|
|
|
| |
D
| |
D-nummer
Aanduiding uit de bibliotheekwereld voor het nummer dat aan een
publicatie wordt verleend door het
wettelijk depot (D-nummer = Depot-nummer).
Het nummer wordt doorgaans in het desbetreffende boek op de
verso-zijde van het titelblad of in het
colofon afgedrukt en bestaat uit een
D, gevolgd door het jaartal tussen schuine strepen, een code van vier
cijfers voor de uitgevende instantie en na een schuine streep het volgnummer
van de publicatie van die uitgever. Aangezien Nederland geen
wettelijk depot kent, volgt hier een Belgisch voorbeeld: D/1969/0020/3 =
Vijftien jaar aanwinsten sedert de eerste steenlegging tot de plechtige
inwijding van de Bibliotheek, de derde uitgave (/3) van de Koninklijke
Bibliotheek Albert I (/0020/) te Brussel uit 1969 (/1969/).
LIT: [P.J. Verkruijsse]
| |
dactylus
Term uit de prosodie ter aanduiding van een
versvoet bestaande uit een
heffing gevolgd door twee
dalingen, bijv. dáctlûs. In
dichtvorm vindt men deze voet in de volgende regel:
Hóór dê sô/nátê
dêr/clávêcîm/bálê.
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 17).
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
dadaïsme
Stroming in de kunst ontstaan uit principieel verzet tegen de
geldende normen en esthetische opvattingen, mede onder invloed van de als
zinloos ervaren Eerste Wereldoorlog. Het dadaïsme verzet zich tegen de
gangbare ordening in de kunst, want die artistieke ordening bevestigt de
bestaande maatschappelijk orde. Men kiest voor collagetechnieken (collage),
readymades,
écriture automatique en andere
improvisatievormen.
In 1915 verzamelde zich in Zürich een groep
kunstenaars rond de Roemeense dichter
Tristan Tzara, die in 1918 het eerste
manifest van het dadaïsme publiceerde. In 1916 richtten zij het Cabaret
Voltaire op, een overwegend literaire club met een expositiezaal, waarin het
tijdschrift Dada werd geredigeerd. Tot deze groep behoorden naast Tzara
o.m.
Hugo Ball (schrijver),
R. Hülsenbeck (schrijver) en
Hans Arp (schilder). Vlak daarna,
onafhankelijk van elkaar en toch vrijwel gelijktijdig, ontstonden in New
York, Berlijn, Keulen, Hannover
en Parijs gelijkgerichte bewegingen, met als belangrijkste figuren
Marcel Duchamp,
Francis Picabia,
George Grosz,
Max Ernst,
Kurt Schwitters,
André Breton,
Philippe Soupault,
Paul Eluard en
Louis Aragon.
Hülsenbeck claimt dat hij de term
dada als aanduiding voor de beweging gevonden heeft in een Duits-Frans
woordenboek door een briefopener tussen de pagina's te steken, daar
‘dada’ aantrof als kleuterwoord voor ‘paard’ en deze
term vervolgens gebruikte voor het modernistisch cabaret.
In Nederland geldt
Theo van Doesburg als een van de
belangrijkste vertegenwoordigers van het dadaïsme. Hij schreef een pamflet
Wat is Dada? (1923) en droeg onder het pseudoniem
I.K. Bonset bij aan De Stijl. In
België werd vooral
Paul van Ostaijen door het dadaïsme
beïnvloed. De stroming viel de bestaande literaire en andere
kunstinstituties aan en maakte zo de weg vrij voor andere bewegingen van de
historische avant-garde, met name het
constructivisme en het
surrealisme; met
André Bretons Premier
manifeste du surréalisme (1924) beschouwt men doorgaans dan
ook de beweging als beëindigd.
Na de Tweede Wereldoorlog, in de jaren '60, ontstond bij de
Barbarber-groep (
J. Bernlef,
G. Brands en
K. Schippers) opnieuw belangstelling
voor het dadaïsme. In Een cheque voor de tandarts
(1967) gaven Bernlef en Schippers te kennen o.m.
Marcel Duchamp,
Eric Satie,
Kurt Schwitters,
John Cage,
William Carlos Williams als hun
voorgangers te beschouwen.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; G. Huguet.
L'aventure de Dada (1957); P. Schifferli. Das war Dada. Eine
Anthologie (1963); M. Prosenc. Die Dadaisten in Zürich (1967);
Dada in Drachten, spec. afl. Trotwaer (1971), 9/10 (nov.); C.W.E.
Bigsby. Dada and Surrealism (1972); J. Baljeu. Theo van Doesburg
(1974); K. Schippers. Holland Dada (1974). [G.J. van Bork]
| |
dagblad, courant, gazet of krant
Een op actuele nieuwsvoorziening gerichte en periodiek (dagelijks)
gedrukte tekst met een sterke continuïteit in verschijningsvorm en
frequentie. De eerste Nederlandse kranten verschenen aan het begin van de 17e
eeuw te Antwerpen en Amsterdam als ‘loop- of
nieuwmaren’. In 1618 verscheen het eerste nummer van de Courante uyt
Italien, Duytschland etc. De Amsterdamse gazettiers verspreidden ook
Engelse en Franse edities van hun kranten. Aanvankelijk hadden deze kranten het
karakter van nieuwsbrieven.
In het midden van de 19e eeuw ontwikkelde de krant zich onder
invloed van de nieuwe druktechnieken tot een massaproduct. Daarmee gepaard ging
een wijziging van inhoud en opzet. Naast nieuws gaven kranten voortaan ook
beschouwingen, feuilletons, cursiefjes, advertenties enz. Sedert de afschaffing
van het dagbladzegel in 1869 kwam de krant pas echt tot bloei.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen nationale dagbladen,
zoals De Volkskrant, De Telegraaf, NRC/Handelsblad, en
provinciale of regionale dagbladen, zoals de Leeuwarder Courant, de
Provinciale Zeeuwse Courant, en tussen ochtendbladen als De
Volkskrant en Trouw, en avondkranten als Het Parool,
NRC/Handelsblad en de Gazet van Antwerpen. De term
‘krant’ wordt in de spreektaal ook wel gebruikt voor een
weekblad, wanneer dat verschijnt met
hetzelfde uiterlijk (formaat, papier, opmaak) als dat van een dagblad. Vanwege
het typische krantenformaat worden ook bladen met een geringere periodiciteit
wel krant genoemd: Poëziekrant en Uitkrant.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; Krywalski;
Laan; Metzler; Scott; A. Stolp. De eerste couranten in Holland (1938);
F. Dahl. Amsterdam, earliest newspaper centre of Western Europe (1938);
Dutch corantos, 1620-1621 (1946); K. Baschwitz. De krant door alle
tijden (19492); M. Schneider en J. Hemels. De Nederlandse
krant 1618-1978. Van ‘nieuwstydinghe’ tot dagblad
(19794). [G.J. van Bork]
| |
dagboek
Chronologische optekening van dagelijkse voorvallen, al dan niet
vergezeld van commentaar, overdenkingen, beschouwingen e.d. Inhoudelijk en
formeel is het dagboek verwant aan genres als de
autobiografie, de
ik-roman en de
memoires of gedenkschriften. Het dagboek
behoort tot de
egodocumenten en de
bekentenisliteratuur. Hoewel er geen
feitelijk onderscheid is met het
journaal, reserveert men die laatste term
doorgaans voor het dagelijks bijgehouden
reisverslag van een scheepsreis, in die zin
vergelijkbaar met het logboek.
In Nederland heeft het literaire dagboek niet zo'n grote traditie
als in de rest van Europa, met in Frankrijk de gebroeders
De Goncourt,
Paul Léautaud,
André Gide; in
Engeland
Samuel Pepys en
James Boswell; in Duitsland
J.W. von Goethe,
E.T.A. Hoffmann,
J. von Eichendorff e.v.a. De bekendste
Nederlandse dagboeken zijn die van
Willem de Clercq,
Nicolaas Beets (ed.
Van Zonneveld, 1983),
Frederik van Eeden en het oorlogsdagboek
van
Anne Frank Het
Achterhuis (1947).
Een belangrijke Nederlandse serie waarin o.m. (vertaalde)
dagboeken worden gepubliceerd, is de reeks Privé-domein, waarin behalve
de dagboeken van
Léautaud,
Virginia Woolf en
Peter Handke ook
Van Deyssels Het ik,
heroïsch-individualistische dagboekbladen (1978)
verscheen.
LIT: Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler;
MEW; Scott; Shipley; Wilpert; S. Dresden. Bezonken avonturen (1949); P.
Boerner. Tagebuch (1969); Themanummer ‘Dagboeken’,
Maatstaf, 30 (1982) nr.11/12; T. Mallon. A book of one's own
(1985). [G.J. van Bork]
| |
dagboekroman
Ik-roman die de vorm heeft van een
dagboek. Hoewel men geneigd is een groot
aantal ik-romans als dagboekromans aan te duiden, bijv.
A. Helman. De laaiende
stilte (1952),
M. Emants. Een nagelaten
bekentenis (1894), lijkt het verstandiger de term te beperken tot
die romans die een echte dagboekopzet kennen, zoals bijv. Journal
d'un curé de campagne (1936) van
Georges Bernanosen de Limburgse variant
Kroniek ener parochie (1941) van
Jacques Schreurs.
LIT: Lodewick; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
dagelied zie
dageraadslied
| |
dageraadslied of dagelied
Verzamelnaam voor middeleeuwse en renaissanceliederen waarin het
aanbreken van de dag in positieve (aubade) dan wel
negatieve zin (alba,
wachterlied) bezongen wordt.
LIT: Alphen; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA; Metzler;
Scott; Wilpert; A.T. Hatto (ed.). Eos. An enquiry into the theme of lovers
meetings and partings at dawn in poetry (1965); P. King. Dawn poetry in
the Netherlands (1971); F.J. Saville. The medieval erotic alba,
structure as a meaning (1972); J. Houtsma. ‘Gelieven bij de dageraad
in het Antwerps Liedboek’, in: TNTL 95 (1979), p. 83-96. [W.
Kuiper]
| |
dalend metrum of dalend ritme
Term uit de prosodie waarmee dat ritmisch verloop van een
versregel wordt aangeduid waarvan de constituerende versvoet begint met een
heffing, gevolgd door één of
twee
dalingen. Deze versvoeten zijn
respectievelijk de
trochee en de
dactylus. Regels met een dalend metrum zijn
bijv. de
hexameter en de viervoetige trochee,
bijv.
(
P. van Ostaijen. VW.
Poëzie, 19653, dl. 1, p. 11).
LIT: Baldick; Buddingh'; Preminger. [G.J. Vis]
| |
dalend ritme zie
dalend metrum
| |
daling, breve of thesis
Term uit de prosodie die een onbeklemtoonde syllabe aanduidt. De
daling wordt meestal aangegeven met het teken ^. Van het woord
‘lopen’ is de tweede syllabe een daling: lopên. Het
tegenovergestelde van een daling is een
heffing of arsis. In de volgende regel zijn
de even syllaben dalingen:
Dit îs 't/ sprookjê/ van dên/ doodên
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 95).
Naar aanleiding hiervan noemt men het ritme van deze regel
dalend metrum, respectievelijk dalend
ritme.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Metzler; Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
damesroman
Romantype dat geacht wordt vooral door vrouwen te worden gelezen.
Wegens de voorspelbaarheid van de
intrige en de geromantiseerde
liefdesverwikkelingen als voornaamste thematiek rekent men ze tot de
triviaalliteratuur. Tot de damesromans
behoren o.m. de
doktersroman en de
verpleegstersroman, zoals die verschijnen in
series als de Bouquet-reeks. Veel van dit soort romans wordt in een goedkope
uitvoering verkocht bij grootwinkelbedrijven.
De term wordt ook in pejoratieve zin gebruikt door critici van het
interbellum voor een bepaald type romans met een psychologisch-realistische
inhoud en geschreven door vrouwen. Dit soort romans zou teveel een late nabloei
van het naturalisme en dus weinig origineel zijn. Tot deze vrouwelijke auteurs
behoren o.m.
Jo van Ammers-Küller,
Top Naeff,
Ina Boudier-Bakker en
Margo Antink.
In die zin gebruikte ook
Menno ter Braak de term in zijn kroniek
‘Le chemin des dames’, waarin hij ook nog de vrouwelijke auteurs
Marie Schmitz,
Josine Reuling en
Eva Raedt-De Canter noemt.
LIT: M. ter Braak, in: Verzameld werk, dl. 5 (1949), p.
204-210; E. van Boven. Een hoofdstuk apart. De receptie van vrouwenromans in
de literaire kritiek 1898-1930 (1992). [G.J. van Bork]
| |
dandyisme
Cultuurverschijnsel dat in het eerste kwart van de 19e eeuw opkomt
en waarin een grote verfijning van smaak, sterke zin voor perfectie, modieuze
zorg voor het uiterlijk, superioriteit van optreden en een zeker
‘ennui’ een hoofdrol spelen. Hét grote voorbeeld voor de
dandy was
George Bryan (Beau) Brummell
(1778-1840), vriend van
George IV van Engeland.
Mede onder invloed van de naar Brummells leven geschreven romans van
Thomas Lister
Granby (1825) en
E.G. Bulwer Lytton Pelham or the
adventures of a gentleman (1828), vond zijn voorbeeld aanvankelijk
navolging in Engeland bij de geldaristocratie van die tijd.
Onder invloed van het Victoriaanse gezag verdwijnt het dandyisme
uit Engeland, maar inFrankrijk wordt het opnieuw mode, nu sterk
beïnvloed door het boek van
J. Barbey d'Aurevilly Du
dandyisme et de G. Brummell (1845), dat er een bijna
programmatische grondslag aan geeft. De dandy dient zich af te zetten tegen
middelmatigheid en uniformiteit. De Franse dandy is vooral te vinden onder
kunstenaars en intellectuelen die een individueel estheticisme voorstaan, zoals
dat inherent was aan de
decadentie van het laatste kwart van de 19e
eeuw. Belangrijke Franse dandies zijn Baudelaire en de legendarische
Robert de Montesquiou, die model stond
voor Des Esseintes in J.-K. Huysmans' A rebours (1884) en
voor The picture of Dorian Gray (1891) van de Engelse
dandy
Oscar Wilde.
In Nederland had het dandyisme invloed op
Louis Couperus en
Lodewijk van Deyssel, zowel op hun
persoon als hun werk, zoals o.m. in respectievelijk
Noodlot (1891) en Het leven van Frank
Roozelaar (1911) tot uiting komt. Personages in dit werk tonen een
hoogst verfijnde smaak, veel aandacht voor uiterlijk en elegantie en een sterk
aristocratisch zelfbesef. In samenhang met opvattingen over het
symbolisme is er een neiging het leven en de
eigen persoonlijkheid tot een kunstwerk te maken.
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; W. Gaunt. The aesthetic
adventure (1945); E. Moers. The dandy, Brummell to Beerbohm (1960);
K.A.P. Reynders. ‘Dandies in de literatuur’, in: Roeping 37
(1961), p. 262-272; K.A.P. Reynders. ‘De dandy Couperus witgedast’,
in: Bij gelegenheid (1980), p. 28-32; A. Hielkema (red.). De
dandy (1989). [G.J. van Bork]
| |
danslied
Lied dat men zingt terwijl men danst op de maat van dat lied. Het
kan zowel een
volkslied-1 als
cultuurlied zijn. Veel gebruikte vormen zijn
het
rondeel en de
canon-2, die in principe een
‘perpetuum mobile’ is, zoals:
Komt laat ons dansen en springen.
Komt laat ons vrolijk zijn!
(Nederlands volkslied, z.j., p. 282).
Menig
kinderlied is een danslied, zoals het
bekende ‘Ik zou zo graag een koeiken kopen’ (D. Kes e.a.
Kinderzang en kinderspel, dl. 1, 1961, p. 56).
LIT: Best; Lodewick; Metzler; Wilpert; G. Kalff. Het lied in de
Middeleeuwen (1884), p. 500-541; S. Dresden. Algemene muziekleer
(197212), par. 23 (vooral p. 264-268). [G.J. Vis]
| |
database
Een database (gegevensbank) is een met behulp van computertechniek
zodanig georganiseerde en uitbreidbare verzameling van gegevens dat men er
gemakkelijk en direct (on line) toegang toe heeft. Automatisering van
omvangrijke bibliografieën en catalogi betekent een snellere toegang tot
allerlei bibliografische gegevens. In Nederland is door het coördinerend
werk van het Centrum voor Bibliotheekautomatisering
Pica een databank ontstaan met databases van
bibliografische aard. Via Pica zijn o.a. on line beschikbaar de
STCN, de BNTL (Bibliografie van de
Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap), de
nationale bibliografie
‘Brinkman’ en de catalogi van een aantal grote bibliotheken.
Via Internet zijn tal van databestanden raadpleegbaar.
LIT: BDI; Brongers; Pica-mededelingen 1 (1976-....); P.S.A.
Groot. Documentaire dienstverlening (1981), p. 93-122; D. Overkleeft.
Basiskennis informatica, dl. 1 (19824), p. 170-179; O.
Boonstra e.a. (red.). Historische informatiekunde. Inleiding tot het gebruik
van de computer bij historische studies (1990). [P.J. Verkruijsse]
| |
debat
Een gewoonlijk aan bepaalde regels onderworpen openbare discussie
tussen twee of meer deelnemers over een bepaald, meestal van te voren
vastgesteld onderwerp. Het openbare debat wordt doorgaans ingeleid door een
voorzitter. Een bekend literair debat vond onder voorzitterschap van
Ischa Meijer plaats te
Amsterdam (25 januari 1980) naar aanleiding van
Jeroen Brouwers' De Nieuwe
Revisor (1979) over ‘de verloedering van de Nederlandse
literatuur’. Er is een duidelijke overeenkomst van het debat met de
polemiek, waarbij de discussie zich op
papier afspeelt.
LIT: Cuddon; Gorp; HWR; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
debuut
Eerste publicatie van een auteur. Die publicatie kan zowel een
tijdschriftbijdrage als een boek zijn. Men maakt wel onderscheid naar genre:
poëziedebuut, romandebuut, e.a. [G.J. van Bork]
| |
decadentie
Term afkomstig uit de 18e eeuw ter aanduiding van het verval van
het Romeinse keizerrijk, maar sindsdien breder toegepast op elke veronderstelde
neergang van een cultuur. Aan het einde van de 19e eeuw, het
fin de siècle, werd er de
levenshouding mee aangegeven van een groep kunstenaars die een sterke
onafhankelijkheid van de kunst nastreefden onder de leuze
l'art pour l'art. Kunst moest los staan van
de realiteit en uitsluitend esthetisch gericht zijn. Dit leidde tot een
uiterste verfijning van de esthetische prikkels en de ontvankelijkheid
daarvoor: het
estheticisme.
In Frankrijk ontstond een groep schrijvers die men
decadenten noemde (
Baudelaire,
Verlaine, e.a.) die zich in leven en
werk uitsluitend door de schoonheid lieten leiden. Er is een nauwe samenhang
met het
symbolisme, omdat het ‘hogere’
in zijn essentie zich volgens de symbolisten alleen in de Schoonheid van de
kunst liet weerspiegelen.
Ook allerlei sexueel-morbide trekken zijn in het decadentisme aan
te wijzen, herkenbaar in de neiging om de uitersten van leven en dood, pijn en
liefde, moraal en immoraliteit met elkaar te verbinden. Dergelijke
verschijnselen werden sterk gevoed door het idee aan het ‘einde der
tijden’ te staan.
Een sublieme verbeelding van de decadente sfeer aan het einde van
de 19e eeuw gaf
J.-K. Huysmans in A
rebours (1884), waarin de hoofdpersoon Des Esseintes zich afsluit
van de buitenwereld in zijn villa, waarin hij opgaat in een sterk
artificiële en tot het uiterste door esthetiek bepaalde atmosfeer en
waarin hij op een bijna mystieke wijze zijn zintuigen laat prikkelen door
interieur, kunst, gebruiksvoorwerpen en allerlei fijnzinnige vondsten. Niet
toevallig wordt Des Esseintes getekend naar het Franse voorbeeld van het
dandyisme,
De Montesquiou.
In Nederland vond de decadentie in de literatuur
vooral navolging onder de
Tachtigers (bijv.
Lodewijk van Deyssel) en bij
Louis Couperus. Invloed ervan onderging
ook het schrijverscollectief Joyce en Co., bijv. in Erwin
(1974).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; HWR; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; W. Gaunt. The aesthetic adventure
(1945; 19752); A. Balakian. The symbolist movement (1967);
Ph. Jullian. Decadente dromers (1973); J. Fontijn. Leven in
extase (1983); J. Goedegebuure. Decadentie en literatuur (1987); M.
Praz. Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek (1990).
[G.J. van Bork]
| |
decasyllabe
Term uit de prosodie ter aanduiding van een
isosyllabisch vers bestaande uit tien
lettergrepen. Het heeft een pauze na de vierde lettergreep (cesuur). Soms heeft de decasyllabe de pauze na de zesde
lettergreep. De vierde en de tiende lettergreep zijn dikwijls geaccentueerd
(accent). Men vindt de decasyllabe in het Oudfranse
chanson de geste, en later in
Engeland o.a. bij
Milton. In de Nederlandse literatuur
komt de decasyllabe sporadisch voor. Maar men zou de volgende regel uit
Verwey's ‘Cor cordium’ als
zodanig kunnen typeren:
Al hun gebed, dat úw Koninkrijk koom,
(
A. Verwey. VG, 1889, p.
146).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
decimo-sexto zie
sedecimo
| |
declamatie of voordrachtskunst
Aanduiding voor de gestileerde
voordracht van teksten, inclusief de
dictie, en als zodanig vergelijkbaar met de
pronunciatio. Bij het voordragen heeft men
rekening te houden met die aspecten die ook in de gesproken omgangstaal een rol
spelen, zoals luidheid (volume), toonhoogte, duur en tempo van de lettergrepen,
woorden en woordgroepen, alsmede met de pauzes tussen de onderdelen. Bij
voordracht van poëzie dient men speciaal te letten op het feit dat de
tekst uit verzen bestaat. Het regeleinde (al dan niet van eindrijm voorzien)
als ook de syntactische groepering van de zinnen over de regel(s) en de daarmee
samenhangende relatie tussen versregelgrenzen en syntactische grenzen stellen
bijzondere eisen aan de voordracht.
Historisch gezien zou men kunnen zeggen dat de declamatie een
voorgeschiedenis heeft in de vorm van de niet-gestileerde voordracht van
teksten. Deze was in de Middeleeuwen noodzakelijk als vorm van tekstoverdracht.
In de loop van de 16e eeuw maakte het oude type luisterpubliek langzamerhand
plaats voor de individuele lezer. Dit betekent geenszins dat de voordracht van
teksten verdween. Deze kreeg nieuwe mogelijkheden in de vorm van declamatie. De
vooral in de Zuidelijke Nederlanden bloeiende rederijkerskunst vond een
rechtstreekse voortzetting in de amateurgezelschappen, die tot in de 19e eeuw
actief bleven. In diezelfde eeuw kwam in het Noorden de ‘uiterlijke
welsprekendheid’ tot grote bloei, o.m. in de
dichtgenootschappen. Dat declamatie toen
zeer in de mode was, valt bijv. af te leiden uit het ‘avondje’ in
het verhaal ‘De familie Stastok’ uit
Hildebrands Camera
obscura (1839), waar het ‘Rijntje’ (= ‘Aan den
Rhijn’ van
E.A. Borger) wordt voorgedragen. De bloei
van de orale cultuur in de 19e eeuw blijkt uit het feit dat een groot deel van
de poëzieproductie eerst in mondelinge voordrachten gepresenteerd wordt
voordat de teksten in druk verschijnen. Wat de 20e eeuw betreft, valt te wijzen
op de populariteit van het voorlezen uit eigen werk. Poëziefestivals,
waarvan Poetry International een van de bekendste is, genieten een grote
belangstelling.
LIT: Gorp; HWR; Laan; Wilpert; B. Verhagen. Prosodie der
voordrachtskunst (19242); C.F.P. Stutterheim. Conflicten en
grenzen (1963), p. 115 e.v.; M.G.M. van der Poel. De declamatio bij de
humanisten (1987); W. van den Berg. ‘Van horen zeggen’, in:
J.J. Kloek en W.W. Mijnhardt. De produktie, distributie en consumptie van
cultuur (1991), p. 49-70; Rederijkers op rij, themanr. De
Negentiende Eeuw 16 (1992), 4, p. 163-224; W. van den Berg. ‘B.H.
Lulofs publiceert De Declamatie; of de kunst van het declameren of
reciteren’, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen (red.). Nederlandse
literatuur, een geschiedenis (1993), p. 473-478. [G.J. Vis]
| |
deconstructivisme
Aanduiding voor een bepaalde leeswijze van zowel filosofische als
literaire teksten. De Franse filosoof
Jacq. Derrida heeft deze leeswijze voor
het eerst gevolgd bij de analyse van teksten van
Plato,
Kant,
Rousseau,
Hegel,
Husserl,
Freud,
De Saussure e.a. waarin hij probeerde te
laten zien dat de retorische stijlmiddelen de argumentatieve structuur van hun
betogen ondermijnden.
Derrida ontleedde het hiërarchische
begrippensysteem waarop deze betogen gebouwd zijn (bijv.
‘oorzaak-gevolg’, ‘vorm-inhoud’,
‘spreken-schrijven’, ‘signifié-signifiant’). Hij
laat zien dat steeds een van de termen wordt bevoorrecht en de andere als
afgeleide wordt gezien. Deze hiërarchische begrippensystemen zouden onze
ideologische en metafysische vooronderstellingen representeren die door Derrida
worden aangeduid als logocentrisch. De tweede stap in de analyse van de
filosofische betogen bestaat erin te laten zien hoe de formele stijlmiddelen,
waarvan in de betogen gebruik wordt gemaakt om de ideeën uiteen te zetten,
de duidelijkheid van deze theorieën ondermijnen. Deconstructie moet dan
ook niet opgevat worden als een interpretatieve methode die de betekenis van
een betoog probeert vast te leggen, maar het demonstreert de moeilijkheden van
elke theorie waarmee men probeert die betekenissen op een eenduidige manier
vast te leggen. Derrida let op aspecten die voor de uiteenzetting van de
ideeën marginaal zijn (bijv. de metafysische uitdrukkingen,
zelfverwijzende zinnen), maar die de hiërarchische systemen op hun kop
zetten. Hij laat zien dat betogen die op eenduidigheid uit zijn, toch altijd op
meerduidigheid berusten.
Voor de literatuurkritiek is het deconstructivisme van invloed
geweest op het tekstbegrip dat niet zoals in de ergocentrische en structurele
benaderingen als een organisch samenhangend geheel van taaltekens wordt
opgevat, maar als een open netwerk. De genoemde benaderingen zien tekst als
primair en context als secundair begrip. Derrida heeft laten zien dat deze
hiërarchie grote problemen oplevert. Hij ziet elke tekst als een
intertekst. Anders dan de structuralisten is Derrida van mening dat de
betekenis van teksten niet vastligt in de structuur, maar dat elke
interpretator een eigen structuur zal aanwijzen, dat interpretaties voortdurend
in beweging blijven en dat dus de betekenis van een tekst onvast is. Alle
teksten maken deel uit van een groter tekstengeheel. Betekenis ontstaat door
verwijzing naar andere betekeniselementen die op hun beurt ook weer bepaald
worden door een relatie met andere betekeniselementen. Op die manier bestaat er
in feite een keten van verwijzingen waardoor de betekenissen niet alleen
telkens worden bijgesteld of verfijnd, maar waardoor ze ook wijkend of onvast
worden. De taal vertoont in deze opvatting dan ook geen vaste verhouding tot de
realiteit, maar bepaalt zijn verhouding tot de realiteit telkens opnieuw. Een
objectieve beschrijving van de realiteit is onmogelijk, zoals ook een
objectieve vaststelling van de betekenis van een beschrijving zelf onmogelijk
is. Taal is gevangen in zichzelf. Er bestaat geen waarheid, zelfs niet die van
het individu, omdat ook het denken zich in taal voltrekt en dus een onvast,
wijkend ik-beeld oplevert.
Voor de literatuurbeschouwing heeft deze denkwijze belangrijke
implicaties. De leeswijze van teksten concentreert zich op de
‘openheid’ van de tekst, d.w.z. op het feit dat de tekst geen
gesloten of statische structuur heeft, maar juist openstaat voor verschillende
interpretatiemogelijkheden, bijv. in relatie tot andere teksten die mede zijn
betekenis bepalen. Een tekst kan alleen gelezen worden in relatie tot en
verweven met andere teksten waarvan hij niet alleen de voortzetting, maar ook
de verwerker en bewerker is. Op dit punt wordt het verband met een discipline
als
intertekstualiteit duidelijk.
De deconstructivist vat het onbekende op als afwijkend en zal
trachten aan te tonen hoe een tekst van andere teksten verschilt, bijv. omdat
hij een transformatie is van andere teksten en tevens een doorkruising of
ontkenning van bestaande (lezers)conventies. De tekst is in de praktijk geladen
met een hiërarchie aan betekenissen die door de deconstructivist worden
opgespoord en onthuld.
De
metafoor is een van de geliefde
aanknopingspunten voor de deconstructivisten, omdat daaraan de verschuiving van
betekenissen valt te demonstreren. Maar ook dubbelzinnigheid, woordspel,
groteske, parodie en soortgelijke vormen geven zulke aanknopingspunten. Maar in
principe kan elke tekst gedeconstrueerd worden.
Een goed voorbeeld van een deconstructieve lezing is
Paul Claes' bespreking van het gedicht
‘In memoriam P. van Delft’ van
Hans Faverey in Spektator 15
(1985-1986), p. 161-171. De ‘constructieve’ lezing begint doorgaans
met het herkennen van het bekende en tracht vervolgens het onbekende hieraan zo
te relateren dat het een logische samenhang en daarmee een betekenis krijgt.
Claes gaat in zijn deconstructieve lezing uit van het onbekende en laat zien
hoe de tekst van andere, bestaande teksten verschilt en zo een transformatie
vormt van die bestaande teksten en tevens een transformatie is van
leesconventies.
Er is een duidelijke en aantoonbare samenhang tussen deze
ideeën van het poststructuralisme of het deconstructivisme en de
opvattingen van bepaalde groepen postmodernistische auteurs (postmodernisme).
LIT: Baldick; Bronzwaer; Fowler; Gorp; J. Derrida. De la
grammatologie (1967); R. Barthes. Le plaisir du texte (1973); J.
Culler. On deconstruction. Theory and criticism after structuralism
(1982); C. Norris. Deconstruction. Theory and practice (1982); Chr. van
Boheemen-Saaf. ‘Deconstructivisme’, in: R.T. Segers (red.).
Vormen van literatuurwetenschap (1985), p. 229-247; Chr. van Boheemen
e.a. ‘Tegendraads lezen’, in: De Gids, 149 (1986), p.
827-859; O. Heynders. ‘Het spel van de tekst. Deconstructie in
Nederland’, in: Spektator, 17 (1987-1988), p. 512-524; M.B. van
Buuren. Filosofie van de algemene literatuur-wetenschap (1988), p.
116-122; H. Bertens en Th. D'Haen. Het postmodernisme in de literatuur
(1988), p. 50-67. [G.J. van Bork]
| |
decoratie
Verzamelnaam voor alle handgemaakte versieringen in middeleeuwse
handschriften (codex) en vroege drukken (incunabel). Deze versieringen werden na het afschrijven (afschrijven-1) van de tekst in het handschrift aangebracht,
vaak door specialisten: de rubricator voor
lombarden en
initialen-1, de miniaturist voor de
miniaturen. Het kwam zelfs voor dat de
decoratie pas veel later, bij het overgaan van een boek naar een andere
bezitter of bij een veranderde mode, werd geschilderd of ingeplakt.
De decoratie van een handschrift biedt veel mogelijkheden tot de
datering en localisering van middeleeuwse handschriften: de verandering van de
schriftsoorten geschiedde veel geleidelijker dan de wisselingen van de mode in
de verluchting. Miniaturen zijn vaak tot op een decennium nauwkeurig te
dateren, terwijl het schrift meestal niet nauwkeuriger dan tot op een kwart
eeuw te bepalen is.
Decoratie zegt niet alleen veel over de waarde van een handschrift
- hoe kostbaarder de decoratie des te duurder de codex -, maar ook over het
belang van de tekst. De lezer werd op belangrijke tekstpassages gewezen door de
uitvoering van de decoratie: de aanwezigheid van een miniatuur of een grote
initiaal wijst op een belangrijk stuk tekst, een kenmerkende of extra
uitbundige randversiering op een bepaalde bladzijde kan eveneens op een
belangrijke passage wijzen. Binnen de decoratietechnieken zijn rangordes aan te
wijzen: het belangrijkst zijn de miniaturen, dan volgen de initialen en dan de
lombarden, terwijl ook de uitvoering van versierde randen en het
penwerk (de met de pen getekende versiering
in en om initialen, lombarden en randen) een rol speelt.
LIT: Wilpert; K. Weitzmann. Illustrations in Roll and Codex. A
Study of the Origin and Method of Text Illustration (19702); F.
Unterkircher. Die Buchmalerei. Entwicklung, Technik, Eigenart (1974);
J.D. Farquhar. The Manuscript as a Book (1977); J.M.M. Hermans. Het
Zutphens-Groningse Maerlanthandschrift. Studies rond handschrift 405 van de
Universiteitsbibliotheek te Groningen (1979); Kriezels, aubergines en
takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de
vijftiende eeuw, o.r.v. Anne S. Korteweg (1992). [H. Struik]
| | | | | |
deelwerk
Bibliotheektechnische term voor een werk met een afgerond aantal
delen, waarvan alle delen door dezelfde auteur of auteurs zijn geschreven.
Vervolgwerken van verschillende auteurs onder redactiebegeleiding worden
kaderwerken genoemd.
Voorbeelden van neerlandistische deelwerken zijn de literaire
handboeken van
G. Kalff. Geschiedenis der
Nederlandsche letterkunde (7 dln., 1906-1912),
J. te Winkel. De
ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (2e dr., 7 dln.,
1922-1927) en
G.P.M. Knuvelder. Handboek tot
de geschiedenis der Nederlandse letterkunde (5e dr., 4 dln.,
1970-1976).
LIT: Regels voor de titelbeschrijving (196811),
p. 30. [P.J. Verkruijsse]
| |
definitie
Term uit de wetenschapsleer en de methodologie van de
literatuurwetenschap voor de omschrijving
van een begrip in ondubbelzinnige termen. Die omschrijving mag geen gebruik
maken van de termen die al in het te omschrijven begrip zelf aanwezig zijn.
Definities bestaan uit een term waarvan de betekenis moet worden bepaald (het
definiendum), de gegeven omschrijving (het definiens) en een aantal
verbindingswoorden. Een voorbeeld van een definitie is: Een verhaal
(definiendum) is ‘een op een bepaalde wijze gepresenteerde
geschiedenis’ (definiens). Het hier gegeven voorbeeld kan zowel een
stipulatieve als een beschrijvende definitie worden genoemd. Wordt deze
definitie opgevat als een stipulatieve definitie dan is er sprake van een
(werk)afspraak. Stipulatieve definities hebben tot taak het gebruik van een
term voor bepaalde doeleinden vast te leggen, bijv. in deze zin: Ik stel voor
om onder ‘verhaal’ in het nu volgende ‘een op bepaalde wijze
gepresenteerde geschiedenis’ te verstaan.
In een beschrijvende of descriptieve definitie wordt getracht de
betekenis van een begrip als algemeen geldend en ondubbelzinnig te beschrijven.
De meeste lexica of encyclopedieën maken gebruik van dit type definities.
Het belangrijkste verschil tussen een stipulatieve en een beschrijvende
definitie is dat de eerste slechts een beperkte waarheidswaarde heeft en de
tweede naar absolute waarheid streeft.
Bij de descriptieve definitie doet zich het probleem voor dat de
termen van het definiens eigenlijk op hun beurt ook weer gedefinieerd zouden
moeten worden om tot die algemene geldigheid te kunnen komen, zodat een
oneindige reeks definities zou ontstaan.
Een derde type definitie is de wezensdefinitie. Daarbij tracht men
het meest eigene of het als het belangrijkste beschouwde van een bepaald begrip
te formuleren. Een voorbeeld van zo'n definitie is: Romantiek wordt in feite
bepaald door gevoel en verbeelding. Hoewel ook deze definities pretenderen waar
te zijn, is er geen mogelijkheid om het waarheidsgehalte ervan te toetsen.
Wezensdefinities (of reële definities, zoals ze ook wel genoemd werden)
doen een beroep op een bovenzinnelijk kenvermogen en waren dan ook zeer
gebruikelijk in de
Geistesgeschichte. In de moderne wetenschap
spelen ze vrijwel geen rol meer.
Een belangrijke groep definities zijn de operationele definities.
Dit type definities speelt een grote rol in de exacte wetenschappen, maar is
voor de empirische wetenschapsbeoefening in het algemeen onmisbaar bij de
classificatie van verschijnselen. Operationele definities berusten op
formuleringen waarmee de onderzoeker kan handelen, d.w.z. door metingen,
proefnemingen, berekeningen en wat dies meer zij (dus op basis van objectieve
gegevens) tot toetsing kan komen. Een voorbeeld van een operationele definitie
is: A is langer dan B.
Soms spreekt men ook wel van persuasieve definities. Daarbij wordt
een negatieve of positieve waarde aan het te omschrijven begrip toegekend. Het
spreekt vanzelf dat bij een dergelijke definitie de waarheidsvraag nauwelijks
een rol speelt.
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; HWR; LdMA; Shipley; Wilpert; R.
Robinson. Definition (1950); R.F. Beerling e.a. Inleiding tot de
wetenschapsleer (1970), p. 121-131; A.D. de Groot. Methodologie
(19726); K.D. Beekman. De reportage als literair en
avantgardistisch genre (1984), p. 19-22; E. Viskil. Definiëren. Een
bijdrage tot de theorievorming over het opstellen van definities (1994).
[G.J. van Bork]
| |
delectare
Term uit de
retorica ter aanduiding van een van de
belangrijkste middelen van de redenaar om zijn gehoor te overtuigen (ars persuadendi). Het gaat bij de delectatio om de affectieve
werking op het publiek. Deze dient te worden gecombineerd met de meer
intellectuele middelen die de redenaar hanteert (vgl.
argumentatio,
docere,
probare). Ook de dichtkunst in het algemeen
krijgt vanouds de functie van het appelleren op de affectieve vermogens van de
recipiënt, het behagen. Horatius vat het intellectuele en het
emotioneel-behagende samen in het
utile dulci.
LIT: Lausberg. [G.J. Vis]
| |
demonstratio
Term uit de poëtica voor een gedetailleerd en levendig
verslag.
LIT: Gorp; Lausberg. [W. Kuiper]
| |
denotatie
De taalkundig (lexicaal) vast omschreven betekenis van een woord,
zoals die gebruikt wordt in de eenduidige omgangstaal of in de wetenschap. Als
cognitieve betekenis van een woord staat denotatie tegenover
connotatie, waarin de emotionele en/of
sociaal-culturele aspecten van de betekenis prevaleren.
LIT: Buddingh'; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Scott; G.E. Booij e.a.
Lexicon van de taalwetenschap (19802). [G.J. Vis]
| |
dénouement
Term voor de afloop van een toneelstuk na de beslissende wending,
de
peripetie, of voor ontknopingen in proza,
soms alleen voor de uiteindelijke oplossing van de verwikkelingen (plot) helemaal aan het eind van een drama, verhaal of roman.
De term
catastrofe betekent hetzelfde, maar wordt
alleen gebruikt voor de klassieke tragedie of komedie.
LIT: Cuddon; Fowler; Gorp; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert.
[P.J. Verkruijsse]
| |
deprecatio
Term uit de retorica, speciaal uit het
genus iudiciale, voor het vragen van
vergiffenis zonder overigens schuld of opzet te ontkennen. Het is dan ook een
veel zwakkere verdediging dan de
purgatio, waarbij vergiffenis gevraagd wordt
omdat men uit onwetendheid iets gedaan heeft.
Een geval van deprecatio kan men aantreffen in
P.C. Hoofts Geeraerdt van
Velsen (1613, ed. Leendertz/Stoett, 1900, p. 259-261), waar Floris
tegen Van Velsen zegt:
Ick deed u onghelijck, och, neef van Velsen, och!
en
Ach Velsen! gheeft mijn pays; siet hoe ick my verneder.
LIT: Best; HWR; Lausberg; Leeman-Braet; Metzler. [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
descriptie zie
beschrijving-1
| |
descriptieve bibliografie
Bibliografie waarin de resultaten neergelegd worden van het
onderzoek van de
analytische bibliografie: na de analyse van
het boek als materieel object volgt de descriptie van de bevindingen. In een
descriptieve bibliografie wordt op basis van de beschrijvingen van
afzonderlijke
exemplaren-1 per
druk een
ideal copy beschreven.
De beschrijvingen van de ideal copies in een descriptieve
bibliografie omvatten, enigszins afhankelijk van de aard van het materiaal, een
transcriptie of facsimile van de
titelpagina's, een opgave van het
bibliografisch
formaat, de
collatieformule en
paginering, een overzicht van prenten, een
inhoudsopgave, een lijst van gecollationeerde exemplaren, een
variantenoverzicht en commentaar in verband met de
drukgeschiedenis. Voorbeelden zijn de
descriptieve bibliografieën van
Mattheus Smallegange (1983),
Johan de Brune de Oude (1988) en het
Journael van
Bontekoe (1996).
LIT: BDI; Feather; F. Bowers. ‘Purposes of descriptive
bibliography, with some remarks on methods’, in: The Library,
5th series, 8 (1953), p. 7; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 321-322; P.J. Verkruijsse. Mattheus
Smallegange (1624-1710) (1983), p. 19-51; A.O. Kouwenhoven. Handboek
bibliografie (1995), p. 11. [P.J. Verkruijsse]
| |
destinataris
Term uit de
codicologie voor degene voor wie een tekst
of
codex bestemd is of aan wie hij wordt
opgedragen. Als de destinataris al genoemd wordt, gebeurt dit meestal in de
proloog. Zo schrijft
Jacob van Maerlant in de beginregels van
de Spiegel historiael:
Grave Florens, coninc Willems sone,
Ontfaet dit werc! Ghi waert deghone,
(Ed.
De Vries e.a., 1863, I, 1, proloog,
93-94).
Soms wordt de destinataris in de
epiloog genoemd, zoals
Jan van Boendale doet in zijn
Der leken spiegel (overigens is de hier aangesproken
hertog Jan III van Brabant niet de
opdrachtgever; die eer komt volgens de proloog toe aan
Rogier van Leefdale en zijn vrouw
Agnes van Kleef):
Edel here, machtech ende hoge,
Lottrijcs, Brabants, Lymborchs hertoghe,
Van Valckenborch daertoe mere,
Van Hoesdeine ende van Breda here,
Here, desen boec ende dit werc
Soe gheeft u Jan, u arme clerc,
Uwer heerleker ghewelt nu.
(ed.
De Vries, dl. 3, 1848, p. 277, vss.
15-18, p. 278, 23-25).
De naam van de destinataris kan ook in de vorm van een
acrostichon in het werk verwerkt zijn. De
openingsletters van de tien boeken van Alexanders geesten
van
Jacob van Maerlant vormen achter elkaar
geplaatst het acrostichon GHEILEHIDA. In zijn epiloog vertelt Van Maerlant
echter dat de beginletters van zes boeken als een
anagram gelezen moeten worden (ed.
Franck, 1882, p. 392-393, vss. 1513-1524).
Het is mogelijk dat Van Maerlant
Machteld van Brabant bedoelde, de
grootmoeder van Floris V.
Van Oostrom heeft echter aannemelijk
gemaakt dat Aleide, tante en voogdes van Floris, de destinataris van
Alexanders geesten is geweest.
In verluchte handschriften kan het familiewapen of zelfs een
portret van de destinataris in het boek geschilderd zijn.
De destinataris hoeft niet de opdrachtgever van het werk te zijn
geweest; de schrijver kan het werk ook aan iemand opgedragen hebben om de
aandacht van de begunstigde persoon op zich te vestigen.
LIT: H.C. Peeters. ‘Nieuwe inzichten in de
Maerlant-problematiek’, in: Handelingen Kon. Zuidned. Maatsch. voor
Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 18 (1964), p. 249-285; W.P. Gerritsen.
‘Wat voor boeken zou Floris V gelezen hebben?’, in: Floris V.
Leven, wonen en werken in Holland aan het einde van de 13e eeuw. (1979), p.
71-86; F.P. van Oostrom. ‘Maecenaat en Middelnederlandse
letterkunde’, in: J.D. Janssens (red.). Hoofsheid en devotie in de
middeleeuwse maatschappij (1982), p. 21-40; F. van Oostrom. Maerlants
wereld (1996), p. 103-113. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
detectiveroman of speurdersroman
Roman waarin het oplossen van de vraag naar de dader van een
misdrijf, meestal een moord, door intelligent speurwerk van een detective of
politierechercheur centraal staat. In het Engels heeft men daarom het genre ook
wel aangeduid met de term ‘whodunit’. In de meeste detectives wordt
de spanning veroorzaakt door het feit dat er een aantal mogelijke verdachten is
en de auteur de lezer blijft boeien d.m.v.
suspense: suggesties waardoor de lezer
bepaalde verwachtingen over de afloop gaat koesteren.
De detectiveroman behoort tot het genre van de
misdaadromans of misdaadverhalen. Men maakt
soms onderscheid tussen detectiveromans of speurdersromans, waarin steeds een
particuliere of amateurdetective het raadsel oplost, en
politieromans, waarin de misdaad opgehelderd
wordt door de politie. Vanwege de spanning worden detectives ook wel als
thrillers aangeduid, evenals de
spionageroman en het
griezelverhaal. Een speciale vorm van de
detectiveroman is de
dossierroman.
De grondslag voor de detectiveroman werd gelegd door
Edgar Allen Poe (1809-1849) met
The murders in the rue Morgue (1841) en The
mysterie of Mary Roget (1845). Wereldberoemd werden de verhalen van
A. Conan Doyle (1859-1930) met de
amateurdetective
Sherlock Holmes en diens assistent
Watson, prototypes voor latere
speurdersromans. In Amerikaontwikkelde het 20e-eeuwse
misdaadverhaal zich steeds meer van de echte speurdersroman, waarin
intelligentie van de detective en een ingenieuze redenering aan het slot ter
opheldering van het mysterie een belangrijke rol speelden, in de richting van
het ‘hard-boiled’ misdaadverhaal, spelend in de onderwereld (het
misdaadsyndicaat). Schrijvers hiervan zijn bijv.
Dashiell Hammett en
Raymond Chandler.
Nederlandse detectiveschrijvers zijn o.m.
Robert van Gulik, die zijn Rechter
Tie-mysteries aanvankelijk in het Chinees, Japans en Engels publiceerde,
Willy Corsari,
F.R. Eckmar (=
Jan de Hartog),
Ivans (=
I. van Schevichaven),
Havank (=
H. van Kallen) en
A. Baantjer.
Jarenlang werden detectiveromans beschouwd als
triviaalliteratuur. Nu de grenzen tussen
lectuur en literatuur niet meer zo scherp getrokken worden, heeft de
detectiveroman een plaats in de literatuur verworven, mede onder invloed van
het feit dat auteurs van naam aandacht aan het genre besteedden, hetzij doordat
ze zelf detectiveverhalen schreven (
S. Vestdijk,
Ab Visser), hetzij doordat ze erover
schreven (
E. du Perron,
S. Vestdijk en
Ab Visser).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler;
MEW; Scott; Shipley; Wilpert; W.H. van Eemlandt. ‘Het verhaal van de
misdaad’, in: Vandaag 4 (1956), p. 173-207; S. Dresden en S.
Vestdijk. Marionettenspel met de dood (1957); J. Symons. Moord en
doodslag. Een geschiedenis van het misdaadverhaal (1976); J. van der Weide.
Detective en anti-detective: narratologie, psychoanalyse, postmodernisme
(1996). [G.J. van Bork]
| |
determinisme
Denkrichting waarin men ervan uitgaat dat de mens bepaald is door
materiële omstandigheden, waarvan de belangrijkste factoren erfelijkheid
en milieu zijn. Deze opvatting vindt zijn oorsprong in het
positivisme van de 18e eeuw, een
wetenschapsopvatting die vooral in de 19e-eeuwse empirische
wetenschapsbeoefening van de natuurwetenschappen grote resultaten geboekt
heeft.
Charles Darwins evolutieleer,
uiteengezet in The origin of species by means of natural
selection (1859) legde de grondslag voor het determinisme in de
menswetenschappen van het laatste kwart van de 19e eeuw. Voor de literatuur
speelde het determinisme een belangrijke rol in het
naturalisme; in Frankrijk bij
o.m.
Emile Zola en de gebroeders De Goncourt,
in Nederland bij o.m.
Jan ten Brink,
Arij Prins,
Frans Netscher en
Marcellus Emants. Omdat de mens zijn
milieu nauwelijks en zijn erfelijke factoren niet kan beïnvloeden, leidde
het determinisme bij veel naturalistische auteurs uiteindelijk, mede onder
invloed van het
fin de siècle, tot
fatalisme, zoals in
Louis Couperus'
Noodlot (1890).
LIT: Laan; MEW; Shipley; J. de Graaf. Le réveil
littéraire en Hollande et le naturalisme français (1880-1900)
(1937); G. Kazemier. De roman als levensspiegel (1950); I.N. Bulhof.
Darwins Origin of Species: Betoverende wetenschap (1988). [G.J. van
Bork]
| |
detractio
Term uit de retorica voor het weglaten van een onderdeel van een
groter geheel, hetzij in kwantitatief, hetzij in intensief opzicht. Naast
adiectio,
transmutatio en
immutatio is de detractio één
van de vier wijzigingsmogelijkheden binnen de
dispositio. Al naar gelang de plaats waar
iets weggelaten wordt, heet de detractio
aphaeresis (aan het begin),
syncope (in het midden) of
apocope (aan het eind). De vermindering van
de intensiteit van een mededeling kan gebeuren in de
amplificatio. In de prosodie gebruikt men
voor het weglaten van klanken de term
elisie.
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
deus ex machina
Term uit de dramaliteratuur waarmee wordt aangegeven dat er een
hogere macht (god, engel) optreedt, die door middel van een toestel (machina)
op het toneel wordt neergelaten of verheven, om een soort eindoordeel over de
handeling uit te spreken. Vaak heeft de deus ex machina de bedoeling een moraal
aan het stuk te verbinden of een scheidsrechterlijk oordeel uit te spreken,
waardoor de ontknoping alsnog wordt bewerkstelligd. De deus ex machina wordt
dan ook vaak gezien als een noodgreep van de auteur om aan het slot van het
stuk alsnog tot een aanvaardbare oplossing te komen, maar dit betekenisaspect
is sterk afhankelijk van de tijd en de dan geldende opvattingen over het
toneel. In het klassieke Griekse toneel (
Euripides) was het gebruik van de deus
ex machina heel normaal. Een bekend Nederlands voorbeeld is de aartsengel
Rafaël in
Vondels Gysbrecht van
Aemstel (1637).
LIT: Abrams; Baldick; Bergh; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
deuteragonist
Oorspronkelijk de speler in het Attische drama die de tweede is in
belangrijkheid en als zodanig de tegenspeler of
antagonist van de hoofdpersoon of
protagonist. Uit de samenspraak van de
deuteragonist en protagonist ontstaat de dramatische dialoog. In
G.A. Bredero's Spaanschen
Brabander (1617) is
Robbeknol naast
Jerolimo de tweede hoofdpersoon en daarmee
de deuteragonist. In de dramatheorie geeft men echter de voorkeur aan de term
antagonist.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| | | | | |
devotielied
Godsdienstig lied uit de late 15e eeuw dat aan de
schriftuurlijke liederen vooraf zou zijn
gegaan. Doorgaans worden deze liederen in verband gebracht met de
Moderne Devotie. In 1539 verscheen de
belangrijkste gedrukte verzameling in Een devoot ende profitelijck
boecxken. De meeste van deze liederen werden gedicht op bestaande
melodieën van wereldlijke liederen (contrafact).
Van de schriftuurlijke liederen onderscheiden deze liederen zich
doordat er geen bijbelse stof in wordt verwerkt (al kunnen er wel bijbelcitaten
in voorkomen). Ze getuigen daarentegen veeleer van een persoonlijke
religiositeit. De teksten behoren tot de
religieuze poëzie.
LIT: A. Vernooij. Het rooms-katholieke devotielied in Nederland
vanaf 1800 (1990); J.W. Bonda. De meerstemmige Nederlandse liederen van
de vijftiende en zestiende eeuw (1996), p. 211-213, 263-269. [G.J. van
Bork]
| |
diacope of tmesis
Vorm van
Distanzstellung bestaande uit splitsing van
een onscheidbaar woord en tussenvoeging van één of meer woorden,
bijv.
In ouden tyd in Frankenland
Een goelyk Maagdske leefde,
Die al de Maagdkens van het land,
In schoonheid over - (zegt de Kwant
Hy meent, te boven) streefde.
(
J. Kinker. De verlichte
muze, ed. Vis, 1982, p. 53).
Het gaat in dit voorbeeld om de door Kinker tussen haakjes
geplaatste woorden tussen ‘over’ en ‘streefde’.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
diacritische tekens-1
In de editietechniek gebruikt men bij het editeren van
handschriftelijke teksten, met name voor een
diplomatische of een
archiefeditie, een aantal tekens om aan te
geven dat er op paleografisch, manuscriptologisch of codicologisch gebied
bepaalde problemen zijn. Door combinaties van de drie basistekens: <>, [
] en *.*, kan men verschillende soorten toevoegingen, weglatingen en onzekere
lezingen weergeven.
Bij het editeren van de klassieken was een aantal diacritische
tekens al lang in gebruik; een daarop geïnspireerd systeem werd in 1950
door Masai ook voorgesteld voor modernere teksten en vervolgens door
W.Gs Hellinga de neerlandistiek
ingebracht met het doel deze tekens te gebruiken voor de nieuwe
P.C. Hooft-editie. In de
Proeven van tekst en commentaar voor de uitgave van Hoofts
lyriek (2 dln., 1961, 1968) zijn ze inderdaad ook toegepast, maar
daarvóór gebeurde het al - met de nodige variatie - in een aantal
delen uit de serie Zwolse drukken en herdrukken.
H.M. Hermkenshad intussen in zijn
dissertatie (Bijdrage tot een hernieuwde studie van C. Huygens'
gedichten, 1964) weer een afwijkend systeem gehanteerd. In het
Duitse taalgebied ontwikkelde de ‘Editionstechnik’ zich tot een
specialisme, waarvan de bundel opstellen Texte und
Varianten (1971) een overzicht biedt. Daar is men duidelijk geneigd
om de diacritische-tekensystemen steeds verder uit te bouwen en te gebruiken,
geïntegreerd in de tekst. In Nederland verwijst men de diacritische tekens
gewoonlijk naar de voetnoten of naar paleografische en manuscriptologische
aantekeningen.
Een overzicht van een aantal gebruikte systemen geeft
Marita Mathijsen in Naar de
letter. Handboek editiewetenschap (19972).
LIT: Mathijsen; P.J. Verkruijsse. ‘Over diplomatisch
editeren van handschriften en het gebruik daarbij van diacritische
tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346. [P.J.
Verkruijsse]
| |
diacritische tekens-2
Tekens die worden toegevoegd aan een letter om een nieuw
spellingssymbool te krijgen, zoals accent aigu ('), accent grave (`), accent
circonflexe (^), trema of Umlaut (") en cédille (,).
LIT: Baldick; Brongers; MEW; G.E. Booij e.a. Lexicon van de
taalwetenschap (19802), p. 70. [P.J. Verkruijsse]
| |
diaeresis
Term uit de prosodie voor een pauze tussen twee versvoeten, bijv.
't Is groot,// der menschheid waard,// verheven
(
J. Kinker.
Gedichten, dl. 1, 1819, p. 144).
In dit voorbeeld valt de pauze tussen de eerste en de tweede
jambe, en tussen de derde en de vierde. Sommigen hanteren de term diaeresis
tevens als synoniem van
accumulatio en van
cesuur en
syncope.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Cuddon;
Dupriez-1; Gorp; HWR; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
dialectica
Eén van de drie (trivium)
theoretische of ‘literaire’ vaardigheden binnen de zeven vrije
kunsten (artes liberales). Leerde de
grammatica correct taalgebruik, de
retorica welsprekendheid, de dialectica
verschafte regels om tot verantwoorde argumentatie te komen.
De eerste Nederlandse dialectica is het Ruygh-bewerp
vande redenkaveling ofte Nederduytsche dialectike (1585) uit de
kring van de Amsterdamse rederijkerskamer In Liefd' Bloeyende, ‘de welcke
is een rechtsnoer, om van alle dingen bewyslick ende onderscheydlick te
spreken, oock waarheid van valsheid te scheyden, in alle twistredening hooghnut
ende nodigh zynde’, aldus de ondertitel. Het Ruygh-bewerp werd
vergezeld van een Kort begrip des redenkavelings op rijm. Daarna volgden
dialectica's van
Simon Stevin (1585),
Bartholomeus Keckermann (1614),
Petrus Ramus (1644),
A.L. Kók (1646) en
Petrus Molinaeus (1649).
LIT: Cuddon; Curtius; Lausberg; Leeman/Braet; Scott; Shipley; H.
Klifman. Studies op het gebied van de vroegnieuwnederlandse triviumtraditie
(ca. 1550-ca. 1650) (1983). [P.J. Verkruijsse]
| |
dialectliteratuur
Literatuur die geheel geschreven is in één van de
lokale of regionale varianten van de algemene omgangstaal (het ABN). Weliswaar
wordt ook in de literatuur in de algemene omgangstaal vaak gebruik gemaakt van
dialect - meestal omwille van het realiteitsgehalte of de
couleur locale - maar ter onderscheiding van
de
streekliteratuur of de
dorpsroman verdient het aanbeveling de term
dialectliteratuur te reserveren voor volledig in het dialect geschreven
literair werk. Voorbeelden van vroege dialectliteratuur zijn de Groningse
romans 'n Oetmiening ien 'n Jachtwaaide (1871) van
W. Reinkingh en De goldene
kette (1875) van
W. van Palmar. Een voorbeeld van
poëzie in het Limburgs is Mastreechter veerskes
(1924) van
G.D. Franquinet.
P.J. Meertens en
B. Wander stelden een
Bibliografie der dialecten van Nederland, 1800-1950
(1958) samen. In het tweede deel daarvan vindt men per streek of stad een
overzicht van de in dialect geschreven literatuur.
De laatste decennia is de aandacht voor dialectliteratuur
toegenomen. Het dialect is doorgedrongen in de popmuziek en er valt een streven
waar te nemen om streektalen een officiële status te verlenen, zoals het
Nedersaksisch en het Limburgs.
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger;
Scott; J. van der Kooi. Dialectliteratuur, balans en perspectief van de
moderne streektaalletterkunde in Oostnederland en Nederduitsland (1990);
L.P. Grijp. ‘Is zingen in dialect Normaal? Muziek, taal en regionale
identiteit’, in: Zingen in een kleine taal; de positie van het
Nederlands in de muziek, speciaal nr. Volkskundig Bulletin 21
(1995), nr. 2, p. 304-327. [G.J. van Bork]
| |
dialoog, samenspraak of tweespraak
Gesprek tussen twee of meer personen over een bepaald onderwerp
met afwisseling van argumenten en tegenargumenten. De dialoog staat tegenover
de
monoloog of alleenspraak. In de klassieke
literatuur werd de dialoog beoefend als afzonderlijk genre onder invloed van de
wijsgerige gesprekken van
Socrates, die hun neerslag vonden in de
dialogen van
Plato. De dialoog biedt de auteur de
mogelijkheid zijn stof in objectieve (of op zijn minst schijnbaar objectieve)
vorm mee te delen. Het genre treft men dan ook vaak aan bij de
didactische literatuur.
In de Middeleeuwen vinden we de dialoog als genre terug in
disputaties, bijv.
Jacob van Maerlants Ene
disputacie van Onser Vrouwen ende vanden Heilighen Cruce,
Jan de Weerts Disputatie van
Rogier ende van Janne, en tweespraken als Twi-spraec der
Creaturen (1481), een vertaling van de Dialogus
Creaturarum. Een bijzondere vorm van de
disputatio is het
quodlibet.
In de renaissance vinden we de dialoog in de
Samenspraken van
Erasmus en in
J. Cats' T'Samensprake tusschen
het boeck en den leser (Alle de Wercken,
1712, p. 463). In
H.L. Spieghels Twe-spraack
vanden Nederduitsche letterkunst (1584) wordt de dialoog gehouden
tussen
Roemer Visscher en
Gideon Fallet over de spraakkunst.
In de romantiek is het de classicus
Jacob Geel die de dialoog gebruikt in
zijn Gesprek op de Drachenfels (1835), waarin de
tegenstelling romantiek-classicisme door drie fictieve personages wordt
besproken.
De dialoog komt ook voor in andere literaire vormen. In het toneel
wordt ermee bedoeld de afwisseling van de gesproken tekst door de personages
die met elkaar in gesprek zijn. Daarnaast kennen we de navertelde dialoog in
het proza, zowel in de
directe rede als ook in de
indirecte rede. Met de dialoog verwant zijn
de
diatribe, het
debat en de
polemiek.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Gorp; HWR; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Preminger; Prince; Scott;
Shipley; R. Wildbolz. Der philosophische Dialog als literarisches
Kunstwerk (1952); M. Egk. Das Gespräch als Kunstform in der
Romantik (1956); J.L. Styan. The elements of drama (1969), p. 11-26.
[G.J. van Bork]
| | | |
diatribe
Van de klassieken afkomstige literair-didactische vorm, die
oorspronkelijk gericht was tegen de zedeloosheid. De diatribe had aanvankelijk
de vorm van een retorisch betoog of een preek, maar kreeg steeds meer het
karakter van een felle satire op of een heftige uitval tegen een persoon of
werk. Een voorbeeld van deze laatste vorm is
W.F. Hermans' aanval op het Nederlandse
katholicisme in Annum Veritatis (1968), gepubliceerd
onder de naam
Pater Anastase Prudhomme S.J.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Metzler; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
dicatalectisch
Term uit de prosodie ter aanduiding van een versregel waarbij in
het midden en aan het eind een syllabe ontbreekt, bijv.
Jántjê/ ís niêt/ ziék/,
Jántjê/ ís slêchts/ luí.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Shipley. [G.J. Vis]
| |
dichoreus of ditrochee
Term uit de prosodie ter aanduiding van een metrische eenheid
bestaande uit twee choreeën (trochee), bijv.
Hóllânds glóriê.
Als voorbeeld van een dichoreus in de Nederlandse poëzie zou
men de versregel kunnen geven die Vondel gebruikt in De XCIX harpzang,
waarvan de beginregels luiden:
(
J. van den Vondel.
Werken, WB-editie, dl. 8, 1935, p. 469).
Als voorbeeld van een tweevoetige
dimeter behoort de dichoreus tot de
categorie van de
dipodie.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
dichter
In beperkte zin wordt die schrijver (auteur) dichter genoemd die de maker is van een gedicht. Bij
uitbreiding is het degene die de dichtkunst beoefent en poëzie schrijft in
de ruime zin van het woord. In die laatste hoedanigheid is de dichter ook
degene aan wie het is toegestaan om zich
dichterlijke vrijheden te veroorloven.
Opvattingen over de taak van de dichter (poëtica-1
en -3) spelen al vanaf de Middeleeuwen een rol in de Nederlandse letterkunde
zowel in poëzie en andere fictionele taaluitingen als ook in de literaire
kritiek en de latere
literatuurwetenschap.
Voor de middeleeuwse auteur-clerk is de dichter (in navolging van
de klassieken) een eerzaam en waarheidsgetrouw man. Bekend is
Jan van Boendales moraalfilosofische
beschouwing ‘Hoe dichters dichten sullen ende wat si hantieren
sullen’ (Der leken spieghel (1325-1328, boek 3, hoofdstuk 15, ed.
De Vries, 1844-1848).
In de renaissance is de dichter primair een goed beoefenaar van de
retorica. Volgens de toenmalige
neoplatonistische opvatting is de dichter degene die dezelfde dingen overdraagt
die het volk in wetten en door hun bestuurders als leidraad worden
voorgehouden, zij het dat hij zijn ethisch-didactische boodschap van enige
‘aantrekkelijkheden’ voorziet. Sinds de romantiek worden de dichter
naar vorm en inhoud grotere vrijheden toegestaan en toegekend. De dichter
Kloos noemt zichzelf ‘een god in
't diepst van mijn gedachten’.
In de letterkunde van na 1945 is het onderscheid tussen dichter en
prozaschrijver aan het vervagen. Zo noemt
L.P. Boon zichzelf
‘dichter’, terwijl hij voor 90% proza schrijft. De dichter is
veelvuldig onderwerp van poëticale literaire teksten. Men denke aan
Nescio's
Dichtertje (1918), aan
G. Achterbergsgedicht
‘Dichter’ (VG, 1974, p. 149), e.v.a.
LIT: HWR; Metzler; Wilpert; M. Spies. ‘Het epos in de 17e
eeuw in Nederland’, in: Spektator 7 (1977-1978), p. 379-411 (m.n.
p. 390-392). [G.J. Vis]
| |
dichterlijke taal
Aanduiding voor het taalgebruik dat kenmerkend zou zijn voor
dichtwerk in engere zin (poëzie-1). Hierbij gaat
het vooral om het gebruik van technische middelen als
stijlfiguren en andere kunstgrepen die tot
de
dichtkunst als het terrein van de
dichter behoren. In ruimere zin wordt de
aanduiding ook wel gebruikt als equivalent van ‘gevoelige
taalhantering’ zoals die ook bij dichters gevonden wordt: beeldsprakig,
emotioneel, subtiel, speels, vol vrije fantasie, breedsprakig, kortom:
‘poëtisch’.
LIT: Abrams; Cuddon; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
dichterlijke vrijheid
Term uit de stijlleer ter aanduiding van het feit dat een dichter
afwijkt van het gangbare taalgebruik. De redenen kunnen verschillend van aard
zijn. Zo gebruikt
Feith een syntactisch afwijkende
constructie als archaïsme om het verleden op te roepen in de regels:
In ouden tijd in Frankenland
Een goelijk Maagdske leefde
(R. Feith. Romanzes, 1787, p. [11]).
Om dezelfde reden gebruikt
Gossaert een semantisch afwijkende vorm
door ‘zaêl’ te schrijven in plaats van ‘zade’ in
het gedicht ‘De moeder’, beginnend met de regels:
(
G. Gossaert.
Experimenten, 194911, p. 162).
Een
syncope zoals toegepast in het laatste
voorbeeld van
Gossaert, kan ook om andere redenen
worden gebruikt. Zo schrijft
Kinker de vorm
nachtgoôn omdat hij in de laatste voet van de
hexameter slechts twee syllaben kan
gebruiken:
Daar gingen ze onder 't kleed van de nagt en in neevlen gehuld,
door 't
Zinnenverbijstrend akelig oord van de wrevelige
nachtgoôn
(J. Kinker. De verlichte muze, ed. Vis,
1982, p. 207).
In sommige literaire stromingen is het mode om bepaalde vrijheden
toe te passen. Men kan hier bijv. denken aan het
impressionisme en aan allerlei technieken
die werden toegepast door dichters uit het
symbolisme.
LIT: Abrams; Baldick; Bronzwaer; Fowler; Gorp; Metzler; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
dichtgenootschap
Een dichtgenootschap of literair genootschap is - in strikte zin -
een in de periode van de
verlichting opgerichte vereniging ter
bevordering van de Nederlandse taal- en letterkunde. Na 1750 ontstaan eerst de
literair-wetenschappelijke en vervolgens ook de literair-creatieve
dichtgenootschappen; voor 1800 zijn ze vrijwel allemaal weer verdwenen. In
minder strikte zin zou men de tot diep in de 19e eeuw voorkomende
dichtgenootschappen als een soort voortzetting kunnen zien van de
rederijkerskamers die in
Nederland in de 17e eeuw hun betekenis verliezen. De aansporing
van
Joost van den Vondel in zijn
Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (1650;
WB-editie, dl. 5, 1931, p. 491) tot de oprichting van ‘eenen nieuwen
Parnas, naer den stijl van Italie’ heeft wellicht de stoot gegeven tot de
dichterschool van
Jan Zoet en de oprichting van het
kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum (1669). Volgens Vondel was het de
bedoeling dat men
zonder afgunst, onzijdigh elcks oude en nieuwe dichten toetste;
zoo wel om de schoonheit en aertigheit te volgen, als om onze misslagen, uit
een edele eerzucht, te mijden, en door dien middel de Neerlantsche Poëzy
haren vollen glans te geven.
Het Franse voorbeeld van de Académie Française en
dat van de Duitse Sprachgesellschaften heeft zeker ook stimulerend gewerkt.
De op het verwerven van kennis gerichte literair-wetenschappelijke
genootschappen ontstonden in het universitaire milieu: aan de Latijntalige
universiteiten zelf werd de Nederlandse taal- en letterkunde nog niet beoefend.
In de creatieve genootschappen, ontstaan in de kring van de gegoede burgerij,
legde men zich toe op het volgens vaste regels vervaardigen van literaire
producten, waaronder zeer veel redevoeringen, die door de andere leden
beoordeeld werden. Stimulans waren de vele
prijsvragen die uitgeschreven werden.
De dichtgenootschappen zijn een typisch produkt van de 18e-eeuwse
opvattingen over sociabiliteit (men is slechts een goed burger wanneer men
samen dingen doet) en literatuur (het aangeboren talent kan alleen met hard
werken, veel oefenen en hulp van meer getalenteerden ontwikkeld worden).
Vrijwel alle 18e-eeuwse literatoren van naam zijn dan ook lid geweest van een
dichtgenootschap, zelfs - zij het tijdelijk - de critici van het
genootschapswezen zoals
Johannes le Francq van Berkhey en
Jacob Geel.
Literair-wetenschappelijke genootschappen waren o.a. Linguaque
animoque fideles (Getrouwen in taal en ziel; Leiden) en Dulces ante omnia musae
(De muzen lieflijk boven alles;Utrecht). In 1766 werd de
Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde opgericht die nog steeds bestaat. De
belangrijkste creatieve genootschappen waren Kunstliefde spaart geen vlijt
(Den Haag), Kunst wordt door arbeid verkregen
(Leiden), Studium scientiarum genitrix (Vlijt is de moeder der
wetenschappen; Rotterdam) en Wij streeven naar de volmaaktheid
(Amsterdam). De laatste drie genootschappen fuseerden in 1800 (het
Haagse genootschap voegde zich er in 1818 bij) tot de Bataefsche maatschappij
van taal- en dichtkunde, sinds 1806 Hollandsche maatschappij van fraaije
kunsten en wetenschappen geheten, waar de welsprekendheid (retorica) hoogtij vierde.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; J.J. Kloek e.a. ‘Literaire
genootschappen 1748-1800’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw
15 (1983), p. 21-89; B. Thobokholt. Het taal- en dichtlievend genootschap
‘Kunst wordt door arbeid verkeegen’ te Leiden, 1766-1800
(1983); W. van den Berg. ‘Sociabiliteit, genootschappelijkheid en de
orale cultus’, in: M. Spies (red.). Historische letterkunde
(1984), p. 151-170; K. Singeling. ‘De gezellige dichter; over literaire
genootschappen in de achttiende eeuw’, in: Literatuur 3 (1986), p.
93-100; B. Paasman. Het boek der Verlichting; de 18e eeuw van A tot Z
(1986), p. 24-26, 75; A.J. Hanou. Sluiers van Isis; Johannes Kinker als
voorvechter van de Verlichting, in de vrijmetselarij en andere Nederlandse
genootschappen, 1790-1845, 2 dln. (1988). [P.J. Verkruijsse]
| |
dichtkunst
Verzamelnaam voor het maken van gedichten en voor het resultaat
daarvan. In oudere perioden is de term niet noodzakelijk beperkt tot het
terrein van de
poëzie-1, omdat enerzijds een
overlapping aanwezig is met het terrein van de redenaarsstijl (retorica), en anderzijds soms ook het fictioneel
proza eronder kon vallen. In de 19e eeuw
wordt de term vaak in één adem genoemd met de daarvan duidelijk
onderscheiden
welsprekendheid (retorica of ‘dicht- en redekunst’). In de
betekenis van leer van de poëzie is de term synoniem met
poëtica-1, althans in het 20e-eeuwse
gebruik.
LIT: Best; Cuddon; HWR; Metzler; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
dictaat
Op schrift uitgewerkte aantekeningen gemaakt naar aanleiding van
gesproken tekst, bijv. een collegedictaat. Vanwege de vele
dicteerfouten die in middeleeuwse teksten
voorkomen, heeft men wel verondersteld dat teksten door middel van dictaat
vermenigvuldigd werden. Inmiddels heeft men hiervan afstand genomen, al is het
niet onmogelijk dat het ooit een keer gebeurd kan zijn.
LIT: Brongers; B. Kruitwagen. ‘Werd er in de Middeleeuwen
bij het schrijven gedicteerd?’, in: Het Boek 4 (1915), p. 217-229;
A. Dain. Les manuscrits (19753), p. 15-55. [W. Kuiper]
| |
dictée intérieur
Middeleeuwse kopiisten - later ook zetters in drukkerijen - lazen
een gedeelte van de te kopiëren tekst en dicteerden zichzelf deze tekst
tijdens het kopiëren. Dit dictée interieur is de oorzaak van een
aantal psychische
contaminaties,
dicteer- of hoorfouten en op het oog
onzuivere rijmen als bijv.
Ic weets u danc ende lof mede
Al dat ghi mi hebt vertelt
Maer uwer dochter ghine sult
(Flandrijs, ed.
De Graaf, 1980, vs. 289-292).
Waar de kopiist niet de door het rijm vereiste vorm
‘selt’ schreef, maar als gevolg van dictée intérieur
de hem vertrouwde(re) vorm ‘sult’.
Nu nog is dictée intérieur de oorzaak van vele
typografische en orthografische onvolkomenheden. Zo spelt bijv.
T. Sodmann ‘Knufelder’ in
plaats van ‘Knuvelder’ (
Jacob van Maerlant. Historie
van den Grale und Boek van Merline, ed. Sodmann, 1980, p. 1).
LIT: A. Dain. Les manuscrits (19753), p. 15-55;
A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast I
(1975), p. 230-253. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
dicteerfout of hoorfout
Term uit de tekstkritiek voor die
transmissiefout die eruit bestaat dat de
kopiist of zetter niet neerschrijft of zet wat hij in zijn
legger leest, maar wat hij zichzelf hoort
dicteren. Hierdoor werd soms onbewust en ongewild van de lezing van de legger
afgeweken, wat enerzijds tekstbederf tot gevolg had, anderzijds inzicht geeft
in de taal van de kopiist, bijv.
Om dat daer soe scone was
saten wi alle .iij. int gars,
Als wire gheseten hadden een stuc
(Flandrijs, ed.
De Graaf, 1980, vs. 648-651).
waar niet de door het rijm vereiste vormen ‘gras’ en
‘stic’ staan, maar als gevolg van
dictée intérieur de vormen
‘gars’ en ‘stuc’.
LIT: A. Dain. Les manuscrits (19753), p. 15-55;
A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast I
(1975), p. 230-253; W. Kuiper. Die riddere metten witten scilde (1989).
[W. Kuiper]
| |
dictie
De wijze van uitspreken van taalklanken. Van belang is hierbij
zowel de articulatiebasis (stand van mond en keel) als ook ademhalingstechniek.
De dictie is van fundamenteel belang bij de
declamatie.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
didactische literatuur
Verzamelnaam voor literatuur met een opvoedende of belerende
functie. In de terminologie van Abrams gaat het om een soort teksten die
behoren tot de
pragmatische literatuur en wel die teksten
die een literaire vormgeving gebruiken voor een didactische inhoud. In die zin
staat deze literatuuropvatting diametraal tegenover de
l'art pour l'art-opvatting.
In cultuurperiodes waarin wetenschap en literatuur een minder
duidelijke scheiding kenden, werd kennis vaak in dichtvorm gepresenteerd. Dat
is bijv. het geval in Middelnederlandse didactische teksten, zoals
Jacob van Maerlants Der
naturen bloeme en Spiegel historiael,
Jan van Boendales Der leken
spiegel en Brabantse yeesten, de
Dietsche doctrinael, e.d. Vaak is het onderscheid met
godsdienstige of maatschappelijk gerichte ‘pragmatische’ teksten
niet goed aan te geven omdat veel middeleeuwse teksten zijn ingezet in het
beschavingsoffensief. Het onderscheid tussen didactische literatuur en
artes-literatuur is eveneens bijzonder vaag.
Dat geldt overigens ook voor veel rederijkersteksten of de teksten
van bijv. de 17e-eeuwer
Jacob Cats.
Wanneer de functie van literatuur echter is om de lezer
sociaal-maatschappelijk te beïnvloeden, spreekt men van
engagement.
De didactische literatuur kent een aantal subgenres die in de
verschillende literair-historische perioden een zekere voorkeur hebben genoten.
Daarbij valt te denken aan de
doctrinael, de
moraliteit, de
fabel-1 en het
mirakelspel in de Middeleeuwen en aan het
leerdicht en het
emblema in de 16e en 17e eeuw. Typisch
didactisch is ook een aantal teksten binnen de
kinder- en jeugdliteratuur, zoals
H. van Alphens Kleine gedigten
voor kinderen (1778) of
Nicolaas Anslijns De brave
Hendrik (1810).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR;
Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; M.H. Abrams. The
mirror and the lamp. Romantic theory and the critical tradition
(19582), p. 14-21. [G.J. van Bork]
| |
dienstboderoman
Term ter aanduiding van die romans die het lagere personeel
verondersteld werd te lezen en als zodanig subgenre van wat met de modernere
term
triviaalliteratuur aangeduid wordt.
Daarnaast wordt de term ook gebruikt voor romans waarin een dienstbode als
hoofdpersoon optreedt, zoals in
Margo Scharten-Antinks
Sprotje (1906).
LIT: Laan. [G.J. van Bork]
| |
diepdruk
Term uit de drukkerswereld voor de druktechniek waarbij de
drukkende, geïnkte delen lager liggen dan de niet-drukkende: het af te
drukken beeld is aangebracht in een plaat. Diepdruk wordt dan ook vooral
toegepast bij illustraties (gravure, ets,
zwartekunst). Voor een boek met illustraties
in diepdruk zijn twee drukgangen nodig, nl. één voor de
hoogdruk op de gewone drukpers en
één voor de diepdruk op een andere pers. Om een extra drukgang te
vermijden kon men ook illustreren met
houtsnedes die samen met het hoogdrukzetsel
onder de pers gingen. Het
vlakdrukprocédé is pas eind
18e eeuw uitgevonden.
LIT: BDI; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (1966), p. 135-146. [P.J. Verkruijsse]
| |
dierendicht
Verzamelnaam voor gedichten en verhalen met dieren in de hoofdrol.
Het dierendicht is voortgekomen uit de mythologische voorstellingen en
verklaringen van rituelen die in de vroegste tijden bij bijna alle volkeren
hebben bestaan. Doorgaans gaat het over magische en mythische eigenschappen van
dieren waarmee de mens zich aanvankelijk als jager en later als landbouwer
geconfronteerd zag. In deze oorspronkelijke, alleen mondeling overgeleverde
dierendichten zou het onderscheid tussen fictioneel en niet-fictioneel geen rol
gespeeld hebben. Naarmate de machtsverhouding meer in het voordeel van de mens
uitviel, verloor het dierendicht zijn sacrale toon en gingen didactiek (dierenfabel,
bestiarium) en fictie (dierenepiek,
dierenroman,
dierenverhaal) een rol spelen.
De term ‘dierendicht’ wordt daarnaast in meer algemene
zin gebruikt als overkoepelende term voor alle gedichten waarin dieren
voorkomen, ongeacht of zij een mythische of magische achtergrond hebben.
Volgens deze benadering vallen ook de gedichten van
Trijntje Fop (alias
Kees Stip) onder de definitie. Een
enkele maal nog wordt de term gebruikt als specifieke aanduiding voor het
dierenepos.
LIT: Best; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; H.R.
Jauss. ‘Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichtung’, in:
Alterität und Modernität der mittelalterlichen Literatur
(1977), p. 49-152. [H. Struik]
| |
dierenepiek
Verzamelnaam voor middeleeuwse
dierenverhalen, gegoten in de vorm van een
heldendicht (epos). De oudste dierenepiek werd in het
Latijn geschreven: Ecbasis captivi (ca. 1100),
Ysengrimus (1140), maar vanaf ca. 1170 ook in het Frans
(Roman de Renart), Duits (Reinhart
Fuchs) en Middelnederlands (Van de vos
Reynaerde, ca. 1250). Het middeleeuwse dierenepos kan beschouwd
worden als een voortzetting en uitbreiding van de
dierenfabel. De bedoeling ervan was door
middel van
parodie, antropomorfie (dieren die zich als
mensen gedragen) en
satire (mensen die zich als dieren gedragen)
zowel te amuseren als te kritiseren.
Volgens
Jauss is het echter niet juist om het
dierenepos direct terug te voeren tot de Latijns-christelijke fabelliteratuur,
omdat er geen overgang valt aan te wijzen tussen beide genres. Evenmin is het
juist om het dierenepos direct af te leiden van het
dierensprookje, omdat, uitgezonderd enkele
antropomorfe trekken zoals het spreken van dieren, alle bovennatuurlijke
elementen in het verhaal ontbreken.
LIT: Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger;
Wilpert; H.R. Jauss. ‘Untersuchungen zur mittelalterlichen
Tierdichtung’, in: Alterität und Modernität der
mittelalterlichen Literatur (1977), p. 49-152; Epopée animale,
fable et fabliau, in: Marche Romane 28 (1978); F. Lulofs (ed.).
Van den vos Reynaerde (19852), p. 14-39; P.W.M. Wackers.
De waarheid als leugen. Een interpretatie van Reynaerts historie (1986)
p. 12-38; Ea. Nieboer en J.Th. Verhulsdonck. ‘Lais, fabliau's, Roman
de Renart’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de
Middeleeuwen (1988), p. 121-139; A.Th. Bouwman. Reinaert en Renart, het
dierenepos Van den vos Reynaerde vergeleken met de Oudfranse Roman de
Renart (1991). [W. Kuiper/H. Struik]
| |
dierenfabel
Volgens de overlevering door de Griekse dichter
Aesopus (6e eeuw v.Chr.) gecreëerd
genre van korte, fictionele dierenverhalen met een leerrijke moraal. Dat
Aesopus dieren gebruikte om zijn ideeën over het menselijk gedrag uiteen
te zetten, zat hem in zijn afkomst: hij was een vrijgelaten slaaf en beschikte
dus niet over de status om directe kritiek te kunnen spuien. De Griekse
dierenfabels dienden vooral als
exempel in redevoeringen. In de 1e eeuw
n.Chr. bewerkte een andere vrijgelaten slaaf (
Phaedrus) de Aesopische fabels in
Latijnse verzen, waarna ze een vast onderdeel gingen uitmaken van de lesstof op
Latijnse scholen. Vanaf het eind van de 12e eeuw (
Marie de France.
Ysopet) verschijnen er ook dierenfabels in de volkstaal,
bijv. de 13e-eeuwse Middelnederlandse Esopet (ed.
Stuiveling, 1965). Ook na de Middeleeuwen
heeft de dierenfabel haar plaats in de literatuur behouden. De bekendste
verzameling fabels is de bewerking van
Jean de La Fontaine (1621-1695).
LIT: Baldick; Gorp; LdMA; MEW; Wilpert; W.L. Idema, M. Schipper en
P.H. Schrijvers (red.). Mijn naam is haas. Dierenverhalen in verschillende
culturen (1993). [W. Kuiper]
| |
dierenroman
Verzamelnaam voor romans met een dier in plaats van een mens in de
hoofdrol. De oudste dierenroman is de Roman de Renart
(eind 12e eeuw), een verzameling losse verhalen (branches) in ‘roman’-vorm (gepaard rijmende,
octosyllabische versregels) rond de vos Renart, in het Middelnederlands rond
1250 vertaald en bewerkt als Van den vos Reynaerde (ed.
Lulofs, 19852), een eeuw later
nog eens als Reinaerts historie en weer een eeuw later als
prozaroman door
Gheraert Leeu (ed.
Hellinga, 1952).
Als een moderne dierenroman kan worden beschouwd:
L.P. Boon.
Wapenbroeders (1955), een bewerking van de
Reinaertverhalen.
LIT: Gorp; MEW; P.W.M. Wackers. De waarheid als leugen. Een
interpretatie van Reynaerts historie (1986); A.Th. Bouwman. Reinaert en
Renart, het dierenepos Van den vos Reynaerde vergeleken met de Oudfranse Roman
de Renart (1991). [W. Kuiper]
| |
dierensprookje
Verzamelnaam voor
sprookjes, waarin dieren de hoofdrol hebben
en mensen hoogstens een bijrol vervullen. Het dierensprookje verschilt van het
dierenepos (dierenepiek) en de
dierenfabel omdat bovennatuurlijke
elementen, afgezien van het feit dat dieren sprekend worden opgevoerd, een
belangrijke factor kunnen zijn.
Voorbeelden van dierensprookjes volgens deze strikte opvatting
zijn ‘De wolf en de zeven geitjes’ en ‘De Bremer
stadsmuzikanten’.
Vaak echter wordt de term ook gehanteerd voor die tover- en
wondersprookjes waarin naast mensen ook dieren optreden. Zij zijn dan degenen
die de menselijke held met raad en daad ter zijde staan en deze na een aantal
proeven van bekwaamheid de toverring of een ander magisch voorwerp
overhandigen. Als dieren al een hoofdrol vervullen, zijn het omgetoverde
prinsen of prinsessen, die aan het einde van het verhaal hun oorspronkelijke,
menselijke gedaante weer terugkrijgen. Voorbeelden van dit genre zijn ‘De
gelaarsde kat’ en ‘De kikkerprins’.
LIT: Gorp; MEW; A. Aarne. Die Tiere auf der Wanderschaft. Eine
Märchenstudie (1913); H.R. Jauss. ‘Untersuchungen zur
mittelalterlichen Tierdichtung’, in: Alterität und
Modernität der mittelalterlichen Literatur (1977), p. 49-152; W.L.
Idema, M. Schipper en P.H. Schrijvers (red.). Mijn naam is haas.
Dierenverhalen in verschillende culturen (1993). [H. Struik]
| |
dierenverhaal
Verzamelnaam voor verhalen met een dier in de hoofdrol, zoals de
dierenverhalen van
A. Koolhaas in diens bundels
Weg met de vlinders (1961) en Vleugels voor een
rat (1967). Dierenverhalen uit het verleden worden meestal
gerubriceerd onder
dierenepiek,
dierenfabel en
dierenroman.
LIT: Gorp; MEW; W.L. Idema, M. Schipper en P.H. Schrijvers (red.).
Mijn naam is haas. Dierenverhalen in verschillende culturen (1993). [W.
Kuiper/H. Struik]
| |
Diets
De Middelnederlandse benaming voor de eigen volkstaal ter
onderscheiding van vooral het Frans en het Latijn, bijv. Dietsche
doctrinael of Boec van medicine in Dietsche.
In de loop van de 16e en 17e eeuw raakte de benaming ‘Diets(ch)’ in
onbruik en werd zij vervangen door
Nederduits.
LIT: J.M. van der Horst en F.J. Marschall. Korte geschiedenis
van de Nederlandse taal (1989); J.W. de Vries, R. Willemijns en P. Burger.
Het verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands (1993). [W. Kuiper/H.
Struik]
| |
digesta
Middeleeuwse verzamelnaam voor een verzameling van uittreksels van
juridische teksten, tot op zekere hoogte synoniem met
epitome en
breviarium. De term werd in overdrachtelijke
zin ook gebruikt voor een bloemlezing van niet-juridische teksten in verkorte
vorm.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert. [W.
Kuiper/H. Struik]
| |
digressie, digressio of excursus
Term uit de retorica die een uitweiding aangeeft in een lang
betoog tijdens de
argumentatio. Het is één van
de mogelijkheden binnen de
aversio, nl. het zich tijdelijk afwenden van
de verteller van het eigenlijke onderwerp (aversio a materia). Auteurs uit de
19e eeuw (
Beets,
Hasebroek e.a.) hebben veelvuldig
gebruik gemaakt van de digressie om humoristische effecten te bereiken, vooral
onder invloed van
Laurence Sterne, die het
procédé veelvuldig humoristisch toepaste in zijn
Tristram Shandy (1759-1767). Via een transitio, zoals
‘Maar tot mijne vertelling! ...’, wordt weer naar het eigenlijke
onderwerp teruggeschakeld.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Lausberg; Metzler; Myers/Simms; Scott; E. Jongejan. De
humor-‘cultus’ der Romantiek in Nederland (1933), p. 194-207.
[P.J. Verkruijsse/G.J. van Bork]
| | | |
dimeter of quaternarius
Term uit de prosodie ter aanduiding van een versregel die uit twee
gelijke metrische delen bestaat, bijv.
jambisch,
trocheïsch,
anapestisch,
dactylisch e.a., zoals in het bekende
kinderliedje:
Schúitjê várên,/théetjê
drínkên
waarvan tevens kan worden opgemerkt dat elke vershelft op zich
genomen een voorbeeld is van
dipodie.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
dinggedicht
Gedicht dat volgens sommige auteurs en critici gekenmerkt wordt
door onpersoonlijk beschrijving van een voorwerp of zaak, veelal ontleend aan
de beeldende kunst (beeldgedicht-2). Het lyrisch subject
treedt op de achtergrond ten gunste van de beschrijving van het gepresenteerde
object. Dit sluit niet uit dat het dinggedicht soms de vorm kan hebben van
indirecte lyriek.
Een voorbeeld van een dinggedicht is het sonnet
‘Hertenjacht’ uit de cyclus ‘Reflecties op Ruysdael’
van
C.O. Jellema, aldus beginnend:
Zijn snelle denken heeft zich omgezet
in jacht op kleur, triomf van eikeblaren,
natuur als overvloed, en, lager, met
het water komt het donker tot bedaren.
(Revisor, 1982, 1, p. 28).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
Dionysisch
Door
F.W. Nietzsche (1844-1900)
geïntroduceerde samenvattende term - geïnspireerd op het werk van
A. Schopenhauer (1788-1860) - voor alles
wat, in tegenstelling tot het
Apollinische, in religie, moraal en
esthetiek het scheppende, heroïsche, duistere en chaotische representeert.
Op het gebied van de kunsten gaat het, in de lijn van de dithyrambische (dithyrambe) razernij van de wijngod
Dionysos, vooral om elementen als
onbegrijpelijkheid, disharmonie en woeste kracht, vaak in verbinding met
primitieve natuur, irrationaliteit, instinctief en onbeschaafd gedrag en zelfs
wreedheid. Als voorbeeld hiervan gold voor Nietzsche in de Griekse tragedie de
emotionaliteit van de koorzang (tegenover het Apollinische in de
dialoog).
Sommigen leggen verband tussen het Dionysische element als een van
de twee door Nietzsche gesignaleerde elementen van de Griekse cultuur en de
latere irrationele elementen van de
romantiek.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Laan; Metzler; MEW; Preminger;
Shipley; Wilpert; G. Highet. The classical tradition (19672),
p. 459-460. [G.J. Vis]
| | | |
diplomatiek zie
oorkondenleer
| |
diplomatische editie
Term uit de editietechniek voor een editie waarin de tekst gegeven
wordt zoals het lezende oog deze na het gereed komen van codex of druk zag. Dat
impliceert dat iedere vorm van tekstkritiek (kritische
editie) in de tekst uitgesloten is; die kan uitsluitend in het
notenapparaat gegeven worden, waar ook paleografische, codicologische en
analytisch-bibliografische commentaar thuishoort. In de tekst mogen - in
tegenstelling tot bij een
archiefeditie - alleen
diacritische tekens gebruikt worden op die
plaatsen waar ook de contemporaine lezer van de bron geaarzeld zou hebben met
betrekking tot een keuze uit het aanbod van tekens. In een diplomatische editie
behoort ook een codicologische, manuscriptologische of
analytisch-bibliografische beschrijving van de bron. Pas als de tekst
diplomatisch is vastgesteld, een bezigheid waarbij de editeur voortdurend voor
de keuze staat of een teken (figura-2) al dan niet een
taalteken (signum) is, kan het werk van de
tekstinterpretatie beginnen.
Het principe van het lezende oog vereist dat afkortingen (abbreviatuur)
worden opgelost (in cursief), dat de structuur van de tekst gehandhaafd blijft
(lombarden,
alinea's enz.) en dat díe zetfouten
die de lezer automatisch corrigeert ook in de tekst verbeterd worden (uiteraard
verantwoord in een noot).
Omdat de archief- en/of de diplomatische editie beschouwd wordt
als het noodzakelijke voorbereidende werk voor een kritische editie, is dit
soort edities per definitie bestemd voor een klein publiek van filologen die
zich vervolgens hierop kunnen baseren voor kritische edities van allerlei
aard.
Voorbeelden van diplomatische edities zijn die van Van
den Vos Reynaerde door
W.Gs Hellinga (1952) en Karel
ende Elegast door
A.M. Duinhoven (1969).
LIT: Best; Mathijsen; Metzler; W.Gs Hellinga. ‘Zes
verdwaalde verzen in de Beatrijs’, in: Huldeboek Pater Dr Bonaventura
Kruitwagen (1949), p. 178-195; W.Gs Hellinga. ‘Verantwoording van de
uitgave’, in: Van den Vos Reynaerde. I. Teksten. Diplomatisch
uitgegeven naar de bronnen vóór het jaar 1500 (1952),
III-VII; W.Gs Hellinga. ‘Principes linguistiques d'édition de
textes’, in: Lingua 3 (1952-1953), p. 295-308; Die Wrake van
Ragisel, ed. W.P. Gerritsen, dl. 1 (1963), p. 274-280; P.J. Verkruijsse.
‘Over diplomatisch editeren van handschriften en het gebruik daarbij van
diacritische tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346.
[P.J. Verkruijsse]
| |
dipodie
Term uit de prosodie ter aanduiding van een tweevoetige ritmische
eenheid in een metrisch gedicht. In het volgende voorbeeld bestaat elke regel
uit een dipodie:
(
G. Gezelle. VW, dl. 2, 1930, p.
99).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
diptychon
Letterlijk ‘tweeluik’. Term uit de
codicologie voor twee wastafeltjes die met
de waskant naar elkaar toe scharnierend met elkaar verbonden zijn. Een
diptychon is zeer geschikt om een tekst te bewaren of te versturen, omdat de
waskant na het sluiten van beide wastafels tegen aanraken beschermd is. Het
diptychon is de oervorm van de
codex.
LIT: Best; Hiller; Wilpert; J. Glenisson (red.). Le livre au
Moyen Age (1988). [W. Kuiper]
| |
directe lyriek
Aanduiding voor die vorm van
lyriek waarin, in tegenstelling tot de
indirecte lyriek, een ik-figuur zich
rechtsreeks uit, zoals in de eerste strofe van ‘Fuguette’:
Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 119).
De ik-figuur kan zich richten tot een personage uit de tekst,
zoals in het gegeven voorbeeld, maar dit is niet noodzakelijk, zoals in
Kloos' sonnet ‘Er stroomt door
mijn gemoed in stormend klateren’ (1881), en menige andere tekst waarin
een ik-figuur zich uitspreekt, niet langs een omweg, maar direct en
expliciet.
LIT: Gorp; Lodewick. [G.J. Vis]
| |
directe rede
Letterlijke weergave van de woorden of gedachten van een
personage, (in tegenstelling tot de
indirecte rede), meestal voorafgegaan door
zinsdelen van het type ‘hij zei’ of ‘zij dacht’, dan
wel gevolgd door ‘zei hij’ of ‘dacht zij’. Het zinsdeel
dat in de directe rede staat, wordt doorgaans omsloten door aanhalingstekens,
maar kan in druk ook wel aangegeven worden door isolering van de regel, een
voorafgaand liggend streepje of enkele spaties dan wel combinaties daarvan. In
de zin: ‘-- O, die stem van Steyn! siste mama Ottilie tussen de
tanden’, staat het gedeelte vóór ‘siste’ in de
directe rede.
De directe rede is vergelijkbaar met het
citaat. Een tussenvorm van directe rede en
indirecte rede noemt men de
style indirect libre.
LIT: Bal; Best; Boven/Dorleijn; Metzler; Scott; Wilpert; E.
Lämmert. Bauformen des Erzählens (19756), p.
202-242; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap
(1981), p. 129-138. [G.J. van Bork]
| |
discontinue vertelwijze of niet-continue
vertelwijze
Term uit de verteltheorie waarmee wordt aangegeven dat een
verteller zijn verhaal niet als een aaneengesloten vertelling aanbiedt, zoals
bij de
continue vertelwijze, maar duidelijk
sprongen in de tijd maakt, bijv. door te kiezen voor een
scenische presentatie van zijn verhaal. Men
mag de discontinue vertelwijze niet verwarren met de
niet-chronologische vertelwijze, waarbij het
gaat om de tijdsvolgorde van de vertelde gebeurtenissen. Zo is bijv.
Louis Couperus' roman Eline
Vere (1889) discontinu verteld, omdat hij overwegend uit
scènes is opgebouwd, maar men kan deze roman tegelijkertijd
chronologisch verteld noemen.
LIT: Bal; Drop; Herman/Vervaeck; E. Lämmert. Bauformen des
Erzählens (19756). [G.J. van Bork]
| |
disiunctio zie
Distanzstellung
| |
dispondee
Term uit de prosodie ter aanduiding van een metrische eenheid
bestaande uit twee
spondeeën, bijv. Oóst
wést, thúis bést. In de Nederlandse poëzie komt dit
verschijnsel niet voor, behalve misschien in metrische vertalingen van
klassieke verzen, zoals in de volgende regel uit een ‘metrische
overzetting’ van een fragment van
Vergilius' Aeneis
(boek 6):
Maàr naàuw/líjks zíet/ mén 't
flàauw/ schéemrêndê/ lícht în
hêt/Oóstén
(
J. Kinker. Gedichten, dl. 3,
1821, p. XL).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
dispositio
Term uit de retorica voor de tweede taak van de redenaar (officia
oratoris): na de
inventio komt de dispositio, de schematische
opzet van de rede, waarin alle
res (zakelijke onderdelen) op hun juiste
plaats terecht moeten komen. Die onderdelen kunnen zijn: het
exordium, een inleiding om de aandacht van
het publiek te trekken, om dat publiek welwillend te stemmen of nieuwsgierig te
maken; de
narratio moet vervolgens duidelijk maken
waarover de rede zal gaan; in de
argumentatio volgt het eigenlijke betoog met
desnoods hier en daar een uitweiding (digressie);
tenslotte volgt de
conclusio of peroratio waarin een
samenvatting en slotconclusie gegeven worden. De overgang tussen de
verschillende onderdelen kan vloeiend gemaakt worden door een transitio.
Ook in kleinere gedichten kunnen deze elementen uit de dispositio
teruggevonden worden, bijv. in
Constantijn Huygens' gedicht
't Spoock te Muyden (in: De
gedichten, ed. Worp, dl. 2, p. 160-162): vs. 1-6 exordium; vs. 7-62
narratio; vs. 63-74 argumentatio; vs. 75-82 conclusio.
LIT: Best; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; Shipley; Wilpert; E.K.
Grootes. ‘Constantijn Huygens en 't spoock te Muyden’, in:
Spektator 1 (1971-1972), Ton Cramnr., p. 473-481. [P.J. Verkruijsse]
| |
disputatie zie
disputatio
| |
disputatio of disputatie
Academische discussie in de vorm van een
dialoog naar aanleiding van een of meer
gestelde vragen (quaestio). Argumenten voor en tegen de
these worden aangedragen; bezwaren dienen weerlegd te worden. In de praktijk
van het hoger onderwijs, op juridisch en theologisch gebied en op dat der
artes liberales, fungeerde de disputatio
vanaf de Middeleeuwen tot in de 18e eeuw als oefening om het geleerde in
dialectische vorm toe te passen. Een disputatio ‘sub praeside’
(onder voorzitterschap van een hoogleraar) kon zelfs in de plaats komen van een
publieke promotie. Een aparte vorm van de disputatio is het
quodlibet. Een voorbeeld van een
middeleeuwse disputatie is ‘Ene disputacie van onser vrouwen ende vanden
heiligen cruce’ van
Jacob van Maerlant (Strofische
gedichten, ed.
Verwijs, 1879, p. 80-99).
In de 17e en 18e eeuw was het de gewoonte de - uiteraard
Latijntalige - disputatio te laten drukken: veel bibliotheken bewaren
disputationes in - vaak niet gecatalogiseerde - verzamelbanden, bijv.
Disputationes Academiae Trajecti ad Rhenum habita. Annis
1637-1690 (AB Utrecht: A.qu.192, waarin 100 disputaties),
Dissertationes Academ. Physica 1593-1710 (BL Londen:
536.f.2, waarin 37 disputaties) of Tracts on metaphysics
1614-1706 (BL Londen: 525.d.13, waarin 45 disputaties). De disputationes
bevatten vaak opdrachten aan leermeesters en begunstigers en lofdichten van
studiegenoten; ze verschenen in per hoogleraar genummerde reeksen en vermeldden
op de titelpagina de datum waarop de discussie plaatsvond, bijv.
‘Disputatio juridica vigesima septima [=27], de damno injuria dato, quam
D.O.M.I. Praeside Viro Clarissimo, D. Antonio Matthaeo, juris antecessore
primario, in illustri Academia Vltrajectina, publicè defendet, Matthaeus
Smallegange, Goesa-Zeland. Ad diem 9 Maji horâ locoque solitis. M DC
XLIX.’ Op de UB Amsterdam bevindt zich het zgn. kaartsysteem-van der
Woude op disputaties, dissertaties en oraties van voor 1800. Van de disputaties
van Franeker bestaat een bibliografie: F. Postma en J. van Sluis (eds.),
Bibliographie der Reden, Disputationen und Gelegenheitsdruckwerke der
Universität und des Atheneums in Franeker 1585-1843 (1995).
LIT: Brongers; Gorp; HWR; LdMA; Metzler; G.W. Kernkamp. De
Utrechtse Academie 1636-1815, dl. 1 (1936), p. 147-157; P. Berendrecht.
‘Maerlants “Eerste Martijn”: een ‘leer-rijk’
qoudlibet?, in: Spektator 19 (1990), p. 369-385. [P.J. Verkruijsse]
| |
dissertatie of proefschrift
Een dissertatie is een academische verhandeling, gewoonlijk
voorzien van een aantal stellingen, die na een openbare verdediging (de
promotie) de auteur de doctorsgraad oplevert. Tot in de 19e eeuw was het de
gewoonte om op (uitgewerkte) stellingen te promoveren: de
disputatio, die geruime tijd in beslag kon
nemen en waarbij de verdediger van de stellingen geassisteerd werd door twee
paranimfen om relevante literatuur uit de bibliotheek op te halen. De taak van
de huidige paranimfen is louter ceremonieel.
In Nederland is het de gewoonte dat de dissertatie na
goedkeuring door de promotor en de promotiecommissie gedrukt wordt alvorens de
publieke promotie plaatsvindt. InBelgië - en een aantal
andere landen - daarentegen blijven veel proefschriften steken in de massa van
de
grijze literatuur doordat ze op slechts
één of enkele universiteitsbibliotheken gedeponeerd worden;
alleen bekroonde publicaties bereiken daar de drukpers. In de Duitstalige
landen kent men naast en na het proefschrift nog een Habilitationsschrift, een
soort tweede promotie die pas toegang kan verschaffen tot het professoraat.
De namen van de gepromoveerden worden bijgehouden in een
album promotorum. Bibliografieën van
proefschriften zijn de Catalogus van academische geschriften in
Nederland en Nederlandsch Indië verschenen (1924-1946),
Dutch theses (1975-1977), de Bibliografie van
Nederlandse proefschriften (1980-1990) en voor België het
Repertorium van de doctorale proefschriften (1973-1985).
Op de UBAmsterdam bevindt zich het zgn. kaartsysteem-van der Woude
op disputaties, dissertaties en oraties van voor 1800.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; MEW; Wilpert; A.O.
Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
dissimulatio
Term uit de retorica voor een vorm van
ironie die de eigen mening tracht te
verbergen, bijv. door zich tegenover een pocher onwetend voor te doen.
Geëigende stijlmiddelen voor het veinzen zijn de
retorische vraag,
litotes,
emfase en
synecdoche. Hetzelfde doel kan ook via
simulatio nagestreefd worden: het doen alsof
de eigen mening niet afwijkt van die van de tegenpartij. Vooral aan het hof
werd een juist gebruik van dissimulatio als een kwaliteit gezien en
dientengevolge ook in de typische hof-genres waarin een complexe inhoud
schuilgaat onder een schijnbaar simpel uiterlijk, zoals pastorale poëzie,
emblema en lofdicht.
Ook in het
blijspel wordt druk gebruik gemaakt - vaak
in de vorm van
terzijdes - van dissimulatio, bijv. in
G.A. Bredero's Spaenschen
Brabander (1618, ed.
Stutterheim, 1974, p. 192) in de dialogen
tussen Jerolimo en Robbeknol:
Ba woor sayde gay, dagge me niet en kuyst
Mayn mantel en wambays? sach say zaijn so bepluyst.
Kom hier en sieghet eens, gay moetmen voorts wat keeren:
En hebdy gien swijns-veeren?
LIT: Gorp; HWR; Lausberg; Leeman/Braet; Ueding; J. Jansen.
Brevitas (1995), p. 333-336. [wk/pv]
| |
dissonantie
Term uit de stilistiek ter aanduiding van harde en onwelluidende
klankeffecten die soms met opzet door dichters worden gebruikt, in
Engeland bijv. door
Browning en inNederland
door schrijvers uit de tijd van dada. Dissonantie blijft overigens een
subjectieve aangelegenheid, omdat niet algemeen vast te stellen is welke ritmen
en welke rijmen onaangenaam zijn en welke daarentegen welluidend. Een voorbeeld
van een mogelijke dissonantie is de gekapitaliseerde passage in:
(
I.K. Bonset. Nieuwe
woordbeeldingen, ed.
Schippers, 1975, p. 83).
LIT: Baldick; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
distantie
De afstand die de beschouwer van een kunstwerk ervaart tussen
hemzelf en het geïsoleerde kunstobject dat hij in de beschouwing betrekt.
De mate van (psychische) distantie is bepalend voor de betrokkenheid van de
beschouwer bij een kunstwerk.
In de verteltechniek komt de distantie tot uiting in de
verschillende mogelijkheden van het
point of view. De identificatie van de lezer
met een in de ik-vorm verteld verhaal kan sterker zijn dan bijv. een auctoriaal
verteld verhaal, waar de verteller telkens de illusie van het vertelde
verbreekt en tussen lezer en personage(s) komt te staan. Men spreekt in dit
verband wel van epische distantie. Op soortgelijke wijze vergroten de
vervreemdingseffecten zoals die bijv. door
Bertold Brecht worden gebruikt in zijn
drama's de distantie van de toeschouwers tot de handeling op het toneel.
LIT: Abrams; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
Distanzstellung, disiunctio, hyperbaton of
metatesis-2
Term uit de stijlleer voor die vorm van
transmutatio waarbij woorden die syntactisch
bij elkaar horen uiteen worden geplaatst, bijv. ‘Jan zag ik, en Piet, en
Klaas.’. In dit geval krijgen de onderdelen van het object van de zin
afzonderlijk meer nadruk. Men kan ook spanning willen wekken door uitstel van
een reeds eerder verwachte notie:
In het diepst van het woud
- 't Was al herfst en erg koud -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
(
P. Paaltjens. Snikken en
grimlachjes, 18887, p. 49).
In deze passage zorgt de tussenzin van vs. 2 voor de
uiteenplaatsing van de vooropgestelde bepaling van vs. 1 (op zichzelf beschouwd
als
inversie een andere vorm van transmutatio)
en de persoonsvorm ‘Liep’ (vs. 3).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Dupriez-1; Gorp; Lausberg;
Lodewick; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
distichomythie
Bijzondere vorm van de
dialoog in het (klassieke) versdrama,
waarbij de personages telkens afwisselend een tweetal versregels uitspreken.
Distichomythie is verwant aan
stichomythie, een vorm die in het
Nederlandse drama wordt toegepast.
LIT: Best; Gorp; MEW; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
distichon
Term uit de genreleer voor een tweeregelig gedicht. In de
Klassieke Oudheid is het elegisch (elegie) distichon de
meest voorkomende vorm ervan. Dit bestaat uit een dactylische
hexameter gevolgd door een dactylische
pentameter. Het metrisch schema is:
- ~~/-~~/-~~/-~~/-~~/-~
- ~~/-~~/- /-~~/-~~/-
In de Nederlandse letterkunde is het genre veelvuldig beoefend,
o.a. door
Huygens,
Staring,
De Genestet en
C. Vosmaer.
Een voorbeeld van het distichon als afzonderlijk gedicht is
‘De belijdenis’:
Werelden wentlen rondom, en in ons wentelt een wereld.
Al het ontbondene bindt Liefde en ontbindt wat ze bond.
(
Albert Verwey.
Oorspronkelijk dichtwerk, dl. 2, 1938, p. 677).
Een ander voorbeeld, uit de ‘Kleengedichtjes’ van
Gezelle:
Het bloed des volks roept: Vlaamsch!
en gij, g'en hoort het niet!
(Verzameld dichtwerk, dl. 2, 1980, p. 234).
Soms vormt het distichon het onderdeel van een groter geheel,
bijv. in een gedicht dat geheel uit disticha is opgebouwd, zoals
Verwey's ‘Natuur en
verbeelding’ (Oorspronkelijk dichtwerk, dl. 2, 1980, p. 676). Vaak
wordt het distichon als
puntdicht gepresenteerd, zoals dat ook
dikwijls het geval is met het
kwatrijn.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
distinctio
Term uit de retorica voor een semantisch verschil tussen het
normale gebruik van een woord in een zin en een herhaald nadrukkelijk en
bijzonder gebruik van hetzelfde woord verderop in dezelfde zin. Wanneer de
distinctio in een dialoog wordt toegepast, spreekt men van
reflexio. De distinctio is verwant aan
paronomasia,
anadiplosis en
polyptoton.
De eerste regel van het gedicht van
Casper van Baerle. ‘Lof van de
lindeboom’, uit de bundel Poezy (ed.
Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17de en 18de eeuw, 1986, p. 130) bevat een
distinctio:
Uw' Oostwijck is mijn lust, en 't leven van mijn leven,
[...].
LIT: Dupriez-2; HWR; Lausberg; LdMA; Myers/Simms; Ueding. [P.J.
Verkruijsse]
| |
distributiefout
Term uit de analytische bibliografie en tekstkritiek voor een
zetfout die het gevolg is van verkeerd
gedistribueerd zetsel. Na gebruik wordt zetsel losgekooid, gereinigd en weer in
de letterkast opgeslagen. Het sorteren van gebruikt zetsel was doorgaans het
werk van leerlingen. Ervaren zetters vinden hun letters op de tast in de
letterkast. Wanneer het letterstaafje met de
verkeerde letter qua breedte niet of nauwelijks afwijkt van de verwachte letter
(een ervaren zetter voelt dat) en ook optisch niet al te zeer afwijkt, dan is
aan alle voorwaarden voor een distributiefout voldaan.
Een voorbeeld van een zetfout ten gevolge van een distributiefout
is:
Die oom: ‘Geoet [= Groet] mi u moeye, mijn suster, ende
vaert wel.’
(Mariken van Nieumeghen, ed.
Coigneau, 1982, vs. 30).
LIT: BDI; Feather; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening der
boekdrukkunst in Nederland (ed. F.A. Janssen, 1974), p. 57-58. [W.
Kuiper]
| | | |
dithyrambe
Aanduiding voor een
lofdicht, aanvankelijk op de wijngod, in de
vorm van een
beurtzang (zang - tegenzang). In later tijd
worden ook andere goden en helden bezongen, zodat het verschil met de
hymne vervaagt. In dit verband denke men aan
de rooms-katholieke hymne ‘Dithyrambe op het Allerheiligste’ van
C. Broere (1803-1860). In deze en andere
gevallen uit de moderne letterkunde spreekt men al van dithyrambe wanneer het
gaat om een ‘hartstochtelijke ode vol dichterlijke verrukking’ (
Ter Laan).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
dittografie
Fout van een kopiist of zetter (transmissiefout) die eruit bestaat dat een woord of deel van
een woord onnodig herhaald wordt (ditto = dubbel), bijv.
under der der brucgen was ein man
(Aiol, ed.
Gysseling, 1980, vs. 619).
Het overslaan van woorden noemt men
haplografie.
LIT: Marouzeau; Metzler; Wilpert; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot
reconstructie van de Karel ende Elegast I (1975), p. 137-281. [W.
Kuiper]
| |
dobbelsteert
Term uit de rederijkersliteratuur voor een versvorm die gekenmerkt
wordt door verdubbeling van de rijmklank aan het slot van de versregel,
bijv.
Eeuwelic moedt ghi int keitivigh beven sneven
Ende in Ethnats fel vier, vul wraken blaken.
Met hem, die der Roo zee toe ghescreven bleven
Wille u Jupiter een miserabel leven gheven:
Ende nemmermeer dijns verdriets een slaken maken.
Altoes moedt ghy naer bedruckte zaken haken:
En weedt, twy ic hu met zulcken excesse pesse,
Om dat ick duer hu myn liefste princesse messe
(
Matthijs de Castelein. Const
van rhetoriken, 1555, p. 223).
LIT: Bronzwaer; S.A.P.J.H. Iansen. Verkenningen in Matthijs
Casteleins Const van rhetoriken (1971), p. 137-138. [H. Struik]
| |
docere
Term uit de retorica voor één van de middelen die de
ars persuadendi ten dienste staat, nl. het
onderrrichten van de toehoorders door het doen van objectieve mededelingen,
waartoe een stijl die dicht bij het gewone spreken staat, het
genus humile (één van de drie
genera elocutionis), volgens de klassieke
retorica het meest geschikt werd geacht. Om de zaak aannemelijk te maken (probare), dienen bewijzen aangevoerd te worden.
LIT: HWR; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
docilem parare
Term uit de retorica voor het nieuwsgierig maken van het publiek
naar de informatie die men in zijn rede wil gaan verstrekken. In het
exordium, het eerste onderdeel binnen de
dispositio, kan dit bereikt worden door een
korte opsomming van de te behandelen punten, een
propositio. Een voorbeeld is
Vondels imitatio van het begin van
Vergilius'
Aeneis:
Ick sing den legertoght des Princen van Oranjen,
Die 't heyr van Spinola, en all' de maght van Spanjen
Met sijn' slaghordens tarte, in het bestoven velt,
En Dulcken de stadt Grol deed' ruymen met gewelt
(
J. van den Vondel.
Verovering van Grol, vs. 1-4, in: De Werken,
WB.-ed., dl. 3, 1929, p. 128).
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
doctrinael
Middelnederlandse benaming voor een leerboek (doctrina = leer),
bijv. Dietsche doctrinael (ed.
Jonckbloet, 1842),
Jan de Weerts Nieuwe
doctrinael of Spieghel van sonden (ed.
Jacobs, 1915) of Doctrinael des
tijts (ed.
Schuijt, 1946). De doctrinalen behoren tot
de
didactische literatuur.
LIT: Laan; H. Brinkman. ‘De stedelijke context van het werk
van Jan de Weert (veertiende eeuw)’, in: H. Pleij e.a. Op belofte van
profijt: stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de
middeleeuwen (1991), p. 101-120. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
documentatie
Het verzamelen, selecteren, toegankelijk maken, opbergen,
terugvinden en ter beschikking stellen van documenten of anderssoortige
informatie. Documentaire informatie (zoals de term sinds de mechanisering en
automatisering na de Tweede Wereldoorlog is gaan luiden) doorbreekt dus de
grenzen tussen enerzijds instellingen als
bibliotheek-1,
archief-1 en
museum-2 en anderzijds apparaat als
bibliografie,
catalogus-1 en
inventaris door referenties betreffende een
bepaald persoon of onderwerp bijeen te brengen onafhankelijk van de aard, vorm
of verblijfplaats van die informatie.
De explosieve toename van wetenschappelijke publicaties in de 19e
eeuw dreigde te leiden tot een niet meer te beheersen stroom van informatie.
Rond de eeuwwisseling kwam het initiatief van
Paul Otlet om in Brussel
een universele bibliografie tot stand te brengen, gebaseerd op de Universele
Decimale Classificatie (UDC), in het Institut
International de Bibliographie (IIB). Al snel bleek dit een onhaalbare zaak:
documentatie per discipline of groep verwante disciplines was al ingewikkeld
genoeg, zoals bleek uit de International Catalogue of Scientific Literature van
de Londense Royal Society (1896-1920). In samenwerking met het Brusselse IIB
werd in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag ook een afdeling
documentatie opgezet die in de jaren 1910-1922 het Repertorium op de
Nederlandsche tijdschriften produceerde.
Met de opkomst van de speciale bibliotheek in het Interbellum
groeiden bibliotheek en documentatie steeds meer naar elkaar toe. Vooral de
oprichting van het Nederlands Instituut voor Documentatie en Registratuur
(NIDER) in 1921 leidde tot tal van documentaire activiteiten. Na de Tweede
Wereldoorlog zijn door de automatisering (database)
nieuwe mogelijkheden én problemen ten aanzien van de documentaire
informatie ontstaan.
Voor de neerlandistiek zijn er enkele belangrijke gespecialiseerde
documentatie-instellingen. Het Nederlands Letterkundig Museum en
Documentatiecentrum (NLMD) in Den Haag houdt zich bezig met het exposeren,
verzamelen en editeren van literaire documenten (manuscripten, brieven,
knipsels, prenten, geluid, film en voorwerpen) van na 1750. In
Antwerpen doet het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven
(AMVC) hetzelfde voorVlaanderen: de verzamelde affiches, brieven,
clichés, documenten, eremetalen, films, getuigschriften, manuscripten,
knipsels, liederen, menu's, necrologia, foto's, portretten, spelprogramma's,
tekeningen en voorwerpen worden toegankelijk gemaakt via de Klapper op het
bezit (19812). Het Archief en Cultureel Documentatiecentrum van
de Rijksuniversiteit teGent documenteert gegevens over 19e- en
20e-eeuwse Vlaamse literatoren. Het Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde
(DNL) van het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van
Amsterdam verzamelt bibliografische informatie, brieven,
documenten, onderwijsverslagen, geluid, knipsels, prenten en scripties
betreffende letterkundigen uit alle eeuwen, welke collectie eveneens via een
Klapper op het bezit (19812) toegankelijk is. Het Bureau voor
de Bibliografie van de Neerlandistiek (BBN) en het Nederlands Bibliotheek- en
Lektuur Centrum (NBLC) in Den Haag verzorgen bibliografische en documentaire
uitgaven op literair-historisch terrein. Vanaf september 1997 is een aantal
instellingen samengevoegd in het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke
Informatiediensten (NIWI).
Een tijdschrift dat zich speciaal met de documentaire kant van de
neerlandistiek bezighield was Dokumentaal (1972-1996). De Werkgroep voor
de Documentatie der Nederlandse Letteren, ingesteld in 1967 op de 17e Algemene
Conferentie der Nederlandse Letteren en ressorterend onder de sectie
Bibliotheekwezen van de Taalunie, is gedurende een twintigtal jaren
coördinerend opgetreden.
Niet speciaal op de neerlandistiek betrekking hebbende
documentatie-instellingen en -uitgaven die niettemin van belang kunnen zijn bij
het neerlandistisch onderzoek, zijn te vinden in of via de meest recente
drukken van
A.M.J. van Buuren,
W.P. Gerritsen en
A.N. Paasman. Vermakelijk
bibliografisch ganzenbord; het computerprogramma BIZON; het gedenkboek
50 jaar AMVC (1984); Handboek Letteren; Nederlandse
Bibliotheek- en documentatiegids; Vlaamse archief-, bibliotheek- en
documentatiegids; J. Verougstraete. Inventaris van Belgische
onderzoekscentra die over een bibliotheek of documentatiedienst
beschikken.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; Shipley; Wilpert; Th.P. Loosjes.
On documentation of scientific literature (19732); H. Lamers.
‘De documentatie van de Nederlandse taal- en letterkunde’, in:
Dokumentaal 7 (1978), p. 4-14; M. Geesink en A. Bossers.
‘Bibliografie en documentatie van de Nederlandse taal- en
letterkunde’, in: Dokumentaal 7 (1978), p. 50-54; P.J.
Verkruijsse. ‘DNL over documentatie’, in: Dokumentaal 7
(1978), p. 55-59; B. van Selm. ‘De Nederlandse taal- en letterkunde en de
bibliografie van bronnen’, in: Dokumentaal 7 (1978), p. 60-67; C.
Neutjens. ‘Schets voor een beleid inzake de documentatie van de
neerlandistiek’, in: Dokumentaal 8 (1979), p. 81-85; B. van Selm.
‘Ontwerp van een beleid inzake de documentatie der Nederlandse
letteren’, in: Dokumentaal 9 (1980), p. 36-46; P.S.A. Groot.
Documentaire dienstverlening (1981); P. Schneiders. De bibliotheek-
en documentatiebeweging 1880-1914; bibliografische ondernemingen rond 1900
(1982); P.S.A. Groot. Persoonlijke documentatie (1984); P.
Lammens-Pikhaus en A. Deprez. ‘Documentatiecentrum in Gent’, in:
Literatuur 1 (1984), p. 176-178; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
dodecasyllabe
Term uit de prosodie voor een twaalfsyllabig vers (isosyllabisch vers). Dit vers kan als de opvolger worden
beschouwd van de
decasyllabe (de tiensyllabige regel) uit het
oudere
chanson de geste, en in feite als de
gangbare vorm van het jongere chanson de geste. De dodecasyllabe komt met name
voor in de 12e-eeuwse Franse Alexanderepiek, als standaardvorm van de
Franse maat. Mede door de
cesuur na de zesde syllabe kan de
dodecasyllabe als voorloper gelden van de
alexandrijn.
LIT: F. Kossmann. Nederlandsch versrythme (1922), p. 28-30
en passim. [G.J. Vis]
| |
dodendans
Laatmiddeleeuwse traditie in de muziek en de beeldende (m.n. de
schilder)kunst, waarin de dood wordt voorgesteld als voordanser in een reidans,
samengesteld uit een hiërarchische opeenvolging van alle maatschappelijke
geledingen (standensatire), die de levenden wegvoert. De
bedoeling is de mens ervan te overtuigen dat hij uit stof geboren is en tot
stof zal wederkeren (vanitas) en dat voor de dood
iedereen gelijk is. Een literaire variant op het dodendansmotief is het gedicht
Van der mollenfeeste van
Anthonis de Roovere (ed.
Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige
bladzijden, 1994, p. 410-414).
LIT: Best; Cuddon; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; J.F.
Vanderheyden. Het thema en de uitbeelding van den dood in de poëzie der
late Middeleeuwen en der vroege Renaissance in de Nederlanden (1930); D.Th.
Enklaar. De dodendans (1950); H. Rosenfeld. Der mittelalterlicher
Totentanz (1954). [W. Kuiper]
| |
dodengesprek
Vooral in de 18e eeuw populair genre, behelzende fictieve
gesprekken in het hiernamaals tussen overleden personen die voor de tijdgenoot
iets gemeenschappelijks of tegenstrijdigs hadden. Ze waren rond 1700 weer in de
mode gebracht door de Franse auteurs
Fontenelle (Dialogues des
morts anciens et modernes (1683)) en
Fénélon (Dialogues
des morts (1700-1712)), maar het grote voorbeeld waren de
dodengesprekken in de onderwereld door
Loekianos (± 120-± 180).
Tot het genre kunnen gerekend worden het Maandelyks
berigt van den Onderaardssen Parnas, of Toneelspelen uit de andere wereld,
behelzende allerhande voorvallen en geschiedeniszen van hoge en lage
Staatsperzonen (1722) en De maandelyksche 't
zamenspraaken tusschen de Dooden en de Leevenden (1726) van
J.C. Weyerman.
LIT: Best; Metzler; Wilpert; A. Hanou. ‘Weyermans
Maandelyksche 't Zamenspraaken (1726)’, in: P. Altena e.a. Het
verlokkend ooft: proeven over Jacob Campo Weyerman (1985), p. 160-194.
[P.J. Verkruijsse]
| |
doggerel
Term, waarvan de oorsprong onbekend is, voor een soms opzettelijk
slecht geconstrueerd gedicht, gekenmerkt door monotonie in ritme en rijm,
goedkoop sentiment, trivialiteit. Evenals het
knittelvers leende de doggerel zich goed
voor komische effecten (humor). Voorbeelden vindt men
dan ook in de
burleske literatuur.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
doktersroman
Roman met als hoofdpersoon een arts. Vanwege het stereotiepe
verhaalverloop van de meeste van deze romans (verpleegster wordt verliefd op
een arts, of andersom, en na enige verwikkelingen volgt een happy end) worden
doktersromans, evenals
verpleegstersromans, gerekend tot de
damesromans of
triviaalliteratuur. Daarentegen worden
De dokter en het lichte meisje (1951) van
S. Vestdijk en De nagel achter
het behang (1971) van
A. Koolhaas die een arts als hoofdpersoon
hebben, niet als doktersromans aangemerkt, omdat ze geen stereotiep
verhaalverloop kennen.
In 1971 verscheen van
Peter Andriesse Zuster Belinda
en het geheime leven van dokter Dushkind als
parodie op het genre.
LIT: BDI; Laan; Lodewick. [G.J. van Bork]
| |
dolce stil nuovo
De benaming ‘lieflijke nieuwe stijl’ heeft betrekking
op de dichttrant van een aantal dichters inToscane in de 13e en
14e eeuw. De term wordt voor het eerst gebruikt door
Dante in vers 57 van de 24e zang van
‘Purgatorio’ in de Divina Commedia ter
typering van zijn poëzie en van die van zijn directe voorgangers en wordt
sindsdien gebruikt voor muzikale poëzie (vooral
sonnet en
ballade-1) in een zoetvloeiende taal en stijl,
geschreven in de volkstaal en met een de vrouw idealiserende liefde als
onderwerp. In de dolce stil nuovo zijn invloeden te zien van o.a. de
troubadourspoëzie en het
platonisme; invloed is vervolgens uitgegaan op
vooral
Petrarca: via het
petrarkisme hebben de ideeën en thema's
van de dolce stil nuovo zich in de renaissance verbreid.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
don contraignant of bede
Motief, vooral bekend uit de
Arturroman, dat eruit bestaat dat iemand een
ander om een gunst vraagt zonder dat diegene weet wat hem gevraagd zal worden.
Als de ander de gunst toestaat - wat de hoofse code vereist - zit hij eraan
vast. De don contraignant stelt het romanpersonage op de proef en veroorzaakt
een onverwachte ontwikkeling binnen het verhaalgebeuren. De Middelnederlandse
term luidt ‘bede’.
LIT: B. Besamusca en F. Brandsma. ‘De toezegging met
onvoorziene gevolgen in de Walewein’, in: NTg 81 (1988), p.
1-12. [W. Kuiper]
| |
doopsgezinde literatuur of anabaptistische
literatuur
Doopsgezinde literatuur is de literatuur, geproduceerd door
aanhangers van het anabaptisme, een onderling weer verdeelde stroming binnen
het gereformeerd protestantisme, waarin het accent ligt op individuele
geloofsbeleving en bijbelse levensvernieuwing, afgescheidenheid van de wereld
(geen overheidsambten, geen eedsaflegging, geweldloosheid), het vormen van een
heilige gemeente van wedergeborenen naar apostolisch voorbeeld evenwel zonder
organisatie (lekenpredikers), doop na belijdenis, strenge tucht bij
onchristelijke levenswandel en sterke heilsverwachting.
Het begin van de doperse beweging ligt in het tweede kwart van de
16e eeuw in de onenigheid tussen de gematigde Zwingli en voorstanders van een
radicalere reformatie, die al snel de scheldnaam wederdopers kregen en vervolgd
werden. Na 1530 verbreidde de beweging zich vanuitEmbden over de
Nederlanden vooral door toedoen van De ordonnantie Gods
van
Melchior Hoffman. In de jaren '40 van de
16e eeuw zijn als leiders van doopsgezinde groeperingen belangrijk:
Menno Simons (mennonieten of menisten) met
zijn Dat fundament des christelycken leers (1539-1540),
Dirk Philips (dirkisten) met zijn
Enchiridion oft hantboecxken (1564),
Obbe Philips (obbisten),
Jan van Batenburg (batenburgers),
David Joris (davidjoristen) met zijn
mystieke publicatie het Wonderboeck (1542) die van
invloed is geweest op
Hendrik Niclaesen zijn Huis der Liefde en
op het Duitse piëtisme (piëtistische
literatuur). Reeds uit 1562 dateert het eerste van een reeks
doopsgezinde
martelaarsboeken, het Offer des
Heeren.
Na tal van scheuringen en herenigingen bestonden midden 17e eeuw
de groepering van de gematigde waterlanders in Noord-Holland en
Friesland met leiders als
Hans de Ries en
Lubbert Gerrits, en die van de verenigde
Vlaamse, Friese en Hoogduitse gemeentes. In de tweede helft van de 17e eeuw
vond een nieuwe richtingenstrijd plaats tussen lamisten van de kerk Bij het Lam
en zonisten van de kerk in De Zon. Lamisten en waterlanders verenigden zich in
1668. In de 18e eeuw kreeg het rationalisme meer vat op de doopsgezinden dan
het piëtisme, wat bijv. blijkt uit het feit dat de doopsgezinde
Nieuwenhuyzen de oprichter is van de
Maatschappij tot Nut van het Algemeen; in de 19e eeuw staan de doopsgezinden
open voor zowel het modernisme als het
Réveil (
Willem de Clercq).
Over een verklaring hoe het komt dat doopsgezinden een belangrijke
bijdrage geleverd hebben aan cultuur en literatuur (ondanks of dankzij hun
gedeeltelijke isolement) is men het nog niet eens. In de eerste helft van de
17e eeuw vallen er doopsgezinde rederijkersactiviteiten waar te nemen
inRotterdam, Hoorn en De Rijp; het
betreft voornamelijk liedboekjes. Verder moet men onder de doopsgezinde
literatoren van de 17e eeuw rekenen
Karel van Mander met De gulden
harpe (1605) en de Olijf-bergh (1609),
Joost van den Vondel met o.a. zijn
Boeck der gezangen (1618) tot hij zich tussen 1620 en
1641 tot het katholicisme bekeerde,
Joachim Oudaen met zijn
Uyt-breyding over het boek Jobs (1672), de gebroeders
Dierick en
Jan Philipsz Schabaelje met
rederijkerstoneelstukken, geestelijke liedboeken, het vaak herdrukte
Lusthof des gemoets (1635) en emblemataboeken, en
Jan Luyken met o.a. Jezus en de
ziel (1678). Bekende doopsgezinde boekhandelaren-uitgevers te
Amsterdam waren o.a.
Jan Rieuwertsz en
Jan Theunisz wiens herberg D'os in de
Bruyloft bovendien een doopsgezind-cultureel trefpunt was.
Uit de 18e eeuw dienen genoemd te worden de toneelschrijver
Pieter Langendijkdie ook op zijn naam
heeft staan De Zwitserse eenvoudigheid, klaagende over de bedorven
zeden veeler Hollandse doopsgezinden of weerlooze christenen
(1713),
Betje Wolff en
Aagje Deken en
Adriaan Loosjes wiens vader en oom de
uitgevers waren van de Vaderlandsche Letteroefeningen.
LIT: Laan; Wederdopers, menisten, doopsgezinden in Nederland
1530-1980, o.r.v. S. Groenveld, J.P. Jacobszoon en S.L. Verheus
(19812); P. Visser. Broeders in de geest; de doopsgezinde
bijdragen van Dierick en Jan Philipsz. Schabaelje tot de Nederlandse
stichtelijke literatuur in de zeventiende eeuw, 2 dln. (1988); P. Visser.
Het lied dat nooit verstomde; vier eeuwen doopsgezinde liedboekjes
(1988); P. Visser. ‘“Siet den Oogst is Ryp”; het fonds van de
Waterlands-doopsgezinde boekverkoper Claes Jacobsz. te De Rijp’, in: E.K.
Grootes en J. den Haan (red.). Geschiedenis godsdienst letterkunde;
opstellen aangeboden aan dr. S.B.J. Zilverberg (1989), p. 98-103;
Doopsgezinden en kunst in de zeventiende eeuw, speciaal nr. van
Doopsgezinde Bijdragen, Nieuwe Reeks 16 (1990); P. Visser. Selectieve
bibliografie van publicaties met betrekking tot de geschiedenis van het
doperdom in de Nederlanden verschenen tussen 1975 en 1990 (1991). [P.J.
Verkruijsse]
| |
Doppelweg-structuur of tweefasestructuur
Twaalfde-eeuws structuurprincipe gebaseerd op tweedeling. De weg
die de romanheld aflegt, is opgebouwd uit twee fasen die elkaar weerspiegelen,
van elkaar gescheiden door een scharnierscène. Zo corresponderen in de
Roman d'Eneas de twee fasen met twee verschillende
geliefden. De Doppelweg-structuur is met name door
Chrétien de Troyes toegepast, en
wel in de romans Erec et Enide, Yvain ou Le
Chevalier au Lionen Perceval ou Le Conte du
Graal. Nieuw bij Chrétien is dat hij de tweeledige structuur
heeft aangepast aan het model van de heilsgeschiedenis: de mens waant zich in
het paradijs, maar raakt dat door een zondeval weer kwijt. Een crisis ontstaat,
waarna een lange(re) weg (queeste) naar het ware geluk
volgt. Hierbij overstijgen de lotgevallen van de held zijn daden uit de eerste
fase. Een Middelnederlandse roman met een Doppelweg-structuur is de
Ferguut (ed.
Rombauts e.a., 19822). Met de
komst van de
prozaroman maakte de Doppelweg-structuur
plaats voor het
entrelacement.
LIT: W. Ryding. Structure in medieval narrative (1971);
B.Schmolke-Hasselmann. Der arturische Versroman von Chrestien bis Froissart,
Zur Geschichte einer Gattung (1980); J.D. Janssens. ‘Constanten en
variaties in de Middelnederlandse “episodische” Arturroman’,
in: Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal-
en Letterkunde en Geschiedenis (1981), p. 177-186; R.M.T. Zemel. Op zoek
naar Galiene. Over de Oudfranse Fergus en de Middelnederlandse Ferguut
(1991). [H. Struik]
| |
dorpsnovelle
Novelle waarin het leven van een bepaalde
dorpsgemeenschap wordt beschreven. De dorpsnovelle is een kortere vorm van de
dorpsroman. Als voorbeeld kunnen
J.J. Cremers Betuwsche en
Overbetuwsche novellen (1856, 1871-1872) gelden. Latere voorbeelden
zijn de Sichemse novellen (1921) van
Ernest Claes en de
Dorpsschetsen (1973) van
Eelke de Jong.
LIT: Best; Laan; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
dorpsroman
Roman waarin het leven van een bepaalde dorpsgemeenschap wordt
beschreven. Vaak wordt die gemeenschap getekend rond één centrale
figuur: de dorpspastoor, de arts (Dokter Vlimmen), de
notaris of een andere belangrijke figuur uit het dorp. De dorpsroman en de
dorpsnovelle behoren tot het genre van de
regionale of
streekliteratuur. In de 19e eeuw werd dit
genre onder invloed van de romantiek populair.
Een voorbeeld van een dorpsroman is
A. Coolens Dorp aan de
rivier (1934). Veel dorpsromans worden vanwege hun alledaagse plot
en eenvoudige verteltrant tot de
triviaalliteratuur gerekend. Onder invloed van
de Blut und Boden-theorieën van het fascisme werden veel dorpsromans
(‘Heimatliteratur’) geschreven, waardoor het genre in een kwade
reuk kwam te staan.
LIT: Best; Fowler; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
dossier-1
Term uit de archivistiek voor een reeks archiefbescheiden uit
één archief die zijn ontvangen of opgemaakt bij de behandeling
van één bepaalde zaak. Dit stelsel van dossiervorming is de
grondslag voor de indeling van de archieven volgens het op de
UDC (Universele Decimale Classificatie)
gebaseerde registratuurplan van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
LIT: BDI; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
dossier-2
Buiten de archivistiek - met name in de juridische sfeer - spreekt
men ook van een dossier als daarin stukken van verschillende aard en herkomst
en tot verschillende archieven behorend, verzameld zijn. Men zou bijv. een
dossier-Weinreb kunnen samenstellen met daarin alle polemieken van
W.F. Hermans,
Renate Rubinstein,
Aad Nuis, het Rapport van het
RIOD enz.
LIT: BDI. [P.J. Verkruijsse]
| |
dossierroman
‘Roman’ in de vorm van een dossier, bestaande uit
brieven, verslagen, krantenknipsels, foto's, treinkaartjes en ander
‘bewijsmateriaal’. Dit genre leent zich uitstekend voor de
detectiveroman: de lezer dient zelf de
ontknoping te bedenken die gewoonlijk in een verzegelde envelop is
bijgeleverd.
De dossierroman is bedacht door de Engelse auteur
Dennis Wheatley en de historicus
Joseph Links, eind jaren '30:
Murder off Miami (1936), Who killed Robert
Prentice? (1937), The Malinsay massacre
(1937) en Herewith the clues (1939). De eerste drie
boeken zijn in het Nederlands vertaald, terwijl het genre hier is nagevolgd
door
J.C. van Tetenburg met zijn Het
raadsel van de sterrewacht (eind jaren '30) en
Ton Vervoort met De zaak
Stevens (1967).
Er zijn niet veel dossierromans uitgegeven omdat dergelijke boeken
hoge productiekosten vergen.
LIT: D. Schouten. ‘Een bijzonder genre:
dossier-romans’, in: Boekenpost 5 (1997), mei-juni-nr., p. 10-11;
Bulletin Antiquariaat A.G. van der Steur 2 (nov. 1997), p. 18-19. [P.J.
Verkruijsse]
| |
doubleren of cacheren
Het restaureren van een blad papier of perkament door het aan
weerszijden te beplakken met Japans papier, chifonzijde of goudvlies
(runderblindedarm).
LIT: Hiller; Catalogus Spiegel van behoudenis; restauratie van
archivalia (1973), p. 24, 26-27. [P.J. Verkruijsse]
| |
doublet-1
Rederijkersgedicht, groter dan een
rondeel, van wisselende lengte en met een
variërend rijmschema, opgebouwd uit slechts twee rijmklanken. Voorbeelden
van dit genre kan men vinden in de Const van rhetoriken
(1555) van
Matthijs de Castelein (p. 227-228,
229).
LIT: S.A.P.J.H. Iansen. Verkenningen in Matthijs Casteleins
Const van rhetoriken (1971), p. 120-121. [W. Kuiper]
| |
doublet-2
Term uit de bibliotheek- en archiefwereld waarmee een tweede
exemplaar van een document uit de collectie wordt aangeduid. Vroeger gingen
bibliotheken er regelmatig toe over om doubletten af te stoten vanwege
ruimtegebrek of te ruilen met andere bibliotheken. Sedert de
analytische bibliografie er de aandacht op
heeft gevestigd dat er vaak
varianten kunnen voorkomen in exemplaren van
één druk komt men het stempel ‘Afgeschafte dubbelen’
minder tegen in antiquarisch verhandelde boeken.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
draaiboek
Schriftelijk uitgewerkt
scenario waarin de inhoud en de technische
gegevens voor het opnemen van een film zijn vastgelegd. Het draaiboek bevat een
volgorde van alle spelelementen, aanwijzingen voor de plaats(en) van handeling,
regieaanwijzingen, decors, rekwisieten e.d. Bovendien geeft het draaiboek
aanwijzingen voor de camera-instelling, de belichting en het geluid.
Uitgangspunt voor een draaiboek is vaak een scenario gebaseerd op een reeds
bestaande roman of novelle, zoals bijv. de
adaptatie van
A. Coolens Dorp aan de
rivier (1934) tot de gelijknamige film, of
A. Koolhaas' De nagel achter het
behang (1971) tot Dr. Pulder zaait
papavers.
LIT: Best; Gorp; Metzler; Wilpert; A. Brunel. Filmscript, the
technique of writing for screen (1948); K. Reisz. The technique of
filmediting (1968). [G.J. van Bork]
| |
drama of toneel-1
In feite betekent drama ‘handeling’ en behoort dus
elke handeling die erop gericht is iets (aanschouwelijk) voor te stellen tot
het drama, d.w.z. zowel pantomime, een clownsact, een rollenspel e.d., als een
toneelstuk.
Beckerman (1970, p. 18-19) gebruikt in
dit verband de term ‘imagined act’ of verbeelde of fictieve
handeling, waarbij hij het gesproken woord van de acteur(s) tot de handeling
rekent. Bij hem is het dramabegrip duidelijk ruimer dan binnen de
literatuurwetenschap, omdat daar de tekst van het drama gewoonlijk centraal
staat. Voor de literatuurwetenschap zou men kunnen volstaan met de
omschrijving: tekst bestemd om op het
toneel-3 voor een publiek te worden
opgevoerd door één of meer acteurs. Die opvoeringsgerichtheid van
het drama is een essentieel element bij de analyse van het drama. Een probleem
vormt dan echter het
leesdrama dat door de auteur niet voor
opvoering geschreven is of door de aard van het stuk zelf daarvoor niet
geschikt blijkt te zijn. Het leesdrama wordt, vanwege de zgn. ‘neutrale
presentatie’ (het ontbreken van een vertellende instantie), wel gerekend
tot de
dramatiek, maar men verschilt van mening
over het feit of men in dit geval van een drama kan spreken en of men bijv.
niet veeleer van doen heeft met een specifieke vertelvorm.
Naast de neutrale presentatie behoort de zgn.
vierde-wandfictie tot de specifieke
kenmerken van het drama. Bij de opvoering van het drama gedraagt men zich op
het toneel doorgaans alsof er geen publiek aanwezig is, daarmee de illusie
ophoudend dat het gebeuren op het toneel echt (de werkelijkheid representerend)
is. De enkele keer dat deze vierde-wandfictie doorbroken wordt, ervaart men dat
ook als een doorbreking van die illusie.
Binnen het genre drama maakt men onderscheid in subgenres op grond
van zowel formele kenmerken (bijv.
blijspel - klucht (klucht-1);
eenakter - drama in meer dan
één
bedrijf) als op grond van inhoudelijke
kenmerken (bijv.
tragedie - blijspel;
abel spel -
moraliteit;
ideeëndrama -
karakterdrama -
liturgisch drama e.d.).
De specifieke eigenschappen van het drama en deze subgenres worden
beschreven door de
dramaturgie of de
dramatheorie, terwijl de theaterwetenschap
zich vooral bezighoudt met alle aspecten die tot de opvoering van het drama
behoren: regie, hulpmiddelen, ruimte e.d. De derde component in het
dramaonderzoek is die naar de geschiedenis ervan. Tracht de dramatheorie de
bijzondere en universele eigenschappen van het drama en zijn
subcategorieën op te sporen en te beschrijven, de geschiedenis van het
drama laat zien hoe het drama zich heeft ontwikkeld en welke eigenschappen
ervan in bepaalde perioden prevalent zijn geweest.
Veel eigenschappen die men in het verleden aan het drama heeft
toegekend als specifieke kenmerken ervan, blijken in de praktijk normatief en
bepaald door opvattingen over het toneel binnen een bepaalde periode of
traditie. Voor het
klassieke en
Frans-klassieke drama gold bijv. de
opvatting dat het opgebouwd diende te zijn uit vijf bedrijven die parallel
lopen met de vaste opeenvolging van
expositie,
intrige-2,
climax-2,
catastrofe en
peripetie. Bovendien moest het voldoen aan
de bekende
eenheden van tijd,
plaats en
handeling. Men nam aan dat deze
Aristotelische eenheden tot het wezen van
het drama behoorden. In het
romantisch drama en later bijv. in het
absurdistisch toneel (absurdisme) blijkt dat het drama
heel wel zonder deze vaste normen kan functioneren. Datzelfde geldt voor het
episch drama dat eveneens geen vaste
indeling in bedrijven kent en de Aristotelische eenheden negeert, en dat in
tegenstelling tot het
illusionistisch toneel een bovenpersoonlijk
of anti-individueel standpunt inneemt.
Bijzondere vormen van het drama zijn:
opera,
operette,
musical,
muziekdrama,
poppenspel,
hoorspel,
televisiespel en
commedia dell'arte.
Een Census Nederlands Toneel tot 1803,
Ceneton, is in opbouw inLeiden. Dit
elektronische databestand zal ongeveer 10.000 toneelstukken gaan omvatten.
Ceneton is te raadplegen via het World Wide Web:
http://oasis.leidenuniv/ntl/ceneton.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Bergh; Best; Cuddon; Fowler;
Gorp; HWR; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Preminger; Prince; Scott; Shipley;
Wilpert; J.A. Worp. Geschiedenis van het drama en van het tooneel in
Nederland, 2 dln. (1903-1907); B. Verhagen. Dramaturgie
(19632); G.B. Tennyson. An introduction to drama (1967); J.L.
Styan. The elements of drama (1969); S.W. Dawson. Drama and the
dramatic (1970); B. Beckerman. Dynamics of drama (1970); R.L.
Erenstein. Tekst in ogenschouw (1973); Ton Harmsen. ‘Ceneton,
electronische toneelcatalogus tot 1803’, in: Dokumentaal 24
(1995), p. 130; R.L. Erenstein (red.). Een theatergeschiedenis der
Nederlanden; tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen
(1996). [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]
| |
dramatheorie
Tak van wetenschap die zich als onderdeel van de
literatuurwetenschap bezighoudt met de eigenschappen of constanten die bepalend
zijn voor het
drama als genre en die eigenschappen tracht
te beschrijven en analyseren. Binnen de dramatheorie maakt men onderscheid
tussen dramatheorie in strikte zin, d.w.z. het onderzoek naar het drama als
literaire tekst - als zodanig dus onderdeel van de literatuurwetenschap - en de
theaterwetenschap, die zich speciaal richt op de opvoering, d.w.z. de
toneelvoorstelling en de (technische) hulpmiddelen die de dramaturg ter
beschikking staan om de tekst tot theatergebeuren te maken.
De dramatheorie is descriptief en streeft naar het aanwijzen en
formuleren van ahistorische of universele kenmerken van het drama die blijkbaar
tot de wetmatigheden van het genre behoren. Voorbeelden van zulke universele
eigenschappen van het drama zijn het spelend uitbeelden van de tekst, de
tijd-ruimtelijke beperkingen ervan, de autonomie van de handeling ten opzichte
van bijv. de verteller en de scenische presentatie.
LIT: Bergh; Wilpert; P. Szondi. Theorie des modernen Dramas
(1956); B. Verhagen. Dramaturgie (19632); G.B. Tennyson.
An introduction to drama (1967); J.I.M. van der Kun.
Handelingsaspecten in het drama (19702); S.W. Dawson.
Drama and the dramatic (1970); A. van Kesteren en H. Schmid (red.).
Moderne Dramentheorie (1975); M. Pfister. Das Drama. Theorie und
Analyse (1977); M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissance-toneel
(1991). [G.J. van Bork]
| |
dramatiek
Genreaanduiding voor één van de drie traditioneel
als hoofdindeling gehanteerde klassen van literaire vormen:
lyriek,
epiek en dramatiek. Elk van deze
genrebegrippen wordt gewoonlijk gezien als grondhouding
(‘Naturform’ bij
Goethe) van het menselijk handelen, die
men kan omschrijven d.m.v. de wisselende verhouding van subject en object. In
die verhouding is dramatiek de meest objectieve of neutrale vorm, omdat de
auteur van een dramatische tekst als subject het meest wordt buitengesloten.
Dramatiek ‘toont’ door middel van handelende personages, zonder dat
daarbij een subjectieve verteller is ingeschakeld. Het meest duidelijk is dat
in het drama. Maar ook in andere subgenres is dramatiek denkbaar, terwijl
omgekeerd bij het drama sprake kan zijn van lyrisch of episch drama. Sommige
auteurs zijn dan ook van mening dat dramatiek, evenals lyriek en epiek, een
element kan zijn binnen een subgenre of dat het beter als stijlverschijnsel
(bijv. dramatische stijl) kan worden opgevat.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Gorp; Krywalski; Lodewick; MEW;
Myers/Simms; Wilpert; G. Stuiveling. ‘Hardop denken over het
genrebegrip’, in: Handelingen 26e Filologencongres (1960), p.
66-77; S. Dresden. ‘Het begrip genre’, in: Handelingen 26e
Filologencongres (1960), p. 77-85; E. Staiger. Grundbegriffe der
Poetik (1971); K.H. Hempfer. Gattungstheorie (1973); M. Bal (red.).
Literaire genres en hun gebruik (1981). [G.J. van Bork]
| |
dramatis personae
Letterlijk: personen van de handeling. De personages die in een
toneelstuk door de acteurs worden gespeeld en die met elkaar de handeling
opbouwen. Vaak maakt men onderscheid tussen de held (protagonist), diens tegenspeler (antagonist) en de derde daar tussenin (tritagonist). De meeste toneelschrijvers geven vooraf een
lijst van de dramatis personae (vgl.
Herman Heijermans'
Toneelwerken, 1965).
Soms gebruikt men de term overdrachtelijk voor de belangrijkste
personages in een verhaal of zelfs voor personen in een reële
situatie.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Prince; B.
Verhagen. Dramaturgie (19632), p. 39-50. [G.J. van Bork]
| |
dramatische eenheden zie
Aristotelische eenheden
| |
dramatische ironie
Kennisvoorsprong van de lezer of toeschouwer op grond van gegevens
uit een literair werk ten opzichte van één of meer van de
personages daaruit. Deze kennisvoorsprong is één van de
spanningverwekkende elementen in de literatuur, omdat de lezers of toeschouwers
bepaalde verwachtingen over het verdere verloop of de ontknoping kunnen
koesteren, terwijl ze de personages, die deze kennis nog niet bezitten, in
onwetendheid zien handelen. Men spreekt in dit verband ook wel over
situatie-ironie, in tegenstelling tot verbale ironie.
Een voorbeeld van dramatische ironie vinden we in de
openingsscène van de Spaanschen Brabander van
G.A. Bredero, waarin Robbeknol zijn
diensten aanbiedt aan de ogenschijnlijk welvarende Jerolimo, terwijl het
publiek uit de eraan voorafgaande
monoloog van Jerolimo weet dat hij berooid uit
Antwerpen naar Amsterdam is gekomen.
LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Baldick; Bergh; Boven/Dorleijn;
Cuddon; Fowler; Myers/Simms; Scott; Shipley; F. Brandsma. ‘Si loech
stillekine; dramatische ironie en entrelacement in de
Lancelotcompilatie’, in: Monniken, ridders en zeevaarders. Opstellen
[...] aangeboden aan Maartje Draak (1988), p. 119-140. [G.J. van Bork]
| |
dramatische monoloog
Gedicht waarin een spreker zich in de eerste persoon enkelvoud
richt tot een fictief publiek, soms één zwijgende toehoorder.
Veel Middelnederlandse literatuur, bijv. Dit es de frenesie
(De Middelnederlandse boerden, ed.
Kruyskamp, 1957) kan als zodanig beschouwd
worden. In het Engelse taalgebied komt het genre veelvuldig voor. Het werd
vooral door
Robert Browning geperfectioneerd, o.m. in
zijn Dramatic Idylls (1879). Een Nederlands voorbeeld van
de dramatische monoloog is het gedicht Nederland van
Ed Hoornik (VG, p. 234-235).
LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Prince;
Scott; Wilpert; H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur,
volksfeest en burgermoraal in de late Middeleeuwen (19832), p.
81-86. [G.J. van Bork]
| |
dramatische poëzie
Tekst in verzen bedoeld om op een toneel door één of
meer acteurs voor een publiek opgevoerd te worden. Het Middelnederlands toneel
is uitsluitend in gepaard rijmende verzen geschreven, waarbij de ene
claus doorgaans via het rijm aan de andere
gekoppeld werd. In de renaissance werd het dramavers, gebruikelijk op het
toneel, silbetellend en metrisch. In het klassieke drama was de
alexandrijn algemeen gangbaar, wat samenhing
met de eisen die aan dit ‘verheven’ genre werden gesteld. De
eersteling op Nederlandse bodem opgevoerd, was
P.C. Hoofts Achilles en
Polyxena (tegen 1600), geschreven in zesvoetige jamben en voorzien
van koren. Hoofts invloed op
Vondel blijkt uit diens toepassing van
‘choor’ en ‘Rey’ vanaf Het Pascha
(1610). Ook de klucht (klucht-1) uit de periode van
renaissance en classicisme was in verzen geschreven. Pas in de tweede helft van
de 18e eeuw gaat men toneelstukken in proza schrijven. De romantiek zet deze
tendens voort, wat samenhangt met de neiging van de romanticus in het algemeen
om oude vormen los te laten en nieuwe te creëren. In de 19e eeuw zijn het
Multatuli
(Vorstenschool, 1872) en
Van Eeden (bijv. De
gebroeders, 1894) die het drama in verzen nieuwe impulsen trachtten
te geven, en
Verwey schreef enkele
leesdrama's in verzen, bijv. Jacoba
van Beieren (1902). De dramatische poëzie van de 20e eeuw -
sterk onder invloed van
T.S. Eliot en
Chr. Fry - kent beoefenaren als
H. Roland Holst-van der Schalk,
Schmidt Degener en
J. van Schaik-Willing. Hun stukken
leverden nogal eens praktische problemen op, o.a. verband houdende met de eisen
te stellen aan de
declamatie.
Pogingen van mensen als de dichter
Ed Hoornik om - in het voetspoor van
Nijhoff en
Vasalis - met zijn versdrama's
verandering in de situatie te brengen (De bezoeker, 1953,
Kaïns geslacht en De zeewolf,
1955) zijn niet succesvol geweest. Een van de meest recente oorspronkelijk
Nederlandse drama's in verzen is
G. Komrij's Het chemisch
huwelijk (1982), dat diverse succesvolle opvoeringen beleefde.
LIT: Buddingh'; Laan; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert; P.
Leendertz. Middelnederlandsche dramatische poëzie (1907); B.
Hunningher. Een eeuw Nederlands toneel (1949); B. Stroman. De
Nederlandse toneelschrijfkunst (1973); M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse
renaissance-toneel (1991). [G.J. Vis]
| |
dramatiseren-1
Het bewerken (adaptatie) van een tekst die
oorspronkelijk niet voor film, radio, televisie of toneel geschreven was zodat
hij gebruikt kan worden voor vertoning, opvoering, als
televisie- of als
hoorspel. Sommige auteurs maakten van eigen
prozateksten een film- (scenario) of
toneelbewerking-1:
H. Heijermans bijv. bewerkte zijn schets
Dolle Jan's droom tot het toneelstuk
Uitkomst (1907) en
Hugo Claus zijn novelle
Suiker tot het gelijknamige toneelstuk (1958). Tal van
romans werden gedramatiseerd door televisieregisseurs tot televisiespelen,
bijv.
Louis Couperus' De boeken der
kleine zielen en
H. Teirlincks Maria
Speermalie.
LIT: Best; Cuddon; Metzler; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
dramatiseren-2
Een gegeven (meestal een tekst) aanschouwelijk voorstellen door er
een passende handeling bij te verrichten. In feite dramatiseren de acteurs de
tekst van het drama in de voorstelling. Verwant hiermee is de
declamatie.
LIT: Metzler; B. Beckerman. Dynamics of drama (1970). [G.J.
van Bork]
| |
dramaturgie
Algemene term voor de leer van het
drama, waarin zowel de universele of
ahistorische eigenschappen van het drama worden beschreven (dramatheorie) als de unieke of historische aspecten ervan. De
dramaturgie omvat meestal ook de theaterwetenschap, d.w.z. de kennis van de
speciaal op de materiële vormgeving gerichte eigenschappen van het drama,
zoals regie, ruimte, geluid en belichting.
De term dramaturgie raakt tegenwoordig steeds meer in onbruik
omdat het onderscheid tussen de drie componenten dramatheorie, geschiedenis van
het drama en theaterwetenschap steeds sterker benadrukt wordt.
LIT: Baldick; Bergh; Best; Metzler; Scott; Wilpert; B. Verhagen.
Dramaturgie (19632); A. Perger. Grundlagen der
Dramaturgie (1952). [G.J. van Bork]
| |
drempeldicht of liminaria
Gelegenheidspoëzie, opgenomen in het
voorwerk van een boek, gewoonlijk geschreven op verzoek van de auteur of
uitgever en (mede) dienend ter aanprijzing van de auteur of het desbetreffende
boek. Hoewel in een drempeldicht auteur en werk lof toegezwaaid wordt,
onderscheidt het zich van een
lofdicht door het feit dat dat niet op
verzoek gemaakt hoeft te zijn. Liminaria komen veel voor in de periode van
renaissance en verlichting. Zo gaan aan
Vondels Pascha van
1612 vijf drempeldichten vooraf, o.a. een sonnet van
Bredero, waarvan de laatste zes regels als
volgt luiden:
Kroont Vondels weerdich hooft heyl-graege jongelingen,
Die voor d'onkuysche min het hoochste nut leert singen
Het welc den geest vervreucht met een inwendich juygen,
Het wroecht niet na de daet, als die snoo leugen dichten
Tweesinnich hy verlijct de oud' en nieuw' gheschichten:
Doorleest dit sin-rijc boec het zalt u best ghetuyghen.
(
G.A. Bredero. Verspreid
werk, ed.
Stuiveling, 1986, p. 86).
LIT: G. Stuiveling. ‘Inleiding’, in: G.A. Bredero.
Verspreid werk (1986), p. 28-36. [P.J. Verkruijsse]
| |
driekoningenspel
Vorm van
geestelijk drama dat vanaf de 11e eeuw op 6
januari als voorspel van de mis in de kerk werd opgevoerd. Aanvankelijk bestond
het spel uit de pantomimische voorstelling van het bezoek van de drie koningen
aan de kribbe van Christus en het aanbieden van geschenken. Later werd het
driekoningenspel uitgebreid en met het
kerstspel en met het bijbelverhaal van
Herodes en de kindermoord samengesmolten, zoals in het
liturgisch drama Ordo
Stellae, dat waarschijnlijk rond 1100 geschreven werd door de abt
van Sint-Truiden, Theodoricus.
LIT: Metzler; Wilpert; J. Smits van Waesberghe (ed.). Het grote
Herodespel of Driekoningenspel van Munsterbilsen (1987); J. Nowé.
‘Herodes in Maasland. Das Dreikönig-spiel aus Münsterbilsen als
Drama’, in: Zeitschrift für deutsche Philologie 108 (1989),
p. 50-65; R.L. Erenstein. ‘Het liturgisch drama Ordo Stellae wordt
gekopieerd te Munsterbilsen’, in: id. (red.). Een theatergeschiedenis
der Nederlanden (1996), p. 2-9. [G.J. van Bork]
| |
drinklied
Lied gezongen door een feestend gezelschap bij het uitspreken van
een heilwens, bijv. aan het bruidspaar, vaak door (mannelijk) gezelschap,
bijeengekomen met de uitdrukkelijke bedoeling om stevig alcohol te nuttigen.
Door de eeuwen heen behoorde het drinklied tot het repertoire van studenten,
zoals o.m. blijkt uit het werk van
Aernout van Overbeke (1632-1674). Het
lied heeft de functie het drinken te temporiseren en tot een (vrolijk) sociaal
gebeuren te verheffen, zoals blijkt uit een 14e-eeuws drinklied dat begint met
de regels:
wi willen vroilic leven [...]
(Het oude Nederlandsche lied, ed.
Van Duyse, dl. II, 1905, p.
1386-1387).
Han G. Hoekstra bracht onder de titel
De dorstige dichter (1939) een groot aantal oudere en
moderne drinkliederen bijeen.
LIT: Best; Laan; Lodewick; Wilpert; H. Verstraete. ‘Mr. Fock
en mr. Nout, studentikoze dichters’, in: Proteus 6 (1989-1990) 3,
p. 8-22. [G.J. van Bork]
| |
droomliteratuur
Aanduiding voor die vorm van
onirische taal die bestaat uit het gebruik
van de droom of droomelementen als belangrijke bestanddelen van een literaire
tekst. Men vindt het verschijnsel reeds in de Oudheid, o.a. in
Cicero's Somnium
Scipionis. In de Middeleeuwen werd de droom een geliefd middel in
de
allegorie, zoals bijv. in de
Gruuthuse-gedichten, en de Roman van de roos, van welk
laatste werk grote invloed is uitgegaan. Ook de rederijkers thematiseerden de
droom, bijv.
Anthonis de Roovere's Den droom
van Rovere op die doot van hertoge Kaerle van Borgonnyen saleger
gedachten (ed.
Mak, 1955).
In de renaissance wordt de droom gezien als inspiratiebron voor de
dichter tot het maken van werken van algemeen nut. Zo begint
Karel van Mander zijn De kerck
der deucht (ed.
Miedema/
Spies, 1973) als volgt: ‘Doe eens de
gulde Son de Zee begon te ruymen, (...) nam my den droom te schaeck’. De
droom is ook een belangrijk handelingselement in het renaissancedrama (bijv. de
droom van Badeloch in
Vondels
Gysbrecht en die van
Louise de Coligny in de Oranje-drama's van
Heinsius,
Duym en
Van Hogendorp) en een veelgebruikt thema
in de poëzie (o.a. in het werk van
Huygens).
Theorie en praktijk van de onirische taal namen een hoge vlucht in
de
romantiek, samenhangend met de oplevende
belangstelling voor het irrationele; men denke bijv. aan
Lewis Carroll's Alice in
Wonderland (1865). Het verschijnsel kreeg opnieuw een belangrijke
impuls in het
surrealisme en bij de
Vijftigers, alsmede in de
stream of consciousness-roman. Als 20e-eeuwse
auteurs kunnen in dit verband genoemd worden
Vasalis (‘Tijd’ in
Parken en woestijnen, 1940),
Hamelink (Het plantaardig
bewind, 1964) en
't Hart (De
droomkoningin, 1980).
LIT: Cuddon; Lodewick; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; M.N.J. Poulssen. Onirische taal. Gaston Bachelard's theorieën
over de ‘dromende’ literaire verbeelding, getoetst aan het oeuvre
van William Faulkner (1959); A.P. Braakhuis. ‘Onirische taal’,
in: NTg 60 (1967), p. 401-405; A.C. Spearing. Medieval dream
poetry (1976); L. Strengholt. Dromen is denken. Constantijn Huygens over
dromen en denken en dichten (1977); M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse
renaissancetoneel (1991), 49. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
druk
Bibliografische term voor alle exemplaren van een boek die direct
of indirect (via stereotypie, foto-offset e.d.) afstammen van hetzelfde zetsel
of - bij moderne zetmethoden - van dezelfde film of tape. Men spreekt pas van
een nieuwe druk wanneer meer dan de helft van het zetsel opnieuw gezet is;
zolang de wijzigingen van geringere omvang zijn, kan er sprake zijn van een
herziene, opnieuw herziene, gecorrigeerde of anderszins gewijzigde
herdruk,
oplage,
uitgave of
titeluitgave.
Een correcte bibliografische aanduiding van de druk is
noodzakelijk om die druk te kunnen plaatsen in de tekstgeschiedenis: bij
opnieuw zetten kunnen immers varianten optreden, al of niet intentioneel; bij
gebruik van hetzelfde zetsel zijn eventuele varianten gewoonlijk van
intentionele aard.
De vermeldingen zoals die in de werken zelf aangebracht worden
door de uitgever zijn zelden juist; meestal zijn als zodanig aangeduide
vervolgdrukken geen echte herdrukken, maar nieuwe oplagen of uitgaven. De
teksthistoricus zal door collatie van exemplaren de relatie tussen de
verschillende drukken moeten achterhalen.
Een voorbeeld van onjuiste drukaanduiding vindt men in het
Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde
van
G.P.M. Knuvelder. De 1e druk van Knuvelder
verscheen in 4 delen van 1948 tot 1953. De druk van 1957-1961 noemt zich
terecht ‘tweede, herziene druk’. De 3e (1964) en 4e druk (1967)
zijn nieuwe oplagen van de 2e herziene druk, zodat de ‘vijfde, geheel
herziene druk’ (1970-1976) eigenlijk de 3e druk zou moeten heten, waarvan
intussen weer twee oplagen verschenen zijn, die echter aangeduid worden als
‘zesde druk’ (1976) en ‘zesde-zevende druk’ [sic]
(1978). De drukgeschiedenis van Knuvelders handboek kan dus als volgt genoteerd
worden:
1e dr. 1948-1953
2e herz. dr., 1e opl. 1957-1961
2e opl. 1964
3e opl. 1967
3e herz. dr. 1e opl. 1970-1976
2e opl. 1976
3e opl. 1978.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; LdMA; Mathijsen; MEW;
Scott; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 313-316; F.A. Janssen. Notities bij de aanduiding
van herdrukken, in: Spektator 4 (1974-1975), 5, p. 275-283. [P.J.
Verkruijsse]
| |
drukfout
Een fout ontstaan tijdens het drukproces. Wanneer het insluiten,
het vastzetten van het zetsel, niet goed gebeurd is, kan door de tijdens het
drukken uitgeoefende druk een deel van het zetsel gaan schuiven; er kunnen ook
letters breken. Door verschuiven van het frisket of vouwen in het papier kan
afbijtsel voorkomen; vegen en vlekken kunnen
de tekst onleesbaar maken. De meeste drukfouten worden in een vroeg stadium
hersteld, nl. nadat een
drukproef getrokken is.
Drukfouten moeten dus duidelijk onderscheiden worden van
zetfouten die veroorzaakt worden door een
distributiefout of door een verkeerd grijpen
van de zetter in de letterkast. In boeken treft men vaak een lijst ‘te
verbeteren drukfouten’ (errata) aan; het betreft
hier vrijwel altijd zetfouten.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Mathijsen; Wilpert; W.Gs Hellinga.
Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 152-154. [P.J.
Verkruijsse]
| |
drukgeschiedenis
Term uit de bibliografie en editietechniek voor dat gedeelte van
de
tekstgenese dat zich beperkt tot het stadium
van de tekst in druk, dus zonder de tekst in
manuscript of in
codex. Via systematisch-bibliografisch
onderzoek dienen alle
drukken en
uitgaven van een tekst opgespoord te worden.
Vervolgens moet de graad van
autorisatie worden vastgesteld, waarna vaak
alleen de geautoriseerde drukken in aanmerking komen voor
analytisch-bibliografisch onderzoek op
varianten (correcties op de pers,
cancels) ten behoeve van de samenstelling
van een
ideal copy. De verhouding tussen de drukken
moet in een
stemma aangegeven worden.
LIT: Mathijsen; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 336-338. [P.J. Verkruijsse]
| |
drukkersmerk of uitgeversmerk
Kenmerk in de vorm van een huismerk, monogram of vignet, door
drukkers en uitgevers in een boek afgedrukt om aan te geven door wie het boek
vervaardigd is. Aanvankelijk (bij
incunabelen) is het drukkersmerk samen met
het
impressum achterin te vinden, maar met de
ontwikkeling van de
titelpagina verhuist ook het drukkersmerk
naar voorin het boek, waar het op de titelpagina tussen de tekst van de titel
en impressum tevens een versierende functie heeft. Veel drukkersmerken fungeren
als
emblema: prentje en spreuk zeggen iets over
de drukker-uitgever.
Bekende drukkersmerken zijn de passer van de drukkerij van
Plantijn met de spreuk ‘Labore et
Constantia’ en de vruchtboom met vallende tak en mannenfiguur van de
16e-eeuwse Franse uitgever
Robert Estienne met de spreuk
‘Noli altum sapere’, welk merk via de 17e-eeuwse Elzeviers nog
steeds gebruikt wordt door uitgeverij Elsevier, maar nu met de spreuk
‘Non solus’.
Boeken met een onvolledig of ontbrekend impressum zijn soms via
het drukkersmerk te situeren en dateren, omdat drukkers-uitgevers vaak meer dan
één merk gebruiken wegens slijtage of schade aan een eerder merk,
vooral als het een houtsnede betreft.
Er is nog geen totaaloverzicht van de Nederlandse drukkersmerken;
wel is materiaal in facsimile bijeengebracht in de Bibliotheca
Belgica (1964, dl. 4, p. 66-208), door
J.G.C.A. Briels in zijn
Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers (1974) en
in de Catalogus van de tentoonstelling Gedrukt in
Dordrecht (1966). Veelbelovend is het gebruik van de cd-rom
hierbij, zoals het door de Koninklijke Bibliotheek uitgegeven proefproject
Dutch Printer's Devices (1991), dat met o.a. het materiaal dat de
STCN oplevert, vervolledigd zal worden. De
15e- en 16e-eeuwse drukkersmerken zijn beschreven door
F. Vandeweghe en
B. Op de Beeck in Drukkersmerken
uit de 15de en 16de eeuw binnen de grenzen van het huidige
België (1993).
LIT: BDI; Best; Brongers; Wilpert; A.C. Nielson. Latijnse
zinspreuken op Nederlandse boekwerken (1952); A. Simoni. ‘Bearwood,
Tree, Flatfish & Co.; some punning Dutch devices’, in: Hellinga
Festschrift / feestbundel / mélanges (1980), p. 447-466; K.
Porteman. ‘T'is al goet wat cunste doet. Beschouwingen bij een
drukkersmerk van de gebroeders Van de Venne’, in: Liber amicorum Leon
Voet (1985), p. 329-345; B. van Selm. Alles komt teregt (1991); B.
ten Doeschot. Naamspreuken op uitgeversmerken (1991); P. Davidson.
The vocal forest; a study of the context of three Low Countries printers'
devices of the seventeenth century (1996); L. Schlüter en P. Vinken.
The Elsevier Non solus imprint (1997). [P.J. Verkruijsse]
| |
drukkunst of typografie
Vermenigvuldigingstechniek die bestaat uit het met kracht drukken
van een met inkt ingesmeerde
drukvorm op het te bedrukken materiaal
(meestal
papier, maar soms ook
perkament of zijde). Reeds in de 8e en 9e
eeuw werden in Japan en China teksten vermenigvuldigd
via houtblokken. Het drukken met losse houten karakters dateert uit het
11e-eeuwse China; losse metalen stempels waren in de 15e eeuw in
Korea in gebruik. In diezelfde eeuw dringt de kennis van de
drukkunst door in Europa, eerst weer in de vorm van
blokboeken die tot stand komen doordat een
gehele
bladzijde in een houtblok wordt uitgesneden,
vervolgens ook met behulp van losse houten en later metalen letters.
De (her)uitvinding van de losse gegoten loden
letter door
Johannes Gutenbergbetekende rond het
midden van de 15e eeuw voor de van het alfabetisch schrift gebruik makende
westerse wereld een revolutie. De losse letterstaafjes konden na gebruik steeds
weer opnieuw gebruikt worden zodat het mechanisch vermenigvuldigen
(‘artificialiter scribere’) van teksten commercieel aantrekkelijk
werd. Het handgeschreven boek verdween: de voor publicatie bedoelde
codex maakt plaats voor het uitsluitend als
kopij voor de zetter bestemde
manuscript. Een veel grotere
oplage van in principe identieke teksten
(met de tijdens het drukproces optredende fouten en de implicaties daarvan voor
de tekst houdt de
analytische bibliografie zich bezig)
betekent een mogelijkheid tot verspreiding van kennis en ideeën op grote
schaal: de culturele beweging van de
renaissance en de godsdienstige van de
hervorming maken gebruik van de nieuwe uitvinding.
De eerste drukkers, Gutenberg en diens medewerkers
Fust en
Schöffer, drukken in de jaren '50
van de 15e eeuw de zgn. 42-regelige bijbel en het Mainzer Psalterium. In de
jaren '60 dringt de boekdrukkunst door in Italië en
deNederlanden; in 1470 wordt er gedrukt in Parijs. De
voortbrengselen van de
prototypografie zijn fragmentarisch bewaard
en ongedateerd. In de tijd van de
incunabelen (tot en met 1500) en
postincunabelen (tot en met 1540) is de
ontwikkeling waar te nemen van nabootsing van de codex tot een boek met alle nu
nog bekende onderdelen (paginering,
kopregels,
colofon,
titelpagina,
voorwerk,
index-1). De invoering van de ijzeren
handpers rond 1825 en enige tijd later die van de cilinderpers beëindigt
de handpersperiode, maar betekent in principe weinig wijziging in de techniek
van het drukken. De uitvinding van de gietmachine rond 1850 en van de
zetmachine aan het eind van de 19e eeuw brengt grotere wijzigingen in de
drukkerij. Revolutionair echter zijn de toepassing van fotozetten en
elektronisch zetten vanaf ongeveer 1960: dit betekent het afschaffen van de
loden letter. Met de opkomst van de computer en tekstverwerkings- en
DeskTop Publishing-programma's wordt gaandeweg ook de
zetter overbodig: de auteur levert de kopij op diskette direct aan de grafisch
ontwerper voor de
lay-out.
Hoogdruk en
diepdruk zijn verdrongen door
fotolitho-offset (vlakdruk). Alleen op de
private press wordt het oude handwerk nog
beoefend ten behoeve van
bibliofiele uitgaven.
In de Nederlanden zijn de oudst gedateerde boeken gedrukt in
Utrecht door
Nicolaus Ketelaer en
Gherardus de Leempt (1473) en
inAalst door
Dirk Martens en
Johan van Westfalen (1473).
William Caxton en
Colard Mansion hadden een werkplaats in
Brugge;
Johan Veldener drukte
inLeuven (1475), Utrecht (1478) en nogmaals Leuven
(1484). InBrussel richtten de Broeders des Gemenen Levens een
werkplaats in. Vanaf 1477 is er gedrukt in Gouda door
Gheraert Leeu en in
Delftdoor
Jacob Jacobszoon van der Meer en
Mauricius Yemantszoon, vanaf 1481 in
Antwerpen door
Mathias van der Goes, vanaf 1477
inDeventer door
Richard Pafraet. Een bekende
incunabeldrukker is ook
Jacob Bellaert.
Na de schitterende typografische prestaties van
Aldus Manutius
inVenetië,
Johann Froben in Bazel en
de Etiennes inParijs verplaatst het zwaartepunt zich in de 16e
eeuw naar Antwerpen waar tal van drukkers werkzaam zijn.
Christoffel Plantin sticht daar een voor
die tijd uiterst modern drukkersbedrijf, dat nu als Museum Plantin-Moretus nog
steeds indruk maakt. In de 17e en 18e eeuw is Amsterdam het
belangrijkste drukkerscentrum ter wereld: de drukkerijen van
Blaeu en
Janssonius produceren kwalitatief
hoogstaand drukwerk, evenals het Leidse bedrijf van de Elseviers. Vanaf de 18e
eeuw heeft het huis Enschedé in Haarlem een uitstekende
reputatie opgebouwd, waarvan de getuigenissen zichtbaar zijn in het Museum
Enschedé. Een schitterende collectie modern typografisch materiaal is
bijeengebracht in Den Haag in het Museum van het Boek, toegevoegd
aan het Museum Meermanno-Westreenianum dat al in het bezit was van een
verzameling codices en oude gedrukte werken.
LIT: Baldick; BDI; Best; Hiller; Krywalski; Laan; Metzler; MEW;
Scott; Wilpert; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962);
H.D.L. Vervliet. Annual bibliography of the history of the printed book and
libraries (jaarlijks vanaf 1970); L. Febvre en H.-J. Martin.
L'apparition du livre (19712); De vijfhonderdste verjaring
van de boekdrukkunst in de Nederlanden (1973); S.H. Steinberg. Five
hundred years of printing (19743); Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742); E.L. Eisenstein. The
printing press as an agent of change, 2 dln. (1979); Boeken in
Nederland; vijfhonderd jaar schrijven, drukken, en uitgeven (1979);
Museum der Bücher, ed. H.A. Halbey (1986); F.A. Janssen. Zetten
en drukken in de achttiende eeuw (19862). [P.J. Verkruijsse]
| |
drukpers
Machine voor het vervaardigen van drukwerk. Vanaf de 15e tot de
18e eeuw was de pers van hout en werd met de hand bediend. De constructie van
de ijzeren handpers begin 19e eeuw (de Stanhope-pers) had als voordeel dat een
gehele drukvorm (binnenvorm,
buitenvorm) in één trek
vervaardigd kon worden en niet meer in twee halen afgedrukt moest worden: dit
betekende dus een grotere productiviteit. De machinale degelpers is tot op
heden in gebruik gebleven.
Eveneens begin 19e eeuw doet de snelpers zijn intrede. Deze door
stoomkracht aangedreven cilinderpers betekent een grote omwenteling voor de
werkwijze in de drukkerij die vier eeuwen lang nauwelijks gewijzigd was: door
de veel snellere werking van de machinepers komen
correcties op de pers niet meer zo vaak
voor. Hoewel de gehele
oplage in principe in één keer
afgedrukt wordt, blijkt
collationeren van exemplaren binnen
één
druk voor boeken van na ± 1800 soms
toch varianten op te leveren. De nieuwste drukmethoden via foto-offset-platen
laten ook weer gemakkelijk wijzigingen toe bij het vervaardigen van nieuwe
oplagen zonder dat dit altijd naar behoren verantwoord wordt.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 118-124, 189-190, 198-200, 251-258;
F.A. Janssen. Over houten drukpersen (1977); F.A. Janssen. ‘Eine
Notiz über die sogenannte Bleau-presse’, in:
Gutenberg-Jahrbuch 1977, p. 155-159; Cornelis Schook. Handboekje voor
letterzetters, boekdrukkers en correctors, 1854 & 1860, ed. F.A.
Janssen (1981), p. *15-*23, 180-183, 214-223; F.A. Janssen. Zetten en
drukken in de 18e eeuw (1982), p. 74-80, 325-333; A. Kets-Vree. ‘Een
onbekende druk van “Max Havelaar” uit de negentiende eeuw’,
in: NTg 78 (1985), p. 330-340; A. Kets. ‘De drukgeschiedenis van
Klikspaans Studenten-typen: aanpak en resultaten’, in: De
Boekenwereld 12 (1996), p. 198-208. [P.J. Verkruijsse]
| |
drukproef
Een proefvel, bestemd voor de corrector of de auteur om er de
zetfouten door middel van
correctietekens op aan te geven. De
drukfouten waren meestal na de
proefdruk al door de zetter of drukker
gecorrigeerd. Na correctie door de zetter kunnen er één of meer
revisies volgen om te zien of de zetfouten goed gecorrigeerd zijn. Vroeger
gebeurde het corrigeren vaak zonder dat de kopij beschikbaar was; dat leidde
soms tot onterechte correcties (‘Verschlimmbesserungen’). Een
drukproef is te herkennen aan het voorkomen van correctietekens. Vanaf de 19e
eeuw wordt ook gewerkt met drukproeven van zetsel dat nog niet opgemaakt was,
de zogenaamde galeiproeven of strokenproeven. Bij
offset heet de laatste proef
ozalidproef.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Feather; Mathijsen; W.Gs Hellinga.
Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 145-151; Ph. Gaskell. A
new introduction to bibliography (19742), p. 110-116, 351-353.
[P.J. Verkruijsse]
| |
drukvorm
Druktechnische term voor het zetsel waarmee één
zijde van het
vel bedrukt wordt. De
binnenvorm, die meestal het eerst klaar is,
levert de
schoondruk; de
buitenvorm geeft de
weerdruk.
LIT: BDI; Feather; Hiller; Scott. [P.J. Verkruijsse]
| |
dubbelblad, bifolium of diploma
Term uit de codicologie voor een vel papier of perkament dat
éénmaal, over de korte kant, gevouwen is. Normaliter vormt een
dubbelblad samen met drie, vier, soms vijf dubbelbladen een
katern.
LIT: BDI; LdMA; W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Kroniek
van codicologie en filologie V’, in: SpL (1961), p. 300-307; VIII,
in: SpL (1962-1963), p. 210-215. [W. Kuiper]
| |
dubbelrijm
Term uit de versleer ter aanduiding van die vorm van
eindrijm waarbij
rijmvrager en
rijmgever meer syllaben omvatten, waarvan er
twee beklemtoond zijn, zoals in:
Je bent een sombre zónder líng!
Je bent een hypo chónder líng -
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 70).
LIT: Alphen; Baldick; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Bronzwaer;
Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley. [G.J.
Vis]
| |
dubbelzinnigheid
Een van de vormen van
ambiguïteit of meerduidigheid van een
taaluiting, waarbij het in dit geval gaat om twee mogelijke betekenissen. Een
voorbeeld van dit type dubbelzinnigheid is te vinden in het volgende sneldicht
van
Huygens:
Pier schonk zijn wilde wijf een klink drie vier om niet;
de buurt stond overend en bad hem dat hij 't liet.
Zoet, vrienden, zei hij, zoet, 'k heb kwalijk half gedaan:
z'is onder mijn bewind, ik moet er acht op slaan.
(Dichten op de knie, ed.
Hellinga, 1956, p. 154).
Vaak ontstaat dubbelzinnigheid door homonymie (homoniem).
Soms gebruikt men de term voor een uitlating met een scabreuze of
erotische bijbedoeling. De dubbelzinnigheid is verwant aan de
woordspeling en het
woordenspel.
[G.J. van Bork]
| |
dubitatio
Term uit de retorica voor het in vraagvorm uiten van twijfel om
aan geloofwaardigheid te winnen. Een soortgelijk effect heeft de korte, bondige
uitroep, de
exclamatio.
Het begin van
J. van den Vondels
Roskam (1630) heeft de vorm van een dubitatio:
Hoe koomt, doorluchte Drost, dat elck van Godsdienst roemt,
En onrecht en geweld met desen naem verbloemt?
(WB.-ed., dl. 3, 1929, p. 300).
LIT: Best; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Metzler; Ueding; Wilpert.
[P.J. Verkruijsse]
| |
dubium of res dubia
Term uit de retorica voor een omstreden zaak die in het kader van
de
inventio als eerste taak van de redenaar
verwoord moet worden in de
quaestio, het vraagstuk. Het publiek kan
zich actief met een oordeel of een beslissing met de zaak bezighouden. Het
dubium komt vooral voor in het
genus iudiciale en het
genus deliberativum.
Zo opent
E.K. Grootes zijn inaugurele rede,
Literatuur-historie en Cats' visie op de jeugd (1980),
met de zin:
Als uitgangspunt voor mijn betoog kies ik een herkenbare
menselijke situatie, zoals die wordt geschetst in één van de
werken van Jacob Cats
en na het citeren van het voorbeeld stelt
Grootes:
De vraag is nu: is de mogelijkheid tot herkenning die ik
suggereerde, werkelijk aanwezig?
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
ductus
Term uit de paleografie voor schrijfbeweging. Het schrift, datgene
wat op de schriftdrager terechtkomt, is het resultaat van een beweging.
Afhankelijk van de aard van het materiaal (soort pen, soort materiaal waarop
geschreven wordt) en van de schrijfhouding kunnen lettervormen sterk afwijken,
hoewel er eenzelfde schrijfbeweging aan ten grondslag ligt. Het trachten te
herkennen van de ductus achter aanvankelijk onleesbaar schrift kan uiteindelijk
leiden tot ontcijfering.
De ductustheorie is geformuleerd door de Franse epigraficus
Mallon en door hem gedemonstreerd in
twee films: ‘La Lettre’ uit 1937 en ‘Ductus. La formation de
l'alphabet moderne’ van 1976.
LIT: Hiller; J. Mallon. Paléographie romaine (1952).
[P.J. Verkruijsse]
| |
Duitse komma
Interpunctieteken in de vorm van een ‘/’, deel
uitmakend van de Oudhollandse drukletter, met ongeveer dezelfde functie als de
moderne komma. De Duitse komma is de voortzetting in druk van de
virgula.
Onder invloed van de Anglo-Amerikaanse terminologie die in de
automatisering gebruikelijk is, gebruikt men tegenwoordig vaak de term
‘slash’; het teken ‘\’ is de backslash.
LIT: J.M. van der Horst. Redactiewijzer. Praktische handleiding
voor het taalkundig en typografisch verzorgen van teksten (1993), p.
132-133. [H. Struik]
| | | |
duodecimo
Term uit de bibliografie voor een
formaat dat normaliter verkregen wordt door
de 24 pagina's uit de beide
drukvormen zodanig te plaatsen, dat na het
afsnijden van 1/3 van het bedrukte
vel één
octavo-katern ontstaat, waarna de resterende
strook met twee maal vier pagina's tweemaal gevouwen wordt en gelegd in het op
de wijze van een octavo-katern gevouwen gedeelte van het
vel.
Een duodecimo-katern (gewoonlijk aangeduid als
‘120’) bestaat dus uit 12
bladen-2 of 24
bladzijden. Er zijn nog andere manieren om
een 120-vel
op te maken. Bij overlangse plaatsing van de
pagina's hoeft er niet gesneden te worden, alleen gevouwen. Het afgesneden
derde deel van een normaal 120-vel kan ook met andere
katernsignatuur na het octavo-deel gebonden
worden (120-in-achten-en-vieren of 120-in-8-en-4) en ook
is een 120-in-zessen (120-in-6) mogelijk met tweemaal
snijden.
Behalve bij overlangse plaatsing lopen de
kettinglijnen in een 120-formaat
horizontaal; het
watermerk bevindt zich bij overlangs
120 in de bovenmarge van twee bladen en bij normaal 120
in de bovenste helft van de binnenmarge.
LIT: Baldick; BDI; Brongers; Feather; Hiller; Wilpert; P.M. van
Cleef. Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A.
Janssen (1974), p. 89-93; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 84-107. [P.J. Verkruijsse]
| |
duratieve anachronie
Vorm van tijdsafwijking (anachronie) in de
vertelwijze waarbij van een bepaalde tijdsduur sprake is. De duratieve
anachronie staat tegenover de
punctuele anachronie, waarbij slechts
één moment uit het verleden of de toekomst wordt opgeroepen. Een
voorbeeld van duratieve anachronie kan men vinden in
Oek de Jongs Opwaaiende
zomerjurken (1979) in een paragraaf over de jeugd van de
hoofdpersoon, terwijl deze inmiddels volwassen is geworden (p. 260-262). Een
ander duidelijk voorbeeld ervan treft men aan in
Couperus' Van oude menschen de
dingen die voorbij gaan (1906) waar de hoofdpersonen geconfronteerd
worden met hun herinneringen aan de moord en hun wroeging.
LIT: Bal. [G.J. van Bork]
| | | |
duvelrije of duivelspel
Scènes in het laatmiddeleeuwse toneel, bijvoorbeeld in het
mirakelspel, waarin duivels een rol spelen
om de mens tot het kwaad te verleiden. Doorgaans gaat het om sterk komische
taferelen waarin deze duiveltjes een mislukte poging doen om zieltjes voor hun
baas Lucifer te winnen en daarbij boertige en scabreuze taal uitslaan.
Deze duivelscènes hebben vaak tevens de functie om
verplaatsingen van de toneellocatie te begeleiden en de ontwikkelingen op het
toneel te verlevendigen, bijvoorbeeld omdat ze een publieksfunctie hebben. Ze
zijn in die zin vergelijkbaar met de
zinnekens. Duvelrijen of duivelspelen komen
onder meer voor in de Spiegel der minnen (ca. 1470) van
Colijn van Rijssele en in Vanden
heilighen sacramente vander Nyeuwervaert (1500) van
Jan Smeken.
LIT: Buddingh'; Laan; Wilpert; H. Pleij. ‘Spectaculaire
duivelscènes domineren de opvoering van het mirakelspel Vanden heilighen
sacramente vander Nyeuwervaert in Breda’, in: R.L. Erenstein (red.).
Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996), p. 64-69. [G.J. van
Bork]
| |
dynamisch accent, intensiteitsaccent of
sterkteaccent
Term uit de prosodie ter aanduiding van de prominentie van de
klank van een syllabe ten opzichte van de omringende syllaben ten gevolge van
de extra luidheid ervan. Het is discutabel of deze vorm van prominentie
voornamelijk van fysische aard is, dan wel van psychologische aard. Wel is het
zeker dat dynamisch accent in het spreken veelal gepaard gaat met verlenging
van de syllabe (kwantiteitsaccent) en verhoging van de
toon (melodisch accent) ervan.
LIT: Dupriez-2; Marouzeau; Morier; Wilpert; G.E. Booij e.a.
Lexicon van de taalwetenschap (19802). [G.J. Vis]
| |
dynamisch vers
Aanduiding voor een gedicht met een
vrij vers-2 als opbouwprincipe, zonder
rijmschema en met ongelijke strofebouw. Het werd vooral in het
modernisme veelvuldig beoefend, alsook door
de Vijftigers en Zestigers. Een van de eerste voorbeelden vindt men bij
Gorter. In het laatste gedeelte van het
lange gedicht ‘Lucifer’ gaat hij, na eerst het metrische vers
gehanteerd te hebben, over op het dynamische vers:
De eeuwen die geweest zijn
de oude reuzen over zee geweken
(
H. Gorter. Verzamelde lyriek tot
1905, 19772, p. 41).
Van Ostaijen past het
procédé vaak toe, zoals in het volgende
‘Gedicht’:
Snijd van de struik de seringen
stel de bloemen in een aarden vaas
Zoals de aarden vaas draagt
glad juweel van geworden kennis
van zijn kleien oorsprong de herinnering
sluit gij met het laatste doen van uw handen uw verlangen
in de vereniging van de bloem met de aarden vaas.
(
P. van Ostaijen. VW,
Poëzie, dl. 2, 1979, p. 226).
LIT: Gorp; Lodewick. [G.J. Vis]
| |
dysfemisme
Term uit de stijlleer voor de omschrijving van een zaak waarbij de
negatieve kanten ervan benadrukt worden, bijv. ‘stinkhok’ voor
‘toilet’.
LIT: Cuddon; Shipley. [G.J. Vis]
| |
dystopie
Het tegengestelde van de utopie, d.w.z. een tekst waarin weliswaar
een toekomstbeeld gegeven wordt, maar dat van de utopie verschilt door het
negatieve beeld dat van die toekomst wordt geschilderd. Als voorbeeld van een
dystopie kan gelden
George Orwells Nineteen
eighty-four (1949). Als Nederlands voorbeeld wordt wel
Blokken (1931) van
F. Bordewijk genoemd.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp. [G.J. van Bork]
|
|
|