastelavondviering als de
verchristelijkte voortzetting van de Romeinse Kalendae (nieuwjaarsfeesten) en
Saturnalia (17-24 december). Belangrijke aanknopingspunten liggen echter bij
Keltisch-Germaanse agrarische culten en de ritualisering daarvan door de
christelijke kerk. Uitgangspunt vormen vruchtbaarheidsrituelen bij het opnieuw
ontwaken van de natuur na de winter. Dat gaat gepaard met het verjagen van de
demonen die de natuur met winterse verschrikkingen gevangen houden, met
reiniging van ziekten en zonden en vooral met handelingen in woord en daad die
de vruchtbaarheid moeten bevorderen. Het eerste deel van de samenstelling
‘vastelavond’ is etymologisch verwant aan termen die op de
vruchtbaarheid betrekking hebben; de spelling ‘vastenavond’ en het
gebruik van de vervangende term ‘carnaval’ vanaf de 17e eeuw
getuigen van de toenemende christelijke verklaring van de oorspronkelijke
lenterituelen.
Sinds het begin van de 10e eeuw zijn er beschrijvingen van het
kerkelijk zottenfeest, waarbij de macht tijdelijk wordt overgenomen door een
zottenabt of -bisschop en er schertsprocessies en spotmissen worden gehouden.
De vastelavondviering verspreidt zich in de hiërarchie van de
geestelijkheid van laag naar hoog.
Vanaf de 13e eeuw ligt het zwaartepunt van de vastelavondviering
op straat en bij de burgerij. Bij uit de agrarische samenleving overgenomen
lentegebruiken voegt zich de geïnstitutionaliseerde spot met
organisatievormen die kenmerkend zijn voor de zich ontwikkelende steden en de
nieuwe stand van de burgerij. De steden hadden nog geen gevestigde orde: voor
hen was de vastelavondviering vooral een hulpmiddel bij het vestigen van de
eigen leefregels. Het feest test de moraal door haar in een omgekeerde wereld
tijdelijk te ontkennen. Dit afwijkend gedrag toont de bruikbaarheid van de
regels aan, verduidelijkt deze en versterkt de groep die ze aanvaardt. Daarbij
worden de overtreders van de nieuwe normen ofwel bedreigers van de nieuwe
belangen hardhandig buiten de gemeenschap geplaatst door ze in het openbaar te
laten boeten voor hun zonden of ze uit de samenleving te verbannen.
Daarnaast bood de vastelavondviering de stadsbewoner in de late
Middeleeuwen de mogelijkheid zich collectief te beschermen tegen de
gemeenschappelijke angsten die zich in de nieuwe samenleving ontwikkeld hadden.
De dood, de duivel, kou, hongersnood en sexualiteit worden bezworen met de
rituelen van de omgekeerde wereld. De angsten worden gereduceerd tot tastbare
en hanteerbare grootheden, door ze te ridiculiseren in teksten vol met onzin,
raadsels en leugens die in de omgekeerde wereld de normale communicatie
vervangen. Veel vastelavondteksten (spotlied,
spotmandement,
spotprognosticatie,
spotsermoen,
standensatire) en ook de namen van de
spotvorsten hebben betrekking op de verschrikkingen van kou, armoede, ziekte en
hongersnood.
LIT: H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur,
volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen (19832). [H.
Struik]
| |
vastenavondspel of vastenspel
Komisch of spottend toneelspel dat op vastenavond werd opgevoerd
en deel uitmaakte van de
vastelavondviering. Zo vermeldt een
reglement voor de vastelavondviering van 1526 inGent ‘een
ghenoechelic vastenavont spel’. In de late Middeleeuwen behoorde het
vastenavondspel tot het repertoire van de
rederijkers, een enkele keer in de vorm van
een
spel van zinne (bijv. Een vasten
spel van sinne hue smenschen gheest van tvleesch, die werlt en die duvel
verleyt word (ed.
C.G.N. de Vooys en
J.J. Mak, 1953). Vaak zijn dergelijke
spelen sterk kritisch ten opzichte van bepaalde gebruiken, bevolkingsgroepen of
geloofskwesties. Een Boerenvastelavondspel, een bewerking
van een Duits vastenspel, laat twee boeren aan het woord over stedelingen en
het vastenavondspel
Claes Buer (1550) is een sterk anti-rooms
toneelstuk. Nog in 1650 schrijft
Scriverius een vastenavondspel gericht
tegen het tabaksgebruik.
Doordat de vastenspelen zo sterk aan tijd en gelegenheid gebonden
zijn, zijn ze in veel gevallen niet bewaard gebleven.
LIT: Bantel; Metzler; C.G.N. de Vooys en J.J. Mak (ed.).
‘Een verloren vastenspel van sinnen uit de XVIe eeuw’, in:
VMA (1953), p. 593-650; H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit.
Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen
(19832). [G.J. van Bork]
| |
Vatersuche-motief
Uit de antieke en middeleeuwse literatuur bekend motief van een
vondeling (lees: zoon) op zoek naar zijn vader. Bekende Middelnederlandse
teksten met een Vatersuche-motief zijn de Moriaen (ed.
Gysseling en
Paardekooper-
Van Buuren, [1971]), de Roman
van den riddere metter mouwen (ed.
De Haan e.a., 1983) en de
Esmoreit (ed.
Roemans-
Van Assche, 1977;
A.M. Duinhoven, [1979]).
LIT: A. van der Lee. Zum literarischen Motiv der Vatersuche
(1957); E. Frenzel. Motive der Weltliteratur (1980), p. 708-719. [W.
Kuiper]
| |
vaudeville
Oorspronkelijk een satirisch drinklied. De term is waarschijnlijk
afkomstig van de 15e-eeuwse drinkliederen van Olivier Basselin, die uit de
vallei van Vire stamt (chansons du ‘vau de vire’); mogelijk is ook
dat de term is afgeleid van ‘voix de villes’ of straatliedjes.
Later is de term opgenomen in de taal van het toneel en toegepast op kleine
(vaak parodistische) toneelstukken met onderbreking door zang. In het midden
van de 19e eeuw werd het genre populair als lichte
opera.
Tegenwoordig duidt men er zowel het lichte blijspel mee aan dat
een eenvoudige intrige paart aan een luchtige inhoud, als de
variétéprogramma's met muziek, zang, dans en acrobatiek.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; S. Melchinger. Drama en toneel van Shaw tot Brecht
(1959), p. 155. [G.J. van Bork]
| |
veilingcatalogus zie
auctiecatalogus
| |
vel
Term uit de papiermakerij voor handgeschept
papier van
plano-formaat met de afmetingen van de
schepbak. Op het ongevouwen vel worden in de drukkerij de
schoon- en de
weerdruk aangebracht met de
binnen- en
buitenvorm, waarna het vel tot een
katern van het gewenste bibliografisch
formaat wordt gevouwen. De bibliograaf kan
proberen om vanuit een gebonden
exemplaar-1 van een boek de afmetingen van
het ongevouwen vel te reconstrueren. Samen met de bijzonderheden van het
watermerk en de afstanden tussen de
ketting- en
waterlijnen kunnen deze gegevens leiden tot
identificatie van de papiermolen en nomenclatuur van het desbetreffende papier.
De meest gebruikte papiermaten zijn pot, demy en royal.
Ter reconstructie worden de hoogte en breedte van een
blad-2 gemeten en vermeerderd met 0,5
à 1 cm of 1 à 2 cm voor respectievelijk een klein of een groot
formaat boek in verband met het wegsnijden van de gekartelde rand door de
binder. Die uitkomsten moeten met verschillende factoren vermenigvuldigd worden
al naar gelang het bibliografisch formaat, bijv. bij
folio-1 de breedte met 2, bij
kwarto lengte én breedte met 2, bij
octavo de lengte met 2 en de breedte met 4
enz.
LIT: BDI; Best; Feather; Hiller; G.Th. Tanselle. ‘The
bibliographical description of paper’, in: Studies in Bibliography
24 (1971), p. 27-67; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 57-77, 86. [P.J. Verkruijsse]
| |
velddeun
Specifieke vorm van de
veldzang uit de 17e en 18e eeuw. Het is een
speels éénstrofig gedicht, meestal negen regels lang, in
viertrocheïsche maat, handelend over een meisje, veelal een herderinnetje,
dat door haar minnaar wordt verrast. Het genre werd beoefend door
Hooft en
Luyken. Een verre nagalm ervan vindt men
in sommige erotische gedichtjes van Bellamy.
LIT: Gorp; M.M. Prinsen. De idylle in de 18e eeuw (1934),
p. 39. [G.J. Vis]
| |
veldzang
Aanduiding voor die vorm van de
idylle waarin het landschap en het leven van
eenvoudige mensen zoals herders en boeren centraal staan. Deze bucolische vorm
van natuurpoëzie (natuurlyriek) kwam tot bloei in
de 17e eeuw. Bekende beoefenaren van het genre waren
J.H. Krul,
J. de Decker,
J.B. Wellekens,
L. Schermer en
H.Kz. Poot. De laatste schreef het
gerenommeerde ‘Akkerleven’ (± 1720). In de tweede helft van
de 18e eeuw verdwijnt de mythologische opsmuk in veel van dit soort gedichten
en maakt plaats voor directe natuurwaarneming verbonden met individuele
gevoelsexpressie, zoals te zien is bij
E.M. Post (‘Aan den grooten vijver
op Beekhuizen’, 1794).
Een specifieke vorm van de veldzang is de
velddeun. Evenals de
visserszang is de veldzang verwant aan de
pastorale-1 en de
arcadia.
LIT: Gorp; M.M. Prinsen. De idylle in de 18e eeuw (1954),
p. 69-72. [G.J. Vis]
| |
vellum of velijn
Term uit de codicologie voor
perkament bereid uit de huid van kalveren.
Kalfsperkament heet beter te zijn dan perkament van schapenhuiden.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; W. Wattenbach. Das
Schriftwesen im Mittelalter (19564); W.Gs Hellinga en P.J.H.
Vermeeren. ‘Codicologie en filologie V’, in: SpL 5
(1961/1962), p. 300-307; R. Reed. The nature and making of parchment
(1975). [W. Kuiper]
| | | |
verba
Term uit de retorica voor de verwoording van de
res, de zakelijke inhoud, van een rede of
geschrift. Deze taalkundig-stilistische aspecten komen aan de orde in de fase
van de
elocutio, waarbij de redenaar of auteur kan
putten uit zijn
copia verborum.
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
verbale ironie zie
ironie
| |
verbalisme
Het met veel omhaal van woorden weinig of niets zeggen over een
bepaald onderwerp. Doorgaans wordt het woord in denigrerende zin gebruikt en
betekent het zoiets als een zinloze stroom woorden of woordenkraam. Politici
krijgen nogal eens het verwijt dat ze in verbalisme vervallen om een
rechtstreeks antwoord op een gestelde vraag te ontwijken. Men spreekt in dat
verband ook wel van ‘wollig taalgebruik’. Het verschijnsel is een
dankbaar doelwit voor spot van cabaretiers en columnisten. Zo neemt
Jan Blokker in De Volkskrant
herhaaldelijk het wollige taalgebruik van politici en welzijnswerkers op de
korrel door het te pasticheren of te parodiëren.
Door de sterke woordovertolligheid is bij verbalisme sprake van
redundantie,
tautologie en ook een veelvuldig gebruik van
het
cliché-1. Het begrip vertoont
verwantschap met de
amplificatio.
LIT: Scott. [G.J. van Bork]
| | | |
verdichting van tijd zie
tijdverdichting
| |
Verfremdungseffekt zie
vervreemdingseffect
| |
vergelijkende literatuurwetenschap, comparatisme of
comparistiek
De
algemene literatuurwetenschap kent (ook als
studierichting) een tweetal componenten die met elkaar samenhangen, nl. de
theoretische literatuurwetenschap en de
vergelijkende literatuurwetenschap. Met die laatste component doelt men op het
onderzoek naar de relaties of overeenkomsten in de literatuur van verschillende
volkeren of naties in verschillende cultuurperioden. De comparistiek kent een
zeer groot bereik. Men rekent er de analyse van afzonderlijke werken en hun
invloed op andere literaturen onder, evenals de typologische vergelijking van
literaire verschijnselen in de verschillende literaturen, terwijl ook de
wisselwerking van literaire opvattingen tussen de nationale literaturen eronder
valt. Vertaald in praktische probleemstellingen betekent dit dat zowel het
onderzoek naar de invloed van grote auteurs als
Shakespeare en
Goethe op de wereldliteratuur tot de
comparistiek behoort, als het onderzoek naar de verbreiding van bepaalde
stoffen, motieven of structuren, terwijl ook de internationale literaire
kritiek tot haar werkterrein gerekend wordt. Omdat de component
‘vergelijkend’ in de term misleidend zou kunnen zijn, aangezien
hier sprake is van een historisch-descriptieve wetenschap en vergelijken aan
alle wetenschappen ten grondslag ligt, geven sommigen de voorkeur aan de term
‘contrastieve literatuurwetenschap’ als onderdeel van de algemene
literatuurwetenschap. Immers, het doen van toetsbare en universeel geldige
uitspraken over literatuur waarnaar de theoretische literatuurwetenschap
streeft, impliceert steeds vergelijking. Daarom is een strikte scheiding tussen
beide componenten van de algemene literatuurwetenschap ook niet goed vol te
houden.
De vergelijkende literatuurwetenschap is ontstaan uit de
romantische wereldbeschouwing van de samenhang der dingen in een ‘hogere
orde’, in aansluiting bij Goethe's toekomstverwachting van
één ‘Weltliteratur’. Pas aan het einde van de 19e
eeuw kwam de vergelijkende literatuurwetenschap tot grote bloei. Belangrijke
vertegenwoordigers van deze discipline inNederland en
België zijn
Paul van Tieghem,
J. Kamerbeek jr.,
J.C. Brandt Corstius en
C. de Deugd.
F. Baldensperger en
W.P. Friederich stelden een
Bibliography of comparative literature (1950) samen,
waarop aanvullingen verschenen vanaf 1952 in Yearbook of comparative
and general literature.
LIT: Best; Fowler; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Shipley; Wilpert; Paul van Tieghem. La littérature
comparée (1931); C. de Deugd. De eenheid van het comparatisme
(1962); R. Wellek & A. Warren. Theorie der literatuur (1968), p.
69-81; J.C. Brandt Corstius. Introduction to the comparative study of
literature (1968); D.W. Fokkema. ‘Methode en programma van de
vergelijkende literatuurwetenschap’, in: W. Bronzwaer (red.).
Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977), p. 337-352. [G.J. van
Bork]
| |
vergelijking
Vorm van
metaforiek waarbij het beeld en het
verbeelde beide worden genoemd. De vergelijking kent verschillende vormen:
asyndetische vergelijking,
vergelijking-met-als,
vergelijking-met-van en
homerische vergelijking. Een bijzondere vorm
is de
allegorie.
LIT: Alphen; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Preminger;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
vergelijking-met-als
Term op het gebied van de
metaforiek ter aanduiding van die soort van
vergelijking waarbij, in tegenstelling tot
de
asyndetische vergelijking, het beeld en het
verbeelde met elkaar worden geconfronteerd door middel van voegwoorden als
‘als’, ‘zoals’ of ‘gelijk’. Bijv.:
Als doods-hoofden stekend op hooge staken,
Zijn de lantarens om het plein gezet (M. Nijhoff. VW,
dl.1, 1982, p. 397).
LIT: Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Gorp; Lodewick; MEW. [G.J.
Vis]
| |
vergelijking-met-van
Term uit het gebied van de
metaforiek voor die soort van
vergelijking waarbij, in tegenstelling tot
de
asyndetische vergelijking, het beeld en het
verbeelde met elkaar worden geconfronteerd door middel van het voorzetsel
‘van’: ‘Hij is een boom van een vent’.
De Schoolmeester spreekt van ‘een
Philistijn van een reus’ (Gedichten, 1975, p. 222).
LIT: Alphen; Bronzwaer; Lodewick. [G.J. Vis]
| |
verhaal-1, kort verhaal of short story
Term voor een enkelvoudige fictionele prozatekst van een beperkte
omvang. Van de verschillende prozavormen
roman,
novelle en verhaal, onderscheidt de laatste
zich door zijn geringere omvang en het ontbreken van bijv. nevenintriges. Van
andere prozavormen, zoals de
schets onderscheidt het verhaal zich door
het feit dat er meestal sprake is van een min of meer afgeronde vorm, bijv. een
plot,
clou of
climax-1.
Een precieze afbakening van het verhaal ten opzichte van bijv. de
novelle, de
vertelling of de
anekdote is moeilijk te geven. Zo vallen in
de praktijk vertelling en verhaal heel vaak samen (vgl. de
kadervertelling), maar men zal de term
‘verhaal’ zelden toegepast zien op poëzieteksten, terwijl dat
voor ‘vertelling’ wel het geval is (vgl.
Starings
Jaromircyclus). Soms maakt men nog onderscheid tussen
verhaal en kort verhaal, maar in de praktijk blijkt er geen verschil in lengte
aan te wijzen tussen beide genres. Vermoedelijk is ‘kort verhaal’
eenvoudig een letterlijke vertaling van ‘short story’, terwijl men
bovendien in het Engels geen nadere onderscheiding aanbrengt tussen
‘novel’ en ‘short story’.
Omdat het verhaal zich door zijn beperktere omvang uitstekend
leent tot bundeling, zijn er tal van verhalenbundels vervaardigd naar thema
(dierenverhalen, fantastische verhalen, griezelverhalen, reisverhalen etc.),
land of auteur. Ook in de kinder- en jeugdliteratuur speelt het verhaal een
belangrijke rol, bijv. in de vorm van het
sprookje.
Internationaal bekende schrijvers van short stories zijn
E.A. Poe (Tales of the
grotesque and arabesque, 1839), die ook over het genre heeft
getheoretiseerd, en voorts
E.Th.W. Hoffmann,
Anton Tsjechov,
E. Hemingway,
John Steinbeck e.v.a. Nederlandstalige
auteurs van verhalen zijn o.m.
S. Vestdijk,
F. Bordewijk,
Belcampo,
Hugo Claus,
Jan Wolkers,
Jef Geeraerts,
J.M.A. Biesheuvel en
F.B. Hotz.
Bekende verzamelbundels zijn Kort geding
(19736) door
J.J. Oversteegen en de bundels in de reeks
‘Meesters der vertelkunst’, waarin uitgeverij Meulenhoff
verhalenbloemlezingen per land publiceerde.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon;
Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Krywalski; Lodewick; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; K.P. Kempton. The short-story (1948); H.E. Bates.
The modern short-story (1950); W.R. Patrick. What is the short
story? (1961); I. Reid. The short story (1977). [G.J. van Bork]
| |
verhaal-2
In theoretische zin gebruikt men de term verhaal voor een op een
bepaalde wijze gepresenteerde reeks logisch en chronologisch met elkaar
verbonden gebeurtenissen (de zgn.
fabel-2). In die zin heeft elke door een
vertelinstantie vertelde geschiedenis een ‘verhaal’ en kan men
bijv. spreken van het verhaal van een roman, novelle, verhaal-1 enz.
LIT: Bal; Boven/Dorleijn; Herman/Vervaeck; Prince. [G.J. van
Bork]
| |
verhaal dat zichzelf vertelt
Term uit de
verteltheorie voor een
verhalende tekst waarin de
verteller niet zichtbaar wordt, omdat de
gebeurtenissen ogenschijnlijk zonder bemiddeling worden weergegeven, zoals in
het drama of de film. De term is misleidend omdat er altijd een (al is het maar
verborgen) verteller aanwezig is die bemiddelt tussen de vertelde geschiedenis
(fabel-2) en de lezer.
LIT: Drop. [G.J. van Bork]
| |
verhalende tekst of narratieve tekst
Term uit de
verteltheorie of narratologie voor een tekst
die door een vertellende instantie, gewoonlijk aangeduid als de
verteller, wordt verteld. De verhalende
tekst staat door die verteller tegenover de dramatekst. Men kan in een
narratieve tekst drie elementen onderscheiden: de verteltekst of de reeks
taaltekens die het gevolg zijn van het vertellen, het verhaal zelf of de
betekenis (inhoud) van die vertelde tekst, en de
geschiedenis (fabel-2) of reeks gebeurtenissen die er de grondslag van
vormt.
LIT: Bal; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler; Herman/Vervaeck; Prince;
M. Bal. ‘Over narratologie, narrativiteit en narratieve tekens’,
in: Spektator 7 (1977-1978), p. 528-548. [G.J. van Bork]
| |
verhandeling
Afgerond stuk proza over een wetenschappelijk of zedekundig
onderwerp. In de 18e en 19e eeuw was de term vooral in gebruik voor wat nu
gewoonlijk een
essay genoemd zou worden, zij het dat de
verhandeling toch ook dicht bij het wetenschappelijk artikel of de
monografie staat. Veel 18e- en 19e-eeuwse
verhandelingen werden geschreven in antwoord op een door een genootschap
uitgeschreven prijsvraag. Bekend is de verhandeling van
W. de Clercq ter beantwoording van de
vraag ‘Welken invloed heeft de vreemde letterkunde, inzonderheid de
Italiaansche, Spaansche, Fransche en Duitsche, gehad op de Nederlandsche taal-
en letterkunde, sints het begin der vijftiende eeuw tot op onze dagen?’,
in 1824 bekroond en uitgegeven door het Koninklijk Nederlandsch Instituut van
Wetenschappen.
Prudens van Duyseschreef een
Verhandeling over den Nederlandschen versbouw (1854). Een
invloedrijke verhandeling schreef voorts
David Jacob van Lennep:
Verhandeling over het belangrijke van Hollands grond en oudheden voor
gevoel en verbeelding (1827; ed.
Stuiveling, 19782). Naast de
Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen gaven ook het Teylers
Genootschap en de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden
verhandelingen uit.
LIT: Baldick; BDI; Best; Hiller; Laan; Shipley. [G.J. van
Bork]
| |
verheven of subliem
In de
retorica is het verhevene een van de
belangrijkste kenmerken van het
genus sublime. Bij pseudo-Longinus
(De sublimitate, ± 100 n.Chr.) staat het verhevene
voor ‘vervoering’, tegenover het overtuigen (ars
persuadendi). Het verhevene uit zich in heftige bewogenheid en gevoelens
van vervreemding, o.a. door presentatie van het fantastische (fantastische literatuur). In de geschiedenis van het
poëticale denken is
Edmund Burke in dit verband van belang,
omdat hij nieuwe impulsen gaf aan de discussie met zijn werk A
philosophical inquiry into the origin of our ideas of the sublime and the
beautiful (1757). Zijn ideeën werden verder ontwikkeld door
Kant in diens Kritik der
Urtheilskraft (1790); hij verbond het verhevene met het oneindige
(tegenover het schone als verbonden met het eindige). Tot in de 19e eeuw leeft
het begrip voort in auteurspoëtica's en handboeken. Volgens de Groningse
hoogleraar
B.H. Lulofs (Nederlandsche
redekunst, 1820, p. 20-22) vormen het verhevene en het schone
(schoonheid) tezamen de twee hoofdeigenschappen van het
esthetische (esthetica). Volgens hem is een voorwerp
verheven wanneer het door zijn ‘grootte of kracht, algemeen, zonder
redenering en belang, om en door zich zelve noodzakelijk behaagt’; het
vervult het gemoed met aandoeningen van ‘eerbied, bewondering en
verbazing’ en impliceert levendigheid.
Volgens
Breuker (1996, p. 12, 18-23) is het
sublieme de individuele ervaring van harmonische eenheid met de
bovenindividuele natuur, waaruit geluk ontstaat. In die zin is het begrip
kenmerkend voor de gehele periode van 1770 tot 1914 en in het bijzonder voor de
romantiek.
In het huidige gebruik heeft ‘verheven’ als
stijlaanduiding betrekking op dat type taalgebruik dat niet behoort tot de
dagelijkse omgangstaal en dat een zekere plechtstatigheid heeft. Iemand die in
een situatie waarin de dagelijkse omgangstaal verwacht wordt, woorden en
zinswendingen hanteert die ontleend zijn aan een andere taalkring, bijv. het
idiolect van de predikant gebezigd in de
kerkdienst, valt uit de toon en krijgt terecht het ‘verwijt’ dat
hij verheven taal spreekt, niet passend bij de situatie. In dat opzicht is er
niets veranderd t.o.v. de conventie van enkele eeuwen geleden; iemand die in de
dagelijkse omgang, welke het
genus humile doet verwachten, een stijl
bezigt uit het
genus sublime, spreekt ook
‘verheven’ in de zin van onaangepast.
Soms wordt verheven taal gebezigd met humoristische (humor) bedoelingen. Zo laat
Gerard Reve in een toespraak op
ongebruikelijke wijze het plechtige woord ‘mede’ vallen in de zin
‘ik wil mij met de vraag bezig houden of er iemand mede gediend is als
men’ enz. (Het geheim van Louis Couperus, 1987, p.
6), met het gevolg dat het luisterend publiek begon te lachen.
LIT: Baldick; Cuddon; Dale; Lausberg; MEW; Preminger; Scott;
Shipley; J.M. Acket en C.F.P. Stutterheim. Stijlstudie en stijloefening
(196011), p. 60; Ph.H. Breuker. Obe Postma als auteur van het
sublieme (1996). [G.J. Vis]
| |
verificatio
Term uit de
oorkondeleer voor onderzoek naar de
autorisering, datering en localisering van oorkonden. In fictionele teksten
wordt gebruik gemaakt van de
veritas-topos om het waarheidsgehalte te
benadrukken. [P.J. Verkruijsse]
| |
veritas-topos
Expliciete verklaring in een (fictionele) tekst dat het vertelde
waar gebeurd is. Dat kan oppervlakkig gebeuren met een
nadrukformule als bijv. ‘sijt seker
das’ of ‘gelove(t)s mi’, maar ook door zich op een zegsman
(auctor) te beroepen, zoals bijv. in de
Beatrijs, waarin de auteur in de
proloog zegt het relaas van de non te verhalen
‘volcomelijc na der waerheide, als mi broeder Ghijsbrecht seide’
(vs. 13-14); of op een (geschreven) bron: ‘Die vraye [= ware] historie
vertelt ons hier’ (Walewein, vs. 9933), ‘Ons
orcont die Walsce tale’ (idem, vs. 11.141).
De veritas-topos sluit aan bij de eisen die aan een oorkonde
gesteld worden: de
verificatio, nl. autorisering, datering en
localisering. [W. Kuiper]
| |
verlichting
Term uit de cultuurgeschiedenis en de geschiedenis van de
wijsbegeerte voor een stroming tussen 1650 en 1850 (enlightenment,
Aufklärung, le siècle des lumières) die, afkomstig
uitEngeland (J. Locke,
D. Hume, e.a.), in de 18e eeuw is
overgewaaid naar Frankrijk (Voltaire,
Montesquieu, encyclopedisten). Kern van
de beweging is het
rationalisme toegepast op mens, cultuur en
maatschappij. Volgens
F.L. Ford (1968) zijn voor het geheel
van de verlichting als stroming in Europa en Amerika
vier elementen van belang: (1) seculair humanisme (inclusief niet-dogmatisch
christelijk humanisme), (2) een vertrouwen in rationele analyse als de beste
intellectuele methode, (3) visie op de mens als een niet-statische,
veranderbare grootheid in zijn samenleving en (4) een gevoel dat men zich aan
het bevrijden was (van bijgeloof, onderdrukking of wat voor
wet dan ook).
In feite spreekt men van verlichting per land of cultuurgebied. Zo
zou de Franse verlichting een stereotiepe tegenstelling kennen tussen religie
en verlichting. In Engeland domineert het empirisch onderzoek naar
de menselijke geest. In Duitssprekende gebieden schijnt een educatief aspect
overheersend; dikwijls zou de verlichting daar een utilitair reformistische
beweging zijn. Over de Nederlandse verlichting wordt beweerd dat deze geen
tegenstelling kent tussen rede en openbaringsgeloof en dat zij een sterk
moraliserende inslag heeft. Er bestaat discussie over de vraag of die denkers
die zich niet beroepen op bijbel of openbaring als laatste criterium, maar wel
christelijke elementen in hun ideeën hebben, zoals
J. Kinker, nog wel tot de
‘christelijke’ verlichting kunnen worden gerekend. Hoe dan ook,
hoofdkenmerk van de verlichting, ook in Nederland, is het optimistisch geloof
in de vooruitgang van mens en wereld door intellectuele - het gevoel niet
uitsluitende - inspanning.
Wat betreft de letterkunde zou, sociologisch gezien, de opkomst
van de vrouw kenmerkend zijn voor de Nederlandse verlichting:
Wolff en
Deken,
Post,
Van Essen-Van Haeften en
Hulshoff. Vertrouwdheid met
Vergilius' Aeneis
en
Ovidius'
Metamorphoses, in het algemeen met de klassieke
mythologie, is een vast gegeven. In het proza bloeit de
picareske roman, de
avonturenroman en het
travestieverhaal, het
reisverhaal en de
erotische literatuur; vooral de twee laatste
typen zijn het rijkst aan nieuwe ideeën. De ‘spectators’
voorzien vanaf 1730 de ‘gewone burger’ van gesprekken over dingen
van alledag en over godsdienst en moraal. De geleerdentijdschriften verschaffen
informatie over wetenschappelijke publicaties; na 1760 komen er vakijdschriften
per vakgebied (medisch, historisch e.a.). De poëzie staat onder invloed
van het
dichtgenootschap
Nil Volentibus Arduum (1669) met de slogan
‘dichten kun je leren’. Met kennis van de
elocutio dient men zijn stof zo te behandelen
dat het leidt tot een ‘creatieve imitatio’. In de eerste helft van
de 18e eeuw staat men nog dicht bij de renaissance. Zo schrijft de dichter
Poot over de maan en vertelt
daarbij een mythologisch verhaal na. Kijkt men naar de tweede helft van de eeuw
dan ziet men dat dichters een ander perspectief gaan kiezen;
Bellamy spreekt tot de maan in een
persoonlijk verzoek, laat de mythologie los en hanteert een vrijere versvorm.
In deze tijd - omstreeks 1780 - komt er meer aandacht voor het innerlijk van de
mens, samenhangend met het feit dat de rede er in de tweede eeuwhelft een
specifieke variant bij krijgt: het gevoel. Het genre van de
briefroman komt op met aandacht voor de
gevoelens van de personages.
Desbetreffende teksten van
Van Goens,
Kinker,
Geel en
Huet vindt men in de bloemlezing
Vrijmoedige bedenkingen (1968) en van
Van Effen,
De Genestet en anderen in
'k Wou zo graag verstandig wezen (1968).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Brongers; Cuddon; Gorp;
Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert; F.L. Ford.
‘The Enlightenment: Towards a Useful Redefinition’, in Studies
in the Eighteenth Century, ed. R.F. Brissenden (1968), p. 17-29;
Vrijmoedige bedenkingen, ed. M.C.A. van der Heijden (1968), p. 7 vlg.;
'k Wou zo graag verstandig wezen, ed. M.C.A. van der Heijden (1968), p.
7-14; J. Kinker. De verlichte muze, ed. G.J. Vis (1982), p. 9-35; J.
Stouten. Verlichting in de letteren (1984); B. Paasman. Het boek der
Verlichting (1986); A.J. Hanou. Sluiers van Isis, dl. 1 (1988), p.
52-57; J.W. Oerlemans. Rousseau en de privatisering van het bewustzijn
(1988), p. 69-72. [G.J. Vis]
| |
verluchting zie
boekverluchting
| |
verpleegstersroman
Roman waarin een (verliefde) verpleegster hoofdpersoon is. Vanwege
het stereotiepe verhaalverloop wordt de verpleegstersroman, net als de
doktersroman, tot de
triviaalliteratuur gerekend.
Peter Andriesse schreef een
pastiche op dit type
damesroman in Zuster Belinda en
het geheime leven van Dokter Dushkind (1971). [G.J. van Bork]
| | | |
vers-1 of versregel
Term uit de prosodie voor een doorgaans van links naar rechts
(horizontaal) op de bladzijde als eenheid gepresenteerde groep woorden als
belangrijkste constituerende element van
poëzie-1; de versregel is distinctief
voor poëzie ten opzichte van de prozaregel. Visueel worden versregels
gekenmerkt door hun onderlinge ongelijkheid van lengte; vooral de rechter marge
vertoont een ongelijke dosering van
wit. Deze in vergelijking met prozaregels
grotere zelfstandigheid van versregels ten gevolge van het
regeleinde wordt soms nog extra versterkt
door andere kenmerken, zoals een hoofdletter aan het begin van elke regel,
eindrijm en
metrum.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Dupriez-1; Dupriez-2;
Fowler; Gorp; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
vers-3
Term uit de leer van de
poëzie-1 ter aanduiding van een
strofe uit een
kerklied. Zo kan men in een kerkelijke
bijeenkomst de voorganger horen zeggen: ‘Gemeente, wij zingen nu van
psalm 1 de verzen 1 en 2’; men weet dan dat hier niet de versregels zijn
bedoeld maar de strofen (coupletten). [G.J. Vis]
| |
vers libre zie
vrij vers-1
| |
versbouw of versificatie-2
Term uit de prosodie voor het geheel van structurele (structuur) elementen dat de versregel (vers-1) als basiselement van
poëzie-1 kan bevatten, mede in hun
relatie met de
context van
strofe of
gedicht. De versbouw is te zien als een
organisatievorm van elementen op syntactisch-semantisch en fonologisch niveau.
Dichters die de
verstechniek weten uit te buiten, hanteren
vaak
vormgevingsprincipes die leiden tot een
versificatie met een rijk, geconcentreerd, aanbod aan stilistisch materiaal in
klein bestek. De versleer (prosodie) beschrijft de
resultaten ervan, zoals die zijn af te leiden uit de verstechniek, zowel in
stijl (bijv.
stijlfiguren) als in
klank e.a., variërend van metrische
(metrum) en
isosyllabische poëzie tot
vrij vers-1.
LIT: Alphen; Baldick; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Gorp; Hobsbaum;
Laan; Marouzeau; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert; F. Kossmann.
Nederlandsch versrythme (1922); G. Stuiveling. Versbouw en ritme in
den tijd van '80 (1934); C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen
(1963); G.J. Vis. ‘Vorm en functie in de poëzie. Een methodologische
verkenning, met voorbeelden uit het werk van J. Kinker en W. Kloos’, in:
SpL 33 (1992), p. 247-260. [G.J. Vis]
| |
verschleierte Rede zie
style indirect libre
| |
Verschlimmbesserung
Term uit de teksteditie voor een
transmissiefout, in de vorm van een
correctie door een kopiist (afschrijven-1) of een
correctie op de pers, die een eerder
gemaakte fout nog erger maakt door de verkeerde kant uit te corrigeren.
Verkeerde correcties in drukwerk zijn te verklaren uit het feit dat bij
correctie van drukproeven in het verleden de kopij niet geraadpleegd werd.
LIT: A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel
ende Elegast (dl. 1, 1975). [P.J. Verkruijsse]
| |
versie
Term uit de
tekstkritiek voor een tekst die het
resultaat is van een bewerkingsproces (bewerking,
adaptatie). Met name gedurende de
Middeleeuwen was het heel gebruikelijk dat teksten in de loop der tijd bewust
veranderd, bewerkt of aangepast werden. Als een tekst bedoeld is als kopie dan
spreekt men van
redactie-2, indien de veranderingen zo
ingrijpend zijn dat er feitelijk een nieuwe tekst ontstaan is, van een
omwerking. Zo kan men Reinaerts
historie (ca. 1300) beschouwen als een versie van het
overeenkomstige gedeelte van Van den vos Reynaerde zoals
die compleet bewaard bleef in de redacties A (Comburgse handschrift) en F
(Dyckse handschrift).
De term versie is ook van toepassing op vertaalde teksten; men
spreekt dan van een versie in een vreemde taal. De
Ferguut bijv. is wat betreft de versregels 1-2590 een
vertaling (redactie) en wat betreft de versregels 2591-5592 een bewerking.
LIT: Hiller; Mathijsen; Metzler; W.P. Gerritsen. Die Wrake van
Ragisel. Onderzoekingen over de Middelnederlandse bewerkingen van de Vengeance
Raguidel, gevolgd door een uitgave van de Wrake-teksten (1963), dl. 1, p.
60. [W. Kuiper]
| |
versificatie-1 zie
verstechniek
| |
versificatie-2 zie
versbouw
| | | | | |
verso-zijde
Bibliografische term voor de keerzijde van een
blad-2 of een
vel; de voorzijde heet
recto-zijde. In plaats van naar pagina's
verwijst men bij boeken uit de handpersperiode naar de recto- en verso-zijde
van een door middel van de
katernsignatuur aangeduid blad. Als pagina 1
en 2 zich op het eerste blad van het A-katern bevinden,
worden die aangeduid als respectievelijk folium A 1 recto en A 1 verso,
gewoonlijk afgekort tot A1r, A1v. In sommige bibliografische literatuur worden
recto en verso ook aangeduid met een superieur geschreven a en b.
In een
opening van een boek bevindt zich links
altijd een verso-pagina met een even paginanummer en rechts altijd een
recto-pagina met een oneven paginanummer.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Feather; Hiller; Scott; Ph.
Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p.
329-330. [P.J. Verkruijsse]
| |
verspringend rijm
Term uit de prosodie waarmee die vorm van
eindrijm wordt aangeduid die als
rijmschema heeft abcabc, zoals in:
De wereld is te groot en oud voor dit
Spel van het jonge hart, en het verdriet
Van 't avondgrauwen dringt onze oogen binnen -
En als ik straks naast haar bij 't haardvuur zit,
Zie 'k door de vensters in een zwart gebied
En hoor den nachtwind gieren langs de tinnen.
(M. Nijhoff. VW, dl. 1, 19822, p. 116).
LIT: Alphen; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Morier. [G.J. Vis]
| | | |
versritme
Term uit de prosodie voor dat
ritme dat - in tegenstelling tot het
prozaritme-1 - op specifieke wijze voorkomt
en functioneert in
poëzie-1. Aard en werking van het
versritme hangen nauw samen met de mogelijkheden die de versregel (vers-1) - op zichzelf beschouwd en gezien zijn verband met de
context - heeft. De belangrijkste vormen waarin het versritme kan voorkomen
zijn die van het
vrije vers-1 en van het metrisch (metrum) vers. Het versritme kenmerkt zich meestal door een
bepaalde spanningsverhouding, enerzijds tussen het
zinsritme en de versregel, anderzijds tussen
het metrisch patroon en het zinspatroon (woord- en zinsaccent). Een specifieke
vorm van deze spanningsverhouding treft men aan in het
contrapunt.
LIT: Abrams; Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Gorp; Hobsbaum;
Lodewick; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert; F. Kossmann. Nederlandsch
versrhythme (1922); G.J. Vis. ‘Iconiciteit en ritme’, in:
FdL 32 (1991), p. 47-61. [G.J. Vis]
| |
verstechniek of versificatie-1
Term uit de prosodie voor de dichterlijke activiteit van het
schrijven van
poëzie-1 voor zover die de
versbouw betreft. Het is een belangrijk
onderdeel van het totale scheppingsproces.
Soms gebruikt men de term verstechniek in ruimere zin voor de
gehele dichterlijke activiteit.
LIT: Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Cuddon; Gorp; Hobsbaum;
Preminger; C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen (1963). [G.J.
Vis]
| |
versteken
Drukkersterm voor het wijzigen van het
wit wanneer binnen een
oplage twee
uitgaven gemaakt worden op groot en klein
papier. Daartoe moet de vorm losgekooid en
het formaatgoed (formaatmaken) herschikt worden met
versteekhouten. Het versteken is nodig om een goede
bladspiegel te krijgen. Van de gelegenheid
kan gebruik gemaakt worden om een correctiefase in te lassen, want de vorm is
dan toch los.
Correctie tijdens het versteken heeft bijv. plaatsgevonden in
Smalleganges Nieuwe cronyk van
Zeeland (1696).
LIT: P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710)
(1983), p. 48, 371-388; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de achttiende
eeuw (19862), p. 430. [P.J. Verkruijsse]
| |
versus heroicus zie
heroïsch vers
| |
versvoet of voet
Term uit de prosodie voor de kleinste meersyllabige metrische
(metrum) eenheid in het klassieke en renaissancistische
vers en de daarvan afgeleide vormen.
De belangrijkste versvoeten in de Nederlandse poëzie zijn de
jambe,
trochee,
dactylus,
anapest en
amfibrachus. Daarnaast vindt men ook de
spondee en de creticus of
amfimacer. Afhankelijk van het aantal keren
dat een bepaalde versvoet in een regel optreedt, spreekt men van de jambische
pentameter (vijf jamben), de
hexameter (zes dactylen), de
alexandrijn (zes jamben) e.a. Ten aanzien
van de metrische poëzie die sinds de periode van de romantiek is
geschreven, wint de opvatting veld dat het de voorkeur verdient bij de
ritmische analyse niet uit te gaan van de versvoet, maar van de regel in zijn
geheel. Men spreekt dan bijvoorbeeld liever van een ‘vijfjambische’
regel dan van een regel ‘uit vijf jamben opgebouwd’.
Versvoeten kunnen in combinatie met elkaar leiden tot grotere
metrische eenheden, zoals de
dimeter,
trimeter, ditrochee (dichoreus),
dispondee enz. Wanneer een regel, strofe of
gedicht uit verschillende versvoeten (metrische motieven) is opgebouwd, spreekt
men van
polymetrie.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier;
Preminger; Scott; Wilpert; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de
versregel (1962). [G.J. Vis]
| |
vertaling
Tekst die is omgezet in een andere taal dan waarin hij
oorspronkelijk werd geschreven. Wanneer daarbij niet is gestreefd naar een zo
nauwkeurig mogelijke (letterlijke) vertaling, spreekt men van een vrije
vertaling.
Bij Middelnederlandse vertalingen van Oudfranse teksten kan de
volgende driedeling gemaakt worden. Is er sprake van een getrouwe vertaling,
dan kan het resultaat beschouwd worden als een
redactie-2, zij het in een vreemde taal. Is
de
plot of
fabel-2 dezelfde, maar is er bijv. met
gebruikmaking van de ars poetica (poetica-1) en met name
door middel van
abbreviatio en
amplificatio doelbewust ingegrepen, dan
spreekt men van een
bewerking. Het resultaat is dan een
versie. Wordt echter het gehele
verhaalgebeuren veranderd, dan spreekt men van een
omwerking of remaniement. Voorbeelden van
een getrouwe vertaling zijn de zgn. Limburgse Aiol en het eerste stuk
van Ferguut (vs. 1-2592), van een bewerking de zgn.
Vlaamse Ayoel en het tweede stuk van Ferguut (vs.
2593-slot). Als omwerking kan onze Reinaert worden
aangemerkt.
In de renaissance lagen de grenzen tussen vertaling en bewerking
niet duidelijk vast. In de praktijk sprak men van ‘navolging’ of
‘Nae 's landts gheleghenheyt verduytschet’. In navolging van de
klassieke retorica werd de vertaling of
translatio gezien als oefening voor de
aankomende auteur, die vervolgens via
imitatio moest trachten te komen tot
aemulatio, of het overtreffen van het
gekozen voorbeeld.
Maar ook in de 19e eeuw zijn de grenzen tussen vertaling en
bewerking niet scherp te trekken. Onder de veelvuldig gebruikte aanduiding
‘Naar het Engels’ (Frans, Duits etc.) publiceerde men zowel
vertalingen als in eigen woorden navertelde teksten uit vreemde talen.
Lange tijd was vertalen het werk van auteurs die op die manier een
bijverdienste hadden, maar daarvoor geen speciale opleiding hadden genoten. In
de tweede helft van de 20e eeuw ontstonden aan een aantal universiteiten
speciale opleidingen voor tolk of vertaler. Voor de promotie van vertalingen
uit het Nederlands is in 1954 de ‘Foundation for the promotion of the
translation of Dutch literary works’ in het leven geroepen. Van de
vertalingen van Nederlands werk bestaan bibliografieën:
P.M. Morel, Bibliographica
Neerlandica II (1962) over de periode 1900-1957, en vanaf 1957 van
E. van Raan Het Nederlandse boek
in vertaling (1974 e.v.), telkens aangevuld in het tijdschrift
Ons Erfdeel. Voorts zijn er speciale tijdschriften voor vertalers, zoals
Babel, De Tweede Ronde en het tijdschrift van het Nederlands
Genootschap van Vertalers Van taal tot taal. De reeks
Vertaalhistorie brengt in diverse delen Nederlandse beschouwingen over
vertalen vanaf de Middeleeuwen tot 1940.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler;
Gorp; Hiller; Lausberg; Metzler; MEW; Ned. Arch.-term.; Preminger; Scott;
Shipley; J.D.P. Warners. ‘Translatio-imitatio-aemulatio’, in:
NTg 49 (1956), p. 289-295; 50 (1957), p. 82-88, 193-201; W.P. Gerritsen.
‘Les relations littéraires entre la France et Les Pays-Bas au
Moyen Age. Quelques observations sur la technique des traducteurs’, in:
Actes du septième congrès national de la Sociéte
Française de Littérature Comparée, Poitiers 1965.
(1967), p. 28-46; R. van den Broeck en A. Lefevere. Uitnodiging tot de
vertaalwetenschap (1979); S. Bassnett-Mc.Guire (red.). Translation
studies (1980); K.M. van Leuven-Zwart. ‘Overeenkomst en
verschil’, in: Spektator 11 (1981-1982), p. 249-272; C. Buridant.
‘Translatio medievalis. Théorie et pratique de la traduction
médiévale’, in: Travaux de Linguistique et de
Littérature 21 (1983), p. 81-136; R. Ellis (red.). The Medieval
Translator. The theory and practice of translation in the Middle Ages
(1989); W.P. Gerritsen. ‘Vertalingen van Oudfranse litteraire werken in
het Middelnederlands’, in: Franse literatuur van de middeleeuwen
(1988), p. 184-207; Th. Hermans. Studies over Nederlandse vertalingen. Een
bibliografische lijst (1991); L. Korpel. Over het nut en de wijze der
vertalingen. Nederlandse vertaalreflectie (1750-1820) in een Westeuropees
kader (1992). [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]
| |
vertelde tijd
Term uit de verhaalanalyse waarmee de tijd wordt aangegeven die
het verhaal of een deel daarvan inhoudelijk omvat. Zo kan in een roman een
korte tijdsspanne beschreven worden, soms slechts één dag of
enkele dagen, terwijl in een andere roman een heel mensenleven wordt behandeld.
Een goed voorbeeld van een roman met een zeer korte vertelde tijd is
Ulysses (1922) van
James Joyce (één dag). In
Nederland schreef
Jeroen Brouwers met Zonsopgangen
boven zee (1977) een roman met een korte vertelde tijd
(één nacht) binnen een lange
verteltijd. Een roman met een lang
tijdsverloop binnen een in verhouding daarmee korte verteltijd is bijv.
A. van Schendels Het fregatschip
Johanna Maria (1930).
De vertelde tijd wordt in de verhaalanalyse (meestal in een
grafiek) afgezet op de verteltijd, d.w.z. de tijd die de lezer nodig heeft om
een verhaal of gedeelte daarvan te lezen. De verhouding tussen vertelde tijd en
verteltijd binnen een roman zou iets laten zien van het spanningsverloop van
die roman. Naarmate er meer
tijdverdichting optreedt, d.w.z. naarmate er
meer tijdsverloop in het verhaal beschreven wordt in minder pagina's of
woorden, zou de lezer geconfronteerd worden met voor de spanning minder
belangrijke verhaalelementen. Het is zeer de vraag of die - vaak impliciet
gegeven - vooronderstelling juist blijkt te zijn.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Drop; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince; G.
Müller. ‘Erzählzeit und Erzählte Zeit’, in:
Morphologische Poetik (1968); F.C. Maatje. Literatuurwetenschap
(19774), p. 142-151. [G.J. van Bork]
| |
vertelfunctie zie
verteller
| |
vertelinstantie zie
verteller
| |
verteller, vertelfunctie of vertelinstantie
Term uit de
verteltheorie of narratologie (eerder
gebruikt in de
romananalyse) om de instantie aan te duiden
die de geschiedenis (fabel-2) van de
verhalende tekst vertelt. De verteller mag
in fictief proza niet geïdentificeerd worden met de auteur, maar is een
door de auteur gekozen medium door middel waarvan hij het verhaal laat
vertellen. De verteller bemiddelt dus tussen de fictieve wereld van de
geschiedenis en de erin optredende personages, en de lezer. Soms is de
verteller gebonden aan een personage uit de tekst, bijv. in het geval van een
ik-verteller, maar hij kan ook anoniem blijven, bijv. in een neutraal verteld
verhaal of in een tekst verteld vanuit een hij-standpunt. De verteller mag
echter niet verward worden met het
perspectief, dat (mede)bepaald kan worden
door weergave van vertellende
personages (acteurs)
binnen de tekst. Dit kan wellicht verduidelijkt worden aan de hand van het
volgende voorbeeld: ‘Hij dacht dat hij de laatste trein naar Alkmaar wel
niet meer zou halen’. Zo'n zin uit een verhalende tekst wordt altijd
verteld door een verteller. Men kan er bijv. ‘ik vertel’ voor
zetten, waardoor dit onmiddellijk duidelijk wordt. Niettemin ligt het
perspectief van de zin bij de ‘hij’, die tevens personage is in het
vertelde.
LIT: Bal; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Gorp;
Herman/Vervaeck; Prince; H. van Gorp. Het optreden van de verteller in de
roman (1970). [G.J. van Bork]
| |
vertelling
Eenvoudige fictionele proza- of poëzietekst van beperkte
omvang met vrijwel alle eigenschappen van het
verhaal-1. De termen ‘verhaal’
en ‘vertelling’ worden dan ook vaak voor hetzelfde gebruikt (vgl.
‘kaderverhaal’ en ‘kadervertelling’), met dien
verstande dat men verhalende poëzieteksten zelden ‘verhaal’
noemt. Bovendien gebruikt men de term ‘vertelling’ wel om een
archaïserend effect te bewerkstelligen.
Voorbeelden van vertellingen zijn
A.C.W. Starings Ada en
Rijnoud (1820, poëzie) en
Jacob Israël de Haans
Nerveuze vertellingen (1906-1910).
LIT: BDI; Best; Gorp; Lodewick. [G.J. van Bork]
| |
verteltheorie of narratologie
Benadering van
verhalende teksten waarbij een poging wordt
gedaan om de structurerende elementen die de tekst bepalen op een
controleerbare wijze te beschrijven. Daarbij wordt onderzocht wat de mogelijke
en de werkelijk gerealiseerde relaties zijn tussen een vertelde tekst, de
verhaalbetekenis of de inhoud daarvan en de geschiedenis of de reeks logisch en
chronologisch geordende gebeurtenissen die erin beschreven worden. De
verteltheorie streeft naar het ontwikkelen van een begrippenapparaat en het
definiëren daarvan waardoor het mogelijk wordt op een adequate en
objectief bespreekbare wijze tot uitspraken over verhalende teksten te komen.
Het begrippenapparaat dat door de verteltheorie ontwikkeld is, voldoet beter
aan die eis dan het apparaat van de
romananalyse. Bovendien gaat van de
romantheorie de suggestie uit dat de daarin ontwikkelde terminologie
uitsluitend van toepassing zou zijn op romans, terwijl de verteltheorie zich
terecht niet beperkt tot romans, maar verhalende teksten in de meest ruime zin
in haar beschouwingen betrekt.
Tot het
narratief systeem van verhalende teksten
behoort een aantal categorieën van structurerende elementen: de
verteller of vertelinstantie, de
focalisatie of het
perspectief, de
tijdsaspecten en de ruimtelijke aspecten
(ruimte).
LIT: Abrams; Bal; Baldick; Boven/Dorleijn; Fowler; Gorp;
Herman/Vervaeck; MEW; Prince; M. Bal. Narratologie (1977); G. Genette.
Narrative discourse (1980); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (1981), p. 128-165. [G.J. van Bork]
| |
verteltijd
Term uit de verhaalanalyse waarmee de tijd wordt aangegeven die
een lezer nodig heeft om een verhaal of een gedeelte daarvan te lezen. De
verteltijd wordt meestal uitgedrukt in het aantal pagina's of woorden dat een
te onderzoeken verhaal of een gedeelte daarvan omvat. De verteltijd wordt dan
afgezet (meestal in een grafiek) op de
vertelde tijd, d.w.z. de tijd die het
verhaal of een fragment daarvan inhoudelijk beschrijft. Op die wijze tracht men
de vertraging dan wel de versnelling of
tijdverdichting in het verhaal op te sporen,
waaraan dan vaak oordelen over spanning of belang van bepaalde passages worden
verbonden die overigens nogal discutabel zijn.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Drop; Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler;
Prince; G. Müller. ‘Erzählzeit und Erzählte Zeit’,
in: Morphologische Poetik (1968); F.C. Maatje.
Literatuurwetenschap (19774), p. 142-151. [G.J. van Bork]
| |
vertelwijze zie
perspectief
| |
verticale analyse
Term uit de verhaalanalyse, speciaal de drama-analyse, waaronder
men een analysemethode verstaat die erop gericht is de spanningsrelaties per
moment of binnen een verhaalsegment te onderzoeken en niet de relaties tussen
een reeks opeenvolgende verhaalsegmenten.
LIT: Bergh; B. Beckerman. Dynamics of drama (1970), p. 42,
56-77. [G.J. van Bork]
| |
vertoning zie
tableau vivant
| |
vertoog
Een afgerond stuk beschouwend proza, waarin een auteur een meestal
persoonlijk of moraliserend standpunt inneemt ten opzichte van een bepaald
onderwerp van godsdienstige, maatschappelijke, wetenschappelijke of
cultuurhistorische aard. Vooral in de 18e eeuw was de term in gebruik voor
prozastukken die vergelijkbaar zijn met het
essay of de
verhandeling. Van
Justus van Effens Hollandsche
Spectator (1731-1735) werd 57,6% van de totale plaatsruimte ingenomen door
‘vertoogen’.
A.W. Stellwagen stelde een bloemlezing
hieruit samen onder de titel J. van Effen. De Hollandsche Spectator.
Eene bloemlezing van een en tachtig vertoogen (1889).
LIT: Laan. [G.J. van Bork]
| |
vertraging of retardering
Retorische techniek waarbij door middel van vertraging van het
tempo waarin aan de lezer of toeschouwer informatie wordt verstrekt de spanning
kan worden opgevoerd. Men spreekt ook van retardering wanneer bepaalde
informatie wordt achtergehouden, die dan pas later wordt gegeven, zoals bijv.
in veel detectiveverhalen gebeurt. Bij het toneel kan men bovendien nog werken
met een vertraagde en nadrukkelijke intonatie.
Van vertraging is ook sprake wanneer de tijd van het vertellen
zelf (verteltijd) groter is dan de tijd die de vertelde
gebeurtenis in werkelijkheid in beslag genomen zou hebben (vertelde tijd). Men duidt dit verschijnsel ook wel aan met de
Duitse term ‘Dehnung’.
LIT: Bal; Bergh; Best; Boven/Dorleijn; Herman/Vervaeck; Metzler;
O. Mann. Poetik der Tragödie (1958), p. 224 e.v. [G.J. van
Bork]
| |
vertrouweling
Personage in het drama, soms ook in het proza, aan wie de
protagonist intieme bijzonderheden
(gevoelens, plannen, beweegredenen e.d.) kan vertellen, omdat hij als vriend,
vriendin of bediende blijkbaar volledig vertrouwd kan worden. Vaak wordt de
vertrouweling(e) gebruikt om de
monoloog te vermijden waarin een personage
zijn innerlijk zou moeten blootleggen. In
Pieter Langendijks Het
wederzijds huwelijksbedrog (1720) speelt Klaar, de meid van
Charlotte, de rol van vertrouwelinge die haar meesteres helpt Lodewijk voor een
huwelijk te strikken.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon. [G.J. van Bork]
| |
vervreemdingseffect of Verfremdungseffekt
Term afkomstig van het
episch drama voor het opzettelijk verstoren
van de dramatische illusie dat wat op het toneel gebeurt echt zou zijn. Het
Verfremdungseffekt werd door
Bertold Brecht geïntroduceerd om de
toeschouwer te verhinderen zich emotioneel te indentificeren met de personages
of situaties op het toneel en hem te dwingen afstand te nemen van het gebeuren
om zo een kritische houding tegenover het getoonde te bewaren. Dergelijke
illusiedoorbrekende elementen kunnen bestaan uit ingelaste liederen of
recitatieven, een vertellersfiguur die de
vierde-wandfictie doorbreekt,
beeldprojectie, rolverwisselingen e.d. Sinds Brecht is het
procédé ook toegepast in het proza, o.a. in het
experimenteel proza van o.m.
J.F. Vogelaar,
I. Michiels en
S. Polet.
In ruimere zin wordt er ook een psychologisch verschijnsel mee
aangeduid. Men doelt dan op het verschijnsel van de depersonalisatie, waarbij
de gewoonste dingen hun vanzelfsprekendheid verloren hebben zoals dat
bijvoorbeeld voorkomt in het
sensitivisme. Een goed voorbeeld van deze
vorm van vervreemding is het gedicht van
Herman Gorter met de beginregel
‘De boomen waren stil’ en dat eindigt met de volgende strofe:
mijn voeten als goede lien
(Gorter.
Verzen, ed.
Endt, 1977, p. 23).
LIT: Baldick; Bantel; Bergh; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler;
B. Brecht. Schriften zum Theater (1957); M. Kesting. Das epische
Theater (1959); M.G. Kemperink. Van observatie tot extase (1988), p.
85-88. [G.J. van Bork]
| |
verwachting
Term uit de esthetica voor een basiselement bij kunstervaring en
-beleving bestaande uit het gevoel bij de kunstbeschouwer dat met aan zekerheid
grenzende waarschijnlijkheid een bepaald verschijnsel of een combinatie van
verschijnselen in het kunstwerk zal voorkomen. Menig stijlmiddel is hierop
gericht en dit hangt weer samen met het feit dat een groot deel van de
verwachtingen gebaseerd is op
conventies die als bekend worden
verondersteld.
Zo kunnen in poëzie versmaat en rijm een verwachting wekken
bij de lezer waarmee gespeeld wordt (bijv. uitstel, inlossing). Soms heeft de
verwachting de vorm van spanning (prospectief aspect),
zoals bij menig verhaal of toneelstuk.
Naast deze door de individuele tekst veroorzaakte en daaraan
gebonden verwachting hanteert men ook wel een ruimer begrip verwachting (verwachtingshorizon). Onderzoek hiernaar wordt verricht door
de empirische
receptie-esthetica.
LIT: Shipley. [G.J. Vis]
| |
verwachtingshorizon
Term uit de
receptie-esthetica voor een centraal begrip
uit de theorie van
H.R. Jauss. Het stoelt op de opvatting
dat literatuurgeschiedenis niet langer moet worden gezien als een geschiedenis
van teksten, maar van literaire gebeurtenissen. Deze spelen zich af in de
lezer. Diens verwachtingshorizon (verwachting) wordt
gevormd door het feit dat een tekst voor hem een gebeurtenis wordt wanneer hij
deze vergelijkt met andere, reeds bekende, teksten.
De verwachtingshorizon is opgebouwd uit de volgende drie factoren:
(a) de aan de lezer bekende normen van het genre waartoe de tekst behoort; (b)
de impliciete relaties met reeds bekende, gelezen teksten uit dezelfde
literair-historische periode als die van de te lezen tekst; (c) de
tegenstelling tussen fictie en werkelijkheid. Met behulp van dit begrip wil
Jauss twee vragen beantwoorden: die naar de literaire waarde van de tekst en
die naar de receptie ervan.
LIT: Baldick; Gorp; Lausberg; Lodewick; H.R. Jauss.
Literaturgeschichte als Provokation (1970); R. Warning.
Rezeptionsästhetik (1975), p. 23-25; H. Link.
Rezeptionsforschung (1976), p. 45 vlg.; J. van Luxemburg e.a.
Inleiding in de literatuurwetenschap (19833), p. 274. [G.J.
Vis]
| |
verzameld werk of opera omnia
Onder de aanduiding ‘verzameld werk’ of
‘verzamelde werken’ worden in de praktijk twee typen uitgaven
verstaan van het werk van één auteur. In het ene geval gaat het
om de uitgave van een keuze uit het werk van een auteur, meestal door die
auteur zelf bezorgd, waarin een presentatie van het totale oeuvre gegeven wordt
zoals de bezorger dat het liefst ziet. Wat de bezorger (auteur) onwelgevallig
is, wordt weggelaten. Voorbeelden van een dergelijke (zelf)presentatie zijn het
Verzameld werk van
H. Marsman (4 dln., 1938-1947) en de
Verzamelde gedichten van
Ed Hoornik (1950), die beide verre van
volledig genoemd kunnen worden.
Het andere type wordt gevormd door de volledige uitgave van het
totale oeuvre van een auteur - voor zover bij in leven zijn van de auteur tot
op dat moment verschenen - meestal bezorgd door een tekstediteur. Voorbeelden
van dit type zijn de Verzamelde gedichten van auteurs als
J.H. Leopold,
J.C. Bloem,
Paul van Ostaijen e.a. Bij dit type
staat de volledigheid voorop en niet de (zelf)presentatie van de auteur van
diens oeuvre.
LIT: BDI; Hiller; Mathijsen; Metzler; R.L.K. Fokkema.
‘Verzamelde gedichten: een loze term!’, in: NTg 69 (1976) 2,
p. 89-101; F.A. Janssen. ‘Bij de tombe’, in: Aan het werk!
(1981), p. 234-242. [G.J. van Bork]
| |
verzamelhandschrift
Term uit de codicologie voor een
codex die een aantal zeer verschillende
teksten bevat, waarbij het vanaf het begin af aan de bedoeling was deze teksten
in één handschrift te bundelen. Voorbeelden van Middelnederlandse
verzamelhandschriften zijn het handschrift-Van Hulthem, het Comburgse
handschrift en het Geraardsbergse handschrift (ed.
Govers e.a., 1994), die sinds 1994 in
een nieuwe reeks worden uitgegeven onder de titel Middeleeuwse
Verzamelhandschriften uit de Nederlanden.
Bij een boek dat handschriften bevat die wat betreft hun ontstaan
niets met elkaar te maken hebben, maar door een bezitter zijn samengebonden,
spreekt men van een
convoluut.
LIT: BDI; Metzler; Th. Mertens (red.). Richtlijnen voor de
uitgave van Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden (1994).
[H. Struik]
| |
verzetsliteratuur
Term waarmee gewoonlijk de literatuur wordt aangeduid die
verschenen is tijdens de Tweede Wereldoorlog (speciaal vanaf 1942, het jaar van
de instelling van de Kultuurkamer) en die duidelijk tegen de Duitse bezetter
gericht was. In ruimere zin valt onder verzetsliteratuur alle geëngageerde
literatuur die tegen enig regiem gericht is, zoals bijv. de
geuzenliederen uit de 16e eeuw tegen de
Spaanse overheersing. Voor de verzetsliteratuur uit de Tweede Wereldoorlog is
de vergelijking met deze geuzenliederen dan ook onmiddellijk gemaakt, zoals
blijkt uit de titel van een verzamelbundel als het
Geuzenliedboek (1943) waarop een tweetal vervolgdelen is
verschenen. Bekende verzetsteksten zijn
Jan Camperts Het lied der
achttien doden en
Yge Foppema's De ballade van de
ter dood veroordeelden.
Verzetsliteratuur is in feite tevens
clandestiene literatuur, een ruimer begrip
waaronder alle illegale literatuur valt die de censuurbepalingen van een
onderdrukker tracht te ontlopen.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Metzler; MEW; G.H. 's-Gravesande.
Onze letterkunde in bezettingstijd (1946); D. de Jong. Het vrije boek
in onvrije tijd (1958). [G.J. van Bork]
| |
vetustas
Vetustas is een element van een juist taalgebruik (puritas), gebaseerd op de traditie. Bij het gebruik van
woorden uit een oudere taalfase dient men er wel voor te waken dat ze inmiddels
niet gezocht en onverstaanbaar geworden zijn, zoals het geval is bij
archaïsmen.
LIT: Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
vidimus
Archiefterm voor een
akte-1, waarbij degene die haar uitvaardigt,
verklaart een zekere akte te hebben gezien en in zijn verklaring de tekst van
die akte opneemt. Een vidimus kan dus beschouwd worden als een
niet-geautoriseerd afschrift (kopie). Een authentiek
afschrift van een akte heet met een verouderde term
transsumpt.
LIT: Ned. Arch.-term.; J.L. van der Gouw. ‘Le vidimus aux
Pays-Bas septentrionaux’, in: Varia codicologica. Essays presented to
G.I. Lieftinck 1 (1972), p. 99-109. [P.J. Verkruijsse]
| |
vie romancée of geromantiseerde
biografie
Vorm van de
biografie waarin het leven van een bekende
of beroemde persoonlijkheid verteld wordt in belletristische (geromantiseerde)
vorm. De vie romancée staat ten opzichte van de biografie gewoonlijk in
een kwade reuk, omdat veel van het feitenmateriaal door de auteur op diens
eigen wijze en vaak ten bate van diens held wordt geïnterpreteerd en veel
van eigen vinding aan het historisch materiaal wordt toegevoegd. Daardoor
krijgt de vie romancée meer het karakter van een
historische (soms zelfs
psychologische) roman dan van een
biografie.
Bekende voorbeelden van het genre zijn
A.M. de Jongs De dolle
vaandrig (1947) over
G.A. Bredero en
Theun de Vries'
Rembrandt (1931).
LIT: Lodewick; MEW. [G.J. van Bork]
| |
vierde-wandfictie
Term uit de dramatheorie waarmee het verschijnsel wordt aangeduid
dat de acteurs van het drama doen alsof er geen publiek aanwezig is bij hun
handelingen, omdat de gebeurtenissen op het toneel als
‘werkelijkheid’ moeten worden voorgesteld. Het feit dat deze fictie
nu en dan wordt doorbroken, bijv. in een
terzijde of door een verteller die zich
rechtstreeks tot het publiek richt, toont aan dat de vierde-wandfictie wel
degelijk werkt, omdat deze doorbrekingen door het publiek duidelijk als zodanig
worden ervaren.
LIT: Bergh; Gorp. [G.J. van Bork]
| |
vierrijm
Twee opeenvolgende rijmparen met dezelfde rijmklank in een gepaard
rijmende tekst, bijv.
Bi deser favelen soe bespellen
Die quade, die de goede quellen,
Die valsch sijn ende valscheit tellen
Met orconden van haren gesellen
(Esopet, ed.
Stuiveling, 1965, 4, vs. 25-28).
In de Middelnederlandse literatuur is het vierrijm ongebruikelijk.
De aanwezigheid ervan kan wijzen op een
corruptie.
LIT: A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel
ende Elegast II (1975); W. Kuiper. ‘De Middelnederlandse
Esopet’, in: Spektator 21 (1992), p. 35-54. [W. Kuiper]
| |
vignet of cul-de-lampe
Term uit de bibliografie voor een typografisch ornament, bestaande
uit een speciaal ontworpen versiering of samengesteld uit kleinere
sierelementen uit de letterkast. Een vignet met bloem- en bladversiering heet
een
fleuron. Vignetten worden gebruikt aan het
begin of eind van hoofdstukken of andere tekstonderdelen of op het titelblad op
de plaats van een
drukkersmerk om een te opvallend wit vlak te
vullen. Samen met het andere in een druk gebruikte typografisch materiaal
(fleuron,
kader, versierde
initialen-1, lijnen en lettermateriaal)
kunnen vignetten helpen ongeïdentificeerde boeken aan een bepaalde drukker
toe te schrijven.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Hiller; Scott; S. Corsini. ‘Vers
un Corpus des ornements typographiques lausannois du XVIIIe siècle;
problèmes de définition et de méthode’, in:
Ornementation typographique et bibliographie historique (1988), p.
139-158. [P.J. Verkruijsse]
| |
villanelle
Term uit de genreleer voor een dichtvorm afkomstig uit Italië
die sinds de 16e eeuw de volgende kenmerken heeft: vijf drieregelige strofen en
een vierregelige slotstrofe, gebouwd op twee eindrijmklanken, waarbij vs. 1 en
vs. 3 van strofe 1 beurtelings terugkeren in de volgende strofen en samen de
afsluiting vormen van het gedicht. Het genre is in de Nederlandse letterkunde
beoefend door
Pol de Mont,
Gerrit Komrij en
Drs. P.. Van die laatste is het volgende
voorbeeld:
O, Truida heeft het steeds gezegd
Berustend soms, maar vaak verbeten
De Staat kent wetten, en geen recht
De burgers hebben geen geweten
O, Truida heeft het steeds gezegd
Zij was schriftuurlijk onderlegd
En voelde mee met de Profeten
En toen haar man was opgedregd
Is zij voor 't eerst Chinees gaan eten
O, Truida heeft het steeds gezegd
(Drs. P. Ons knutselhoekje, 1975, p.
21).
M. Veltman bezorgde de bloemlezing
Negentien villanellen (1985).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Hobsbaum; MEW; Morier; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
virelai
Van origine Noord-Frans danslied dat in de tweede helft van de 13e
eeuw zijn intrede aan het hof deed en dat zijn grootste bloei bereikte in de
14e eeuw. Een virelai begint met het refrein en bestaat gewoonlijk uit drie
strofen. De strofe bestaat uit twee delen. Het eerste deel, de frons
(kop), heeft rijmen die per strofe wisselen. In het tweede deel, de
cauda (staart), zijn de rijmen als in het refrein. Een
‘Middelnederlands’ voorbeeld van een virelai is: ic sac
noit so roden muntvan
hertog Jan I van Brabant (1252-1294). Het
virelai behoort tot het genre van het
minnelied-1.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Gorp; Metzler;
MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; S.A.P.J.H.
Iansen. Verkenningen in Matthijs Casteleins Const van rhetoriken (1971),
p. 144-145; P. Bec. La lyrique française au moyen-âge
(1977); F. Willaert. ‘Over ic sac noit so roden munt van hertog
Jan I van Brabant’, in: NTg 79 (1986), p. 481-492; idem.
‘Minneliederen en hofdansen in de veertiende eeuw’, in:
Literatuur 9 (1992), p. 8-14. [W. Kuiper]
| |
virgula
Middeleeuws interpunctieteken in de vorm van een schuine streep
(/) dat gebruikt werd om een korte rust aan te geven. De virgula dateert uit de
Romeinse tijd en maakte deel uit van een
interpunctiesysteem waarbinnen de volzin
(periodus) werd afgesloten met een ‘;’ (periodus),
de bijzin (colon) met een ‘.’ (punctus) en
de deelzin (comma) met een ‘/’ (virgula). Na
de Middeleeuwen is de virgula van naam en functie veranderd in de
Duitse komma.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Scott; J. Greidanus. Beginselen
en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden
(1926). [W. Kuiper]
| |
virtutes dicendi of virtutes elocutionis
Term uit de retorica voor de kwaliteiten waaraan de stijl, de
elocutio, dient te voldoen. Een fundamentele
behandeling van de virtutes wordt gegeven door
Quintilianus in zijn
Institutio oratoria. Traditoneel zijn er vier virtutes
dicendi: de
latinitas (de zuiverheid van taal), de
perspicuitas (de duidelijkheid), de
ornatus (de stilistische verfraaiing door
middel van
tropen-1, figurae (stijlfiguren)
en
compositio (zinsbouw)), en tenslotte het
aptum of decorum (de passendheid van de
bewoordingen bij de inhoud, omstandigheden, persoon van de spreker, het publiek
etc.).
LIT: Gorp; Lausberg. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
virtutes elocutionis zie
virtutes dicendi
| |
visioen
Geestestoestand die zich manifesteert in het waarnemen van
personen, zaken en (toekomstige) situaties die op natuurlijke wijze niet
zichtbaar zijn. Binnen de
mystiek maakt men duidelijk onderscheid
tussen een visioen en een droombeeld of waanvoorstelling: een visioen wordt
veroorzaakt door een bovennatuurlijke macht van buiten die op de ziener
inwerkt, een waanvoorstelling komt uit het innerlijk van de dromer zelf,
terwijl iedere objectieve grondslag ontbreekt. Veel visioenen worden beschreven
als de waarneming van een persoon, bijv. de verschijning van Maria in
Lourdes of Fatima.
In de Middeleeuwen bestond een bloeiende visioenenliteratuur, met
als bekendste auteurs
Hildegard von Bingen,
Hadewijch
(Visioenen, ed.
Mommaers, 1990) en
Dante (La divina
commedia). In de kringen van de
Moderne Devotie stond
Hendrik Mande (ca. 1360-1431) bekend als
visionaris. Volgens zijn biograaf had hij zelfs bijzonder veel visioenen, met
name over de toestand waarin overledenen verkeerden. Hij zou zelfs ‘op
bestelling’ visionair verkregen informatie hebben verschaft aan mensen
die hem vroegen waar hun overleden verwanten nu waren en hoe ze hen zouden
kunnen helpen (door missen te laten lezen, door het geven van aalmoezen enz).
Mandes tijdgenoten twijfelden wel eens aan de echtheid van de eindeloze reeks
visioenen, ook omdat sommigen zeiden dat Mande geld of goederen aanvaardde in
ruil voor de verleende diensten en als een heilige vereerd werd. Zijn biograaf
weerspreekt dit echter met nadruk.
LIT: Best; Laan; MEW; K. Rahner. Visioenen en
profetieën (1960); Moderne Devotie. Figuren en Facetten. [Catalogus
van de] Tentoonstelling ter herdenking van het sterfjaar van Geert Grote
(1384-1984) (1984), p. 192-194. [H. Struik]
| |
visserszang
Aanduiding voor die vorm van poëtische
idylle waarin het leven van eenvoudige
vissers centraal staat. Dit soort natuurpoëzie kwam op in de loop van de
17e eeuw en werd beoefend door
J. de Decker,
J.B. Wellekens,
P. Vlaming,
L. Schermer e.a. Evenals de
veldzang is de visserszang verwant aan de
pastorale literatuur (
pastorale-1 en -2,
bucolische literatuur) en de arcadische
(arcadia) poëzie.
LIT: Buddingh'; Laan; Knuvelder 2 (19797), p. 487; M.M.
Prinsen. De idylle in de 18e eeuw (1934), p. 109-112. [G.J. Vis]
| |
visuele poëzie zie
concrete poëzie
| | | |
vitalisering
Vorm van concretisering waarbij levenloze dingen of abstracta
worden voorgesteld als menselijke wezens (personificatie), als iets dierlijks (animalisatie) of iets
plantaardigs. Zo wordt in de versregel ‘O wonderlijke kracht van
dichterlijke tonen’ (I. da Costa.
Kompleete dichtwerken, ed.
Hasebroek, dl. 1, 18702, p. 14)
aan de levenloze tonen (klanken) een eigenschap (kracht) toegekend van iets uit
de wereld van flora of fauna, zodat ‘steenen hem [de dichter] volgden, om
het oor aan zijne stem te leenen’ (Id.). Deze vorm van
metaforiek (plastiek)
is het tegengestelde van de materialisatie waarin verschijnselen uit de wereld
van de levende natuur als levenloze dingen worden voorgesteld. Een goed
voorbeeld van een dergelijke vorm van ontvitalisering vindt men in de
openingsregels van het gedicht ‘De tuinman’:
De bloemen staan in 't donker bed
(M. Nijhoff. VW, dl. 1,
19822, p. 14).
LIT: Lodewick. [G.J. Vis]
| |
vitalisme
Begrip dat door
Marsman uit de filosofie werd
overgenomen. Het is een aspect van het
expressionisme, speciaal van het individueel
kosmisch expressionisme. Marsman zelf
formuleerde het zo:
De waarde van het kunstwerk zal [...] worden bepaald door de mate
waarin intens leven in intense poëzie is omgezet, maar de àard van
het leven, vóor en nà de kunstdaad, is indifferent. De
intensiteit beslist, niet het morele gehalte. (H. Marsman.
Verzameld werk, 1960, p. 595-596).
In dit verband sprak hij van het ‘graan des levens [dat]
wordt omgestookt tot de jenever der poëzie.’ (H.
Marsman. Idem). Dat nieuwe dynamische levensbesef dient zich te uiten in
‘suggestieve gespannen plastiek en rhythme’.
Ondanks Marsmans beroep op jonge medestanders voor vernieuwing van
de poëzie bleef het vitalisme voornamelijk beperkt tot het werk van
Marsman zelf. In 1933 verklaarde hij het vitalisme dood in Forum (jrg.
2, 1933, p.256-259). Zijn poëzie ging andere wegen en medestanders had hij
niet gevonden. Hij beëindigt zijn stuk dan ook met: ‘inderdaad, le
vitalisme c'était moi’.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; A. Lehning. ‘Marsman en het
expressionisme’, in: De draad van Ariadne (1966), p. 11-44; J.J.
Oversteegen. Vorm of vent (1969), p. 198-228. [G.J. van Bork]
| |
vite of vita
De middeleeuwse benaming voor een
biografie van een heilige. Viten behoren tot
de oudste in de volkstaal overgeleverde literaire teksten: Van den
levene ons Heren,
Hendrik van Veldekes Sint
Servaeslegende en
Willem van Afflighems Leven van
Sinte Lutgart. De bron van veel vitae in de volkstaal is de
Latijnse Vitae Patrum, die in het Middelnederlands werd
vertaald als het Vaderboec.
De viten waren voor een wereldlijk publiek bestemd en werden
voorgedragen op de naamdag van de heilige. Vanwege hun legendarisch karakter en
hun vormgevingsprincipes kunnen ze als
geestelijke epiek gekarakteriseerd worden.
Later in de Middeleeuwen is men ze ook gaan dramatiseren tot zgn.
heiligenspelen.
Verwant aan de viten zijn de
legenden: (voor)leesstukken in proza die een
episode uit het leven van een heilige behandelen (bijv. de bekering of de
marteldood), welke in geestelijke kring tijdens de maaltijd bij toerbeurt
werden voorgelezen. Viten en legenden tezamen duidt men aan met de term
hagiografie.
LIT: Best; Brongers; Gorp; Laan; Metzler; MEW; R.E.V. Stuip en C.
Vellekoop (red.). Andere structuren, andere heiligen (1983). [W.
Kuiper/H. Struik]
| |
vitium
Term uit de retorica voor een vergrijp tegen één of
meer van de stijldeugden, de
virtutes dicendi. Tot de vitia behoren o.a.
barbarisme en
soloecismus.
LIT: Lausberg. [W. Kuiper]
| |
vituperatio
Term uit de retorica voor een redevoering, behorend tot het
genus demonstrativum, waarbij men kritiek
levert op een persoon of onderwerp. De vituperatio kan ook onderdeel uitmaken
van een
lofrede, waarin de negatieve aspecten van
een persoon op partijdige wijze goedgepraat worden. In de literaire kritiek
komt men vaak een mengeling van
laus en vituperatio tegen.
LIT: Lausberg. [W. Kuiper]
| |
vlakdruk
Term uit de drukkerswereld voor de druktechniek waarbij geen
niveauverschil bestaat tussen drukkende, geïnkte delen en niet drukkende
delen. De drukkende elementen worden vet-aannemend gemaakt zodat ze inkt kunnen
vasthouden; de niet-afdrukkende delen worden vocht-aannemend gemaakt. De eerste
vlakdruktechniek was de
steendruk, uitgevonden eind 18e eeuw door
Alois Senefelder. Sinds de jaren '60 van
de 20e eeuw heeft het fotografisch zetten een grote vlucht genomen: ook de
offset is vlakdruk.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken
van boeken (1986), p. 75-85; F. van der Linden. De grafische
technieken (19905), p. 163-208. [P.J. Verkruijsse]
| |
vleeszijde
De binnenzijde van de dierenhuid waarvan het
perkament gemaakt is. De vleeszijde is
lichter van kleur en voelt zachter en gladder aan dan de gelige en ruwere
haarzijde. Bij bevochtiging van het
perkament, of wanneer dit zijn natuurlijke spanning nog bezit, trekt de
vleeszijde enigzins bol. Soms is zichtbaar dat de inkt bij het schrijven op de
vleeszijde minder goed pakte dan op de haarzijde.
In een middeleeuwse
codex bestaat een regelmatige afwisseling,
om en om, tussen vlees- en haarzijde, en wel zo, dat bij een
opening altijd twee gelijke zijden tegenover
elkaar staan. Deze regelmatigheid heeft men de regel van
Gregory genoemd, naar degene die dit
verschijnsel het eerst heeft opgemerkt. Voor Middelnederlandse handschriften
geldt dat de buitenzijde van een
katern een vleeszijde is.
LIT: W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter
(19564); W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en
filologie V’, in: SpL 5 (1961-1962), p. 300-307; R. Reed. The
nature and making of parchment (1975); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman.
De descriptione codicum (19813), p. 17. [H. Struik/W.
Kuiper]
| |
vliegende bladen zie
pamflet-1
| |
vlugschrift zie
pamflet-1
| | | |
voetnoot
Toelichting aan de voet van de pagina, doorgaans in een kleiner
lettertype, bij een gedeelte van de tekst op die pagina dat gewoonlijk van een
verwijzingsteken is voorzien. De meest voorkomende voetnoten bestaan uit
literatuurverwijzingen of bronnenopgaven en uit woordverklaringen bij teksten
(annotatie). In boeken worden voetnoten gewoonlijk
telkens per pagina vanaf 1 genummerd; in de tekst staan de verwijzingsnummers
dan superieur gedrukt. Bij tijdschriftartikelen worden de voetnoten vaak
doorlopend genummerd, omdat het aantal noten toch beperkt is. In plaats van
cijfers worden ook wel asterisken, kruisen en paragraaftekens gebruikt. Wanneer
een tekst van vers- of regelnummering in de marge is voorzien, worden voetnoten
doorgaans niet voorafgegaan door voetnootnummers, maar door de desbetreffende
vers- of regelnummers.
Noten geplaatst aan het eind van een hoofdstuk, boek of artikel
heten
eindnoten.
LIT: BDI; Best; Hiller; Scott; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 160-162. [P.J. Verkruijsse]
| |
voetregel
Term uit de typografie voor een regel in het
staartwit van een pagina waarin vroeger de
katernsignatuur en de
custode geplaatst werden en tegenwoordig in
plaats van een
kopregel een zogenaamde sprekende voetregel
voorkomt als running title.
LIT: K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p. 162.
[P.J. Verkruijsse]
| | | |
volksballade zie
ballade-1
| |
volksboek
Verzamelnaam voor al het eenvoudige drukwerk uit de late
Middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen (de zgn.
blauwboekjes). De term volksboek stamt
oorspronkelijk uit de Duitse romantiek en impliceert een negatief waardeoordeel
(triviaalliteratuur).
Tot voor kort hanteerde men een ruime definitie bij het begrip
volksboek: een goedkope herdruk van een, deels door haar inhoudelijke waarde,
deels door toeval al eeuwen bestaande tekst op slecht papier,
geïllustreerd met versleten
houtsneden die vaak niet (meer) bij de tekst
pasten en die alleen bestemd was voor de onderste lagen van de bevolking. Een
volksboek kan volgens deze definitie een veelheid aan genres bevatten:
sagen,
legenden, spreukenverzamelingen,
godsdienstige tractaten, populair-wetenschappelijke geschriften, historische
verhalen, schoolboekjes, bewerkingen van middeleeuwse
ridderromans, heiligenlevens (hagiografie), medische handboekjes,
almanakken etc.
Deze ruime definitie is eigenlijk alleen geldig voor de latere
eeuwen, omdat hiermee de oorsprong van de laatmiddeleeuwse teksten wordt
ontkend en men aan hun functioneren in de tijd van ontstaan (de 16e eeuw)
voorbijgaat. In deze context wordt de term
prozaroman door literatuurhistorici alleen
gebruikt om het verschil te benadrukken tussen deze teksten en de ridderroman,
de gebruikelijke benaming voor de middeleeuwse ridderverhalen in verzen.
Tegenwoordig maakt men wel duidelijk onderscheid tussen
volksboeken en prozaromans. Onder een volksboek verstaat men nu de
contemporaine consumptieliteratuur die, in tegenstelling tot de prozaroman,
niet beschouwd kan worden als ‘gesunkenes Kulturgut’: almanakken,
toverboekjes, rijmpjes enz.
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Feather; Gorp; Laan;
Metzler; MEW; Scott; Wilpert; C. Kruyskamp. Nederlandsche Volksboeken
(1942); H. Pleij. ‘Is de laat-middeleeuwse literatuur in de volkstaal
vulgair?’, in: Populaire literatuur (1974), p. 34-106; L. Debaene.
De Nederlandse Volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse
prozaromans gedrukt tussen 1475 en 1540 (19772); E.K. Grootes.
‘De bestudering van populaire literatuur uit de zeventiende eeuw’,
in: Spektator 12 (1982-1983), p. 477-493. [H. Struik]
| |
volksdrama zie
volkstoneel
| |
volkslied-1
Lied dat tot de zogenaamde lekenmuziek
behoort en dus niet primair bestemd is voor uitvoering door vaklieden. Het
deelt deze status met het psalmgezang (psalm) in
reformatorische kerken (kerklied), met menig
kinderlied en met allerlei vormen van vocale
school- en huismuziek. Het volkslied is meestal van onbekende herkomst,
doorgegeven in mondelinge traditie, muzikaal eenstemmig en functionerend in
brede sociale kring; in laatstgenoemd opzicht is het vergelijkbaar met het
volkstoneel. Het is algemeen bezit en heeft
primair een sociale functie, dit in tegenstelling tot het
cultuurlied.
Subgenres zijn het
arbeidslied (heiers-, spin- en weeflied),
marktlied,
straatlied,
soldatenlied, zeemanslied,
studentenlied, bezweringslied,
danslied en diverse vormen van het
kinderlied.
In de romantiek ging men volksliederen verzamelen en uitgeven
(J.F. Willems,
A.H. Hoffmann von Fallersleben e.a.),
gedeeltelijk vanuit dezelfde behoefte als die welke leidde tot het schrijven
van
romancen en
balladen-1 geïnspireerd op middeleeuwse
teksten. Later publiceerde
Fl. van Duyse Het oude
Nederlandsche lied (3 dln., 1903-1907; repr. 1965). De toenemende
belangstelling voor oude volksliederen in de loop van de 19e eeuw deed
organisaties als Het Nederlandsche lied en de Nationale Vereniging voor de
Volkszang als paddestoelen uit de grond schieten. Het door de Maatschappij tot
Nut van 't Algemeen uitgegeven Nederlandsch volksliederenboek ging bij
duizenden exemplaren over de toonbank. In 1906 verscheen de eerste druk van het
later beroemd geworden volksliederenboek voor het basisonderwijs Kun je nog
zingen, zing dan mee.
Na de Tweede Wereldoorlog werd het volkslied geactualiseerd door
nieuwe bewerkingen die weer leidden tot nieuwe ‘volksliederen’
(bijv.
Wannes Van de Velde). Sommige
volksliederen kwamen terecht in
opera's,
operettes,
musicals en
revues.
Men verwarre dit volkslied niet met het gelijknamige, als
cultuurlied te typeren
volkslied-2.
LIT: Abrams; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Krywalski; Laan; Metzler;
MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; D.F. Scheurleer. Nederlandsche
liedboeken (1912, suppl. 1923); J. Pollmann. Ons eigen volkslied
(1931); K. ter Laan. Folkloristisch woordenboek (1949); J. de Vuyst.
Het Nederlandse volkslied (bibl., 2 dln., 1967); H. te Velde.
‘Opkomst en neergang van het vaderlandse lied’, in:
NRC/Handelsblad, 8 april 1987. [G.J. Vis]
| |
volkslied-2
Aanduiding voor een
lied dat, als ‘vaderlands lied’,
officieel aangewezen is om symbolisch een volk te vertegenwoordigen en bij
nationale gebeurtenissen te worden gezongen. We hebben hier, anders dan bij het
volkslied-1, meestal te maken met een
cultuurlied. InNederland is dat
het Wilhelmus, in de 19e eeuw tijdelijk verdrongen door
H. Tollens' ‘Wien Neerlands
bloed’, maar vóór de eeuwwisseling weer in ere hersteld. In
België fungeert als zodanig de
‘Brabançonne’, in Vlaanderen ‘De Vlaamse
leeuw’.
LIT: Bantel; Best; Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Scott; C.G.N. de
Vooys & G. Stuiveling. Schets van de Nederlandse letterkunde
(198032), p. 41, 99 vlg., 233, 251; A. den Besten. Wilhelmus van
Nassouwe. Het gedicht en zijn dichter (1983); H. te Velde. ‘Opkomst
en neergang van het vaderlandslied’, in: NRC/Handelsblad, 8 april
1987; A. Maljaars en S.J. Lenselink. Het Wilhelmus. Een bibliografie
(1993); A. Maljaars. Het Wilhelmus: auteurschap, datering en strekking. Een
kritische toetsing en nieuwe interpretatie (1996); E. Hofman. Nieuw
licht op het Wilhelmus en zijn dichters (1996). [G.J. Vis/P.J.
Verkruijsse]
| |
volksprent
Populaire
rijmprent voor volwassenen die vanwege de
soms lage kostprijs (één of enkele centen) ook wel
centsprent genoemd werd. Een catalogus van
volks- en kinderprenten werd voor het Rijksprentenkabinet te Amsterdam
samengesteld door
C.F. van Veen onder de titel
Centsprenten. Nederlandse volks- en kinderprenten
(1976).
LIT: M. de Meijer. De volks- en kinderprent in de Nederlanden
van de 15e tot de 20e eeuw (1967). [G.J. van Bork]
| |
volkstheater zie
volkstoneel
| |
volkstoneel, volksdrama of volkstheater
Toneel dat bestemd is om gespeeld te worden voor een bredere laag
van de bevolking, speciaal voor die groepen die gewoonlijk niet naar het
theater gaan. Twee typen volkstoneel overheersen, nl. volkstoneel dat het
publiek in de eerste plaats wil amuseren en toneel dat erop gericht is om het
publiek op te voeden en rijp te maken voor het ‘betere’ toneel.
Speciaal deze laatste vorm van volkstoneel ontstond onder invloed van de
arbeidersbeweging vanaf het eind van de 19e eeuw. In Berlijn werd
bijv. in 1890 de Volksbühne opgericht die over het hele land
voorstellingen verzorgde.
In 1916 richtte
Herman Bouber met zijn vrouw en
Jac Sluyters het Volkstoneel op,
waarvoor Bouber zelf stukken schreef als Mooie Neel,
Bleke Bet, Oranje Hein en
De Jantjes. De toneelgezelschappen De Jonge Spelers en
het Nederlandsch Volkstoneel, beide onder leiding van
G.P.M. Groeneveld, streefden vooral
verheffing van het volk na. In België werd in 1920 met dat
doel Het Vlaamsche Volkstooneel gesticht door
J. de Gruyter.
Na de Tweede Wereldoorlog werd vooral het Amsterdams Volkstoneel
van Beppie Nooij bekend met stukken van Herman Bouber,
Herman Heijermans en
Johan Fabricius.
LIT: Best; Cuddon; Laan; Metzler; G.P.M. Groeneveld. Het
volkstoneel in Nederland (1947); A. van der Plaatse. Herinneringen aan
het Vlaamsche Volkstooneel (1960); J. Hein. Theater und Gesellschaft
(1973); B. Stroman. De Nederlandse toneelschrijfkunst (1973). [G.J. van
Bork]
| |
volrijm
Term uit de prosodie voor die vorm van
rijm waarbij de gelijkluidendheid tussen
rijmvrager en
rijmgever betrekking heeft op de
desbetreffende beklemtoonde klinker en de eventueel direct daaraan voorafgaande
en/of daarop volgende medeklinker(s), zoals in:
O zwijg, wie daar luidruchtig sprak,
Want gij staat voor een hart dat brak
(M. Nijhoff. VW, dl. 1,
19822, p. 66).
Behalve in een geval als dit (mannelijk
rijm) kan volrijm ook voorkomen bij
vrouwelijk rijm en bij
glijdend rijm. Het verschijnsel is niet
gebonden aan de categorie van het
eindrijm, maar kan ook elders in het vers
optreden.
LIT: Abrams; Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp;
Lodewick; Metzler; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
volta, chute, keer, val of wending
Overgang, formeel en/of inhoudelijk, in het ‘klassieke
sonnet’, tussen het
octaaf en het
sextet. In het
Shakespeareaanse sonnet ligt de volta na het
derde
kwatrijn.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Hobsbaum; Lodewick; MEW; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
voordehandse titel zie
Franse titel
| |
voordracht
De mondelinge realisatie van een (literaire) tekst in een situatie
waarin die tekst niet individueel gelezen wordt, maar met een publiek erbij ten
gehore wordt gebracht. Het ziet ernaar uit dat voordracht een ruimere betekenis
heeft dan
declamatie, omdat bij die laatste term
noties als kunstzinnigheid, toon, mimiek en gebaar een grotere rol spelen.
Declamatie wordt doorgaans verbonden met literatuur en dat hoeft voor
voordracht niet het geval te zijn omdat daaronder ook de lezing of het betoog
verstaan kan worden.
In de middeleeuwse situatie onderscheidt men voordracht van
voorlezen. Voordracht was lange tijd de belangrijkste vorm van tekstoverdracht.
Veel mensen konden weliswaar lezen, maar waren onvoldoende in staat zelfstandig
een tekst tot leven te brengen; vandaar dat men afhankelijk was van iemand die
als voordrager of voorlezer (jongleur,
minstreel,
sprookspreker) optrad. In geval van
voordracht lag de tekst absoluut niet vast: vaak kenden de toehoorders de
inhoud van de tekst al, maar kon de voordrager, ook omdat hij uit het hoofd
vertelde, bewust of onbewust variëren en improviseren. In een
voorleessituatie is die ruimte er niet: de luisteraar is nog onvoldoende in
staat de tekst zelfstandig te lezen, maar heeft wel de notie dat de tekst is
zoals die er staat.
Alle Middelnederlandse
epiek die geschreven is in
gepaard rijm was primair bedoeld om
voorgedragen of voorgelezen te worden. Deze teksten bevatten veel voordrachts-
en voorleeskenmerken in de vorm van
lombarden,
paragraaftekens en interrupties van een
‘ic’ die zich als verteller c.q. auteur van de tekst presenteert.
De verhalen rond
Karel de Grote (chanson
de geste,
Karelroman) kunnen als een typisch
voordrachtsgenre worden beschouwd. De vorm van de oudste overgeleverde
Middelnederlandse teksten, zoals Het Roelantslied en
Renout van Montalbaen (Karelroman), vertoont nog sporen
van mondelinge voordracht en wellicht ook van mondelinge overlevering: grenzen
van zinnen en bijzinnen vallen meestal samen met versgrenzen, zodat de teksten
vrij gemakkelijk uit het hoofd te leren en voor te dragen zijn, terwijl het
voor de toehoorders vrij eenvoudig is om het verhaal te volgen. Ook de stijl
sluit hierbij aan door de regelmatige herhaling van formuleringen, motieven en
verhaalpatronen. Daarnaast vallen stereotype (persoons)aanduidingen en andere
vaste formules op. Een ervaren voordrager beschikte over een heel arsenaal van
deze formules, die als hij de draad kwijtraakte tijdens de voordracht - met of
zonder handschrift als geheugensteun - een hulpmiddel konden zijn om het
verhaal in rijmende verzen voort te zetten. Doorgaans worden deze teksten
echter niet tot de
orale literatuur gerekend, omdat zij in de ons
overgeleverde vorm niet zonder schrift tot stand gekomen zijn. De meer
gecompliceerde
klassieke,
Oosterse en
Brits-Keltische roman waren primair bedoeld om
voor te lezen.
Pas met het
proza begint een luisterpubliek plaats te
maken voor een individuele lezer. Uit het feit dat de
prozaroman in de Nederlanden pas in de loop
van het eerste kwart van de 16e eeuw doorbreekt, mag men opmaken, dat
voordracht of voorlezen tot die tijd gebruikelijk bleef.
In de 18e en 19e eeuw werd bij tal van gelegenheden voorgedragen,
vooral in genootschappelijk verband, maar ook in de huiselijke sfeer, zoals het
‘avondje’ bij de familie Stastok bewijst (N.
Beets. De familie Stastok, ed.
Van Zonneveld, 1984). Er bestond dan ook
een uitgebreide literatuur over het voordragen van poëzie en proza. Men
sprak in die tijd bij voorkeur over ‘uiterlijke welsprekendheid’,
waarover bijv.
B.H. Lulofs schreef De
declamatie; of de kunst van declameren of reciteren en van mondelinge
voordracht of uiterlijke welsprekendheid in het algemeen (1848).
Daarin zijn ook afbeeldingen opgenomen over houding en gebaren bij de
voordracht. Dergelijke richtlijnen zijn nog steeds actueel, want in tal van
retorica-instituten waar welsprekendheid wordt beoefend, worden ze in moderne
vorm nog aangeleerd. In 1961 verscheen Moderne
welsprekendheid, een handboek voor mondelinge taalbeheersing van
M. Weller en
G. Stuiveling, een moderne opvolger van
Lulofs' boek.
LIT: Best; Bronzwaer; Dupriez-1; Dupriez-2; Laan; E. Faral. Les
jongleurs en France au Moyen Age (1910); J. Rychner. La chanson de
geste, essai sur l'art épique des jongleurs (1955); W.P. Gerritsen.
‘Corrections and indications for oral delivery in the Middle Dutch
Lancelot manuscript’, in: Neerlandica manuscripta, essays presented to
G.I. Lieftinck (1976), p. 39-59; M.J.M. de Haan, ‘Lezen en luisteren
in de 13e en 14e eeuw’, in: A. Demyttenaere e.a. (red.). Literatuur
en samenleving in de middeleeuwen (1976), p. 83-99; N. Voorwinden en M.J.M.
de Haan (red.). Oral poetry. Das Problem der Mündlichkeit
Mittelaltlicher epischer Dichtung (1979); R. Knorringa. Het oor wil ook
wat (1980); W. Kuiper. ‘Lombarden, paragraaf- en semiparagraaftekens
in middelnederlandse epische teksten’, in: Spektator 10 (1980-81),
p. 50-85; W. van den Berg. ‘Sociabiliteit, genootschappelijkheid en de
orale cultus’, in: M. Spies (red.). Historische letterkunde. Facetten
van vakbeoefening (1984), p. 151-170; W. van den Berg. ‘Op weg naar
welsprekendheid: Een beredeneerd overzicht van negentiende-eeuwse geschriften
rond (uiterlijke) welsprekendheid’, in: De Negentiende Eeuw16
(1992), p. 206-224. [H. Struik/G.J. van Bork]
| |
voordrachtskunst zie
declamatie
| |
voorgeschiedenis
Dat deel van de geschiedenis (fabel-2) van
een
verhaal-2 dat aan de eigenlijke
gebeurtenissen van het verhaal vooraf gaat, maar dat als informatie voor de
lezer of toeschouwer onontbeerlijk is voor het begrip van wat gaat volgen en
dat dan ook doorgaans vooraf gegeven wordt. Bij het drama wordt de
voorgeschiedenis vaak in de
expositie gegeven. Bij sommige verhaalvormen
die niet chronologisch verteld worden, maar bijv.
in medias res, kan de voorgeschiedenis ook
later worden ingevoegd.
LIT: Bal; Best; Drop; Wilpert. [G.J. van Bork]
| | | |
voorrijm
Term uit de prosodie voor een zodanige plaatsing van woorden die
door
rijm met elkaar verbonden zijn, dat de
rijmvrager en de
rijmgever aan het begin staan van elkaar
opvolgende regels, zoals in:
Kansen had hij niet. (anoniem)
Een logen bleek U 't lied van Mei,
Een droom - de beê der Poëzij.
(P.A. de Genestet. CG, ed.
Oort, 19122, p. 187).
LIT: Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Gorp; Lodewick; Preminger;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
voorspel
Toneelstuk(je) dat de inleiding vormt op een groter drama, maar
daarvan losser staat dan een
proloog of
expositie; het voorspel is van deze drie de
meest zelfstandige vorm. In sommige gevallen is het voorspel bedoeld om de
thematiek, de omstandigheden, het milieu of de sfeer te introduceren van het
drama waaraan het vooraf gaat. De omvang van een voorspel kan sterk
verschillen, maar meestal omvat het niet meer dan een enkele
scène. Soms kan het echter uitdijen
tot een bijna zelfstandig drama: vgl.
F. Schillers Wallensteins
Lager als voorspel bij Die Piccolomini en
Wallensteins Tod (1798-1799).
Hoofts ‘Voor-reden’ bij zijn
Warenar (1617) kan beschouwd worden als een voorspel
waarin Miltheydt en Giericheydt de thematiek van het blijspel introduceren,
terwijl ze in het blijspel zelf vervolgens niet meer voorkomen.
LIT: Best; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
voortitel zie
Franse titel
| |
vooruitwijzing zie
anticipatie-1 en prospectief aspect
| |
voorwerk
Term uit de drukkerswereld voor die onderdelen van een boek die
zich bevinden voor de hoofdtekst, zoals
Franse titel,
titelblad,
voorwoord,
opdracht, inhoudsopgave en inleiding. Het
voorwerk kenmerkt zich vaak door een afzonderlijke paginering (dikwijls in
Romeinse cijfers) en/of een aparte reeks
katernsignaturen, waarna de hoofdtekst
begint met pagina 1 en/of met katernsignatuur A. Tegenwoordig is het steeds
meer de gewoonte om de paginering te beginnen vanaf het eerste
blad-2, hetgeen ook zonder bezwaar kan omdat
men pas gaat zetten of drukken als de
kopij compleet is aangeleverd.
In de periode van de handpers kwam juist het voorwerk het laatst
tot stand; men begon te zetten en te drukken aan de hoofdtekst, waarvan het
eerste blad dan de katernsignatuur A kreeg en de paginanummers 1 en 2. Als
signatuur voor het voorwerk reserveerde men gewoonlijk de asterisk (*), die
voor eventueel volgende
katernen verdubbeld en verveelvoudigd werd.
Omdat men niet van te voren wist hoeveel tekst het voorwerk zou beslaan, komt
men daarin ook vaak halve katernen of enkele bladen tegen, evenals in het
nawerk. Wanneer het voorwerk in een boek uit
de handpersperiode meteen met signatuur A begint, heeft men in veel gevallen te
doen met een
herdruk, waarvan de omvang van het voorwerk
tevoren immers bekend is.
Een voorbeeld van een boek met uitgebreid voorwerk is deel 1 van
Nederlands displegtigheden (1732) van
C. van Alkemade en
P. van der Schelling, waarvan de
opbouwformule als volgt is: *8
(*)2 **8 ***8 ****8
*****8 ******2 (A)-(C)8 A-Mm8
Nn2(-Nn2). Niet-gesigneerde katernen of bladen in het
voorwerk worden in de formule aangegeven met de Griekse letter π.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Hiller; MEW; Scott; Ph.
Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p.
330-331; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in
Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 71-72; K.F. Treebus.
Tekstwijzer (19832), p. 155. [P.J. Verkruijsse]
| |
voorwoord of voorrede
Het voorwoord in een boek is dat gedeelte van het
voorwerk waarin de auteur, editeur of
redacteur - soms ook de drukker-uitgever - in het kort de aanleiding tot en de
doelstelling van de publicatie aangeeft en dank uitspreekt aan diegenen die
behulpzaam zijn geweest bij de totstandkoming van het werk (bijv. in een
proefschrift de promotor).
Voorwoorden komen voor in zowel
primaire als
secundaire literatuur. In
literair-historisch opzicht interessant zijn de programmatische voorredes,
bijv. de ‘Voorrede’ van
Jacob Geel bij zijn bundel
Onderzoek en phantasie (1838, ed.
De Vooys, z.j.).
De functie van het voorwoord wordt vaak ook ingenomen door de
inleiding, waarin dieper ingegaan wordt op het doel van het werk, of door een
zogenaamde ‘verantwoording’. Bij toneelteksten spreekt men van
proloog.
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; Scott. [W. Kuiper]
| |
vore
De scheiding tussen de twee stollen (stol)
in de
kop van een 13e-eeuws hoofs
minnelied-1. De scheiding tusen kop en
staart noemt men
snede. De vore maakt deel uit van het
tripartition. Een Middelnederlands voorbeeld
is te vinden in de Strofische gedichtenvan
Hadewijch (zie voor een voorbeeld onder
tripartition).
LIT: N. de Paepe. Grondige studie van een Middelnederlandse
auteur. Hadewijch. Strofische gedichten, 2 dln. (19722), deel
Studie, p. 39-43. [W. Kuiper]
| | | |
vorm
Algemene aanduiding voor het ‘hoe’ van een tekst,
meestal ter onderscheiding van het ‘wat’ (de
stof). Vormverschijnselen (eigenschappen
zowel als relaties) kunnen liggen op het visuele vlak (bijv. typografie), op
het niveau van de
klank, maar ook op dat van de syntaxis
(bijv.
inversie). In meer algemene zin behoort
datgene tot de vorm wat valt onder de
stijl als variatie, d.i. als een geheel van
transformaties. Als voorbeeld van dit laatste zou men kunnen wijzen op de
plot als vorm van de story (fabel-2; vgl.
structuur). Sinds de romantiek, en vooral
sinds het symbolisme, wint de opvatting veld - ook in contemporaine stromingen
in de
literatuurwetenschap - dat men alleen via de
vorm de inhoud (essentie, boodschap, werking) van een tekst kan benaderen en
beleven. Dan is de vorm veelal synoniem met ‘tekst’ of
‘literair kunstwerk’. Sommigen maken onderscheid tussen uiterlijke
vorm en innerlijke vorm. Het laatstgenoemde begrip is nauw verwant aan het uit
de romantiek stammende idee van ‘conceptie’ als eerste fase in het
scheppingsproces (vgl.
genie).
In de literaire kritiek en de auteurspoëtica speelde de term
vaak een belangrijke rol. Zo benadrukten sommige Tachtigers (vooral
Kloos) de eenheid van vorm en inhoud. In
de tijd van Forum ging het om de vraag
‘vorm of vent’ (formulering van
J.C. Bloem), d.w.z. om de prioriteit van
‘vorm of inhoud’. Aan de ene kant stond
Binnendijk. Hij stelde dat het in kunst
gaat om de ‘vormkracht’ als uiting van het moderne kunstbewustzijn.
Daar tegenover poneerde
Ter Braak dat het hem primair te doen is
om de persoonlijkheid als ‘ware inhoud’. Vestdijk probeerde beide
tendensen in een synthese te brengen. Voor hem zijn vorm en inhoud geen
begrippen die buiten de beschouwer of de kunstgenieter als objectief gegeven
bestaan, maar beschouwingswijzen van hetzelfde object, afhankelijk van het
oordelende subject. Wat onder het ene perspectief vorm genoemd kan worden, is
vanuit een andere optiek als inhoud op te vatten. Zo is volgens
Vestdijk de beeldspraak vorm ten
opzichte van de gedachte die wordt uitgedrukt, maar inhoud ten opzichte van de
woorden die voor de formulering ervan gebezigd worden.
Het is duidelijk dat de terminologie terzake niet vast ligt en dat
de betekenis van het begrip in sterke mate afhankelijk is van de context waarin
het wordt gehanteerd.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Krywalski;
Metzler; MEW; Preminger; Prince; Shipley; Wilpert; J.J. Oversteegen. Vorm of
vent (1970). [G.J. Vis]
| |
vorm of vent
Formulering waarin de dichter
J.C. Bloem in 1931 de tegengestelde
uitgangspunten heeft vastgelegd van twee literatuur-(overwegend
poëzie-)opvattingen, die in de jaren '30 met elkaar in botsing kwamen.
De discussie over vorm of vent ontstond naar aanleiding van het
verschijnen van de door
D.A.M. Binnendijk samengestelde
bloemlezing Prisma (1930). Deze bloemlezing was zelf weer een reactie op
de reeds in 1924 verschenen bloemlezing Nieuwe geluiden
van
Dirk Coster. Deze laatste hanteerde in
zijn bloemlezing het uitgangspunt van de menselijkheid, een humanitair
criterium waarop Coster zijn gedichten koos. Binnendijk reageerde daarop in
zijn bloemlezing met het criterium van de ‘creatieve vorm’, het
kunstwerk als autonoom taalorganisme. Deze stellingname van Binnendijk leidde
tot een polemiek tussen de medewerkers van De Vrije Bladen (waarvan
Binnendijk op dat moment redacteur was) die uiteindelijk uitliep op de
oprichting van het tijdschrift Forum in 1932. De belangrijkste
woordvoerders waren
Menno ter Braak en
E. du Perron die het criterium van de
creatieve vorm afwezen, omdat dit naar hun mening zou leiden tot weliswaar qua
vorm mogelijk geslaagde verzen, maar tevens tot verzen waarin de
persoonlijkheid van de dichter afwezig zou zijn en die daarom geen
originaliteit zouden bezitten, met epigonisme als gevolg. Voor Ter Braak is
poëzie in de eerste plaats de ontmoeting met een persoonlijkheid:
‘De handdruk van de dichter, de oogopslag van het gedicht: zij beslissen
over de waarde van wat wij poëzie noemen’. Ter Braaks opvatting
leidde tot een scheiding der geesten die in Forum zijn beslag kreeg met
het programmatische uitgangspunt ‘dat de persoonlijkheid het eerste en
laatste criterium is bij de beoordeling van de kunstenaar’.
Hoewel
Vestdijk steeds gezien is als een
typische Forumiaan en dus aan de ventkant zou staan, blijkt hij in de praktijk
een middenpositie in te nemen. Voor hem geldt dat de uiterste verwerkelijking
van de persoonlijkheid te vinden is in de volledige uitbuiting van het talent.
Daaruit blijkt dat hij de talentvol gevonden vorm allerminst verwerpelijk acht.
In feite heeft Vestdijk de tegenstelling vorm-inhoud (vent) opgeheven door
duidelijk te maken dat deze tegengestelde begrippen een juiste probleemstelling
onmogelijk maken. Vorm en inhoud zijn in zijn optiek geen werkelijkheden, maar
eerder beschouwingswijzen. Ieder element van het taalkunstwerk kan zowel gezien
worden vanuit de gezichtshoek ‘vorm’ als vanuit de optiek van de
‘inhoud’.
LIT: L. Mosheuvel. ‘Inleiding’, in: W. Mooijman.
Forum, brieven, citaten, dokumenten en knipsels (1969), p.5-26; J.J.
Oversteegen. Vorm of vent (1969); P.F. Schmitz. Kritiek en
criteria (1979). [G.J. van Bork]
| |
vormgevingsprincipes
Opvattingen van één of meer auteurs (poëtica-3) voor zover deze zijn af te leiden uit
stijl en bouw van het werk (tekstintern
impliciet) of uit uitspraken van de auteur(s) daarover (tekstextern expliciet).
Deze opvattingen kunnen uiteraard betrekking hebben op de
vorm, maar ook op de
inhoud. Zo blijkt bij analyse van de
poëzie van
Nijhoff dat de metoniem (metonymia) daar een belangrijk vormgevingsprincipe van is
(versintern impliciet). Voor vormgevingsprincipes van meer dan een auteur kan
men bij voorbeeld wijzen op het
impressionisme als stijltechniek van sommige
vertegenwoordigers van het
symbolisme.
Het zijn vooral de voorstanders van de
ergocentrische benaderingswijze die in hun
aanpak gericht zijn op het vinden van vormgevingsprincipes van een tekst, een
oeuvre of stroming.
LIT: Shipley; W. Hellinga & H. van der Merwe Scholtz.
Kreatiewe analise van taalgebruik (1955); G.J. Vis. Tussen vloek en
zegen (1987), p. 10-21. [G.J. Vis]
| |
vormingstoneel
Didactische en geëngageerde toneelvorm, ontstaan aan het eind
van de jaren '60 uit verzet tegen het repertoiretoneel, met als doel het
publiek politiek en sociaal bewust te maken. De stukken hebben meestal een
actueel sociaal gegeven als uitgangspunt waarop door de acteurs kan worden
geïmproviseerd. Het publiek wordt vaak in een voorbespreking of in de
inleiding op het stuk zelf uitgenodigd commentaar te leveren en er wordt
gelegenheid gegeven tot discussie achteraf. Op grond van deze publieksinbreng
kan het stuk worden bijgesteld. Soms wordt de uiteindelijk ontstane tekst ook
uitgegeven.
Bekende toneelgroepen van het vormingstheater zijn Proloog, Sater
en Werktheater.
LIT: MEW; T. Schouten (red.). Vormingstheater (1979). [G.J.
van Bork]
| |
vorstenspiegel
Ethische en pedagogische tekst waarin de normen en waarden waaraan
een goed vorst zich dient te houden, opgesomd worden. De vorstenspiegel is een
representant van de
standenleer (spiegel), een tekst die leefregels en voorschriften voor
ideaal gedrag bevat.
De middeleeuwse vorstenspiegel is gebaseerd op antieke
voorbeelden: de rond 1266 door
Jacob van Maerlant aan de jonge graaf
Floris V opgedragen Heimelijkheid der heimelijkheden (ed.
Verdenius, 1917) is een
vertaling van de Secreta
secretorum, een tekst waarvan men veronderstelde dat deze door
Aristoteles was geschreven voor
Alexander de Grote.
In de 16e eeuw, toen de macht van het gecentraliseerde gezag
toenam, werd ook de behoefte aan morele gedragsregels voor vorsten groter
(bijv.
Erasmus' Institutio principis
christiani (1516) voor de toen zestien jaar oude Karel V). De
dichter, die door studie inzicht verworven heeft in de door God geordende
wereld, is de aangewezen persoon om de vorst te wijzen op zijn ethische en
morele taak. Een uitzondering op deze regel is Il
Principevan
Machiavelli (1469-1527), waarin voor de
vorst het te verwezenlijken doel alle middelen heiligt. Latere vorstenspiegels
zetten zich dan ook vaak af tegen dit werk, dat overigens erg toegespitst is op
de in die tijd zeer chaotische situatie in Italië.
De vorstenspiegel is ook bij niet-vorstelijke lezers populair
geweest. Dit komt door de algemene geldigheid van de inhoud: alleen een goed
mens kan een goed vorst zijn. Er verschenen dan ook soortgelijke werken voor
bestuurders op lager niveau, zoals het door
Mattheus Smallegange vertaalde werk van
Bouchin: De volmaekte
magistraet, of een afbeeltsel der hoedanigheden van een goeden Rechter en
volmaekte Magistraet (1659), opgedragen aan de stadsbestuurders van
Goes.
Een aantal vorstenspiegels maakt gebruik van de voor dit genre bij
uitstek geschikte emblematiek, zoals de Emblemata
politica (1635) van
Boxhorn, de van oorsprong Spaanse
Idea de un Principe politico-cristiano (1640) van
Diego Saavedra Fajardo voor Filips II, die
een enorm succes hadden, getuige vertalingen in het Italiaans, Latijn, Duits,
Frans, Engels en Nederlands (door Mattheus Smallegange: Christelyke
Staets-vorst, in hondert sin-spreuken afgebeeld (1662)) en de
LVII Morale sinne-beelden (1641) van
J. Barbonius, opgedragen aan
Frederik Hendrik.
Als een laat voorbeeld van een vorstenspiegel zou men
Multatuli's
Vorstenschool (1872) kunnen beschouwen en ook
Couperus' koningsromans
Majesteit (1893) en Wereldvrede
(1895).
LIT: Best; Gorp; Laan; Metzler; MEW; E.K. Grootes. ‘Goede
raad voor Frederik Hendrik; een emblematische vorstenspiegel uit 1641’,
in: Literatuur 3 (1986), p. 144-151; J. Jansen. Brevitas (1995),
p. 336-338. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
vraisemblance zie
waarschijnlijkheid
| |
vrouwelijk regeleinde of slepend regeleinde
Extra, onbeklemtoonde syllabe (daling) aan
het eind van een regel waardoor deze regel iets langer is dan de voorafgaande
regels van het gedicht. Het verschijnsel komt nogal eens voor in teksten die
het principe van het
blank vers toepassen. Als voorbeeld kan het
slot van de volgende claus van Prospero uit De storm (1e
bedrijf, 2e toneel) van
Shakespearegelden:
Gij liegt, boosaardig ding! is Sycorax
U weer ontgaan, de booze heks, door nijd
En ouderdom gebogen tot een hoepel?
(Werken, vert.-
Burgersdijk, dl. 11, 1888, p.
325).
Doordat de derde regel elf syllaben telt (tegenover de tien van de
twee voorafgaande regels) werkt de extra onbeklemtoonde syllabe als afsluiting
van het drietal, waardoor het als claus herkenbaar is. Vrouwelijk regeleinde
komt uiteraard alleen voor bij jambische of anapestische metrische schema's.
Het vrouwelijk regeleinde staat tegenover het staand of mannelijk regeleinde,
een versregel die met een beklemtoonde lettergreep eindigt, zoals bij de
trochee het geval is.
LIT: Best; Bronzwaer; Cuddon; Morier; Preminger; Scott; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
vrouwelijk rijm of slepend rijm
Term uit de prosodie waarmee die vorm van
rijm wordt aangeduid waarbij
rijmvrager en
rijmgever een tweesyllabige rijmklank hebben
waarvan de eerste syllabe beklemtoond is, zoals in:
Nu loop ik langs de wegen
Het hart met stille pijn doorregen
(P. van Ostaijen. VW
Poëzie, dl. 1, 1979, p. 78).
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; Morier; Scott. [G.J. Vis]
| |
vrouwelijke cesuur
Term uit de prosodie voor een
cesuur die - anders dan de
mannelijke cesuur - valt na de tweede
syllabe van de
dactylus.
J. Kinker schrijft:
Akelig // huilen de // hond en, de // grond [...].
(Gedichten, dl. 3, 1821, p. 85).
En bij
E.J. Potgieter vindt men:
Haalde ik de // klink op: je // zat bij de // schouw
(Verspreide en nagelaten Poëzy, dl. 2,
18963, p. 48).
Sommigen breiden de term uit tot elke cesuur die valt na een
onbeklemtoonde syllabe in een metrisch (metrum)
vers.
LIT: Cuddon; Gorp; Morier; Preminger; Scott; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
vrij metrum
Term uit de prosodie die eigenlijk een contradictie bevat. Immers,
kenmerkend voor
metrum is een vast schema en dus
geen vrijheid. Men zou echter een verschijnsel als
antimetrie, als vrije toepassing van een
bepaald metrisch patroon, vrij metrum kunnen noemen. De term is waarschijnlijk
ontstaan naar aanleiding van
vrij ritme.
LIT: Cuddon. [G.J. Vis]
| |
vrij ritme
Term uit de prosodie voor die vorm van
ritme waarbij de golvende beweging een
niet-georganiseerd karakter heeft. Dit in tegenstelling tot het ritme met een
metrisch (metrum) patroon. Menig
vrij vers-1 en -2 heeft een vrij ritme. Het
fenomeen komt ook voor in ritmisch proza (bijv. het
prozagedicht).
LIT: Bantel; Best; Metzler; Preminger. [G.J. Vis]
| |
vrij vers-1 of vers libre
Term uit de prosodie voor een rijmend (rijm)
vers-1 met een metrisch (metrum) patroon dat in lengte verschilt van de omringende
regels. Vaak wordt de context gekenmerkt door
polymetrie, zoals in de volgende regels:
Er staat / in mijn hart / een boompje / gegroeid,/
De wortels / zijn bloe/dig rood,/
Maar de bloe/sems zijn, / als het boom/pje bloeit,/
Sneeuwwit / langs de ten/gere loot./
(M. Nijhoff. VW, dl.1,
19822, p. 98).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Hobsbaum; Metzler; MEW; Morier;
Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
vrij vers-2 of poësie parlante
Term uit de prosodie voor een versregel met
eindrijm die niet
isosyllabisch is en geen
metrum heeft. Als voorbeeld het volgende
stukje
parlandopoëzie:
Nu is ook, als 'n laatste Mohikaan,
M'n laatste vriend verder gegaan.
Zo stierf die schone, schitterende schaar, -
Over de stad glimden d'elektrieke globen klaar,
Spijts mist rondom de klaarte hing,
Toen m'n vriend henen ging. -
(P. van Ostaijen. VW Poëzie dl. 1, 1979, p. 41).
LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Hobsbaum; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
vrije indirecte rede zie
style indirect libre
| |
vrije kunsten zie
artes liberales
| |
Vijftigers, Beweging van Vijftig of
experimentelen
Aantal Nederlandse en Vlaamse auteurs die zich vanaf 1950
gedurende een korte periode als groep manifesteerden, onder meer in
tijdschriften als Braak, Blurb en Podium. Tot deze groep
behoorden de dichters die in de bloemlezing Atonaal
(1951) voorkomen:
Hans Andreus,
Remco Campert,
Hugo Claus,
Jan G. Elburg,
Jan Hanlo,
Gerrit Kouwenaar,
Hans Lodeizen,
Lucebert,
Paul Rodenko,
Koos Schuur en
Simon Vinkenoog. In het
schrijversprentenboek De Beweging van Vijftig (1965)
worden daar nog aan toegevoegd
Rudy Kousbroek, Sybren Polet en
Bert Schierbeek, terwijl
Koos Schuur hierin ontbreekt.
Behalve in de genoemde tijdschriften is het groepsoptreden vooral
tot uiting gekomen in een aantal gebeurtenissen: het optreden van
Lucebert als ‘Keizer der
Vijftigers’ in het Stedelijk Museum in Amsterdam (1953) en
het verschijnen van bloemlezingen als Atonaal (1951), Nieuwe
griffels schone leien (1954) en Vijf 5tigers
(1955).
Omdat de Vijftigers in hun poëzie kiezen voor het experiment
worden ze ook wel de experimentelen genoemd. Hun poëzie sluit aan bij de
experimenten van het
modernisme van voor de Tweede Wereldoorlog,
met name bij het
dadaïsme en het
surrealisme. Ze keren zich tegen het
estheticisme van o.a. de Tachtigers en tegen
het intellectualisme van Forum.
Vijftig is vooral een poëziebeweging die streefde naar wat ze
zelf ‘proefondervindelijke poëzie’ genoemd heeft, d.w.z.
poëzie die rechtstreeks uitgaat van de ervaringswerkelijkheid en deze
vertaalt in een directe en anti-traditionele vorm. Esthetische principes mogen
geen belemmering zijn voor de vrije creativiteit van de dichter. Daarbij wordt
veelvuldig gebruik gemaakt van taalexperimenten, een spel met de betekenis, de
klank, de typografie, de spelling en de interpunctie. Het toeval kan in hun
poëzie een rol spelen, bijvoorbeeld in de associatieve (associatie) verbanden die vergelijkbaar zijn met de
improvisatietechniek van jazzmusici. Jazz was trouwens een geliefd thema bij de
Vijftigers. Maar naast deze associatieve aspecten zijn er ook bewuste en zeer
doordachte taalexperimenten waarbij getracht wordt werkelijkheid en
taalmateriaal zo dicht mogelijk op elkaar te betrekken.
De Vijftigers kenden een grote affiniteit met het werk van de
beeldende kunstenaars van de Cobra-beweging. De schilder-dichter Lucebert
maakte deel uit van deze groep, maar er waren ook tal van contacten tussen
dichters en schilders. Niet alleen deelden ze vaak dezelfde maatschappelijke
opvattingen, maar ook de nadruk van Cobra op het spontane en primitieve, zoals
dat bijv. bij kinderen nog onaangetast is, hadden ze met elkaar gemeen.
De taalexperimenten maken de poëzie van de Vijftigers vaak
moeilijk toegankelijk, maar de tekstgerichte benadering ervan, o.m. in het
tijdschrift Merlyn, heeft ertoe bijgedragen dat de erkenning van deze
poëzie niet lang op zich heeft laten wachten. Toen die erkenning een feit
was, viel de beweging als groep vrij snel uiteen.
In Vlaanderen vond een soortgelijke ontwikkeling
plaats in dezelfde tijd. Daar waren het o.m. de auteurs
Louis Paul Boon,
Jan Walravens,
Hugo Claus,
Remy C. van de Kerckhove,
Tone Brulin en
Ben Cami die zich groepeerden rond het
tijdschrift Tijd en Mensdat in 1952 een tijdelijke fusie aanging met het
Vijftigertijdschrift Podium.
LIT: Gorp; MEW; Ad den Besten. Stroomgebied (1954); P.P.J.
van Caspel. Experimenten op experimentelen (1955); De Beweging van
Vijftig, Schrijversprentenboek, dl. 10 (1965); P. Rodenko. ‘De
experimentele explosie in Nederland’, in: De Gids 140 (1977), p.
468-477, 568-579, 721-740; 141 (1978), p. 37-48; R.L.K. Fokkema. Het komplot
der Vijftigers (1979); C.W. van de Watering. Met de ogen dicht
(1979); G. de Vriend. ‘De poëzie van Vijftig’, in: G.J. van
Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis (1987),
p.253-262. [G.J. van Bork]
|
|
|