|
|
|
| | | |
raadsel of enigma
Met opzet duister geformuleerde vraagstelling, meestal bestaande
uit de omschrijving (eventueel in de vorm van een vertelling) van een begrip,
een voorwerp of een gebeurtenis, zodanig dat de luisteraar of lezer uit het
meegedeelde het bedoelde zal kunnen opmaken.
De aankomst van een gast was bij de Germanen aanleiding tot het
verzinnen en opgeven van raadsels; de gastheer zou zo de naam, de status en
andere gegevens van zijn gast willen ontdekken, maar het is onbeleefd om dat
rechtstreeks te vragen, dus probeerde hij zijn doel te bereiken door een reeks
van raadsels en strikvragen op te geven. Van zijn kant probeerde de gast de
gastheer in slimheid te overtreffen en de vragen te ontduiken of zo goed
mogelijk te beantwoorden.
In de Oudnoorse Edda komen raadselwedstrijden voor tussen
de reus Wafthrudnir en Odin en tussen de dwerg Alwis en Thor (Edda:
goden en heldenliederen uit de Germaanse oudheid. Vert.-
De Vries, 19888, p. 56-63,
73-77).
Raadsels behoren tot de oudste vormen van de poëzie: bij de
Grieken was het enigma of griphos buitengewoon populair en had het een nauwe
relatie met de gnomische poëzie en de orakelspreuk. Raadsels werden dan
ook meestal opgeschreven in hexameters. Veel Nederlandse raadsels zijn eveneens
in versvorm overgeleverd (raadselvers). Een aantal ervan
is te vinden, overigens zonder oplossingen, in
J. van Vlotens Nederlandsche
baker- en kinderrijmen (18944, p. 163-169).
Tegenwoordig is het mythische karakter van het raadsel geheel
verdwenen; wat rest aan het moderne raadsel is de recreatieve functie: hoewel
het verstand wordt gescherpt, is de amusementswaarde primair.
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Gorp; Metzler; MEW; Scott; Wilpert;
A. Aarne. Vergleichende Rätselforschungen, 3 dln. (1918-1920); A.
Taylor. A bibliography of riddles (1939); A. Taylor. The literary
riddle before 1600 (1948); D.E. van der Poel. ‘De minneraadsels uit
Een niev Clucht Boecxken (ca. 1600) en enkele verwante teksten’, in:
NTg 84 (1991), p. 431-477. [H. Struik]
| |
raadselvers
Op een
raadsel gebaseerd gedichtje dat tot doel
heeft om op recreatieve wijze het verstand te scherpen, zoals het volgende
voorbeeld uit de 15e eeuw:
Mijn vader wan
1 mi hier te voren
Eer hi ghewonnen
2 was of gheboren.
So dede mijn moeder, sijt seker das:
Drouch mi eer soe gedreghen was
3
Die mier ouder moeder maeghdom nam
4.
Oec ben ic die niet en verdrouch
5
Die tvierendeel van der werelt verslouch.
Nu vraghic elken, die dit aensiet,
Of hi minen name mach weten yet.
(Belgisch museum, 5, 1841, p. 100).
(Het antwoord is: Caïn. Zijn vader en moeder (Adam en Eva)
zijn niet verwekt en geboren. Caïn was de eerste die als landbouwer de
aarde ontgon (de grootmoeder) en hij vermoordde zijn broer Abel,
één van de vier mensen die toen op aarde leefden).
Een bijzondere, middeleeuwse vorm van het raadselvers is de
minnevraag. Discussiëren over minnevragen was een vorm van hoofs vermaak
(hoofse liefde). Een samenhangende verzameling van deze
vragen werd wel bijeengebracht in een
koningsspel; een vraag- en antwoordspel
waarin jonge mensen van verschillende sekse elkaar persoonlijke en soms pikante
vragen over de liefde stellen die naar waarheid beantwoord moeten worden.
Behalve het spelelement, hebben deze minnevragen ook een didactisch element in
zich: de hoofse beginselen zijn in een vraag- en antwoordvorm gegoten met
belering als doel.
Een dichter van raadselverzen uit de renaissance is
Johan de Brune de Oude, die in de
Zeeusche nachtegael (1623) een aantal ‘Corte,
scherp-sinnighe beschrijvinghen, die voor gheraedsels connen ghebruyckt
werden’ (p. 48-53) heeft opgenomen.
In de Nederlandsche baker- en kinderrijmen
(18944, p. 163-169), uitgegeven door
J. van Vloten, wordt een aantal
raadselverzen uit de jeugdliteratuur opgenomen, zoals:
Vijf harten, vijf starten,
De antwoorden bij deze raadselverzen ontbreken echter.
LIT: Buddingh'; MEW; G. Kalff. Het lied in de Middeleeuwen
(1883), p. 480-484; D.E. van der Poel. ‘Minnevragen in de
Middelnederlandse letterkunde’, in: F. Willaert e.a. (red.). Een zoet
akkoord. Middeleeuwse lyriek in de lage landen (1992), p. 207-218. [H.
Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
raamvertelling zie
kadervertelling
| | | |
randversiering
Begrip uit de codicologie voor met pen en inkt of penseel en
dekverf aangebrachte versieringen (boekverluchting) in
de
marges van middeleeuwse handschriften en
incunabelen. Beide soorten zijn ontstaan in
de 13e eeuw in Frankrijk.
Randversiering is nooit een losstaand verschijnsel, maar treedt in
principe slechts op in combinatie met een
initiaal-1 of
miniatuur. Bij bestudering moeten rand en
initiaal dan ook als een eenheid worden beschouwd.
De geschilderde verluchting, die gemaakt werd met kostbaardere
materialen, vormt ten opzichte van de met pen aangebrachte (penwerk) het hogere niveau. Ze is bestemd voor openingsbladen
en belangrijke onderdelen, terwijl kleinere teksteenheden een penwerkdecoratie
krijgen. Er zijn echter ook kostbare handschriften waarin de hele decoratie
geschilderd is, zoals er ook zijn met alleen penwerkversiering. In alle
gevallen echter wordt de hiërarchie binnen de tekst aangegeven door het
verschil in grootte van de initialen en de omvang van de daarbij horende
margedecoratie.
Penwerk heeft een uitzonderlijke bloei gekend in de noordelijke
Nederlanden en was tot in de 16e eeuw een goedkoop middel om geleding en
versiering in de tekst aan te brengen.
Zowel het penwerk als de geschilderde randversiering verschilt
sterk per periode en per plaats van ontstaan, zodat het een goed hulpmiddel is
bij het dateren en lokaliseren van handschriften. Bij incunabelen echter valt
de plaats waar het boek gedrukt werd vaak niet te rijmen met de stijl van de
versiering.
LIT: J.M.M. Hermans (red.). Middeleeuwse handschriftenkunde in
de Nederlanden 1988. Verslag van de Groningse Codicologendagen 28-29 april
1988 (1988), p. 13-122; S. Scott-Fleming. Pen flourishing in
thirteenth-century manuscripts (1989); J.P. Gumbert. The Dutch and their
books in the manuscript age (1990); A.S. Korteweg (red.). Kriezels,
aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften
uit de vijftiende eeuw (1992). [H. Struik]
| |
rapiarium
Verzameling vluchtig en puntsgewijs, door de schrijver voor eigen
gebruik op schrift gezette aantekeningen (uit het Latijn ‘rapere’ =
snel grijpen, snel opnemen), kenmerkend voor de spiritualiteit van de
Moderne Devotie.
Naast het schrijven, als broodwinning of ter uitbreiding van de
kloosterbibliotheek, hielden de leden van de Moderne Devotie zich ook bezig met
meditatie. Behalve uit bidden, bestond deze meditatie uit het bestuderen en
overdenken van geestelijke teksten. Men las tot een punt dat bijzonder veel
indruk maakte en overdacht dat tot men hierover het volledige inzicht had
verkregen. De punten die bij deze meditatie een belangrijke rol speelden,
werden opgeschreven. Kenmerkend voor een rapiarium zijn dan ook de brokkelige,
puntsgewijs opgestelde teksten, de indeling in korte hoofdstukken, de
opeenvolging van verwante thema's en een eerder associatieve dan redenerende
gedachtegang.
Een rapiarium kon bestaan uit een schriftje, maar ook uit losse
snippers papier of perkament of uit leitjes of
wastafeltjes. Meestal werd het rapiarium van
een broeder na zijn dood vernietigd, een enkele maal werd het geordend en
gepubliceerd, zoals het hoofdwerk van de mysticus
Gerlach Pieters ( 1411).
Thomas a Kempis ( 1471) heeft zelf zijn
rapiaria omgewerkt tot de Imitatio Christi.
LIT: Moderne Devotie. Figuren en Facetten. [Catalogus van de]
Tentoonstelling ter herdenking van het sterfjaar van Geert Grote
(1384-1984) (1984), p. 153-157; D. Hogenelst & F. van Oostrom.
Handgeschreven wereld (1995), p. 165-168. [H. Struik]
| |
rariorum
Term uit het veilingwezen voor een zeldzaam voorwerp. In (de
veelal Engelstalige) auctie- en antiquariaatscatalogi worden boeken al snel als
rariora (‘rare’) aangemerkt als ze niet in de geraadpleegde, maar
vaak verouderde bibliografische standaardwerken voorkomen, of als ze daarin
reeds als zelden voorkomend beschreven worden. Een dergelijke
verkoopbevorderende aanduiding blijkt vaak onterecht als de recent beschikbare
bibliotheekcatalogi geraadpleegd worden. Overigens hoeft de relatief frequente
aanwezigheid van ‘rariora’ in openbaar bezit niet in tegenspraak te
zijn met de zeldzaamheid van het aanbod van hetzelfde werk op veilingen.
LIT: Brongers; P.J. Buijnsters. Het verzamelen van boeken. Een
handleiding (19922), p. 10-12. [P.J. Verkruijsse]
| |
rasuur
Correctiewijze om op
perkament een schrijffout te herstellen: de
foute letters werden met een schrijfmes weggekrabd (uitraderen) en de correctie
kon in de aldus ontstane ruimte ‘op rasuur’ aangebracht worden, als
de tekst tenminste niet groter was dan de verwijderde fout. In tegenstelling
tot een
palimpsest, waarbij de inkt meestal van een
heel blad werd afgewassen, is bij een rasuur de oorspronkelijke tekst meestal
vernietigd. Door verschillende
redacties-2 van dezelfde tekst te
vergelijken, kan echter een oudere lezing achterhaald worden op de plaats waar
de correctie of wijziging op rasuur is aangebracht. Een beroemd voorbeeld
hiervan is de eerste versregel van Van den vos Reynaerde
(ed.
Lulofs, 19852) in het Comburgse
handschrift: Willem die vele bouke maecte. ‘Vele bouke’ staat
(dicht opeengeschreven) op rasuur. Net als in andere overgeleverde
Reynaert-redacties stond hier oorspronkelijk ‘Madocke’, maar
dit was rond 1400 al een onbegrepen of onbekende titel geworden.
LIT: LdMA; W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter
(19584), p. 113-139; B. Bischoff. Paläographie des
römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters
(19862), p. 23-24; J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De
descriptione codicum (19813), p. 57. [H. Struik]
| |
ratiocinatio zie
enthymema
| |
rationalisme
Term uit de geschiedenis van de wijsbegeerte voor een stroming in
de 17e en 18e eeuw met
Descartes,
Leibniz en
Spinoza als belangrijkste
vertegenwoordigers. Kern van het rationalisme is het geloof in de kenbaarheid
en beheersbaarheid van de fysische en metafysische werkelijkheid door het
verstand. Het 17e-eeuwse rationalisme is nieuw ten opzichte van voorafgaande
rationalistische stromingen doordat het steunt op ontdekkingen in de wiskunde
en toepassingen van de wiskunde op de empirische werkelijkheid, met name de
natuurkunde (menig ‘filosoof’ had een fysisch laboratorium!). Dit
kenniselement leidde tot de veelgenoemde activiteiten van de encyclopedisten.
Het leidde tevens tot vormen van atheïsme alsook tot de 17e-/18e-eeuwse
stroming van het deïsme. Laatstgenoemde richting, vooral
inEngeland en Frankrijk te vinden, verwerpt het
geloof in de openbaring en kent een natuurlijke religie; God is oergrond van de
wereld maar grijpt niet in.
Voor de literatuurgeschiedenis is het rationalisme van belang als
stroming die het
classicisme heeft bevorderd. Voor de
cultuurgeschiedenis is deze denkrichting onlosmakelijk verbonden met de
verlichting, die er onmiddellijk uit is
voortgevloeid.
Gevoelsfilosofen uit de
romantiek (
Shaftesbury,
Jacobi,
Hamann,
Hegel en
Nietzsche) en uit het
reveil (
Bilderdijk) verzetten zich vaak hevig
tegen de kern van het rationalisme.
LIT: Best; Cuddon; Krywalski; Shipley; Wilpert; F. Sassen.
Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland (1959), p. 217-268; R.
Schmidt Degener e.a. Het rationalisme (1960); R. Wellek. A History of
modern criticism, dl. 1 (1981), p. 12-30; W.W. Mijnhardt (red.).
Kantelend geschiedbeeld (1983), p. 162-205; J. Stouten. Verlichting
in de letteren (1984), p. 5-6; B. Paasman. Het boek der verlichting
(1986), p. 3-7; A.J. Hanou. Sluiers van Isis, dl. 1 (1988), p. 234.
[G.J. Vis]
| |
readymade
Term die afkomstig is uit de plastische kunsten ten tijde van de
historische
avant-garde, geïnitieerd door
Marcel Duchamp (1915). Hij hechtte grote
waarde aan het toeval als stimulans voor artistieke creatie (objet
trouvé). Binnen de literatuur echter kreeg het genre pas bekendheid met
de Barbarber-groep, die
Duchamp als ‘peetvader’
beschouwde.
Kenmerkend voor de ideeën achter het genre is de opvatting
dat men kunst uit de verheven sfeer wil halen naar de wereld van alledag met
een tweeledig doel: psychologisch (leren waarnemen) en literair (een nieuw type
tekst). Door isolering van gevonden teksten wil men een andere
realiteitsgewaarwording opwekken.
Achterliggende gedachte was ook dat persoonlijke smaak geen rol
speelt (‘doe maar gewoon dan doe je gek genoeg’) en dat men gewone
woorden voor gewone dingen wil gebruiken. De cultus rond het kunstwerk moest
worden doorbroken met massaproducten; het materiaal is herhaalbaar, het vinden
niet.
Voorbeelden vindt men o.a. bij
K. Schippers in zijn bundel
Een klok en profil (1965) en in
Bermtoerisme (1968) van
J. Bernlef. Folder- en reclameteksten
(etiketliteratuur), flarden radiogesprekken en allerlei
andere bestaande teksten dienen deze dichters als materiaal. Zo geeft
Armando aan zijn ‘agrarische
cyclus’ in De nieuwe stijl (1965) een technische handleiding annex
reclamefolder als basis:
de machine is uitgerust met 4 harkborden
de machine heeft 3 luchtbandwielen
de machine werkt ook met 3 groepen van 2 borden
de machine vraagt weinig onderhoud
de machine werkt zeer schoon
(De nieuwe stijl, dl. 1, 1965, p. 97-109).
Men kan overigens nogal wat traditionele stijlfiguren in deze
poëzie tegenkomen, zoals (in het geciteerde)
anafora,
repetito en
parallellisme.
LIT: Buddingh'; Gorp; MEW; Myers/Simms; J. Bernlef & K.
Schippers. Een cheque voor de tandarts (1967); G. van Bork & N. Laan
(red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis (19902), p.
265-268. [G.J. van Bork]
| |
realisme-1
Periodeaanduiding voor een
stroming die doorgaans globaal gesitueerd
wordt tussen
romantiek en
naturalisme, meer precies tussen 1830 en
1870. Het periodebegrip is omstreden omdat sommigen de term realisme willen
reserveren voor een meer algemeen gebruik, namelijk voor het
werkelijkheidsgehalte van de literatuur (realisme-2).
Ook over de afbakening ten opzichte van de romantiek zijn de meningen verdeeld.
Enerzijds ziet men in het realisme verzet tegen de verbeelding en het sterk
doorgevoerde individualisme van de romantiek, anderzijds wijst men erop dat de
aandacht voor het individu en voor het unieke dat de romantiek kenmerkt juist
een grote aandacht voor het realistische impliceert.
Aanhangers van het stromingenbegrip ‘realisme’
karakteriseren het als een
periode waarin in de literatuur gestreefd
wordt naar een objectieve weergave van de sociale werkelijkheid. Daarbij
bestaat een voorkeur voor een niet-selectieve uitbeelding van de toenmalige
realiteit, in het bijzonder van de lagere sociale milieus die in eerdere
literaire conventies niet of nauwelijks aan de orde gesteld werden. Het lelijke
of ‘zedeloze’ werd daarbij niet geschuwd, hetgeen voor de kritiek
uit deze periode vaak een steen des aanstoots was. Opvallend is voorts de
voorkeur voor het proza: schetsen, novellen en romans.
Hoewel het de bedoeling was een zo objectief mogelijk beeld te
geven van de sociale werkelijkheid, is het 19e-eeuwse realisme sterk
ideëel gekleurd. De meeste auteurs zijn van oordeel dat de
werkelijkheidsweergave middel is om begrip en sympathie te kweken voor de
lagere klassen, vaak ook opdat er langs die weg verbetering van hun positie
bereikt kan worden. Het streven naar realisme staat overwegend in het teken van
ethische doelstellingen. Daarom heeft men het 19e-eeuwse realisme wel
gekarakteriseerd als idealistisch-realisme. Het onderscheidt zich wat dat
betreft ook van het erop volgende
naturalisme dat veel duidelijker
positivistische (positivisme), wetenschappelijke
uitgangspunten aanvaardde zoals die tot uiting komen in de bekende trits
‘race-milieu-moment’, in het bijzonder in de
erfelijkheidstheorieën van die tijd.
Hoewel er duidelijk nationale en individuele verschillen zijn,
worden o.m. de volgende auteurs tot het realisme gerekend:
Stendhal,
Dickens,
Thackeray,
Fontane,
Flaubert,
Dostojewski en
Tolstoi. Het Nederlandse realisme is
sterk beïnvloed door Dickens.
Van Balzac is de voorkeur afkomstig om
typenbeschrijvingen of
fysiologieën te geven. Belangrijke
vertegenwoordigers van het realisme in het Nederlandse taalgebied zijn
Nicolaas Beets (Camera
obscura, 1839),
Johannes Kneppelhout
(Studenten-typen, 1841),
C.E. van Koetsveld (Schetsen uit
de pastorij te Mastland, 1843) en Tony (=
Anton Bergmann, Ernest
Staas, 1874). Een eigentijdse zedenroman schreef
Jacob van Lennep (De lotgevallen
van Klaasje Zevenster, 1865-66). Van sociaal belang is voorts het
werk van
J.J. Cremer geweest Betuwsche
novellen, 1856).
Cd. Busken Huet vormt met zijn roman
Lidewyde (1868) min of meer de afsluiting van het
Nederlandse realisme, maar misschien is het beter in hem een overgangsfiguur te
zien tussen realisme en naturalisme.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.
Pellisier. Le réalisme du romantisme (1912); E. Auerbach.
Mimesis. Dargestellte Wirklichkeit in der abendländischen Literatur
(1946); R. Wellek. ‘The concept of realism in literary
scholarship’, in: Concepts of criticism (1963), p. 222-255; R.
Brinkmann (red.). Begriffsbestimmung des literarischen Realismus (1969);
D. Grant. Realism (1970); S. Kohl. Realismus: Theorie und
Geschichte (1977); W. Preisendanz. Wege des Realismus. Zur Poetik und
Erzählkunst im 19. Jahrhundert (1977); M. Schippers. Realisme. De
illusie van werkelijkheid in literatuur (1979); R. Lauer (red.).
Europäischer Realismus, in dl. 17 van Neues Handbuch der
Literaturwissenschaft (1980); U. Schöning. Literatur als Spiegel.
Zur Geschichte eines kunsttheoretischen Topos in Frankreich von 1800 bis
1860 (1984); T. Streng. ’Realisme’ in de kunst- en
literatuurbeschouwing in Nederland tot 1875 (1995). [G.J. van Bork]
| |
realisme-2
Met het niet-periodegebonden begrip realisme duidt men in de
literatuurwetenschap het werkelijkheidsgehalte van literaire teksten aan. Hoe
meer een literaire tekst naar de werkelijkheid verwijst, hoe meer men geneigd
is die tekst realistisch te noemen. Onder werkelijkheid verstaat men dan
doorgaans: waargenomen verschijnselen die onafhankelijk van onze wil of
voorstelling bestaan. In die zin staat het begrip tegenover
fictie, fantasie of verbeelding (gevoel en verbeelding).
Het problematische van werkelijkheid in teksten is dat het
weergeven ervan geschiedt door middel van de tekens van de taal, een code die
de plaats van de werkelijkheid inneemt en op zijn beurt door de lezer
geïnterpreteerd dient te worden. Empirische werkelijkheid en werkelijkheid
in taal vallen dan ook allerminst samen. Werkelijkheid in taal is altijd een
subjectieve werkelijkheid: de schrijver kiest niet alleen wat hij beschrijft,
maar ook hoe hij het beschrijft, en vervolgens interpreteert de lezer zijn
tekst op basis van zijn kennis van de werkelijkheid.
In feite gebruikt de schrijver de werkelijkheidsweergave om een zo
groot mogelijke waarschijnlijkheid op te bouwen die de lezer dient te
overtuigen van de echtheid van het vertelde. Daarmee kan hij bereiken dat de
optiek van waaruit hij de werkelijkheid beschrijft als waar wordt ervaren en om
deze waarheid gaat het de schrijver doorgaans. Hieruit blijkt dat het
werkelijkheidsgehalte van literatuur opgevat kan worden als een van de vele
retorische procédés, bijvoorbeeld om de lezer tot acceptatie te
brengen van bepaalde opvattingen of tot twijfel aan eigen uitgangspunten. Het
gebruik van de werkelijkheid is dus blijkbaar een literaire
conventie waarbij auteurs via een code de
‘illusie van werkelijkheid’ scheppen. Hoezeer realisme op te vatten
is als conventie valt op te maken uit de vergelijking van het idealistische
realisme-1 van de 19e eeuw met het als
wetenschappelijk en objectief bedoelde realisme van het
naturalisme of met het realisme van de
reportageroman.
Het pragmatische karakter van realismeopvattingen komt tot uiting
in de
mimesis-theorieën: bij het scheppen van
de illusie van werkelijkheid kan de doelstelling zijn het ophouden van een
spiegel waarin de mens zijn bestaan en de condities ervan weerspiegeld ziet
opdat hij er lering uit kan trekken. Een soortgelijke doelstelling vindt men
terug in de opvattingen over het sociaal-realisme en het
socialistisch realisme.
Bij de eerder gegeven definitie van werkelijkheid wordt gesproken
over ‘waargenomen verschijnselen die onafhankelijk van onze wil of
voorstelling bestaan’. Men zou de vraag kunnen stellen of andere
verschijnselen, bijv. verschijnselen die meer aan het innerlijk van de mens
ontspruiten, zoals ideeën, dromen, gedachten, associaties e.d., niet of
minder reëel zijn dan gegevens uit de ‘buitenwereld’. Dat die
vraag gerechtvaardigd is, blijkt uit samenstellingen als
magisch realisme of
surrealisme, waarin deze innerlijke
menselijke processen een niet onaanzienlijke rol spelen. Vooral in de 20e eeuw
nam het besef toe dat de werkelijkheid in de literatuur geen objectieve
weergave van de ‘feiten’ kan zijn (objectief realisme), maar een
door een individu waargenomen en geïnterpreteerde werkelijkheid
(subjectief realisme) betreft.
Deze en soortgelijke opvattingen maken dat steeds weer nieuwe
groepen schrijvers hun verhouding tot de werkelijkheid in steeds weer nieuwe
realismeconcepten formuleren, zoals dat bijv. bij het
neorealisme en bij het
postmodernisme gebeurd is.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; M.H. Abrams.
The mirror and the lamp (1953); E. Auerbach. Mimesis. Dargestellte
Wirklichkeit in der abendländischen Literatur (1946); P. Demetz.
‘Zur Definition des Realismus’, in: Literatur und Kritik
16/17 (1967), p. 333-345; D. Grant. Realism (1970); J.P. Stern. On
realism (1973); S. Kohl. Realismus. Theorie und Geschichte (1977);
M. Schipper. Realisme. De illusie van werkelijkheid in literatuur
(1979); T. Streng. ‘Realisme’ in de kunst- en
literatuurbeschouwing in Nederland tot 1875 (1995). [G.J. van Bork]
| |
rebus
Vorm van beeld- en raadselliteratuur (raadsel) waarbij de namen van de afgebeelde voorwerpen, al dan
niet gewijzigd door het weglaten of toevoegen van aangegeven letters of
lettergrepen, tot een vers of een zin (niet zelden een
spreekwoord) leiden. De term is ontleend aan
het Latijnse ‘rebus’ (= door dingen [uitgedrukt]). De rebus is
verwant met de
hiërogliefen uit de
emblematiek, maar onderscheidt zich daarvan
doordat hij toegankelijk is voor alle deelhebbers aan dezelfde taalgemeenschap,
terwijl de hiërogliefen alleen aan ingewijden bekend zijn. De rebus was
vooral populair bij de rederijkers die hem vaak opnamen als bijschrift op hun
blazoen. Sinds het Antwerpse landjuweel van
1561 bestond er een speciale prijs voor rebusblazoenen. Bekende vervaardigers
van rederijkersrebussen zijn Peeter en
Zacharias Heyns en
Willem van Haecht. In de 18e eeuw heeft
Willem Bilderdijk nog brieven in
rebusvorm geschreven: Speels vernuft: rebusbrieven en
bedriegers (ed.
Bosch, 1981). Ook in de kinderliteratuur
komt de rebus voor, o.a. in De kleine print-bybel, waar in door
verscheide af-beeldingen een meenigte van Bybelsche spreuken verklaart
worden (1772). Tegenwoordig worden rebussen vrijwel uitsluitend
gebruikt voor prijsvragen, bijv. ‘Wie lost deze Brief in
rijmspraak op?’ (in: Spektator 1, 1971-1972, p. 202-203).
LIT: Best; Gorp; Metzler; C.P. Burger. ‘De rebus van onze
oude rederijkers’, in: Het Boek14 (1925), p. 145-192; K. Porteman.
Inleiding tot de Nederlandse emblemataliteratuur (1977), p. 29; A.
Keersmaekers. ‘Rederijkers-rebusblazoenen in de zestiende-zeventiende
eeuw’, in: H. Vekeman & J. Müller Hofstede. Wort und Bild in
der niederländischen Kunst und Literatur des 16. und 17. Jahrhunderts
(1984), p. 217-219. [P.J. Verkruijsse]
| |
recapitulatio
Term uit de retorica voor een
enumeratio een opsomming bij wijze van
algemeen overzicht om het geheugen op te frissen aan het slot van een betoog
(in de
conclusio). Als de opsomming van te
behandelen punten aan het begin van een betoog gegeven wordt of ter afsluiting
van de
narratio, heet dat
partitio.
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet. [P.J.
Verkruijsse]
| |
recensie of boekbespreking
Term uit de wereld van de
kritiek voor een voornamelijk kritische
beoordeling van een (literair) werk in een dag- of weekblad, in een
tijdschrift, of ook wel voor radio en tv. Het zwaartepunt ligt hierbij niet op
de wetenschappelijke aanpak, maar op de subjectieve mening van de recensent.
Dit sluit niet uit dat menige recensie tevens informatief van aard is, hetgeen
samenhangt met de actualiteit, die zelfs het hoofdkenmerk van de recensie
genoemd kan worden. De dag- en weekbladpers heeft veelal zijn vaste rubrieken
voor recensies. De dagbladen hebben er vaak vaste dagen voor, waarop specifieke
bijlagen met o.a. boekbesprekingen uitkomen (zoals de bijlagen van
NRC/Handelsblad en De Volkskrant).
De term recensie beperkt zich niet tot het terrein van de
letterkunde, maar strekt zich ook uit tot andere kunsten, alsook tot
manifestaties daarvan in de ruimste zin, zoals toneelvoorstellingen, concerten
e.a.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Metzler;
MEW; Scott; Shipley; Wilpert; J.J.A. Mooij. ‘Problemen rondom literaire
waardeoordelen’, in: De Gids 136 (1973), p. 461-473; H.T.
Boonstra. ‘Van waardeoordeel tot literatuuropvatting’, in: De
Gids 142 (1979), p. 242-253; J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding
(1981), p. 54-58. P.F. Schmitz. Kritiek en criteria (1979). [G.J.
Vis]
| |
recensio
Term uit de
tekstkritiek voor de eerste fase die
voorafgaat aan de (re)constructie van het
archetype: 1) het opbouwen van de keten van
onderlinge verwantschappen, 2) het genereren van een
stemma uit deze keten, 3) het
(re)construeren van de tekst van het archetype. De recensio gaat vooraf aan de
emendatio.
LIT: Mathijsen; B.J.P. Salemans. ‘Text genealogical remarks
on Lachmann, Bédier, Greg and Dearing’, in: LB 79 (1990),
p. 427-468. [H. Struik]
| |
receptie-esthetica
Met deze term duidt men een verzameling disciplines aan die
gedeeltelijk liggen op het terrein van het onderzoek van kunst en literatuur,
gedeeltelijk op dat van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek. De
literatuurwetenschappelijke tak is vooral sterk ontwikkeld in de jaren zestig
van deze eeuw in de toenmalige Bondsrepubliek Duitsland. Daar
waren het
H.R. Jauss
(Literaturgeschichte als Provokation, 1970) en
W. Iser (Die Appelstruktur der
Texte, 1970) die een nieuwe, op de lezer gerichte
literatuurwetenschappelijke onderzoeksmethode introduceerden (‘Konstanzer
Schule’).
De beoefenaar van de receptie-esthetica onderzoekt de literaire
tekst vanuit het standpunt van de lezer, daarbij onderscheid makend tussen
ideale lezer,
reële lezer,
impliciete lezer en
expliciete lezer. Deze stroming is
gedeeltelijk een reactie op de
ergocentrische literatuurbenadering, waarbij
analyse en
interpretatie centraal staan, en richt zich
niet primair op het
artefact maar op het
esthetisch object.
Binnen de receptie-esthetica zijn er diverse richtingen. Zo is er
een stroming die meer tekstgericht is (met aandacht voor
open plek), en een stroming die meer gericht
is op de lezer als individuele persoon en/of als sociaal of cultureel bepaald
wezen (met aandacht voor
verwachtingshorizon). In het eerste geval
zal de aandacht o.a. gericht zijn op het effect van tekstuele (bv.
stilistische) gegevens op de lezer (denk aan
W.C. Booth en diens The
rhetoric of fiction, 1961). In het laatste geval zal het onderzoek
meer van sociaal-wetenschappelijke aard zijn, en gericht op de vraag naar de
achtergronden die verantwoordelijk zijn voor het soort uitspraken dat de
recipiënt doet naar aanleiding van het
lezen (en door onderzoekers gestelde vragen daarover) van een tekst. Scheiding
van lezer en onderzoeker is bij dit type onderzoek essentieel en de opvatting
lijkt veld te winnen dat empirisch receptie-onderzoek als wetenschappelijke
activiteit op solider uitgangspunten is gebaseerd dan de traditionele
interpretatie. Daar staat echter tegenover dat sommige onderzoekers binnen de
empirische richting, bijv.
A. van Assche, van mening zijn dat het
vooralsnog niet mogelijk is op empirische wijze houdbare uitspraken te doen
over de literaire tekst zelf.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Brongers; Fowler;
Gorp; Herman/Vervaeck; Krywalski; Metzler; MEW; H. Link.
Rezeptionsforschung (1976); N. Groeben. Rezeptionsforschung als
empirische Literaturwissenschaft (1977); R.T. Segers. Het lezen van
literatuur (1980); R.T. Segers (red.). Lezen en laten lezen (1981);
J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap
(19822), p. 110, 117; D.H. Schram. Norm en normdoorbreking
(1985), p. 96; E. Andringa & D. Schram (red.). Literatuur in functie.
Empirische literatuurwetenschap in didaktisch perspectief (1990); J.J.
Kloek. ‘Receptie’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 144-150. [G.J. Vis]
| |
recipiënt
Term uit de
receptie-esthetica voor degene die het
kunstwerk ondergaat als
esthetisch object, al dan niet met weergave
van zijn schriftelijke of mondelinge reacties. In de literaire
receptie-esthetica is dit de
reële lezer (tekstextern),
onderscheiden van de (tekstinterne)
impliciete lezer en
expliciete lezer.
LIT: H. Link. Rezeptionsforschung (1976); R. Segers. Het
lezen van literatuur (1980). [G.J. Vis]
| | | | | |
recto-zijde
Bibliografische term voor de voorzijde van een
blad of
vel; de keerzijde heet
verso-zijde. Bij boeken uit de
handschriften- en handpersperiode verwijst men in plaats van naar pagina's naar
de recto- en verso-zijde van een door middel van de
katernsignatuur aangeduid blad. Als pagina 1
en 2 zich op het eerste blad van het A-katern bevinden,
worden die aangeduid als respectievelijk
folio A 1 recto en A 1 verso, gewoonlijk
afgekort tot A1r, A1v. In sommige bibliografische literatuur worden recto en
verso ook aangeduid met een superieur geschreven a en b.
In een
opening van een boek bevindt zich links
altijd een verso-pagina met een even paginanummer en rechts altijd een
recto-pagina met een oneven paginanummer.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; Scott; Ph.
Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p.
329-330. [P.J. Verkruijsse]
| |
redactie-1
Een of meer personen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud en
samenstelling van een bundel, naslagwerk, een tijdschrift, een krant e.d. De
redacteur of de leden van de redactie kiezen uit het voorhanden zijnde
materiaal dat wat het meest in overeenstemming is met hun doelstelling of ze
nodigen bepaalde auteurs uit om bijdragen te leveren voor de uitgave(n) waarvan
zij de redactie voeren. In feite bepaalt de redactie dus het beleid van een
uitgave voor zover het de inhoud betreft. Dat beleid wordt vaak verwoord in een
redactionele bijdrage die, wanneer het bijv. periodieken betreft, het karakter
heeft van een (literair) programma. Een goed voorbeeld daarvan vormt het
‘Ter inleiding’ van het tijdschrift Forum (jrg. 1, 1932, nr.
1) van de redacteuren
Ter Braak,
Du Perron en
Roelants.
Soms is er sprake van een redactieraad naast of boven de redactie
die al dan niet bindende adviezen kan geven over het te voeren beleid, over
afzonderlijke bijdragen, over de samenstelling van de redactie etc. Voorts kent
men rubrieksredacteuren en gastredacteuren, die uiteraard een beperkte
bevoegdheid hebben. Voor omvangrijke ondernemingen als encyclopedieën e.d.
bestaat vaak een bureauredactie die meestal betaald wordt door en in opdracht
werkt van een uitgever en dan ook bij de uitgeverij is ondergebracht.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Hiller; Scott; Wilpert. [G.J.
van Bork]
| |
redactie-2
Term uit de editietechniek voor een variante (variant) lezing van een tekst die een andere
tekstinterpretatie toelaat. In de
opeenvolgende stadia van de
tekstgenese kunnen verschillende redacties
ontstaan, hetzij door het aanbrengen van varianten in een
codex of
manuscript, hetzij in de verschillende fasen
van het productieproces van een boek (kopij,
drukproef,
uitgave,
herdruk). Niet alle varianten leiden
noodzakelijkerwijs tot een nieuwe redactie, bijv. het wijzigen van de
‘ae’- in de ‘aa’-spelling in een tekst.
Bij middeleeuwse teksten noemt men een tekst een
bewerking of een
versie als hij ten opzichte van de
voorbeeldtekst matig afwijkt; als de afwijkingen ingrijpend zijn, spreekt men
van een
omwerking of remaniement.
Als een tekst in meer dan één redactie of versie
bewaard is gebleven, kan de onderlinge verwantschap (recensio,
filiatie) worden onderzocht en kan aan de
hand van een
stemma de tekst worden ge(re)construeerd die
het dichtst bij het
archetype of het
origineel staat.
Een voorbeeld van een gedicht waarvan door het aanbrengen van
enkele
open varianten en het toevoegen van een
slotstrofe in het manuscript twee redacties ontstaan, is
P.C. Hoofts ‘Chanson a
Madame’ (UB Amsterdam, hs. II C 14, p. 249-250; zie P.C. Hooft.
Uit Hoofts lyriek, ed.
Zaalberg, 19815, p. 22-24). Vs.
29-31 en vs. 33 hebben de volgende varianten:
29
Ver wt de straten eng, en woelige canalen,
Ver wt de straten drang, op berch, in woeste dalen
30
Als snachts slaeprige wint de zee sacht overweijt,
Als snachts slaeprige wint het bosch sacht overweijt,
31
Ick op de stille vloedt mijn clachten sal verhalen,
Aen Echo ick alleen mijn clachten sal verhalen,
33
Een visscher die t verstaet, dewijl hij leijt sijn
lagen,
Een jager die t verstaet, dewijl hij leijt sijn lagen,
Samen met de toevoeging van de ‘Diego’-slotstrofe
verplaatsen de varianten het gedicht vanuit de autobiografische
Venetië-entourage naar de Pyreneeën.
LIT: Baldick; Gorp; Metzler; MEW; A. Dees. ‘Over stambomen
van handschriften’, in: FdL18 (1977), p. 63-78; M. Dekker en M.
Mulder. ‘Een voorbeeld van stamboomreconstructie: Karel ende
Elegast’, in: Spektator 18 (1988-1989), p. 96-118; A.M. Duinhoven.
‘Stamboomreconstructie: rekenkunde of tekststudie?’, in:
Spektator 18 (1988-1989), p. 119-123; B. Salemans. ‘Varianten als
bouwstenen van stemma's: een pleidooi voor eenvoud en openheid bij het
opstellen van tekststambomen’, in: Wat duikers vent is dit! Opstellen
voor W.M.H. Hummelen (1989), p. 319-343. [P.J. Verkruijsse]
| |
redactiereeks
Een in principe oneindige reeks werken van verschillende auteurs
die onder redactie van een commissie en onder een reekstitel bij een bepaalde
uitgever worden uitgegeven. In veel gevallen betreft het
secundaire literatuur of
tekstedities, in tegenstelling tot werken in
een
uitgeversreeks, waarin veelal
primaire literatuur zonder
redactiebegeleiding wordt uitgegeven. In de neerlandistiek komt in de
reekstitel vaak het woord ‘bibliotheek’ voor (bibliotheek-2), bijv. de Bibliotheek voor
Middelnederlandsche Letterkunde bij uitgeverij Wolters in 1869 opgezet
onder leiding van
H.E. Moltzer, later ook met o.a.
Jan te Winkel,
W.J.A. Jonckbloet,
J. Verdam en
M. de Vries in de redactie. Enkele
andere redactiereeksen op het gebied van de neerlandistiek waren,
respectievelijk zijn: Klassieken uit de Nederlandse letterkunde,
uitgegeven in opdracht van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te
Leiden (uitgeverij Tjeenk Willink); Zwolse drukken en herdrukken voor de
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (Tjeenk Willink);
Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies (Tjeenk Willink);
Klassiek Letterkundig Pantheon (KLP; Roelants en Thieme);
Synthese (Wetenschappelijke Uitgeverij); Facsimile-edities der Lage
Landen (FELL; Sub Rosa); Nijhoffs Nederlandse Klassieken
(Nijhoff).
LIT: Regels voor de titelbeschrijving (196811),
p. 31; M.B. Geers-Meulenbroek en H. Labots. ‘Klassiek letterkundig
pantheon: een check-list’, in: Dokumentaal 9 (1980), p. 111-124;
L. Kuitert. Het ene boek in vele delen. De uitgave van literaire series in
Nederland, 1850-1900 (1993). [P.J. Verkruijsse]
| |
redditio
Term uit de retorica voor een vorm van
repetitio, nl. de herhaling van gelijke
woorden aan het begin en het eind van een zin of versregel, hetzij in dezelfde,
hetzij in tegengestelde volgorde, bijv. ‘Wit is de vrouw, en haar knecht
is wit’ in het gedicht ‘Buurvrouw kwam thuis, en de knecht was
daar’ van
Hendrik de Vries (in:
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten,
1979, p. 605).
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
rede, oratio of redevoering
Mondelinge voordracht van een tekst door één
persoon, gericht tot een bepaald publiek. In het huidige medialand hoeft dat
publiek niet meer lijfelijk aanwezig te zijn, maar dat was anders in de tijd
van ontstaan van het literaire genre van de redevoering, de Klassieke Oudheid.
Op basis van de theorieën uit de Griekse Oudheid en van de ideeën in
Cicero's De
oratore onderscheidt men de pleitrede (genus
iudiciale), de politieke rede (genus
deliberativum) en de gelegenheidstoespraak (genus
demonstrativum), waarnaast in later tijd de gewijde rede (preek; sermoen) als apart genre werd toegevoegd.
In het retoricaonderwijs richtte men zich in het bijzonder op de
pleitrede, omdat men vond dat ieder die zich op dit uiterst belangrijke terrein
van de rechtspraak retorisch goed ontwikkeld had, zich ook op andere gebieden
en in andere situaties als terzake kundig zou kunnen manifesteren, wanneer hij
daar het woord zou moeten voeren.
Bij de voorschriften onderscheidt men een leer van de stof
(materia) en een leer van de verwerking (tractatio) van de stof. Tot de materia
behoort de vraag naar de feitelijke situatie (quaestio) alsmede het punt van de
geloofwaardigheid of waarschijnlijkheid, kortom: het geheel van feiten en
meningen. Tot de tractatio behoren de
inventio,
dispositio,
elocutio,
memoria en
pronunciatio; er is vooral tussen de eerste
drie een nauwe samenhang: ze gelden voor geschreven en gesproken teksten.
Vanaf de romantiek worden de voorschriften minder streng. De in
zijn tijd invloedrijkste redenaar en theoreticus van de welsprekendheid,
J.H. van der Palm (1763-1840), legde
zich vooral toe op het goed verzorgde taalgebruik (puritas) en hij paste alle hem ten dienste staande
stijlfiguren toe (ornatus). Hij streefde naar helderheid
(perspicuitas), eenvoud en levendigheid, maar bezat nog
niet het karakteristieke woord, de bondigheid en bewogenheid die na hem bij
velen in zwang kwamen. Beziet men op dit punt de 19e eeuw dan valt er voor 1850
nog weinig verandering te bespeuren in de normatieve opstelling terzake. Men
ziet dat vooral in de academische welsprekendheidsleer; de Groningse hoogleraar
B.H. Lulofs (1787-1849) wordt terecht de
Vossius (1577-1649) van de 19e eeuw
genoemd.
Volgt men de praktijk van de vorige eeuw in haar verdere
ontwikkeling dan kan men zien dat er in een stuk als de rede tot de hoofden van
Lebak (in
Multatuli's Max
Havelaar, hoofdstuk 8) een zekere tweesporigheid valt waar te
nemen. Enerzijds is er nog iets van de oude retorische plechtstatigheid (vgl.
‘luisterend naar de woorden van mijn mond’ e.d.) gecombineerd met
een grote hoeveelheid traditionele stijlfiguren, anderzijds doet de toespraak
tamelijk modern aan door de directheid, de emotionele inslag en de inbedding in
de vertelsituatie die het betoog van onderbrekingen voorziet. Men ziet hier een
verschil tussen deze (geschreven) literaire vorm van iemand als Multatuli en de
oorspronkelijke orale vorm van de pleitrede e.a. uit Oudheid en renaissance.
Het is symptomatisch voor de romantiek dat er enerzijds een terugdringing valt
waar te nemen van de invloed der retorica en dat er anderzijds een diversiteit
van traditionele stijlmiddelen gehandhaafd wordt. Dit laatste blijft kenmerkend
voor de rede tot in de tweede helft der 20e eeuw: zo heeft de kerkelijke preek
in de laatste decenniën eigenschappen die men een combinatie zou kunnen
noemen van de Van der Palm-stijl met die van Multatuli. Hetzelfde geldt voor
politieke toespraken, populair-wetenschappelijke causerieën e.a., waarin
men het 19e-eeuwse erfgoed variërend, uitbreidend en combinerend voortzet.
In dit verband denke men ook aan een revival van de oude
‘voorlezing’ in culturele centra e.d.
Varianten van de oratio zijn te vinden in de
causerie, de
lezing-1, de
voordracht, de speech, de tafelrede en de
lijkrede; soms is dat ook het geval bij de
apologie en de oratio pro domo.
LIT: Gorp; Knuvelder, dl. 3 (1973), p. 229-230; Lausberg; Metzler;
MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.J. Vis. ‘Van Groningen tot
Luik: de beginjaren van het academisch handboek voor Nederlandse letterkunde en
welsprekendheid’, in: De Negentiende Eeuw 12 (1988), p. 180-204.
[G.J. Vis]
| | | |
rederijkers
Verzamelnaam voor zowel de actieve als de passieve leden van een
rederijkerskamer, een stedelijk literair
gilde dat zijn grootste bloei bereikte tussen ca. 1450 en 1570, maar tot op de
dag van vandaag nog niet helemaal verdwenen is, zij het in de vorm van zich
rederijkers noemende lokale toneelverenigingen.
In het algemeen waren de rederijkers afkomstig uit de burgerij. Ze
traden aanvankelijk vooral op om godsdienstige en andere plechtigheden meer
luister bij te zetten: ze gaven vertoningen en droegen speciaal voor de
gelegenheid vervaardigd werk voor en leverden de personen voor de tableaux
vivants (toog). Daarvoor kregen ze van de stedelijke
overheid een vergoeding, een enkele keer zelfs een jaarlijkse vaste toelage.
Soms was een rederijker bij de overheid in dienst, zoals bijv.
Anthonis de Roovere vanaf 1465 in
Brugge.
Aanvankelijk werkten de rederijkerskamers samen met kerk en
geestelijkheid, later bleken veel rederijkers openlijk belangstelling en
sympathie voor de hervorming te hebben. In het geval van het
spel van zinne Welc den mensche
stervende meesten troost es leidde dat ertoe dat de uitgave ervan
in de Spelen van Gent (1539) op de lijst van verboden
boeken (Index librorum prohibitorum) terechtkwam. Een
rederijker die zich echter fel verzette tegen de hervorming was
Anna Bijns (1493-1575), van wie veel
anti-lutherse poëzie bewaard is.
De genres die door de rederijkers het meest beoefend werden, zijn
het toneel (rederijkerstoneel) en de poëzie (ballade-2,
refrein-2,
rondeel). De literatuur van de rederijkers
is formeel laatmiddeleeuws met vormen en motieven die grotendeels ontleend zijn
aan de ridderlijk-hoofse traditie.
Matthijs de Casteleins Const
van rhetoriken (1555) wordt beschouwd als de ars poëtica
(poetica-1) van de rederijkers. Met name door enkele
gekunstelde dichtvormen, bijv. de retrograde of
kreeftdicht, heeft de dichtkunst van de
rederijkers de denigrerende betiteling
rederijkerij gekregen.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger;
Wilpert; J.J. Mak. De rederijkers (1944); M.A. Schenkeveld-Van der
Dussen. ‘Bestudering en waardering van de rederijkers in de zeventiende
en het begin van de achttiende eeuw’, in: NTg 65 (1972), p.
460-470; E. Freyne-De Moor en A. Frits-Gelaude. ‘Lijst van verhandelingen
op het gebied van de rederijkersstudie’, in: Opstellen voor A. van
Elslander, spec. nr. van Jaarboek ‘De Fonteine’ 32
(1980-81), dl. 2, p. 7-28; D. Coigneau. ‘Rederijkersliteratuur’,
in: M. Spies (red.). Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening
(1984), p. 35-57; W.M.H. Hummelen. ‘The dramatic structure of the Dutch
morality’, in: The medieval drama of the Low Countries, spec. nr.
van Dutch Crossing (1984) 22 (april), p. 17-26; A. van Elslander.
‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in:
id. Terugblik (1986), p. 9-25; H. Pleij. ‘De laatmiddeleeuwse
literatuur als vroeg-humanistische overtuigingskunst’, in: De
Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen (1990), p. 158-191; B.A.M.
Rademakers. Spelen en figuren (1996). [H. Struik]
| |
rederijkersballade zie
ballade-2
| |
rederijkerskamer of kamer van retorike
Benaming voor een dichtgenootschap van burgers (rederijkers) in de 15e en 16e eeuw. Deze rederijkerskamers
zijn ontstaan uit de kamers van retorike, verenigingen die de feesten van
schuttersgilden verzorgden en die de kerk bijstonden in het organiseren van
kerkelijk toneel,
vastenavondspelen, ommegangen etc. Deze
verenigingen waren al in de 14e eeuw ontstaan, maar pas in de 15e eeuw gaat men
zich erop toeleggen poëzie en toneelwerk te vervaardigen.
Men neemt aan dat rederijkerskamers oorspronkelijk een soort
kerkelijke verenigingen waren, die geestelijken assisteerden bij processies en
toneelvoorstellingen. Het is echter goed mogelijk dat meer wereldlijk
ingestelde verenigingen die zich met toneel of literatuur bezighielden, hiervan
de harde kern hebben gevormd. Dergelijke wereldlijke genootschappen bestonden
al in de 12e eeuw inNoord-Frankrijk. En daar vinden we ook de
eerste ‘chambres de rhétorique’.
De term ‘kamer van retorike’ wordt meestal alleen
gebruikt voor de voorlopers van de rederijkerskamers zoals die zich in de 15e
eeuw ontwikkelden. Het onderscheid tussen deze kamers van retorike, die een
nauwe band met de kerk hadden, en de rederijkerskamers, die soms nog lang een
godsdienstige inslag behielden, is echter niet precies aan te geven.
De inrichting van de rederijkerskamers doet denken aan die van een
gilde. De leiding berustte bij dekens of
overlieden. Er was ook een
prins of keizer, wiens functie vergelijkbaar
is met die van beschermheer tegenwoordig. De prins was het hoofd van de kamer.
Hij bepaalde de
stock (het
refrein-2) waar de refreinen over moesten
gaan en hij loofde de prijzen uit. Aan hem werd vaak de laatste strofe (prince,
envoi) van een refrein opgedragen. De
vaandrig en de
nar waren spectaculaire figuren bij de
intochten van de groots opgezette rederijkersfeesten, de zogenaamde
landjuwelen, waarop kamers uit verschillende
delen van de Nederlanden met elkaar wedijverden in het leveren van de beste
literaire en dramatische prestaties. De
factor (= maker) was als dichter-regisseur
vaak niets minder dan de geestelijk leider van de vereniging.
Alle rederijkerskamers hebben een wapenschild (blazoen) met een
zinspreuk-2, vaak godsdienstig van karakter,
bijv. de Amsterdamse kamer ‘De Eglentier’: ‘In Liefde
Bloeyende’ (verwijzend naar het lijden van Christus én naar de
bloei van de eglantier).
De rederijkerskamers waren zeker tot het midden van de 16e eeuw
elitaire gezelschappen waarvan handwerkslieden vrijwel uitgesloten waren. Er
bestond in de regel een zware ballotage, terwijl aan het lidmaatschap hoge
financiële verplichtingen van zowel periodieke alsook incidentele aard
verbonden waren. De rederijkers onderhielden nauwe banden met de stedelijke,
maar vaak ook met de landelijke overheid. De kamers werden voor hun
activiteiten - het opluisteren van plechtigheden en feesten - rijkelijk
gesubsidieerd door de overheid.
Vanaf het begin van de 15e eeuw gaan de rederijkerskamers
wedstrijden in het schrijven en spelen van toneel met elkaar aan, waaraan men
op uitnodiging deelnam (haagspel,
landjuweel). In 1496 organiseerde
Antwerpen een rederijkersfeest, waarbij liefst 28 kamers
vertegenwoordigd waren, terwijl ook het laatste, meest prachtvolle landjuweel
in 1561 te Antwerpen plaatsvond.
De bloei van rederijkerskamers ligt in de 15e en 16e eeuw, wanneer
ze nog voornamelijk in de zuidelijke Nederlanden voorkomen. In de tweede helft
van de 16e eeuw raakt de vrijheid van de kamers meer beperkt als gevolg van de
godsdiensttwisten en de daaruit voortvloeiende Tachtigjarige Oorlog. Uit de
zuidelijke Nederlanden gevluchte dichters richtten nieuwe
rederijkerskamers op in het Noorden, die hebben bestaan tot ver in de 18e,
sommige tot in 19e eeuw.
De bloei van de rederijkerskamers is echter voorbij, hoewel de
grotere kamers zich weten te handhaven. De Amsterdamse kamer ‘De
Eglentier’ beleeft pas aan het einde van de 16e en begin 17e eeuw zijn
grootste bloei; deze kamer wordt met leden als
P.C. Hooft,
G.A. Bredero en
S. Coster het centrum van de opkomende
renaissance-idealen.
De dichtgenootschappen die in de 17e en 18e eeuw worden opgericht,
zoals Nil Volentibus Arduum (1669), nemen voor een deel de rol van de
rederijkerskamers over. Tussen 1860 en 1870 komen de zogenaamde
‘rederijkerskamers voor uiterlijke welsprekendheid’ tot grote
bloei; de mondelinge voordracht van poëzie was de voornaamste doelstelling
van deze genootschappen.
Een enkele rederijkerskamer bestaat ook nu nog, hoewel de
doelstelling en functie totaal veranderd is; een voorbeeld hiervan is de Gentse
kamer De Fonteine, die zich concentreert op het onderzoek naar de
rederijkersliteratuur en de resultaten daarvan jaarlijks in het Jaarboek
‘De Fonteine’laat verschijnen.
LIT.: Buddingh'; Laan; MEW; P. van Duyse. De rederijkkamers in
Nederland, dl. 1 (1900); J.J. Mak. De rederijkers (1944), p. 9-11;
A. van Elslander. ‘Lijst van Nederlandse rederijkerskamers uit de XVe en
XVIe eeuw’, in: Jaarboek ‘De Fonteine’ 18 (1968), p.
29-60; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De
Rederijkers’, in: id. Terugblik (1986), p. 9-25; E.K. Grootes.
‘De ontwikkeling van de literaire organisatievormen tijdens de
zeventiende eeuw in Noordnederland’, in: De Zeventiende Eeuw8
(1992), p. 53-65; D. Coigneau. ‘9 December 1448: Het Gentse stadsbestuur
keurt de statuten van de rederijkerskamer De Fonteine goed. Literaire
bedrijvigheid in stads- en gildeverband’, in: M.A. Schenkeveld-Van der
Dussen (red.). Nederlandse literatuur; een geschiedenis (1993), p.
102-108; B.A.M. Rademakers. Spelen en figuren (1996). [H. Struik]
| |
rederijkerstoneel
Aanduiding voor de verschillende typen toneel die door de
rederijkers, dichters uit burgerlijke kring
(ca. 1450-1570), zijn vervaardigd. Toneel is het door de rederijkers meest
beoefende literaire genre. Al in de 15e eeuw vervaardigden ze
mysterie- en
mirakelspelen en
moraliteiten, die ze ook zelf opvoerden. Uit
het mirakelspel ontwikkelde zich het
spel van zinne, het rederijkersgenre bij
uitstek, dat vooral bloeide in de 16e eeuw. Er zijn ruim 200 spelen van zinne
bewaard gebleven. Daarnaast behoren tot het rederijkerstoneel: het
esbatement, een meestal komisch toneelstuk,
dat zich heeft ontwikkeld uit de middeleeuwse klucht (klucht-1), en het
tafelspel, gelegenheidstoneel dat voor een
tafelend gezelschap werd opgevoerd. In tegenstelling tot de andere genres was
het tafelspel niet bedoeld om in het openbaar vertoond te worden.
Beroemde rederijkersstukken uit de 15e eeuw zijn de moraliteit
Spieghel der salicheyt van Elckerlijc (eind 15e eeuw) en
de
mysteriespelen Die Eerste Bliscap
van Maria en Die Sevenste Bliscap van Onser
Vrouwen (ed.
Beuken, 1973).
LIT: Laan; MEW; W.M.H. Hummelen. Repertorium van het
rederijkersdrama 1500-ca. 1620 (1968), p. 2-13; H. Pleij. ‘De sociale
functie van humor en trivialiteit op het rederijkerstoneel’, in:
Spektator 5 (1975-1976), p. 108-127; W.M.H. Hummelen. ‘Sporen van
gebruik in handschriften van rederijkersspelen’, in: H. Heestermans
(red.). Opstellen door vrienden en vakgenoten aangeboden aan Dr. C.H.A.
Kruyskamp (1977), p. 108-123; W.M.H. Hummelen. ‘Types and methods of
the Dutch “Rhetoricians” theater’, in: The T'harde
Globe (1981), p. 164-189, 233-235, 252, 253; A. van Elslander.
‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in:
id. Terugblik (1986), p. 9-25; R.L. Erenstein (hoofdred.). Een
theatergeschiedenis der Nederlanden (1996); B.A.M. Rademakers. Spelen en
figuren (1996). [H. Struik]
| |
rederijkerij
Denigrerende kwalificatie van rederijkersliteratuur, waarmee men
wil uitdrukken dat alle aandacht naar de gekunstelde vorm is uitgegaan in
plaats van naar vorm én inhoud. Latere generaties dichters, geleerden en
critici hebben zich vaak geërgerd aan de verstechnische capriolen zoals
die bijv. voorkomen in
acrostichon,
aldicht,
dobbelsteert,
kreeft(ge)dicht,
refrein-2 en
schaakberd. Ook het veelvuldig gebruik van
Bourgondische bastaardwoorden en de ongebonden lengte van de versregels wekte
ergernis op. De term werd ook gebruikt voor tekstvormen uit andere perioden die
een gekunstelde indruk maken.
Tegenwoordig wordt het begrip rederijkerij weer in algemene,
niet-negatieve zin gebruikt ter aanduiding van rederijkersliteratuur.
LIT: Buddingh'; P. van Duyse. De rederijkkamers in
Nederland, dl. 1 (1900); J.J. Mak. De rederijkers (1944); M.A.
Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Bestudering en waardering van de rederijkers
in de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw’, in: NTg 65
(1972) 6, p. 460-470; B.A.M. Ramakers. ‘Het eeuwige leven van de
rederijkerij’, in: Madoc 10 (1996), p. 277-285. [H. Struik]
| | | |
redundantie
Term uit de stijlleer voor een vorm van
herhaling bestaande uit het geven van niet
strikt noodzakelijke uitweidingen. Redundant taalgebruik dient veelal als
hulpmiddel voor de begrijpelijkheid in mondelinge en schriftelijke
exposés. Redundantie kan de vorm hebben van een
perifrase of
amplificatio.
LIT: Bergh; Best; Bronzwaer; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2;
Lausberg; Morier; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
reduplicatio zie
anadiplosis
| |
reële lezer of werkelijke lezer
Term uit de
receptie-esthetica voor de persoon (of groep
van personen) die zich interpreterend en evaluerend uitspreekt over een
literaire tekst. De reële lezer is dus per definitie een andere persoon
dan de onderzoeker, dit in tegenstelling tot het geval van de
ideale lezer, waarbij de onderzoeker zelf
ook lezer is. Het onderzoek naar de lezersreacties van de werkelijke lezer kan
in tweeën worden verdeeld. Enerzijds is er het empirisch onderzoek naar
leesreacties van levende personen die via bevraging (door
enquêteringstechnieken) verkregen zijn, anderzijds het onderzoek naar
onafhankelijk van de onderzoeker tot stand gekomen schriftelijke reacties van
lezers uit heden en verleden op literatuur (recensies, dagboeknotities
e.a.).
LIT: H. Link. Rezeptionsforschung (1976); R.T. Segers.
Het lezen van literatuur (1980). [G.J. Vis]
| | | |
reflexio
Term uit de retorica voor een in een dialoog gebruikte
distinctio, nl. een semantisch verschil
tussen het normale gebruik van een woord en een door de andere spreker herhaald
nadrukkelijk en bijzonder gebruik van hetzelfde woord. De reflexio is verwant
aan
paronomasia,
anadiplosis en
polyptoton.
Een geval van reflexio kan men aantreffen in
G.A. Bredero's Spaenschen
Brabander (1618, ed.
Stutterheim, 1974, p. 158), waar het woord
‘Heer’ in een dialoog tussen Jerolimo en Robbeknol een geheel
andere inhoud heeft:
J: Want ons Heer heet ou verleent een goey mester an mijn.
R: En ick sal jou, mijn Heer, een goede dienaar zijn.
LIT: Lausberg; Scott; Ueding; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
reformatie of hervorming
Onder reformatie wordt gewoonlijk verstaan de hervormingsbeweging
van
Maarten Luther, in gang gezet door het
aanslaan van zijn 95 stellingen aan de kerk van Wiitenberg tegen de
aflaathandel van de rooms-katholieke kerk op 31 oktober 1517. Eerdere
hervormingsbewegingen binnen de kerk hebben minder gevolgen gehad dan die van
Luther, die gesteund werd door andere factoren als staatkundige veranderingen,
opkomst van de steden en de burgerij, de uitvinding van de boekdrukkunst en de
vernieuwingen van
renaissance en
humanisme. Latere 16e-eeuwse hervormers als
Zwingli en
Calvijn en de dopers verzoorzaakten
verdere afsplitsingen binnen de reformatie. De rooms-katholieke tegenbeweging
van de
Contrareformatie werd in gang gezet door het
Concilie van Trente (vanaf 1545).
De reformatorische ideeën drongen al snel door in de
literatuur: zo ontstaat er enige consternatie rondom de rederijkersspelen te
Gent in 1540 en op het landjuweel teAntwerpen van
1561. Een fel antikatholiek geschrift dat veel stof deed opwaaien, was
Marnix van St. Aldegondes
Byencorf der heilige Roomsche kercke (1569). Daarna wordt
de literatuur tijdens de Opstand en het hervormingsproces in de Nederlanden het
middel bij uitstek om over theologische onderwerpen te discussiëren. De
verschillende stromingen, richtingen en sekten binnen de hervorming (zie
doopsgezinde en
piëtistische literatuur) getuigen van hun
geloof of bestrijden elkaar in later eeuwen via poëzie (religieuze poëzie;
strijdlied), proza en toneel.
LIT: H.A. Enno van Gelder. The two reformations in the 16th
century; a study of the religious aspects and consequences of renaissance and
humanism (19642); S.B.J. Zilverberg. Geloof en geweten in de
zeventiende eeuw (1971); S. Brinkkemper & I. Soepnel. Apollo en
Christus (1989); M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. Nederlandse literatuur
in de tijd van Rembrandt (1994), p. 50-70. [P.J. Verkruijsse]
| |
refrein-1 of keerrijm
Term uit het grensgebied van prosodie en genreleer voor een of
meer woorden of versregels (in het laatste geval een
strofe vormend) die geregeld terugkeren in
een gedicht. Bijv.:
Ik zit met mijn rug tegen het zonnige muurtje,
Boven mij zijn de blaadjes groen.
Ik zit op het strooien stoeltje -
Lievelingetje, lievelingetje,
De deur van de schutting is open.
Ik hoor haar wandelen in den tuin.
Ze geeft me dikwijls bloemen.
Lievelingetje, lievelingetje,
(
M. Nijhoff. VW, dl. 1, 1982, p.
47).
Een speciale vorm van het refrein is de
stock, als onderdeel van het
refrein-2.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
refrein-2 of referein
Lyrisch gedicht uit de tijd van de
rederijkers, niet bedoeld om gezongen te
worden, vaak met een sterk didactische inslag. Het refrein lijkt in veel
opzichten op de rederijkersballade (ballade-2); het
gedicht heeft eveneens een repeterende sluitregel (stock) en een slotstrofe met aanhef (prince).
Sterker dan de ballade is het refrein echter gebonden aan dezelfde
hoeveelheid versregels per strofe, terwijl het aantal strofen gewoonlijk meer
dan drie bedraagt. Het
rijmschema van de strofen is doorgaans
identiek. Iedere strofe wordt afgesloten door een meestal één- of
tweeregelig
refrein-1, dat het thema van het gedicht
aangeeft: de stock. Gewoonlijk is de slotstrofe opgedragen aan het hoofd van
een
rederijkerskamer, de
prins, en wordt dan ook
prince genoemd. Soms is deze regel aan
iemand anders opgedragen, bijv. de geliefde of de koningin, die dan met
‘princesse’ wordt aangesproken.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen refreinen ‘int
vroede’ (religieuze en didactische stukken), ‘int zotte’
(komische stukken) en ‘int amoureuze’. Die laatste zetten nog
enigszins de traditie van de hoofse minnelyriek (minnelied-1) voort.
Refreinen werden vaak speciaal vervaardigd voor wedstrijden tussen
rederijkerskamers (landjuweel), waarbij de stock, het rijmschema en het aantal
versregels van te voren werden opgegeven. De resultaten van zulke
refreinfeesten werden vaak vastgelegd in refreinbundels. Verder zijn er
refreinbundels overgeleverd van
Anna Bijns (ed.
Pleij. 't Is al vrouwenwerk.
Refreinen van Anna Bijns, 1987),
Anthonis de Roovere en
Jan van Styevoort.
De bloeitijd van het refrein, dat als het rederijkersgenre bij
uitstek wordt beschouwd, valt samen met de bloeitijd van de rederijkerskamers:
de tweede helft van de 15e en de 16e eeuw. Tegen het eind van de 16e eeuw
begint de belangstelling ervoor af te nemen en in de 17e eeuw wordt het refrein
als veel te streng verworpen. Sinds de 19e eeuw wordt het genre weer beoefend,
o.m. door
Prudens van Duyse,
Karel van de Woestijne en
Bert Decorte. Die laatste stelde ook een
bloemlezing samen van balladen en refreinen onder de titel In 't zot,
in 't vroed, in 't amoureus (1970).
LIT: Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Preminger; A. van Elslander. Het
refrein in de Nederlanden tot 1600 (1953); D. Coigneau. Refreinen in het
zotte bij de rederijkers, 3 dln. (1980-1983); A. van Elslander.
‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in:
id. Terugblik (1986), p. 9-25; A. van Elslander. ‘Refreinen
“Int Amoureuze”’, in: id. Terugblik (1986), p. 27-53.
[H. Struik]
| |
refutatio
Term uit de retorica voor dat gedeelte van de
argumentatio waarin de argumenten van de
opponent weerlegd worden.
LIT: Dupriez-2; Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
regeleinde
Anders dan bij proza het geval is, wordt bij poëzie het
regeleinde niet bepaald door technisch-materiële factoren zoals de
beschikbare schrijf- of drukruimte op de bladzijde, maar door de lengte van het
vers-1. Een eerste - visueel onmiddellijk
herkenbaar - gevolg hiervan is het feit dat de lengte van de versregels aan de
rechterzijde meestal ongelijk is, en dat men er dus geen rechte neerwaartse
lijn in kan zien. Door een regel op een andere plaats te laten beginnen of
eindigen dan bij de kantlijn (zoals bij proza gebruikelijk is) heeft de auteur
een middel in handen om elementen van een tekst of tekstgedeelte te releveren.
In de periode van renaissance en classicisme viel het gereleveerde
tekstgedeelte van de regel als een eenheid samen met een eenheid op het niveau
van de
klank, geconstitueerd door
metrum en
rijm. Uiteraard is het
eindrijm een zeer markante en opvallende
vorm van relevering van vers en verseinde, zo markant dat sommige
knittelverzen daaraan hun direct hoorbare
eenheid ontlenen. Men denke bij voorbeeld aan regels als
Onder de merkwaardigste tafreelen
Waarin wy gewoon zijn de schepping te verdeelen,
Behooren vooral zekere natuurtooneelen
(
De Schoolmeester. Gedichten,
ed.
Van Deel &
Mathijsen, 1975, p. 14).
Naast de mogelijkheid in het algemeen om de regel als eenheid te
releveren, heeft het regeleinde een specifieke functie bij het verschijnsel van
het
enjambement. Deze heeft twee kanten. Daar is
enerzijds het formele aspect van de doorbreking van de cadans bij
geteld-metrische poëzie met eindrijm. Anderzijds valt een meer
inhoudelijke kant te onderkennen, namelijk het betrekken van noties op elkaar
(i.c. het laatste woord van de ene regel en het eerste woord van de direct
daarop volgende regel).
In de praktijk van het editeren wordt het regeleinde vaak
aangegeven door middel van de
Duitse komma (/) dan wel de verticale
streep.
LIT: Cuddon; Myers/Simms; Preminger. [G.J. Vis]
| |
regest
Term uit de archivistiek en editietechniek voor de beknopte
weergave van de inhoud van een
akte-1 of
brief. Een regestenlijst geeft in
chronologische volgorde regesten, waarin minimaal opgenomen zijn de datum, de
naam van degene van wie de akte is uitgegaan, de naam van de handelende partij
en een korte beschrijving van de rechtshandeling. In brievenedities, met name
die van omvangrijke correspondenties, treft men vaak van de minder interessante
brieven een regest aan met datum, namen van afzender en geadresseerde en korte
samenvatting van de inhoud.
Oorkonden in regestvorm zijn uitgegeven door
G. Brom: Regesten van
oorkonden betreffende het Sticht Utrecht (2 dln., 1908). Een
brieveneditie waarin sommige brieven in regestvorm weergegeven zijn, is die van
G.J. Hooykaas: De briefwisseling
van J.R. Thorbecke.
LIT: Best; Hiller; Ned. Arch.-term.; M. Mathijsen-Verkooijen.
De brieven van De Schoolmeester; documentair-kritische uitgave. Dl. 3:
Verantwoording (1987), p. 31-32; G.J. Hooykaas. ‘Epistolaria’,
in: Spektator 18 (1988-1989), p. 365-367; M. Mathijsen. ‘Het
blozen van brievenediteurs; een reactie op G.J. Hooykaas’
‘epistolaria’, in: Spektator 18 (1988-1989), p. 375-379.
[P.J. Verkruijsse]
| |
regie
De spelleiding bij het instuderen van een dramatisch werk om de
vertoning of verklanking (hoorspel) daarvan mogelijk te
maken. De regisseur geeft op grond van de
toneelaanwijzingen van de auteur in
hoofd- en
neventekst een eigen interpretatie van de
bedoelingen van het stuk door middel van de toneeltechnische vormgeving:
enscenering, decor, speelwijze, kostuums, belichting, geluidseffecten e.d.
Sommige auteurs speelden een rol bij de regie van hun eigen stukken. In
Nederland regisseerden bijv.
Herman Heijermans,
Ary den Hertog en
Lodewijk de Boer eigen toneelwerk.
LIT: Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; A. Winds. Geschichte der
Regie (1925); H. Schwarz. Regie (1965). [G.J. van Bork]
| |
regieaanwijzing zie
toneelaanwijzing
| |
regionale literatuur zie
streekliteratuur
| | | |
register maken
Drukkersterm voor het op de juiste wijze tegenover en op elkaar
staan van de drukregels op
recto- en
verso-zijde van een
blad. Om de
schoon- en
weerdruk goed register te laten maken, dient
het
formaatmaken van
binnen- en
buitenvorm nauwkeurig te hebben
plaatsgevonden. Vervolgens is het nodig dat het
vel voor de weerdruk precies op dezelfde
plek wordt vastgeprikt.
LIT: BDI; Feather; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de
Nederlanden (1962), p. 152; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 128-129; P.M. van Cleef. Handboek
ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p.
140-141; C. Schook. Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en
correctors, ed. F.A. Janssen (1981), p. 114-115; F.A. Janssen. Zetten
en drukken in de achttiende eeuw (19862), p. 351-352. [P.J.
Verkruijsse]
| |
registratuurplan
Term uit de archivistiek voor een ordeningsplan voor de indeling
van een te vormen archief en de rangschikking van de bestanddelen daarvan. In
Nederland is het in het begin van de 20e eeuw door de Zaandamse
gemeentesecretaris
J.A. Zaalberg ontworpen registratuurplan
overgenomen door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het op basis van de
UDC vervaardigde systeem rangschikt de
dossiers zaaksgewijs, niet onderwerpsgewijs, dus niet alle stukken over cultuur
bij elkaar, maar bijv. alleen over de poëzieprijs van de desbetreffende
gemeente.
LIT: BDI; Ned. Arch.-term.; W.J. Formsma en F.C.J. Ketelaar.
Gids voor de Nederlandse archieven (19813), p. 61-63. [P.J.
Verkruijsse]
| |
regressio
Term uit de retorica voor een verduidelijkende
repetitio van elementen van een eerder
genoemd geheel. Een voorbeeld vindt men in
Jan van Houts rede ‘Tot het
gezelschap’ aan de Leidse universiteit van 1575, waarin hij - ter
verduidelijking van de stelling dat de massa onkundig is op het terrein van de
kunstkritiek - repeterend een aantal voorbeelden aanhaalt: een redenaar, een
musicus, een beeldhouwer en een dichter over wie het publiek totaal verkeerd
oordeelt (Jan van Hout. Voorrede tot het gezelschap, ed.
K.J.S. Bostoen,
S. Gabriëls en
J. Koppenol, 1993, p. 9).
LIT: Best; Dupriez-1; Lausberg; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
rei-1
Rei is de renaissancistische term voor
koor uit de Griekse tragedie.
P.C. Hooft is wellicht de eerste die in
Granida (1605) de term ‘rey’ gebruikte. De
rei is een groep dansende toneelspelers die gezamenlijk een onderdeel van een
toneelstuk zingen of reciteren. Dat gedeelte van de tekst dat door de rei wordt
gezongen (het betreft altijd lyrische gedeelten) heet vervolgens ook rei. De
rei onderscheidt zich van het in de handeling betrokken koor doordat ze tussen
de bedrijven door de moraliserende commentaar van de ideale toeschouwer
verwoordt. In de Griekse tragedie is het koor altijd in de gebeurtenissen
betrokken met óf handelingsgebonden functies (samenvatten, verslag doen,
voorspellen e.d.) óf niet-handelingsgebonden functies (moralisatie,
meditatie).
In de klassieke
tragedie van de Nederlandse renaissance valt
een ontwikkeling waar te nemen van koor naar rei bij drama-auteurs als
Abraham de Koning,
P.C. Hooft,
Samuel Coster en
Joost van den Vondel. In Hoofts vroegste
drama's Achilles en Polyxena en Theseus en
Ariadne worden de reien koren genoemd; in het iets jongere
Granida reien. In Vondels eerste tragedie Het
Pascha (1610) komen zowel koren als reien voor, de eerste als
anoniem ‘choor’ en moraliserend na ieder bedrijf, de tweede binnen
het vierde en vijfde bedrijf als ‘Reye der Egyptenaren’ en
‘Reye der Israeliten’. Een enkele auteur gebruikt ook de term
‘zang’ of ‘tussenspraak’ in plaats van rei.
In het
classicistisch drama is geen plaats voor de
rei omdat die zondigt tegen de regel van de waarschijnlijkheid. In later tijd
zijn er nog incidenteel reien te vinden bij
Bilderdijk,
Boutens en
Henriëtte Roland Holst.
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; L. van Gemert.
Tussen de bedrijven door? De functie van de rei in Nederlandstalig toneel
1556-1625 (1990). [P.J. Verkruijsse]
| |
rei-2 of hovedans
Term voor een vorm van dansmuziek (vaak met blaasinstrumenten:
‘pipers’) die in de tweede helft van de 14e eeuw aan het Franse en
Engelse hof in zwang kwam, maar van oorsprong uit het Maas- en Rijnland
afkomstig is. Deze muziek werd ook gebruikt voor teksten die gezongen werden,
meer speciaal voor balladen met refrein (virelai-balladen) die tot de minnelyriek (liefdeslied) gerekend kunnen worden.
Veel van deze teksten zijn verloren gegaan omdat ze vaak snel en
voor de gelegenheid vervaardigd werden en nauwelijks opgetekend zijn. Een
voorbeeld van een hovedans is de virelai-ballade ‘Eyn lyedekin’ in
het Haagse liederenhandschrift (Die Haager
Liederhandschrift, ed.
Kossmann, 1940, nr. 48, p. 64-65).
LIT: Best; F. Willaert. ‘Het minnelied als danslied. Over
verspreiding en functie van een balladeachtige dichtvorm in de late
middeleeuwen’, in: F.P. van Oostrom e.a. (red.). De studie van de
Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst (1989), p. 71-91; F.
Willaert. ‘Minneliederen en hofdansen in de veertiende eeuw’, in:
Literatuur 9 (1992), p. 8-14; F. Willaert. ‘Het zingende
hof’, in: F. Willaert e.a. Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de
Lage Landen (1992), p. 109-123. [H. Struik]
| |
reisbeschrijving zie
reisverslag
| | | |
reisverhaal
Literair subgenre dat inhoudelijk bepaald wordt door het feit dat
reiservaringen en de entourage van vreemde landen en volkeren er de
belangrijkste elementen van vormen. Ook wanneer het reizen gebeurt in
symbolische zin, bijv. als een levensfase of als een menselijke pelgrimstocht
of
queeste, blijft men spreken van
reisliteratuur of een reisverhaal (vgl. de Reis van Sinte
Brandaen). Berust het reisverhaal op fictieve gebeurtenissen en
wekt het alleen de schijn van een werkelijk ondernomen reis dan spreekt men van
een
imaginair reisverhaal. Betreft het een verslag
van een werkelijke reis dan spreekt men van een (scheeps-)journaal of
reisverslag. Tot de beroemde reisverhalen
behoren o.m.
Homerus' Odyssee,
Vergilius' Aeneis,
The pilgrim's progress (1678) van
John Bunyan,
L. Sterne's A sentimental
journey through France and Italy (1768),
Heinrich Heine's
Harzreise (1826) en
E.M. Forsters A passage to
India (1924). Uit deze voorbeelden blijkt al min of meer dat er een
grote variëteit bestaat aan reisverhalen. Die diversiteit beweegt zich
tussen twee uitersten. Enerzijds de fictieve reisverhalen waarin het
uiteindelijk niet gaat om het reizen zelf, maar om symbolische, educatieve,
satirische of moralistische doeleinden. Anderzijds reisverhalen waarin een
werkelijk door de auteur of het opgevoerde personage ondernomen reis
uitgangspunt is en waarin soms gestreefd wordt naar een literaire vormgeving
van het verslag van die reis, en soms het reisverslag als zodanig vanwege de
taal of vormgeving tot de literatuur gerekend wordt. Voorbeelden van het eerste
type zijn
Swifts Gulliver's
travels (1726) of Reize door het Aapenland
(1788) van
J.A. Schasz. Een voorbeeld van het laatste
type is
Bontekoes Journaal ofte
gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische reyse (1646).
Moderne voorbeelden van Nederlandse reisverhalen zijn Een voetreis
naar Rome (1946) van
Bertus Aafjes en Voorbije
passages (1981) van
Cees Nooteboom.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; Lodewick; Metzler; MEW;
Wilpert; M. Link. Das Reisebericht als literarische Kunstform von Goethe bis
Heine (1963); K. Jonckheere. ‘Auteurs op reis’, in: Snoecks
72 48 (1971), p. 259-279; K. Snoek. ‘Lijst van reisverhalen
1834-1844’, in: Documentatieblad Werkgroep 19e Eeuw 2 (1978), p.
105-117; P.H. Pott. ‘De Nederlander en de vreemde medemens in de 18e
eeuw’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw (1979-1980), p.
17-32. [G.J. van Bork]
| |
reisverslag of reisbeschrijving
Verslag (egodocument) van een al dan niet
werkelijk ondernomen reis waarin op een zo natuurgetrouw mogelijke manier een
beschrijving wordt gegeven van de wederwaardigheden van de reiziger, de
bezochte landen, plaatsen en volkeren. Het reisverslag kan de vorm hebben van
een
itinerarium of een
journaal, maar ook van een
reportage, roman of gedicht. Het reisverslag
is niet altijd duidelijk te onderscheiden van het
reisverhaal of van het
imaginaire reisverhaal, omdat sommige
reisverslagen de indruk wekken gebaseerd te zijn op een werkelijk gemaakte
reis, terwijl ze in feite niet bestaande landen en volkeren beschrijven. Soms
ook worden werkelijkheid en fantasie met elkaar vermengd (vgl. De
reis van Jan van Mandeville, 1357).
De oudste reisverslagen zijn reisbeschrijvingen van
pelgrimstochten, vooral die naar bijv. Jeruzalem. Beroemde reisbeschrijvingen
zijn die van
Marco Polo en
Columbus. Nederlandse voorbeelden zijn
de reisjournalen van
Jan Huygen van Linschoten, de zgn.
Itinerario (1579-1592) en
Olivier van Noorts De reis om de
wereld (1598-1601). Veel reisverslagen uit de 16e tot 18e eeuw
betreffen educatiereizen (grand tour). Latere
voorbeelden van reisverslagen zijn
Goethes Italienische
Reise (1816-1817),
Byrons Childe Harolds
Pilgrimage (1812-1818) en
Heines Reisebilder
(1826-1831). In Nederland o.m.
Louis Couperus in
Reisimpressies (1894), de brieven van
G.K. van het Reve in Op weg naar
het einde (1963) en Nader tot U (1966), en
A. Kossmann in
Reislust (1963).
LIT: Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Ned. Arch.-term.; Wilpert; J.N.
Jacobsen Jensen. Reizigers te Amsterdam (1919); R. Lindeman, Y. Scherf
en R.M. Dekker. Reisverslagen van Noord-Nederlanders van de zestiende tot
begin negentiende eeuw; een chronologische lijst (1994); thema-nr.
Reizen van Opossum, tijdschrift voor historische en
kunstwetenschappen 4 (1994), nr. 13/14. [G.J. van Bork/P.J.
Verkruijsse]
| |
rekest, request of requisitie
Term uit de archivistiek voor een verzoekschrift aan een met gezag
bekleed persoon of instelling. Rekesten werden gewoonlijk via een notaris in de
juiste vorm gegoten. Zo kan men in de notariële archieven tal van
verzoekschriften van boekverkopers aantreffen die
privilege aanvragen voor door hen uit te
geven boeken.
Bijv.: Op 13 juli 1661 vraagt de Amsterdamse graveur
Jacobus van Meurs via de notaris octrooi
voor zijn uitgave Afbeelding van 't oude Romen en
Afbeeldinge van 't nieu Romen aan de Staten van
Holland:
Geeft met aller behoorlijcker eerbiedinge te kennen, Iacobus van
Meurs plaetsnijder binnen Amsterdam, U Edele Grootmogende ootmoedige Suppliant,
hoe dat hij heeft bij den anderen compleet gesoght ende verkregen, oock doen
drucken de beschrijvinge ende verhandelinge van out ende nieut Romen [...]
(Amsterdam GA, Not. Arch. 2832, p. 484).
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
religieuze poëzie
Verzamelnaam voor alle poëzie die een religieus, godsdienstig
karakter heeft, veelal kerkelijk gebonden. Voor de Middeleeuwen spreekt men
doorgaans van
geestelijke lyriek. Daaronder valt in die
periode een aantal subgenres, zoals het
Marialied, het
kerstlied, het
devotielied, de
schriftuurlijke liedekens en de
souterliedekens. Ook de mystieke
poëzie, zoals veel strofische gedichten van
Hadewijch, valt onder deze noemer.
De renaissance heeft veel protestants-christelijke poëzie
opgeleverd en ook in de 19e eeuw werd veel religieuze poëzie geschreven.
Op muziek gezet fungeert menig religieus gedicht als
kerklied. In 1819 schreef bijv.
A.C.W. Staring een reeks
Kerkgezangen bij het feest van Jezus' geboorte, Jezus'
opstanding en Jezus' hemelvaart (Gedichten, ed.
Beets, 1861, p. 303-317). Veel 19e-eeuwse
teksten worden ook nu nog gebruikt blijkens het Liedboek voor de
kerken (1973), zoals bijv. ‘Daar is uit 's werelds duistere
wolken’ van
N. Beets, op muziek gezet door
J.G. Bastiaans. Ook teksten van
J.P. Heije en
J.J.L. ten Katekomen in deze gezangbundel
voor. In de 20e eeuw schreef
H. Oosterhuis Dertig liederen
voor een Nederlandse liturgie (1964) die door
Bernhard Huijbers getoonzet werden.
Religieuze poëzie komt voor in het
oratorium en in de
passie. Afhankelijk van de inhoud kan men
deze poëzie ook aantreffen in genres als de
cantate, de
hymne, de
ode, het kerstlied, de spiritual en de
spreuk-3.
LIT: Bantel; Laan; Preminger; Wilpert; M. van der Plas (red.).
Religieuze poëzie der Nederlanden (1959); G. Puchinger. Christen
en kunst (1971); A. van Wilderode (red.). En het woord was bij God -
Vijfhonderd religieuze gedichten uit de Nederlandse letterkunde (1979); H.
Oosterhuis. ‘Wat is religieuze poëzie?’, in: Werkschrift:
uitgave van de Stichting Leerhuis en Liturgie5 (1984-85), 2-3, p. 61-64;
M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. Nederlandse literatuur in de tijd van
Rembrandt (1994), p. 50-70. [G.J. Vis/G.J. van Bork]
| |
remaniement zie
omwerking
| |
renaissance
Renaissance wordt als algemene term gehanteerd voor een opbloei,
een ‘wedergeboorte’ of ‘Gouden Eeuw’, van
verschijnselen of ideeën op enigerlei terrein na een periode van
(vermeend) verval. Zo spreekt men van de renaissance der natuurwetenschappen,
de renaissance der beeldhouwkunst, de Karolingische renaissance enz. Het
wederopbloei-idee in het 15e-eeuwse Italië was gebaseerd op de toenmalige
overtuiging dat er in de oertijd ook zo'n Gouden Eeuw bestaan had. Meer
specifiek gebruikt, is renaissance de aanduiding voor een
stroming in de West-Europese
cultuurgeschiedenis die ook als periodebegrip (periode-1) is gaan fungeren en die - met allerlei nationale
varianten sinds het ontstaan in Italië tot de laatste bloei
in deNederlanden - begrensd wordt tussen de 13e en 18e eeuw. Het
periodebegrip is als vakterm in gebruik na publicatie van het standaardwerk van
Jacob Burckhardt, Die Kultur
der Renaissance in Italien (1860), waarin hij sterk de nadruk legde
op de door de Italiaanse renaissancisten zelf geponeerde interne samenhang van
de renaissance. Dit stringente periodebegrip is in de 20e eeuw afgezwakt:
diverse ‘typisch renaissancistische’ kenmerken worden nu meer
gezien als afzonderlijke ontwikkelingen die vanuit de
Middeleeuwen doorlopen.
In zijn algemeenheid is de renaissance dan de periode waarin een
nieuwe tijd zich profileert ten opzichte van de eraan voorafgaande Middeleeuwen
door diepgaande structurele veranderingen op politiek (vorming van nieuwe
staten, val van Constantinopel in 1453), economisch
(ontdekkingsreizen, opkomst van de handel en het geldwezen) en sociaal (opkomst
van de steden en de burgerij) terrein en op het gebied van kunsten en
wetenschappen waar aanvankelijk de vernieuwing aangeduid wordt met de term
humanisme. Het eerst ontstaat dit nieuwe
concept (universeler, rationeler, individueler, anthropocentrischer dan dat van
‘de’ Middeleeuwen) in Italië in de 13e eeuw waar
Dante in taalkundig opzicht de literaire
renaissance inluidt met zijn ideeën over een beschaafde nationale taal als
tegenhanger van het klassiek Latijn op het moment dat in de Nederlanden
Jacob van Maerlant zijn ideeën op
middeleeuwse wijze vormgeeft.
De renaissancistische opvattingen verbreiden zich vooral na de
uitvinding van de boekdrukkunst in snel tempo naar Spanje, dat
nauwe politieke relaties had metNoord-Italië, naar
Portugal, Frankrijk, deNederlanden en
Engeland. De literaire nationale varianten hebben in de
literatuurgeschiedenis ook aparte benamingen gekregen. In Italië
onderscheidt men de stroming van het
petrarkisme die vanaf midden 14e eeuw een
grote invloed gaat uitoefenen op de literatuur inWest-Europa. In
de 15e eeuw ontstaan in Italië twee stromingen, een filosofische,
aangeduid als
neoplatonisme, die christendom en platonisme
tracht te verenigen, en een maniëristische (maniërisme) stroming waaronder later in Italië het
marinisme gerangschikt kan worden en die in
Spanje aangeduid wordt met
gongorisme, inFrankrijk met
préciosité, in
Engeland met
euphuism en inDuitsland met
Schwulst.
De situatie wordt extra gecompliceerd doordat vanaf ongeveer 1520
de reformatie in bepaalde gebieden van Europa invloed gaat
uitoefenen tegelijk met het doordringen van de renaissance én doordat
vanaf de tweede zitting (1551-1552) van het Concilie van Trente (1545-1563) de
Contrareformatie op gang komt, welke laatste
beweging in verband gebracht wordt met de
barok. Deze factoren hebben wellicht tot
gevolg gehad dat Duitsland de renaissance als het ware heeft
‘overgeslagen’.
In de noordelijke Nederlanden vindt het humanisme een goede
voedingsbodem in de beweging van de
Moderne Devotie: eind 15e eeuw vallen de
filologische, Latijntalige activiteiten van o.a.
Erasmus. In het Zuiden is omstreeks 1500
een typografische renaissance te onderscheiden door toedoen van
Dirk Martens en
Joannes Grapheus die daar de romeinse en
cursieve drukletter introduceren ter vervanging van de
‘middeleeuwse’ gotische letter. De renaissance in de schilder- en
tekenkunst kan gesitueerd worden vanaf 1520 (
Quinten Matsijs,
Pieter Coecke van Aalst;
Jan van Scorel,
Maarten van Heemskerck) en die in de
architectuur en wetenschap vanaf ongeveer 1540 (de eerste Nederlandse
Vitruvius-editie verscheen in 1539; Gemma Frisius; Mercator). In literair
opzicht laat men de Nederlandse renaissance vaak beginnen in 1567, het jaar
waarin de eerste echt-renaissancistische poëziebundel ontstond:
Jan vander Noots Het
Bosken.
De Nederlandse renaissanceliteratuur staat door de aanwezigheid
van het Franstalige Bourgondische hof te Brussel sterk onder
invloed van de Franse
Pléiade-beweging die de
moraalfilosofie van het humanisme gecombineerd had met de schoonheidsidealen
van het neoplatonisme en de vormen van het petrarkisme. Kenmerkend voor de
renaissanceliteratuur is het teruggrijpen op klassieke teksten: in formeel
opzicht het hernieuwde gebruik van de klassieke genres als
tragedie,
blijspel,
epos,
ode en
epigram, bepaalde stijlfiguren (woord- en zinsfiguren) en van de klassieke versmaten als de
jambe. Inhoudelijke kenmerken zijn vormen
van
beeldspraak (gedachtefiguren) en motieven uit de Klassieke Oudheid
(mythologie en geschiedenis). Naarmate de renaissance zich verbreidt, worden
ook elementen en genres van de voorgaande nationale renaissancistische
bewegingen overgenomen, zoals het petrarkisme in de Pléiade en
vervolgens Pléiade-elementen in de Nederlandse en Engelse renaissance,
of zoals de
emblematiek, die met name in de Nederlanden
tot grote bloei komt.
Zestiende-eeuwse Zuid-Nederlandse rederijkers die klassieke
elementen verwerken, zijn o.a.
Jan Baptist Houwaert en
Lucas de Heere. Met de reeds genoemde
Jan vander Noot breekt de renaissance
echt door, echter niet in het Zuiden dat door de politieke ontwikkelingen van
de Tachtigjarige Oorlog onder Spaanse invloed blijft. De nieuwe ontwikkelingen
zetten door in humanistisch-universitaire kring in Leiden waar
Jan van der Does en
Jan van Hout actief zijn,
inHaarlem waar zich een schilders-dichterskring rond Karel van
Mander heeft geformeerd en vooral in Amsterdam waar zich vanuit
Haarlem ook Van Mander en
Coornhert vestigen. Binnen de
Amsterdamse rederijkerskamers De Eglantier en de Brabantse kamer Het Wit
Lavendel voltrekt zich de literaire vernieuwing die leidt tot de productie van
bijvoorbeeld de komedies van
G.A. Bredero, de tragedies van
Samuel Coster,
P.C. Hooft en
J. van den Vondel, de petrarkistische
liefdespoëzie van Hooft, de emblemata van
J. Cats, het geschiedkundig proza van
P.C. Hooft.
In de tweede helft van de 17e eeuw krijgen ook hier de strakke
opvattingen van het Frans-classicisme de overhand. De
oprichting van het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum in 1669 wordt
beschouwd als het einde van de Nederlandse renaissance.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Brongers; Cuddon; Gorp;
Knuvelder, dl. 1 (1970), p. 313-351, 514-519; dl. 2, (1971), p. 1-76;
Krywalski; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; J. Burckhardt. De cultuur der Renaissance in
Italië (1860; Nederl. vert. 2 dln. Prisma, 1960); A.G. van Hamel.
Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in
Nederland (1918); H. Baeyens. Begrip en probleem van de Renaissance
(1952); P.O. Kristeller. Renaissance thought (2 dln., 1955-1965); J.
Huizinga. Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw
(19633); J.A. Mazzeo. Renaissance and revolution; the remaking of
European thought (1965); H. Levin. The myth of the Golden Age in the
Renaissance (1969); L.W. Spitz. The Renaissance and Reformation
movements (1971); J.L. Price. Nederlandse cultuur in de gouden eeuw
(1976); M. Spies. Des mensen op- en nedergang; literatuur en leven in de
noordelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw (1985); H.D.L. Vervliet.
‘Humanisme en typografie: de introductie van de romein en cursief in de
Nederlanden (1483-ca. 1540)’, in: Boek, bibliotheek en
geesteswetenschappen; opstellen door vrienden en collega's van dr. C. Reedijk
geschreven t.g.v. zijn aftreden als bibliothecaris van de Koninklijke
Bibliotheek te 's-Gravenhage (1986), p. 316-330; De smaak van de elite;
Amsterdam in de eeuw van de beeldenstorm, [tentoonstellingscatalogus
Amsterdams Historisch Museum] o.r.v. R. Kistemaker en M. Jonker (1986); E.K.
Grootes. Het literaire leven in de zeventiende eeuw (19882);
P. Burke. De Renaissance (19902); M.A. Schenkeveld-Van der
Dussen. Nederlandse literatuur in de tijd van Rembrandt (1994); H.M.
Beliën, A.Th. van Deursen en G.J. van Setten (red.). Gestalten van de
Gouden Eeuw; een Hollands groepsportret (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
repertoire
Opgave van de stukken of nummers die door een uitvoerend
kunstenaar of door een (toneel)gezelschap voor het publiek kunnen worden
uitgevoerd. Meestal beperkt men het repertoire tot de reeks uitvoeringen of
opvoeringen die voor één seizoen op het programma staan bij een
bepaald (toneel)gezelschap of bij een bepaald theater. Van sommige stukken zegt
men dat ze ‘repertoire houden’, waarmee men bedoelt dat ze
regelmatig worden opgevoerd omdat er steeds weer belangstelling voor blijkt te
bestaan.
LIT: Gorp; J.R. Taylor. A dictionary of the theatre
(19755). [G.J. van Bork]
| |
repertorium
Term uit de bibliografie voor een bibliografisch naslagwerk voor
een bepaald wetenschapsgebied of met betrekking tot een bepaald onderwerp,
bijv.
B. Besamusca. Repertorium van
de Middelnederlandse Karelepiek (1983), id. Repertorium
van de Middelnederlandse Arturepiek (1985), en uit de archivistiek
voor een index met analyses van de teksten waarnaar wordt verwezen. Toch wordt
in de archiefwereld de term repertorium ook wel in de eerste betekenis
gebruikt, bijv. voor
W.J. Formsma en
B. van 't Hoff, Repertorium van
inventarissen van Nederlandse archieven (19652) en
E.A. van Beresteyn, Genealogisch
repertorium (nieuwe uitg. 1972).
Van belang voor de neerlandistiek zijn o.a. het
Repertorium van het rederijkersdrama (1968) van
W.M.H. Hummelen, het Repertorium
van het ernstige drama in de Nederlanden 1600-1650 (1983) van
H. Meeus, het Repertorium
doctoraalscripties 1981-1985: neerlandistiek en kunstgeschiedenis
(1988), het Repertorium van het oude boekenbezit in
België (1989) en het Repertorium van de
Middelnederlandse artes-literatuur van
R. Jansen-Sieben (1989).
LIT.: BDI; Best; Brongers; Hiller; Laan; Metzler; Ned. Arch.-term;
Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
repetitio
Stijlfiguur die berust op het principe van de
herhaling en die, evenals het
parallellisme, een van de meest voorkomende
herhalingsfiguren in onze letterkunde is. De repetitio berust op herhaling van
de woordvorm en is daarmee in feite meestal identiek met rime riche of
gelijk rijm. Bijv.:
Ik ben een architect en bouw een huis.
De stenen uit het vuur. De stenen uit het water.
(
G. Komrij. Alles onecht, 1984,
p. 24).
Dit voorbeeld bevat zelfs een meerledige repetitio, en tevens laat
het zien hoe een repetitio kan zijn ingebed in een parallellisme door de
syntactische herhaling van het subject (‘De stenen’) en de bepaling
(‘uit’).
De repetitio kent allerlei verschijningsvormen:
anafora,
iteratio,
ploce,
epanalepsis. Ook
battologie en
dittografie kunnen hierbij genoemd worden.
Het
cyclisch gedicht bestaat bij de gratie van
de repetitio. De stijlfiguur kan de vorm hebben van een
chiasme. Zij speelt een specifieke rol in de
climax-1.
LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2;
Gorp; Herman/Vervaeck; Lausberg; LdMA; Lodewick; Morier; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
reportage
Mondeling, schriftelijk of beeldverslag door een verslaggever,
auteur of filmer van een bepaalde gebeurtenis of situatie waarbij hij in
persoon aanwezig is of is geweest. Terwille van de waarheid zal de verslaggever
de indruk willen wekken het waargenomene zo feitelijk mogelijk weer te geven,
wat niet wegneemt dat het hem vrij staat zijn subjectieve commentaar daaraan
toe te voegen. Geen verslaggever ontkomt bij een voetbalwedstrijd aan het
vermelden van de doelpunten, maar de wijze waarop ze gemaakt zijn en zijn
commentaar erop zal o.m. bepaald worden door de kant waar ze vallen. In feite
berust de reportage dan ook op waarneming, interpretatie daarvan, kritische
reactie en verwoording van die drie elementen.
Een literaire vorm van de reportage is de
reportageroman, maar ook in
experimenteel proza wordt wel gebruik
gemaakt van de reportage. Een speciale vorm van de reportage vormt het
reisverslag. Veel literatoren hebben
reportages geschreven. Het maandblad Avenue heeft bijv. verschillende
auteurs ingeschakeld voor het schrijven van reportages over landen of
gebeurtenissen die zij bezocht, respectievelijk bijgewoond hebben (
C. Nooteboom,
H. Mulisch,
R. Rubinstein e.a.). Bekend zijn ook de
reportages van
Godfried Bomans en
Jan Wolkers van hun verblijf
opRottumerplaat.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; Scott; Wilpert.
[G.J. van Bork]
| |
reportageroman
Roman waarin op een zo feitelijk en zakelijk mogelijke manier
gebeurtenissen, situaties of ontwikkelingen worden beschreven door een auteur
die zich daarbij opstelt alsof hij een verslaggever is. De realistische
weergave, de vaak vergaande vermelding van feitelijke gegevens (maten,
getallen, tijden etc.), het gebruik van
journalistiek proza en soms ook
telegramstijl wekken de indruk van een hoge mate van objectiviteit. Daarnaast
worden procédés toegepast die aan de film ontleend zijn, zoals
simultaneïteit en
scenische presentatie.
De meeste reportageromans werden in Nederland geschreven tussen
1930 en 1940. Daarbij blijkt vooral
Ilja Ehrenburgs roman 10PK.
Das Leben der Autos (1930) van grote invloed geweest te zijn.
Nederlandse voorbeelden zijn 8.100.000 M3 zand
(1932) en Gelakte hersens (1934) van
M. Revis, Stad
(1932) van
B. Stroman,
Zuiderzee (1934) van Jef Last. Deze reportageromans
worden tot de
nieuwe zakelijkheid gerekend.
LIT: H. Marsman. ‘De aesthetiek der reporters’, in:
Verzameld Werk (1960), p. 403-410; H. Anten. Van realisme naar
zakelijkheid (1982), p. 88-121. [G.J. van Bork]
| |
representant of lettre d'attente
Begrip uit de codicologie voor een klein loodslettertje in de
marge van een tekst, waarmee de
kopiist aangaf dat er op de opengelaten
plaats door de rubricator nog
paragraaftekens of andere
tekststructurerende elementen moesten worden aangebracht. In luxueuze
middeleeuwse handschriften behoorde het niet tot de taak van de kopiist de
gekleurde
initialen,
lombarden en paragraaftekens neer te zetten,
maar werd dat door de rubricator gedaan. Om deze in staat te stellen de juiste
letter in te vullen, zette de kopiist bij wijze van representant een klein
lettertje in de marge vóór de plaats (of op de plaats zelf) waar
de uiteindelijke letter moest komen. Ook rubrieken (rubricatie) werden op deze manier aangegeven.
Vaak gebruikte men voor representanten een ander schrift (bijv.
littera cursiva) en veel afkortingen (abbreviaturen). Een paragraafteken werd gerepresenteerd door
twee puntjes of twee schuine evenwijdige streepjes.
Representanten waren bedoeld om later te worden verwijderd, hetzij
door middel van
rasuur, hetzij door wegsnijden bij het
binden. Als een representant in de vouw van een blad wordt aangetroffen, is het
een aanwijzing dat de
codex op ongevouwen bladen is geschreven.
Juist deze kleine aantekeningen die weggehaald hadden moeten worden, kunnen ons
veel leren over de manier van werken in een
scriptorium.
De gewoonte om initialen en lombarden te representeren werd
overgenomen door de eerste boekdrukkers (incunabel).
LIT.: W. Kuiper. ‘Lombarden, pragraaf- en
semiparagraaftekens in Middelnederlandse epische teksten’, in:
Spektator 10 (1980-1981), p. 50-85; J.M.M. Hermans en G.C. Huisman.
De descriptione codicum (19813), p. 39; D. Hogenelst & F.
van Oostrom. Handgeschreven wereld (1995), p. 32-34. [H. Struik]
| |
reprint of anasta(l)tische uitgave
Term uit de editietechniek (teksteditie)
voor het door een uitgever fotografisch reproduceren van een eerder verschenen
druk, gewoonlijk zonder (nieuwe) inleiding
of verantwoording door een
editeur. Reprint moet dus duidelijk
onderscheiden worden van
herdruk, waarvoor nieuw zetsel vervaardigd
moet worden; een reprint is in principe een nieuwe
oplage.
Deze vorm van de
facsimile-editie is snel en goedkoop en
wordt toegepast op zowel
primaire als
secundaire literatuur. De grote hoeveelheid
reprints, met name in de decennia 1960 en 1970, van vooral complete
tijdschriften, naslagwerken en zeldzame primaire teksten valt toe te schrijven
aan het oprichten van tal van nieuwe bibliotheken en de indertijd toenemende
studentenaantallen.
Reeds in het midden van de 19e eeuw bestond een geheel ander
anastatisch procédé waarbij de gedrukte tekst van zijn
oorspronkelijke drager via een chemisch proces overgebracht werd op een metalen
plaat, hetgeen meestal beschadiging van het origineel tot gevolg had.
Ten behoeve van de neerlandistiek zijn tal van reprints op de
markt gebracht, zoals alle embleembundels van
Jan Luyken in 1977, de Kleine
gedichten voor kinderen van
Van Alphen (1973) of de 2e druk van het
zevendelige handboek De ontwikkelingsgang der Nederlandsche
letterkunde (1922-1927) van
J. te Winkel in 1973. De serie met de dus
in principe onjuiste naam Utrechtse Herdrukken van HES Publishers bracht
reprints van o.a.
R. Jacobsens studie over
Karel van Mander, van
W. Drops Verbeelding en
historie en van
A.G. van Hamels
Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur
in Nederland.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; MEW; E. Cockx-Indestege en C.
Lemaire. Handschriften en oude drukken in facsimile van 1600 tot 1984
(catalogus KB Brussel 1984), p. 17-18. [P.J. Verkruijsse]
| |
reproductietechnieken
Druktechnische term voor het kopiëren, het ‘opnieuw
voortbrengen’, van een bestaande afbeelding (prent, schilderij enz.) door middel van technische
hulpmiddelen. Het reproduceren kan zowel via
hoogdruk, als via
diepdruk en
vlakdruk. Tot de
hoogdrukprocédés horen de
houtsnede en het
cliché-2, tot de
diepdrukprocédés horen gravure en ets en tot de
vlakdrukprocédés de
steendruk en de
offset.
LIT: BDI; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken
(1986), p. 111-130. [P.J. Verkruijsse]
| |
Republiek der Letteren of respublica
litteraria
Onder de Republiek der Letteren verstaat men de in de tweede helft
van de 17e eeuw inFrankrijk ontstane idee van een internationale
gemeenschap van geleerden en filosofen die door middel van correspondentie en -
later - tijdschriften en geleerde genootschappen vrij hun denkbeelden
uitwisselden en verspreidden onder een groter publiek. Men kan de Republiek der
Letteren zien als een wegbereider van de
verlichting.
Het eerste tijdschrift met die doelstelling was het
Journal des Savans (1665); het bekendste
geleerdentijdschrift werd Pierre Bayles Nouvelles de la
République des Lettres (1684-1687), uitgegeven in
Rotterdam bij
Reinier Leers, die als uitgever een
belangrijke rol gespeeld heeft in de Republiek der Letteren. Het eerste
Nederlandse geleerdentijdschrift was
Pieter Rabus' Boekzaal van
Europe (1692-1702). Binnen de Republiek der Letteren nam de Leidse
universiteit met geleerden als
Heinsius en
Salmasius,
Lipsius en
Scaliger een belangrijke plaats in.
Vóór de 17e eeuw was er ook wel het gevoelen van een
respublica litteraria (et christiana), maar de nieuwe Republiek der Letteren
staat veel meer dan voorheen open voor wetenschappelijke observatie, discussie
en confrontatie van ideeën van diverse herkomst, niet (alleen) meer in het
Latijn, maar ook in de diverse moedertalen. De burgers uit de Republiek der
Letteren weten volgens
Bayle in zijn voorwoord van de
Nouvelles de la République des Lettres:
‘nous sommes tous égaux, nous sommes tous parents, comme enfants
d'Apollon’.
LIT: C.L. Thijssen-Schoute. Uit de Republiek der Letteren; elf
studiën op het gebied der ideeëngeschiedenis van de Gouden Eeuw
(1967); H. Bots. Pieter Rabus en de Boekzaal van Europe 1692-1702;
verkenningen binnen de Republiek der Letteren in het laatste kwart van de 17e
eeuw (1974); P. Dibon. ‘L'Université de Leyde et la
République des Lettres au 17e siècle’, in: Quaerendo
5 (1975), p. 4-38; H. Bots (red.). Henri Basnage de Beauval en de
‘Histoire des Ouvrages des Savans’, 1687-1709; verkenningen binnen
de Republiek der Letteren aan de vooravond van de Verlichting (1976);
J.J.V.M. de Vet. Pieter Rabus. Een wegbereider van de Noordnederlandse
Verlichting (1980); O.S. Lankhorst. Reinier Leers (1654-1714)
(1983); Saskia Stegeman. Patronage en dienstverlening. Het netwerk van
Theodorus Janssonius van Almeloveen (1657-1712) in de Republiek der
Letteren (1996). [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
res
Term uit de retorica voor de zaken of onderwerpen die aan de orde
komen bij de
inventio en
dispositio. In de
elocutio worden de res verwoord met behulp
van
verba. De voorraad res waarover een redenaar
of auteur beschikt, is de
copia rerum.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
respublica litteraria zie
Republiek der Letteren
| |
retardering zie
vertraging
| |
reticentia of aposiopese
Retorische stijlfiguur in de vorm van een bewuste
anakoloet, het afbreken van een
gedachtegang, omdat men te opgewonden is om een zin verder af te maken, of
omdat men indruk wil maken door het idee te geven dat de niet afgemaakte
gedachte iets heel bijzonders bevat. Bijv.:
En Wanna akert. Zij benut veel water, zij is proper, zij ... Met
een ruk schoot Warden uit den halfslaap. (Jan H.
Eekhout. Warden een koning, 1937, p. 134).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Gorp; Lausberg; Metzler; Morier;
Preminger. [P.J. Verkruijsse]
| |
retorica of ars rhetorica
Leer van de welsprekendheid. Eén van de
artes liberales uit het
trivium, nl. de op de praktijk gebaseerde
theorie omtrent de techniek van een goede mondelinge taalbeheersing (ars bene dicendi; later ook van de schriftelijke
taalbeheersing), en van overreden en overtuigen (ars
persuadendi). Die techniek was met name nodig op drie terreinen - de
juridische, politieke en gelegenheidstoespraak - waarvoor men de drie
genera causarum onderscheidde,
respectievelijk het
genus iudiciale, het
genus deliberativum en het
genus demonstrativum. Het overtuigen kon
gebeuren door middel van onderrichten (docere) of
bewijzen (probare), door emotioneren (movere) of voor zich innemen (delectare
of
conciliare). Bij ieder middel hoort een
bepaald stijlniveau, nl. een verheven (genus grave),
midden- (genus medium) en gewone stijl (genus humile): de
genera elocutionis.
De taken van de redenaar, respectievelijk auteur (officia oratoris), bestaan uit het vinden van de stof (inventio), het ordenen (dispositio) en
formuleren (elocutio) daarvan, voordat hij toe is aan
het uit het hoofd leren (memoria) en uitspreken (pronunciatio of actio) van de rede.
Het systeem van de klassieke retorica ontwikkelde zich vanaf de 5e
eeuw v.Chr. inGriekenland en is overgeleverd via met name de
Rhetorica ad Herennium en
Cicero's De
inventione en De oratore (vandaar de in deze
discipline gehanteerde Romeinse terminologie voor van oorsprong Griekse
begrippen). In de Romeinse keizertijd beleefde het retoricaonderwijs een
dieptepunt, hoewel in de poëzie uit die periode (
Vergilius,
Horatius,
Ovidius) duidelijke retoricale trekken
zitten.
Dankzij
Quintilianus' De institutione
oratoria ontstaat er een tijdelijke opleving in de 1e eeuw n.Chr.
en nogmaals in de 4e eeuw, welke laatste van invloed is geweest op de
middeleeuwse leer der artes liberales. Cicero en Quintilianus werden in de
renaissance opnieuw ontdekt en door de onderwijspraktijk van de humanisten
kreeg de retorica veel aandacht op de Latijnse school. De leraar las veel
teksten met de leerlingen (praelectio), die zelf ook
materiaal verzamelden (copia rerum,
copia verborum) en uit het hoofd leerden
(memoria) door herhaalde
repetitio,
exercitatio en
imitatio. Deze schoolpraktijk verklaart de
sterke invloed van de retorica op de humanistische en renaissancistische
literatuur, bijv. ook op verschillende onderdelen van het renaissancedrama. In
de loop van de 17e eeuw begint die invloed echter af te nemen, deels door een
steeds geringer worden van de invloed van de klassieke opvoeding, deels door
het verouderen van de klassieke argumentatieleer.
Eind 18e eeuw komt er echter een leerstoel voor Nederlandse taal
en welsprekendheid, bezet door
Matthijs Siegenbeek. Via de hoogleraren
B.H. Lulofs en
Matthias de Vries en via de praktijk van
de literaire maatschappijen en genootschappen zet de welsprekendheid - meestal
verengd tot stijl- en spellingleer - zich voort. Een nieuwe impuls krijgt de
taalbeheersing door de leerstoel van
Garmt Stuiveling
inAmsterdam in 1952. Vanaf 1970 wordt de ‘nieuwe
retorica’, nu als subdiscipline van de neerlandistiek onder de aanduiding
‘Taalbeheersing’, weer overal praktisch en theoretisch
beoefend.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Cuddon; Fowler; Gorp; Krywalski; Lausberg; LdMA; Leeman/Braet; Lodewick;
Metzler; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; P.N.M. Bot.
Humanisme en onderwijs in Nederland (1955); M. Weller en G. Stuiveling.
Moderne welsprekendheid; handboek voor mondelinge taalbeheersing (1961);
P. Dixan. Rhetoric (1971); A. Braet (red.). Taalbeheersing als nieuwe
retorica; een historisch, programmatisch en bibliografisch overzicht
(1980), p. 7-45; F.H. van Eemeren, R. Grootendorst en T. Kruiger.
Argumentatietheorie (19812); F.H. van Eemeren, R.
Grootendorst en T. Kruiger. Argumenteren (1984); P. Verdonk. Het
bevrijde icoon. Van klassieke retorica naar cognitieve stilistiek (1997);
E. Sjoer en A. Braet. ‘Van welsprekendheidsleer tot communicatiekunde;
twee eeuwen universitaire taalbeheersing’, in: Onze Taal 66
(1997), p. 204-206. [P.J. Verkruijsse]
| |
retoriek
Term uit de stijlleer, niet te verwarren met
retorica, ter aanduiding van die vorm van
beeldspraak waarin
cliché-1 en
bombast samengaan, en die door de lezer of
criticus wordt ervaren als onbezield gebruik van overspannen taal. Politici
leveren er in hun toespraken veel voorbeelden van, zoals de formule ‘wij
met z'n allen’. Dankbaar stort de humorist zich op deze gevallen van
suggestief bedoeld maar nietszeggend, veelal ‘wollig’ taalgebruik,
zoals
K. van Kooten in de volgende
passage:
Maar nu [...] zou ik me willen afvragen welk antwoord we moeten
geven op deze Oosteuropese problematiek (De ergste
treitertrends, 1976, p. 45).
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Scott; J.M. Acket en C.F.P.
Stutterheim. Stijlstudie en stijloefening (196011), p. 90,
101. [G.J. Vis]
| |
retorische vraag
Term uit de stijlleer voor een nadrukkelijke mededeling in de vorm
van een vraag, veelal met negatie, met de bedoeling de lezer of luisteraar te
prikkelen tot nadenken. Vandaar dat het vraagteken soms vervangen wordt door
het uitroepteken, zoals in het gedicht ‘Kerstnacht’ van
M. Nijhoff:
Is de wereld soms niet een paradijs!
(VW, dl. 1, 1982, p. 139).
LIT: Baldick; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Lodewick;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
retroactum
Term uit de archivistiek voor een
bijlage die oorspronkelijk - al dan niet
binnen hetzelfde archief - in een ander verband, gewoonlijk als zelfstandig
bewijsstuk, is opgemaakt. Het meest bekend zijn de retroacta van de burgerlijke
stand, bestaande uit de kerkelijke doop- en trouwboeken van vóór
1811 die voor een goed functioneren van deze nieuwe dienst gevorderd werden en
op de gemeentehuizen werden geplaatst.
LIT: Ned. Arch.-term.; W.J. Formsma en F.C.J. Ketelaar. Gids
voor de Nederlandse archieven (19813), p. 75. [P.J.
Verkruijsse]
| |
retrograde zie
kreeft(ge)dicht
| |
retrograde woordenboek
Retrograde woordenboeken zijn woordenlijsten waarin de trefwoorden
gealfabetiseerd worden vanaf hun laatste letter: de lijst begint dus met
woorden die eindigen op ‘-a’ en eindigt met woorden die als laatste
letter een ‘-z’ hebben. Dit soort overzichten, waarvan de
samenstelling door gebruik van de computer vereenvoudigd is, kan dienen voor
woordvormings- en rijmonderzoek. Ook frequentielijsten zijn wel retrograad
ingericht: daaruit wordt direct duidelijk welke achtervoegsels bijvoorbeeld het
meest frequent gebruikt worden.
Voor het nieuwere Nederlands is er het Retrograde
woordenboek van de Nederlandse taal (1969) van
E.R. Nieuwborg, gebaseerd op de 8e druk
van
Van Dale en voorzien van een retrograad
supplement op Van Dale door
W. Smedts.
B. van den Berg vervaardigde een
Retrograad woordenboek van het Middelnederlands (1972)
gebaseerd op het Middelnederlandsch handwoordenboek.
LIT: D. Geeraerts en G. Janssens. Wegwijs in woordenboeken
(1982), p. 135-139. [P.J. Verkruijsse]
| |
retrospectief aspect
Term uit de drama-analyse voor één van de vijf te
onderscheiden
handelingsaspecten in het drama en wel dat
aspect dat verwijst naar een uitspraak of handeling uit het verleden. Het
retrospectief aspect heeft een emotioneel effect (verbazing, ontroering,
verrassing, humor e.d.) doordat de toeschouwer geconfronteerd wordt met een
speelhandeling die verband houdt met iets
wat eerder getoond is en doordat dat verband ook gelegd wordt. Wanneer bijv.
Robbeknol in
Bredero's Spaanschen
Brabander (1618) in dienst treedt bij
Jerolimo en deze laatste zich gedraagt als
een ‘grand seigneur’, legt de toeschouwer ongetwijfeld verband met
de proloog waarin Jerolimo verteld heeft van zijn berooide staat.
Het retrospectief aspect is vergelijkbaar met de
retroversie van de verteltheorie.
LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama
(19702). [G.J. van Bork]
| |
retrospectieve bibliografie
Een
subjectieve of
objectieve bibliografie die publicaties uit
een afgesloten periode registreert, bijv.
incunabelen,
postincunabelen, narratief-fictioneel proza
uit de 18e eeuw, of alle secundaire literatuur uit het verleden met betrekking
tot een auteur. Een retrospectieve bibliografie is dus duidelijk iets anders
dan een
afgesloten bibliografie, die niet bedoeld is
om na verschijnen vervolgd te worden. Een retrospectieve bibliografie kan dan
ook heel wel een
lopende bibliografie zijn.
LIT: BDI; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995), p. 68. [P.J. Verkruijsse]
| |
retroversie, flashback, terugblik of
terugverwijzing
Afwijking van de chronologie in de vertelwijze (anachronie) door terug te gaan in de tijd en de lezer iets mee
te delen wat reeds eerder heeft plaatsgevonden. Retroversie kan gebruikt worden
om de lezer inzicht te verschaffen in het nu van het vertelde. In het
laatste hoofdstuk van Opwaaiende zomerjurken (1979) van
Oek de Jong wordt bij herhaling verwezen
naar het eerste hoofdstuk waarin de kinderjaren van de hoofdpersoon beschreven
worden. Deze terugverwijzingen dienen mede als verklaring voor de reacties van
de hoofdpersoon in dat laatste hoofdstuk. Bovendien kan het ontbreken van
elementen uit het verleden, die dan later als terugblik gegeven worden,
bijdragen aan de
spanning van het verhaal. Op deze wijze
onthult
Couperus in Van de oude menschen
de dingen die voorbij gaan (1906) bij stukjes en beetjes in
retroversie de toedracht van de moord van
Takma en
Ottilie, zestig jaar geleden in
Indië.
De term flashback is ontleend aan de filmkunde:
herinneringsbeelden (subjectieve anachronie) of gewoon
beelden uit het verleden (objectieve anachronie) worden
opgenomen als onderbrekingen van de gevolgde chronologie. In de dramatheorie
spreekt men bij handelingsaspecten met een terugverwijzend karakter van
retrospectief aspect.
LIT: Bal; Bergh; Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; Herman/Vervaeck;
Prince; Scott. [G.J. van Bork]
| |
retrozijn
Benaming uit de 16e en 17e eeuw voor een lid van een
rederijkerskamer. Het woord is een
verbastering van het Franse ‘rhétoricien’:
Baste, al stillekens, ick hees ghenoegh van die muffe miskienen
Retrosynen (G.A. Bredero. Spaanschen Brabander. Ed. Stutterheim,
1974, p. 168, r. 221).
Hiervan afgeleid is het werkwoord ‘retrozijnen’: op de
wijze van een rederijker voordragen.
LIT: WNT. [H. Struik]
| |
reveil
Aanduiding voor een drietal bewegingen van
protestants-christelijke schrijvers inNederland sinds de eerste
helft van de 19e eeuw. De eerste, door
A. Pierson getypeerd als ‘de
romantische school van Duitsland in het Nederlands Protestantische
overgezet’, begint bij de theoloog
A. Schotsman (1754-1822) die in zijn
Eerezuil ter gedachtenis van de vóór tweehonderd jaren
te Dordrecht gehouden Nationale Synode (1819; herdrukt met voorrede
van
Bilderdijk) de hoop uitsprak dat het
geloofsbeginsel van het calvinisme weer tot levensbeginsel van
het Nederlandse volk zou worden. Bilderdijk wordt wel de vader van het reveil
genoemd. Hij benadrukte handhaving van de orthodoxie gecombineerd met
persoonlijke geloofsbeleving; ‘gevoelig calvinisme’ zou men deze
stroming kunnen noemen. Tot die kring rekent men
J. van Lennep,
I. da Costa,
W. de Clercq,
A. Drost en
A.L.G. Bosboom-Toussaint. Een belangrijk
document is Da Costa's Bezwaren tegen den geest der eeuw
(1823), met afwijzing van constitutioneel koningschap en vrijheid van drukpers,
en verdediging van vorstelijk absolutisme en slavernij. Hoewel men vanwege de
maatschappelijke gerichtheid van sommigen (zoals
De Clercq) een verwantschap kan zien
tussen dit reveil en de grote stroming van de
verlichting, moet men toch, gezien de
ideologie van mensen als Bilderdijk en Da Costa, constateren dat het reveil,
als reactie op het verlichtingsdenken van schrijvers als Kinker, zich in vele
opzichten lijnrecht tegenover de verlichting opstelt.
Het zogenaamde ‘tweede reveil’ is nauw verbonden met
de schrijver
G. Gossaert (1884-1958), medewerker aan
het protestants-christelijke Ons Tijdschrift (1896-1914). Hij
inspireerde zich op Bilderdijk en stelde dat de daad en het daaruit
voortspruitend geloof niet aan de rede ontspringen, maar aan het
‘gemoed’. De beweging van ‘het derde reveil’ valt voor
een groot deel samen met de inhoud van de gelijknamige bloemlezing van
‘jong-protestantse dichters’ uit 1934, ingeleid door
K. Heeroma, waarin, naast de
‘Inleiding’ (p. 5-55) bijdragen staan van
W. de Mérode,
R. Houwink,
W.A.P. Smit,
Muus Jacobse (pseud. van K. Heeroma) en
H.M. van Randwijk.
LIT: Knuvelder, dl. 3 (1973), p. 331-333; Laan; MEW; M.E. Kluit.
Het protestantse Reveil in Nederland en daarbuiten (1970); D. Zwart.
‘“Een programma lijkt mij onmisbaar”. K. Heeroma en
“Het derde réveil”’, in: D. Zwart (red.).
‘Ik heb mijzelf in woorden weggegeven’; K. Heeroma als
literator, thema-nr. Bloknoot 3 (1994 [=1996]), nr. 4, p. 48-119.
[G.J. Vis]
| |
revisie
Term uit de drukkerswereld voor een tweede of latere
drukproef. De eerste proef wordt gewoonlijk
in niet-opgemaakte vorm, dus op stroken, ter drukkerij gecorrigeerd. De auteur
wordt vervolgens voor het eerst met een drukproef in eerste revisie
geconfronteerd. Wanneer daarin maar weinig
zetfouten aangewezen kunnen worden, kan de
auteur op deze tweede proef of eerste revisie zijn fiat voor drukken geven. Als
er veel correcties nodig zijn, dienen meer revisies te volgen. Veel zetterijen
werken voor de opeenvolgende proeven met verschillende kleuren papier zodat
onmiddellijk duidelijk is welke fase een bepaalde proef vertegenwoordigt:
eerste proef op witte stroken, revisie op groene stroken, tweede revisie op
geel, en opgemaakte proef op grijs enz.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Mathijsen; H. van Krimpen.
Boek over het maken van boeken (19863), p. 392-395. [P.J.
Verkruijsse]
| |
revue
Vorm van onderhoudend theater, bestaande uit een snelle
opeenvolging van korte onderdelen van verschillende aard, zoals zang, dans,
sketches, conférences e.d. die geen onderlinge samenhang hoeven te
hebben, maar doorgaans van een vrolijke of komische aard zijn. Een belangrijk
aspect is de aankleding van de revue met veel schitter en glitter (show), in
het bijzonder in de balletten.
De eerste Nederlandse revue was De doofpot
(1891) van
August Reyding. Een groot aantal
Nederlandse cabaretiers (cabaret) en humoristen heeft
een rol gespeeld in de revue:
Buziau,
Louis Davids,
Lou Bandy,
Toon Hermans. Veel auteurs schreven er
teksten voor:
J.H. Speenhoff,
J.P.J.H. Clinge Doorenbos,
J. van Tol,
Willem van Iependaal,
Martie Verdenius e.v.a. Beroemd werden
vooral de revues van
René Sleeswijk met Snip en Snap (
Willy Walden en
Piet Muyselaer) en later met
Frans van Dusschoten en
André van Duin.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; H.H.J. de Leeuwe
en J.E. Uitman. Toneel en dans (1966); Wim Ibo. En nu de moraal van
dit lied (1970); J.R. Taylor. A dictionary of the theatre
(19755). [G.J. van Bork]
| | | |
ridderpoëzie
In onbruik rakende term voor
ridderromans in gepaard rijmende verzen,
meestal gehanteerd voor werken die dateren uit de 14e en 15e eeuw ter
onderscheiding van de (hoofse)
epiek uit de 12e en de 13e eeuw.
Deze romans, waarin het onderscheid tussen de heldenepiek (chanson de geste,
Karelroman) en de hoofse epiek (hoofse literatuur,
Arturroman) is vervaagd, hebben vaak het
karakter van alleen een avonturen- of liefdesverhaal. Zij werden algemeen
gezien als producten van nabloei en verval, waarin de thema's, motieven en
procédés uit de bloeitijd van de ridderroman werden herhaald,
zonder echter het niveau van hun grote voorgangers te halen. Sommige
wetenschappers waren geneigd deze romans met een negatief 20e-eeuws
waardeoordeel af te doen als epigonenkunst: ‘De slechtste zijn die,
waarin het begrip van het ridderlijke vrijwel geheel ontbreekt en een
ridderlijke stof wordt behandeld met dorperlijke opvattingen, die het
ridderwezen onteren en neerhalen’ (
Knuvelder, dl. 1, p. 218-219).
Enkele ridderromans uit die periode zijn Die Borchgrave
van Coechi, Die Borchgravinne van Vergi,
Seghelijn van Jherusalem en Valentijn ende
Nameloes.
LIT: Buddingh'; Knuvelder; Laan; Wilpert; L. Debaene. De
Nederlandse Volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse
prozaromans gedrukt tussen 1475 en 1540 (19772), p. 282-283. [H.
Struik]
| |
ridderroman
Algemene genrebenaming voor de middeleeuwse, meestal berijmde
verhalen over een geïdealiseerde ridderwereld uit het verleden (hoofse literatuur,
epiek). De ridderroman kwam in de 12e eeuw
tot ontwikkeling in Frankrijk. Het woord ‘roman’ wil zeggen dat de
tekst in het ‘romaans’ (d.w.z. in de volkstaal in
Frankrijk) geschreven is. De eerste romans zijn bewerkingen van
klassieke heldendichten (epos): de Roman de
Thèbes, de Roman d'Eneas en de
Roman de Troie. Pas daarna ontwikkelt zich de
Arturroman en nog weer later sluiten de
oorspronkelijke Franse, orale verhalen over
Karel de Grote (chanson de
geste) zich hierbij aan.
Aanvankelijk bestaat het geïntendeerde publiek uit de adel,
in de late Middeleeuwen heeft ook het niet-adellijke, burgerlijke patriciaat in
de steden belangstelling.
De sterk educatief-agogische inslag van de ridderroman
(overeenkomst met de
rijmkroniek) - de geïdealiseerde
weergave van het verleden - leert het hofpubliek welk maatschappelijk optreden
in allerlei situaties van aristocratische kringen wordt verwacht. Het verleden
bevat concrete voorbeelden om aan te geven waaruit de ridderlijke gedragscode
bestaat. De agogische inslag leidt er ook toe dat het verleden in de
ridderroman in overeenstemming wordt gebracht met de normen en waarden die bij
het publiek leven en in die kring worden gepropageerd. Dit waardesysteem
manifesteert zich nadrukkelijk in de ridderroman.
Een andere benaming voor ridderroman is hoofse roman, maar vanwege
de diffuse betekenis van het begrip ‘hoofs’ (hoofse
liefde) is het wellicht beter alleen over ridderroman te spreken: in de
19e en 20e eeuw werden aan het begrip ‘hoofs’ connotaties
toegevoegd die voor de middeleeuwse mens onbegrijpelijk zouden zijn.
Subgenres van de ridderroman zijn de Arturroman of de
Brits-Keltische roman, de
Alexanderroman, de
Karelroman, de
kruisvaartroman en de
oosterse roman.
Veel ridderromans zijn in de tweede helft van de 15e eeuw
omgewerkt (omwerking,
ontrijming) tot
prozaromans en uiteindelijk, in de 17e en
18e eeuw, ‘verworden’ tot
volksboeken.
LIT: Best; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; W.P.
Gerritsen. ‘Wat is hoofsheid? Contouren van een middeleeuws
cultuurverschijnsel’, in: R.E.V. Stuip en C. Vellekoop (red.). Hoofse
Cultuur. Studies over een aspect van de middeleeuwse cultuur (1983),
p. 25-40; F.P. van Oostrom. ‘Hoofse cultuur en litteratuur’, in:
R.E.V. Stuip en C. Vellekoop (red.). Hoofse Cultuur. Studies over een aspect
van de middeleeuwse cultuur (1983), p. 119-138; R.E.V. Stuip. ‘Rondom
Karel de Grote’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de
middeleeuwen (1988), p. 39-56; M. Gosman. ‘De receptie van het
klassieke erfgoed in de Franse middeleeuwen. De Alexanderlegende als
voorbeeld’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de
middeleeuwen (1988), p. 85-1-1; K. Busby. ‘Arthur en Tristan’,
in: R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de middeleeuwen (1988),
p. 102-120; J.D. Janssens. Dichter en publiek in creatief samenspel: Over
interpretatie van middelnederlandse ridderromans (1988); H. Kienhorst.
De handschriften van de Middelnederlandse ridderepiek. Een codicologische
beschrijving, 2 dln. (1988); E. van den Berg en B. Besamusca (red.). De
epische wereld. Middelnederlandse Karelromans in wisselend perspectief
(1992). [H. Struik]
| |
rime couée zie
staartrijm
| |
rime riche zie
gelijk rijm
| |
riternel of ritornel
Oorspronkelijk de benaming voor een muzikaal intermezzo dat
bijvoorbeeld in de 17e-eeuwse opera als herhalingselement voorkomt. In de
literatuur duidt men er een twee- of drieregelig refrein of een strofevorm mee
aan waarvan de eerste en derde regel op elkaar rijmen. Voorbeelden ervan komen
voor in het werk van de 19e-eeuwse auteurs
Van Droogenbroeck en
De Mont, maar de ritornel is al ouder,
zoals blijkt uit een anoniem lied uit de 15e eeuw waarin de volgende
drieregelige strofe als refrein functioneert:
Adieu, mijn troost, mijn liefste reine,
van u te sceiden es mi leit;
mijn herte blijft met u ghemeine.
(
V.E. van Vriesland. Spiegel
van de Nederlandse poëzie door alle eeuwen, 1100-1900, 1955,
p. 35).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Laan; Metzler; MEW; Preminger;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
ritme
Term uit de prosodie voor een van de twee onderdelen (het andere
is timbre, zich manifesterend in
rijm) van het verschijnsel
klank. Ritme is een golvende beweging in de
tijd gevormd door twee factoren: accentverloop en tempo. Accentverloop kan men
omschrijven als de afwisseling van prominente syllaben (accent) en niet-prominente syllaben. Met ‘tempo’
duidt men de tijdsindeling aan - mede gevormd door leespauzes bij syntactische
grenzen - zoals die ontstaat binnen de distributie van de achter elkaar gelezen
woorden.
Bij klankperceptie in het algemeen en bij die van het ritme in het
bijzonder dient men een onderscheid te maken tussen het fysisch gebeuren van de
klankrealisatie (bijv. bij proeven in het fonetisch laboratorium), en de
psychologische ervaring van het ritme bij de individuele taalgebruiker of
lezer. Dit onderscheid is van belang omdat men ziet dat het niet altijd
identiek is wat twee of meer verschillende taalgebruikers ervaren bij het
spreken of horen van eenzelfde groep woorden of zinnen.
De genoemde golvende beweging die kenmerkend is voor ritme kan
tweeërlei zijn. Allereerst is er het ongeorganiseerde ritme zoals dat van
de gesproken omgangstaal (prozaritme-1), ook wel vrij
ritme genoemd (dat ook voorkomt in het
vrij vers-1). Vervolgens onderscheidt men
het georganiseerde ritme, gekenmerkt door de versmaat; in dit geval spreekt men
van metrisch (metrum) ritme. Deze vorm overheerst in de
West-Europese poëzie vanaf de renaissance, altijd gecombineerd met
eindrijm, dat een metrische functie heeft.
Bij dit type kan een
cadans ontstaan. Wanneer woorden zich niet
gemakkelijk in een metrisch schema laten passen, wordt soms
syncope,
apocope,
elisie,
aphaeresis en
contractie-1 toegepast. De betere dichter
laat graag opzettelijk woorden uit het metrisch schema vallen (antimetrie); in dit geval kan
contrapunt ontstaan.
Overgangsvormen tussen georganiseerd en ongeorganiseerd ritme kan
men vinden in het
prozagedicht en in het
heffingsvers. Hierin is vaak
polymetrie aanwijsbaar.
Het metrisch ritme van een gedicht biedt specifieke mogelijkheden
voor componisten om de woorden op muziek te zetten (lied). Maar ook het vrije ritme van een tekst is vaak heel
geschikt voor toonzetting; in dat geval zal de componist door het aanbrengen
van rusten, verlengingen en verkortingen van noten e.d. het geheel in een
muzikale maat- en melodiestructuur kunnen inpassen (vgl.
isochronie).
In de Nederlandstalige vakgeschiedenis hebben
Stuiveling (1934),
Braakhuis (1962),
Stutterheim (1963) en
Boets (1965) op dit gebied belangrijk
werk gedaan. Nieuwe ontwikkelingen vindt men momenteel in het tijdschrift
Poetics (1971-....).
LIT: Alphen; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Hobsbaum; Krywalski; Laan; Lausberg;
Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley;
Wilpert; G. Stuiveling. Ritme en metrum in den tijd van '80 (1934); R.
Wellek & A. Warren. Theory of literature (1949), hoofdstuk 13; A.P.
Braakhuis. De thematische structuur van de versregel (1962); C.F.P.
Stutterheim. Conflicten en grenzen (1963); J. Boets. Moderne
theorieën in verband met klankexpressie (1965); G.J. Vis.
‘Iconiciteit en ritme: klankexpressie bij Nijhoff’, in: FdL
32, 1 (1991), p. 46-60. [G.J. Vis]
| |
ritmisch proza
Term uit de stijlleer voor een verschijnsel dat voortkomt uit een
poging van romantische schrijvers om conventies te doorbreken. Het gaat om
teksten in
proza die zich volgens de betrokken
literaire schrijvers onderscheiden van teksten die in gewoon
prozaritme-1 zijn geschreven door hun
bijzondere
prozaritme-2. Hierdoor zouden deze teksten
dichter staan bij
poëzie-1. Zo probeerde
Van Deyssel menig
prozagedicht in ritmisch proza te schrijven,
soms in de vorm van
metrisch proza:
Als ik in een klare en koele zekerheid van gevoelen ben, als ik
zoo hoog in de Waarheid ben, dat haar eigenschap van eeuwigheid er bij
betrokken is, ben ik recht op gezeten, hoog boven het schrift en schrijf met
vaste langzaamheid, als een wet voor een volk. (L. van
Deyssel. Verzamelde opstellen, dl. 6, 1901, p.
82).
LIT: Bronzwaer; Lodewick; Metzler; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
ritmische analyse
Term uit de prosodie voor de discipline die zich bezighoudt met
het onderzoek naar het
ritme in een tekst. Is de tekst metrisch
(metrum), zoals bij traditionele poëzie meestal het
geval is, dan kan men de statistische methode toepassen zoals ontwikkeld door
Stuiveling in zijn studie
Versbouw en ritme in den tijd van '80 (1934). Aangezien
het gehoor van de individuele lezer bepalend is voor de interpretatie, is
subjectiviteit bij voorbaat gegeven. Toch biedt de taalkunde enig houvast. Van
meersyllabige woorden (lopen, gereed e.a.) ligt het accent
doorgaans vast (men zie daarvoor het woordenboek). Van de eensyllabige woorden
is er een aantal onbeklemtoond (bijv. lidwoorden). Voor het overige is het
zinsaccent bepalend voor de notatie.
Zo geeft
Braakhuis (1962) de volgende analyse van
de eerste strofe van een gedicht van
H. Roland Holst:
Sombre gedachten schiep een sombre
tijd,
het leven lag, gelijk een schip in
trage
wateren, en een stem sprak dat de
lage
luchten alles omsloten voor
altijd.
In dit
isosyllabische vers telt men de
corresponderende syllaben (de eerste van elke regel, de tweede enz.) van boven
naar beneden, zodat een overzicht van de prominentieverhoudingen (aantal
accenten per lettergreep) van het geheel van vier verzen het volgende beeld
oplevert:
Hieruit is af te lezen dat de oneven syllaben overwegend
onbeklemtoond zijn en de even syllaben beklemtoond: een vijfjambisch patroon
met
antimetrie in de eerste syllabe.
Aangezien ritme niet alleen bepaald wordt door
prominentieverhoudingen tussen syllaben en woorden, maar ook door syntactische
grenzen (rust), heeft de analyse ook hiervan rekenschap
af te leggen. Als voorbeeld diene de eerste strofe van
W. Kloos' gedicht
‘Avond’:
Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring - ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.
(De nieuwe gids, 1885, II, p. 292).
Braakhuis (1934) concludeert tot een membrum (geleding binnen het
vers) aan het begin van de regel met de vorm: u-ú-ú (-: heffing;
u: daling; ú: syllabe met relatief hoge toon).
Het verdient aanbeveling een ritmische analyse van een gedicht te
laten voorafgaan door een grammaticale analyse. Op grond daarvan (materiële analyse) kan men de subjectiviteit terugdringen
en met enige zekerheid iets zeggen over het ritme en over de mogelijke
interpretatie ervan. De
receptie-esthetica kan hierbij een geheel
eigen inbreng hebben.
LIT: Bronzwaer; Gorp; Hobsbaum; Lodewick; Morier; Preminger;
Shipley; Wilpert; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de
versregel (1962); G.J. Vis. ‘Iconiciteit en ritme’:
klankexpressie bij Nijhoff’, in: FdL 32 1991), p. 46-60. [G.J.
Vis]
| | | |
robinsonade
Avonturenroman genoemd naar de titelheld
van de roman Robinson Crusoe (1719) van
D. Defoe. Kenmerkend voor de robinsonade
zijn de wederwaardigheden die een personage (of een groep personen) ondervindt
na een schipbreuk op zijn reis naar een vreemd oord, veelal een eiland, op
grote afstand van de bewoonde, geciviliseerde wereld. Typisch is ook het motief
van de afzondering: het besloten, primitieve karakter van de plaats van
handeling, zowel positief (als toevluchtsoord) als negatief (als
verbanningsoord) voorgesteld.
Men brengt de opgang van het genre - in de 18e eeuw beleefde het
zijn grootste bloei - wel in verband met het kosmopolitisme en economisch
individualisme van de
verlichting. De idealisering van het
verlaten oord - verwant aan die van de goede wilde (‘le bon
sauvage’) - waarin de schipbreukeling economische, maatschappelijke en
culturele vrijheid geniet, leidt ertoe dat de robinsonade vaak verwantschap
vertoont met de
didactische literatuur. Veel voorbeelden van
het genre vindt men in de Duitse, Franse en Engelse literatuur. In het
Nederlandse taalgebied zijn daar o.a. De Walchersche
Robinson (1752) en
L. Paters toneelstuk Het
onbewoonde eiland (1774) goede voorbeelden van. De robinsonade is
verwant aan het
imaginair reisverhaal.
LIT: Best; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; W.H. Staverman.
Robinson Crusoe in Nederland (1907); P.J. Buijnsters. Imaginaire
reisverhalen in Nederland gedurende de 18de eeuw (1969); E. Reckwitz.
Die Robinsonade. Themen und Formen einer literarischen Gattung (1976);
J. Fohrmann. Abenteuer und Bürgertum. Zur Geschichte der deutschen
Robinsonade im 18. Jahrhundert (1981). [G.J. Vis]
| |
rococo
Van oorsprong kunsthistorische term (afgeleid van het Franse
rocaille, ‘schelp’, omdat de schelpvormige versiering kenmerkend is
voor het rococo), die rond het midden van de 19e eeuw ingang vond voor een
stijlverschijnsel of ook wel een periode uit de 18e eeuw. Literair-historici
laten het rococo soms al beginnen kort na het midden van de 17e eeuw, maar
nergens is in literair opzicht het rococo overheersend aanwezig; het gaat om
een aantal stijlkenmerken en literaire thema's die gecombineerd worden met die
van de
barok, het
maniërisme, het
classicisme en de
romantiek. Het rococo borduurt voort op
maniërisme en barok, maar zet zich er ook tegen af door barokke contrasten
af te zwakken en door een grotere sierlijkheid en speelsheid.
In literair opzicht kenmerkt het rococo zich door het beoefenen
van de kleinere genres als het epigram of
puntdicht en de
idylle, andere arcadische literatuur (arcadia), de komedie (blijspel) en de
mock heroic, door het vermengen van genres
en metra (poëzie gecombineerd met proza, fictie gemengd met non-fictie,
een regelmatig metrum afgewisseld met vrije verzen), door niet afgemaakte
zinnen, door de lezer direct aan te spreken, door perspectiefwisseling, door
veel erotiek die echter nooit scabreus wordt.
Evenmin als er in Nederland veel barok is aan te wijzen, is er ook
nauwelijks sprake van rococo.
H.K. Poot,
L. Schermer en
J.B. Wellekensworden genoemd als auteurs
bij wie rococo-elementen zouden voorkomen, maar ook bij
Bellamy en
Bilderdijk zouden invloeden te bespeuren
zijn.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Krywalski; Lodewick;
Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; C.M. Geerars. ‘Rococo
in de Nederlandse letterkunde?’, in: NTg 55 (1962), p. 193-199.
[P.J. Verkruijsse]
| |
roman
Met de term roman wordt een grote verscheidenheid aan
(proza)teksten aangeduid die overwegend van fictionele aard (fictie) zijn en in omvang doorgaans het
verhaal-1 en de
novelle overtreffen. Het onderscheid tussen
novelle en roman is echter niet altijd goed aan te geven.
Harry Mulisch' ‘kleine
roman’ Het zwarte licht (1956) is wat betreft
omvang niet groter dan
Jacob van Lenneps novelle Een
schaking in de 17e eeuw (1850) en
G.K. van het Reve's roman De
avonden (1947) heeft als ondertitel ‘een
winterverhaal’. Om zijn omvang zou men
Ward Ruyslincks De ontaarde
slapers (1957) een novelle kunnen noemen, maar dan wel een novelle
die in 1957 de ‘romanprijs’ van de stad Antwerpen
kreeg. In het Engelse taalgebied kent men dan ook alleen een tweedeling:
‘short story’ en ‘novel’.
Naast de lengte als criterium worden meestal ook inhoudelijke
argumenten genoemd om tot een onderscheid te komen. Zo zou de roman breder van
opzet zijn en de personages in een bepaalde ontwikkeling tonen, terwijl de
novelle slechts één (beperkt) conflict uitwerkt. In de roman zou
de intrige (plot) als gevolg daarvan gecompliceerder
zijn, d.w.z. samengesteld uit hoofd- en nevenintriges. De novelle zou
daarentegen een
enkelvoudige structuur kennen. Voorts zou de
roman een groter aantal personages, een bredere milieuschildering en een groter
tijdsbestek omvatten dan de novelle. Bovendien zou de karaktertekening in de
roman uitvoeriger zijn dan in de novelle (bijv.
round characters). In de praktijk blijkt dat
al deze eigenschappen noch alleen voorbehouden zijn aan de roman, noch aan de
novelle of het verhaal.
James Joyce'sroman
Ulysses (1922) omvat bijv. slechts een tijdspanne van 24
uur en in
Jeroen Brouwers' Zonsopgangen
boven zee (1977) is niet alleen de tijd zeer beperkt, maar ook het
aantal personages. Soortgelijke tegenvoorbeelden zijn te geven voor de
karaktertekening, de milieuschildering en de intrige.
De prozavorm is al evenmin een eigenschap die altijd aan het genre
verbonden is geweest. De term ‘roman’ is oorspronkelijk afkomstig
van het Romaanse ‘romanice’ (verhaal in de volkstaal), dat in het
middeleeuwse
romance is overgenomen. De middeleeuwse
romancen geven berijmde verhalen in de volkstaal en dat geldt ook voor de
middeleeuwse
ridderroman (Karelroman,
hoofse roman,
Brits-Keltische roman etc.) en de
dierenfabel (bijv. Le roman de
Renart) die behoren tot de berijmde
epiek.
Een al wat moderner type roman ontstaat in de 16e eeuw wanneer de
middeleeuwse epiek verschijnt in
prozaromans en
volksboeken. Maar ook worden nu grotere
originele prozawerken geschreven:
Rabelais' Gargantua et
Pantagruel is van 1537 en in 1605 verschijnt
Cervantes' Don
Quijote. De 17e eeuw bracht in navolging van de Spaanse
picareske roman de schelmenroman (bijv.
Daniël Heinsius' Den
vermakelyken avanturier, 1695), een genre dat ook lang daarna nog
voorbeelden opleverde (
Mark Twains Huckleberry
Finn, 1884;
Jan Cremers Ik Jan
Cremer, 1964).
In de loop van de 18e eeuw begint een romanproductie op gang te
komen die nog duidelijker aansluiting vertoont bij de thans gebruikelijke
omschrijvingen van het genre (
Voltaire,
Diderot,
Defoe,
Richardson e.v.a.). Bovendien breidt het
genre zich uit, zodat behoefte ontstaat aan een nadere precisering in
subgenres. Een onderverdeling van het genre roman geschiedt in de praktijk op
twee gronden: differentiatie op inhoudelijke eigenschappen en op de vormgeving.
Een betrekkelijk nieuw genre vormt in die tijd de
briefroman, die in navolging van
Richardsons Pamela or virtue
rewarded (1740) een grote populariteit verwerft. In feite gaat het
bij dit type om de vormgeving. De briefroman kan gezien worden vanuit het
perspectief als een
ik-roman met soms meer dan één
ik-verteller wanneer er meer dan één briefschrijver is. Ook de
dagboekroman is door de ik-vorm bepaald.
Inhoudelijk bepaald daarentegen zijn de
gothic novel en de
historische roman. Beide subgenres kunnen in
verschillende vertelvormen gepresenteerd worden en zijn dat in de praktijk ook,
al overheerst het auctoriaal vertellen. Andere inhoudelijk bepaalde subgenres
zijn o.m. de
Bildungsroman, de
avonturenroman, de
detectiveroman, de
familieroman, de streekroman (streekliteratuur), de sociale roman (sociale
literatuur), de
zedenroman, de
reportageroman en de
roman fleuve.
Niet alleen de romanstructuur is bepalend voor de vormgeving, soms
is dat ook de publicatiewijze, zoals bij de
feuilletonroman.
In de loop van de 19e eeuw is een duidelijke verschuiving te
constateren van de
auctoriale vertelwijze, karakteristiek voor
de historische roman (men denke aan
A.L.G. Bosboom-Toussaint) en voor het
realistisch proza (zoals dat van Hildebrand), naar de
personale vertelwijze zoals toegepast in het
naturalistisch proza.
In de 20e eeuw wordt in toenemende mate met de vertelvorm
geëxperimenteerd, bijv. door het bewust loslaten van de chronologie of
door verschillende perspectieven naast of door elkaar te gebruiken. In het
experimenteel proza (nouveau
roman) worden bijv. collagetechnieken en verspringing van het
perspectief toegepast, o.m. om een
vervreemdingseffect te bewerkstelligen. Men
spreekt in dit verband daarom wel van
antiroman.
Het onderzoek naar de vertelwijze in romans wordt
romananalyse genoemd, maar omdat de
vertelprocédés niet uitsluitend van toepassing zijn op de roman,
is het beter om te spreken van
verteltheorie of narratologie.
LIT: Abrams; Bal; Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; E.M. Forster. Aspects of the novel (1927); R. Petsch.
Wesen und Formen der Erzählkunst (1934); G. Lukács. Die
Theorie des Romans (19632); W.C. Booth. The rhetoric of
fiction (19677); F.K. Stanzel. Typische Formen des Romans
(19673); Ph. Stevick (red.). The theory of the novel (1967);
E. Lämmert. Bauformen des Erzählens (19683); B.F.
van Vlierden. Van In 't wonderjaar tot De Verwondering. Een poëtica van
de Vlaamse roman (1969); M. Janssens. Tachtig jaar na Tachtig
(1969); W.J.M. Bronzwaer. Tense in the novel (1970); H. van Gorp. Het
optreden van de verteller in de roman (1970); J. Weisgerber. Aspecten
van de Vlaamse roman 1927-1960 (19733); J. Weisgerber.
Proefvlucht in de romanruimte (19742); B.F. van Vlierden.
Moderne Nederlandse letterkunde. De roman (1975); T. Anbeek. Na de
oorlog. De Nederlandse roman 1945-1960 (1986). [G.J. van Bork]
| |
roman à clef zie
sleutelroman
| |
roman fleuve
Literair-kritische term voor een omvangrijke roman, vaak in meer
delen, waarin de ontwikkeling van één of meer personages wordt
beschreven. Doorgaans is er sprake van een groot tijdsverloop en wordt er een
brede schildering gegeven van de historisch-maatschappelijke omstandigheden
waarin de personages leven. Vaak ook worden verschillende intriges met elkaar
vervlochten in deze romans. Soms zijn de romans opgezet rond één
hoofdpersoon, maar meestal gaat het om meer personages behorend tot
verschillende generaties van een familie.
Als voorbeelden van de roman fleuve worden doorgaans genoemd
La comédie humaine (1829-1854) van
H. de Balzac (in feite een
romancyclus), De boeken der kleine
zielen (1901-1903) van
L. Couperus,
Buddenbrooks (1922) van
Th. Mann of
I. Querido's Jordaan
cyclus (1912-1925). Uit de gegeven voorbeelden is duidelijk dat het
genre niet goed valt af te grenzen van andere romantypen, zoals de
tijdroman, de
zedenroman, de
familieroman of de
ontwikkelingsroman.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Lodewick; MEW; Scott. [G.J. van
Bork]
| |
roman in brieven zie
briefroman
| |
romananalyse
Onderzoek naar en interpretatie van de verschijnselen in de roman
die de
structuur van het genre bepalen, m.a.w. er
de innerlijke samenhang van bewerkstelligen. De romananalyse is zowel gericht
op semantische als op formele aspecten van het vertelde. Ze omvat naast het
vaststellen van
fabel-2 en sujet (plot),
thema's en
motieven, ook het achterhalen van de
bouwprincipes die de lezer tot een bepaald leesgedrag manipuleren, zoals het
perspectief of point of view, de
tijdsaspecten (bijv.
verteltijd,
vertelde tijd) en de ruimtelijke aspecten
(ruimte).
Een bezwaar tegen de bestaande romananalyse vormt het feit dat
uitgegaan wordt van een veronderstelde inhoudelijke en structurele eenheid,
terwijl dit voor sommigen een normatief concept is dat opgevat kan worden als
een poëticaal concept. In de experimentele roman (experimenteel proza,
nouveau roman) ontbreekt die eenheid bijv.
doelbewust. Omdat de resultaten van de romananalyse niet uitsluitend van
toepassing zijn op de roman, maar voor alle vertelvormen gelden, is de nadruk
meer en meer komen te liggen op de
verteltheorie of narratologie. Men maakt in
dat verband wel het onderscheid tussen proza-analyse, poëzieanalyse en
drama-analyse, waarbij het accent gelegd wordt op het onderscheid dat de
verschillende genres ten opzichte van elkaar vertonen.
Intussen heeft de romananalyse een aantal eigenschappen van het
vertellen aan het licht gebracht waarop in de verteltheorie wordt voortgebouwd,
bijv. die op het gebied van het perspectief en de tijd. Goede voorbeelden van
analyses van afzonderlijke romans vormen
A.L. Sötemanns De
structuur van de Max Havelaar (2 dln., 1966) en
W. Bloks Verhaal en
lezer (1960) over
Couperus' Van oude mensen, de
dingen die voorbij gaan (1906).
LIT: Anbeek/Fontijn; Boven/Dorleijn; Drop; Herman/Vervaeck; E.M.
Forster. Aspects of the novel (1927); E. Muir. The structure of the
novel (1928); N. Friedman. ‘Point of view in fiction’, in:
PMLA 70 (1955), p. 1160-1184; E. Lämmert. Bauformen des
Erzählens (1955); F.K. Stanzel. Die typischen
Erzählsituationen im Roman (1955); W.C. Booth. The rhetoric of
fiction (1961); H. van Gorp. Het optreden van de verteller in de
roman (1970); J. Weisgerber. Proefvlucht in de romanruimte (1972);
J. Halporin (red.). The theory of the novel (1974); A.G.H. Anbeek van
der Meijden. De schrijver tussen de coulissen (1978). [G.J. van
Bork]
| |
romance of ballade-2
Eenvoudige vertelling op rijm in de Nederlandse literatuur opnieuw
opgekomen in het laatste kwart van de 18e eeuw. De inhoud behelst vaak een
liefdesgeschiedenis, soms gesitueerd in het heden (
Bellamy's ‘Roosje’), soms,
mede geïnspireerd op de middeleeuwse
ballade-1, in het verleden (‘Alrik en
Aspasia’ van
Rh. Feith). De blij eindigende
vertelling krijgt meestal de naam romance; de term ballade is gebruikelijk voor
het droevig eindigende gedicht.
Bekende dichters in dit genre, behalve Feith (die de primeur had,
1782) en Bellamy, zijn
Staring (‘Emma en Adolph’,
‘Ada en Reynoud’ e.a.),
Bilderdijk (‘Elius’,
‘Urzijn en Valentijn’ e.a.),
Tollens (bijv. ‘De blinde keizer
Theodosius’) en
Hofdijk (de bundel Kennemerland,
1850).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; Knuvelder, dl. 3 (1973), p. 173; Krywalski; Lodewick; Metzler; MEW;
Preminger; Shipley; Wilpert; A. Zijderveld. Nederlandse balladen uit
verschillende eeuwen, 2 dln. (z.j.). [G.J. Vis]
| |
romancyclus
Reeks zelfstandige romans van één auteur die
duidelijk een inhoudelijke samenhang vertonen en door de auteur dan ook als
samenhangend worden gepresenteerd, bijv. door er een speciale cyclustitel voor
aan te geven. Meestal wordt die inhoudelijke samenhang bewerkstelligd doordat
dezelfde personages, of enkele daarvan, in alle afzonderlijke delen
optreden.
Beroemd zijn de romancycli van
Emile Zola Les
Rougons-Macquart (20 dln., 1871-1893) en
Honoré de Balzac La
comédie humaine (91 dln., 1829-1848). Nederlandse
voorbeelden zijn
Louis Couperus' Boeken der
kleine zielen (4 dln., 1901-1903),
Simon Vestdijks Anton
Wachter-romans (8 dln., 1934-1960) en
A.F.Th. van der Heijdens De
tandeloze tijd (6 dln., 1983-1996). Omdat veel van deze romancycli
een grote tijdsspanne omvatten waarin van een bepaalde ontwikkeling sprake is,
spreekt men ook wel van
roman fleuve. Bij drie- of vierdelige cycli
spreekt men respectievelijk van een
trilogie of
tetralogie.
LIT: Cuddon; Gorp; Lodewick; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
romantic agony
Term ontleend aan de titel van de Engelse vertaling (The
romantic agony) uit 1933 van
Mario Praz' studie La carne, la
morte e il diavolo nelle letteratura romantica (1e dr. 1930).
Liefde, dood en duivel (en de onderlinge relatie daartussen) zijn de
hoofdelementen van dat deel van de door Praz bestudeerde literatuur uit de
romantiek dat ook wel ‘zwarte
romantiek’ (Byronisme) of ‘romaneske’
kunst wordt genoemd (satanisme, sadisme, femme fatale,
decadentie,
byzantinisme). Belangstelling voor de
nachtzijde van het leven en de negatieve kanten van het bestaan, dikwijls
voorgesteld als exotisch en positief (vgl.
Baudelaires bundel Les fleurs du
mal, 1857) domineert hier. De schoonheid van het lijden wordt, o.a.
bij
Kloos en sommige symbolisten, een geliefd
thema, doorwerkend bij
Nijhoff,
Reve,
G. Meijsing e.v.a.
LIT: Knuvelder, dl. 3 (1973), p. 18-60; W. van den Berg. De
ontwikkeling van de term ‘romantisch’ en zijn varianten in
Nederland tot 1840 (1973), p. 429; G.J. Vis. Tussen vloek en zegen
(1987), p. 10-21; M. Praz. Lust, dood en duivel in de literatuur van de
Romantiek (Nederlandse vertaling, 1990). [G.J. Vis]
| |
romantiek
Periodebegrip voor een
stroming in de literatuur die gewoonlijk in
de tijd gesitueerd wordt tussen ongeveer 1790 en 1830. In feite kent de term
een veel bredere toepassing en duidt men er de culturele beweging mee aan die
het gehele westerse leven en denken in de eerste helft van de 19e eeuw heeft
gedomineerd. Het gebruik van de term is complex en men is het dan ook niet eens
over de definiëring en het gebruik ervan. Sommigen achten de term volledig
onbruikbaar omdat er geen overeenstemming over de inhoud bestaat (Lovejoy);
anderen zijn van mening dat de West-Europese cultuur in de genoemde periode
voldoende punten van overeenkomst vertoont om toch van romantiek te blijven
spreken. Binnen die laatste categorie cultuur- en literatuurhistorici worden
twee duidelijk te onderscheiden pogingen ondernomen om de romantiek te
omschrijven. De eerste soort omschrijvingen tracht de verschijnselen die
kenmerkend geacht worden voor deze periode terug te voeren op één
of meer centrale begrippen (‘wezenskenmerken’) die als bepalend
worden gezien voor de stroming in zijn geheel. De belangrijkste kenmerken die
in dit verband genoemd worden zijn de individualisering van gevoel en
verbeelding, subjectiviteit of individualisme als zodanig en vrijheid of
liberalisme (
Wellek,
De Deugd e.a.). Ook het dualisme van de
kunstenaar, o.m. blijkend uit enerzijds zijn verlangen naar het hogere en
tegelijkertijd zijn aanvaarding van het aardse, wordt als belangrijk kenmerk
aangewezen.
Anderen geven een meer uitputtende opsomming van kenmerkende
verschijnselen en trachten daaraan een beschrijving te verbinden van de
nationale verschillen en overeenkomsten die de romantische beweging vertoont (
Remak e.a.).
Wat men onder romantiek verstaat, blijkt in hoge mate bepaald door
het door de beschouwer gekozen ordeningsprincipe. Wanneer hier gekozen wordt
voor het uitgangspunt van het individualisme en de subjectiviteit van de
kunstenaar dan geeft dat de gelegenheid om daaraan een aantal verschijnselen te
relateren.
De romantische kunstenaar zag zichzelf bij voorkeur als een
uitverkoren ziener, de middelaar tussen het aardse en het metafysische. Gevoel
en verbeelding - vaak als kenbron bij uitstek gezien - waren middelen om deze
metafysische verbondenheid van het individu te beleven en verwoorden. Die
houding leidde niet alleen tot de
genie-cultus, maar ook tot de in de
romantiek zo veelvuldig geconstateerde ‘Sehnsucht’ en
‘Weltschmerz’ waar ideaal en werkelijkheid onverzoenbaar bleken. De
volledige ontplooiing van de individuele kunstenaar kon alleen gestalte krijgen
in volledige vrijheid. Veel romantici zijn dan ook progressief-liberaal en
revolutionair, althans aanvankelijk. Er is vooral aandacht voor het bijzondere,
het onderscheidende, en daarmee tevens voor het irrationele in de mens (de
nachtzijde van het bestaan, de droom, het onvervulde verlangen etc.) of voor de
wortels van het eigen ik (de kindertijd). In de thematiek van de literatuur
komen deze verschijnselen tot uiting in de aandacht voor het exotische en het
fantastische, voor de outsider of de banneling, voor sprookjes, voor het
nationale (eigen) verleden en voor de overlevering. Een genre dat zich bij
uitstek leende voor de individualistische ontboezeming is de
lyriek. Maar in feite leidde de
individualisering van de kunst tot het loslaten van het normatieve
hiërarchische systeem der genres, zoals dat tot in de
verlichting had bestaan. Er ontstaat
vermenging van genres en er komen nieuwe genres op de voorgrond te staan, zoals
de roman, in het bijzonder de
historische roman en de
gothic novel.
Men kan de romantiek ook negatief definiëren vanuit de
tegenstelling tot de erfenis van het
classicisme zoals die in de verlichting tot
uiting komt. Romantiek is dan alles wat niet classicistisch is. Niet het
uniforme en universele, maar het veelvormige en unieke staat centraal voor de
romanticus. Hij verzet zich tegen het mimetische (mimesis) karakter van de kunst en haar pragmatische,
opvoedende taak en stelt daar een zuiver esthetische taak tegenover. Schoonheid
is het Godgelijke en de kunstenaar is haar priester.
Is men het over de definitie van de romantiek al niet eens, over
de begrenzing in de tijd verschillen de opvattingen zo mogelijk nog sterker.
Gewoonlijk wordt de romantiek in handboeken gesitueerd tussen 1790 en 1830. Een
probleem daarbij is echter dat veel van de beschreven verschijnselen al
voorkomen voor 1790. Dat is dan ook de reden dat men er wel een periode aan
vooraf laat gaan die men
preromantiek noemt, terwijl men in
Duitsland de Sturm und Drang-periode eraan laat voorafgaan.
Anderen neigen ertoe om de periode te begrenzen door specifieke historische
gebeurtenissen, zoals de oprichting van het Duitse romantische tijdschrift
Atheneum in 1798 als beginpunt, of het overlijden van
Walter Scott in 1832 als eindpunt.
Daarnaast bestaat de opvatting dat de romantiek doorwerkt tot op de dag van
vandaag en dat er periodiek steeds andere aspecten van de romantiek worden
opgepakt en uitgewerkt. In die laatste versie wordt romantiek opgevat als een
brede culturele beweging waaronder stromingen als bijvoorbeeld de
Tachtigers of het
symbolisme kunnen worden begrepen. Uiteraard
hangen dergelijke periodeafbakeningen ten nauwste samen met de invulling die
men aan het begrip romantiek geeft.
Ook in Nederland laat men de romantiek gewoonlijk vooraf gaan door
een periode die men preromantiek genoemd heeft en waaronder men auteurs als
Hieronymus van Alphen en
Rhijnvis Feith rangschikt. Het begrip
preromantiek is echter zeer omstreden omdat het te weinig laat zien hoezeer er
van een geleidelijke en in Nederland van een zeer voorzichtige ontwikkeling
sprake is. Van die voorzichtigheid getuigt bijv.
Jacob Geels dialoog Gesprek op
den Drachenfels (1835) waarin een sterke waarschuwing voor de
vrijheden van de romantiek wordt verwoord. Hoezeer onze nationale romantiek
slechts een zwakke weerklank geeft van de internationale, kan men aflezen aan
Beets' werk uit zijn zgn. ‘zwarte tijd’ en de discussie tussen
Beets en
Geel n.a.v. Beets' Gids-bijdrage
‘Vooruitgang’.
Behalve in het werk van
Kinker,
Bilderdijk,
Da Costa en
Conscience zijn er romantische tendensen
aan te wijzen in dat van
Drost,
Potgieter,
Van Lennep,
Paaltjens en
Bosboom-Toussaint. Vooral de
historische roman speelde bij ons een belangrijke rol. Sommige
literatuurhistorici beschouwen het werk van
Multatuli als het hoogtepunt van de
Nederlandse romantiek en daar is veel reden toe. In België
worden o.m. auteurs als
Jan Frans Willems,
Alfred Hegenscheidt en
Prudens van Duyse als romantici genoemd
met als hoogtepunt het werk van
Guido Gezelle. Maar met het noemen van
de namen van
Multatuli en Gezelle is de grens van
1830 voor het einde van de romantiek ruimschoots overschreden.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; A.O. Lovejoy. ‘On the discrimination of
Romanticism’, in: Essays in the history of ideas (1948); P. van
Tieghem. Le romantisme dans la littérature européenne
(1948); M.H. Abrams. The mirror and the lamp (1953); C.M. Bowra. The
Romantic imagination (1961); H.H. Remak. ‘West European Romaticism.
Definition and scope’, in: Comparative literature. Method and
perspective (1961); R. Wellek. ‘The concept of Romanticism in
literary history’, in: Concepts of criticism (1963); C. de Deugd.
Het metafysisch grondpatroon van het romantische literaire denken
(19712); W. van den Berg. De ontwikkeling van de term
‘Romantisch’ en zijn varianten in Nederland tot 1840 (1973); G.
Knuvelder. De romantiek en haar aspecten (1974); L.R. Furst. European
Romanticism. Self definition (1980); M. Praz. Lust, dood en duivel in de
literatuur van de Romantiek (1990). [G.J. van Bork]
| |
romantisch drama
Term waarmee het vrijere drama wordt afgezet tegen het
klassieke drama. Meestal formuleert men de
verhouding van het romantische drama ten opzichte van het klassieke drama dan
ook in negatieve termen: het kent geen vaste opbouw in vijf bedrijven en men
houdt zich niet aan de
Aristotelische eenheden van tijd, plaats en
handeling. Bovendien kan in het romantische drama de verheven ernst doorbroken
worden door komische intermezzi. Belangrijke vertegenwoordigers van het
romantische drama in deze zin zijn
Shakespeare en
Bredero.
De term ‘romantisch drama’ wordt ook gebruikt voor het
drama zoals dat in de
romantiek werd geschreven en opgevoerd.
Daarvoor gelden overigens dezelfde hierboven genoemde ‘negatieve’
kenmerken, maar duidelijk prevaleert hier de binding met de stroming romantiek.
Opvallend is de hernieuwde belangstelling voor het drama van Shakespeare in
deze periode. Romantisch drama in deze tweede zin werd geschreven door o.m.
Heinrich von Kleist. In
Nederland kan
Adriaan van der Hoopsnoodlotsdrama
De horoskoop (1838) als voorbeeld van romantisch drama
genoemd worden.
LIT: Cuddon; Knuvelder, dl. 3 (1973), p. 409-413; Laan; Scott.
[G.J. van Bork]
| |
romantisch expressionisme zie
humanitair expressionisme
| |
romein
Benaming uit de drukkerswereld voor alle staande drukletters
(letter), die oorspronkelijk gebaseerd waren op de
schrijfletter humanistische minuskel of
littera antiqua. De benaming staat in
oppositie tot de
cursief, de schuine letter, die afgeleid is
van de geschreven
cancelleresca's. Omdat het gedrukte boek een
groter verspreidingsgebied had dan de
codex en het ontwerpen van een
letterpolis een langdurige artistieke
prestatie is, was standaardisering en stilering van de drukletter geboden. Dit
is vooral het werk geweest van de in de 15e eeuw in
Venetiëwerkzame
Nicolaus Jenson en
Francesco Griffo (de laatste in de
drukkerij van Aldus).
In de 16e eeuw ontstonden nationale varianten van de Italiaanse
renaissance-antiqua: inFrankrijk van de beroemde ontwerpers
Claude Garamond en
Robert Granjon, in
Nederland door
Christoffel van Dyck, in
Engeland van
William Caxton. Eind 17e eeuw werd voor
de Franse koninklijke drukkerij een nieuwe romein ontworpen die als
‘romain du roi’ veel invloed op latere ontwerpers als
Philippe Grandjean gehad heeft.
Achttiende-eeuwse lettergraveurs legden zich toe op verbetering van het
letterbeeld en in relatie daarmee van de druktechniek; bekend zijn
John Baskerville,
Firmin Didot,
Giambattista Bodoni en
Justus Erich Walbaum. Deze letters
worden moderne of classicistische antiqua's genoemd, modern face of didone
(Didot-Bo doni) in tegenstelling tot de renaissance-antiqua, old
face, garalde (Garamond- Aldus) of zelfs mediaeval. In de 19e
eeuw werd er druk geëxperimenteerd met vette letters (égyptienne)
en schreeflozen. Bekende ontwerpers uit de 20e eeuw zijn
Jan van Krimpen en
S.H. de Roos,
Eric Gill en
Stanley Morison,
Herman Zapf en
Max Miedinger.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; D.B. Updike. Printing
types, their history, form and use (1980); F. van der Linden. Over
letters & schrift en de beginselen van het schrijven (1983), p.
152-161; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882), p. 190-220. [P.J. Verkruijsse]
| |
rondeau simple zie
triolet
| |
rondboogverbinding
Term uit de paleografie voor een speciaal soort verbinding tussen
twee letters (ligatuur) die geldt als een formeel
kenmerk van de
littera textualis. Daar waar de ronde
letterdelen van twee elkaar opvolgende letters elkaar raken, is een speciale
oplossing gevonden om de schrijfsnelheid te vergroten. Het afsluitende ronde
letterdeel van de eerste letter (b, ronde d, h, o, p, v) is gecombineerd
uitgevoerd met het beginnende ronde letterdeel van de tweede letter (c, d, e,
g, o). Voorlopers van de rondboogverbinding zijn pp en bb, die al in de 12e
eeuw werden gebruikt. Deze combinaties zijn eigenlijk geen echte
rondboogverbindingen omdat een recht en een rond letterdeel met elkaar
verbonden zijn.
LIT: B. Bischoff. Paläographie des römischen
Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p.
166-167; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882), p. 161-162. [H. Struik]
| |
rondeel
Van oorsprong een zes- of achtregelig anoniem danslied (volkslied-1), opgebouwd volgens het principe van de
drieledigheid (tripartition), met twee rijmklanken en
een
refrein-1, vanaf de 13e eeuw door
troubadour(s) en
trouvère(s) als kunstlied (cultuurlied) beoefend en in de loop der jaren uitgegroeid tot
een grotere omvang.
De oudste Middelnederlandse rondelen vindt men in het
laat-14e-eeuwse Brugse Gruuthuse-handschrift (ed.
K. Heeroma &
C.W.H. Lindenburg, 1966):
‘Aloeette voghel clein’, ‘Egidius waer bestu bleven’.
Bij de rederijkers genoot het rondeel een grote populariteit als dichtvorm.
Het meest gebruikelijk zijn rondelen van acht, twaalf, dertien,
negentien en eenentwintig regels. Gewoonlijk worden de beginregels aan het eind
herhaald. In een achtregelig rondeel (triolet) zijn de
verzen 1, 4 en 7 en de verzen 2 en 8 gelijk:
Die door de wereldt sal gheraken,
Die moet cunnen huylen metten honden
Ende moet oock connen diverssche spraken,
Die door de wereldt sal gheraken,
Hier waerheit segghen en ghinder missaecken,
Vooren salven ende achter wonden!
Die door de wereldt sal gheraken,
Die moet cunnen huylen metten honden
(De gedichten van
Anthonis de Roovere, ed.
Mak, 1955, p. 319).
Bij het twaalf- of dertienregelig rondeel zijn de verzen 1, 7 en
12 (13) en soms de verzen 2 en 8 gelijk aan elkaar. Deze vorm komt vooral voor
bij de Franse middeleeuwse dichters, zoals
Charles d'Orléans en bij dichters
in de 20ste eeuw, zoals
H.W.J.M. Keuls (1883-1968) in
Rondeelen en kwatrijnen (Verzamelde gedichten, dl.
3, 1947).
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; A.T.A. Heyting. Het rondeel; de roos der lyriek
(1929); J. Reynaert. ‘Aspecten van de dichtvorm in het
Gruuthuse-liedboek’, in: SpL 29 (1987), p. 165-195. [H.
Struik]
| | | |
roofdruk
Term uit de drukkerswereld voor een onrechtmatige nadruk van een
boek. Een roofdruk betekent financieel nadeel voor de oorspronkelijke uitgever
en levert vaak een corrupte, want niet geautoriseerde, tekst. Hoewel er heel
lang geen officieel geregeld
auteursrecht was, bestonden er toch
impliciet en ook wel expliciet afspraken tussen uitgevers onderling (compagnie) en van uitgevers met overheden (privilege) over een soort kopijrecht. In de loop van de 17e
eeuw ontstond in Nederland de gewoonte om in een krantenadvertentie melding te
maken van een voorgenomen druk, welke claim gold als een bescherming tegen
roofdrukken.
Desondanks werd er zeer veel nagedrukt, soms inclusief de in het
voorwerk opgenomen waarschuwing van de oorspronkelijke drukker tegen
gesignaleerde roofdrukken. Soms is heel moeilijk uit te maken welke druk de
originele en welke de roofdruk is, bijv. in het geval van Den spiegel
der Spaensche tijrannije gheschiet in West-Indien van
Bartolomeus de las Casas, in 1620
uitgegeven door zowel
C.L. vander Plasse als door
E.J. Cloppenburgh.
Zelfs na invoering van het internationale auteursrecht blijven er
roofdrukken verschijnen, bijv. van werk van
Gerard Reve of zelfs van onder zijn naam
gedrukt werk van anderen: Een vieze oude kale man (1982)
bevat drie artikelen van Reve die zonder zijn toestemming uit
Hollands Diep van 1975-1977 zijn nagedrukt, en een
dichtbundel Zinkend schip (1984) bevat verzen die
helemaal niet van hem zijn. Via foto-offset kunnen ook
gemakkelijk roofdrukken tot stand komen, met name in landen in
Oost-Azië die het niet zo nauw namen en nemen met
internationale verdragen.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; Metzler; Scott;
I.H. van Eeghen. De Amsterdamse boekhandel, dl. 5 (1978), p. 28-34; P.G.
Hoftijzer. De zeis in andermans koren. Over nadruk in Nederland tijdens de
Republiek (1993). [P.J. Verkruijsse]
| |
rotatiedruk
Drukprocédé waarbij de
drukvorm als een kwart- of halve cylinder op
een zogenaamde rotatiepers is gemonteerd. In tegenstelling tot de
stopcylinderpers draait de rotatiepers voortdurend in dezelfde richting door,
waardoor veel energie wordt bespaard en waardoor kilometers lange rollen papier
bedrukt kunnen worden. Rotatiedruk wordt vooral toegepast voor het drukken van
kranten, maar ook pocketboeken worden wel op die manier gedrukt.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Scott; H. van Krimpen. Boek over
het maken van boeken (19862), p. 70. [P.J. Verkruijsse]
| |
rotunda of notula
Van oorsprong laatmiddeleeuwse, door
B. Kruitwagen opnieuw
geïntroduceerde, benaming voor de middelste van de drie schriftsoorten
(fraterschrift) die door de Moderne Devoten (Moderne Devotie) gebruikt werden voor het schrijven van
boeken. De rotunda is een variatie op de gotische
littera textualis en werd toegepast als
standaard boekletter (boekschrift). De beide andere
schriftsoorten heten
bastarda en
fractura.
Pogingen om een
nomenclatuur op te stellen die gebaseerd is
op de middeleeuwse benamingen, moesten worden gestaakt: het aantal gebruikte
termen was veel te groot en te verwarrend en strikte definities konden
nauwelijks gegeven worden. Tegenwoordig gebruikt men de door
G.I. Lieftinck ontwikkelde nomenclatuur,
die overigens ontstaan is uit pogingen om op basis van Kruitwagens studie de
nomenclatuur van de Broeders van het gemene leven te reconstrueren.
LIT: Feather; Hiller; B. Kruitwagen. Laat-middeleeuwse
paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942), p.
VI-IX, 25-78. [H. Struik]
| |
round character
Figuur of
personage in een literair werk dat in
tegenstelling tot een
type of
flat character min of meer uitvoerig
gekarakteriseerd wordt. Het gaat daarbij vooral om de psychologische
karaktertekening en de karakterontwikkeling in de loop van de beschreven
geschiedenis. De beschrijving van het personage geschiedt dan ook vaak van
binnenuit. Meestal worden alleen hoofdpersonen op deze wijze beschreven,
terwijl bijfiguren flat characters blijven. Niet alle hoofdfiguren zijn round
characters, omdat het gebruik daarvan tijd- en vaak ook genregebonden is, vgl.
bijv. de personages in de 17e- en 18e-eeuwse klucht met die uit de tragedie uit
dezelfde tijd of met personages uit een modern blijspel. Bovendien zijn de
grenzen tussen ‘round’ en ‘flat’ niet scherp, maar
vloeiend. Met de opkomst van de psychologie neemt het round character in de
literatuur een grotere plaats in. Voorbeelden van round characters zijn
Mathilde in Een
liefde (1887) van
L. van Deyssel en
Frits van Egters in De
avonden (1947) van
S. van het Reve.
LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Herman/Vervaeck;
Myers/Simms; Prince; Scott; E. Muir. The structure of the novel
(19672); K.D. Beekman en J. Fontijn. ‘Romanfiguren’, in:
Spektator 1 (1971-1972), p. 406-414. [G.J. van Bork]
| |
royalty
Term uit de uitgeverswereld voor het contractueel vastgelegde
percentage van de verkoopprijs van een boek (doorgaans zonder de kosten van de
band) dat aan een auteur wordt uitbetaald als honorarium en dat jaarlijks wordt
uitgekeerd aan de hand van het aantal verkochte exemplaren van dat boek. Dat
percentage varieert gewoonlijk van 7,5% tot maximaal 20%, afhankelijk van het
succes van een auteur en de door de uitgever begrootte oplage. Doorgaans
vermeldt een uitgeverscontract een oplopende percentagereeks, bijvoorbeeld 7,5%
tot 10.000 verkochte exemplaren en daarboven 10% of meer.
Vaak wordt bij het inleveren van de kopij of het afsluiten van het
contract een niet terugvorderbaar voorschot op deze royalties aan de auteur
verstrekt, opdat deze bij tegenvallende verkopen toch een redelijk basisbedrag
voor zijn inspanningenn krijgt.
Royalties worden ook wel
auteursrechten genoemd, maar dat laatste
begrip is ruimer en heeft onder meer betrekking op het geestelijk eigendom van
een tekst.
[G.J. van Bork]
| |
rubricatie of rubriek-2
Term uit de codicologie voor de meest eenvoudige manier van
versiering van handschriften door het gebruik van rode inkt, rubrum of minium
(vandaar ook
miniatuur) genaamd. Voor uitvoering in rood
kwamen in aanmerking: kapittelopschriften,
lombarden,
paragraaftekens; vaak ook werd de eerste
letter van een versregel doorgehaald (‘opgehoogd’). Als er sprake
is van versiering op niveau, dan spreekt men van
illuminatie of historiëring (initiaal-1). Het was niet ongebruikelijk dat degene die
rubriceerde (de rubricator) een ander was dan de kopiist, zoals ook blijkt uit
het colofon van een handschrift met werken van
Jan van Ruusbroec: de kopiist besluit
met ‘Biddet trouwelic voer den scryver om God’, waaraan door de
rubricator in rood is toegevoegd: ‘Ende voer den genen diet geroet
heeft’. Wanneer het afschrijven en rubriceren gescheiden plaatsvond,
zette de kopiist op plaatsen waar er gerubriceerd moest worden, een
representant of schreef hij de in het rood
uit te voeren tekst zo ver in de binnen- of buitenmarge, dat hij na het
inbinden en afsnijden niet meer zichtbaar zou zijn.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; W.Gs. Hellinga en P.J.H. Vermeeren.
‘Codicologie en filologie XI’, in: SpL 7 (1963-1964), p.
204-207; J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum
(19813), p. 38-39; A.S. Korteweg (red.). Kriezels, aubergines en
takkebossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende
eeuw (1992); D. Hogenelst & F. van Oostrom. Handgeschreven
wereld (1995), p. 32-34. [H. Struik]
| |
rubriek-1
Gemarkeerde afdeling in een dagblad of tijdschrift waarin
één of meer specifieke onderwerpen aan de orde worden gesteld.
Doorgaans hebben rubrieken een vaste plaats in een tijdschrift en vaak worden
ze geredigeerd door speciale rubrieksredacteuren.
Zo heeft Ons Erfdeel als vaste rubriek de ‘Culturele
kroniek’ en het tijdschrift Literatuur de rubrieken
‘Nieuws’ en ‘Signalementen’. De meeste literaire
tijdschriften hebben rubrieken van het type ‘Recensies’ en
‘Aankondigingen en mededelingen’. Beroemd en berucht werd de
rubriek ‘Panopticum’ in Forum (1932-1935), waarin in de
beginjaren vooral E. du Perron zijn fel polemische bijdragen publiceerde.
LIT: BDI; Best; Scott. [G.J. van Bork]
| | | |
rugtitel
Term uit de bibliografie voor de titel, zoals die - vaak in
ingekorte vorm - op de rug van een boek wordt afgedrukt. De bestanddelen van
een rugtitel zijn gewoonlijk de auteursnaam, de (ingekorte) titel en de
uitgeversnaam. Vooral bij wat minder dikke boeken, waar men moet woekeren met
de ruimte, wordt de titel in verkorte vorm gegeven, soms gelijkluidend aan de
Franse titel. De rugtitel bijv. van
Betje Wolff en
Aagje Deken: De historie van
mejuffrouw Sara Burgerhart wordt meestal Sara
Burgerhart.
Multatuli's Max
Havelaar is vrijwel alleen bekend bij deze rug- en Franse titel en
niet bij de volledige titel Max Havelaar of De koffieveilingen der
Nederlandsche Handel-Maatschappij. Er zijn ook boeken waarbij de
rugtitel afwijkt van zowel Franse titel als van de volledige titel, bijv.
Jacob Smits biografie van
Huygens heeft als volledige titel
De grootmeester van woord- en snarenspel. Het leven van Constantijn
Huygens 1596-1687, als Franse titel De grootmeester van
woord- en snarenspel Constantijn Huygens en als rugtitel
Het leven van Constantijn Huygens.
Wanneer de rugtitel niet in horizontale regels aangebracht kan
worden omdat het boek daarvoor niet dik genoeg is, wordt bij verticale
betiteling van boven naar beneden gedrukt opdat de rugtitel leesbaar blijft als
het boek op tafel ligt. In Duitsland wordt vrij consequent van
beneden naar boven gewerkt en ook in Frankrijk volgt men nog wel die
methode.
In de periode dat de
boekband nog niet door de drukker-uitgever
geleverd werd, kan de door diverse binders of eigenaars met de hand
aangebrachte rugtitel van exemplaar tot exemplaar verschillen. Voorts moet men
erop bedacht zijn dat bij een
convoluut een rugtitel niet de gehele inhoud
dekt. In plaats van een rugtitel treft men ook wel een met de hand geschreven
titel aan op de snede van een boek wanneer dat met de rug naar achter in de
kast geplaatst werd, zoals vaak gebeurde tot in de 16e eeuw.
LIT: BDI; Hiller; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 186. [P.J. Verkruijsse]
| |
rugwit
Term uit de typografie voor de binnenmarge, het gedeelte van de
pagina (bladzijde) dat zich op een rechter pagina in een
opening links van de
zetspiegel en op een linker pagina in een
opening rechts van de zetspiegel bevindt. De andere marges heten
kop-,
snij- en
staartwit.
LIT: BDI; Hiller; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 149-150. [P.J. Verkruijsse]
| |
ruimte
Begrip uit de verteltheorie ter aanduiding van de locatie, de
plaats waar of de omgeving waarin de handeling of geschiedenis van een literair
werk zich afspeelt.
F.C. Maatjeonderscheidt de dramatische
ruimte van de lyrische en epische ruimte, omdat in de eerste de tekst
gerealiseerd wordt in een handeling die ruimtelijk bepaald is (op het toneel),
maar tegelijk kan in de uitgesproken toneeltekst ruimte worden gesuggereerd op
de wijze van een lyrische of epische tekst. Een groot deel van de typisch
ruimtelijk bepaalde handelingen van het toneel vindt men in de
regieaanwijzingen (neventekst), die afhankelijk van het
type drama uitvoerig (naturalistisch drama) tot summier (modern toneel) kunnen
zijn.
De lyrische ruimte vertegenwoordigt gewoonlijk een
‘beeld’, de evocatie van de op een bepaald moment aanwezige
ruimtelijke omstandigheden. Ze kan functioneren ter bepaling van de stemming,
maar ook een thematische functie hebben. De epische ruimte wordt geleidelijk
opgebouwd in het verloop van het verhaal. Daarbij kan onderscheid gemaakt
worden tussen de locatie waar de geschiedenis zich afspeelt, de precieze plaats
van handeling, en de door een verteller of de personages geziene of beleefde
ruimte. In dat laatste geval is de focalisatie ten aanzien van de ruimte
bepalend.
De functie van ruimte kan per geval sterk verschillen. Tussen
concrete plaatsbepaling, zoals op het toneel, en stemmingscheppend beeld, zoals
in de lyrische ruimte, liggen tal van mogelijkheden. In
Jeroen Brouwers' Zonsopgangen
boven zee (1977) speelt ruimte zowel de rol van concrete
plaatsbepaling als die van thematische ruimte. In sommige teksten is de ruimte
bepalend voor het handelingsverloop; men denke daarbij bijv. aan verhalen die
op zee spelen of op een onbewoond eiland.
Ruimte kan in bepaalde gevallen ook een symbolische werking
hebben, vgl. het station in
S. Vestdijks De kelner en de
levenden (1949) of het huis in
Hermans' Het behouden
huis (1952). Sommige ruimtelijke beschrijvingen zijn in de
literatuur uitgegroeid tot
topos (vgl. het herderstafereel, het
idyllische landschap of de hofzitting).
Ruimte kan op verschillende manieren worden opgeroepen. Het meest
algemeen geschiedt dat visueel, maar ook door middel van het gehoor, het gevoel
of de geur kan ruimte worden gesuggereerd. Ruimtebeschrijvingen doen veelal een
beroep op voorkennis van de lezer. Wanneer een schrijver bijv. de Kalverstraat
in Amsterdam als locatie kiest, hoeft hij nauwelijks aan die
straatnaam iets toe te voegen over mensenmasssa's, winkels, straatactiviteiten
etc. Hetzelfde geldt voor bepaalde geluiden (bijv. het geluid van treinen) of
de combinatie daarvan met geuren (zilte geur van zee en het gekrijs van
meeuwen). Dergelijke aanduidingen roepen bij de lezer een reeks van associaties
op met ruimtelijke werking die voor de schrijver het gewenste effect
bewerkstelligen.
LIT: Bal; Boven/Dorleijn; Drop; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince;
F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 149-165; D. Lodge. The
modes of modern writing (1979); M. Bal. ‘Huisje, boompje,
beestje’, in: Spektator 9 (1979-1980) 4, p. 304-334. [G.J. van
Bork]
| |
ruitdicht of rhombos
Figuurgedicht in de vorm van een ruit met
korte begin- en eindregels en naar het midden toe langere regels. De eerste
én laatste letter van iedere regel dienen voor het vormen van een spreuk
die rondom - tegen de wijzers van de klok in - gelezen kan worden.
LIT: R. Breugelmans. ‘Een rhombos voor Romboldus door de
schrijver P.S.’, in: De letter doet de geest leven. Bundel opstellen
aangeboden aan Max de Haan (1980), p. 98-101. [P.J. Verkruijsse]
| |
ruiterlied
Laatmiddeleeuws lied dat in de epiloogstrofen wordt toegeschreven
aan een ruiter. Er komen zeven ruiterliederen voor in Het Antwerps
liedboek van 1544. Een voorbeeld daaruit is ‘Het quam een
ruyterken uut Bosscayen’, waarvan de volgende strofe een beeld geeft van
de inhoud van deze liederen:
Het quam een ruyterken uut Bosscayen
Ghister avont in de wijn.
Ou, segt ou, en salmen hier niet naien?
Ick hebbe geschuert mijn hemdekijn.
Noch hebbe ick eenen gulden fijn,
Die sal ic u, meysken, gaerne gheven.
Wildy tavont mijn boelschap zijn,
So sal ick met u vrolijck zijn.
(Het Antwerps Liedboek, ed.
Vellekoop en
Wagenaar-Nolthenius, dl. I, 1975, p.
68).
Vaak wordt in deze liederen een ruiter opgevoerd die dit lied
gezongen zou hebben, maar het feit dat een ruiter deze liederen gezongen zou
hebben is hoogst twijfelachtig omdat paardenvolk in die tijd ongeletterd was.
Waarschijnlijk behoort de ruiter tot de standaardfictie van dit soort
liederen.
LIT: Buddingh'; Laan. [G.J. van Bork]
| |
running title zie
kopregel
| |
Russisch formalisme
De Russische formalisten zijn een groep literatuurbeschouwers en
taalkundigen die zich manifesteerden tussen 1915 en 1928 in hun verzet tegen de
toen vigerende literatuurbenadering van
Geistesgeschichte,
positivisme en marxisme. De groep stelde
daar een autonomistische (autonomiebewegingen)
benadering van literatuur tegenover. De formalisten onderhielden nauwe
betrekkingen met de Russische futuristen (futurisme),
met name met
Chlebnikoven
Majakovsky, en distantieerden zich van
het metafysisch gerichte
symbolisme. Literatuur was voor hen een
tijdgebonden taalkundig fenomeen. Taal is voor de literatuur de grondstof die
door middel van een aantal kunstgrepen kan worden getransformeerd in literaire
teksten. De aandacht van de formalisten gaat dan ook uit naar deze
procédés om langs die weg de zogenaamde
‘literariteit’ of ‘poëticiteit’ van (literaire)
taal vast te stellen. De formalisten richtten hun aandacht vooral op ritme en
klank als vormgevende principes. Essentieel is dat poëtische taal een
organisch samenhangend verschijnsel is met eigen wetten en normen. De splitsing
tussen inhoud en vorm wordt dan ook afgewezen: de poëtische vorm bepaalt
de betekenis.
De keuze voor een verbijzonderde vormgeving die volgens de
Russische formalisten aan literaire taal eigen is, heeft tot doel de waarneming
bij de lezer te ontregelen, te dé-automatiseren en zo vervreemding
(vervreemdingseffect) van de waarneming tot stand te
brengen. De literatuurgeschiedenis is in hun ogen een voortgaand proces van
doorbreking van normen en conventies om zo steeds een nieuwe werkelijkheid te
creëren wanneer de oude voorstelling daarvan in de literatuur tot
cliché geworden is. Later is erop gewezen dat daarin het normatieve van
deze literatuurbenadering kan worden aangewezen.
Van de formalisten is onder meer het onderscheid afkomstig tussen
‘fabula’ (fabel-2) en sujet (plot) in het literaire werk. Onder ‘fabula’ wordt
verstaan de volgorde van de vermelde gegevens in hun causale samenhang. Het
sujet is de artistieke presentatie daarvan en het ligt voor de hand dat de
formalisten vooral op deze presentatie hun aandacht richtten, omdat die bij
uitstek de literairheid van teksten zou bepalen.
De Russisch formalisten organiseerden zich in twee kringen: een
Moskouse linguïstische kring en een genootschap in St.
Petersburg dat zich vooral op poëtische taal concentreerde. De
belangrijkste vertegenwoordigers zijn
Roman Jakobson,
Viktor Sklovsky,
Boris Eichenbaum,
Boris Tomasevsky en
Jury Tynjanov. Hun
literatuurwetenschappelijke opvattingen kwamen in strijd met de door het
socialistische partijkader vastgestelde richtlijnen. De leden van de groep werd
het werken onmogelijk gemaakt en onder partijpolitieke druk bekeerden enkelen
zich tot het
socialistisch realisme, terwijl anderen naar
het westen uitweken (o.m.
Jakobson). Voor een deel werd hun werk
voortgezet in de Praagse linguïstische kring (Praags
structuralisme), opgericht in 1926.
De invloed van het Russisch formalisme is zo groot geweest dat het
gebruikelijk is geworden de beoefening van de moderne literatuurwetenschap met
deze beweging te laten beginnen. Er is ook vaak verband gelegd tussen een
aantal opvattingen van de formalisten en die van de
New Criticism, vooral wat betreft de
autonomistische benadering.
Teksten van Russisch formalisten zijn in Nederlandse vertaling
verschenen in Russisch formalisme, Sjkolskij, Jakobson, Ejchenbaum,
Tynjanow (Sunschrift 182, 1982), in Raster (4, 1977, p. 43-77) en in
W.J.M. Bronzwaer (red.), Tekstboek algemene literatuurwetenschap
(1977).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Preminger; Shipley; Wilpert; Victor Erlich. Russian formalism
(1955;herz.dr. 1981); K. Pomorska. Russian formalist theory and its poetic
ambiance (1968); E.M. Thompson. Russian formalism and Anglo-American New
Criticism. A comparative study (1971); A.A. Hansen-Löve. Der
russische Formalismus (1978); W.G. Wetsteijn. ‘Het Russisch futurisme
en de vernieuwing van de poëtische taal’, in: FdL 21 (1980),
p. 79-101; V. Sjklovski. De paardensprong. Opstellen over literatuur
(1982); P. Steiner. Russian formalism. A metapoetics (1984); J.J. van
Baak. ‘Russisch formalisme’, in: R.T. Segers (red.). Vormen van
literatuurwetenschap (1985), p. 13-34; R.L. Jackson and S. Rudy (red.).
Russian formalism: a retrospective glance (1985); M. van Buuren.
‘Russisch formalisme’, in: Filosofie van de algemene
literatuurwetenschap (1988), p. 70-80. [G.J. van Bork]
| |
rust of pauze
Term uit de prosodie voor een syntactische grens zoals die
bijvoorbeeld visueel kan worden weergegeven door een punt (zware grens), komma
(lichte grens) e.d. Naast deze algemene betekenis heeft de term soms ook een
meer specifieke inhoud. Het gaat dan om een pauze die ontstaat doordat voor het
gevoel van de lezer een of meer syllaben (soms ter waarde van een
versvoet) in een versregel van een metrisch
(metrum) gedicht zijn weggelaten. De
polymetrie wordt in dat geval door de lezer,
die
isochronie wil ervaren, hersteld tot een
uniform metrisch patroon doordat de lezer de opengevallen syllabeplekken opvult
met rusten (hier aangegeven door x):
Erns- tig en een- zaam x staat
Tus- schen de hol- ten x van
He- mel en/ aar de de / man
Die x Gods woor- den ver- staat
(
M. Nijhoff. VW, dl. 1,
19822, p. 88).
Veel kinderliedjes en aftelrijmpjes zijn op dit principe gebouwd
(bijv. ‘In, spin, de bocht gaat in’).
LIT: Best; Bronzwaer; Cuddon; Metzler; MEW; Preminger; Scott;
Wilpert; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de versregel
(1962), p. 16-18; G.J. Vis. ‘Iconiciteit en ritme: klankexpressie bij
Nijhoff', in: FdL 32 (1991), p. 46-60 (speciaal 47 v.). [G.J. Vis]
| |
rijk rijm zie
gelijk rijm
| |
rijm
Term uit de prosodie voor de herhaling van de
klank van verwante klinkers of medeklinkers.
Het verschijnsel behoort (in tegenstelling tot dat andere deel van het terrein
van de klank, het
ritme) tot dat segment ervan dat gebaseerd
is op de zogeheten ‘inherent elements of sound’ (
Wellek &
Warren): klankkleur, timbre. Bij rijm
worden (combinaties van) klanken op zo korte afstand herhaald dat de terugkeer
als signaal werkt. Dit signaal kan louter formeel of functioneel zijn.
Bij de formele klankherhaling gaat het alleen om het klankspel als
zodanig, zoals in het aftelrijmpje ‘Iene miene mutte, tien pond grutte,
tien pond kaas, iene miene mutte is de baas’. Bij de functionele
klankherhaling versterkt het rijm op een of andere wijze de noties die op
syntactisch en/of semantisch niveau worden aangeboden in de tekst, of het legt
er verbindingen tussen. Daarbij kunnen (al dan niet verborgen) noties, of
tegenstellingen daartussen, worden gereleveerd, zoals in de volgende passage
uit ‘Koning Cophetua en het bedelmeisje’:
Mijn wangen gloeiden warmer,
Toen ik het vorstlijk marmer
Dan ooit, op 't weidsche plein.
(
J.C. Bloem. VG, p. 50).
In de
forma formans releveert de rijmvrager
‘warmer’ de notie ‘koud’ in de rijmgever
‘marmer’. In de
forma formata releveert rijmgever
‘armer’ de notie ‘rijk’ in de rijmvrager
‘marmer’.
Gelet op de aard van de rijmklanken onderscheidt men
gelijk rijm,
volrijm en
halfrijm; het laatste is weer te
onderscheiden in klinkerrijm (assonance) en
medeklinkerrijm.
Gelet op de hoeveelheid syllaben die bij het rijm betrokken zijn,
is er een verdeling te maken in staand rijm (mannelijk
rijm), slepend rijm (vrouwelijk rijm),
glijdend rijm en
dubbelrijm.
Gelet op de plaats van de rijmklank in het gedicht is er een
verdeling te maken in
eindrijm,
middenrijm,
binnenrijm,
voorrijm en
overlooprijm. Een en ander kan leiden tot
het maken van
rijmschema's.
Als er rijm optreedt, is dat meestal in
poëzie-1 of in hierop geëente
toepassingen in ander verband (zoals reclameteksten). Poëzie kan overigens
ook rijmloos (blank vers) voorkomen. Een oneigenlijk
gebruik van de term vindt men in
oogrijm.
Een directe samenhang met ritme vindt men bij eindrijm, omdat dit
altijd gepaard gaat met accentuering (accent). Vandaar
dat men hierbij soms
rijmverdoezeling toepast.
In de 18e eeuw ontstaat het
rijmwoordenboek, speciaal voor
eindrijmen.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; ENSIE (dl. 2, p. 49-53);
Fowler; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J. Geurts. Bijdrage tot de
geschiedenis van het rijm in de Nederlandsche poëzie (1904-1906); R.
Wellek & A. Warren. Theory of literature (1948), hfdst. 13; J. van
Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19822),
p. 257-259; J. Bakker. Rijmwijzer (1990). [G.J. Vis]
| |
rijmbreking of rijmbreuk
Eigenschap van de verstechniek die zich kenmerkt door het
verschijnsel dat het einde van een mededeling niet samenvalt met het einde van
een verspaar, zonder dat hierbij (zoals bij het
enjambement) bewust naar een zeker effect
wordt gestreefd. Bij rijmbreking is het niet noodzakelijk dat een eenheid van
mededeling twee niet-rijmende verzen vult; het is mogelijk dat die eerder
begint. Het is echter essentieel, dat het einde van de mededeling niet
samenvalt met het einde van het rijmpaar:
Onthier ende hi die borch sach
Doe liet hi in sinen scilt
Sijn hoeft jamberlike hangen.
Her Walewein quam daer gegangen
Grotelike houdende sijn spot.
(Lanceloet en het hert met de witte voet,
ed.
Draak, 19796, vss.
124-127).
Rijmbreking komt in principe weinig voor in gedichten met het
lange vers met binnenrijm (Langzeile) als basiseenheid
van de versificatie, omdat het lange vers doorgaans een eenheid van mededeling
vormt. In werken die gedicht zijn in paren van korte verzen daarentegen kan het
een frequent voorkomend verschijnsel zijn.
Een algemeen gangbare opvatting is, dat rijmbreking kenmerkend zou
zijn voor oudere middeleeuwse werken. Het gaat hier echter eerder om een laat
dan om een vroeg verschijnsel. In de Middelhoogduitse literatuur komt, naast de
Langzeile, rijmbreking in de 12e eeuw meer en meer voor, waarbij na het midden
van die eeuw het rijmpaar van korte verzen de overhand krijgt. In het
Middelnederlandse taalgebied lijkt deze ontwikkeling zich in de 13e eeuw te
voltrekken. Deze ontwikkeling hangt waarschijnlijk samen met het loslaten van
de orale traditie (orale literatuur) waarin literatuur
werd voorgedragen, ten gunste van een schriftelijke traditie waarin
(voor)gelezen werd.
LIT: Best; Metzler; E. van den Berg. Middelnederlandse versbouw
en syntaxis. Ontwikkelingen in de versifikatie van verhalende poëzie ca.
1200 - ca. 1400 (1983), p. 155-97. [H. Struik]
| |
rijmbreuk zie
rijmbreking
| |
rijmbrief zie
briefgedicht
| |
rijmdwang of rijmnood
Term uit de prosodie ter aanduiding van een vorm van
rijm die door de lezer als ongewenst wordt
beschouwd, maar door de dichter toegepast is omdat de omstandigheden hem ertoe
dwongen. In de praktijk gaat het meestal om een
rijmgever die niet past in het kader
waarbinnen de
rijmvrager functioneert.
In de middeleeuwse gepaard rijmende
epiek is rijmdwang geen onbekend
verschijnsel. Soms redt de dichter zich met een
hysteron proteron of een
nadrukformule, doorgaans echter met een
stoplap.
De sneldichter
Willy Alfredo werd nog wel eens
getreiterd met de woorden ‘twaalf’ en ‘herfst’ waarvoor
geen rijmwoord te vinden is.
Vestdijk geeft als voorbeeld de woorden ‘elf’
(sprookjeswezen), ‘delf’, ‘gewelf’ en
‘hooischelf’ die alle vier als rijmwoord kunnen functioneren in een
landelijke, pastorale sfeer, maar waarvan het gebruik in een sonnet over een
kolenmijn de laatste de grootste kans maakt de indruk te wekken er met de haren
bijgesleept te zijn en dus uit rijmnood gebruikt te zijn.
LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Wilpert; S. Vestdijk. De
glanzende kiemcel (19917), p. 74-79; J.J. Gielen. Taalkunst
(1968), p. 91; V. van de Reijt. Ik wou dat ik twee hondjes was
(1982), p. 124-125. [G.J. Vis/W. Kuiper]
| |
rijmgever
Term op het gebied van het
rijm voor het tweede van een tweetal
syllaben, syllabegroepen of woorden dat bij een situatie is betrokken waarin
herhaling van verwante klinkers of medeklinkers optreedt. De rijmgever
weerkaatst als een echo de klank van de
rijmvrager.
Zo is het woord ‘bleek’ rijmgever van
‘steek’ (rijmvrager) in:
Die kerel met zijn kegelsteek
Ziet als een levend lijk zo bleek
(M. Nijhoff. VW, dl. 1, 19822, p. 65).
LIT: Morier. [G.J. Vis]
| |
rijmkroniek
Benaming uit de 19e eeuw voor de Middelnederlandse historische
werken in paarsgewijs rijmende verzen, die in de 13e en 14e eeuw ontstonden. De
contemporaine benaming is
jeeste of, minder vaak,
historie.
Het genre is door literatuurhistorici lang beschouwd als een
kwaliteitsarme variant van de
ridderroman. Voor zover historici wel
gebruik maakten van deze bronnen, hielden zij weinig rekening met de mogelijke
gevolgen van de literaire vormgeving voor de weergave van het verleden.
Volgens middeleeuwse maatstaven is er een vergaande verwantschap
tussen rijmkroniek en ridderroman; geschiedschrijving was geen zelfstandige
wetenschap, maar vormde een onderdeel van de ‘literatuur’. Auteurs
van ridderromans en rijmkronieken beschrijven het verleden door toepassing van
dezelfde stereotiepe vormgevingsprincipes en literaire conventies.
Waarheidspretenties komen in beide genres voor, hoewel rijmchroniqueurs deze
serieus trachten te onderbouwen door controleerbare bronnenreferenties. De
behoefte de historie te beschrijven overeenkomstig het patroon van hoofse
idealen en maatschappelijke of politieke ambities, weegt echter zwaarder dan de
eis tot een nauwkeurige en betrouwbare weergave. Door een dergelijke opstelling
tegenover het verleden bieden de rijmkronieken mogelijkheden inzicht te krijgen
in de collectieve geestesgesteldheid van de samenleving of de sociale
groepering waarin zij ontstonden en functioneerden.
Het genre komt tot bloei in de tweede helft van de 13e eeuw,
gelijktijdig met de opkomst van territoriale mogendheden als het graafschap
Holland en het hertogdomBrabant. Het stelselmatig
streven van de territoriale vorsten om hun gezag over hun onderdanen te
vergroten, had regelmatig het ontstaan van oppositionele bewegingen tot gevolg.
Dit verklaart de centrale plaats die de auteurs aan de dynastie toekennen. Hun
doel is onder meer het maatschappelijk draagvlak van de dynastie te
verstevigen. Vooral met het oog daarop wordt het verleden van de dynastie
verheerlijkt en de gevoerde politiek verdedigd. De rijmkronieken stimuleren het
ontwakend besef dat men onderdaan is van een staatkundig geheel, samengehouden
door de vorst. Dit streven heeft alleen effect als het publiek zich
aangesproken voelt en zich met het vorstendom en de dynastie kan
vereenzelvigen. Daarom wordt de dynastie voorgesteld als de belichaming van het
vorstendom, verheven van oorsprong en indrukwekkend in haar optreden; de vorst
kan zich meten met de helden uit het verleden:
Alexander de Grote, koning
Artur en
Karel de Grote. Het excellente verleden
van de dynastie legitimeert haar positie en haar eis tot algemene erkenning.
Door haar te beschrijven binnen het raam van een hoofs-ridderlijke levensstijl
en ideologie, overeenkomstig de voorstellingswereld van de ridderroman,
beantwoordt de dynastie in de rijmkroniek aan het verwachtingspatroon van het
hofpubliek. Het solidariteitsgevoel tussen dynastie en doelgroep wordt verder
bevorderd door de geschiedenis van het vorstendom te beschrijven als een proces
waarbij vorst en onderdaan zich samen hebben ingezet voor gemeenschappelijke
belangen, vooral in tijden van oorlog. In De Brabantsche
Yeesten (ed.
Willems, 1839) beschrijft
Jan van Boendale de geschiedenis van het
hertogdom Brabant tot 1347. De Rijmkroniek van Holland
van
Melis Stoke (ed.
Brill, 1885, ongew. herdr. 1983) bevat de
geschiedenis van het Hollandse gravenhuis tot 1305. Beperkter van opzet zijn de
anonieme Grimbergsche Oorlog (ed.
Serrure en
Blommaert, 1852-1854) en
Jan van Heelu's Yeeste van den
slag van Woeringen (ed.
Willems, 1836).
LIT: Best; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; A.L.H. Hage. Sonder
favele, sonder lieghen. Onderzoek naar vorm en functie van de Middelnederlandse
rijmkroniek als historiografisch genre (1989). [H. Struik]
| | | |
rijmpaar
Term uit de prosodie voor twee op elkaar rijmende woorden of
woordgroepen (rijmvrager en
rijmgever), of van twee op elkaar rijmende
versregels.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Preminger;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
rijmprent
Prent met een bijbehorende berijmde tekst, doorgaans geproduceerd
als
planodruk. De traditie van de rijmprent kwam
in heel West-Europa tot ontwikkeling na de uitvinding van de
boekdrukkunst. Men mag het genre niet verwarren met het
emblema. De rijmprent is doorgaans minder
moralistisch en verschilt vooral in de productiewijze: een houtsnede of gravure
(later ook andere technieken) wordt afgedrukt in combinatie met een berijmde
tekst op een planovel. Vaak fungeerden rijmprenten als strijdschrift of
vlugschrift, bijv. bij kerkelijke of politieke twistpunten, maar ook populaire
onderwerpen gaven aanleiding tot de productie van rijmprenten; 16e-eeuwse
voorbeelden hiervan zijn Sinte Aelwaer, De
weduwe en de jonge minnaar, De hennetaster
e.v.a. Tot in de 18e eeuw werden deze populaire rijmprenten herdrukt, soms
zelfs met de oude 16e-eeuwse houtsnedeblokken. Een voorbeeld van een politieke
rijmprent is de 17e-eeuwse Op de Jonghste Hollantsche
transformatie, met een hekeldicht op het ingrijpen van Prins
Maurits (1618) dat aan
Vondel wordt toegeschreven. Bijzondere
vormen van de rijmprent zijn de
centsprent, de
kinderprent en de
volksprent, die vooral in de 17e en 18e eeuw
populair waren: Jan de Wasser, Genoveva van
Brabant e.a.
Moderne, vooral op de esthetische vormgeving gerichte rijmprenten
werden o.a. geproduceerd door
A.A.M. Stols in de reeks
‘Rijmprenten en planodrukken’, waaraan bekende kunstenaars als
John Buckland Wright,
A.C. Willink,
C.A.B. Bantzinger en schrijvers als
E. du Perron en
V.E. van Vriesland meegewerkt hebben.
Maar ook de politieke of de gelegenheidsrijmprent bleef in de 20e eeuw bestaan:
P.C. Boutens' Een nieuwe lente
op Hollands erf (1937) ontstond bijv. ter gelegenheid van het
huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard. Het verzet tijdens de Tweede
Wereldoorlog en de bevrijding van mei 1945 hebben eveneens bekende rijmprenten
opgeleverd: De achttien dooden (1941) van
Jan Campert door de Bezige Bij illegaal
ten bate van het verzet gedrukt en verschillende teksten uit
Valerius' Nederlandtsche
Gedenck-Clanckdie op 5 mei 1945 in omloop werden gebracht.
LIT: Gorp; MEW; Laan; M. de Meijer. De volks- en kinderprent in
de Nederlanden van de 15e tot de 20e eeuw (1962); P.J. de Jong.
‘Laatmiddeleeuwse rijmprenten’, in: Spektator 4 (1974/75) 5,
p. 269-274; C.F. van Veen. Centsprenten. Nederlandse volks- en
kinderprenten. Inleiding en catalogus (1976). [G.J. van Bork]
| |
rijmproza
Aanduiding voor een prozatekst of gedeelte daarvan waarin
herhaling zich vooral voordoet in de vorm van
rijm. Middellatijnse proza-auteurs vlochten
bij wijze van versiering rijmen in hun prozaregels. Klassiek geschoolde
filologen vielen hierover, omdat dit vermenging van genres betekende, en daarom
afkeurenswaardig was. Onder invloed van de Beweging van Tachtig (Tachtigers) kwam rijmproza tot bloei. Bijv.
't Vroor dat het kraakte. Van b uiten uit de laagte
van het pad kwam het voorbij gaand gepraat van een paar late
mannen. [...] (J. van Looy. De
dood van mijn poes, ed.
Huygens, 1962, p. 7).
Rijmproza is verwant aan het
prozagedicht.
LIT: Best; Gorp; Metzler; Wilpert. [G.J. Vis/W. Kuiper]
| |
rijmresten
Sporen van rijm in een prozatekst die ontstaan is door
omwerking van een tekst in gepaard rijmende
verzen tot proza (ontrijming). Rijmresten kunnen onder
meer aangetroffen worden in de gedrukte versies van de middeleeuwse
ridderepiek. Deze teksten hebben - samen met een nogal heterogene groep andere
teksten uit de 15e en 16e eeuw - aan het proces van ontrijming de benaming
prozaroman te danken.
Ontrijming is niet zo'n ingrijpend proces; de rijmwoorden
schemeren vaak letterlijk door het proza heen:
hi wilde hem laten passeren met sinen volcke hi wilde hem
besweren
(M.E. Kronenberg.
‘Een onbekend volksboek van Merlijn (c. 1540), in: TNTL XLVIII
(1929), p. 24));
ic wandele bat in dit water sonder pine dan yemant anders
op dat land inder sonnen schine. (F.
Wolf. Huyge van Bordeus. Ein niederländisches
Volksbuch (1860), p. 33).
LIT: L. Debaene. De Nederlandse volksboeken. Ontstaan en
geschiedenis van de Nederlandse prozaromans gedrukt tussen 1475 en 1540
(19772), p. 334-335. [H. Struik]
| |
rijmschema
Term op het gebied van het
rijm voor een bepaalde volgorde en
groepering van
rijmvrager(s) en
rijmgever(s) die betrokken zijn bij
eindrijm. Men onderscheidt de volgende
typen.
1.
Gepaard rijm: aabbcc etc. Bijv.:
Van dichten comt mi cleine bate.
Die liede raden mi dat ict late
(Beatrijs, ed.
Verhofstede, 1947, p. 67).
2.
Gekruist rijm: ababcdcd etc. Bijv.:
Moeder, mij heugen de dagen maar nauw
toen ik 's avonds in slaap mij gebaarde
om te rusten in uw schoot, en ik soezend, toch flauw
voeld'uw adem die steeds mij bedaarde.
(
W. Elsschot. VW, 1960, p.
726).
3.
Omarmend rijm: abbacddc etc. Bijv.:
Wanneer je ontwaakt, zie je den morgen bleeken,
De klokken luiden dat de dag begint.
De tuin geurt zoel van gras en vochtig grint,
Ruischend omhoog de hooge boomen steken.
(M. Nijhoff. VW, dl. 1, 19822, p. 53).
4.
Gebroken rijm: abcb of abac. Bijv.:
En schiep uit zijn witten schoot
Tusschen licht en licht, en den dood
Als een tintelend oogenblik!
(
M. Nijhoff. VG, 1995, p.
189).
5.
Verspringend rijm: abc abc. Bijv.:
Gij zegt mij, liefste, om deugdzaam te zijn,
en dat ik anders nooit uw groote oogen,
van heel dichtbij, hoe schoon zij zijn, zal zien.
En dat is 't ook, wat, indien iets, wel mijn,
kracht om u waard te worden, zal verhoogen,
mij, die u needrig, ver van u af, dien.
(
H. Gorter. Verzamelde lyriek tot
1905, 1977, p. 331).
6.
Slagrijm: aaaa. Bijv:
Champagne, in 't overvloeiend glas,
Gegoten of het spoeling was,
Komt in uw woning niet te pas,
Noch bruigomstreelend hypocras [...].
(
De Schoolmeester.
Gedichten, ed.
Van Deel &
Mathijsen (1975), p. 171).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Cuddon;
Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
rijmspreuk
Op rijm gestelde spreuk (adagium) of
spreekwoord (adagium). Al gedurende de Middeleeuwen werden er rijmspreuken
verzameld, bijv. in het handschrift-Van Hulthem (ca. 1410):
Niemen sijn vriende en weet
Alse sijn dinc ten besten steet:
Maer de vriende worden becant
Alst hem ten quaetsten gheet in hant.
(Middelnederlandsche rijmspreuken, ed.
Suringar, 1886, p. 30).
Veel rijmspreuken zijn bewerkingen van de Disticha
Catonis en de Facetus maar ook spreuken uit
de bijbel, bijv. uit Spreuken, kwamen in verzamelingen met rijmspreuken
terecht en werden dan zonder onderscheid aan de spreekwoordelijk wijze
Salomo toegeschreven.
LIT: Best; Metzler; Wilpert; L. Indesteege. Middelnederlandse
gedichten, liederen, rijmspreuken en exempelen (1951), p. 85-101; W.L.
Braekman. ‘Middelnederlandse didactische gedichten en
rijmspreuken’, in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke
Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (1969), p. 79-111; J. Reynaert.
‘Alderhande proverbien vanden wisen Salomone’, in: H. van Dijk,
W.P. Gerritsen, O.S.H. Lie e.a. (red.). Klein kapitaal uit het
handschrift-Van Hulthem (1992), p. 153-163; W. van Anrooy en Th. Mertens.
‘“Een cort jolijt”. Middelnederlandse spreukstrofen met het
rijmschema aabccb’, in: F. Willaert e.a. (red.). Een zoet akkoord.
Middeleeuwse lyriek in de Lage Landen (1992), p. 219-233; H. Brinkman.
‘“Alder wysheit fondament.” Profane ethiek in enige
verzamelingen Middelnederlandse rijmspreuken’, in: J. Reynaert e.a.
(red.). Wat is wijsheid? Lekenethiek in de Middelnederlandse letterkunde
(1994), p. 230-245. [H. Struik]
| |
rijmverdoezeling
Term op het gebied van de
klank, door
Vestdijk als ‘het interessantste
onderwerp’ uit de theorie van het
rijm genoemd. Doordat de dichter het
herhaald optreden van
eindrijm als hinderlijk gaat ervaren (te
nadrukkelijk, eentonig, schools, dreunerig), zoekt hij wegen om dit nadeel op
te heffen. Tot dit doel zijn twee methoden in zwang. De eerste is die van
toepassing van het
enjambement, de tweede die van de
accentverschuiving. Wat betreft het
enjambement, kan men opmerken dat dit de aandacht van het eindrijm afleidt.
Als voorbeeld dienen de volgende regels van
M. Nijhoff:
Mijn meester wil de wereld vrolijk maken,
- ‘Satans Apostel’ noemt mij 't aanplakbord -
En 't volk, een optocht gekke pelgrims, wordt
Hierheen gestuurd, en ik moet het vermaken.
(VG, dl. 1, 19822, p. 31).
De accentverschuiving geschiedt zo, dat de
rijmgever de klemtoon van de
rijmvrager niet herhaalt, zoals blijkt uit
vergelijking van de vijfde regel met de tweede uit onderstaand fragment:
Zie naar mijn armen! Zie de wereld zijn
Doellooze vaart door donkre ruimten w enden.
- Een danser ziet de dingen van ver-af -
Latwerk is om mij heen en porcelein,
De nacht is boven mij een geel gat en de
Vloer is het steenen deksel van een graf.
LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Lodewick; Morier; J.J. Gielen.
Taalkunst 4 (1968), p. 91; S. Vestdijk. De glanzende kiemcel
(19917), p. 90 e.v.). [G.J. Vis]
| |
rijmvrager
Term op het gebied van het
rijm voor het eerste van een tweetal
syllaben, syllabegroepen of woorden, dat bij een situatie is betrokken waarin
eindrijm optreedt, en waarvan de
rijmgever de echo is. Bijv.:
Die kerel met zijn kegelst eek
Ziet als een levend lijk zo bl eek
(
M. Nijhoff. VG, dl. 1,
19822, p. 65.)
LIT: Morier. [G.J. Vis]
| |
rijmvrijheden
Term op het gebied van het
rijm voor die verschijnselen die afwijken
van wat men op een gegeven moment als norm en conventie beschouwt. Zo zou men
een
rijmschema zoals gehanteerd door
Gezelle in zijn gedicht ‘Ego
flos’ (abcdebfd) als rijmvrijheid kunnen beschouwen omdat het afwijkt van
de destijds gangbare schema's (G. Gezelle. Volledige
werken, dl. 11, 1936, p. 143). Hetzelfde kan gelden voor een geval
waar bijv. een
volrijm en een
halfrijm op elkaar rijmen, of waar
accentverschuiving leidt tot
rijmverdoezeling. Zo beschouwd hoeft een
rijmvrijheid geen onderdeel te zijn van een
dichterlijke vrijheid.
LIT: Shipley. [G.J. Vis]
| |
rijmwoordenboek
Verzameling van woorden, ten dienste van
rijm gekozen op hun eindklank, voor
aankomende dichters of dilettanten. Zo schreef
W. Kroon een Verzameling van
Rijmklanken (1754), daarmee uiteraard doelend op
‘rijmwoorden’. Dit werk vormde de basis voor
P.G. Witsen Geysbeeks bekende
Nederduitsch rijmwoorden-boek, waarin de bruikbare rijmwoorden uit de
beste Noord- en Zuid-Nederlandsche dichters bijeenverzameld en, naar
vokaalorde, onder derzelver natuurlijke klanken gerangschikt zijn, tot gemak
bij de praktische beoefening der dichtkunst (1829), diverse malen
(18492; 18653) herdrukt. Binnen elk cluster werkt
Geysbeek alfabetisch. Hoofdgroepen zijn
staande rijmwoorden en
slepende rijmwoorden. Andere rijmwoordenboeken
zijn die van
L. Delgeur (1846),
H. Frijlink (1884),
J. van Droogenbroeck alias
Jan Ferguut (1884), en
E.H. Weyl (1935). Het werk van
laatstgenoemde werd weer opgenomen in dat van
B. Bakema: Het grote
rijmwoordenboek; met talrijke wenken, praktische aanwijzingen en sleutel- en
rijmwoorden, systematisch gerangschikt qua klank, klemtoon en aantal
lettergrepen (1959). Vermelding verdient verder het Prisma
rijmwoordenboek (19806) van
A.M.C. Ballot-Schim van der Loeff.
Ook retrograde (kreeftgedicht)
woordenboeken kunnen als rijmwoordenboek fungeren.
LIT: Brongers; Gorp; Laan; Metzler; Wilpert; J. Boets. Moderne
theorieën in verband met klankexpressie (1965), p. 250. [G.J. Vis]
|
4die de maagdelijkheid van mijn grootmoeder
nam
|
|