|
|
|
| |
Z
| |
zadjal-strofe
Van oorsprong Provençaalse versvorm, bestaande uit drie op
elkaar rijmende versregels gevolgd door een vers met hetzelfde rijm als het
refrein (refrein-1): aaabBB of aaab(BCB), welke
strofevorm teruggevonden kan worden in de
ballette ‘Harba lori fa’ van
hertog Jan I van Brabant
(1253-1294):
Eens Meiens morgen vroeg was ik opgestaan
In een schoon boomgaardekijn zoud'ic spelen gaan
Daar vond ik drie jonkvrouwen staan
D'ene zong vore, d'ander zong na
(N. de Paepe. Ik zag nooit
zo roden mond. Middeleeuwse liefdespoëzie, 1970, p. 91).
LIT: N.H.J. van den Boogaard. ‘Quelques remarques sur une
pastourelle en moyen néerlandais en particulier sur le refrain
provençal: ‘harba lori fa’, in: Mélanges offerts
à René Crozet (1966), p. 1213-1216; F. Willaert. ‘A
propos d'une ballette de Jan Ier, duc de Brabant (1253-1294)’, in:
Études Germaniques 35 (1980), p. 387-397; idem. ‘Het
minnelied als danslied. Over verspreiding en functie van een ballade-achtige
dichtvorm in de middeleeuwen’, in: F.P. van Oostrom en F. Willaert
(red.). De studie van de Middelnederlandse letterkunde. Stand en toekomst
(1989), p. 71-91. [W. Kuiper]
| | | |
zakencommentaar
Verklaring bij of toelichting op bepaalde zaken die in een tekst
genoemd worden in de vorm van een
annotatie door de editeur. Meestal spreekt
men van
woord- en
zakencommentaar, daarmee een nauwkeurig
onderscheid tussen beide typen
commentaar vermijdend. Dat onderscheid is
ook lang niet altijd te maken omdat tal van verouderde woorden naar zaken
verwijzen, zoals bijv. het in een 19e-eeuwse tekst voorkomende
‘bulster’ dat ‘strozak’ of ‘beddezak’
betekent.
Met zakencommentaar bedoelt men doorgaans annotaties bij namen van
niet-fictionele personen, titels van boeken of kunstwerken, historische feiten
en namen van plaatsen, straten of gebouwen voorzover die niet meer bekend
verondersteld kunnen worden.
Zo wordt in Hildebrands ‘De familie Stastok’ uit de
Camera obscura de naam ‘Mingand’ genoemd. In
het zakencommentaar wordt ons meegedeeld dat dit een destijds beroemde
biljarter geweest is die in 1847 overleed.
LIT: Mathijsen; W.Gs Hellinga. ‘De commentaar’, in:
Handelingen 24e Filologencongres (1956), p. 109-127. [G.J. van Bork]
| |
zang of gezang
In strikte zin duidt men hiermee een tekstgeheel of -gedeelte aan
dat, evenals het
lied, bedoeld is om gezongen te worden. In
ruimere zin kan de term de betekenis hebben van
gedicht,
poëzie-1,
lyriek of
strofe; een enkele renaissancistische
drama-auteur gebruikt de term ook voor
rei-1.
In renaissance en classicisme was zang een gebruikelijke
aanduiding voor de afdeling van een groot (episch) werk. Die gebruikswijze
vindt men tot in de 19e eeuw, getuige bijv.
W. Bilderdijks De ondergang
der eerste wareld (1820), verdeeld in vijf ‘zangen’.
Een mengvorm vindt men in Zeeusche nachtegael (ed.
Meertens &
Verkruijsse, 1982), verdeeld in (1)
‘Minnesang’, (2) ‘Seden-sang’ en (3)
‘Hemel-sang’.
In de 18e en 19e eeuw kwam het dikwijls voor dat dichters een van
beide termen in titels van gedichten of van bundels gebruikten; men denke aan
Zedelijke en stichtelijke gezangen (1704) van
J. Luyken, Gezangen mijner
jeugd (1782) van
J. Bellamy, of
W. Bilderdijks Zangen van
Ossian (1795-1805). Verder vindt men de term zang in
samenstellingen ter aanduiding van (sub)genres als
beurtzang, herderszang,
tijdzang,
visserszang e.a.
Een specifiek gebruik van het woord gezang vindt men in de
protestants-christelijke eredienst, waar de gezangen, naast de
psalmen, het belangrijkste aandeel vormen
van het
kerklied.
LIT: Cuddon; Dupriez-1; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
zangspel
Vorm van muziekdramatische kunst bestaande uit een toneelstuk,
veelal een klucht (klucht-1), met ingelaste gezongen
gedeelten. De teksten waren veelal vertalingen van de opéra comique, een
gesproken tekst onderbroken door liedjes, koren en ensemblespel. Het zangspel
kreeg belangrijke impulsen van het 18e-eeuwse Singspiel, een klucht gelardeerd
met zang. Ook grote componisten hebben het genre beoefend, zoals
Mozart, wiens Die
Entführung aus dem Serail (1782) en Die
Zauberflöte (1791) al voor 1800, in Nederlandse vertaling, met
succes werden opgevoerd. Hier domineerde echter niet de tekst maar de muziek.
Het originele Nederlandse zangspel, dat al een langere traditie had, kreeg in
de tweede helft van de 18e eeuw nieuwe impulsen. Naast bewerkingen (bijv.
J. Kinkers Edipus te
Kolone, 1807) vindt men ook originele zangspelen (bijv. die van J.
van Lennep). In de tweede helft van de 19e eeuw verdwijnt de gesproken dialoog
in de opéra comique, die zich van muzikale klucht ontwikkelt tot
operette (J.
Offenbach) en burleske
opera (J. Wagenaar).
Het zangspel is verwant aan de opera, maar is minder gebonden aan
genrevoorschriften. Allerlei dramatische vormen, zoals herdersspel (pastorale-2) en
pantomime, konden als zangspel worden
opgevoerd. Kenmerkend is steeds het voorkomen van lieflijke en melodieuze
coupletten. Op die manier kon het zangspel de voorloper worden van de
musical.
LIT: Best; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; J.A. Worp.
Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland, 2 dln.
(1903-1907); S.A.M. Bottenheim. De opera in Nederland (1946); K.Ph.
Bernet Kempers. Muziekgeschiedenis (19655). [G.J. Vis]
| |
zaponneren
Het bij de restauratie versterken van papier of perkament door het
te bestrijken met of onder te dompelen in een oplossing van cellulose, zapon
genaamd.
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
zedenblijspel zie
comédie de moeurs
| |
zedenroman
Type roman waarin men als overheersende trek de beschrijving van
de karakteristieke levensgewoonten, gebruiken of zeden van een bepaalde tijd of
groep meent te kunnen aanwijzen. Als Nederlandstalige voorbeelden zou men
kunnen denken aan
A.L.G. Bosboom-Toussaints
Majoor Frans (1875) of
Ina Boudier-Bakkers
Armoede (1909).
Een probleem bij het gebruik van de term vormt de afgrenzing van
dit subgenre. Enerzijds is er in tal van romans sprake van de beschrijving van
de gewoonten en gebruiken in een bepaalde (sociale) groep of tijd, en
anderzijds is er steeds overlapping met subgenres als de
tijdroman, de
historische roman, de
familieroman of de streekroman (streekliteratuur). Geeft de auteur van de zedenroman dan
bovendien nog impliciet of expliciet kritiek op de bestaande normen, dan kan
men ook van
tendensliteratuur spreken.
LIT: Best; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert.
[G.J. van Bork]
| |
zedeprint of karakter
Volgens de overlevering door de Griek
Theophrastus ontwikkeld didactisch
(hulp)middel bij het retorica-onderwijs, bestaande uit sterk satirische (satire) beschrijvingen van sociale categorieën, dus niet
van identificeerbare individuen. Dit soort karakterschilderingen is
inNederland vrijwel uitsluitend beoefend door
Constantijn Huygens (1596-1687), die in
Engeland met het genre in contact kwam, waar het in de 17e eeuw
populair was. Onder de twintig door Huygens vervaardigde zedeprinten bevinden
zich beschrijvingen van ‘Een goed predikant’, ‘Een gemeen
soldaat’, ‘Een onwetend medicyn’, ‘Een
alchymist’, ‘Een beul’ en ‘Een professor’, samen
uitgegeven als Zes zedeprinten door een Werkgroep van Utrechtse
neerlandici (1976). De zedeprint is verwant aan de
fysiologie.
LIT: Best; Laan; Shipley. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
zeispreuk of apologisch spreekwoord
Term op het terrein van de
beeldspraak voor een
spreekwoord dat aan een persoon in de mond
gelegd wordt. Het bevat een apoloog (een kort, soms allegorisch, vertelsel, of
een anekdote met een moraal) en is dus verwant aan de
allegorie en aan de
anekdote. Bijv.:
allemaal Menschen, zei de Bagyn, en zy zoende den Pater
(E. Bekker &
A. Deken. Historie van den
Heer Willem Leevend, dl. 6, 1785, p. 276).
Sommige zeispreuken zijn in het spreekwoordelijk jargon van de
omgangstaal opgenomen, zoals: ‘Alles met mate, zei de snijder, en hij
sloeg zijn vrouw met de el’.
Bekend zijn de zeispreuken van kapitein Pulver in
J. van Lenneps Ferdinand
Huyck, zoals
niemand kan 't helpen, zoo als de man zeî, toen hij zijn
vrouw van de trappen gegooid had. (J. van Lennep. Romantische
werken, dl. 1, 1867, p. 342).
LIT: C. Kruyskamp. Allemaal mensen...Apologische
spreekwoorden (19653). [G.J. Vis]
| | | |
zelfcensuur
Bijzondere vorm van
censuur, waarbij een auteur of een redactie
in eigen werk wijzigt of schrapt. Meestal gebeurt dit onder druk van de
publieke opinie, de overheid of door gewijzigde inzichten van de auteur zelf.
Een voorbeeld van zelfcensuur is de 2e herziene druk van de roman Een
liefde van
L. van Deyssel, die hijzelf volledig
herzag in 1899 en waaruit hij de in de 1e druk omstreden passages van
uitgesproken sensuele inhoud schrapte.
LIT: K.D. Beekman. ‘L. van Deyssel's “Een
liefde” en de kritiek’, in: Spektator 1 (1971-1972), p.
246-258. [G.J. van Bork]
| |
zelfcorrectie zie
correctio
| |
zelfverbetering zie
correctio
| |
zetfout
Term uit de drukkerswereld voor een fout ontstaan tijdens het
zetten van een tekst door de zetter in de zethaak. Zetfouten kunnen het gevolg
zijn van verkeerd grijpen van de zetter in de letterkast, maar zijn doorgaans
te wijten aan een
distributiefout. Dikwijls bestaat een
zetfout uit het omgekeerd plaatsen van een letterstaafje in de zethaak, hetgeen
resulteert in een letter die op z'n kop is afgedrukt. Deze laatste soort
zetfouten is gemakkelijk te herkennen door de lezer, behalve waar het op z'n
kop afdrukken van een ‘n’ of een ‘u’ een
niet onzinnig woord in een niet onzinnige context oplevert, bijv. ‘Het
uitdenken/uitdeuken van een auto is een vermoeiende bezigheid’.
Een zetfout moet duidelijk onderscheiden worden van een
drukfout die ontstaat tijdens het drukproces
en meestal reeds gecorrigeerd wordt na een
proefdruk. Correctie van zetfouten vindt
plaats op de
drukproef met behulp van
correctietekens. Correctie achteraf vindt
plaats door middel van een lijstje
errata. In het verleden werd vaak
gecorrigeerd zonder de
kopij, wat dan weer tot
‘Verschlimmbesserungen’ kon leiden. Bij het
collationeren van exemplaren van boeken uit
de periode van de handpers treft men vaak nog ongecorrigeerde vellen (vel) aan die vanwege de hoge papierprijs niet zijn weggegooid,
maar gewoon meegebonden.
LIT: BDI; Brongers; Mathijsen; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in
de Nederlanden (1962), p. 129, 140; F.A. Janssen. Zetten en drukken in
de achttiende eeuw (1982), passim; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 224. [P.J. Verkruijsse]
| |
zetspiegel
Term uit de drukkerswereld voor de afdruk op een
blad-2 van het blok gezette tekst zonder
kop- en
voetregel en dus ook zonder de marges. De
afmetingen van de zetspiegel zijn van invloed bij het bepalen van de
bladspiegel.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 149-150. [P.J. Verkruijsse]
| |
zeugma of syllepsis
Stijlfiguur bestaande uit de verbinding van een woord (bijv. een
werkwoord) met twee andere woorden terwijl het slechts bij een van beide
(respectievelijk bij een van beide tegelijk) gebruikt kan worden. Bijv.:
‘hier zet men thee en over’. In literaire teksten past men het
zeugma wel toe om komische effecten te bereiken, zoals in de volgende zin van
Kees van Kooten:
Dat is een proces waar ze nog niet achter zijn hoe dat gaat en
ligt voor elke kleinschrijver weer anders. (Koot droomt zich
af, 1982, p. 146).
Verschillende auteurs in de 17e eeuw achtten het zeugma
toelaatbaar, bijv.
C. Huygens in zijn
Zeestraet, vs. 170-172:
dat eens het eeuwigh klagen
Van ontrouw rader-werck ten einde wesen sou,
En geen meer twyffeling [wesen sou] aen Veen of wicht en
Touw,
(A. Weijnen.
Zeventiende-eeuwse taal, 19654, p. 62.)
Deze stijlfiguur is verwant aan de
apokoinou; in beide gevallen kan men de
constructie tot correct Nederlands maken door invoeging van een enkel woord.
Het distinctieve kenmerk van het zeugma is, dat deze constructie niet meer dan
één persoonsvorm hoeft te hebben, terwijl bovendien het probleem
altijd gepaard gaat met een nevengeschikte tweeledigheid. Verwant is ook de
anakoloet.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis/P.J.
Verkruijsse]
| |
zich vormende vorm zie
forma formans
| |
zin, betekenis of sensus
De geïntendeerde literaire betekenis van een woord of een
mededeling binnen een tekst of context, niet de lexicologische of etymologische
betekenis. Naast de letterlijke betekenis - er staat wat er staat -
onderscheidt men de figuurlijke of overdrachtelijke betekenis: er staat niet
wat er staat. De theorie over de zin en betekenis van woorden is hecht
gefundeerd in de meerledige interpretatie van de bijbel sinds de kerkvaders de
quator sensus scriptorum (de vier
betekenissen van de Schrift) formuleerden. Het schoolvoorbeeld hierbij is
Jeruzalem: in de letterlijke zin van het woord (sensus litteralis) de stad Jeruzalem, in de morele zin (sensus moralis of
sensus tropologicus) de ziel van de mens, in
de typologische zin (sensus typologicus of
sensus allegoricus-1, waarbij een bepaalde
gebeurtenis uit het Oude Testament gezien wordt als een voorafbeelding van een
gebeurtenis in het Nieuwe Testament) de kerk, en in de anagogische zin (sensus anagogicus, waarbij alles beschouwd wordt vanuit de
vier uiterste eindbestemmingen van de mens: hemel, God, hel, duivel) de hemel.
Dergelijke betekenistoekenningen zijn het onderzoeksterrein van de
hermeneutiek.
In de tweede helft van de 12e eeuw introduceerde
Chrétien de Troyes het begrip in
de wereldlijke literatuur: in samenhang met de begrippen matière (de
stof, materie) en
conjointure (de structuur) gebruikte hij de
term ‘sens’ om de morele betekenis van zijn
Arturromans aan te duiden.
De laatmiddeleeuwse zinnespelen (spel van
zinne) danken hun naam aan de
zinspreuk-1 waarin de boodschap die in het
stuk besloten lag, was samengevat.
LIT: Laan; P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst:
schoonheid en wetenschap (1982); U. Eco. Kunst en schoonheid in de
middeleeuwen (1989); H. Pleij. ‘Over de betekenis van
Middelnederlandse teksten’, in: Spektator 10 (1980-81), p.
299-339. [H. Struik]
| | | |
zinneken, neeftken, nichtken, sinneken of
verrader
Soortnaam voor bepaalde allegorische personages (allegorie,
figura-1) in rederijkersspelen (rederijkers,
rederijkerstoneel) die gevoels- en
gemoedsaandoeningen, hartstochten, lichamelijke neigingen en driften
personifiëren. De zinnekens hebben vaak expliciet deze ondeugden als naam,
zoals Lust tot Rijckdom, Jalours Ghepeyns, Hoverdie en Ghyericheyt.
De term zinneken is gangbaar vanaf de tweede helft van de 16e
eeuw. In de literatuurgeschiedenis is dit de gebruikelijke benaming geworden.
De rederijkers maakten echter geen onderscheid tussen zinneken, neeftken,
nichtken of verrader, hoewel zinneken niet zoals de overige termen als
aanspreekvorm in de dialoog van het toneelspel werd gebruikt; we vinden die
term praktisch alleen op de lijst van
dramatis personae en in de
toneelaanwijzingen.
De personificaties van het rederijkersspel worden door hun namen
met de
zin van het spel verbonden. De zinnekens
kunnen in de zin van het spel beschouwd worden als de veroorzakers van datgene
wat de auteur zelf niet wil; als negatieve, meestal religieuze, factoren. Hun
activiteiten kunnen als verleidend bestempeld worden; zij verdringen hiermee de
duivel uit de rol van verleider met alles wat tot dood en verdoemenis leidt,
maar laten het voltooien van het oordeel (als dat al volgt) aan hem of de dood
over.
De naam verrader hebben de zinnekens waarschijnlijk ontvangen
vanwege hun onthullende en verleidende functie. Hierin lijkt het zinneken op de
nar of zot in het rederijkerstoneel: beiden
spreken de waarheid of onthullen deze: de nar omdat hij te naïef is om
misleid te worden, de zinnekens omdat zij als transcendente wezens over
superieure kennis en superieur inzicht beschikken en een hogere waarheid
tonen.
In het begin van de 17e eeuw raakten de zinnekens in onbruik.
LIT: Abrams; Gorp; Laan; W.M.H. Hummelen. De sinnekens in het
rederijkersdrama (1958); W. Vuijk & M. Eggermont. Van hoe er zich
twee vergaren tot elcker uren soet: historisch-pragmatische analyse van het
taalgebruik van de sinnekens in het eerste optreden in vijf zestiende-eeuwse
rederijkersspelen (1984). [H. Struik]
| |
zinnespel zie
spel van zinne
| |
zinspreuk-1 of spreuk-2
Kernachtige uitspraak in de vorm van een
gnome-2, vaak in versvorm, die een
formulering van een stelling, een levenswijsheid of een vermaning inhoudt met
een algemene strekking. De zinspreuk-1 heeft vaak de vorm van een
sententia of van een
aforisme en kan ontleend zijn aan de
spreuk-1. Het volgende voorbeeld is een als
copla gepresenteerde zinspreuk van
Hendrik de Vries:
't Volkslied groeit als een eeuwenoud wonder:
Ook in ruwheid en dwarsche verkeerdheid
Spreekt het edeler, guller en ronder
Dan veel verheven geleerdheid.
De volgende zinspreuk, die al voorkomt bij
Roemer Visscher, is in de bewoordingen
van
Jacob Cats een
spreekwoord geworden:
Al is de leugen wonder snel
De waerheyt achter-haelse wel.
(Spiegel van den ouden en nieuwen tyt,
1632, fol. f4r.).
LIT: Best; Metzler; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
zinspreuk-2 of devies-2
Kenmerkende spreuk voor het karakter of levensideaal van een
persoon, een geslacht of een vereniging. De zinspreuk is verwant aan het
motto-2 zoals dat voorkomt - maar dan gecombineerd met een
pictura - in het op de mens in het algemeen
gerichte
emblema en vooral in de eveneens individueel
gerichte
impresa. De door het
maniërisme geïnspireerde zinspreuk
treft men met name aan bij de rederijkers en bij auteurs uit de
renaissance.
Voorbeelden van bekende zinspreuken zijn ‘'t Kan
verkeren’ van
Bredero, ‘Constanter’
(standvastig) van
Constantijn Huygens, ‘Iustus fide
vivit’ (de rechtvaardige leeft door het geloof) van
Joost van den Vondel. Vaak bestaat de
zinspreuk uit een
anagram van de auteursnaam: ‘Schade
leer u’ van
Lucas d'Heere; ‘Elk vree voor
al’ van
Karel Verloove.
LIT: Best; Laan; Metzler; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
zinsritme
Term uit het grensgebied van spraakkunst en literaire prosodie
voor
accent- en pauzeverhoudingen binnen een
grammaticale eenheid. In
poëzie-1 is de klankwerking dikwijls
afhankelijk van de spanning tussen zinsritme en
versritme. Deze spanning ontstaat vooral
daar waar het eind van de versregel (vers-1) niet
samenvalt met een syntactische grens (enjambement) en
vervolgens daar waar binnen de versregel met een
metrisch patroon een of meer pauzen
(syntactische grenzen) als punten van
rust optreden. Het spreekt vanzelf dat de
factor tijd bij dit alles een grote rol speelt.
LIT: Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Gorp; Lodewick; Morier; Preminger;
Shipley; Wilpert; G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap
(19802). [G.J. Vis]
| | | | | |
zuivere poëzie of pure poëzie
De termen zuivere en
onzuivere poëzie worden door
A.L. Sötemann gebruikt om er twee
tradities in de Europese poëzie van de 19e en 20e eeuw mee te
karakteriseren. Onder zuivere poëzie verstaat hij poëzie die kan
worden opgevat als een onafhankelijk artefact, een ‘ding’ dat zijn
eigen betekenis en samenhang bepaalt. ‘Zuivere poëzie’ is
poëzie die een eigen, unieke werkelijkheid schept en daarin los staat van
de maker en zijn wereld.
Er is een duidelijke relatie met de opvattingen zoals die verwoord
zijn door de
autonomiebewegingen waarin het taalkunstwerk
als een autonoom literair fenomeen wordt gezien. Zuivere poëzie bootst
niet na, maar schept een onafhankelijke wereld in taal. Het gedicht ontstaat in
deze poëzieopvatting dan ook vanuit de eisen die de taal zelf oproept
(Nijhoffs‘creatieve vorm’). Doel is het
onsterfelijke in taal te laten spreken: poëzie is nieuwe mystiek of een
‘nieuwe transcendentie van het scheppen’ (Gottfried Benn).
Als voorbeeld van zuivere poëzie noemt Sötemann het werk
van
Gerrit Kouwenaar, die hij stelt
tegenover
Sybren Polet als vertegenwoordiger van
de onzuivere dichters. De term
poésie pure heeft maar zeer
zijdelings met Sötemanns terminologie te maken, al kan men deze
poëzie zien als één van de mogelijke vormen van zuivere
poëzie.
LIT: Best; Cuddon; A.L. Sötemann. ‘Twee modernistische
tradities in de Europese poëzie’, in: Over poëtica en
poëzie (1985), p. 77-94. [G.J. van Bork]
| |
zwanenzang
Metafoor voor het laatste werk dat een kunstenaar voor zijn dood
gemaakt heeft. De metafoor berust op de volksoverlevering dat de zwaan als hij
zijn levenseinde ziet aankomen nog eenmaal prachtig zou zingen. Dat geloof is
zeer oud en werd al in de Klassieke Oudheid een literair motief en verspreidde
zich over de gehele West-Europese cultuur. Bij
Hadewych kan het worden aangetroffen in
de Strofische gedichten:
Men seghet, die swane, als hi die doot
Smaken sal, dat hi dan singhet
(ed.
De Paepe, 1983, p. 338).
Ook bij
Vondel treft men het aan:
De zwaan, dat vrolijke waterdier [...]
Stervende zingt ze een vrolijk liet
(WB-ed., dl. 10, 1937, p. 436-437).
J.J.L. ten Kate schreef een zwanenzang
voor
Byron, die hij dateerde op Byrons
geboortedag 22 januari en diens sterfjaar 1824: ‘Byrons zwanezang’
(Ten Kate. Poëzy. Nieuwe bloemlezing, 1880, p. 109).
Tegenwoordig kent de term een zeer ruime toepassing en wordt
zwanenzang vaak gebruikt voor elke laatste al dan niet kunstzinnige uiting.
LIT: MEW. [G.J. van Bork]
| |
zwarte kunst zie
nigromantie
| |
zwartekunst of mezzotint
Een rond het midden van de 17e eeuw door
Ludwig von Siegen uitgevonden
diepdrukprocédé (diepdruk) dat op een
geheel geruwde koperplaat (vanaf de 19e eeuw ook staalplaat) de delen die
minder zwart afgedrukt moeten worden egaliseert. Hierdoor is het mogelijk een
heel scala aan grijstinten (mezzotinten) te creëren.
LIT: BDI; Feather; Hiller; F. van der Linden. De grafische
technieken (19905), p. 119-122. [P.J. Verkruijsse]
|
|
|