|
|
|
| |
U
| |
ubi?
Aanduiding uit de bibliografie waarmee men aangeeft dat de
verblijfplaats van het beschreven handschrift of boek onbekend is. Zo beschreef
M.E. Kronenberg in 1925 de verdwijning
van het bij
Thomas van der Noot uitgegeven
De loose vossen der werelt (1517) dat in de Preussischer
Staatsbibliotheek zou moeten berusten. Na de Tweede Wereldoorlog werd het boek
teruggevonden door
P. Franssen in de Biblioteka Jagielloska
Pracownia in Krakow.
LIT: M.E. Kronenberg. ‘De loose vossen der werelt (Brussel,
1517)’, in: Het Boek (2e reeks) 14 (1925), p. 321-333. [Saskia
Raue]
| |
ubi sunt?
Thema uit de letterkunde van de late Middeleeuwen dat zijn naam
ontleent aan de beginregels van de 13e-eeuwse Latijnse hymne De contemptu
mundi (Over de verachting van de wereld): ‘Ubi sunt qui ante nos in
hoc mundo vixere?’ of ‘Waar zijn zij die vóór ons op
deze wereld geleefd hebben?’ Het thema is eeuwenlang in zwang gebleven,
vgl. bijv.
Thomas a Kempis, De imitatione
Christi, I.3: ‘Dic mihi ubi sunt modo omnes illi domini et
magistri quos bene novisti dum adhuc viverent et studiis florerent?’, dat
in de Middelnederlandse vertaling (ed.
De Bruin, 1954) luidt: ‘Seg my, waer
sijn nu die heren ende die meesters die du wel kendes doe si leefden ende
bloeyden in haren consten?’.
Het ubi sunt-thema is nauw verwant met het
vanitas- en
vado mori-thema. De wereldverzaking is
echter een andere dan die in de
ars moriendi. Laatstgenoemde is zuiver
religieus, het ubi sunt-thema meer filosofisch. Als Middelnederlandse literaire
representanten kunnen worden beschouwd het Refreyn vander
doet van
Anthonis de Roovere (ed.
Mak, 1955), met daarin de kenmerkende
regels:
Waer is Alexander de groote bevaren// nu
Die Heere der werelt is ghenaempt
en het ‘Exempel van den spieghel des verstans doir die
doot’ in: Thomas van der Noots 't Paleertsel ende den triumphe der
vrouwen (1514).
LIT: Baldick; Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; D.Th. Enklaar. De dodendans (1950); H. Pleij. Het gilde van
de Blauwe Schuit (19832), p. 170-174. [W. Kuiper]
| |
UDC
Letterwoord uit de bibliotheekwereld voor Universele
Decimale Classificatie, een decimaal systeem dat alle publicaties
(bibliografie,
documentatie) indeelt in tien hoofdklassen,
iedere hoofdklasse in maximaal tien subklassen, elke subklasse weer in maximaal
tien subsubklassen enz. De UDC is gebaseerd op de DDC, de Dewey
Decimal Classification, in 1876 ontworpen door de Amerikaanse
bibliothecaris Melvil Dewey. De transformatie van DDC naar UDC vond plaats in
het Institut International de Bibliographie van
Paul Otlet en
Henri LaFontaine: Manuel du
répertoire bibliographique universel (1907). In de periode 1927-1931
verscheen de tweede, complete, internationale uitgave onder de titel
Classification décimale universelle die de basis is geworden voor
alle latere uitgaven. Aanpassingen aan en wijzigingen in het systeem worden
geregeld door de Centrale Classificatie Commissie (CCC) van de
Fédération Internationale de Documentation (FID) in Den
Haag.
De UDC maakt het mogelijk door middel van hulpgetallen en
interpunctie verschillende begrippen vergaand te detailleren en aan elkaar te
koppelen. De hoofdindeling is als volgt: 0 algemene werken; 1 filosofie; 2
religie, theologie; 3 maatschappijwetenschappen, sociologie, recht, bestuur; 4
taalwetenschap, filologie; 5 zuivere wetenschappen, natuurwetenschappen; 6
toegepaste wetenschappen, geneeskunde, techniek; 7 recreatie, kunstnijverheid,
muziek, spel, sport; 8 letterkunde, literatuur; 9 aardrijkskunde, biografie,
geschiedenis. Door middel van symbolen kunnen hulptabellen betreffende taal
(nl. het symbool =...), vorm ((0...)), plaats ((1...) (9...)), etnische
groeperingen ((=...)) en tijd (“...”) gespecificeerd worden.
De 82/89-rubriek van de UDC betreft de letterkunde. Daarbinnen
geeft 82-1 t/m 82-9 een genre-indeling (82-1 dichtkunst, 82-2 dramatische
werken, 82-3 proza-fictie enz.). De werken van afzonderlijke auteurs worden
aangegeven met hun beginletters na 82., bijv. 82.VON voor Vondel. Met 820 t/m
899 worden de afzonderlijke taalgebieden aangeduid: 839.31 is Nederlandse en
839.32 Vlaamse literatuur.
In veel bibliotheken en documentatie-instituten wordt gebruik
gemaakt van de UDC of een aangepaste versie daarvan. Het gebruik van UDC-bibliotheeksignaturen heeft als belangrijk voordeel boven een
kast-plank-signatuur dat bij uitbreiding van de bibliotheek niet omgesigneerd
hoeft te worden; het nadeel van UDC-signaturen voor de gebruiker is dat ze door
hun lengte en interpunctie moeilijk te hanteren zijn. De UDC-code wordt vaak
vermeld bij de bibliografische gegevens op de verso-zijde van het
titelblad, bijv. bij
W.A. Ornée. Van Bredero
tot Langendyk. Een bloemlezing uit de Nederlandse kluchten van het begin van de
zeventiende eeuw tot 1730 (1985) hoort als UDC-codering:
82-2=293"16/1730";
D. Otten. Geschiedenis van de
familienamen in Heerde (1985) heeft code:
929.52:801.313.2(492*8180)“1330/1830”.
LIT: BDI; Brongers; P.S.A. Groot. Documentaire
dienstverlening (1981), p. 51-54; P. Schneiders. De bibliotheek- en
documentatiebeweging 1880-1914; bibliografische ondernemingen rond 1900
(1982); Universele Decimale Classificatie. Tabellen (15e dr. 1985 met
regelmatige Aanpassingen); A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (19953). [P.J. Verkruijsse]
| |
Überbietungstopos
Formulering waarmee een auteur of verteller een personage, object
of gebeurtenis als absoluut onovertroffen aanbiedt. Men treft dit
topos met grote regelmaat aan in
middeleeuwse romans bij het beschrijven van iemands uiterlijk schoon, een
tweegevecht of een kostbaarheid. Om aan te geven hoeveel eer Ferguut bewezen
wordt als hij het hof van Artur verlaat op zoek naar de zwarte ridder, wordt
ons verteld:
Men sach in sconinx hof nemmere
Enen vremden ridder doen meere ere.
(Ferguut, ed.
Rombauts, 19822, vss.
1085-1086).
LIT: E.R. Curtius. Europäische Literatur und lateinisches
Mittelalter (19532); l. Arbusov. Colores rhetorici
(19632). [W. Kuiper]
| |
UGI
Letterwoord uit de bibliotheekwereld voor Uniforme
Genre-Indeling, een decimaal systeem voor de indeling van
publicaties naar hun genre, ontworpen door de Stichting Speurwerk betreffende
het Boek. In 1985 werd een voorstel gedaan voor een codering met vier cijfers,
aangeduid als
NUGI (Nederlandse Uniforme
Genre Indeling), maar dit voorstel werd kort daarop teruggedraaid
ten gunste van een driecijferige code. De UGI-codering wordt vaak aangebracht
bij de bibliografische gegevens op de verso-zijde van het
titelblad. De 400-rubriek van de UGI betreft
literatuur; de 500-rubriek bevat de geschiedenis; de 900-rubriek de non-fictie
enz. Onderverdelingen geven de subgenres aan, bijv. 410 de literaire romans,
verhalen en novellen, 413 gedichten, 416 toneel, 460 streekromans, 610
reisbeschrijvingen, 910 literaire non-fictie enz.
Veel publicaties krijgen meer dan één UGI-code omdat
ze in verschillende genres vallen, bijv.
W.A. Ornée. Van Bredero
tot Langendyk. Een bloemlezing uit de Nederlandse kluchten van het begin van de
zeventiende eeuw tot 1730 (1985) krijgt de volgende UGI-coderingen:
416-499-580 voor respectievelijk toneel, overige fictie en kunst, muziek,
ballet, toneel, filmkunst, schilderkunst en architectuur; bij
D. Otten. Geschiedenis van de
familienamen in Heerde (1985) horen de coderingen 515-520-770 voor
respectievelijk landen/volkeren/steden, kultuurgeschiedenis/archeologie,
overige naslagwerken met encyclopedisch karakter.
LIT: Stichting Speurwerk. Schets van een volledig herziene
Uniforme Genre Indeling voor uitgeefprodukten (1985). [P.J.
Verkruijsse]
| |
uitdrukking zie
expressie
| |
uitdrijven
Druktechnische term voor het door middel van spaties tussen de
woorden opnieuw
uitvullen van een regel zetsel wanneer
blijkt dat de tekst niet goed uitkomt aan het eind van een pagina of alinea of
wanneer als gevolg van correctie van een
drukproef of door een
correctie op de pers tekst geschrapt is.
In het laatste geval kunnen in de definitieve tekst zulke passages
dan opvallen door meer spatie dan in de omringende tekst. Vaak echter kan een
zetter uit de periode van de handpers ook door wijzigingen in de spelling het
probleem van het uitdrijven ondervangen (bijv. door een slot-‘n’ te
plaatsen in plaats van een afbrekingsstreepje boven de voorafgaande klinker).
Het tegenovergestelde procédé heet
inwinnen.
LIT: BDI; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de
Nederlanden (1962), p. 112-113, 131-132; Ph. Gaskell. A new introduction
to bibliography (19742), p. 45-46. [P.J. Verkruijsse]
| |
uitgave
Bibliografische term voor de presentatievorm van een aantal
exemplaren binnen een
druk of
oplage. Het betreft hier exemplaren op luxe
papier of met luxe band die naast exemplaren op gewoon papier en met gewone
band verschijnen, of exemplaren op groot, respectievelijk op klein papier. Een
bijzondere vorm is de
titeluitgave, waarbij hetzelfde werk
voorzien wordt van een nieuwe titelpagina.
Het bestaan van meer uitgaven van een druk of oplage wordt
gewoonlijk in het
colofon vermeld, bijv. in het eerste deel
van de jongste Bredero-editie, Rodd'rick ende Alphonsus
(1968):
De oplaag bedraagt 565 exemplaren, waarvan 65 gedrukt werden op
Oudhollands papier en genummerd 1-65.
Het gebruik van de term ‘uitgave’ voor een
teksteditie is niet aan te bevelen: een
uitgave is het resultaat van de activiteiten van een (commercieel) uitgever;
een editie van die van een editeur.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; MEW; Scott; Ph.
Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p.
313-316; F.A. Janssen. ‘Notities bij de aanduiding van herdrukken’,
in: Spektator 4 (1974-1975) 5, p. 275-283. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
uitgeversmerk zie
drukkersmerk
| |
uitgeversreeks
Een in principe oneindige reeks werken van verschillende auteurs
die onder een reekstitel bij een bepaalde
uitgeverij worden uitgegeven. In veel
gevallen betreft het
primaire literatuur, in tegenstelling tot
werken in een
redactiereeks, waarin veelal
secundaire literatuur en
tekstedities onder redactiebegeleiding
worden uitgegeven. In de reekstitel komt vaak het woord
‘bibliotheek’ voor (bibliotheek-2).
Enkele uitgeversreeksen op het gebied van de neerlandistiek waren,
respectievelijk zijn: de Ooievaar-pockets van uitgeverij Bert Bakker, de
Salamander-pockets van Em. Querido, de Witte Olifant van Van
Oorschot, maar ook de Bibliotheca Bibliographica Neerlandica (BBN) van
De Graaf.
LIT: BDI; Regels voor de titelbeschrijving
(196811), p. 31-32. [P.J. Verkruijsse]
| |
uitgeverij of uitgever
Onderneming die winst maakt door het produceren en verkopen van
teksten in gedrukte vorm via boekhandel, kiosk, warenhuis e.d. In de moderne
uitgeverij kunnen dat ook digitale uitgaven zijn. Een uitgever zorgt voor het
verwerven van teksten in de vorm van
kopij die hij vervolgens laat drukken. De
uitgeverij bepaalt de vorm en de oplage van boeken, brochures, pamfletten etc.
die ze op de markt brengt. Daartoe hebben ze ontwerpers en correctoren in
dienst, evenals verkoop- en publiciteitsmedewerkers.
De specialisatie tot uitgever bestond in de eerste eeuwen van het
gedrukte boek nog niet: drukker, uitgever en boekverkoper waren aanvankelijk in
één persoon verenigd. De boekhandel bestond vooral uit ruilhandel
tussen drukkers waardoor ze hun assortiment konden uitbreiden. Niettemin zijn
er in de 17e eeuw al uitgevers-boekverkopers zonder een eigen drukkerij en zeer
waarschijnlijk ook drukkers die uitsluitend in opdracht boeken drukten. Hoe de
verhoudingen liggen bij de productie van een bepaald boek dient opgemaakt te
worden uit de bewoordingen in
impressum en
colofon. Zo betekent de formule in het
impressum ‘By x, voor y’ dat x de drukker is en y de uitgever. Het
fonds van een drukker-uitgever vertoont over het algemeen een heterogener beeld
dan dat van een uitgever-boekverkoper: de eerste moest zijn pers(en) aan het
werk houden; de laatste kan zich meer specialiseren. Veel boekproducenten
haalden hun inkomsten voor een niet onaanzienlijk deel uit de verkoop van
kantoorartikelen (almanakken, papier, inkt e.d.) en allerlei andere waren
(bier, bloembollen), uit het binden van door de klant gekochte boeken en uit
roofdrukken.
Financiële risico's voor grote projecten werden afgedekt door
het aangaan van samenwerkingsverbanden, de zgn.
compagnieën, door het aanvragen van
privileges tegen ongeoorloofd nadrukken,
door het verkopen bij intekening of door het verwerven van bijdragen uit
mecenaat of
patronage. Dit laatste werd vaak ook
overgelaten aan de auteur die nog niet over
auteursrecht beschikte en eerder geld moest
inbrengen dan dat hij betaald werd voor zijn werk.
De eerste gedateerde drukken (incunabel)
zijn vervaardigd door
Nicolaus Ketelaer en
Gerard de Leempt in Utrecht
(1473) en
Dirk Martens en
Johan van Westfalen in
Aalst enLeuven (1473). Andere bekende
incunabeldrukkers zijn
William Caxton, die het vak beoefende in
Brugge en de
drukkunst vervolgens in
Engeland introduceerde,
Colard Mansion eveneens te Brugge,
Henrick Eckert van Homberch in
Delft,
Gheraert Leeu in Gouda en
Antwerpen met opvallend veel literaire titels in het Nederlands,
Richard Pafraet in Deventer
(veel schoolboeken),
Jacob Bellaert in Haarlem
en
Adriaen van Liesvelt
teAntwerpen. Van de ruim 2000 bekende incunabeldrukken uit de
Nederlanden is het overgrote deel in het Latijn. Tot de teksten in de volkstaal
behoren bijbels, heiligenlevens, Marialegenden en enkele volksboeken.
In de Nederlanden is in de periode van de
postincunabelen Antwerpen het centrum van de
boekproductie als vestigingsplaats van 56 van de 120 Nederlandse drukkers, die
niet minder dan driekwart van de ongeveer 4600 bekende titels voor hun rekening
namen. Daar zijn o.a. werkzaam
Jan van Doesborch met in zijn fonds
opmerkelijk veel
volksboeken (ook in het Engels),
Henrick Eckert van Homborch,
Jan van Ghelen,
Jan Hillen van Hoochstraten,
Jacob van Liesvelt,
Dirk Martens en
Willem Vorsterman. In de periode na 1540
steekt het drukkers-uitgeversbedrijf van
Christoffel Plantin uit boven de vele
concurrenten inAntwerpen, zowel wat betreft de kwantiteit als de
kwaliteit. In dit grootste drukkersbedrijf ter wereld (nu te bezichtigen als
Museum Plantin-Moretus) worden alle genres boeken gedrukt. De enige drukker in
Brussel,
Thomas van der Noot, ruimt het overgrote
deel van zijn bekende fonds in voor teksten in het Nederlands uit
rederijkerskringen. In het Noorden produceert de drukkerij van
Pafraet inDeventer vooral
schoolboeken.
Ten gevolge van de politieke situatie verschuift ook het
typografisch zwaartepunt eind 16e eeuw naar het Noorden: Amsterdam
alleen al telt in de jaren tussen 1580 en 1700 rond de 1000 boekproducenten. De
grootste uitgever daar is eind 16e, begin 17e eeuw Cornelis Claesz met een zeer
gevarieerd fonds. Bekend zijn de uitgeverijen van verschillende leden van het
geslacht Elzevier: de Leidse Elzeviers verzorgden vele uitgaven van klassieke
teksten in pocketformaat. De drukkerij-uitgeverij van de Blaeus in Amsterdam is
beroemd geworden door kaarten en atlassen en literaire uitgaven van o.a.
Hooft,
Roemer Visscher en
Vondel. Het werk van
Bredero verscheen vooral bij
Cornelis Lodewijcksz vander Plasse.
Nicolaes Biestkens drukte veel
toneelteksten voor de Nederduytsche Academie van
Samuel Coster.
Jan Jacobsz Schipper is de grote
Cats-uitgever.
Paulus Aertz van Ravesteyn drukte het
typografische meesterwerk de Statenbijbel. Een bekend uitgever van liedboeken
is
Dirck Pietersz Pers. Zeer veel populaire
literatuur kwam via de uitgeverij van de
Ten Hoorns op de markt. Een typische
uitgever van toneelwerk was
Jacob Lescaille. Naast
Amsterdam waren ookDordrecht, Den Haag,
Haarlem, Leiden,Middelburg,
Rotterdam en Utrecht drukkersplaatsen van
betekenis.
In de 18e eeuw, in ieder geval de eerste helft daarvan, neemt het
belang van de Nederlandse boekhandel nog toe: door de relatieve vrijheid van
drukpers is het mogelijk datgene wat elders verboden wordt - met name de Franse
verlichtingsideeën - hier te produceren.
Wetstein (Amsterdam; veel
uitgaven in het Frans en Duits), Mortier (Amsterdam; tal van fraai
geïllustreerde uitgaven, waaronder kaarten en atlassen),
Luchtmans (Leiden;
wetenschappelijke werken),
Van der Aa (Leiden en
Haarlem; grote verzamelde-werkenuitgaven) en
Enschedé (Haarlem; kranten) zijn belangrijke uitgevers in
de 18e eeuw.
Tegenwoordig sluit de uitgeverij een contract met een auteur voor
het verwerven van het auteursrecht en neemt als tegenprestatie de plicht op
zich om de tekst van die auteur in druk op de markt te brengen. Daar hoort ook
bij dat de uitgever streeft naar verkoop van de vertaalrechten aan buitenlandse
uitgevers. De auteur ontvangt voor zijn uitgegeven tekst een
royalty (een percentage van de verkoopprijs
per verkocht exemplaar) of een combinatie van een niet terugvorderbaar
voorschot en een royalty, en soms alleen een vast bedrag.
Moderne uitgeverijen kennen doorgaans een bepaald soort
specialisatie. Zo zijn er typisch literaire uitgeverijen zoals De Bezige Bij,
Querido, Van Oorschot, De Arbeiderspers. Daarnaast zijn er uitgeverijen die
zich speciaal richten op jeugdliteratuur (Lemniscaat), schoolboeken
(Wolters/Noordhoff, Malmberg), wetenschappelijke uitgaven (Elsevier Publishing,
Amsterdam University Press) e.v.a.
Een belangrijk middel voor literaire uitgeverijen om aan kopij te
komen is het literaire
tijdschrift. Vrijwel elke literaire
uitgeverij geeft een eigen periodiek uit dat als ‘fuik’ dient om
een auteur aan de uitgeverij te binden.
Uitgeverijen spelen een grote rol in het literaire veld omdat zij
een keuze maken uit de vaak talloze manuscripten of typoscripten die hun ter
uitgave worden aangeboden. Ze kunnen gezichtsbepalend zijn voor de literatuur
in die zin dat ze teksten in een bepaald fonds opnemen of in bepaalde reeksen.
Daarbij valt te denken aan series als de Arbo-reeks, de Literaire Reuzenpockets
en Privé Domein. In die zin spelen uitgeverijen als
institutie een rol in de totstandkoming van
de
canon.
LIT: BDI; Brongers; Wilpert; A.M. Ledeboer. De boekdrukkers,
boekverkoopers en uitgevers in Noord-Nederland (1872; met Alfabetische
lijst 1876 en Chronologisch register 1877); A.C. Kruseman. Bouwstoffen voor
een geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel gedurende de halve eeuw
1830-1880 (2 dln., 1886-1887); id. Aanteekeningen betreffende den
boekhandel van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw (1893); E.W. Moes en
C.P. Burger. De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers in de zestiende
eeuw (2 dln., 1900-1915); M.M. Kleerkooper en W.P. van Stockum. De
boekhandel te Amsterdam, voornamelijk in de 17e eeuw (2 dln., 1914-1916);
I.H. van Eeghen. De Amsterdamse boekhandel 1680-1725 (5 dln. in 6 bdn.,
1960-1978); R. Roegholt. De geschiedenis van De Bezige Bij 1942-1972
(1972); J.G.C.A. Briels. Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers in de
Republiek der Verenigde Nederlanden omstreeks 1570-1630 (1974); A. Rouzet.
Dictionnaire des imprimeurs, libraires et éditeurs des XVe et XVIe
siècles dans les limites géographiques de la Belgique
actuelle (1975); D. van der Stoep (red.). Het lam voor de glazen.
Opstellen over een eeuw boekbedrijf 1877-1977 (1977); A. Nuis (red.).
Het geheim van de uitgever (1978); J. van Rosmalen. Goud op snee.
Boek en tijdschrift in de Lage Landen 1935-1985 (1985); B.P.M. Dongelmans.
Van Alkmaar tot Zwijndrecht. Alfabet van boekverkopers, drukkers en
uitgevers in Noord-Nederland 1801-1850 (1988); J.A. Gruys en C. de Wolf.
Thesaurus 1473-1800 Nederlandse boekdrukkers en boekverkopers. Met plaatsen
en jaren van werkzaamheid (1989; aanvullingen in Dokumentaal en
vanaf 1997 op de Web-site van Neder-L); P. Dijstelberge. ‘De Cost
en de Baet. Uitgeven en drukken in Amsterdam rond 1600’, in: Gedrukt in
Holland, spec. nr. van Holland 26 (1994), p. 217-234; M. Keblusek.
Boeken in de hofstad. Haagse boekcultuur in de Gouden Eeuw (1997). [G.J.
van Bork/P.J. Verkruijsse]
| |
uitvullen
Druktechnische term voor het door middel van spaties vol maken van
een regel zetsel in de zethaak. Wanneer dat aan het eind van een regel gebeurt
- zoals soms te constateren valt in de beginperiode van de drukkunst - betekent
dat in druk ongelijke regels. Om typografische en taalkundige eenheden niet met
elkaar in botsing te brengen, zal de zetter nu eens woorden moeten afbreken of
anders moeten spellen (een vrijheid die de zetter in de periode van de handpers
vaak had), dan weer meer of minder spatie tussen de woorden moeten aanbrengen
(uitdrijven, respectievelijk
inwinnen).
LIT: BDI; Feather; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de
Nederlanden (1962), p. 112-113, 131-132; Ph. Gaskell. A new introduction
to bibliography (19742), p. 45-46. [P.J. Verkruijsse]
| |
ulevelrijm
Kort, doorgaans tweeregelig rijmpje dat bestemd was voor het
papiertje dat de verpakking vormde van het ouderwetse snoepje. Ulevelrijmen
werden in het midden van de 19e eeuw o.m. vervaardigd en gedrukt bij de
Leeuwarder uitgever
G.T.N. Suringar, in wiens
correspondentie 48 van dergelijke rijmpjes werden aangetroffen. Daaronder
deze:
De thematiek betreft doorgaans liefde, huwelijk en vriendschap,
maar ook volkswijsheden werden in berijmde spreuken omgezet. In
Vlaanderen worden deze versjes wel caramelverzen genoemd.
LIT: Gorp; M. Keyser. ‘Leuke vondst: ulevelrijmen’,
in: Boekblad 17 maart 1989. [G.J. van Bork]
| |
ultima manus
Term uit de editietechniek, ook wel aangeduid met de Duitse term
‘letzter Hand’, voor de laatste door een auteur aangebrachte
varianten in een manuscript. Het is aan de
tekstediteur te beslissen of hij in een
historisch-kritische editie als
basistekst kiest voor de uitgave ultima
manus en de
tekstgenese in het
variantenapparaat onderbrengt, of dat hij
een uitgave
prima manus geeft en alle latere varianten
naar het apparaat verwijst.
Een voorbeeld van een editie ultima manus is die door
F.A. Stoett van de
Gedichten van
P.C. Hooft (2 dln., 1899-1900); de editie
van
P. Leendertz (2 dln., 1871-1875)
daarentegen gaat uit van de prima manus.
LIT: Mathijsen; S. Scheibe. ‘Zu einigen Grundprinzipien
einer historisch-kritischen Ausgabe’, in: Texte und Varianten
(1971), p. 1-44, m.n. 33-35. [P.J. Verkruijsse]
| |
unanimisme
Term afkomstig van de Franse dichter-romancier-criticus
Jules Romains om datgene te typeren wat
hij in zijn dichtbundel La vie unanime (1908) had pogen
te realiseren en wat hij in zijn Manuel de
déification (1910) theoretisch beschreef. Hij wilde aan zijn
gemeenschapsidealen een literaire vorm geven en ging op zoek naar het kosmisch
levensgevoel van de mens, de gemeenschappelijke ziel van in een groep verenigde
individuen (een vriendenkring, een schouwburgpubliek, een stad), het
geheimzinnige levensprincipe dat mensen en dingen gemeen hebben. Het unanimisme
is in de Nederlandse letterkunde terug te vinden bij
P. van Ostaijen in zijn vroege periode,
het romantisch expressionisme (organisch
expressionisme), vooral in zijn bundel Music-hall
(1916).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger;
Shipley; Wilpert; K.D. Wyatt. Unanimistic imagery in 20th century French
literature (1974). [G.J. Vis]
| |
unciaal
Van de Romeinse cursief (capitalis cursiva)
afgeleid
majuskelschrift, dat als
boekschrift in de 4e eeuw n.Chr. tot bloei
kwam. De unciaal onderscheidt zich van de capitalis cursiva door de rondere
vormen, het ontbreken van schreven of voetjes en het ontstaan van stok- en
staartletters (bijv. d, h, l, p, q).
De schriftsoort verspreidde zich over heel Europa en
kende in de 5e eeuw al grote regionale stilistische verschillen. Van de 5e tot
de 8e eeuw was de unciaal erg populair, hoewel de overgeleverde bronnen een
enigszins vertekend beeld zullen geven: ongeveer een derde van de uit die
periode daterende teksten is geheel of gedeeltelijk in unciaal geschreven. Het
lettertype is tot in de late Middeleeuwen bewaard gebleven in de
lombarden.
Naast de unciaal wordt de
semi-unciaal onderscheiden, waarvan men
vroeger ten onrechte dacht dat deze van de unciaal was afgeleid.
LIT: BDI; Scott; E. Strubbe. Grondbegrippen van de paleografie
der Middeleeuwen (1973), p. 63-68; J.J. John. ‘Latin
Paleography’, in: J.M. Powell (red). Medieval Studies. An
Introduction (1976), p. 9-10; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen
schrift (19882), p. 123; B. Bischoff. Paläographie des
römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters
(19862), p. 86-92. [H. Struik]
| |
understatement
Term uit de stijlleer voor een onderkoelde formuleringswijze
waardoor discrepantie ontstaat tussen de gekozen bewoordingen en de erdoor
beschreven werkelijkheid en wel zo dat de gekozen formulering de werkelijkheid
sterk afzwakt of verkleint. Vaak werkt het understatement ironiserend (ironie),
net als de
litotes die ermee verwant is.
Op het toneel kan men een soortgelijk effect constateren in wat
gewoonlijk eveneens met een Engelse term ‘underacting’ wordt
genoemd. Het understatement staat tegenover de
hyperbool.
In
H. Dorrestijns Mooi van
lelijkheid (1977) kan het volgende voorbeeld worden aangetroffen:
wie zijn moeder heeft verloren,
leent de wanhoop gauw een oor,
maar om je vader te verliezen
dat is ook geen pretje hoor. (p. 11).
LIT: Abrams; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Lodewick; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
universele bibliografie
Term uit de bibliotheekwereld voor een
bibliografie van alle boeken die ooit, waar
ter wereld ook, verschenen zijn. Reeds vanaf de 16e eeuw zijn er pogingen
ondernomen om een min of meer complete registratie te maken van alle tot dan
toe verschenen literatuur.
Conrad Gesner was met zijn
Bibliotheca universalis (1545-1555) de eerste die het
probeerde, maar niet verder kwam dan ongeveer 20.000 titels in het Hebreeuws,
Grieks en Latijn. Na een aantal gestrande pogingen in de eeuwen daarna (o.a.
van
Brunet en
Graesse) kwam eind 19e eeuw het Institut
International de Bibliographie (IIB) inBrussel tot stand, dat op
basis van de classificatie van
Dewey in 1895 begon met het inventariseren
van alle boeken en tijdschriften in alle talen van de wereld. De leiders van
het instituut,
Paul Otlet en Henri La Fontaine,
ontwierpen al snel een doeltreffender classificatiesysteem, de
UDC (Universele Decimale Classificatie), dat
het na ongeveer 16 miljoen fiches in 1934 opgeheven IIB ruimschoots heeft
overleefd. Tegenwoordig streeft men in UNESCO- en IFLA (International
Federation of Library Associations)-verband naar Universele Bibliografische
Controle (UBC) door het stimuleren van de
nationale bibliografieën.
Voor het bibliografisch en literair-historisch onderzoek van de
oudere literatuur zijn vooral de gedrukte ‘universele’
bibliografieën van Gesner, Brunet (Manuel du libraire et de l'amateur
des livres; 1860-1885) en Graesse (Trésor des livres rares et
précieux ou nouveau dictionnaire bibliographique; 1859-1869) nog van
belang.
LIT: BDI; P. Schneiders. De bibliotheek- en
documentatiebeweging 1880-1914 (1982), passim; P. Schneiders. Papieren
geheugen (1985), p. 82-83, 206-209; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (19953), p. 53, 67, 158. [P.J. Verkruijsse]
| |
ut pictura poesis
Gezegde (‘poëzie is als schilderkunst’), ontleend
aan vs. 361 van
Horatius' Ars
poetica:
Ut pictura poesis; erit quae, si propius stes
te capiat magis, et quaedam, si longius abstes
(poëzie is als schilderkunst: het ene gedicht/schilderij
zal je beter bevallen als je er dichtbij staat, het andere als je op enige
afstand staat).
Deze principiële gelijkstelling van literatuur en
schilderkunst heeft grote gevolgen gehad voor de theorievorming met betrekking
tot zowel literatuur als beeldende kunst in de
renaissance, in het
maniërisme en in de
barok: de poëzie moest een sprekend
schilderij zijn; een schilderij is een stom gedicht.
Zo schrijft
Vondel in zijn Aenleidinge ter
Nederduitsche dichtkunste:
het overzetten uit vermaerde Poëten helpt den aenkomende
Poeet, gelijck het kopieeren van kunstige meesterstucken den Schilders leerling
(J. van den Vondel. Werken. WB-ed., dl. 5, 1931, p. 488),
vooral waar het de opzet en de uitwerking van een stuk betreft.
Zoals
de schilders in kleene beelden de gebreken en misslagen kleen
rekenen; zoo openbaert zich de misstellinge en 't gebreck, naer de grootheid
der personaedjen en zaecken, te grooter.
Het is van belang dat de schrijver
lette op den staet, eigenschap en gesteltenis van elcke
personaedje en zaecke, en die elck naer heur natuur uittekene. [...] Aldus
geeft een kunstigh schilder elck dingh zijn eigen verf (Id., p. 489).
Retoricale (retorica) principes dringen
door in de schilderkunst; het pictorialisme in de literatuur leidt tot het
gebruik van tal van schilderkunstige termen, bijv. in de
tragedie die soms geschreven lijkt met een
historieschilderij als voorbeeld. Zo noemt
Vondel het Pascha
(1612) een ‘levende-schoon-verwighe schilderije’ en Adam
in ballingschap (1664) een ‘historieschilderij’.
Emblematische ‘handboeken’ als
Ripa's Iconologia
(vertaald door
D.P. Pers in 1644) en
Van Manders
Schilder-boeck (1604) werden dan ook door zowel dichters
als schilders gebruikt om er hun topoi (topos) uit te
halen. Het ‘realisme’ van de 17e-eeuwse genreschilderkunst dient
eveneens in deze context geïnterpreteerd te worden.
Genres waarin de zusterkunsten elkaar naderden waren het
beeldgedicht-2, het
woordemblema en vooral het
emblema.
Adriaen vande Venne verwoordt het in vs.
197-201 van zijn ‘Zeeusche mey-clacht’ als volgt:
O lof, Poëtsche maeght! Goddinne van verstanden!
Wie isser dijns gelijck? ey biet toch nu de handen
Aen 'tlichaem van dijn geest, vereent met uwen aert,
Vereent met Schilder-const, verdubbeleert en paert,
De eene Maecht wijst aen, en d'ander geeft de reden.
(Zeeusche nachtegael, ed.
Meertens en
Verkruijsse, 1982, p. 98)
G.E. Lessing wees in zijn
Laökoön (1766) op de imitatie als
gemeenschappelijk kenmerk van poëzie en schilderkunst, maar tegelijkertijd
benadrukte hij de eigen aard van beide kunsten.
In de romantiek groeit de behoefte bij kunstenaars om met elkaar
samen te werken, dan wel om verschillende kunstgebieden met elkaar te verenigen
(Gesamtkunstwerk). Zo ontstond naast het ‘ut
pictura’ het ‘ut musica poesis’: de opvatting van poëzie
als muziek.
Verlaine en
Kloos zijn voorbeelden van deze
richting.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; G. Brom.
Schilderkunst en litteratuur in de 16e en 17e eeuw (1957); R.W. Lee.
Ut pictura poesis; the humanistic theory of painting (1967); Tot
lering en vermaak; betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de
zeventiende eeuw (catalogus Rijksmuseum 1976); Horatius. Ars
poetica, ed. P.H. Schrijvers (1980), p. 78; God en de goden
(catalogus Rijksmuseum 1981); K. Porteman. ‘Geschreven met de linkerhand?
Letteren tegenover schilderkunst in de Gouden Eeuw’, in: M. Spies e.a.
(red.). Historische letterkunde; facetten van vakbeoefening (1984), p.
93-113; H. Vekeman en J. Müller Hofstede (red.). Wort und Bild in der
niederländischen Kunst und Literatur des 16. und 17. Jahrhunderts
(1984). [G.J. Vis/W. Kuiper]
| |
utile dulci
‘Het nuttige met het aangename’, afkomstig uit de zin
‘Omne tulit punctum qui miscuit utile dulci’ van
Horatius (Ad
Pisones 343): diegene verwerft algemene bijval, die het nuttige met
het aangename verenigt. In de renaissance vierde dit principe hoogtij, blijkens
de voorschriften (retorica) waaraan een goed schrijver
zich diende te houden om zijn boodschap (het nuttige) zo effectief en aangenaam
mogelijk (delectare) op de lezer en luisteraar over te
brengen.
Vondel stelde dit standpunt bij
verschillende gelegenheden omstandig aan de orde: in de voorredes bij zijn
werken (bijv. Het Pascha) en in zijn
Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste. Het principe
speelt overigens in allerlei kunsten.
LIT: Laan; Gorp; E.R. Curtius. Europäische Literatur und
lateinisches Mittelalter (19613), p. 471 v.; Tot lering en
vermaak; betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende
eeuw (1976). [G.J. Vis]
| |
utopische literatuur
Literatuur waarin een verzonnen ideale samenleving wordt
beschreven. Het woord ‘utopie’ is afkomstig van
Thomas More's
Utopia (1516) waarin hij een fictieve geïdealiseerde
wereld beschrijft. Utopische literatuur plaatst zo'n gedroomde samenleving in
een onbekende uithoek van de wereld (al dan niet fictief, vgl. Atlantis), in
een ver (gelukkiger) verleden of in een (verre) toekomst. Vaak dragen deze
utopieën een politiek of sociaal vooruitgangsidee uit. Utopische
literatuur is in Nederland en België vooral
geschreven sinds de 18e eeuw, o.m. door
Willem van Haren,
Hendrik Smeeks en
Betje Wolff. Het opmerkelijkste geschrift
was echter Het toekomend jaar drie duizend (1792) van
Arend Fokke Simonsz.
J.B.D. Wibner gaf, ondanks gerechtelijke
vervolgingen, achtereenvolgens de Utopiaansche Courant, het
Utopiaansch Weekblad en de Utopiaansche Koerier uit tussen 1819
en 1830.
Het opkomend socialisme en communisme van vóór de
Eerste Wereldoorlog ging gepaard met diverse utopische uitgaven. Belangrijk was
de vertaling door
Frank van der Goes van
Bellamy's Looking backward
2000-1887 (1888) onder de titel In het jaar
2000 (1890), die aanleiding was tot felle discussies tussen de
Tachtigers. Voorts kan
Gorters Pan (1912;
bewerkt en uitgebreid 1916) tot de sociale utopieën in dichtvorm gerekend
worden.
Na de Eerste Wereldoorlog krijgen utopieën een steeds
somberder en pessimistischer karakter. Onder invloed van totalitair-politieke
stelsels (Rusland, het fascisme inItalië en
Duitsland) of van de onomkeerbare ontwikkeling van de techniek
ontstaat in deze literatuur steeds meer het beeld van de mens die dupe wordt
van wat hijzelf teweeg heeft gebracht en raakt het ideaalbeeld van de utopie op
de achtergrond. Dit type utopieën krijgt dan ook een waarschuwend
karakter. Het merkwaardige is dat men dan toch nog van utopische literatuur
blijft spreken, hoewel het idealiserende er duidelijk aan ontbreekt. Sommigen
geven daarom de voorkeur aan de benaming
toekomstliteratuur of
dystopie. Waar utopieën zich afspelen
in een verre toekomst, in een sterk geavanceerd technisch ontwikkelde
samenleving of op andere planeten, ontstaat duidelijk vermenging met het genre
van de
sciencefiction.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW;
Scott; Shipley; Wilpert; R. Reinsma. Van hoop naar waarschuwing (1970);
A.C.J. de Vrankrijker. Onze anarchisten en utopisten rond 1900 (1972);
M. Winter. Compendium Utopiarum. Typologie und Bibliographie literarischer
Utopien, Bd. I (1978); R. Trousson. Voyages aux pays de nulle part.
Histoire littéraire de la pensée utopique
(19792); G. Komrij. ‘Averechts in de tijd’, in:
Averechts (1980); L. de Vos en L. Stijnen. ‘Maatschappij tussen
hervorming en nachtmerrie in het Zuidned. utopische schrijven’, in:
Ons Erfdeel 24 (1981), 5, p. 680-696. [G.J. van Bork]
|
|
|