|
|
|
| | | |
paasspel
Vorm van
liturgisch drama ontstaan uit de tijdens de
liturgie gezongen
quem queritis-troop. Dit kleine onderdeel
van de paasviering wordt wel gezien als de bakermat van het
geestelijk drama in de Middeleeuwen. In de
loop der eeuwen werden daar steeds meer elementen aan toegevoegd. Wat
oorspronkelijk een symbolische uitbeelding van één essentieel
moment van het hele gebeuren was, groeide uit tot een volledige dramatisering
van het hele paasverhaal.
Volgens deze inmiddels achterhaalde, maar hardnekkige theorie zou
het geestelijk drama zich via het liturgisch drama ontwikkeld hebben uit de in
de kerk gezongen
tropen-2, nadat er eeuwen geen toneel
gespeeld was. Waarschijnlijker is echter dat er altijd toneel gespeeld is, zij
het dat daar voor de periode van de 5e tot de 10e eeuw weinig bewijzen van zijn
overgeleverd. Dit toneel is uiteindelijk ook weer een rol in de kerk gaan
spelen om het vertelde te veraanschouwelijken.
Van het (semi-)liturgische paasspel moeten wel 500 lezingen bekend
zijn geweest in de 10e tot 12e eeuw. In de 14e en 15e eeuw wordt het Latijnse
paasdrama nog veel gespeeld, na 1500 neemt het aantal opvoeringen af, maar het
spel handhaaft zich tot in de 18e en 19e eeuw.
Een voorbeeld van een semi-liturgisch paasspel van Nederlandse
bodem is het Latijnse Maastrichts paasdrama (ed.
Smits van Waesberghe, [19532]),
p. 63-85) uit de 12e of 13e eeuw. Men moet dit stuk niet verwarren met het
Nederduitse Maastrichtse paasspel (ca. 1350) dat in de
buurt vanKeulen is ontstaan, maar zijn naam dankt aan het feit dat
het handschrift uit een klooster bij Maastricht afkomstig is.
De paasspelen gaven aanleiding tot het ontstaan van de
kerstspelen, die soms woordelijk aan de
eerste herinneren. In plaats van de bij het graf gezongen tekst: Quem queritis
in sepulchro?, luidt de zang dan bijvoorbeeld ‘Quem queritis in
praesepe?’ (praesepe = kribbe).
Vanwege de inhoud, waarin het lijden van Christus centraal staat,
is er een duidelijk verband met het
passiespel.
Ook later werden nog paasspelen geschreven. Zo publiceerde
M. Nijhoff in Het heilige
hout (1950) een paasspel onder de titel De dag des
heren.
LIT: Best; Laan; LdMA; Metzler; Wilpert; J. Smits van Waesberghe.
Muziek en drama in de Middeleeuwen [19532]; B. Hunningher.
The origin of the theater (1955); W.N.M. Hüsken. ‘In
Dendermonde wordt in de Paasdagen een Verrijzenisspel gespeeld; kerkelijk drama
in de volkstaal’, in: R. Erenstein (hoofred.). Een theatergeschiedenis
der Nederlanden (1996), p. 24-29. [H. Struik]
| | | |
paginering
De nummering van de
bladzijden in een (gedrukt) boek. In het
middeleeuwse handgeschreven boek (codex) was het de
gewoonte de
bladen-2 te nummeren (foliëring). Deze laatste methode werd in de beginperiode
van de boekdrukkunst ook nog toegepast, maar verdwijnt geleidelijk in de 16e
eeuw.
Bij het pagineren worden de
recto-zijden van een blad oneven genummerd
en de
verso-zijden even, zodat in een
opening een even pagina altijd links zit en
een oneven pagina altijd rechts. De plaats van de paginering op de pagina
vertoont grote verschillen: de nummers kunnen in de
kopregel worden opgenomen, zowel links als
rechts als in het midden, of op dezelfde posities in het
staartwit.
In de periode dat de
katernen van
katernsignaturen voorzien worden, besteedt
men in de zetterij duidelijk minder aandacht aan een correcte paginering: in
zeer veel boeken uit de handpersperiode wemelt het van onjuiste paginanummers.
Deze afwijkingen dienen door de
analytisch bibliograaf in een paginaformule
gesignaleerd te worden, waarbij niet-gepagineerde bladzijden uit het
voorwerk tussen rechte haken worden
opgenomen en niet geplaatste cijfers uit de paginareeks cursief worden gezet.
De formule: [8] 1-4 5-60, betekent dat er 8 ongenummerde pagina's
voorafgaan aan de paginareeks van 60 bladzijden waarvan de eerste vier cijfers
niet geplaatst zijn.
Vanaf de 18e eeuw wordt het de gewoonte het voorwerk te nummeren
met romeinse cijfers.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 52, 332; K.F. Treebus.
Tekstwijzer (19832), p. 166-167; H. van Krimpen. Boek over
het maken van boeken (19862), p. 361-362. [P.J. Verkruijsse]
| |
paleografie
De wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van oud
schrift en oude lettervormen (letter). Aan de hand van door oefening verworven kennis is de
paleograaf in staat oud schrift te ontcijferen (transcriptie), de opeenvolgende stadia te herkennen en
vervolgens dat schrift te dateren en localiseren. Binnen de neerlandistiek is
de paleografie van belang voor de
tekstgenese en als zodanig een onderdeel van
de
codicologie en de
manuscriptologie.
De paleografie ontstond in de 17e eeuw als nevenproduct van de
diplomatiek of oorkondeleer door de publicatie van
Jean Mabillon, De re
diplomatica (1681).
B. de Montfaucon bouwde deze wetenschap
verder uit in zijn Palaeographica graeca (1708). Vanaf
1821 vindt de paleografie tal van vooraanstaande beoefenaars aan de Parijse
École des Chartes.
Ludwig Traubebracht begin 20e eeuw de
paleografie in een breder cultuur- en kunsthistorisch kader. Daardoor is binnen
de codicologie het accent steeds meer komen te liggen op de studie van
randversieringen en op grond daarvan te onderscheiden schrijfscholen en minder
op het schrift. Niettemin is op dat laatste terrein het werk van
Léon Gilissen,
L'expertise des écritures médiévales
(1973), van groot belang.
Voor de periode na de Middeleeuwen valt de aandacht meer op de
kalligrafie van de 16e- tot 18e-eeuwse
schrijfmeesters dan op het gewone
gebruiksschrift. Alleen het handschrift van
Constantijn Huygens is diepgaand
bestudeerd door
H.M. Hermkens: Handleiding bij
het lezen van Huygens' schrift (gewijzigde uitgave (1984) als
bijlage bij de uitgave van Constantijn Huygens' Trijntje
Cornelis).
De Bibliotheca Neerlandica Manuscripta (BNM) van
Willem de Vreese is voor de middeleeuwse
paleografie een onvoltooid maar een niet te overschatten apparaat. De
zogenaamde paleografische
a.l.s.en kan men zien als een poging het
Nederlandse schrift in zijn ontwikkeling te tonen.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; MEW; Scott; W.
Lampen. De betekenis der palaeographie als wetenschap (1932); J.L. van
der Gouw. ‘Enige problemen van de Nederlandse palaeografie’, in:
Nederlands Archievenblad 62 (1957-1958), p. 17-28; G.I. Lieftinck.
Paleografie en handschriftenkunde (1963); A. Gruijs. Codicologie of
boek-archeologie? Een vals dilemma (1971); J.P. Gumbert. Schrift, codex
en tekst. Een rondgang door paleografie en codicologie (1974); J.L. van der
Gouw. Oud schrift in Nederland (19802); B. Engelhart en J.W.
Klein. 50 eeuwen schrift (1988); J.A.A.M. Biemans. ‘Willem de
Vreese en de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta’, in: Literatuur
6 (1989), p. 93-101. [P.J. Verkruijsse]
| |
paleotypie
Specialisme binnen de
analytische bibliografie dat zich bezighoudt
met de bestudering van de drukletter (letter) uit de
periode vanaf de
prototypografie,
incunabel en
postincunabel tot in de 18e eeuw. De
inventarisatie en classificatie van het oude letter- en siermateriaal kan het
mogelijk maken drukwerk uit die periode aan een bepaalde drukkerswerkplaats toe
te schrijven. Voor de 15e en 16e eeuw is dit werk verricht door respectievelijk
W. en
L. Hellinga en
H.D.L. Vervliet.
LIT: B. Kruitwagen. Laat-middeleeuwsche paleografica,
paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942); W. & L.
Hellinga. The fifteenth-century printing types of the Low Countries
(1966); H.D.L. Vervliet. Sixteenth century printing types of the Low
Countries (1968); Ch. Enschedé. Typefoundries in the
Netherlands (19782); H. Borst, C. van der Kogel, P. Koopman e.a.
‘Wonen in het Woord - Leven in de letter; analytische bibliografie en
literatuurgeschiedenis’, in: Literatuur 5 (1988), p. 332-341.
[P.J. Verkruijsse]
| |
palilogie
Vorm van
repetitio waarbij een woord of een zinsdeel
wordt herhaald om er de nadruk op te leggen. Woord- en zinsdeelherhaling vindt
men respectievelijk in vers 1 en vers 3 van de volgende strofe van
P. van Ostaijen:
Zoveel honderd in de maand,
Word prinsesje, word prinsesje
Tegen zoveel in de maand.
(VW Poëzie, dl. 1, 1979, p. 11).
Soms heeft de palilogie de vorm van een
anadiplosis.
LIT: Buddingh'; Cuddon; Lausb.; Preminger; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
palimpsest
Opnieuw beschreven
perkament nadat de inkt verwijderd is door
die af te wassen dan wel af te krabben (rasuur). Vaak
ging het hierbij om toendertijd waardeloos geachte teksten, bijv. oude
liturgische teksten na een hervorming, of rechtsteksten die verouderd waren.
Men herhaalde bij deze behandeling een deel van het proces dat bij de productie
van perkament gehanteerd werd. Men maakte het perkament wat vochtig, schuurde
het met puimsteen en wreef het in met kalk. Hierna was het perkament weer
geschikt om te beschrijven.
In de Middeleeuwen werd een palimpsest ‘charta rasa’
of ‘charta deletica’ genoemd. Dergelijke palimpsestbladen werden
gedurende de hele Middeleeuwen gebruikt en men heeft er belangrijke, verder
geheel verloren gegane teksten op teruggevonden, omdat met behulp van
infrarood- en ultraviolet licht de verwijderde tekst vaak nog leesbaar te maken
is.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler;
Scott; Shipley; Wilpert; W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter
(19584), p. 299-317; J.M.M. Hermans & G.C. Huisman. De
descriptione codicum (19813), p. 18-20. [H. Struik]
| |
palindroom
Woord of zin die ook van achteren naar voren gelezen kan worden
zonder dat er iets aan de betekenis verandert. Woordvoorbeelden zijn: lepel,
pop, parterretrap. Voorbeelden van zinnen: ‘Taai gal, plagiaat’ of
‘Koot, mannen, nam ei; Bie, mannen, nam 't ook’. Sommigen rekenen
er ook omkeerbare woorden of zinnen onder waarbij wel betekenisverandering
optreedt, zoals ‘neger’ en ‘regen’.
Vergelijkbaar met het palindroom is het
kreeftgedicht.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; Drs.
P. Ons knutselhoekje (1975); Battus. ‘Mooi dit idioom’, in:
Hollands Maandblad (1978-1979) 373, p. 15-17. [G.J. van Bork]
| |
palinodie
Aanduiding voor een gedicht waarin een auteur herroept wat hij in
een eerder gedicht heeft gezegd. Als vorm van zelfkritiek (poëtica-3) kan een dergelijk gedicht in allerlei
gedaanten voorkomen, bijv. in die van de
parodie, zoals het geval is met
Kinkers werk De menschheid in
't Lazarushuis (1801) waarin hij zijn
Eeuwfeest (1801) belachelijk maakt. Soms is het bedoelde
verworpen gedicht gefingeerd of in ieder geval niet concreet aanwijsbaar, zoals
in ‘De schrijver’:
Op deze plek heeft een gedicht gestaan.
't Beviel me niet. Toen ik het op wou knappen
toen bleef er, toen mijn pen begon te schrappen,
per slot van rekening geen woord van staan.
Het was vooral triest door de trieste grappen.
Neen, het was goed noch slecht, er was niets aan.
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 406).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Metzler; MEW;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
Palmerijnromans
Cyclus van Spaanse 16e-eeuwse ridderromans rondom de figuur van
Palmerin, geschreven naar het voorbeeld van de
Amadisromans. De eerste Palmerijnroman,
Palmerin de Oliva, verscheen in 1511. Via de Franse
navolging Amadis de Gaule is de Palmerijnstof
waarschijnlijk in de Nederlanden doorgedrongen: de oudst bekende druk verscheen
in 1613 teArnhem bij
Ian Ianszen: Een seer schoone
ende ghenoechelicke historie vanden alder-vroomsten ende vermaertsten ridder
Palmerijn van Olijve.
Bredero ontleende er zijn stof aan voor
Rodd'rick ende Alphonsus (nl. caput 105),
Griane (caput 1-11, 89-91, 94-96 en 98) en
Stommen Ridder (caput 68-79).
LIT: MEW; J.J. O'Connor. Amadis de Gaule and its influence on
Elizabethan literature (1970). [P.J. Verkruijsse]
| |
pamflet-1, vliegende bladen of vlugschrift
Algemeen verspreid geschrift dat een concreet feit, dat tot op
één jaar nauwkeurig bepaald kan worden, beschrijft of bespreekt
of dat in nauw verband met een zodanig feit gedrukt of op een andere manier
vermenigvuldigd en uitgegeven is in de tijd waarin genoemd feit voorviel.
Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst was het mogelijk om snel
en op grote schaal actuele berichten te verspreiden in beknopte vorm, dus voor
een geringe prijs. Deze pamfletten, vlugschriften of vliegende bladen waren
vaak op
plano-vellen gedrukt, verschenen dikwijls
anoniem (tenzij het een min of meer officiële overheidspublicatie betrof)
en zonder drukkersadres en werden op straat uitgevent door
marskramers. Het pamflet met
actualiteitswaarde (bekendmakingen van de overheid, nieuwsberichten) is de
voorloper van het
dagblad. Al vrij snel krijgt het pamflet
behalve een actuele ook een polemische (polemiek) inhoud
(pamflet-2).
Grote collecties pamfletten bevinden zich in de Koninklijke
Bibliotheek in Den Haag (catalogus door
W.P.C. Knuttel, 19782), de
Universiteitsbibliotheek Gent (de collectie-
Meulman, gecatalogiseerd door
J.K. van der Wulp, 1866-1867), in de
Thysiana en de Universiteitsbibliotheek Leiden(catalogus door
L.D. Petit en
H.J.A. Ruys, 1882-1934), in de boekerij
van de Remonstrantse Kerk te Amsterdam (catalogus door
H.C. Rogge, 1862-1866), in de
Universiteitsbibliotheek Groningen (catalogus door
G. van Alphen, 1944), in de
Universiteitsbibliotheek Utrecht(catalogus door
J.F. van Someren, 1915-1922), in de
Provinciale BibliotheekMiddelburg (catalogus door
W.C. Zijlstra, 1994) en in de
Bibliotheek Arnhem (catalogus door
M.W. Huiskamp,
P.J. Boon en
R.L.M.M. Camps, 1995).
P.A. Tiele beschreef de verzameling van
Frederik Muller in de
Bibliotheek van Nederlandse pamfletten (1858-1861).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Metzler;
MEW; Scott; Wilpert; P. Fredericq. Het Nederlandsche proza in de
16e-eeuwsche pamfletten uit den tijd der beroerten (1907); N.B. Tenhaeff.
Pamfletten. Engelsch-Hollandsche waardeering in de 17e eeuw. Een parallel
tot moderne oorlogslitteratuur (1917); O. Giraldo. ‘Van pamflet en
traktaat tot vlugschrift: een oud probleem opnieuw belicht’, in
Handelingen van het 26e Vlaamse Filologencongres (1967), p. 536-546;
P.A.M. Geurts. De Nederlandse opstand in de pamfletten 1566-1584
(19833); C.E. Harline. Pamphlets, printing and political culture
in the early Dutch Republic (1987). [P.J. Verkruijsse]
| |
pamflet-2, libel, paskwil, schimpschrift,
schotschrift of smaadschrift
De vernieuwingsbewegingen van na de uitvinding van de
boekdrukkunst ontdekten al snel dat de drukpers ook voor propagandistische
doeleinden gebruikt kon worden. Verspreiding op grote schaal van nieuwe
ideeën was mogelijk door middel van goedkoop en weinig omvangrijk
drukwerk, dus via pamfletten. Het pamflet (pamflet-1)
ontwikkelde zich tot schotschrift, waarin vaak uiterst felle
polemieken gevoerd werden over met name
godsdienstige en politieke onderwerpen in de 16e tot en met 18e eeuw. In de 19e
eeuw neemt de brochure (brochure-2) de plaats in van het
pamflet; in de 20e eeuw leeft het weer op door politieke (wereldoorlogen) en
maatschappelijke (Provo) gebeurtenissen.
Het pamflet kan nu eens lijken op een
traktaat, dan weer op een
hekeldicht of
satire of een politieke
prent. Ook de grens met de
gelegenheidspoëzie is soms niet scherp
te trekken. De
dialoog leent zich bijzonder goed voor het
leveren van kritiek; populair waren de zgn.
schuitpraatjes. De omvang blijft vaak niet
beperkt tot een
plano, maar kan uitdijen tot
één of meer
katernen.
Veel pamfletten zijn - zoals meer gelegenheidsdrukwerk - niet of
in slechts weinige exemplaren bewaard gebleven.
Grote collecties pamfletten bevinden zich in openbaar bezit (zie
onder
pamflet-1).
LIT: Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Wilpert;
P. Fredericq. Het Nederlandsche proza in de 16e-eeuwsche pamfletten uit den
tijd der beroerten (1907); N.B. Tenhaeff. Pamfletten.
Engelsch-Hollandsche waardeering in de 17e eeuw. Een parallel tot moderne
oorlogslitteratuur (1917); O. Giraldo. ‘Van pamflet en traktaat tot
vlugschrift: een oud probleem opnieuw belicht’, in Handelingen van het
26e Vlaamse Filologencongres (1967), p. 536-546; P.A.M. Geurts. De
Nederlandse opstand in de pamfletten 1566-1584 (19833); C.E.
Harline. Pamphlets, printing and political culture in the early Dutch
Republic (1987). [P.J. Verkruijsse]
| | | |
panoramische vertelwijze
Term uit de
verteltheorie voor een tekstuele presentatie
van een groot ruimtelijk overzicht van de materiële situatie waarin de
lezer zich dient te verplaatsen. De panoramische presentatie is een vorm van
het
fysisch perspectief, evenals de
scenische presentatie. Van deze laatste
verschilt de panoramische vertelwijze doordat het niet om een eenmalige
gebeurtenis gaat. Men zou ook kunnen zeggen: de panoramische vertelwijze is,
door het ontbreken van de factor
vertelde tijd, verwant aan de
schets, terwijl de scenische vertelwijze
dichter bij het
verhaal-1 staat. De panoramische vertelwijze
wordt bij voorkeur gebruikt bij de
auctoriale vertelwijze, omdat de alwetende
verteller bij uitstek in staat is om een totaalblik op de situatie te geven.
Een goed voorbeeld ervan treft men aan in
Hildebrands novelle Teun de
Jager (1840), waarin een panorama van het Hollandse duinlandschap
geschilderd wordt waarin de tragedie zich zal voltrekken.
LIT: Bergh; Boven/Dorleijn; Cuddon; Herman/Vervaeck; Lodewick;
Scott. [G.J. Vis]
| | | |
pantomime
Dramatische voorstelling waarbij spelers zonder woorden hun rol
door beweging van gelaat en lichaam tot uitdrukking brengen. In het 17e-eeuwse
Frankrijk waren de pantomimen balletten, uitgevoerd door
gemaskerde personages. Pantomimen werden soms gebruikt als basis voor
zangspelen. In de 20e eeuw nemen ballet,
revue en stomme film elementen van de
pantomime over.
Sommigen beschouwen pantomime synoniem met mime. Anderen wijzen op
het feit dat mime zich beperkt tot kluchtig gebarenspel, weer anderen
benadrukken in de moderne Franse mime (school van
Decroux) het belang van het lichaam
(handen en gezicht zijn bijzaak) en het feit dat de pantomime een nabootsing
is, tegenover de mime als zelfstandige kunstvorm.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; De Leeuwe/Uitman; MEW;
Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
pantoum, pantoen of pantoun
Term uit de genreleer ter aanduiding van een van oorsprong Maleise
dichtvorm bestaande uit kwatrijnen. Elke strofe wordt voor de helft in de
volgende herhaald en wel zo dat vs. 2 en vs. 4 van de eerste strofe fungeren
als vs. 1 en vs. 3 van de tweede strofe, enz. In het laatste kwatrijn is de
tweede regel dezelfde als vs. 3 van strofe 1, en is de slotregel gelijk aan vs.
1 van strofe 1. Het is dus een
cyclisch gedicht.
Het genre vertoont verwantschap met het
ketendicht en enigermate ook met de
sonnettenkrans. Wat de klank betreft heeft
het twee kenmerken: het
rijmschema is abab/bcbc etc., en binnen de
regels vindt men vaak
assonance. In de Nederlandse letterkunde is
het genre o.a. beoefend door
Pol de Mont,
Hélène Swarth en
Theodor Holman.
Als voorbeeld volgt hier het begin van het gedicht ‘Pantoum
voor Drs. P’ van Holman (waarbij de assonanties overigens ontbreken):
Het is toch zo'n aardige man.
Graag maak ik voor hem een pantoum.
Ik weet wel dat ik het niet kan,
maar misschien verschaft het mij roem.
Graag maak ik voor hem een pantoum,
Al is het wel erg veel gezwoeg.
Maar misschien verschaft het mij roem
En houdt het mij ook uit de kroeg.
(Een feestelijk cahier voor Drs. P., 1979,
p. 8).
LIT: Buddingh; Cuddon; Gorp; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
paper
Term uit de wereld van de wetenschappelijke congressen, waarmee
gewoonlijk een vrij korte verhandeling wordt aangeduid die gehouden wordt, al
dan niet in parallelsessies, tussen de meer belangrijke lezingen door. Vaak
dient een paper (op papier!) tevoren aangemeld en opgestuurd te worden aan de
congresorganisatie. [P.J. Verkruijsse]
| |
paperback
Gebrocheerd (brocheren) of genaaid boek
waarbij het omslag tegen de rug geplakt is (lumbecken),
dat door die productiewijze en door zijn grote
oplage goedkoop is, dat gewoonlijk deel
uitmaakt van een serie en dat niet kleiner mag zijn dan ongeveer 20 x 12,5 cm.
Is het formaat kleiner dan spreekt men van een
pocketboek. Het terminologisch onderscheid
is typisch Nederlands, maar wordt ook hier niet altijd strikt aangehouden: zo
zijn de Literaire Reuzenpockets van de Bezige Bij eigenlijk paperbacks.
Bekende paperbackreeksen zijn verder de Grote ABC van de
Arbeiderspers, de serie Meulenhoff Editie, de Grote Manteau Paperbacks, de Born
Paperbacks en Nijgh & Van Ditmar's Paperbacks.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; MEW; P.
Schreuders. Paperbacks, U.S.A. (1981); H. van Krimpen. Boek over het
maken van boeken (1986), p. 204-205; S. Hubregtse. ‘Nederlandse
pockets verzamelen’, in: De Boekenwereld 3 (1986-1987), p. 79-90.
[P.J. Verkruijsse]
| |
papier
Door kunstmatige vervilting uit plantaardige vezels vervaardigde
substantie. De uitvinding van het papier maken moet gesitueerd worden in de 1e
eeuw in China en heeft zich in de 8e eeuw via de Arabieren
verbreid tot in Spanje in de 12e eeuw. Er kwamen vervolgens
papiermolens in Italië (vanaf 1270), Frankrijk
(1348),Duitsland (1390) en de Nederlanden
(Hoei 1405;Dordrecht pas in 1586). Door de uitvinding
van de boekdrukkunst nam de vraag naar papier sterk toe. De Nederlandse
papierindustrie concentreerde zich uiteindelijk in deZaanstreek en
op de Veluwe.
Papier werd gemaakt van in stukken gesneden lompen, die met
toevoeging van water fijngestampt worden. De zo ontstane pulp komt in een grote
kuip terecht waaruit de papiermaker met een schepvorm schept. Op de van
metaaldraadgaas vervaardigde bodem van de vorm (deze draden leveren de
kettinglijnen in het papier), waarin ook het
watermerk wordt gevlochten, blijven de
vezels achter terwijl het water wegloopt. Door op de juiste manier de vorm te
schudden ontstaat een hecht
vel. Het vel wordt op een stuk vilt gelegd
en zo wordt om en om met vellen vilt en papier een stapel gemaakt van ongeveer
120 vel die onder de papierpers van water ontdaan wordt. Daarna worden de
vellen te drogen gehangen en na het drogen in een lijmbad gedompeld en
gesatineerd (gladgeklopt).
Midden 19e eeuw vond
Friedrich Keller een oplossing voor het
zo langzamerhand nijpende grondstoffentekort: het bleek mogelijk papier te
maken uit lompen en houtslijpsel. In 1866 ontdekte
Benjamin Tilghman dat het gebruik van
lompen niet meer nodig was: hout kon worden omgezet in cellulose door het te
koken in een zwavelkalkoplossing. De laatste tijd blijkt dat het 19e-eeuwse
houthoudende papier sterk aan verval onderhevig is waardoor gehele collecties
verloren dreigen te gaan. Naast hout werden stro en espartogras belangrijke
papiergrondstoffen. Het vervaardigen van papier in talrijke soorten, gewichten
en formaten is na 1801 geheel gemechaniseerd via langzeefpapiermachines die tot
1000 meter papier per minuut produceren, opgerold op grote rollen. Voor de
drukker is de looprichting van de papierbaan van grote betekenis; die moet
evenwijdig zijn aan de rug van het boek i.v.m. uitzetten en krimpen bij vochtig
worden.
In de
analytische bibliografie is de
papierbeschrijving het meest problematische onderdeel, omdat watermerken vaak
slecht te herkennen zijn en de afmetingen van een vel slechts bij benadering te
reconstrueren.
Belangrijke papiercollecties zijn de Labarre-collectie in de
UniversiteitsbibliotheekAmsterdam en de collectie-Voorn in de
Koninklijke Bibliotheek Den Haag. In Nederland zijn
nog papiermolens in bedrijf in het Openluchtmuseum te Arnhem en in
molen De Schoolmeester te Zaandijk.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; A. Blum. Les origines du
papier, de l'imprimerie à la gravure (1935); Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 57-77, 214-230; C.F.J.
Schriks. Neem nou papier...; een kleine historie over de uitvinding van het
papier (1983); A.C. Schuytvlot. Papier in de U.B.A. (1984); H. van
Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 44-63. [P.J.
Verkruijsse]
| |
parabel, gelijkenis of parabola
Vorm van epiek bestaande uit een
verhaal-1 dat in de vorm van een
vergelijking of
allegorie een les (didactische literatuur) wil geven. De oudste en meest bekende
voorbeelden van parabels vindt men in de bijbel (gelijkenis van de zaaier,
gelijkenis van de barmhartige Samaritaan e.v.a.). Gedurende de Middeleeuwen
werd de parabel nagevolgd in de vorm van het
exempel.
Erasmus (1466?-1536) publiceerde na zijn
succusvolle spreekwoordenverzameling Adagia in 1514 een
bundel vergelijkingen, de Parabolae.
Een bekend voorbeeld uit de Nederlandse letterkunde is de parabel
van de Japanse steenhouwer van
Multatuli.
Als ‘voorbeeldgeval’ is de gelijkenis verwant aan het
exemplum. Als vorm van wijsheidsliteratuur
is de parabel vergelijkbaar met de
gnome-2, de
fabel-1 en de
sententia.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Gorp; Laan; Lausberg; LdMA;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
paradox
Stijlfiguur, afkomstig uit de logica, behorend tot de
gedachtefiguren, waar een tweeledigheid
(vgl.
contentio) als tegenstelling (antithese) is ingebouwd. De paradox heeft de vorm van een
tegenstrijdigheid, maar deze is oplosbaar (vgl.
oxymoron). Een voorbeeld van zo'n schijnbare
tegenstrijdigheid is het bijbelse ‘niets hebbende, alles
bezittende’ (2 Cor. 6:10). De paradox kan ook voorkomen
als hoofdthema van een (deel van een) literair werk. Zo is Erasmus'
Lof der zotheid (1509) gebaseerd op het principe dat de
meest dwaze mens ook de meest wijze is. In de romantiek - met zijn voorkeur
voor individuele vormgeving van individuele gevoelens en fantasieën -
floreerde de paradox in allerlei genres en situaties, o.a. bij
Multatuli:
Ieder ziet hier dat ik geen schrijver ben.
(Ideën, dl. II, 1880, 6, p. 85).
Bij
Menno ter Braak is de paradox een
geliefd stijlmiddel om aan de ‘gefixeerde’ of
‘versteende’ vormen die aan taal eigen zijn te ontkomen. In zijn
werk zijn dan ook tal van paradoxen aan te wijzen. Zo legt hij zijn fictieve
gesprekspartner in Van oude en nieuwe christenen de
volgende paradox in de mond:
Gijsbertus. Ik kan mij dus veroorloven je met geklets te
vervelen, want mijn geklets zal je beste inspiratie en de verveling zal je
amusement zijn. Wat denk je van déze paradox? (VW, dl. 3,
1949, p. 197).
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.J. Oversteegen.
De redelijke natuur. Multatuli's literatuuropvatting (1987), p. 38 e.v.;
R. Landheer. ‘Wat is het specifieke van lexicale paradoxen?’, in:
Corpusgebaseerde woordanalyse (1987), p. 125-135. [G.J. Vis/G.J. van
Bork]
| |
parafrase
Term uit de retorica voor een oefening in het met andere woorden
weergeven van een voorbeeldtekst, ook in een ander genre, bijv. het overbrengen
van poëzie naar proza of omgekeerd. De redenaar of auteur kon hiervan
voordeel hebben bij de
inventio en
elocutio en de parafraseoefening kon
bijdragen aan de beheersing van een vrijere vorm van
imitatio.
In de renaissance zijn veel parafrases gemaakt op de Spreuken van
Salomo en de Psalmen, bijv. door
Johan de Brune de Oude:
Proverbia, of, de spreucken van Salomon: nu eerst uyt de Hebreeusche
in onse Neder-duytsche tale over-gheset, ende in alle duystere plaetsen
uyt-gheleght, ende verklaert (1619).
Later heeft parafrase uitsluitend de betekenis gekregen van het in
andere woorden weergeven van een moeilijke tekst om die te verduidelijken.
Reeds bij de Romeinen was er een discussie (
Crassus versus
Quintilianus) over de mogelijkheid,
respectievelijk toelaatbaarheid van parafraseren, omdat het gebruik van
synoniemen toch nooit de inhoud van de te
parafraseren tekst kan dekken. In de beweging van de
New Criticism uit de eerste helft van de 20e
eeuw keert deze discussie terug:
Cleanth Brooks heeft het in zijn
The well wrought urn (19472) over ‘the
heresy of paraphrase’.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp;
Lausberg; Leeman/Braet; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
paragoge
Term uit de retorica voor een van de mogelijkheden van
metaplasmus, nl. het toevoegen van letters
of een lettergreep aan het eind van een woord ten behoeve van het juiste metrum
in poëzie of een welluidender formulering in proza, bijv. de verbogen vorm
‘zonne’ in vs. 78 van
Vondels Lucifer
(1654, WB-ed., 1931, dl. 5, 601-696), die hij hier omwille van het metrum
gebruikt in tegenstelling tot de normale vorm ‘zon’:
De dau ververschtze ‘s nachts. het ryzen en het dalen
Der zonne weet zijn maet, en matight zoo haer stralen
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
paragraaf
Een van de hiërarchische, organisatorische niveaus waarop een
prozatekst onderverdeeld kan worden, van groot naar klein: volume, deel,
hoofdstuk, paragraaf,
alinea, zin enz. Een paragraaf wordt in de
tekst meestal weergegeven door een regel wit, soms door een apart typografisch
teken in de
marge (paragraafteken). De alinea is gewoonlijk een deelstructuur van
de paragraaf.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; LdMA; Metzler;
Shipley; Wilpert; J. Renkema. Schrijfwijzer (19936), p. 45.
[H. Struik]
| |
paragraafteken
Term uit de paleografie en codicologie. In middeleeuwse
handschriften treft men regelmatig paragraaftekens aan, meestal in de gedaante
van een hoofdletter C met een verticale streep er doorheen (¶). Hun
oorspronkelijke functie is die van ondersteuning van de voordracht geweest, met
name door het markeren van de directe rede op plaatsen waar een voorlezer
gemakkelijk in de fout zou kunnen gaan. Toen men er meer en meer toe overging
zelf te lezen, kreeg het paragraafteken een structurerende functie,
vergelijkbaar met die van de
lombarde. Waar het paragraafteken strikt
structurerend gebruikt wordt, komt ook wel het
semiparagraafteken voor. In eenvoudige
handschriften zette de kopiist de rode paragraaftekens doorgaans zelf. In meer
luxueuze codices was het de rubricator (rubricatie) die
de rode of afwisselend rood-blauwe paragraaftekens zette aan de hand van door
de kopiist geplaatste
representanten. Tegenwoordig gebruikt men
het paragraafteken (§) in combinatie met een doorlopende nummering vooral
in handboeken en in juridische en wetenschappelijke teksten.
LIT: BDI; W. Kuiper. ‘Lombarden, paragraaf- en
semiparagraaftekens in middelnederlandse epische teksten’, in:
Spektator 10 (1980-1981), p. 50-85. [W. Kuiper]
| |
paragram
Opzettelijke verschrijving - vaak met schertsende bedoeling - door
verandering van een of meer letters in een woord. Zo omschreef de rechtse pers
het duo
Van Kooten en
De Bie als ‘Van Klooten en
Debiel’. Maar er zijn ook nettere voorbeelden zoals
‘modermisme’ (modernisme).
Anders dan bij het
anagram hoeven bij het paragram in de
herschikking niet alle letters van het origineel terug te keren. Dit biedt
mogelijkheden in de richting van
contaminatie en
portemanteau.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
paraleipsis zie
praeteritio
| |
paralipomena
Dat wat vergeten of weggelaten werd. Onder deze aanduiding
publiceert men wel aanvullingen bij reeds eerder verschenen werk. De naam wordt
bijv. gebruikt in de bijbel (Septuagint) voor de publicatie van de Kronieken
die als aanvulling op het boek Koningen worden beschouwd.
Harry Mulisch publiceerde een verhaal
‘Paralipomena Orphica’ in de bundel van die naam (1970).
In de editiewetenschap gebruikt men de term voor ‘eenheden
die in een zekere, hetzij tekstuele, hetzij productionele relatie staan tot de
teksten die tot de ontwikkelingsgeschiedenis van een werk behoren, maar die
geen stadium vormen binnen de tekstontwikkeling vanwege het ontbreken van
“productionele” dan wel tekstuele verwantschap’ (Dorleijn). Gewoonlijk
betreft het werkaantekeningen (klad) van een auteur.
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; Mathijsen; Metzler; MEW;
Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]
| |
parallellie
Term uit de literatuurwetenschap door sommigen gebruikt als
synoniem van
Jakobsons begrip
equivalentie. Men verwarre dit begrip niet
met het
parallellisme, dat een mogelijke vorm is van
equivalentie, en dus een onderdeel van parallellie.
LIT: Boven/Dorleijn; K. Beekman en F. de Rover. Literatuur bij
benadering (1987), p. 35. [G.J. Vis]
| |
parallellisme
Term uit de stilistiek voor die vorm van herhaling waarbij twee
zinnen of zinsdelen in syntactisch opzicht gelijk lopen, vaak ondersteund door
andersoortige herhalingsvormen, bijvoorbeeld de
repetitio, of vormen van klankherhaling (in
ritme of
rijm):
Looft, alle volken, looft den Heer, / roemt, alle naties, roemt
zijn eer
(Liedboek voor de kerken, 1973, p. 202).
Kern van het parallellisme is de herhaling van de grammaticale
structuur (hier: persoonsvorm, aangesproken persoon, object). Ondersteuning op
andere niveaus vindt men in dit geval door de semantische correspondentie
tussen ‘looft’ en ‘roemt’ en tussen
‘volken’ en ‘naties’, door de repetitio van
‘alle’, door de ritmische herhaling (-, -.-., -.-) en door het rijm
(’Heer’/‘eer’).
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
parenthese
Aanduiding voor een stilistisch verschijnsel behorend tot de
woord- en zinfiguren, bestaande uit een
tussenzin, in het bijzonder die welke buiten het syntactisch verband is
geplaatst, vaak tussen streepjes of haakjes.
Bijv.:
Ik zorg - want het is stil en de straat nauw - gelijke tred met
Awater te houden
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 221).
Sommigen beschouwen de parenthese als een
gedachtefiguur. In afgeleide zin wordt het
woord parenthese ook wel gebruikt voor de streepjes of haakjes waartussen de
ingevoegde zin geplaatst is.
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Lausberg; Metzler;
Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
parlandopoëzie of praatvers
Type
gedicht dat als genre opgang maakte in de
eerste helft van de 20e eeuw. Prosodisch gezien heeft het praatvers trekken van
de poésie parlante (vrij vers-2) en van het
dynamisch vers. Als reactie op de klassieke
dichtkunst is parlandopoëzie gekenmerkt door het ontbreken van
traditionele vormen van
beeldspraak en andere
stijlfiguren. Als reactie op sommige
taalexperimenten uit het
modernisme streeft men in dit genre naar
eenvoud en begrijpelijkheid, met een voorkeur voor de
anekdote.
Parlandopoëzie is beoefend in de kring van het tijdschrift
Forum (1932-1935). Bekend is de bundel Parlando
(1930) van
E. du Perron. Latere beoefenaars van deze
dichtvorm zijn o.a.
J. Bernlef en
K. Schippers (vgl.
neorealisme).
LIT: Bronzwaer; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
parnastaal
Term ontleend aan de 17e-eeuwse literaire kritiek ter aanduiding
van hoogdravende dichterlijke taal (de Parnassos is de berg waarop Apollo en de
Muzen zetelden). Door toedoen van theorie en praktijk van het
classicisme wordt parnastaal in de 19e eeuw
de negatieve aanduiding voor een type literair taalgebruik dat de ware
verhevenheid heeft ingeruild voor quasi-verhevenheid. De oorzaak ervan zou zijn
dat men op een - in de tijd der romantiek als ‘slaafs’ ervaren -
wijze de
wet volgt. Daaruit zou resulteren dat de
retorica plaats maakt voor
retoriek en dat
originaliteit verdwijnt.
Het begrip parnastaal leeft, al dan niet met handhaving van de
term, voort tot in de 20e eeuw. Zo zou men - gelet op
Ter Braaks afkeer van epigonisme - diens
kritiek op
Binnendijk in de
vorm-of-vent-discussie als een late uiting
van ongenoegen over de parnastaal kunnen beschouwen.
LIT: Laan; A. van Strien. De schoonste paerel aen Apolloos
lauwerkroon: Huygens in de ogen van tijdgenoten (1997). [G.J. Vis]
| |
parodie
Spottende nabootsing van een literair werk, veelal met de
bedoeling het werk belachelijk te maken of te bekritiseren. Een veel toegepast
procédé is dat waarbij het origineel op de voet wordt gevolgd
terwijl de parodist hier en daar woorden of zinnen weglaat, toevoegt of
vervangt. De parodie is te vergelijken met de
karikatuur: de kop van een bepaalde persoon,
bijv. een politicus, wordt tot uitgangspunt genomen en daarin gaat de
karikaturist vervolgens veranderingen aanbrengen zodat vervorming optreedt. De
parodie is verwant aan de
pastiche; beide genres worden ook wel
aangeduid met de term
persiflage.
Als voorbeeld van parodiëring volgt hier de eerste strofe van
J. Kinkers parodie op het gedicht
‘Alrik en Aspasia’ van
R. Feith:
| Feith: | Kinker: |
| In ouden tijd
in Frankenland | In ouden tijd in Frankenland |
| Een
goelijk Maagdske leefde, | Een goelyk Maagdske
leefde, |
| Die al de maagdskens van het land | Die al de
Maagdskens van het land |
| In schoonheid
overstreefde. | In schoonheid over - (zegt de Kwant, Hy meent,
te boven) streefde. Dat zei die kwant. (bis) |
(J. Kinker. De verlichte muze, ed.
Vis, 1982, p. 52-53).
Een geliefde vorm van de parodie is de
travestie.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.G. Riewald. ‘Parody as
criticism’, in: Neophilologus 50 (1966), p. 125-148; B.
Müller (ed.). Parody. Dimensions and perspectives (1997). [G.J.
Vis]
| |
paroniem
Vergaande overeenkomst in klank en schrift van woorden die in
betekenis van elkaar verschillen, zoals ‘besteedbaar’ en
‘bekleedbaar’ of ‘onderwijs’ en
‘onderwijl’. Paronymie wordt vaak gebruikt als vorm van
woordenspel (vgl.
calembour), bv. in cabaretlied (cabaret) of
puntdicht.
Huygens maakt er gebruik van in zijn
puntdicht:
Jan eiste een matras, al was het bedde zochter:
Neel nam 't voor een maitres en zei: Heer, neem mijn
dochter.
Nee, zei hij, goê waardin, gij neemt mijn mening mis,
ik eis een matras die onbeslapen is.
(Dichten op de knie, ed.
Hellinga, 1956, p. 151).
LIT: Cuddon; Gorp; Marouzeau; Shipley. [G.J. van Bork]
| |
paronomasia, annominatio of pun
Term uit de retorica voor een pseudo-etymologisch
woordenspel dat een betekenisspanning
teweegbrengt tussen twee woorden door klankverandering. Verwante woordspelingen
zonder het element van klankverandering zijn
polyptoton en
figura etymologica. Paronomasia kan bereikt
worden door het toevoegen, weglaten of wijzigen van een klank bij woorden die
organisch samenhangen (bijv.: ‘je moet niet tekenen, maar iets
betekenen’), maar ook zonder zo'n samenhang is het spel mogelijk, bijv.
door het omzetten van letters (bijv.: ‘die dans is een half gare
rage’).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
pars pro toto
Vorm van beeldspraak waarbij een deel in plaats van het geheel
genoemd wordt (synecdoche,
metonymie), bijv. ‘kiel’ voor
‘schip’ zoals in:
Hy wenckt ons toe alreede, en blyft versekeraer
Te vryen onsen kiel van schipbreuck, en gevaer.
(
J. van den Vondel. Het lof
der zee-vaert, 1623, WB-ed., dl. 2, 1929, p. 432).
Het tegenovergestelde van een pars pro toto is het
totum pro parte.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Metzler; Morier;
Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
partie
Middelnederlandse benaming voor een deel, afdeling of hoofdstuk
van een boek. De aanduiding ‘partie’ wordt doorgaans gevolgd door
een opeenvolgende nummering. Zo schreef
Jacob van Maerlant drie partieën
van zijn magnum opus Spiegel historiael, waaraan
Filip Utenbroeke de tweede berijmde partie
toevoegde en later
Lodewijk van Velthem de resterende boeken
van de vierde partie en de volledige vijfde partie.
In zijn boek Maerlants wereld (1996) nam
F. van Oostrom de term over voor de
hoofdstukindeling van zijn biografie.
LIT: MNW. [G.J. van Bork]
| |
partitio
Term uit de retorica voor een opsomming (enumeratio) van de in het betoog te behandelen punten. De
partitio staat dan gewoonlijk in het
exordium, maar ze kan ook als een soort
tussenevaluatie aan het eind van de
narratio geplaatst worden. Als de enumeratio
als algemeen overzicht om het geheugen op te frissen aan het slot van een
betoog (in de
conclusio) staat, noemt men dat
recapitulatio.
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Ueding.
[P.J. Verkruijsse]
| |
partituureditie
Term uit de editietechniek (teksteditie)
voor een editievorm waar de verschillende redacties (redactie-2) uit de geschreven en gedrukte bronnen per regel
onder elkaar - hetzij chronologisch, hetzij contrachronologisch - afgedrukt
worden om aldus een goed inzicht in de varianten mogelijk te maken. Een
partituureditie is daarom ook vrijwel altijd een
diplomatische editie. Wanneer in
één
manuscript veel wijzigingen en doorhalingen
voorkomen, kan voor de weergave van de
tekstgenese binnen een regel ook voor een
partituurweergave gekozen worden.
In plaats van de term partituureditie wordt ook wel
synoptische editie gebruikt, maar het is
beter die te reserveren voor edities waar de verschillende redacties naast
elkaar in kolommen gegeven worden.
Een voorbeeld van een partituureditie van een prozatekst is die
door
A. Kets-Vreevan
Willem Elsschots Een
ontgoocheling.
LIT: Mathijsen (i.v. synoptische editie); P. Gerbenzon.
‘Teksteditie anders’, in: NTg 56 (1963), p. 328-333; E.
Höpker-Herberg. ‘Überlegungen zum synoptischen Verfahren der
Variantenverzeichnung’, in: Texte und Varianten (1971), p. 219-232
(m.n. 219, nt. 1); A. Kets-Vree. Woord voor woord; theorie en praktijk van
de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd aan Een
ontgoocheling van Willem Elsschot (1983), p. 40-42. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
passie
Het lijdensverhaal van Christus of de marteldood van een heilige.
Gedurende de Middeleeuwen werden de passies bijeengebracht in het Passionaal, een legendeverzameling, vergelijkbaar met het
martyrologium (martelaarsboek).
LIT: LdMA; Lodewick; MEW; Scott; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
passiespel
Benaming voor een
mysteriespel waarin het lijden van Christus
het hoofdthema vormt. De passiespelen zijn een populariserend-dramatische
voortzetting in de volkstaal van de (semi-)liturgische
paasspelen (liturgisch
drama) in het kerkgebouw. In 1394 moet een passiespel opgevoerd zijn op
de Brink in Deventer; in 1443 is in Nieuwpoortsprake
van een wedstrijd in het ten tonele voeren van passiespelen. In de 16e eeuw
kwam als gevolg van de reformatie en de contrareformatie een einde aan de
opvoering van deze passiespelen.
Het passiespel, zoals dat heden ten dage nog bekend is, herleefde
in 1634 in het Beierse plaatsje Oberammergau. Dit heeft elders in
Europa navolging gevonden, onder andere in het Nederlandse
Tegelen en het Belgische Mariekerke.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; R. Bergmann. Studien zur Entstehung und
Geschichte der deutschen Passionsspiele des 13. und 14. Jahrhunderts
(1972); E. Roy. Le mystère de la Passion en France du XIVe au XVIe
siècle. Étude sur les sources et le classement des
mystères de la Passion (1974); H. Schillings. Toneel en Theater
in Limburg in de 19de en 20ste eeuw (1976); W.N.M. Hüsken. ‘In
Dendermonde wordt in de Paasdagen een Verrijzenisspel gespeeld; kerkelijk drama
in de volkstaal’, in: R. Erenstein (hoofred.). Een theatergeschiedenis
der Nederlanden (1996), p. 24-29. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
passim
Latijns woord dat letterlijk ‘verspreid’ betekent en
gebruikt wordt in literatuurverwijzingen en noten of in een index in die
gevallen waarin het desbetreffende woord op zoveel plaatsen in een publicatie
voorkomt dat het zinloos zou zijn om alle afzonderlijke pagina's te noteren.
[P.J. Verkruijsse]
| |
passionaal
Middeleeuwse verzameling lijdensverhalen (passie) en marteldoden (martelaarsboek)
van heiligen. De bekendste is de Legenda Aurea van
Jacobus de Voragine (1298), dat door de
auteur bescheiden Legenda sanctorum werd genoemd. De
Legenda aurea bevat 182 hoofdstukken waarvan er ongeveer 20 niet aan
heiligen, maar aan kerkelijke feestdagen zijn gewijd. In de 14e en 15e eeuw was
het werk erg populair en is het in het Middelnederlands vertaald, waarbij een
aantal levens van lokale heiligen is toegevoegd.
Het passionaal is vergelijkbaar met het
legendarium (verzameling van heiligenlevens
of
hagiografieën).
LIT: Best; Cuddon; LdMA; Scott; Wilpert; J. Deschamps. ‘De
Middelnederlandse vertalingen van de Legenda aurea van Jacobus de
Voragine’, in: Handelingen van het 22ste Nederlands
Philologencongres (1952), p. 21-22; J. Deschamps. Catalogus van
Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken
(19762), p. 197-201. [H. Struik]
| |
pastei
Term uit de drukkerswereld voor zetsel dat in wanorde is geraakt.
In pastei gevallen zetsel betekent een flinke schadepost omdat het
lettermateriaal eigenlijk alleen nog geschikt is voor de smeltpot. Het kan niet
opnieuw gedistribueerd worden over de letterkasten, want dat gebeurt immers op
basis van het lezen van het zetsel en niet door ieder letterstaafje
afzonderlijk te identificeren.
LIT: BDI; Brongers; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de
Nederlanden (1962), p. 241; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e
eeuw (19862), p. 292-293, 324; H. van Krimpen. Boek over het
maken van boeken (19862), p. 37. [P.J. Verkruijsse]
| |
pastiche
Persiflage van de stijl van een auteur of
generatie, of van een literair genre, met de bedoeling deze belachelijk te
maken of te bekritiseren. Zo persifleerde
G. van de Linde het heldendicht (epos) in zijn onder ‘epische poëzy’ opgenomen
‘Proeve van dichterlijke vlucht’ (De gedichten van den
schoolmeester, ed.
Van Deel en
Mathijsen, 1975, p. 3-14). De pastiche is
vergelijkbaar met de cartoon waarin toestanden, gewoonten of menselijke
eigenschappen door overdrijving belachelijk worden gemaakt. Tot in de 19e eeuw
werd daarvoor meestal de term
burleske literatuur gebruikt, zoals
Te Winkel doet ten aanzien van sommige
gedichten uit de bundel Gedichten (1851) van
J. van Lennep. Het soort persiflages
waarbij verhalen uit de mythologie belachelijk worden gemaakt, sterft in de 19e
eeuw uit. Misschien is dit de reden waarom de daarna tot bloei komende nieuwe
vorm van bespotting, die het vooral moet hebben van het persifleren van de
stijl van een bepaalde auteur of groep auteurs - zoals
Grassprietjes (1885) van
C. Paradijs - niet meer met de term
burleske wordt aangeduid, maar, vooral in latere studies, pastiche wordt
genoemd.
Een ander terminologisch probleem schuilt in het feit dat tot in
de 20e eeuw de term pastiche ook wel gebruikt wordt voor datgene wat wij nu
meestal
parodie noemen, en omgekeerd.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.G.
Riewald. ‘Parody as criticism’, in: Neophilologus 50 (1966),
p. 125-148. [G.J. Vis]
| |
pastorale-1 of herdersdicht
In de Middeleeuwen is de pastorale een subgenre binnen de hoofse
lyriek, waarin de liefde gethematiseerd wordt aan de hand van een ontmoeting
ergens in het open veld tussen een hoofs ridder met een niet-hoofs
herderinnetje (= pastorele). De ridder zet ogenblikkelijk zijn zinnen op het
meisje en tracht met loze praatjes en beloften, desnoods met geweld, zijn
wellust terstond en ter plekke te bevredigen.
De Oudfranse literatuur kent tal van pastorales, het
Middelnederlands niet of nauwelijks. In de buurt komt het vijfde
Gruuthuselied:
Het was een rudder wael ghedaen,
Voer spelen doer sijn lant.
Hi vant in zinen weghe staen
Een joncfrauwe achemant
1.
Hi namse bi der witzer hant
2.
Hi seide: ‘vrouwe mijn, Nu wilwi trueren avelaen
3
Ene altoos vroilic zijn.’
(Gruuthuse-handschrift, ed.
Heeroma en
Lindenburg, 1966, p. 16, vss.
1-8).
In de renaissance is het herdersdicht de lyrische vorm van de
bucolische literatuur waarin - in navolging
van
Vergilius'
Bucolica - het eenvoudige landleven wordt
geïdealiseerd als tegenhanger van het verdorven hofleven. Het
gouden-eeuw-motief en de
locus amoenus komen er regelmatig in voor,
evenals muziek en dans. Uit de vaak in dialogen geschreven herderspoëzie
ontwikkelde zich de dramatische vorm van de bucolische literatuur, de
pastorale-2; de epische vorm is de
arcadia. Er zijn ook relaties met de
georgische poëzie.
Veel Nederlandse herdersdichten zijn vertaalde of bewerkte
fragmenten uit
Tasso's Il pastor
fido. Gedichten waarin klassieke herdersnamen als Amaril, Chloris,
Coridon, Myrtil, Philemon of Tytirus voorkomen, horen vaak tot dit genre, bijv.
Simon van Beaumonts ‘Liet’ in
de Zeeusche nachtegael (1623; ed.
Meertens en
Verkruijsse (1982), p. 46). De bekendste
dichter van herdersdichten is
J.B. Wellekens, die ook een
Verhandeling van het herdersdicht (1715; ed.
Warners, 1965) schreef. Zijn poëzie,
bestaande uit ‘herders-, hoef- en veldgezangen’ is uitgegeven als
Dichtlievende uitspanningen (1710).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; P.E.L.
Verkuyl. Battista Guarini's Il Pastor Fido in de Nederlandse dramatische
literatuur (1971); J.L.P. Blommendaal. De zachte toon der herdersfluit;
de pastorale poetica van Jan Baptista Wellekens (1987). [P.J.
Verkruijsse/W. Kuiper]
| |
pastorale-2 of herdersspel
De pastorale is de dramatische vorm van
bucolische literatuur, een variant op de
tragikomedie: een herdersspel, waarin het
eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd als tegenhanger van het verdorven
hofleven. Het gouden-eeuw-motief en de
locus amoenus komen er regelmatig in voor,
evenals de travestie en muziek en dans. In dat laatste opzicht is de pastorale
een voorloper van de
opera. De grote voorbeelden voor alle latere
navolgingen in dit genre zijn
Tasso's Aminta
(1573) en Il pastor fido (1589). Nederlandse pastorales -
volgens sommigen niet in zuivere vorm - zijn
P.C. Hoofts Granida
(1605; ed.
Zaalberg, [1975]),
Cats' Koningklyke herderin
Aspasia (1643/44?) en
J. van den Vondels
Leeuwendalers (1647; ed.
Alphenaar e.a., 1987).
Naast de pastorale is er het herdersdicht (pastorale-1) en als epische vorm de
arcadia. Er zijn ook relaties met de
georgische poëzie.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan;
MEW; Preminger; J.B. Wellekens. Verhandeling van het herdersdicht (1715;
ed. J.D.P. Warners 1965); M.I. Gerhardt. La pastorale; essai d'analyse
littéraire (1950); P.E.L. Verkuyl. Battista Guarini's Il Pastor
Fido in de Nederlandse dramatische literatuur (1971); D.J.M. ten Berge.
‘Het Nederlandse pastorale spel’, in: NTg 69 (1976), p.
33-38; J.L.P. Blommendaal. De zachte toon der herdersfluit; de pastorale
poetica van Jan Baptista Wellekens (1987); S. Brinkkemper en I. Soepnel.
Apollo en Christus (1989), p. 13-14. [P.J. Verkruijsse]
| |
pastorale literatuur zie
bucolische literatuur
| |
pathetic fallacy
Term uit de Engelse literaire kritiek, vooral bekend geworden door
J. Ruskin (1856), voor die vormen van
personificatie die meer zeggen over een
bepaalde geestesgesteldheid van de schrijver dan over het
‘objectieve’ karakter van het beschrevene. Het verschijnsel gaat
vaak gepaard met een soort animisme, d.w.z. het geloof in een actief universum
gevuld met leven dat sterker is dan de mens.
Zinsneden als ‘huilende bergen’, ‘zingende
winden’ en ‘lachende velden’ zijn voorbeelden van pathetic
fallacy, maar dan steeds als uitvloeisels van een bepaalde geestesgesteldheid
veroorzaakt door de subjectieve impressie die men bij deze natuurverschijnselen
ondergaat.
LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; R. Wellek. A history of modern
criticism, dl. 3 (1965), p. 146 v. [G.J. Vis]
| |
pathos
Term uit de retorica voor de emoties die bij publiek of lezer
opgewekt worden. Bepaalde stijlmiddelen als
exclamatio en
hyperbool worden vaak gebruikt om pathos
teweeg te brengen. Vooral in het renaissancedrama komt het vaak tot
spectaculaire uitbarstingen van emoties en hartstochten. Overdrijving kan
leiden tot een negatieve waardering van pathos, tot pathetiek, hetgeen vooral
gebeurde in en ten aanzien van de literatuur van het
sentimentalisme.
Aristoteles onderscheidde naast het pathos als
overtuigingsmiddelen het
ethos (het eigen karakter van de redenaar)
en de logos (de eigenlijke argumenten).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.W.H. Konst.
Woedende wraakghierigheidt en vruchtelooze weeklachten. De hartstochten in
de Nederlandse tragedie van de zeventiende eeuw (1993). [P.J.
Verkruijsse]
| |
patristiek
De theologische wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering
van het geloofsgetuigenis, de geloofsbezinning en de geloofsverkondiging van de
kerkvaders.
Anders dan bij de
patrologie, de literatuurgeschiedenis van de
christelijke oudheid, is de doelstelling van de patristiek niet descriptief
maar prescriptief van aard. Bij het ontstaan van de patristiek als zelfstandige
theologische wetenschap rond 1800 werd de methode sterk door een leerstellige
vraagstelling bepaald; zeker in katholieke kring streefde men ernaar om de
wording en ontwikkeling van de christelijke leerstellingen te tonen en de
continuïteit in de dogmageschiedenis te bewijzen. Ter ondersteuning van de
kerkelijke dogma's en traditionele theologische waarheden werd in de
geschriften van de kerkvaders gezocht naar argumenten voor en aanzetten van die
leerstukken die later meer expliciet waren geformuleerd in theologische
geschriften en pauselijke uitspraken.
Tegenwoordig doet de patristiek onderzoek naar de oorspronkelijke
zin en samenhang van levende en op de achtergrond geraakte christelijke
geloofswaarheden, geestelijke stromingen, gebedsteksten, riten en
praktijken.
LIT: LdMA; Wilpert; A.G. Hamman. Études patristiques:
méthodologie, liturgie, histoire, théologie (1991); H. Kraft.
Einführung in die Patrologie (1991). [H. Struik]
| |
patrologie
De historische wetenschap die zich bezighoudt met het leven en de
werken van de kerkvaders en de oudchristelijke auteurs in het algemeen. De
patrologie is de literatuurgeschiedenis van de christelijke oudheid en heeft
als voornaamste onderdelen de biografie van de auteurs, de kritische
vaststelling van de authenticiteit van de teksten, de analyse en typering van
de inhoud van de teksten en de bestudering van de taal en de stijl van de
auteurs.
De patrologie verschilt van de
patristiek door haar beschrijvende karakter
en van de profane literatuurgeschiedenis door de benadering van haar object: de
theologische en filosofische relevantie van de auteurs en de inhoudelijke
waarde van hun werk is belangrijker dan hun literaire betekenis en
kwaliteit.
LIT: MEW; Wilpert; A. Hamman. Praktische gids voor de
patrologie (1971); A.M. Malingrey & J. Fontaine. De oudchristelijke
literatuur (1972); H. Kraft. Einführung in die Patrologie
(1991). [H. Struik]
| |
patronage
Bescherming van kunsten en wetenschappen door gezag en autoriteit
zonder financiële bijdragen zoals dat met het
mecenaat het geval is. Een auteur die in
zijn werk enigszins afwijkende opvattingen wil uitdragen, kan zich tevoren
verzekeren van de steun van een erkende autoriteit op het desbetreffende
terrein, hetgeen zijn publicatiemogelijkheden kan vergroten en hem kan
beschermen tegen kritiek of zelfs censuur. Een dergelijk patronage zal de
auteur in een voorwoord of
opdracht niet onvermeld laten.
In 1604 bijvoorbeeld draagt
Wallich Sywaertsz zijn
Roomsche mysterien op aan
Jacobus Arminius uit dankbaarheid voor
‘U.E. goede affectie, hartelijck mede dooghen ende Pastorale
sorghe’ die hij had ervaren toen zijn vrouw kwam te overlijden:
Daerbenevens aen U.E. ootmoedelijc versoekende, dit mijn slecht
onghestileert Opusculum, teghens alle Iniurien, Calumnien en quade opspraecken
die het onderworpen sal zijn, te willen Patrocineren: aenghesien U.E. [...]
bevinden sal, dat van mij daerinne niet voortgebracht en is, twelc teghens de
ghesonde Leere, teghens de Historische waerheyt, ende Politique eerbaerheyt is
strijdende.
Het patronage moet onderscheiden worden van het verwerven van
privilege of approbatie (approbatur), een procedure die de aanvrager gewoonlijk geld
kost.
LIT: Baldick; Cuddon; Scott; P.J. Verkruijsse. ‘Het
boekenmecenaat in de zeventiende eeuw’, in: Cultuur en economie,
thema-nr. De Zeventiende Eeuw 6 (1990), p. 137-143; S. Stegeman.
Patronage en dienstverlening. Het netwerk van Theodorus Janssonius van
Almeloveen (1657-1712) in de Republiek der Letteren (1996). [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
pennenproef zie
probatio pennae
| |
pentameter
Term uit de prosodie voor een metrisch (metrum) patroon dat men zou kunnen beschouwen als een variant
van de
hexameter. De derde en de zesde
versvoet zijn namelijk
catalectisch, waardoor het volgende schema
ontstaat:
-../-../-//-../-../-
In de Nederlandse letterkunde komt de pentameter zelden onvermengd
voor. Zo zou men de laatste regel van het zesjambische (jambe) gedicht ‘De zuiderling’ van
Gossaert als een pentameter kunnen
lezen:
En mij be/zwijmt de / geur / van eene er/inne/ring
(G. Gossaert. Experimenten,
194911, p. 95).
Nederlandse dichters die
Homerus en
Vergilius hebben vertaald, bieden nog
wel eens voorbeelden van deze versmaat, ter afwisseling van de hexameter.
Boutens en
Vosmaer behoren tot de bekendsten onder
hen.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Marouzeau;
Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
pentapodie
Term uit de prosodie voor een vijfvoetige ritmische (ritme) eenheid in een metrisch (metrum)
gedicht. Een veel voorkomende vorm is die van de vijfvoetige
jambe, zoals in het volgende fragment:
Mijn moe/derken, / ik kan / het niet / verkrop/pen
dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten,
zooals een pop waarin een hart zou kloppen,
door 't volk bij 't heengaan in een huis vergeten.
(
W. Elsschot. VW, 1960, p.
729).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
pentastichon
Dichtvorm bestaande uit een strofe of gedicht van vijf regels. Als
strofe komt hij minder vaak voor dan het
distichon, het
tristichon en het
tetrastichon. Een voorbeeld van een gedicht
dat uit pentasticha is opgebouwd is ‘Allerzielen’ van
G. Gossaert
(Experimenten, 194911, p. 44). Als zelfstandig
gedicht is het o.a. toegepast door Achterberg in ‘Brons’,
luidend:
Sombere sparren, wij zijn gedood,
Langzaam worden wij brons
(G. Achterberg. VG, 19745, p. 431).
LIT: Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]
| |
penwerk
Term uit de codicologie voor een vorm van
boekverluchting die bestaat uit met een pen
getrokken lijnen in, om of aan een
initiaal-1 of
lombarde, soms abstract, soms figuratief. In
de (Noordelijke) Nederlanden kende deze vorm van
randversiering zijn grootste bloeiperiode
gedurende de 15e eeuw.
Penwerk wordt uitgevoerd met een harde pen, die overal een dunne
lijn van gelijke breedte voortbrengt (dit in tegenstelling tot de geschreven
tekst die door het gebruik van een brede pen afhankelijk van de schrijfrichting
lijnen van verschillende dikte laat zien). De uitvoering ervan vindt vooral
plaats in rode en blauwe inkt (soms in zwart), soms worden andere kleuren
gebruikt ter verfraaiing of ter opvulling van de achtergrond (vaak met groen).
De kleur van het penwerk contrasteert altijd met die van de initiaal: blauwe
initialen krijgen rood penwerk, rode krijgen blauw penwerk. Bij een in twee
kleuren uitgevoerde initiaal (een zgn. ‘duplexletter’) sluit blauw
penwerk aan op de rode gedeelten en rood penwerk op de blauwe gedeelten.
De omvang van het penwerk hangt af van de grootte van de initiaal,
zijn plaats in de hiërarchie en het decoratieprogramma van het
handschrift; een kleine lombarde in het midden van een tekst krijgt hooguit een
klein sierrandje en aan het begin van een regel vaak niet meer dan enkele
eenvoudige lijnen. Bij grotere initialen is het penwerk gewoonlijk
gecompliceerder van opbouw.
LIT: BDI; J.M.M. Hermans (red.). Middeleeuwse
handschriftenkunde in de Nederlanden 1988. Verslag van de Groningse
Codicologendagen 28-29 april 1988 (1988), p. 13-122; S. Scott-Fleming.
Pen flourishing in thirteenth-century manuscripts (1989); J.P. Gumbert.
The Dutch and their books in the manuscript age (1990); A.S. Korteweg
(red.). Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in
Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw (1992). [H. Struik]
| |
percursio
Term uit de retorica voor het vluchtig en zonder enige
detaillering over een onderwerp heenlopen, hetgeen zich vaak uit in het gebruik
van asyndetische hoofdzinnen en in de stijlfiguur van de
enumeratio bijv. regel 4 van het
‘Grafschrift’ door
P.G. Witsen Geysbeek (in:
G. Komrij, De Nederlandse
poëzie van de 17e en 18e eeuw in 1000 en enige gedichten,
1986, p. 1292):
Hier ligt Simplicius: men kan al zijn bedrijven,
En 't lot, dat hij in 't eind' verwierf,
Gemaklijk met vier woorden schrijven:
Hij sliep, hij at, hij dronk, en stierf.
Het tegenovergestelde van percursio is
evidentia.
LIT: Gorp; Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]
| |
peregrinatio academica
In tijden dat er nog maar weinig universiteiten waren, gingen
studenten op studiereis naar buitenlandse universiteiten. Vanaf de 16e eeuw
hebben de universiteiten ook een religieuze kleur, waardoor men gedwongen werd
soms ver van huis te gaan studeren, maar ook de faam van een bepaalde
instelling kon ertoe leiden om juist daar te gaan studeren. Veel vorsten
vaardigen vanaf de 16e eeuw verboden uit op de peregrinatie om de eigen
instellingen van hoger onderwijs voor leegloop te beschermen. De studenten van
elders aan buitenlandse universiteiten verenigden zich in de zogenaamde
naties.
De Leidse universiteit oefende na de oprichting ervan in 1575 al
spoedig grote aantrekkingskracht uit op niet-katholieke studenten uit
Oost-Europa.
Behalve de inschrijfregisters, de matrikels, geven ook de alba
amicorum (album amicorum) inzicht in waarheen de
peregrinatio ging.
Vanaf de 17e eeuw, wanneer het netwerk aan universiteiten groter
wordt, neemt de
grand tour de plaats in van de
peregrinatio.
LIT: A. Frank-Van Westrienen. De Groote Tour. Tekening van de
educatiereis der Nederlanders in de zeventiende eeuw (1983); H. Bots en
W.Th.M. Frijhoff. ‘Academiereis of educatiereis? Noordbrabantse studenten
in het huitenland, 1550-1750’, in: Batavia Academica1 (1983), p.
13-30; S. Kiedro. ‘Poolse studenten in Leiden in de 16de en de 17de
eeuw’, in: S. Prdota (red.). Studia Neerlandica et Germanica
(1992), p. 189-204; P. Vandermeersch en H. de Ridder-Symoens. ‘Verbod op
studiereizen in de Spaanse Nederlanden’, in: Spiegel Historiael 31
(1996), p. 172-178. [P.J. Verkruijsse]
| |
perifrase
Stijlfiguur waarbij men een woord vervangt door een omschrijving.
Voorbeelden hiervan zijn het
adynaton en de
antonomasie-1, maar ook de
antoniem wordt wel als een vorm van
perifrase beschouwd. In ruimere zin vallen ook het
pleonasme en de
tautologie er onder.
Een voorbeeld is te vinden in
J. van den Vondel, Inwydinge
van 't Stadthuis t'Amsterdam, vss. 1-2 (ed.
S. Albrecht,
O. de Ruyter e.a., 1982, p. 21): in plaats
van ‘zoals de boer de gouden aren ploegt’ schrijft Vondel:
‘Gelijck nu d'ackerman de zeissen slaet in d'airen,
En heenstreeft, door een zee van gout en goude
baren...’
LIT: Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg;
Morier; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
periode-1 of tijdvak
Term uit de literatuurgeschiedschrijving die betrekking heeft op
een af te grenzen tijdsbestek. In feite is een periode vergelijkbaar met een
stroming en op te vatten als een mentale
constructie die de literatuurhistoricus gebruikt om tot een ordening en
afbakening te komen op grond van literair-historisch feitenmateriaal. Het stelt
hem in staat dat feitenmateriaal in een grotere samenhang te presenteren.
Daarbij wordt in de praktijk gebruik gemaakt van periodeaanduidingen als
renaissance, barok, verlichting, romantiek, naturalisme, modernisme e.d. voor
de zgn.
periodisering van de literatuurgeschiedenis.
De aanduidingen van de perioden zijn van verschillende oorsprong, nl. ontleend
aan een literaire, kunsthistorische, wijsgerige of levensbeschouwelijke
stroming die in het ermee aangeduide tijdvak overheersend zou zijn geweest.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; MEW; Shipley; Wilpert; R. Wellek.
‘Periods and movements in literary history’, in: English
Institute Annual (1940), p. 89 e.v.; H.P.H. Teesing. Das Problem der
Perioden in der Literaturgeschichte (1948); E. Kunne-Ibsch.
‘Periodiseren: De historische ordening van literaire teksten’, in:
W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap
(1977), p. 284-297. [G.J. van Bork]
| | | |
periodebibliografie
Objectieve bibliografie van publicaties die
betrekking hebben op een bepaalde periode. Voorbeelden zijn de
International medieval bibliography en de
Bibliographie internationale de l'Humanisme et de la
Renaissance. Een bibliografie die de werken uit een bepaalde
periode beschrijft, bijvoorbeeld de incunabelperiode, is een
retrospectieve
subjectieve bibliografie.
LIT: BDI; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie
(1995), p. 68. [P.J. Verkruijsse]
| |
periodecode
De term ‘code’ in deze samenstelling is afkomstig uit
de
semiotiek en betekent zoveel als een systeem
van symbolen dat door onderlinge overeenstemming (conventie) tussen zender (spreker, schrijver) en ontvanger
(luisteraar, lezer) informatie kan overdragen. Onder een periodecode wordt dan
een systeem van conventies verstaan die in een bepaalde
periode-1 in (literaire) teksten een
belangrijke rol spelen en door lezers als zodanig herkend worden. Zo zou men de
periodecode van de romantiek of van het modernisme kunnen vaststellen door de
dominante codes van teksten uit die perioden op te sporen. Een voorbeeld
daarvan is te vinden bij
D.W. Fokkema in diens artikel in
Forum der Letteren (20, 1979, p. 1-10), waarin hij de periodecode van
het modernisme tracht te achterhalen.
Een probleem bij het vaststellen van een periodecode is dat het
begrip ‘code’ onvoldoende gedefinieerd is om een werkbaar criterium
te zijn. Onduidelijk blijft bovendien of codes in de hier bedoelde zin niet
afhankelijk zijn van de interpretatie van de onderzoeker en van verschil van
inzicht in de dominantie van de verschillende codes.
LIT: U. Eco. Einführung in die Semiotik (1972); W.J.M.
Bronzwaer, D.W. Fokkema en E. Kunne-Ibsch (red.). Tekstboek algemene
literatuurwetenschap (19802); P.F. Schmitz, ‘De codemode
in de literatuurwetenschap’, in: Forum der Letteren 21 (1980) 4,
p. 283-295. [G.J. van Bork]
| |
periodiek zie
tijdschrift
| |
periodisering
Indeling van de geschiedenis in tijdvakken om tot een ordening van
het historisch materiaal te komen. Vooral in de kunst- en
literatuurgeschiedenis is het gebruikelijk deze tijdvakken te benoemen met
namen die nu eens een tijdsaanduiding betreffen, dan weer aan een bepaalde
stijl zijn ontleend en in andere gevallen een wijsgerig of godsdienstig stelsel
aanduiden. Zo spreken we van Middeleeuwen, humanisme en renaissance, barok,
verlichting, romantiek, naturalisme, impressionisme, symbolisme, modernisme
etc. zonder er ons om te bekommeren dat hier indelingscriteria in het geding
zijn die een volstrekt verschillende oorsprong hebben. Een dergelijke indeling
is dan ook vanuit een wetenschappelijk standpunt bezien tamelijk arbitrair. In
de eerste plaats is er een merkwaardige discrepantie in de omvang van de
verschillende perioden: de Middeleeuwen enige eeuwen, het naturalisme slechts
enkele decennia. In de tweede plaats is het een indeling waarbij perioden
benoemd worden met stijlbegrippen waarover vaak nauwelijks overeenstemming
bestaat als het erom gaat wat er precies onder dient te worden verstaan (vgl.
barok, rococo, art nouveau, neoromantiek e.d.). Om uit de problemen te komen
zijn er verschillende voorstellen gedaan.
Sommige literatuurwetenschappers (
Stuiveling,
Sicking e.a.) gaan voor de periodisering
uit van generaties van auteurs. Ze behandelen de literatuurgeschiedenis als een
opeenvolging van groepen auteurs die van ongeveer dezelfde leeftijd zijn. Hoe
exact een dergelijke ordening ook moge lijken, een bezwaar ertegen is dat
auteurs van zeer verschillende werken in één groep worden
ondergebracht. Bij deze werkwijze is de auteur het criterium en niet het werk
zelf.
Een ander voorstel (
Wellek,
Teesing e.a.) gaat uit van de werken
zelf. Hierbij gaat het erom de dominante factoren die een reeks werken
kenmerken in een bepaalde tijd op te sporen en zo wat men noemt een
‘periodecode’ vast te stellen. De dominantie van zo'n periodecode
zou dan bepalend zijn om van een bepaald tijdvak te spreken, terwijl de
afsluiting ervan bepaald wordt door de afname van de tot die code behorende
factoren. Schematisch zou men het als volgt kunnen voorstellen: werken met de
eigenschappen a-b-c-d-e-f behoren tot de periode X, en werken met de
eigenschappen d-e-f-g-h-i-j niet meer, maar wel tot periode Y. Uit het gegeven
voorbeeld wordt dan tevens duidelijk dat er van een zekere overlapping in
opeenvolgende perioden sprake kan zijn, dus van een zekere geleidelijkheid.
In andere publicaties over dit onderwerp (
Tynjanov,
Kunne-Ibsche.a.) worden deze
periodecodes gezien als een periodiek systeem met een cyclisch karakter
(opkomst-hoogtepunt-navolging-bestrijding-alternatief-opkomst-etc.), waarbij
duidelijk sprake is van een dialectisch proces. Aflossing van het bestaande
periodesysteem betekent niet noodzakelijk de uitschakeling van het gehele
systeem, maar kan bijv. incorporatie inhouden van oudere dominante factoren,
die dan vaak ondergeschikt gemaakt worden aan de nieuwe eigenschappen.
Sinds
Jauss is hierin ook wel de
verwachtingshorizon van de lezer betrokken.
Lezers lezen een tekst met een bepaalde verwachting t.a.v. de literaire codes
die zo'n tekst kunnen beheersen. Doorbreking van die verwachtingen kan op den
duur leiden tot nieuwe verwachtingen, zodat een nieuw literair
procédé, dat aanvankelijk perifeer begon, geleidelijk terrein kan
winnen. Bovendien, schrijvers zijn zelf ook lezers van literaire teksten waarop
zij in hun werken dan weer kunnen reageren door zich ertegen af te zetten of
bepaalde procédés over te nemen (intertekstualiteit).
Ook op dit soort opvattingen over periodisering is inmiddels
kritiek gekomen. Zo wordt bijv. gesteld dat het begrip ‘code’ in de
genoemde theorieën nauwelijks gedefinieerd wordt. Hoe verhouden zich bijv.
de verschillende factoren die tot een periodecode behoren; zijn ze van dezelfde
importantie bij onderlinge vergelijking? Zijn dezelfde codes in verschillende
perioden van gelijke importantie? Deze en dergelijke vragen verhinderen
intussen niet dat men gewoonlijk blijft werken met de eerder genoemde
periodebegrippen, maar wel in het besef van het voorlopige en discutabele
karakter ervan.
LIT: Gorp; MEW; H.P.H. Teesing. Das Problem der Perioden in der
Literaturgeschichte (1948); R. Wellek. Concepts of criticism (1963);
E. Kunne-Ibsch. ‘Periodiseren: de historische ordening van literaire
teksten’, in: W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek algemene
literatuurwetenschap (1977), p. 284-297; D.W. Fokkema. ‘Het
modernisme: overwegingen bij de beschrijving van een periodecode’, in:
FdL 20(1979), p. 1-10; P.F. Schmitz. ‘De codemode in de
literatuurwetenschap’, in: FdL 21(1980), p. 283-295; J.M.J.
Sicking. ‘Periodiseren door middel van generaties’, in: FdL
23(1982), p. 46-59. [G.J. van Bork]
| |
periodus-1 of periode-2
Term uit de klassieke poëtica voor een zinsdeel dat bestaat
uit een reeks van grammatisch met elkaar verbonden zinnen die samen een geheel
vormen en dat wordt afgerond met een puntkomma (periodus-2). Tegenwoordig duidt periodus een volzin aan, die
uit meer voor-, tussen-, en/of nazinnen bestaat, en wordt afgesloten met een
punt.
LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Scott;
B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des
abendländischen Mittelalters (19862), p. 214-219; J.
Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in
de Nederlanden (1926), p. 51. [H. Struik]
| |
periodus-2
Middeleeuws interpunctieteken in de vorm van een puntkomma (;) dat
gebruikt werd om een lange rust aan te geven. De periodus dateert uit de
Romeinse tijd en maakte deel uit van een
interpunctiesysteem waarbinnen de volzin
(periodus-1) werd afgesloten met een puntkomma
(periodus-2), de bijzin (colon) met een punt (punctus)
en de deelzin (comma) met een
virgula (/). Na de Middeleeuwen is de
periodus van naam en functie veranderd in de huidige puntkomma.
LIT: J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de
interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926). [H. Struik]
| |
peripetie
In het
klassieke drama onderscheidt men vijf fasen
(achtereenvolgens
expositie,
intrige-2,
climax-2,
catastrofe en peripetie) die gewoonlijk
samenvallen met de vaste opeenvolging van vijf bedrijven. De peripetie vormt in
het drama de beslissende wending ten goede of ten kwade, veelal ten gevolge van
een
bodeverhaal, een ontmoeting of een
herkenning (agnitio) die de
protagonist tot inzicht brengen. De
peripetie wordt gevolgd door de
catharsis en is de inleiding tot de
uiteindelijke ontknoping en de afwikkeling van het drama.
In
Vondels Gijsbreght van
Aemstel (1637) zorgt de aartsengel
Rafaël in het vijfde bedrijf voor een
beslissende wending. Gijsbreght buigt voor deze gezant van God en legt
tenslotte het harnas af om met Badeloch te vertrekken (vss. 1823-1877).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; B. Verhagen.
Dramaturgie (19632). [G.J. van Bork]
| |
perkament
Verzamelnaam voor tot schrijfmateriaal verwerkte huid van kalveren
(vellum) of van schapen of geiten (pergamenum). In het
Middelnederlandse taalgebied worden de benamingen perkament, vellum of velijn
en
francijn door elkaar gebruikt.
Perkament ontstaat door de dierenhuid een aantal dagen te logen in
kalk; er worden geen looistoffen gebruikt. Daarna spant men de huid op een raam
en krabt men de haren en onregelmatigheden zoveel mogelijk weg. In deze
opgespannen toestand laat men de huid vervolgens drogen. Voordat het aldus
ontstane perkament beschreven kan worden, schraapt men het oppervlak nog eens
af en maakt men het glad met puimsteen en krijt (pomsen).
Deze behandeling maakt niet dat perkament een volmaakt
schrijfmateriaal is: gebreken in de huid blijven altijd zichtbaar. Omdat
perkament een vrij kostbaar materiaal was, zorgde men er niet altijd voor dat
scheurtjes, gaatjes (ontstaan door littekens van steken) en de dikkere stukken
aan de rand van de huid buiten het te beschrijven
blad bleven. Scheurtjes werden vaak
dichtgenaaid: als de draad er niet meer is, zijn de gaatjes waardoor deze
geregen was er nog. Om gaatjes schreef men meestal heen. Ook plakte men
scheuren en gaatjes wel dicht met een strookje.
Het uiterlijk van perkament verschilt naar periode en streek en is
bovendien afhankelijk van de wijze waarop het geprepareerd is. In de 13e eeuw
werd het bereidingsprocédé verbeterd, waardoor het lukte om het
perkament veel dunner en witter dan vroeger te maken.
De kwaliteit van het perkament bepaalde voor een belangrijk deel
de kwaliteit van het te maken boek. Een goed blad moest aan de volgende eisen
voldoen: het moest soepel, licht van kleur en vrij van scheuren, gaatjes en
andere onregelmatigheden zijn.
De toestand van perkament kan door de inwerking van licht,
temperatuur en vochtigheid verslechteren: het perkament kan vlekken krijgen,
verkleuren en krimpen.
Bij tot perkament bewerkte huid blijven de
haarzijde en de
vleeszijde altijd zichtbaar. Het verschil
tussen haar- en vleeszijde is een middel om inzicht te verkrijgen in de wijze
waarop een
codex is opgezet. In de 19e eeuw heeft
Gregory ontdekt dat in een opening (dit zijn
de twee bladzijden die men ziet als men een boek openslaat) vrijwel altijd twee
haarzijden of twee vleeszijden naast elkaar liggen. Dit is altijd zo als het
katern is ontstaan door een vel perkament
een aantal malen te vouwen en vervolgens de bladen los te snijden.
Vanaf ca. 1400 wordt perkament als schrijfmateriaal verdrongen
door
papier. Het wordt dan alleen nog gebruikt
voor luxueuze boeken en voor boeken die heel veel worden gebruikt.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; W. Wattenbach. Das
Schriftwesen im Mittelalter (19584), p. 113-39; R. Reed. The
nature and making of parchment (1975); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman.
De descriptione codicum (19813), p. 17; P. Rück.
Pergament. Geschichte, Struktur, Restaurierung, Herstellung (1991). [H.
Struik]
| | | |
perseveratie zie
analogie-2
| |
persiflage
Spottende nabootsing van een bestaande, meestal bekende en
gewaardeerde, tekst, of van een bepaald teksttype of genre. In het eerste geval
is de persiflage een
parodie; in het tweede geval hebben we te
maken met een
burleske of
pastiche. Een persiflage is vaak een
aanwijzing voor het feit dat een bepaalde literatuuropvatting of
stroming achterhaald is. Een voorbeeld van
een persiflage is Dieuwertje Diekema (1943, illegaal) van
Kees Stip, waarin
J.W.F. Werumeus Bunings Maria
Lécina (1932) wordt gepersifleerd.
LIT: Best; Buddingh'; Dupriez-2; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Scott;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
persona poëtica zie
impliciete auteur
| |
personage of karakter
Persoon die een rol speelt in een literair werk en daarin door de
dialoog, de actie of de beschrijving wordt gekarakteriseerd of getypeerd. Soms
zijn de ‘personages’ dieren of zaken, die dan echter menselijke
eigenschappen krijgen. Om die reden wordt door
M. Bal bij voorkeur over
acteur of
actant gesproken, terwijl
Drop de voorkeur geeft aan de term
‘figuren’.
In
E.M. Forsters Aspects of the
novel (1927) wordt voor het eerst onderscheid gemaakt tussen een
flat character en een
round character, waarmee een aanduiding wordt
gegeven van wat tot dan toe gewoonlijk werd aangeduid met de tegenstelling
type en karakter. De personages zijn in feite
de middelen die door hun handelingen en uitspraken de plot bewerkstelligen. Het
aantal personages dat in een literair werk voorkomt, kan sterk uiteenlopen,
maar men maakt onderscheid tussen hoofdfiguren, die minder talrijk zijn, en
bij- of nevenfiguren. De karaktertekening van de hoofdfiguren is gewoonlijk
uitvoeriger dan die van de bijfiguren. In het drama worden de
dramatis personae vaak aangeduid met de termen
protagonist,
antagonist (deuteragonist) en
tritagonist.
LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Baldick; Bergh; Boven/Dorleijn;
Cuddon; Drop; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; MEW; Prince; Scott; W.J. Harvey.
Character and the novel (19662); K.D. Beekman en J. Fontijn.
‘Romanfiguren’, in: Spektator (1971-72) 7/8, p. 406-414; M.
Bal (red.). Mensen van papier (1979); A. van Assche (red.). Karakters
en personages in de literatuur (1989). [G.J. van Bork]
| |
personale vertelwijze
Vertelvorm waarin het
perspectief ligt bij één of
meer personages van de tekst over wie in de derde persoon wordt verteld. Bij de
personale vertelvorm lijkt de verteller volledig afwezig te zijn. De
gebeurtenissen worden gezien vanuit het gezichtspunt van één (of
meer) personage(s). Wanneer een roman consequent geschreven is vanuit de visie
van één personage spreekt men wel van de ‘verhulde
ik-vorm’, omdat in dat geval
ik-vertelwijze en personale vertelwijze zeer
dicht bij elkaar komen te liggen. De
auctoriale vertelwijze en de personale zijn
elkaars uitersten. Toch is het zelden zo dat een tekst uitsluitend personaal
verteld wordt. Vrijwel steeds zullen ingrepen van de verteller herkenbaar zijn,
bijv. in samenvatting van gebeurtenissen, typering van personages, verdichting
van tijd e.d. Maar in een overwegend personale roman zal wel het rechtstreeks
toespreken van de lezer ontbreken.
Evenals aan de ik-vertelwijze is aan de personale vertelvorm
inherent dat er sprake kan zijn van een
onbetrouwbaar perspectief. De lezer volgt
immers het standpunt van vaak slechts één personage en is
volledig van diens visie afhankelijk. Die combinatie van onbetrouwbaar
perspectief en personale vertelwijze vormt onderdeel van de plot van bijv.
De donkere kamer van Damocles (1958) van
W.F. Hermans. Een ander voorbeeld van een
personale roman is
Oek de Jongs Opwaaiende
zomerjurken (1979).
LIT: Anbeek/Fontijn; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Gorp;
Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; Prince; N. Friedman. ‘Point of view
in fiction’, in: PMLA 70(1955), p. 1160-1184; F.K. Stanzel.
Typische Formen des Romans (19673); F. van Rossum-Guyon.
‘Point de vue ou perspective narrative’, in: Poétique
1(1970), p. 476-497; A.G.H. Anbeek v.d. Meijden. De schrijver tussen de
coulissen (1978). [G.J. van Bork]
| |
personificatie of persoonsverbeelding
Vorm van
beeldspraak waarbij zaken menselijk worden
voorgesteld. Aangezien dit altijd gebeurt op grond van overeenkomst is de
personificatie een vorm van metaforisch taalgebruik (metafoor). Zo schrijft
Jotie T'Hooft over de winter ‘met
vingers die mij vouwen’, waarmee de winter wordt gepersonifieerd (J.
T'Hooft. Junkieverdriet, 1976, p. 47).
Een goed voorbeeld van personificatie is te vinden in het gedicht
‘Holland’ van
M. Nijhoff:
Het avondlicht zinkt door de vensters binnen.
De bruine meubels denken aan elkaar,
Een stervend woord wil overal beginnen -
Ook het Spreeckende Houte Gebouw Op den Burgh in 't Bosch van
Hofwyck in het voorwerk van
Huygens' Hofwyck is een duidelijk
geval van personificatie.
De personificatie is tegengesteld aan de materialisatie, waarbij
mensen als dingen worden voorgesteld. Zo is in het gegeven citaat van T'Hooft
de ik-figuur (‘mij’) gematerialiseerd doordat deze wordt
voorgesteld als iets (bijv. een stuk papier) dat gevouwen kan worden.
Verwant aan de personificatie is de animalisatie (door sommigen
eveneens personificatie genoemd), waarbij het gaat om dieren of levende wezens
in het algemeen. Dezelfde T'Hooft schrijft over het woord ‘Dat muis is
knagend’ enz. (a.w., p. 45).
Men vindt de personificatie in de
pathetic fallacy en in menige
invocatio. Ook in genres als de
allegorie en het
spel van zinne treedt personificatie op.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
persoonsbibliografie
Bibliografie waarin alle publicaties van
(subjectieve bibliografie) en/of over (objectieve bibliografie) een bepaald persoon worden
beschreven. Is de persoon een auteur, dan spreekt men ook wel van
auteursbibliografie. Een voorbeeld van een
subjectieve persoonsbibliografie is
G.Az. Brederoo. Eene bibliographie
(1884) van
J.H.W. Ungeren van een objectieve
persoonsbibliografie Objectieve persoonsbibliografie van G.A. Bredero
1618-1969 (1986) door
E.K. Grootes,
P.C. Punten
P.J. Verkruijsse.
LIT: BDI; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995), p. 59. [P.J. Verkruijsse]
| |
persoonsverbeelding zie
personificatie
| |
perspectief, point of view of vertelwijze
Term uit de
romananalyse voor het punt van waarneming
van waaruit een tekst of tekstgedeelte blijkt te worden verteld. Dit punt van
waarneming is essentieel voor de wijze waarop de lezer van de tekst kan worden
geïnformeerd over de gebeurtenissen of personages die erin worden
gepresenteerd. Het perspectief bepaalt in feite de visie op die gebeurtenissen
of personages en manipuleert op die wijze de lezer. Omdat de termen
‘point of view’ en ‘perspectief’ vaak zowel deze visie
als de
verteller zelf aanduiden, geeft
Bal de voorkeur aan de van
Genette afkomstige term
focalisatie voor de relatie tussen de
gepresenteerde elementen en de visie van waaruit deze worden gepresenteerd. De
wijze van presentatie van de tekst wordt algemeen gezien als een element van de
structuur van het literaire werk en men
spreekt bij de romananalyse dan ook van structuuraspecten bij de vaststelling
van het perspectief.
Men kan onderscheid maken tussen het
fysisch perspectief en het
psychisch perspectief. Het fysisch
perspectief bepaalt de kijk van de lezer op de materiële en ruimtelijke
voorstelling van de tekst, d.w.z. op dat wat concreet kan worden waargenomen.
Het psychisch perspectief bepaalt de wijze waarop de lezer de personages van
een verhaal ziet in psychische zin; het geeft de lezer een blik op het
karakter, de drijfveren e.d. van de personages. Het psychisch perspectief kan
weer onderverdeeld worden in het ‘perspectief van binnenuit’ en het
‘perspectief van buitenaf’. In het eerste geval presenteert een
personage zichzelf met zijn gedachten, gevoelens, etc. In het tweede geval
wordt het personage gepresenteerd door één of meer andere
personages die zijn gedachten en gevoelens niet echt kennen en dus hun
toevlucht moeten nemen in uiterlijke beschrijvingen als ‘hij kreeg een
kleur’ of ‘hij werd driftig’, waaruit de lezer toch een
indruk krijgt van de gevoelens van dat personage.
Drop vermeldt voorts nog een
‘perspectief op de totale handeling’, waarmee hij een dominerend
perspectief bedoelt dat de lezer in staat stelt het gehele verhaal te
structureren, bijv. door middel van een personage dat als centraal blikpunt
fungeert en zo de samenhang van verschillende perspectieven of de dominantie
van een bepaalde problematiek bewerkstelligt.
Uitgaande van de belangrijkste verteller(s) spreekt men in het
point of view-onderzoek van verschillende verteltypen: de
auctoriale vertelwijze, de
personale vertelwijze, de
ik-vertelwijze en het
meervoudig perspectief. In het bijzonder de
personale vertelwijze en de vertelvorm met een ik-verteller kunnen een
onbetrouwbaar perspectief opleveren, omdat
de lezer volledig afhankelijk kan zijn van de visie van één van
de personages en het niet altijd duidelijk is of de waarheid gesproken wordt of
dat er sprake is van dromen, hallucinaties, wensvoorstellingen, leugens e.d.
Het onbetrouwbaar perspectief is een belangrijk middel tot
ironie.
Vrij uitzonderlijk is het perspectief vanuit een tweede persoon
enkelvoud. Een van de weinige voorbeelden hiervan vormt
H. Teirlincks Zelfportret of
Het galgemaal (1955), waarin overigens naast een gij-standpunt ook
een hij-standpunt voorkomt.
LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Bal; Baldick; Bantel; Best;
Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Prince; Scott; Shipley; N. Friedman. ‘Point of view in
fiction’, in: PMLA 70(1955), p. 1160-1184; W.C. Booth. The
rhetoric of fiction (1961); F.K. Stanzel. Typisch Formen des Romans
(19673); E. Lämmert. Bauformen des Erzählens
(19683); H. van Gorp. Het optreden van de verteller in de
roman (1970); F. van Rossum-Guyon. ‘Point de vue ou perspective
narrative’, in: Poetique 1(1970), p. 476-497; T. Anbeek. ‘De
romantypologie van Franz Stanzel’, in: FdL 11(1970), p. 170-181.
[G.J. van Bork]
| |
perspicuitas
Term uit de retorica voor één van de vier
stijldeugden binnen de
elocutio, nl. de helderheid en
begrijpelijkheid, het vermijden van
ambiguïteit en duister taalgebruik.
LIT: Gorp; Lausberg; J. Jansen, ‘“Helderheid”
(perspicuitas) in enige renaissancistische drama-voorredes’, in:
Spektator 24 (1995), p. 202-215. [P.J. Verkruijsse]
| |
persuasio
Term uit de retorica voor het overreden, het aanzetten tot
handelen, van het publiek door de redenaar, waarna eventueel bij het publiek
begrip gecreëerd kan worden, het publiek van iets overtuigd kan worden.
Het persuasieve doel kan bereikt worden door
docere,
delectare en
movere.
LIT: Gorp; Lausberg; Shipley; F.H. van Eemeren, R. Grootendorst
& T. Kruiger. Argumentatietheorie (19812), p. 252-253.
[W. Kuiper]
| | | |
persvrijheid
Vrijheid van drukpers. Het grondrecht om zonder voorafgaande
toestemming (preventieve
censuur) of censurerende maatregelen
achteraf (repressieve censuur) het geschreven of gedrukte woord in de
openbaarheid te brengen. Dit grondrecht werd in België in
1831 en inNederland in 1848 wettelijk vastgelegd. Daarvoor werden
verschillende maatregelen gebruikt om de persvrijheid te beperken. De overheid
kon bijv. bepalen dat uitgaven aan een bepaald
privilege onderworpen dienden te zijn, het
zgn. toelatingsoctrooi. De kerkelijke of wereldlijke overheden onderwierpen
uitgaven aan een
approbatur, een goedkeuring vooraf,
vóór tot drukken kon worden overgegaan (evulgetur,
imprimatur, nihil obstat). Bovendien kon
censuur achteraf blijken uit het op de Index plaatsen van boeken die men niet
verspreid wenste te zien. In de 19e eeuw werkte het dagbladzegel nog als een
vorm van persbreideling (in België afgeschaft in 1848, in Nederland in
1869). In oorlogstijden is steeds opnieuw sprake geweest van beperking van de
persvrijheden, bijv. tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter
d.m.v. de Kultuurkamer en de papierdistributie. In feite heeft de persvrijheid
niet alleen betrekking op het geschreven of gedrukte woord, maar ook op andere
media (radio, tv, film etc.).
LIT: BDI; Brongers; MEW; H.A. Enno van Gelder. Vrijheid en
onvrijheid in de republiek. Geschiedenis der vrijheid van drukpers en
godsdienst van 1572 tot 1798. I: van 1572 tot 1619 (1947); M.C. Burkens.
Beperkingen van grondrechten (1971); H.A. Enno van Gelder. Getemperde
vrijheid (1972). [G.J. van Bork]
| |
Perzisch kwatrijn of oosters kwatrijn
Term uit de genreleer voor een type
kwatrijn dat in de Nederlandse letterkunde
beoefend is naar het voorbeeld van Perzische kwatrijnen, speciaal die welke
zijn toegeschreven aan de (wellicht legendarische) figuur van
Omar Khayyam (11e eeuw). Bekende
Nederlandse bewerkers respectievelijk vertalers zijn Boutens, Leopold en J.I.
de Haan.
Het Perzisch kwatrijn geeft een levenswijsheid, zoals het gedicht
‘Dwaasheid’ van
De Haan:
Hij zegt: ‘Omar Khayyam heeft niet geschreven,
Alle kwatrijnen, die op zijn naam staan’
Geleerde Dwaas: heeft het Lied minder leven,
Omdat de Naam des Dichters is vergaan?
(J.I. de Haan. Kwatrijnen, 1924, p.
174).
In het algemeen is de inhoudelijke opbouw van het gedicht zo, dat
de twee eerste verzen de grondgedachte van het gedicht weergeven, het derde
vers er een wending aan geeft, en het laatste een oplossing geeft. Hiermee
corresponderend treft men vaak het rijmschema aaba erin aan, dat als gesloten
vorm de inhoud ondersteunt.
Nijhoff zei hierover:
De eerste twee regels, bij Khayyam, rijmen op elkaar, om terstond
het thema in zo kort mogelijk bestek aan te geven, de derde regel houdt in zijn
rijmloosheid de uitzwaai der gedachte nog even onbeslist, verhardt daarmee de
kern van het eerste paar, maar verlengt tevens als aanloop de kracht van de
vierde regel, die, het rijm verder opnemend, het kwatrijn tot een om zichzelf
ster-snel wentelend, licht-spattend en kristal-hard geheel maakt (M.
Nijhoff, VW, dl. 2, 1982, p. 190).
Bijvoorbeeld:
Wij gaan en komen en de winst is waar?
en weven draden en het kleed is waar?
In ‘s hemels welving zijn tot stof verbrand
vele weldenkenden; hun rook is waar?
(
J.H. Leopold.
Kwatrijnen van Omar Khayyam, 1981, p.
27).
LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert;
J.D.Ph. Warners. Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds
de Renaissance (1947). [G.J. Vis]
| |
petrarkisme
Onder petrarkisme wordt verstaan de navolging van de
liefdespoëzie van
Petrarca (1304-1374) vanaf de 14e eeuw,
via de diverse maniëristische stromingen van de renaissance tot in de
barok.
Het kenmerk van Petrarca's poëzie, meest liefdessonnetten, is
de aanbidding van een geïdealiseerde maar onbereikbare vrouw. De liefde
veroorzaakt dientengevolge zowel geluk als smart: de minnaar is een gespleten
persoon met zelfmoordneigingen, hetgeen tot uiting komt in paradoxale
beeldspraak: hij is vuur, zij is ijs; hij is vrij én gevangen. De
lichamelijke schoonheid wordt standaard beschreven in het zgn.
petrarkistisch vrouwenportret: blond haar,
ogen als sterren, tanden als parels enz.
De petrarkistische kenmerken stammen voor een deel uit de
troubadourslyriek. Door toedoen van
Pietro Bembo (begin 16e eeuw) wordt het
petrarkisme steeds rigider, strakker en maniëristischer. Dit leidt zelfs
tot anti-petrarkisme, waarvan ‘Aen Mejuffr. N.N.’ van
W.G. van Focquenbroch een goed voorbeeld
is:
O schoone! siet ghy niet dat ick geheel op 't lest loop?
Sint ghy myn vryheyt hebt door uw gesicht ontrooft,
't Geen u met heldre glans soo glinstert in het hooft
Gelyck een doove-kool in een bescheete mest-hoop?
Ick stae gelyck vervoert, wanneer u aessems geur,
Die door twee lipjes vloeyt, die alle daegh vervellen,
My alsoo aengenaem de geesten komt ontstellen,
Als een benaude lucht, uyt Goossens achterdeur.
(
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17de en 18de eeuw in duizend en enige gedichten
(1986), p. 576.)
Belangrijke petrarkistische dichters zijn
Guarini in Italië,
Montemayor in Spanje, de
Pléiade-dichters inFrankrijk en
De Harduwijn en
Hooft inNederland.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; C. Ypes. Petrarca in
de Nederlandse letterkunde (1934); L. Forster. The icy fire; five
studies in European Petrarchism (1969). [P.J. Verkruijsse]
| |
petrarkistisch sonnet zie
Italiaans sonnet
| |
petrarkistisch vrouwenportret
Literair-conventionele beschrijving van de geliefde c.q. de vrouw
in de petrarkistische poëzie (petrarkisme). Het
portret is geënt op dat van Laura zoals bezongen door
Petrarcain de sonnetten van zijn
Canzoniere. Ook in de Nederlandse literatuur komt men
(elementen van) deze standaardbeschrijving tegen, o.a. bij
Van der Noot en
Hooft, maar ook de sonnettenkrans van
Perk voor Mathilde
is er duidelijk op geïnspireerd. Een zuiver voorbeeld is het volgende
sonnet uit
Justus de Harduwijns De
weerliicke liefden tot Roose-mond (1613; ed.
Dambre, 19782, p. 85):
Uw' ooghen, Roose-Mond, doen my vlammigh ontsteken
U blond-vergulden hair verwerrent mijn ghemoedt
U schoon-besneden hant vercruypen doet mijn bloedt
En u soet-wijse spraeck doet mijn sinnen door-leken.
Uw' ooghen sijn by t'licht der sterren wel gheleken
U blond-vergulden hair de Sonn' benijden moet
Uw' handt aen t'wit yvoor en t'marmer schande doet
En u soet-wijse spraeck can stael en yser breken.
Uw' ooghen zijn mijn vier u hair is mijnen bandt
Mijn leven en mijn doot staen t'saemen in u handt
En u soet-wijse spraeck is my een herte-braecke.
Siet hoe ick ben bestelt die noynt rust en beseef:
Sedert dat Cupido in mijn ionck herte schreef
Uw' ooghen u blond hair u handt u soete spraecke.
LIT: O. Dambre. ‘Inleiding’, in: Justus de Harduwijn.
De weerliicke liefden tot Roose-mond (19782), p. 9-60. [P.J.
Verkruijsse]
| |
petroglief
Term uit de schriftgeschiedenis voor een primitieve tekening
(pictogram), gekerfd in een rots. Een tekening op een
rots heet
petrogram.
LIT: W.-G. Hellinga. Pétroglyphes caraïbes:
problème sémiologique (1954); I.J. Gelb. A study of
writing (19632). [P.J. Verkruijsse]
| |
petrogram
Term uit de schriftgeschiedenis voor een primitieve tekening
(pictogram) op een rots. Een inkerving in een rots heet
petroglief.
LIT: I.J. Gelb. A study in writing (19632).
[P.J. Verkruijsse]
| |
pi-verhaal
Verhaal over het getal π, zodanig geschreven dat het aantal
letters van ieder woord achter elkaar gezet de cijfers van π vormen:
3,141592653589793238462... Het verhaal zelf dient ook de voorschriften te
vermelden waaraan de auteur zich gehouden heeft (bijv. een leesteken = 0).
Pi-verhalen, die gebruik maken van de eerste 402 cijfers van het
pi-getal zijn ontstaan naar aanleiding van een prijsvraag van
NRC/Handelsblad, bijv.:
Wel, 't werd 'n fikse puzzelarij om evenzo fraai als Keith,
cijferbrij formerend talrijke decimalen van pi, tot leesbaar stel zinnen te
vormen, iets dat het geheugen een zo welkome ezelsbrug biedt. (
T. Nijzink)
LIT: J. van de Craats. ‘Cirkelcijfers’, in:
NRC/Handelsblad 2 oktober 1986; J. van de Craats en R. Biersma.
‘De uitslag van de pi-prijsvraag’, in: NRC/Handelsblad 18
december 1986. [P.J. Verkruijsse]
| |
Pica
Het Project geIntegreerde Catalogus
Automatisering (PICA) is een in 1969 ingesteld samenwerkingsverband
tussen de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag en de
universiteitsbibliotheken met als doel onderzoek te doen naar
toepassingsmogelijkheden van geautomatiseerde catalogussystemen en andere
bibliotheekprocedures.
Inmiddels is PICA onder de naam Pica Centrum voor
Bibliotheekautomatisering uitgegroeid tot een organisatie die diensten verleent
op het gebied van centrale catalogisering, in bibliothecair leenverkeer en
informatieverzorging. Pica-systemen zijn overgenomen in het grootste deel van
de Duitse bibliotheken en er zijn samenwerkingsverbanden met het Engelse ALS
(Automated Library Systems Ltd.) dat zich voornamelijk op openbare bibliotheken
concentreert en de Amerikaanse Research Libraries Group.
Het Online Retrieval System (ORS) biedt toegang tot een groot
aantal
databases, zoals Online Contents met
ontsluiting van artikelen uit duizenden tijdschriften; de Nederlandse Centrale
Catalogus (NCC;
catalogus-1) die ruim 400 bibliotheken
bestrijkt met zo'n tien miljoen boeken en 350.000 tijdschriften; AdamNet met de
regionale catalogus van een aantal Amsterdamse bibliotheken; GLIN met titels
van
grijze literatuur; de BNTL; de
STCN; de CEN als centrale catalogus van
brieven (brief); de short-title-catalogus van
incunabelen van de British Library (Istc);
de bibliografie over de West-Europese geschiedenis HinT (Historie in Titels);
WebCAT, een catalogus die toegang geeft tot WebDOC met de volledige tekst van
tijdschriftartikelen.
Pica is bereikbaar op het Web via: http://www.pica.nl.
Mededelingen over nieuwe ontwikkelingen verschijnen vanaf 1977 in
het tijdschrift Pica-mededelingen.
LIT: Brongers. [P.J. Verkruijsse]
| |
picareske roman of schelmenroman
Doorgaans humoristische
avonturenroman in de ik-vorm waarin de
pícaro, de schelm, als
antiheld zijn pseudo-autobiografie vertelt. Kenmerkend voor de schelmenroman is de
schelm als sociale verschoppeling, die zich zonder veel maatschappijkritiek met
list en bedrog, profiterend van de zwakheden van anderen, vaak ten koste van
zijn meester, staande probeert te houden. Opvallend is de afwezigheid van
liefdesavonturen.
Reeds in de klassieke literatuur (1e-2e eeuw n.Ch.) is het
picareske thema aanwezig:
Petronius'
Satyricon en
Apuleius' Gouden
ezel. Wat betreft de Middeleeuwen kan gewezen worden op de verhalen
rondom
Tijl Uilenspiegel en de
vagantenliteratuur.
De bloei van de ‘novella picaresca’ in het begin van
de 17e eeuw in Spanje is echter het gevolg van het verschijnen van
Lazarillo de Tormes (1554) waarop o.a.
Alemáns Dela vida del
Pícaro Guzmán de Alfarache (1599-1604) zich
geïnspireerd heeft, evenals
Quevedo's Historia de la vida
del Buscón (1626), vertaald in het Nederlands door
Salomon van Rusting in 1642. Vanuit
Spanje verspreidde het genre zich over de West-Europese literatuur
van de 17e en 18e eeuw waarbij enige variaties optraden, zoals het verdwijnen
van de meester-knecht-verhouding, psychologische uitdieping van de schelm,
toevoeging van moralisering of afzwakking tot een puur avonturenverhaal.
Bekende picareske romans zijn Gil Blas (1715-1735) van
Lesage en Moll
Flanders (1722) van
Defoe.
In Nederland is Den vermakelyken
avanturier (1695) van
Nicolaes Heinsius jr. een mooi voorbeeld
van een schelmenroman die een tiental herdrukken beleefde tot het midden van de
18e eeuw. Minder bekend zijn de anonieme Het kind van weelde of de
Haagsche lichtmis (1697) en De wandelende en spreeckende
Dukaat (1682).
Na het verschijnen van The adventures of Huckleberry
Finn (1884) van
Mark Twain volgt een opleving van het
genre, dat dan als neopicareske roman aangeduid kan worden, waarin het conflict
tussen schelm en gemeenschap meer geestelijk dan materieel is. Voorbeelden
hiervan zijn
Herman Teirlincks De nieuwe
Uilenspiegel (1920), Die Bekenntnisse des Hochstaplers
Felix Krull (1954) van
Thomas Mann, Die
Blechtrommel van
Günter Grass en
Jan Cremers Ik, Jan
Cremer (1964; dl. 2 1966).
LIT: Baldick; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick;
Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; H. van Gorp. Inleiding tot de
picareske verhaalkunst (1978). [P.J. Verkruijsse]
| |
pictogram of beeldschrift
Term uit de schriftgeschiedenis voor een primitieve tekening die
dienst doet als taalteken. De pictografie wordt beschouwd als het voorstadium
voor het schrift dat gebruik maakt van
logogram en
syllabogram, vaak in de vorm van een
petroglief of
petrogram.
In de moderne tijd hebben pictogrammen hun herintrede gedaan in
situaties waarin internationaal verkeer om voor ieder direct herkenbare tekens
vraagt: verkeersborden, bewegwijzering op vliegvelden, in stations en
gebouwen.
LIT: BDI; Dupriez-1; I.J. Gelb. A study of writing
(19632). [P.J. Verkruijsse]
| |
pictura
Het tweede onderdeel van een
emblema (emblematiek): de prent. Samen met het motto (motto-2) en het onderschrift (subscriptio) vormt het de drie-eenheid van het embleem. De
pictura illustreert het thema, nu eens via zinnebeeldige figuren uit de
iconologie (zeer vaak komt bijv. Cupido voor
in de liefdesemblemata) of via
hiërogliefen, dan weer - veel
geraffineerder - via achtergrondwerking waardoor de prent een dubbele werking
krijgt. Op een pictura bij het motto ‘Altijt ghequelt’ van
Otto Vaenius bijv. staat op de voorgrond
een door de liefdespijl van Cupido gekwelde man, terwijl op de achtergrond de
zee voortdurend een rots beukt.
Op veel picturae komen menselijke figuren voor die nadrukkelijk op
allerlei op de prent voorkomende emblematische attributen wijzen.
Bekende etsers en graveurs van prenten in emblematabundels zijn
J.H. Wierix,
Jac. de Gheyn,
Claes Jansz. Visscher,
Adriaen van de Venne (die vooral werk
van
Cats geïllustreerd heeft),
Boëtius a Bolswert,
Gerard de Jode,
Marcus Gheeraerts,
Otto Vaenius en
Crispijn van de Passe.
Jan Luyken heeft zijn talrijke bundels
emblemata voorzien van eigen prenten.
LIT: Gorp; K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse
emblemataliteratuur (1977), p. 50-54; Wort und Bild; Buchkunst und
Druckgraphik in den Niederlanden im 16. und 17. Jahrhundert (1981);
Nederlandse emblemata; bloemlezing uit de Noord- en Zuidnederlandse
emblemata-literatuur van de 16de en 17de eeuw, ed. P.J. Meertens/Hilary
Sayles (1983); Wort und Bild in der niederländischen Kunst und
Literatur des 16. und 17. Jahrhunderts, ed. H. Vekeman en J. Müller
Hofstede (1984); Roelof van Straten. Een inleiding in de iconografie
(1985); H. Luijten. ‘Gezien of gelezen? Realia en ontleningen in Jacob
Cats' Sinne- en minnebeelden’, in: L. Jansen, H. Luijten en J. de Man.
Drie edities, drie verhalen. Lezingen gehouden tijdens het symposium
Teksteditie op 2 december 1994 (1995), p. 35-77; H. Luijten & M.
Blankman. Minne- en zinnebeelden; een bloemlezing uit de Nederlandse
emblematiek (1996). [P.J. Verkruijsse]
| |
piëtistische literatuur
Literatuur geproduceerd door aanhangers van het piëtisme, de
stroming binnen het gereformeerde protestantisme, die - zich tegen algemeen
verbreide wantoestanden en misvattingen kerend - met profetische bezieling
zowel aandrong op de innerlijke beleving van de gereformeerde leer en de
persoonlijke levensheiliging, alsook ijverde voor de radicale heiliging van
alle levensgebieden. Het piëtisme ontstond in de tweede helft van de 16e
eeuw in Engeland en kent bloeiperiodes in het 17e-eeuwse Engeland,
Schotland en
Nederland, waar de stroming van de
Nadere Reformatie er grotendeels deel van uitmaakt, en het 17e- en 18e-eeuwse
Duitsland en de Verenigde Staten.
Vroege uitingen van piëtisme kan men aantreffen in werk van
o.a.
Petrus Datheenen
Philips van Marnix van St. Aldegonde.
Vanaf 1598 volgt een serie vertalingen van Engelse piëtistische werken
(het Engelse piëtisme wordt gewoonlijk aangeduid als puritanisme) van o.a.
William Cowper, John Hayward,
John Napier en
William Perkins door o.a.
J. Lamotius,
V. Meusevoet en
W. Teellinck. Van groot belang is ook
John Bunyans The pilgrim's
progress (1678), dat onder de titel Eens Christens reyse
na de eeuwigheyt (1682) herhaaldelijk vertaald en herdrukt is,
vooral bij de Amsterdamse boekverkoper/uitgever
Johannes Boekholt die een belangrijk
piëtistisch fonds had. Ook de in Amsterdam gevestigde Engelse
boekverkopers
Joseph Bruyning en
Steven Swart hadden piëtistische
titels in hun fonds.
Vanaf 1608 komen de originele Nederlandse geschriften van de
vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, de groepering van Nederlandse
piëtisten binnen de Nederduitse Gereformeerde Kerk. De belangrijkste
auteurs zijn allen Zeeuwen: Willem en
Eeuwout Teellinck met
Noodwendigh vertoogh (1627),
Noord-sterre (1621), respectievelijk
Christelicke clachte (1618), Mizpa
(1620), Boheemsch geluyt (1620),
G. Udemans met o.a. Corte
verclaringe over het Hooge-liedt (1616) en
J. de Swaef. Zij hebben ook invloed gehad
op het werk van o.a.
Johan de Brune de Oude,
Jacob Cats,
Jodocus van Lodenstein,
Willem Sluiter en
Jan Luyken, van wie de laatste ook
duidelijk Duitse piëtistische invloeden heeft ondergaan. De centrale
figuur van de Nadere Reformatie in overig Nederland werd de
theoloog
Voetius aan de Utrechtse universiteit. Na
1666 wordt het piëtisme gestempeld door
Jean de Labadie. Piëtistische
geschriften omvatten voornamelijk stichtelijke werken, bijbeluitleggingen en
categetische traktaten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de voortbrengselen
van de
doopsgezinde literatuur die meer
‘literair’ zijn.
Het Duitse piëtisme kwam in de 17e eeuw op onder invloed van
o.a.
Jakob Böhmedoor toedoen van
Ph.J. Spener en
A.H. Francke. De Duitse beweging wordt
gezien als een wegbereider van het
sentimentalisme en de
preromantiek.
Lavater,
Klopstock,
Herder en
Goethe hebben er invloed van
ondergaan.
In Nederland is een Stichting Studie der Nadere Reformatie actief
met een Documentatieblad Nadere Reformatie (sinds 1976) en andere
publicaties. Vanaf 1988 verschijnt een serie Gedolven Schatten uit het werk van
oude schrijvers uit de Nadere Reformatie, waarin bloemlezingen uit werk van
Joos van Laren,
Franciscus Ridderus en
Jacobus Fruytier.
LIT: Bantel; Best; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; J. Trimp.
Jodocus van Lodenstein als piëtistisch dichter (1952); C. Blokland.
Willem Sluiter 1627-1673 (1965); P.L. Eggermont. ‘Bibliografie van
het Nederlandse piëtisme in de 17e en 18e eeuw’, in:
Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, nr. 3 (1969), p. 67-81; K.
Meeuwesse. Jan Luyken als dichter van de Duytse Lier (19772);
T. Brienen, K. Exalto, J. van Genderen e.a. De Nadere Reformatie;
beschrijving van haar voornaamste vertegenwoordigers (1986); W.J. op 't
Hof. Engelse piëtistische geschriften in het Nederlands, 1598-1622
(1987); J.B.H. Alblas. Johannes Boekholt (1656-1693), the first Dutch
publisher of John Bunyan and other English authors (1987); P.G. Hoftijzer.
Engelse boekverkopers bij de Beurs (1987); L. Strengholt. ‘Tekenen
van de Nadere Reformatie in de poëzie van Revius, Cats en Huygens’,
in: Documentatieblad Nadere Reformatie 11 (1987), p. 109-125; A. Ros.
‘De poëzie van de Nadere Reformatie - een verkenning’, in:
Documentatieblad Nadere Reformatie 12 (1988), p. 1-28; W.J. op 't Hof,
C.A. de Niet en H. Uil. Eeuwout Teellinck in handschriften (1989); T.
Brienen, K. Exalto, J. van Genderen e.a. De Nadere Reformatie en het
Gereformeerd Piëtisme (1989); W.J. op 't Hof. ‘De godsdienstige
ligging van De Brune’, in: Johan de Brune de Oude (1588-1658), een
Zeeuws literator en staatsman uit de zeventiende eeuw (1990). [P.J.
Verkruijsse]
| |
Pindarische ode
Aanduiding voor een
ode geïnspireerd op het type zoals
geschreven door
Pindarus (520-445 v. Chr.), dat meestal
een
lofdicht is op zijn vorstelijke beschermers
of op overwinnaars bij de olympische spelen. De zgn. triadische vorm van de
Pindarische ode houdt in, dat het gedicht bestaat uit een veelvoud van een
driedeling: strofe (zang) - antistrofe (tegenzang) - epode (toezang). De eerste
en de tweede strofe hebben dezelfde vorm, de epode wijkt daarvan af. Een van de
eerste Nederlandse dichters die zich hierop inspireerden, was
Lucas de Heere. Hij schreef o.a.
‘Aan de vrouwen van Brabant’ (1565), de triade verdelend in een
‘keer’, ‘tegenkeer’ en ‘toesanck’. Bekend
is de Pindarische ode ‘Triumph-liedt’ op de inneming van Den
Bosch van
J. Revius (1630). De Tachtiger
H.J. Boeken vertaalde enkele zegezangen
in proza (De Nieuwe Gids 9, 1894, p. 266-8, 412-7).
In tegenstelling tot de
Horatiaanse ode heeft de Pindarische ode
geen strofische opbouw. Tevens wordt het genre gekenmerkt door grotere felheid
van gevoelens en gedurfder beeldspraak.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
pittoresk
Term uit de geschiedenis van de literaire kritiek voor een begrip
dat aan het eind van de 18e eeuw bij sommigen synoniem is met
‘romantique’ (romantiek). De term is
ontleend aan de schilderkunst en heeft betrekking op een landschap dat niet
alleen boeiend is voor het oog maar dat bovendien de verbeelding in werking
zet. Het subjectieve van de term maakte dit woord bijzonder geschikt om de
nieuwe soort literatuur te typeren die omstreeks 1800 actueel is en waarin
suggestie en verlangen naar het andere en hogere zo'n grote rol spelen. Omdat
op een bepaald moment het woord pittoresk als beperkter wordt ervaren dan
datgene waar men bij ‘romantisch’ aan denkt, krijgt laatstgenoemde
term weldra de overhand.
LIT: M. Praz. Lust, dood en duivel in de literatuur van de
Romantiek (1990), p. 30-31; W. van den Berg. De ontwikkeling van de term
‘romantisch’ en zijn varianten in Nederland tot 1840 (1973), p.
24-25. [G.J. Vis]
| |
plagiaat of letterdieverij
Vorm van literair bedrog waarbij iemand het werk van een ander
voor zijn eigen werk laat doorgaan. De grenzen tussen navolging (imitatio), epigonisme en plagiaat zijn vaak moeilijk aan te
geven. Over het algemeen verstaat men onder plagiaat toch vooral het letterlijk
overnemen van een tekst of tekstgedeelte (bijv. in vertaling) van een andere
auteur of het overnemen van essentiële elementen uit diens werk zonder
bronvermelding.
In Nederland werd
Herman van den Bergh door
Kees Helsloot in Maatstaf (jrg.
12, 1964-65, p. 645-659) beschuldigd van plagiaat. In 1996 deed zich een geval
voor van plagiaat dat voor veel commotie zorgde. In het weekblad Vrij
Nederland werd onthuld dat veel werk van de Leidse hoogleraar psychologie
Diekstra op plagiaat berustte. In
datzelfde jaar werd
A.F.Th. van der Heijden door de
journaliste
Toni Boumans verdacht van plagiaat in de
roman
Het hof van barmhartigheid (1996), maar daarvan in
een artikel van
Klaus Beekman in Literatuur (jrg.
13, 1996, nr. 6, p. 337-341) vrijgepleit.
Onderzoek op het gebied van de
intertekstualiteit veroorzaakte een
discussie rond plagiaat, omdat veel (post)moderne auteurs werken met
tekstcitaten of collagevormen, waarbij teksten van anderen vaak zonder
bronvermelding worden verwerkt in een nieuwe tekst.
De auteur wordt tegen plagiaat beschermd door het
auteursrecht. Een navolger of
epigoon is echter niet strafbaar.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Fowler; Gorp; Hiller;
Metzler; MEW; Scott; J. Grootaers. Maskerade der muze (1954); H.
Wagenvoort. Navolging en plagiaat in de literatuur (1958). [G.J. van
Bork]
| |
plakkaat
Archiefterm voor een voor algemene bekendmaking bestemde
verordening, uitgevaardigd onder een opgedrukt zegel, eertijds een plakkert of
plakkaat genoemd. Vanaf de 16e tot de 19e eeuw werd de term gereserveerd voor
overheidsverordeningen. Verzamelingen van plakkaten zijn per gewest
bijeengebracht in de zogenaamde plakkaatboeken. Bekend is het Plakkaat van
Verlatinghe van 26 juli 1581 door de Staten-Generaal als antwoord op de
apologie van
Willem van Oranje waarbij Filips II van
de heerschappij over zijn Nederlandse gewesten vervallen werd verklaard.
LIT: BDI; Brongers; Ned. Arch.-term.; H.W.J. Volmuller.
Nijhoffs geschiedenislexicon Nederland en België (1981), p. 461.
[P.J. Verkruijsse]
| |
plano
Term uit de bibliografie voor een ongevouwen, meestal aan
één zijde bedrukt,
vel. Dit
formaat, soms bibliografisch aangeduid als
‘10’, werd vaak gebruikt voor het
pamflet-1.Op een plano-vel met de
lange zijden verticaal lopen de
kettinglijnen horizontaal; het
watermerk zit in het midden op
één kwart van de onder- of bovenkant.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; M.J. Pearce. A workbook of
analytical and descriptive bibliography (1970), p. 61-62, 69; Ph. Gaskell.
A new introduction to bibliography (19742), p. 81, 106. [P.J.
Verkruijsse]
| |
plaquette
Gedenkplaat, vaak in de vorm van een gevelsteen of koperen plaat,
aangebracht op woon- of geboortehuizen van roemruchte personen.
In Nederland beijvert de Maatschappij der Nederlandse
Letterkunde zich ervoor plaquettes voor letterkundigen aan te brengen. In
Leiden zijn inmiddels plaquettes aangebracht ter nagedachtenis van
Willem Bilderdijk (1983),
Jacob Geel (1984),
Johannes Kneppelhout (1985) en
Albert Verwey (1987), in
Amsterdam van
G.A. Bredero (1985),
inParijs van
Conrad Busken Huet (1986), in
Alkmaarvan
A.L.G. Bosboom-Toussaint (1987) en in
Den Haag van
Carel Vosmaer (1988).
De tekst op plaquettes is meestal beknopt, bijv. ‘Hier
woonde en werkte Mr. Carel Vosmaer (1826-1888)’.
LIT: ‘Herdenking Carel Vosmaer’, in: Nieuw
Letterkundig Magazijn 6 (1988), p. 4-5. [W. Kuiper]
| |
plastiek of aanschouwelijkheid
Aan de beeldende kunst ontleende term voor de suggestieve kracht
die van een tekst uit kan gaan, d.w.z. de zintuiglijke voorstelling die men
zich kan maken van het in de tekst beschrevene. In feite is de term een
metafoor, omdat taal alleen langs indirecte weg de werkelijkheid kan weergeven.
Men bedoelt er dan ook doorgaans evocatief, schilderachtig, levendig of iets
dergelijks mee. Die zeggingskracht van de tekst wordt overigens niet alleen
bepaald door het visueel voorstelbare, maar ook door de
klank en het
ritme.
LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Lodewick; MEW; Th. Meijer. Das
Stilgesetz der Poesie (1901); J. Elema. Poëtica (1949). [G.J.
van Bork]
| |
platform
Term uit de
dramaturgie voor het toneelplankier bij het
rederijkerstoneel. Het toneel bestaat in de
Nederlanden in de 16e eeuw uit een platform met daarop het
speelhuis; een (meestal met gordijnen)
afgesloten, kleinere ruimte. Op het platform wordt de hoofdhandeling
opgevoerd.
Bij toneelwedstrijden was het lang de gewoonte dat de deelnemende
kamers voor hun eigen toneelbenodigdheden zorgden: dat in 1486 voor de
wedstrijden in Antwerpen de organiserende kamer twee platformen beschikbaar
stelde, werd als een noviteit vermeld.
LIT: W.M.H. Hummelen. ‘Typen van toneelinrichting bij de
rederijkers’, in: Studia Neerlandica 1 (1970-1971), p. 59-109;
W.M.H. Hummelen. ‘Het tableau vivant, de “toog”, in de
toneelspelen van de rederijkers’, in: TNTL 108 (1992), p. 193-222.
[H. Struik]
| |
platitude
Platte of banale zinsnede die domheid of beperktheid van de
gebruiker ervan verraadt. Door het alledaagse karakter van de platitude ligt
dergelijk woordgebruik dicht bij het
cliché-1. Men spreekt om die reden
wel van ‘dooddoener’. Literair gebruikt men de platitude wel om een
personage te karakteriseren of om een ironisch effect te bewerkstelligen, zoals
bijv.
Gerard Reve doet wanneer hij
Bullie van der K. in Veertien
etsen van Frans Lodewijk Pannekoek (1967) dubbelzinnig laat zeggen:
‘Kunst is al erg genoeg.’
LIT: Best; Cuddon; Scott; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
platonisme
Onder platonisme wordt óf in strikte zin verstaan de
filosofie van de Griekse wijsgeer
Plato (428/427 - 348/347 v.Chr.),
óf in ruimere betekenis de invloed van diens denken op latere filosofen.
De kerngedachte van het platonisme is die van de twee werelden: de stoffelijke
en de ideeënwereld, geadstrueerd met de vergelijking van de grot uit
Plato's Politeia. De schoonheid van de stoffelijke wereld
moet de ziel tot begrip van de Idee der Schoonheid brengen.
Plotinus (3e eeuw n.Chr.) heeft de leer
van het platonisme zodanig aangepast dat ze verenigbaar werd met het
christendom. Via hem,
Boëthiusen
Dionysius de Areopagiet heeft het
platonisme de Middeleeuwen ‘overleefd’.
De verzoening van christendom en platonisme vond plaats in de 15e
eeuw in Florencedoor humanisten als
Ficino en
Pico della Mirandola. Dit
neoplatonisme heeft met zijn
schoonheidsideeën (vooral de ideeën over de geestelijke liefde, de
‘platonische liefde’) grote invloed gehad op de kunsten en dus ook
op de literatuur van
humanisme en
renaissance, later ook op die van
romantiek en
symbolisme. De ideeën over de
lichamelijke liefde zijn verbreid via het
petrarkisme.
Hoewel Plato voor de poëzie slechts een rol weggelegd zag in
het kader van propagandadoeleinden ten behoeve van de goden en helden, en de
kunsten beschouwde als een slechte imitatie (mimesis)
van de stoffelijke wereld die op haar beurt al een imitatie is van de
goddelijke wereld, heeft hij door zelf gebruik te maken van dialogen, symbolen
en mythen de platonisten de kans geboden de dichter voor te stellen als
geïnspireerde figuur die een bijzondere plaats bekleedt als volksopvoeder,
filosoof en profeet. In de romantiek valt, binnen het kader van het
idealistisch denken, een opleving te constateren van het platonisme, doorgaans
getypeerd met de term neoplatonisme. Hoofdkenmerk daarvan is de opvatting dat
de stoffelijke wereld een afschaduwing is van de wereld der ideeën.
P.C. Boutens en
Jan Prins hebben een aantal
Plato-vertalingen vervaardigd.
LIT: Baldick; Cuddon; Fowler; LdMA; MEW; Myers/Simms; Preminger;
Scott; C.J. de Vogel. Philosophia, II: Plato and platonism (1983); S.
Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus. Klassieke en christelijke
denkbeelden in de Nederlandse renaissance-literatuur (1989), p. 40-51.
[P.J. Verkruijsse]
| |
plat of bord
Van hout of karton gemaakte plaat die met leer, perkament of een
andere stof overtrokken de voor- of achterkant van een boekband vormt. Tot in
de 14e eeuw zijn de platten in het algemeen even groot als het
boekblok, daarna worden ze ruimer gesneden
en steken ze wat uit over het boekblok.
LIT: BDI; H. Helwig. Einführung in die
Einbandkunde (1970); J.J.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione
codicum (19813), p. 74-75. [H. Struik]
| |
Pléiade
Pléiade (‘zevengesternte’) is de naam voor een
groep van zeven Franse dichters uit de tweede helft van de 16e eeuw die de
nationale
renaissance in Frankrijk vorm
gaven naar het voorbeeld van Italië door te streven naar
verheerlijking, zuivering en opbouw van de Franse taal (taalbouw) en literatuur en die veel invloed gehad hebben op
het ontstaan van de renaissancebeweging in Engeland en de
Nederlanden. Aanvankelijk noemde de groep zich La Brigade; de term
Pléiade ontstond in 1556. In de Pléiade-poëzie worden de
ideeën van het
neoplatonisme gecombineerd met die van het
petrarkisme. Veel beoefende genres waren het
sonnet en de
ode, waarin gebruik gemaakt werd van de
nieuwe ‘Franse maat’, de
jambe.
De oudste Pléiade-dichter, de humanist
Jean Dorat (1508-1588), doceerde aan het
Parijse Collège Coqueret waar hij
Pierre de Ronsard,
Joachim du Bellay en
Antoine de Baïf onder zijn
leerlingen had. Tot de andere Pléiade-dichters worden gewoonlijk
gerekend
Remy Belleau,
Etienne Jodelle en
Pontus de Tyard. Het
‘programma’ van de Pléiade werd geschreven door Du Bellay:
Deffence et illustration de la langue françoyse
(1549) en Ronsard: Abrégé de l'art poétique
français (1565).
De Nederlandse humanist
Janus Dousa had ook bij Dorat
gestudeerd. De vroegrenaissancistische
Jan vander Noot staat duidelijk onder
invloed van Ronsard en heeft contact gehad met waarschijnlijk de eerste
navolger van de Pléiade in de zuidelijke Nederlanden,
Guillaume de Poetou. Lucas de Heere en
Carel van Mander kunnen tot de
pléiadisten gerekend worden.
Imitatio van Pléiade-dichters bij
Nederlandse auteurs is tot ver in de 17e eeuw aan te treffen. Vooral
Du Bartas' La sepmaine ou
création du monde (1579) werd vertaald of bewerkt door
Jan Moretus,
Theodore van Liefvelt (1609),
Zacharias Heyns (1616),
Rutger Wessel van den Boetselaer (1622),
Daniel Heinsius (1616),
Joost van den Vondel en
Jacobus Revius.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick;
Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; A. Beekman. Influence de
Du Bartas sur la littérature néerlandaise (1912); H. Chamard.
Histoire de la Plëiade (4 dln. 1939-1940); G. Castor.
Pléiade poetics; a study in 16th-century thought and terminology
(1964); K.J.S. Bostoen. Dichterschap en koopmanschap in de zestiende eeuw;
omtrent de dichters Guillaume de Poetou en Jan vander Noot (1987). [P.J.
Verkruijsse]
| |
pleonasme
Stijlfout die bij opzettelijk gebruik tot stijlfiguur kan worden.
De meest voorkomende vorm is die van een substantief met een daarbij ten
overvloede toegevoegd adjectief: een ‘ronde cirkel’. Logisch gezien
is het pleonasme, evenals de
tautologie, een vorm van
woordovertolligheid. Sommigen zien beide als voorbeelden van een
perifrase.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Scott;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
ploce
Term uit de stijlleer, soms ook wel
distinctio genoemd, bestaande uit een
gevarieerde herhaling (repetitio). Kenmerkend is het
accentueren van het betekenisverschil tussen de leden van een woord- of
zinsdeelherhaling. Men vindt het in menig
gezegde, zoals in ‘een man, een man -
een woord, een woord’. In het volgende citaat heeft het woord
‘muziek’ de tweede keer een specifieker betekenis dan de eerste
keer:
een taal, die zelf muziek ging zijn
doordat er echo's in weerklonken
van een muziek, hem meegeschonken
als waterkruik in de woestijn.
(
M. Nijhoff. VW dl. 1 (1982), p.
507).
Deze stijlfiguur kan de vorm hebben van een
anadiplosis.
LIT: Buddingh'; Lausberg; Myers/Simms; Preminger; Shipley. [G.J.
Vis]
| |
plot, intrige-1 of sujet
Term uit de verteltheorie of dramatheorie waarmee de organisatie
van de tekstgegevens, d.w.z. de bouw of structuur van de tekst wordt bedoeld.
De wijze waarop deze gegevens worden aangeboden, zijn in hoge mate bepalend
voor het effect ervan op de lezer of toeschouwer, bijv. voor de spanning. Om
die reden worden bijv. in de detectiveroman de gegevens die successievelijk aan
de lezer worden prijsgegeven, pas aan het slot tot een logische samenhang
gebracht waardoor de dader ontmaskerd kan worden.
Bij het drama gebruikt men naast de termen ‘plot’ of
‘intrige’ ook wel de term ‘verloopsplan’, een term die
duidelijker laat zien wat eronder verstaan wordt. De term ‘plot’
werd in de verteltheorie geïntroduceerd door E.M. Forster in diens
Aspects of the novel (1927) voor de causale samenhang van
de tekstgegevens, die hij plaatste tegenover de chronologische samenvatting van
de gebeurtenissen of de ‘story’ (fabel-2).
Wat betreft de term ‘intrige’ maken sommige auteurs (
Abrams bijv.) onderscheid tussen de
structuur van de tekst (plot) en het plan van een der personages om al dan niet
met hulp van anderen de tegenspeler in de val te laten lopen. De intrige is in
dat geval een uitvloeisel van het
conflict en onderdeel van de plot.
LIT: Abrams; Baldick; Bergh; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler;
Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott;
Shipley; E. Dipple. Plot (1970). [G.J. van Bork]
| |
pluralis majestatis
Met het ‘majesteitsmeervoud’, oorspronkelijk bij
vorsten gebruikelijk, noemt de ik-figuur zichzelf in het meervoud. Het komt
voor in officiële regeringsstukken die een koninklijke bekrachtiging
hebben gekregen, zoals de Koninklijke Besluiten (K.B.'s): ‘Wij, Beatrix
... enz.’. Sprekers en schrijvers hanteren deze vorm vaak uit
bescheidenheid (pluralis modestiae). Tot voor kort was
het de gewoonte van veel publicisten om zichzelf in het meervoud te
presenteren.
In hoeverre de wij-vorm in literaire teksten als pluralis
majestatis dient te worden beschouwd, hangt in hoge mate van de interpretatie
af, zoals bijv. in:
wij kennen van buiten / onze zak
(P. van Ostaijen. VW, Poëzie, dl. 2 (1979),
p. 9).
LIT: MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
pluralis modestatis zie
pluralis modestiae
| |
pluralis modestiae of pluralis modestatis
Bescheidenheidsmeervoud als een van de hanteringsvormen van de
pluralis majestatis.
LIT: Best; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
pluralis pro singulari
Vorm van
synecdoche waarbij het meervoud wordt
gebruikt in plaats van het enkelvoud. Zo gaat
Nijhoff van het enkelvoudige
‘mensch’ over op het meervoudige ‘ons’ in de passage
de natuur is niet den mensch ter wille:
Slechts [...] staat zij ons toe [...]
(VW, dl. 1, 1982, p. 110).
Een specifieke vorm van de pluralis pro singulari is de
pluralis majestatis.
LIT: Lausberg. [G.J. Vis]
| |
pluri-interpretabiliteit zie
ambiguïteit
| |
pocketboek
Term ontleend aan de Amerikaanse reeks ‘Pocket Books’
voor boeken die in
paperback-vorm worden uitgegeven in een
klein formaat (ca. 18x11 cm), waardoor ze als het ware in de zak kunnen worden
meegenomen. De belangrijkste doelstelling voor het uitgeven van pockets is de
andere en grotere publieksgroep die ermee bereikt kan worden. Door goedkopere
productiemethoden te gebruiken (lumbecken,
brocheren, plastificeren, goedkopere
druktechnieken, houthoudend papier e.d.) kan het pocketboek goedkoop zijn, een
effect dat nog versterkt wordt door de grotere oplagen die ervan gemaakt worden
(vaak minimaal 10.000 exemplaren in het Nederlandse taalgebied). Een ander en
groter publiek kwam zo in contact met literair werk dat vaak al eerder in
gebonden vorm een ander deel van het publiek bereikt had. Opvallend is dat
pocketboeken doorgaans in reeksen worden gepresenteerd.
Als voorlopers van de Nederlandse pocketboeken kunnen de deeltjes
in de reeks Klassiek Letterkundig Panthéon beschouwd worden, waarvan het
eerste in 1853 verscheen. Ook kan gewezen worden op de reeks van de
Maatschappij tot verspreiding van Goede en Goedkoope Lectuur (de latere
Wereldbibliotheek) onder leiding van
L. Simons, waarin vanaf 1905
oorspronkelijk werk, maar vooral vertalingen van werken uit de wereldliteratuur
werden uitgegeven in goedkope kleine uitgaven. Deze uitgaven dienden een
cultureel en sociaal doel, nl. de lagere klassen in contact brengen met de
‘grote’ literatuur.
In de jaren ‘30 verschenen talrijke nieuwe series, zoals de
Engelstalige Albatross (vanaf 1932) en de Penguinbooks (vanaf 1935), en in
Nederland de Salamanderreeks (vanaf 1934), de Schijnwerpers (vanaf 1936) en de
ABC-romans (vanaf 1938).
Na de Tweede Wereldoorlog nam de productie van het pocketboek een
hoge en commerciële vlucht. Vooral de Prisma- en Aula-pockets (Het
Spectrum), de Zwarte Beertjes (Bruna), de Ooievaarreeks (Bert Bakker/Daamen) en
de Vlaamse Pockets (Heideland) zijn literair belangrijk, maar vrijwel elke
uitgeverij geeft zijn eigen pocketreeks uit. Als vergelijkbaar verschijnsel kan
het goedkope
bulkboek gezien worden dat er de
oorspronkelijke doelstelling mee gemeen heeft.
De enige Nederlandse inventarisatie van een volledige pocketreeks
is
C.J. Aarts' Het Salamanderboek
1934-1984 (1984). Van 1959 to 1968 verscheen de Pocketgids, maar
daaraan werkte Het Spectrum met zijn Prisma-pockets niet mee.
LIT: BDI; Brongers; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW; Wilpert;
Zojuist verschenen (1955); W.E. Williams. The Penguin story
(1956); P. Schreuders. Paperbacks, U.S.A. (1981); Th.L. Bonn. Under
cover (1982); S. Hubregtse. ‘Nederlandse pockets verzamelen’,
in: De Boekenwereld 3 (1986-1987), 3, p. 79-90. [G.J. van Bork]
| |
poëet
Aanduiding voor de
dichter, veelal in ironische zin. In de
literatuurgeschiedenis leeft de term voort in de samenstelling
‘Poëtenoorlog’, een weinig verheffende reeks literaire twisten
in de Nederlandse letterkunde van het eerste kwart der 18e eeuw, door
Poot aan de kaak gesteld in zijn gedicht
‘Pöëtenstrijt’. Pejoratief gebruik als dit (een
poëet is een minder soort dichter) hoeft niet altijd geïmpliceerd te
zijn in de term. Als
Bilderdijk schrijft: ‘De
Dichtkunst des poëets, de Godsdienst van den christen, is
één’ (De kunst der poëzy, 1807, vs. 386-387),
dan is het woord poëet synoniem met (goed) dichter. In het huidige
spraakgebruik komt het woord zelden voor, en als het gebruikt wordt, dan is dat
meestal - wellicht mede onder invloed van het woord
poëtaster - in ongunstige of ironische
zin.
LIT: Laan; G.J. Vis. ‘Denken en doen’, in:
Spektator 17 (1987-88), p. 105-128 (p. 107). [G.J. Vis]
| |
poésie parlante zie
vrij vers-2
| |
poésie pure
Vorm van
poëzie-1 gekenmerkt door een opvallend
hoge mate van exploitatie van de
klank, veelal door de auteur bewust
nagestreefd om zo veel mogelijk uitsluitend door de klank zelf gevoelens te
uiten, vergelijkbaar met de wijze waarop dat in de muziek gebeurt. Vooral in de
19e eeuw ziet men een toename van dit type gedichten; in de Nederlandse
letterkunde is het
G. Gezelle die er als eerste voorbeelden
van levert. De term dateert echter pas van 1883, geïntroduceerd door
Ch. Baudelaire. De symbolisten (symbolisme) hebben een belangrijke impuls gegeven aan de
poésie pure door de nadruk die zij vaak legden op het muzikale karakter
van hun teksten als autonome (l'art pour l'art)
expressievormen met beoogde magische en/of suggestieve effecten. Bekende
voorbeelden zijn
J. Engelmans
cantilena ‘Vera Jaconopoulos’ en
sommige sensitieve verzen van
Gorter, zoals het volgende:
Gij zijt een stille witte blinkesneeuw,
gij zijt een blinke zeeë tintelzee.
Gij zijt een schemerwitte leliemeid,
gij zijt een wijde vlinderveluwheid.
Gij zijt het opene, het witte, 't willende,
het wachtend, straalvlammend, lichtlillende.
(H. Gorter. Verzamelde lyriek tot 1905,
1977, p. 86).
Andere voorbeelden leveren
P. van Ostaijen,
Lucebert,
Jan Hanlo en
Johnny van Doorn.
LIT: Best; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW;
Morier; Wilpert; S. Vestdijk. De glanzende kiemcel (19694),
p. 109-112; P. de Vree. ‘Sound-poetry’, in: Tafelronde 15
(1970), p. 7-9; C. de Deugd. ‘Sonische poëzie’, in: FdL
14 (1973), p. 1-29; A.M. Musschoot. ‘Poésie pure: een confrontatie
Karel van de Woestijne-Paul van Ostaijen’, in: NTg 69 (1976), p.
191-204. [G.J. Vis]
| |
poet laureate zie
poeta laureatus
| |
poeta doctus
Een poeta doctus is het type van de ‘geleerde
dichter’, zoals dat ontstond in de Hellenistisch-Alexandrijnse periode.
Het is een dichter die zich met veel vertoon van geleerdheid en via verfijnd
taalgebruik richt tot een elitair publiek. Humanistische (humanisme), maniëristische (maniërisme) en
barok-auteurs treden op als poetae docti.
Vondel zou men een poeta doctus kunnen noemen.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
poeta faber
Een poeta faber is een dichter, bij wie als vakman de techniek
overheerst, in tegenstelling tot bij de
poeta vates bij wie de inspiratie op de
voorgrond staat.
LIT: Gorp; MEW. [P.J. Verkruijsse]
| |
poeta laureatus of poet laureate
Een poeta laureatus is sinds de Romeinse tijd een door de overheid
of kunstbroeders met een lauwerkrans ‘gekroond dichter’. De laurier
is het symbool van de god van de kunsten, Apollo. Omdat de bekroning vaak door
keizers of koningen werd verleend, werd de poeta laureatus dikwijls bezoldigd
hofdichter, een gebruik dat in Engeland sinds 1668 toen
J. Dryden poet laureate werd tot op
heden in stand gebleven is.
In Nederland bestond het gebruik belangrijke auteurs
met een lauwerkrans te begraven. Zo vermeldt
W. van Gouthoeven in D'oude
chronijcke ende historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van
Wtrecht (1620), dl. 1, fol. P1 verso, het volgende:
Gherbrant Adriaensz. Breero, gheboren t'Aemsteldam, alwaer hy
An. 1618 ghestorven zijnde, als een Poeet met Laurieren seer treffelijck
begraven is.
Hetzelfde was gebeurd met
Carel van Mander in 1606 en
Reinier Telle in 1618.
Vondel werd op een feest van het Sint
Lucasgilde in 1653 gekroond door zijn kunstbroeders.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Wilpert.
[P.J. Verkruijsse]
| |
poeta vates
Een poeta vates is het type van de ‘dichter-ziener’,
de door de muzen geïnspireerde dichter volgens de opvattingen van het
neoplatonisme, in tegenstelling tot de
poeta faber, de vakman bij wie de technische
vaardigheid op de voorgrond staat. De poeta vates past geheel in de theorie van
de Franse
Pléiade, de andere nationale
renaissancebewegingen zoals die in Engelandrond Sidney en in
Nederland in het Leidse academiemilieu, en van de
romantiek.
LIT: Gorp; MEW; Wilpert; J.A. van Dorsten. Poets, patrons, and
professors; Sir Philip Sidney, Daniel Rogers, and the Leiden humanists
(1962), p. 33-47. [P.J. Verkruijsse]
| |
poëtaster
Aanduiding voor de
poëet in de ongunstige zin van het
woord: pruldichter, rijmelaar. In de geschiedenis van de literaire
kritiek zijn het vooral sommige 18e-eeuwse
dichtgenootschappers (dichtgenootschap) die - sinds het
begin van de 19e eeuw - het mikpunt zijn van spot en het object van afschuw
vanwege hun onpersoonlijk gerijmel volgens regeltjes die iedereen kan
toepassen; op grond hiervan werden ze als poëtaster veroordeeld. Ze staan
diametraal tegenover het ideale type dichter zoals
Kloos dat zag: iemand die de dichtkunst
beoefent als allerindividueelste expressie van een allerindividueelste emotie.
In de versexterne
poetica-1 van 20e-eeuwse dichters en critici
kan men talloze voorbeelden vinden van recensies en andere beschouwingen waarin
een slecht dichter als
epigoon, onpersoonlijk schrijver, dichter
zonder vormkracht, kortom als poëtaster wordt afgewezen.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Scott;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
poètes maudits
Naam van een groep dichters ontleend aan een artikelenreeks uit de
jaren 1884-1888 van
Paul Verlaine getiteld ‘Les
poètes maudits’ (de verdoemde dichters) in het tijdschrift
Lutèce, waarin de destijds vrijwel nog onbekende dichters
Corbière,
Rimbaud en
Mallarmé naar voren werden
geschoven. Bij uitbreiding doelt de term op dichters die op maatschappelijke
(bohémien) of psychologische gronden dan wel door
lichamelijke aftakeling aan de rand van de samenleving terecht kwamen. In de
Nederlandse letterkunde zou men kunnen wijzen op
Willem Kloos en
J.J. Slauerhoff.
Volgens
Rodenko is de poète maudit
herkenbaar aan zijn ‘poésie maudite’: dichtwerk waarin een
belangrijke plaats is ingeruimd voor het kwaad (satanisme). In die zin vallen daar schrijvers onder als
Baudelaire en Slauerhoff.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; P. Rodenko.
Gedoemde dichters (1957); E. Endt. ‘De spanning tussen kunst en
leven’, in: Spektator 1 (1971-72), p. 3-17. [G.J. Vis]
| |
poëtica-1 of ars poetica
Onder poëtica wordt sinds
Aristoteles' Peri
poiètikès (rond 330 v.Chr.) de leer omtrent het
wezen, de genres en de verschijningsvormen van de dichtkunst verstaan.
Poëtica komt van het Griekse ‘poiein’, maken, wat men dus ook
kan leren maken via een
ars, een techniek. Voor Aristoteles is de
dichtkunst een nabootsing (mimesis) van mogelijk
menselijk handelen. Hij wijkt daarin af van het
platonisme, dat leert dat kunst een
onbelangrijke afschaduwing is van de aardse werkelijkheid, die op haar beurt al
een afschaduwing was van de Idee. De poëzie onderscheidt zich volgens
Aristoteles van de historiografie die weergeeft wat er feitelijk gebeurd is;
juist door haar universele strekking is de kunst van groot
filosofisch-wetenschappelijk belang. Het genre-onderscheid ontstaat doordat de
ene dichter zich bezighoudt met edele menselijke handelingen (hetgeen leidt tot
epos en
tragedie) en de andere met minder edele
handelingen (blijspel en
satire). De poëzie wekt emoties op die
zuiverend werken (catharsis).
Omdat de poëtica van Aristoteles pas in de 15e eeuw
herontdekt werd (Latijnse vertaling van 1498), is de Ars poetica
(laatste twee decennia v.Chr.) van
Horatius van veel meer invloed geweest
tijdens de renaissance. Het doel van de poëzie is volgens hem het
utile dulci, nut én vermaak.
Quintilianus, een bewonderaar van
Cicero, behandelt in zijn
Institutio oratoria (ongeveer 90 n.Chr.) zowel de
retorica als de poëtica, welke laatste
ook voor de redenaar nuttig is: hij kan er zijn voorbeelden (exempla) uit halen. De poëtica maakte in de Middeleeuwen
geen deel uit van de
artes liberales.
Humanisten (humanisme) als
J.C. Scaliger,
D. Heinsius en G.J. Vossius trachten een
synthese tot stand te brengen tussen de opvattingen van Aristoteles en
Horatius. Scaliger ziet in zijn Poetices libri septem
(1561) niet de mimesis als doel, maar als middel, en het doel van de dichtkunst
is - net als bij Horatius - het op onderhoudende wijze verschaffen van morele
instructie (iucunda doctrina). Door de sterk
taalkundig-retorische gerichte schoolopleiding van de humanisten vermengen tal
van elementen uit de retorica zich met de poëtica. In Nederland heeft de
poëtica van Scaliger veel invloed gehad via diens zoon
Josephus Justus Scaliger die hoogleraar
was in Leiden.
Later dringen ook de invloeden van de
Pléiade door, met name die van
Ronsards Abrégé de l'art poétique français
(1565). Nederlandstalige theoretische beschouwingen zijn van P.C. Hooft:
Reden vande waerdicheit der poësie (1614) en van Th. Rodenburgh:
Eglentiers poëtens borstweringh (1619).
In 1674 verschijnt de invloedrijke Art
poétique van
Boileau, waarin de opvattingen van het
neoclassicisme (classicisme) zijn verwoord en
vastgelegd.
Het normatieve in de poëtica maakt in de loop van de 18e eeuw
plaats voor descriptie van technieken en vormelementen van de poëzie (de
romantiek verwerpt de mimesis-opvatting!),
waarmee de poëtica van karakter verandert (poëtica-2).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Fowler;
Gorp; Krywalski; Laan; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Wilpert; S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus
(1989), 172-184; B.F. Scholz. ‘Poëtica’, in: W. van Peer en K.
Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 127-135; P. Verdonk. Het
bevrijde icoon. Van klassieke retorica naar een cognitieve stilistiek
(1997). [P.J. Verkruijsse]
| |
poëtica-2 of poëtiek
Naast het algemene begrip
poëtica-1 uit de renaissance kreeg de
term poëtica er in de loop der tijden een specifieke gebruiksmogelijkheid
bij. Terwijl enerzijds de term gehandhaafd bleef voor de theorie van de
literatuur in het algemeen, respectievelijk voor die van de
genres en technieken (zoals in
Boileau's bekende Art
poétique van 1674), werd anderzijds de term langzamerhand in
meer specifieke zin gebruikt voor de technieken en vormelementen van de
dichtkunst. Een voorbeeld hiervan is de Poëtica
(1949) van
J. Elema, die achtereenvolgend
hoofdstukken wijdt aan
ritme,
klank, woordkeus,
beeldspraak en
symbool. Het is daarbij opvallend dat
stijlfiguren en genres een geringe plaats
krijgen toebedeeld in verhouding tot onderwerpen uit de
prosodie. Wellicht is deze beperking mede het
gevolg van de versbouwexperimenten die vooral sinds
symbolisme en
modernisme de aandacht van (schrijvers,)
lezers en onderzoekers hebben beziggehouden.
Naast en tegenover wat ressorteert onder poëtica-1 en
poëtica-2 onderscheidt men de auteurspoëtica (poëtica-3), die overigens elementen van beide kan
bevatten.
LIT: Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan;
Metzler; MEW; Preminger; Wilpert; S. Vestdijk. De glanzende kiemcel
(19562); M.A.P.C. Poelhekke en J.J. Gielen. Woordkunst
(196124); G. Kazemier. In de voorhof der poëzie (1963);
C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen (1963); F. Willaert. De
poëtica van Hadewijch in de Strofische Gedichten (1984); P. Verdonk.
Het bevrijde icoon. Van klassieke retorica naar cognitieve stilistiek
(1997). [G.J. Vis]
| |
poëtica-3 of auteurspoëtica
Term uit de literatuurwetenschap voor het geheel van literaire
opvattingen van een schrijver. Men maakt, in navolging van
Sötemann, onderscheid tussen
tekstinterne uitspraken (in
poëzie-1,
proza,
drama, kortom ‘creatief werk’)
en tekstexterne (in
essay,
kritiek,
correspondentie, interview e.a.). Voor beide
genoemde soorten uitspraken maakt men veelal weer een onderscheid in impliciete
en epliciete opvattingen. Er is daarbij discussie over de vraag in hoeverre een
literatuuropvatting een denkbeeld is van een auteur dan wel de
beschrijving van zo'n denkbeeld.
LIT: Boven/Dorleijn; Metzler; MEW; J.J. Oversteegen.
Beperkingen (1982), p. 41-75; W.J. van den Akker. Een dichter schreit
niet (1985), vooral p. 7-50. [G.J. Vis]
| |
poëtisch proza zie
prozagedicht
| |
poëzie-1 of dicht
Aanduiding voor een tekst of tekstfragment opgebouwd uit
versregels (vers-1). Tot in de 19e eeuw ook wel
aangeduid met de term dicht of gebonden vorm - ter onderscheiding van
ondicht of ongebonden vorm - heeft
poëzie wisselend per periode bijkomende kenmerken gehad. Zo behoort in de
Middeleeuwen elke gepaard rijmende tekst tot dit genre, maar wanneer de
schrijver méér wil geven, d.w.z.
poëzie-2 of -3 wil schrijven, dan
krijgt men teksten met een surplus aan vormgevingsverschijnselen. De functie
van bijvoorbeeld de strofische gedichten van
Hadewych verschilt duidelijk van die van
teksten welke in gepaard rijmende regels zijn geschreven zoals
Jan van Boendales Der leken
spieghel. Beide typen vallen onder de term ‘dicht’,
maar de eerste groep is poëzie-2 of -3. In de 17e eeuw was
metrum een eis voor dichtwerk.
Poëzie staat tegenover
proza door het visuele gegeven van de
ongelijke dosering van het
wit in de rechter marge, en soms ook in de
linker marge. Het constante distinctieve kenmerk van poëzie is het
regeleinde.
LIT: Baldick; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19822), p. 222 v. [G.J. Vis]
| |
poëzie-2
Tekst, niet noodzakelijk in verzen (vers-1)
geschreven, met kenmerken die ook vaak voorkomen in
poëzie-1. Deze kunnen liggen op het
terrein van de
klank, de
beeldspraak, de explicatie van gevoel en/of
verbeelding, de woordvoerende instantie e.a. Men kan hier denken aan
ritmisch proza (
L. van Deyssel), of aan de
poëtische teksten in de zin van ‘monologische teksten, waarvan de
inhoud niet een geschiedenis is’. Men vergelijke in dit verband met het
lyrisch subject.
LIT: Baldick; BDI; Boven/Dorleijn; Fowler; Gorp; MEW; Wilpert; J.
van Luxemburg e.a. Over literatuur, 1996, p. 222 vv. [G.J. Vis]
| |
poëzie-3
Tekst die door de gebruikssituatie wordt ervaren als een vorm van
poëzie-2. Die situatie kan een
herdenkingsbijeenkomst zijn, of de imponerende stem van een spreker, of de
begeleidende muziek die men speelt e.d. Zo kan een tekst door een
voordrachtskunstenaar op een herdenkingsbijeenkomst gezegd, ervaren worden als
poëzie, terwijl diezelfde tekst afgedrukt in de krant op een ander
tijdstip gelezen, over kan komen als een stukje informatief proza zonder meer.
De gebruikssituatie lijkt hier voor een groot deel de oorzaak van de mate
waarin de tekst als ‘poëtisch’ (bij voorkeur gebruikt men hier
het adjectief!) wordt ervaren, of als ‘lyrisch’ (lyriek). Laatstgenoemde termen zijn dan voor de gebruiker vaak
synoniem met ‘verheven’, ‘indrukwekkend’,
‘gevoelig’ en andere niet-alledaagse noties.
LIT: Lausberg; Shipley. [G.J. Vis]
| |
point of attack
Wanneer een reeks gebeurtenissen die aan een drama ten grondslag
ligt (de story of
fabel-2) chronologisch zou worden geordend
en vervolgens in die chronologie het punt zou worden aangewezen waarmee het
drama in feite begint, noemt men dat beginpunt het ‘point of
attack’. Begint het drama tegen het slot van de geschiedenis of
‘story’ en wordt vervolgens de voorgeschiedenis geleidelijk
onthuld, dan is er sprake van een ‘late point of attack’ (vgl.
in medias res). Volgt het drama de
gebeurtenissen vanaf het begin, dan spreekt men van een ‘early point of
attack’ (vgl.
ab ovo).
Een stuk met een ‘late point of attack’ is bijv.
A. Verwey's leesdrama Johan
van Oldenbarnevelt (1895).
LIT: Bergh; Cuddon; Scott; Shipley; P.M. Levitt. A structural
approach to the analysis of drama (1971). [G.J. van Bork]
| |
point of view zie
perspectief
| |
pointe
De ontknoping of eigenlijke gedachte of strekking van een tekst.
Meestal gebruikt men de term voor de onverwachte wending van een
mop, een
woordspeling of een
puntdicht die er de geestigheid van uitmaakt
(vgl. ook
paronomasia). In die gevallen spreekt men
ook wel van de
clou. In
Huygens' ‘Neel ontdekt’
bijv. zit de pointe in de laatste regel:
Trijn trok een masker aan en meend' haar zo te dekken
dat z'onbekend kon gaan met vastenavondgekken.
Maar 't was verloren moeit; straks was het spel geschend:
zij was te veel gedekt en bij te veel bekend.
(C. Huygens. Dichten op de knie, ed.
Hellinga, 1956, p. 53.)
LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
polemiek
Schriftelijke bestrijding van standpunten door twee of meer
auteurs die zulke duidelijke verschillen van opvatting huldigen, dat ze elkaar
in een pennenstrijd fel aanvallen. De polemiek kan op elk gebied van de cultuur
betrekking hebben, maar de beroemdste polemieken zijn toch gevoerd op het
gebied van godsdienst en kunst. Vooral in de literaire polemiek blijkt de
overtuigingskracht van de deelnemers vaak eerder uit de stijl, die spits en
meeslepend kan zijn, dan uit de gebruikte argumenten. Polemieken kunnen gevoerd
worden om de tegenstander(s) tot een ander standpunt over te halen, maar ze
kunnen evenzeer tot doel hebben een getuigenis te zijn van een eigen, afwijkend
inzicht. In dit laatste geval dient de polemiek om eigen opvattingen af te
grenzen van die van anderen en zo duidelijkheid te scheppen over de eigen
stellingname, zoals bijv. in veel literaire stromingen of bij literaire
tijdschriften het geval is.
Een voorbeeld van de eerste soort polemiek is de pennenstrijd die
aan het einde van de 17e eeuw ontbrandde door toedoen van het
Frans-classicistische
Nil Volentibus Arduum en die gericht was
tegen het ongebonden toneel van
Jan Vos en tegen de als onbeschaafd
ervaren komedies van die tijd.
De Nederlandse literatuur is bijzonder rijk aan polemieken; er
zijn auteurs die een belangrijk gedeelte van hun faam ontlenen aan hun
polemisch vernuft (
Huet,
Van Deyssel,
Van der Goes,
Du Perron,
Ter Braak,
Hermans e.v.a.). Een belangrijke
polemiek ontstond in De Kroniek (1903) rond de reisbrieven van
M. Bauer n.a.v. de kroning van de
Russische tsaar. In feite handelde deze polemiek tussen o.m. Van Deyssel,
Diepenbrock,
Van Eeden, Van der Goes,
Tak e.a. over de verhouding tussen kunst
en politiek. Belangrijk voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis was voorts
de polemiek in Forum naar aanleiding van
D.A.M. Binnendijks bloemlezing
Prisma (1930), door
J.C. Bloem benoemd als ‘vorm of
vent’-discussie. Een latere polemiek is die tussen
J.J. Oversteegen en
H.A. Gomperts over de autonomistische
uitgangspunten van het tijdschrift Merlyn (1962-1966).
InVlaanderen was
J. Weverbergh in het tijdschrift
Bok (1963-1964) een gevreesd polemist.
Vormen waarin de polemiek zich kan manifesteren zijn het
pamflet-1 en -2, de
kritiek en het
essay.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; MEW; Scott; Wilpert; H.A. Gomperts,
in: De geheime tuin (1963), p. 185-195; S. Vestdijk. ‘Onze
polemisten’, in: De leugen is onze moeder (1965), p. 205-207; H.
Speliers. ‘De gestencilde revolutie’, in: Die verrekte
gelijkhebber (1973), p. 83-92. [G.J. van Bork]
| |
politieroman
Roman waarin de politie de feiten rond een misdrijf, meestal een
moord, aan het licht brengt, zodat tot arrestatie van de dader kan worden
overgegaan. Soms is aan de lezer van het begin af aan duidelijk wie de dader
van het misdrijf is en beperkt de roman zich tot de activiteiten van de politie
om achter diens identiteit te komen. Vaker echter is de dader ook aan de lezer
onbekend en werkt diens ontmaskering en arrestatie aan het slot als verrassende
ontknoping. De politieroman behoort tot de
misdaadromans, evenals de
detectiveroman of speurdersroman, waarmee ze
zoveel overeenkomsten vertoont dat men ook wel van detectiveroman spreekt.
De belangrijkste vertegenwoordigers van schrijvers van
politieromans zijn
George Simenon met zijn hoofdfiguur
commissaris
Maigret en het Zweedse
schrijversechtpaar
Sjöwall en
Wahlöö over rechercheur
Martin Beck. In Nederland
schreef
J.W. van de Wetering een reeks
politieromans met de rechercheurs
Grijpstra en
De Gier als hoofdpersonen.
LIT: J. Symons. Moord en doodslag. Een geschiedenis van het
misdaadverhaal (1976). [G.J. van Bork]
| |
polyinterpretabiliteit zie
ambiguïteit
| |
polymetrie
Term uit de prosodie voor het feit dat in een
vers-1,
strofe of
gedicht verschillende
versvoeten of andere ritmische (ritme) eenheden naast elkaar voorkomen. Zo in:
Vorst der ver/schrikking!/ vol van
be/kommernis
Ziet gij me / treuren; / daar ge mijn /
ega rooft;
Haar weg/voert uit / mijn lief/des
ar/men,
En ze laat / leven in / 't bevend /
harte.
(
H. van Alphen.
Bloemlezing, ed,
P.J. Buijnsters, 1967, p. 39).
De eerste, tweede en vierde regel hebben een
dalend metrum, de tweede regel heeft een
stijgend metrum.
LIT: Best; Gorp; Metzler; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
polyptoton
Term uit de retorica voor de herhaling van hetzelfde woord in een
zin of versregel in verschillende (buigings)vormen of naamvallen. Onder
polyptoton vallen alle vormen van
repetitio zoals
anafora,
epifoor en
complexio; het is verwant aan de
paronomasia.
Een voorbeeld is de versregel ‘Gelijk een looper loopt, soo
loopen wegh ons tijden’ uit het gedicht ‘Des menschen tyt is
kort’ van Roelof Waningh (in: G. Komrij. De Nederlandse poëzie
van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten (1986), p. 417).
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Lausberg; Metzler; Scott; Shipley;
Ueding; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
polysyllabisch rijm
Term uit de prosodie voor een vorm van
eindrijm met meer syllaben dan het geval is
bij
glijdend rijm. Bijv.:
Het was avond, en de dingen
Zag hij met verzachte kleuren,
Liet het leed der stervelingen
Als een kinderdroom gebeuren.
(
M. Nijhoff. VW, dl. 1,
19822, p. 95).
LIT: Cuddon; Morier; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]
| |
polysyndeton
Term uit de stijlleer voor de herhaling van verbindingswoorden bij
een
enumeratio of opsomming. Bijv.: ‘En de
schoolleiding, en de ouders, en de leerlingen zijn het erover eens’. Over
het algemeen vindt men dat dit stilisticum gebruikt wordt om de geledingen van
langere mededelingen te verduidelijken en om op elk afzonderlijk lid nadruk te
leggen. Het tegenovergestelde van het polysydenton is het
asyndeton-1.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; J.M. Acket en C.F.P. Stutterheim. Stijlstudie en
stijloefening (196011), p. 98 v. [G.J. Vis]
| |
pomsen of ponsen
Term uit de
paleografie voor een fase in het
productieproces van
perkament. Na het logen om de huiden te
ontvlezen en ontvetten, het scheren en drogen werden de huiden gepomsd, d.w.z.
met puimsteen en krijt glad gemaakt om ze (goed) beschrijfbaar te maken. Deze
verklaring van het woord pomsen is een andere dan die
Verdam geeft (MNW VI, 551) waar -
volgens
Hellinga en
Vermeeren ten onrechte - als betekenis
gegeven wordt: ‘met puimsteen van vlekken reinigen,
schoonmaken’.
LIT: W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en
filologie V’, in: SpL 5 (1961), p. 305; J.M.M. Hermans & G.C.
Huisman. De descriptione codicum (1981), p. 16. [F. van Thijn]
| | | | | |
poptekst
Onder invloed van de popmuziek ontstond aandacht voor de teksten
van veel popmusici, zoals die van
Bob Dylan,
Jim Morrison,
John Lennon e.a. De erkenning van de
waarde van die teksten had tot gevolg dat er niet alleen ook meer waardering en
aandacht uitging naar Nederlandstalige teksten bij populaire muziek, maar dat
er ook meer teksten van enig niveau werden geschreven. Zo schreven
Lennaert Nijgh,
Robert Long,
Ernst van Altena,
Boudewijn de Groot,
Henny Vrienten en anderen
popteksten.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; L.P. Grijp (red.). Zingen in
een kleine taal. De positie van het Nederlands in de muziek, themanr. van
Volkskundig Bulletin 21 (1995), nr. 2. [G.J. van Bork]
| |
populaire literatuur zie
triviaalliteratuur
| |
pornografie
Tekstsoort waarin sexualiteit op een zo nadrukkelijke manier aan
de orde wordt gesteld dat er een veronderstelde erotische prikkel of sexuele
opwinding van uitgaat. Gewoonlijk richt pornografie zich op de lichamelijke
aspecten van de erotiek en beschrijft die op een gedetailleerde en als
schokkend ervaren wijze.
De term pornografie impliceert doorgaans een waardeoordeel, zoiets
als
kitsch of
triviaalliteratuur op het gebied van de
erotiek. De term is op een groter terrein toepasbaar dan dat van de literatuur;
ook beeldende kunst en film kent pornografische producten.
Omdat de zedelijkheidsnormen aan sterke veranderingen onderhevig
zijn, is de grens tussen pornografie en
erotische literatuur of
priapische literatuur nauwelijks aan te
geven. Wat in de 19e eeuw als obsceen zou worden omschreven, was dat in de 17e
eeuw niet of nauwelijks. Een klucht als
Huygens' Trijntje
Cornelis (1653) werd nog in 1958 door
Knuvelder in diens handboek omschreven als
een ‘plat geval’ vol ‘mestvaalt-tribulatiën’, een
kwalificatie die in moderner beschrijvingen niet meer voorkomt. Sommige werken
werden onmiddellijk na verschijnen pornografisch genoemd, terwijl ze nu tot de
(wereld)literatuur gerekend worden. Dat gold voor veel naturalistische romans,
zoals voor
L. van Deyssels Een
liefde (1887), dat door sommige recensenten tot de ‘kuf- of
bordeelliteratuur’ gerekend werd. Een soortgelijke ontvangst viel ten
deel aan Madame Bovary (1857) van
Flaubert, Lady Chatterly's
lover (1928) van
Lawrence en Lolita
(1957) van
Nabokov. In Nederland was dat het geval
met
Anna Blamans Vrouw en
vriend (1941) en
Eenzaam avontuur (1948) en
Jan Wolkers' Een roos van
vlees (1963).
Dat alles neemt niet weg dat sommige auteurs zich uitdrukkelijk
met het schrijven van pornografie hebben beziggehouden en eigen werk ook als
zodanig hebben benoemd. Een goed voorbeeld daarvan is
L.P. Boon met zijn Mieke
Maaike's obscene jeugd (1972), door hemzelf ‘een
pornografisch verhaal’ genoemd. Hetzelfde geldt voor een enkele tekst van
E. du Perron. In 1970 bezorgde
P. Grashoff een bloemlezing onder de titel
Foei! Nieuwe pornografische verhalen van Nederlandse
auteurs.
Het oordeel over pornografie komt ook tot uiting in de speciale
kasten die sommige grotere openbare bibliotheken vroeger gebruikten om dit type
literatuur in onder te brengen en die wel de ‘gifkast’ genoemd
werden. Uiteraard waren deze verzamelingen slechts voor enkele
‘uitverkorenen’ toegankelijk.
Het vaststellen van wat onder pornografie verstaan moet worden,
heeft herhaaldelijk tot problemen geleid op het gebied van de
zedelijkheidswetgeving, laatstelijk nog bij kwesties als de filmkeuring en de
openbare vertoning van bepaalde films.
LIT: Baldick; BDI; Best; Buddingh'; Cuddon; Feather; Fowler; Gorp;
Hiller; Metzler; Shipley; G. Reve. ‘Over pornografie’, in:
Archief Reve (dl. 2, 1982), p. 79-87; J. Goedebuure. ‘Literaire
erotiek na de dood van Eros’, in: Nederlandse literatuur 1960-1988
(1989), p. 154-169. [G.J. van Bork]
| |
portefolio
Samentrekking van de woorden portefeuille en folio (porte-manteau), waarmee een afzonderlijk katern of deel van
een tijdschrift wordt aangeduid dat aan een specifiek onderwerp is gewijd. Zo
kende het literaire tijdschrift Tirade in de jaargangen van 1964 tot en
met 1967 een portefolio waarin op afwijkend papier reproducties van beeldende
kunst werden opgenomen, een onderdeel dat geredigeerd werd door
Nicolaas Wijnberg. [G.J. van Bork]
| |
porte-manteau
Bijzondere vorm van
contaminatie waarbij uit twee woorden of
onderdelen daarvan een nieuw woord ontstaat door klankverbinding. Dat nieuwe
woord functioneert veelal als
neologisme, maar het kan ook als
woordenspel bedoeld zijn. Een goed voorbeeld
van een ingeburgerd porte-manteau-woord is het Engelse ‘smog’, als
neologisme samengesteld uit ‘smoke’ en ‘fog’. Een ander
bekend voorbeeld is ‘brunch’. Ook in nonsensverzen vinden we dit
soort samentrekkingen terug als vormen van woordenspel, vgl.
Huizinga's gedicht ‘De
Oerbosbrand’ met ‘Urinoceros’, ‘Petrolifant’,
‘Pastoorlam’ en ‘Lichtekooievaar’ (Olivier en
Adriaan, z.j., p. 46-47).
LIT: Baldick; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; Marouzeau;
Scott; Shipley. [G.J. van Bork]
| |
portretgedicht
Bijzondere vorm van het
beeldgedicht-2. Het portretgedicht vergezelt
gewoonlijk een tekening, schilderij of gravure en behandelt, meestal in de vorm
van een
epigram, de voorgestelde persoon als
voorwerp van lofprijzing.
Vondel was hierin zeer productief. Van
hem is bijvoorbeeld het gedicht op het door
Sandrart geschilderde portret van
P.C. Hooft:
Het brein, gespitst op 't roer der Staaten te regeeren,
En 's weereldts Oceaan met kloekheid te braveeren,
Den geest, die Tacitus en d'oudtste dichters tart,
Besloot natuur in 't Hooft, herbooren uit Sandrart,
Die hooft-en-halscieraet des Ridders heeft vergeeten,
De Duitsche Lauwerkroon, en Fransche Koningsketen.
(
Vondel, Werken, WB-ed., dl. 4,
p. 535).
[P.J. Verkruijsse]
| |
positivisme
Wetenschapsopvatting waarin op grond van objectief vaststelbare
gegevens getracht wordt tot uitspraken te komen over de wetmatigheden die de
ons omringende verschijnselen beheersen. Het positivisme gaat uit van empirie,
d.w.z. van de ervaringswerkelijkheid, en tracht op grond van ervaringsfeiten
verklaringen te vinden en de samenhang vast te stellen van de te onderzoeken
verschijnselen. Als grondlegger van het positivisme geldt
Auguste Comte (1798-1857) met zijn
Cours de philosophie positive (1830-1842).
Comte maakt geen onderscheid tussen natuur- en menswetenschappen.
In de praktijk van het positivistisch onderzoek betekent dit dat voor de
menswetenschappen normatieve uitspraken worden afgewezen en dat ook uitspraken
over het ‘wezen’ (essentialisme) of verbanden van metafysische aard
als onwetenschappelijk worden gezien. Net als in de natuurwetenschappen zouden
de onderzoeksresultaten een voorspellend karakter moeten hebben.
Het succes van het 19e-eeuwse natuurwetenschappelijk onderzoek
heeft in de geschiedwetenschap en het literatuuronderzoek geleid tot pogingen
het onderzoek op positivistische grondslag in te richten. Maar in zijn strikte
vorm heeft het positivisme van Comte in de literatuurwetenschap nauwelijks een
rol van betekenis gespeeld. Weliswaar zijn er in de 19e eeuw grote
verzamelingen van feitelijk materiaal aangelegd (biografische woordenboeken,
het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het
Middelnederlands Woordenboek, literatuurgeschiedenissen
als die van
Te Winkel etc.), maar tot het leggen van
verbanden in positivistische zin is het niet gekomen, laat staan tot het vinden
van wetmatigheden. Wel ging er van het positivisme enige invloed uit op de
literatuurhistoricus
Jan ten Brink (1834-1901), maar die
invloed verliep veeleer via het
naturalisme. In de opvattingen van
Taine en
Zola zijn positivistische trekken
herkenbaar, zoals hun pogingen om het menselijk gedrag, en dus ook literaire
voortbrengselen, te verklaren uit de wetten van ras, milieu en moment. Maar in
de praktijk had Taine weinig affiniteit met de opvattingen van Comte.
Al vrij spoedig werd het positivisme in de menswetenschappen
overvleugeld door de
Geistesgeschichte. De term positivisme kreeg
daardoor een negatieve bijklank in de literatuurwetenschap. In de jaren '30 van
de 20e eeuw herleefde het positivisme in de zgn. Wiener Kreis, waarover men
sprak in termen van ‘logisch positivisme’ of
‘neopositivisme’. In feite zijn in de loop van de 20e eeuw allerlei
kwesties die in het positivisme een rol speelden zo gemeengoed geworden in de
wetenschap dat het weinig zinvol is om die nog als positivistisch aan te
blijven duiden. Het lijkt beter de term te reserveren voor de typisch
19e-eeuwse wetenschapsleer.
LIT: Gorp; Metzler; Wilpert; L. Kolakowski. Die Philosophie des
Positivismus (1971); R. Kamitz. Positivismus. Befreiung vom Dogma
(1973); G.J. van Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen
literatuurgeschiedenis (1986), p. 13-16. [G.J. van Bork]
| |
postincunabel
Typisch Nederlandse en in onbruik rakende benaming voor een boek
gedrukt in de periode tussen 1500 en 1540. In hun uiterlijke vorm volgen de
postincunabelen in meerdere of mindere mate nog de conventies van de
handgeschreven boeken (codex) en strikt genomen zouden
zij ook tot de
incunabelen gerekend kunnen worden, waarvoor
echter het jaar 1500 als uiterste grens geldt.
Geleidelijk aan zijn er tekenen dat het gedrukte boek zich
losmaakt van de regels die gelden voor handgeschreven teksten:
abbreviaturen verdwijnen; men gaat de
foliëring drukken; langzamerhand dringt
het gebruik van een apart
titelblad door; niet alleen voor
illustraties, maar ook voor
initialen-1 gaat men
houtsnedes gebruiken en er komt eenheid in
de lettervormen: de drukkers worden minder individualistisch en gaan elkaars
materiaal gebruiken en er beginnen zich lokale en nationale karaktertrekken af
te tekenen.
De belangrijkste wijziging in de
drukkunst van de 16e eeuw is echter de
opkomst van de humanistische drukletter: de
romein. In de Nederlanden gebeurt dat heel
geleidelijk en is de van de
littera textualis afgeleide gotische
drukletter nog lange tijd gebruikt voor publicaties voor een breed publiek:
officiële stukken, populaire literatuur en de bijbel.
Een bibliografie van de Nederlandse postincunabelen is van
W. Nijhoff en
M.E. Kronenberg: Nederlandsche
bibliographie van 1500 tot 1540 (1923-1971).
LIT: BDI; Brongers; Gorp; MEW; L. Debaene. De Nederlandse
Volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse prozaromans gedrukt
tussen 1475 en 1540 (19772); M.E. Kronenberg. ‘Bijdrage
tot de geschiedenis van het woord post-incunabel’, in: Het Boek 30
(1941-1951), p. 351-356; H. de la Fontaine Verwey. ‘De geboorte van het
moderne boek’, in: id. Uit de wereld van het boek I. Humanisten,
dwepers en rebellen in de 16e eeuw (19762), p. 11-39; P.F.J.
Obbema e.a. Boeken in Nederland. Vijfhonderd jaar schrijven, drukken en
uitgeven (1979); H.D.L. Vervliet. Post-incunabula en hun uitgevers in de
Lage Landen. Een bloemlezing gebaseerd op Wouter Nijhoff's L'Art
typographique (1979); L. Febvre & H.J. Martin. The Coming of the
Book. The Impact of Printing 1450-1800 (19842); J.A. Gruys.
‘Post-incunabula: a Dutch contribution to bibliographical
vocabulary’, in: Accross the narrow seas. Studies in the history and
bibliography of Britain and the Low Countries. Presented to Anna E.C.
Simoni (1991), p. 17-22. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
postmodernisme
De term postmodernisme heeft pas in de jaren '80 in Nederland
ingang gevonden. In de
Verenigde Staten was ze al vanaf de
jaren '50 in omloop. Aanvankelijk werd ze gebruikt als aanduiding van een grote
variëteit aan
avant-garde-verschijnselen zoals pop art,
happenings, Living Theatre, beatpoëzie. Deze fenomenen werden beschouwd
als een aanval op het
modernisme in kunst en literatuur, waarvan
men het academische en cerebrale karakter hekelde. In latere jaren zou de term
wisselende betekenissen gaan krijgen afhankelijk van de context waarin ze werd
gebruikt. De belangrijkste toepassingen kreeg de term echter in de
architectuurkritiek, de literatuurbeschouwing en in de filosofie.
In deze laatste context fungeert de term postmodernisme als
verzamelnaam voor die filosofische stromingen waarin kritiek wordt geleverd op
de metafysische ideeën in de klassieke filosofie: zo kunnen de opvattingen
van
Wittgenstein en van
Derrida onder dezelfde paraplu worden
samengebracht. In het algemeen geldt de term als een aanduiding voor de
opvatting dat de rol van ideologieën is uitgespeeld. Aan de mogelijkheid
van coherente wereldbeelden die richtsnoer zijn voor het handelen van grote
maatschappelijke groepen wordt getwijfeld.
In de literatuurbeschouwing wordt de term opgevat als een kritiek
op, dan wel radicalisering van modernistische principes zoals die bijv. in het
werk van
Thomas Mann,
Virginia Woolf of
Marcel Proust worden aangewezen. Daarin
zou men pogingen vinden een coherent wereldbeeld te construeren, al wordt er al
getwijfeld aan de mogelijkheid dat vanuit een centraal perspectief te doen
(polyperspectivisme). De aandacht wordt daarin op het bewustzijn zelf gericht,
waardoor ook getwijfeld wordt aan een chronologisch tijdsbesef en de zinvolheid
van een fabelstructuur waarin de gebeurtenissen causaal of temporeel worden
bepaald.
Het postmodernisme is in die zin een aanduiding voor hoofdzakelijk
literair proza zoals dat gestalte krijgt in het werk van
Beckett,
Cortazar of
Joyce (Finnegans
Wake). Daarin gaat het niet meer om pogingen een wereldbeeld te
ontwerpen, maar worden alle opbouwelementen van de verhaalwerkelijkheid ter
discussie gesteld. Fundamenteel wordt getwijfeld aan de taal als middel om
ideeën of gevoelens uit te drukken of de werkelijkheid te beschrijven. De
status van de auteur, van het genre, überhaupt van de tekst, van een
verhaalwerkelijkheid staan hier onder druk. Het literaire werk is niet in staat
om een betekenisvolle samenhang als beeld van de ‘wereld’ te
presenteren. Postmodernistische literatuur richt zich in het bijzonder op het
talige karakter van de tekst om die voortdurend te toetsen aan haar
werkelijkheidswaarde. Deze literatuuropvatting impliceert een aantal
verschijnselen die men in postmodernistische teksten kan aantreffen.
Traditionele genre-indelingen worden verworpen of op een
verrassende wijze juist benut om ze voor de lezer ter discussie te stellen. In
het bijzonder populaire genres als de detective, de western, de
sciencefictionroman, het sprookje e.d. met hun vaste vormgeving lenen zich
voortreffelijk om de genreconventies onder druk te zetten. Onder meer op dit
gebied is duidelijk sprake van
intertekstualiteit.
Literaire conventies berusten op opvattingen, vooronderstellingen
waarachter een levensopvatting schuil gaat. Postmodernisme is metafictioneel,
d.w.z. gaat in discussie met literaire conventies zoals die in literaire werken
zijn geïncorporeerd om de impliciete levensopvattingen als fictie te
ontmaskeren.
Omdat postmodernisten ervan uitgaan dat taal en werkelijkheid niet
kunnen samenvallen wordt het mimetisch karakter (mimesis) van literatuur ontkracht. Dat betekent dat literaire
verschijnselen als
plot, intrige, chronologie (chronologische vertelwijze) worden becommentarieerd omdat ze
een logische ordening veronderstellen die samenhangt met de wereldbeschouwing
van de auteur. Postmoderne schrijvers opteren voor een alogische ordening,
bijv. de
collage of de achronologische vertelwijze
(achronie) om daarmee aan te geven dat de positie van de
beschouwer een zuiver toevallige is. Het verloop van de postmoderne tekst wordt
niet bepaald door een lineaire ontwikkeling of door causaliteit, maar in de
eerste plaats door de taal zelf. De taal genereert het verloop van de intrige.
Het ontstaan van de tekst wordt onderwerp van de tekst.
Het postmoderne
personage is geen traditioneel
romanpersonage, maar veeleer een veelvormige identiteit die zich uit als een
stem waarin een veelheid aan mogelijke zienswijzen wordt uitgesproken. Ook bij
het personage komt de nadruk te liggen op de taligheid, d.w.z. het bewustzijn
dat zijn identiteit uitmaakt, bestaat bij de gratie van de gebruikte taal.
Uitgaande van de bovenstaande opvattingen over de term
postmodernisme, kan men het werk van een aantal Nederlandse auteurs aanwijzen
als postmodernistisch. In een artikel ‘Postmodern elements in postwar
fiction’ (opgenomen in: Postmodern fiction in Europe and the
Americas, ed.
D'haen en
Bertens, 1989) noemt
Anthony Mertens de auteur
Gerrit Krol als de enige Nederlandstalige
auteur die zichzelf (overigens niet zonder enige ironie) postmodernist genoemd
heeft. Daarnaast bespreekt Mertens het werk van
W.F. Hermans (De god Denkbaar,
Denkbaar de god,1956),
H. Mulisch (De
verteller, 1970),
B. Schierbeek (Het Boek
Ik, 1951),
Louis Ferron,
Sybren Polet en
J.F. Vogelaar.
LIT: Abrams; Baldick; Gorp; Herman/Vervaeck; MEW; Myers/Simms;
J.-F. Lyotard. La condition postmoderne (1979); D.W. Fokkema.
Literary history, modernism and postmodernism (1983); W. Hudson en W.
van Reijen (red.). Modernen versus postmodernen (1986); D. Fokkema and
H. Bertens (ed.). Approaching postmodernism (1986); J.-F. Lyotard.
Het postmoderne uitgelegd aan onze kinderen (1987); J. Hassan. The
postmodern turn. Essays in postmodern theory and culture (1987); Carel
Peeters. Postmodern. Een polemisch essay (1987); Dick Veerman en
Christel van Boheemen. Postmodernisme. Politiek zonder vuilnisvat
(1988); H. Bertens en Th. D'haen. Het postmodernisme in de literatuur
(1988); Th. D'hean and H. Bertens (ed.). Postmodern fiction in Europe and
the Americas (1989); Bart Vervaeck. Het postmodernisme in de Nederlandse
en Vlaamse roman (1999). [G.J. van Bork]
| |
Praags structuralisme of Tsjechisch
structuralisme
Evenals het Franse
structuralisme baseert het Praagse
structuralisme zich op
De Saussure's taaltheorie, maar in
tegenstelling tot het Franse structuralisme wordt de nadruk op historische
ontwikkelingen en genreverschijnselen gelegd. Literatuur schept steeds nieuwe
conventies waarin taaltekens op een steeds andere manier functioneren. De
Praagse structuralisten gaan ervan uit dat het literaire werk zich onderscheidt
van andere teksten door een verschil in relaties tussen taaltekens en hun
functies. In die opvatting tonen ze zich schatplichtig aan het
Russisch formalisme.
Belangrijke begrippen die door de Praagse structuralisten werden
geïntroduceerd zijn de esthetische norm, de esthetische functie, de
esthetische waarde en het
esthetisch object. Hun opvattingen hierover
vertegenwoordigen in hun aandacht voor de lezer de verbinding met de latere
receptie-esthetica. Ze zijn vanwege hun
gerichtheid op taaltekens de grondleggers van de
semiotiek.
De lezer wordt op de ‘literairheid’ van de tekst
gericht door het bijzondere taalaanbod, waardoor niet de mededeling maar de
vormgeving de aandacht trekt. De veranderingen in vormgeving hangen samen met
de variabiliteit van esthetische normen en functies, die er weer voor zorgen
dat men ook de esthetische waarde anders zal invullen. Met de term esthetisch
object introduceerden de Praagse structuralisten een van de basisprincipes van
de receptie-esthetica door onderscheid te maken tussen het zogenaamde
artefact (= het kunstwerk als materieel
object) en het esthetisch object (= het kunstwerk als voorwerp van receptie).
Zowel in hun opvattingen over de esthetische functie als over het esthetisch
object betrekken de Praagse structuralisten de lezer in hun
literatuurbenadering. Doorbreking van de normen wordt in hun redenering steeds
geïmpliceerd. De lezersreactie moet mede bepaald worden door vervreemding
(vervreemdingseffect).
De Praagse Linguïstische Kring, waarin de Tsjechische
structuralisten zich in 1926 verenigden, was een trefpunt van de uitgeweken
Russische formalisten
R. Jakobson en
N. Troebetskoj en Praagse
structuralisten als
B. Havrånek,
F. Vodicka en
J. Mukarovsky. De
Tsjechisch-structuralistische ideeën drongen pas enkele decennia na de
Tweede Wereldoorlog definitief door in West-Europa. Met name het werk van
René Wellek, ook lid van de kring, heeft voor de theorievorming en
literatuurgeschiedschrijving in het westen een grote rol gespeeld.
LIT: Gorp; MEW; K. Chvatik. Tschechoslowakisches
Strukturalismus. Theorie und Geschichte (1981); P. Steiner (red.). The
Prague School. Selected writings, 1929-1946 (1982); P.V. Zima.
‘Tsjechoslowaaks structuralisme’, in: R.T. Segers (red.). Vormen
van literatuurwetenschap (1985), p. 35-60; N. Laan. Het belang van
smaak. Twee eeuwen academische literatuurgeschiedenis (1997), p.151-209.
[G.J. van Bork]
| |
praatvers zie
parlandopoëzie
| |
praelectio
Het voorlezen door de leraar en het lezen van teksten met de
leerlingen op de retoricaschool, later de Latijnse school. Uit de praelectio
konden leerlingen hun
copia rerum en
copia verborum aanleggen en
tropen-1 en figurae of
stijlfiguren verzamelen.
LIT: P.N.M. Bot. Humanisme en onderwijs in Nederland
(1955). [P.J. Verkruijsse]
| |
praeparatio
Term uit de retorica voor de voorbereiding van het publiek of
lezer op een shockerende of ongeloofwaardige mededeling. De praeparatio maakt
deel uit van de anticipatie-1 en maakt gebruik van
amplificatio.
Een voorbeeld van amplificerende praeparatio is het begin van het
gedicht ‘De schipbreuk’ van
De Schoolmeester:
Onder de merkwaardigste tafreelen,
Waarin wy gewoon zijn de schepping te verdeelen,
Behooren vooral zekere natuurtooneelen,
Inzonderheid een vaartuig in den storm.
Wanneer iemand gerust kan zeggen: 'Ik ben maar een worm,
Die noch zijn eigen kan helpen, noch zijn natuurgenooten,
Al stond hy ook op zijn achterste pooten.
Zoo er daarom een schipbreuk voorhanden is op zee,
Ga ik liever voor mijn plezier niet meê. -
Leergierige jeugd! gy bespeurt gewis,
Dat wat ik thands op 't oog heb een schipbreuk is.
(De gedichten van den Schoolmeester, ed.
Van Lennep, z.j., p. 17)
LIT: Best; Lausberg; Shipley. [P.J. Verkruijsse]
| |
praeteritio of paraleipsis
Term uit de retorica voor de mededeling van een spreker of auteur
dat hij het niet over een bepaald aspect van de zaak zal hebben, een aspect dat
hij intussen wel expliciet noemt, maar over zal gaan tot iets belangrijkers.
Het effect van praeteritio is dan vaak dat juist op het terloops genoemde extra
aandacht valt. Vaak wordt praeteritio ironisch (ironie)
gebruikt.
Een voorbeeld van preateritio komt voor in de rede van P.J.
Troelstra, gehouden in de Tweede Kamer op 12 november 1918:
Het is wel eigenaardig. Mijnheer de Voorzitter, en het doet mij
leed, dat mijn nuchtere en kalme beschouwingen den heer Wijnkoop zoo
irriteeren; ik zal maar niet ingaan op de psychologische beschouwing, waar die
irritatie vandaan komt. Maar ik heb het nu op dit oogenblik te doen met een
vertegenwoordiger van de bourgeoisie. Dat vind ik veel belangrijker dan dat
kleine gekibbel, dat wij dezer dagen hebben gehad over enkele uitdrukkingen in
parlementaire moties. Ik vind het veel belangrijker om straks te hooren wat een
man als professor Visser van IJzendoorn over ons optreden te zeggen heeft.
(J.P. Guépin. Schokkende
redevoeringen, 1990, p. 369-370).
De preateritio is verwant aan de
occupatio.
LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Metzler; Wilpert.
[P.J. Verkruijsse]
| |
pragmatische literatuur
Term afkomstig van
M.H. Abrams voor een van de vier
mogelijke literatuurbenaderingen met betrekking tot de functie van literatuur.
Pragmatische literatuur is de literatuur waarin de auteur zich een buiten de
literatuur zelf gelegen doel stelt en de lezer zodanig wil beïnvloeden dat
een adequate respons verwacht mag worden. Literatuur is in deze opvattingen dus
een middel om te onderwijzen, op te voeden of een lezer tot sociale of
politieke activiteit aan te zetten. De term pragmatische literatuur dekt dan
ook overeenkomstige literatuurtypen als
onzuivere literatuur en
tendensliteratuur en vertoont overeenkomsten
met de term
engagement. Een heel scala van tekstsoorten
kan men onder de pragmatische literatuur rangschikken, zoals
didactische literatuur,
religieuze literatuur, politieke en
sociale literatuur,
propagandaliteratuur e.d.
Eigenlijk spreekt Abrams niet over pragmatische literatuur, maar
over pragmatische theorieën over literatuur. De term is in feite alleen in
die zin bruikbaar, omdat er dan geen tekstsoort mee wordt aangeduid, maar een
literatuuropvatting. Als tekstsoort zou pragmatische literatuur nauwelijks af
te grenzen zijn van de andere categorieën die Abrams noemt: de mimetische
(mimesis), de expressieve en de objectieve
categorieën (autonomiebewegingen,
l'art pour l'art,
zuivere poëzie).
LIT: Scott; M.H. Abrams. The mirror and the lamp (1958), p.
14-21. [G.J. van Bork]
| |
préciosité
Term voor de Franse maniëristische (maniërisme) stroming uit de eerste helft van de 17e eeuw
waarop wellicht het Italiaanse
marinisme, het Spaanse
gongorisme en het Engelse
euphuism van invloed zijn geweest. Zoals in
al die stromingen gaat het ook hier om het cultiveren van gekunstelde
taalvormen en literaire genres, maar in Frankrijk speelt zich dit
alles af in de salons van de adellijke dames (‘les
précieuses’), met name in die van
Cathérine de Vivonne (het
Hôtel de Rambouillet),
Madame de Sablé en
Mademoiselle de Scudéry, waar ook
zeer verfijnde omgangsvormen ontwikkeld en beoefend werden. De
préciosité werd al snel belachelijk gemaakt in bijv. de
blijspelen van
Molière.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert;
R. Lathuillère. La préciosité; étude historique
et linguistique (1966). [P.J. Verkruijsse]
| |
preek, collatie, homilie of sermoen
Op schrift gestelde redevoering met een religieus stichtende,
vermanende of moraliserende inhoud; de literaire weergave van de prediking. In
de middeleeuwse stichtelijke literatuur nam de preek of het sermoen een
belangrijke plaats in, met name de volkspreek voor de simpele ziel, de
zogenaamde ‘sermo humilis’. Het sermoen heeft een thematisch
karakter, dat vaak wordt opgehangen aan een bijbelvers of een deel daarvan.
De term wordt vaak in een adem gebruikt met collatie, de
(religieuze) samenkomst en de tekst die daarbij uitgesproken werd, bijv. in het
incipit ‘Hier beghinnen Jhesus
collacien of sermoenen beghinnende van vastelavond tot Paeschen’. Naast
het sermoen en de collatie bestaat de homilie: een preek waarin een bepaald
deel uit de bijbel wordt verklaard, zonder dat hierbij een bepaald thema wordt
behandeld.
In de Middelnederlandse literatuur zijn o.a. de
Limburgsche Sermoenen (ed.
Kern, 1895) overgeleverd, een verzameling
preken die in het begin van de 14e eeuw is opgetekend.
De preek kan beschouwd worden als de tegenhanger van het
traktaat, dat al direct op schrift werd
gesteld om gelezen te worden.
Een parodie op het sermoen is het
spotsermoen, dat deel uitmaakt van het
vastelavondrepertoire (vastelavondviering).
Sommige predikanten gaven hun preken uit, o.a. op grond van de
eraan toegekende literaire waarde. In dat verband denke men aan de
predikant-dichters als
D.R. Camphuysen (1586-1627) en
J. van Lodensteyn (1620-1677). Bekend
zijn ook de Breydel voor d'ongebondene Tonghe (1623) van
ds.
D. Souterus, en verschillende prekenboeken
van
B. Smytegelt (1665-1735).
LIT: Baldick; Laan; Metzler; MEW; A.M. Baaij. Jhesus collacien.
Een laatmiddeleeuwse prekenbundel uit de kringen der Tertiarissen (1962);
G.R. Owst. Literature and pulpit in medieval England (1966); G.C.
Zieleman. ‘Preken als litteraire documenten’, in: Th. Mertens
(red.). Boeken voor de eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza
(1993), p. 70-86; J. Bosma. Woorden van een gezond verstand. De invloed van
de Verlichting op de in het Nederlands uitgegeven preken van 1750 tot 1800.
Monografie & bibliografie (1997). [H. Struik]
| |
prent
Afdruk van een afbeelding via een van de grafische technieken
(houtsnede, gravure, ets, lithografie (steendruk),
offset enz.), al dan niet vergezeld van
enige begeleidende tekst, op
papier, gewoonlijk op
plano-formaat. Naast de grafiek van de
beeldende kunstenaars zijn er de voor de literatuurgeschiedenis interessante
kinderprent, zoals de
centsprent en de
rijmprent, de historieprent en het
pamflet-1 en
-2 dat ook het karakter van een prent kan
hebben. Prenten (houtsneden) in boeken komen vanaf het begin van de
boekdrukkunst voor; de gravure als boekillustratie dateert van het midden van
de 16e eeuw; de ets breekt pas goed door in de 17e eeuw. Veel boeken werden
voorzien van een
titelprent, een afzonderlijk titelblad dat
voorafging aan de gedrukte titelpagina.
Veel
bibliotheken-1,
musea-2 en
archieven-1 hebben een iconografische (iconografie) afdeling. Van belang is ook het Iconografisch
Bureau in Den Haag. Grote collecties prenten van letterkundigen
bevinden zich in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in
Den Haag en op het Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde van het
Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam.
Portretten van letterkundigen kan men eveneens aantreffen in o.a. de catalogi
van
F. Muller. Beschrijvende
catalogus van 7000 portretten van Nederlanders (1853) en
J.F. van Someren. Beschrijvende
catalogus van gegraveerde portretten van Nederlanders
(1888-1891).
Historieprenten zijn beschreven in de catalogus van de
Atlas van Stolk (1895-1933) door
G. van Rijn, waarin opgenomen alle door
F. Muller in De Nederlandse
geschiedenis in platen (19702) beschreven prenten. M. de
Meyer en
C.F. van Veen inventariseerden de
kinderprenten in respectievelijk De volks- en kinderprent in de
Nederlanden van de 15e tot de 20e eeuw (1962) en Drie
eeuwen Noord-Nederlandse kinderprenten (1971). Van de collectie-
Gerrit van Rijn bestaat een
Catalogus eener belangrijke verzameling kinderboeken, kinderspelen en
kinderprenten (1883) en van de centsprenten door
C.F. van Veen:
Centsprenten (1976).
LIT: BDI; Hiller; M.A. Becker-Moelands. De juridische
titelprent in de 17de eeuw (1985); F. van der Linden. De grafische
technieken (19905); E.O.G. Haitsma Mulier, ‘Woord en
beeld: titelprenten van enkele Nederlandse historische werken uit de 17e en 18e
eeuw’, in: Holland, thema-nr. Gedrukt in Holland 26 (1994),
nr. 4/5, p. 274-291. [P.J. Verkruijsse]
| |
preromantiek
Periodiseringsterm (periode) uit de oudere
vakliteratuur voor de tijd van de opkomst van de
romantiek. Sommigen gebruiken de term als
verzamelnaam voor reacties tegen het
classicisme en/of de
verlichting (piëtisme, Sturm und Drang
e.a.); anderen duiden er in het algemeen de periode mee aan vóór
Byron,
Novalis,
Chateaubriand en
De Musset: Rousseau en
Diderot in Frankrijk, de
jonge
Goethe en
Schiller in Duitsland.
In de jaren '60 is de term gangbaar geworden in de neerlandistiek.
Steunend op
Brandt Corstius hanteerde
Knuvelder de aanduiding voor figuren als
Post,
Bellamy,
Feith,
Van Alphen,
Wolff en
Deken. Omstreeks 1975 komt daar
verandering in.
Van den Berg stelt voor de term te
vervangen door ‘late Verlichting’. Hij is van mening dat de
suggestie van ‘romantische’ voorlopers ten aanzien van de genoemde
schrijvers minder adequaat is dan de typering (ten aanzien van
Van Goens e.a.) die aangeeft hoe
schrijvers een nieuwe wending gaven aan datgene wat reeds bestond:
verlichting.
LIT: Gorp; Laan; Lausberg; MEW; Preminger; Wilpert; P. Viallaneix
(ed.). Le Préromantisme (1975); W. van den Berg.
‘Präromantik-Konzeption und die niederländische
Literaturgeschichte’, in: D.W. Fokkema e.a. (red.). Comparative
poetics (1976), p. 169-197. [G.J. Vis]
| |
presentspel zie
tafelspel
| |
priamel
Term uit de genreleer voor een oorspronkelijk improvisatorische
dichtvorm (ex tempore) met trekken van een
gnome-2. Kenmerken zijn de - soms wat
chaotische - inleiding en een abrupt slot met een
pointe. Het genre beleefde zijn bloei in het
Duitse taalgebied tussen de 13e en 16e eeuw. In het Nederlands komen specimina
ervan voor in de literatuur van de rederijkers en in de 17e eeuw bij auteurs
van puntdichten als
Roemer Visscher,
Cats en
Huygens.
Vaak bestaat het gedicht uit enkele (meestal drie) parallel
gebouwde (bij)zinnen uitmondend in een (hoofd)zin aan het slot. Zo Huygens'
‘Dry uer-wercken’:
Jan treckt sijn strengh en swijght, en antwoordt maer
gevraeght,
Joost kakelt schielick op, of doncker is, of daeght;
Jaep is noyt seggens satt, all had hy nacht en dagh werck;
Jan is een Wijser, Joost een Wecker, Jaep een Slagh-werck.
(
F.L. Zwaan. Voet-maet, rijm
en reden, 1963, p. 103).
De priamel is verwant aan het
epigram-1.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; Shipley;
Wilpert; W. van Anrooij. ‘Middeleeuwse opschriften. Een rijmspreuk van
papieren letters in Deventer’, in: Literatuur14 (1997), p.
100-101. [G.J. Vis]
| |
priapee
Aanduiding voor een schertsgedicht gewijd aan de Griekse
vruchtbaarheidsgod
Priapus, in de beeldende kunst
voorgesteld met een opmerkelijk grote fallus. Schrijvers in de Nederlandse
letterkunde die dit genre hebben beoefend, zijn o.a.
J. van Someren en
W. Bilderdijk.
Men zie de volgende priapee ‘Op Priaap’ van Van
Someren uit diens Uyt-spanning der vernuften, bestaende in
geestelijcke ende wereltlijcke poësy (1660):
Hoe baert ghy dus op myn dat ick stae sonder hemt,
Jupijn voert 't blixem-vuur, en niemandt dunckt het
vremt,
En Mars vertoont syn swaerd, Apoll' syn
Sonne-stralen,
Diaen en schaemt haer niet het wildt uyt 'tbosch te
halen,
Minerva deckte noyt haer langh-gevoerde lans,
Noch Hercules syn knods, voor Vrouwen of voor Mans.
Waerom verwyt men my de naecktheyt myner leden,
Verloor ick dit geweer, wie dee' my offer-beden.
(
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de zeventiende en de achttiende eeuw in duizend en enige
gedichten, 1986, p. 449).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
priapische literatuur
Oorspronkelijk de onverbloemde
erotische literatuur die genoemd is naar de
vruchtbaarheidsgod Priapus aan wie een groot aantal Griekse en Latijnse
gedichten (priapee) werd opgedragen. Deze gedichten
hadden vaak de bedoeling om onvruchtbaarheid te bezweren. De priapische
gedichten in het Corpus Priapeorum (1e eeuw n.Chr.)
hebben echter een overwegend obscene inhoud. Bij uitbreiding gebruikt men
daarom de term wel voor alle vormen van erotische literatuur of voor
pornografie in het bijzonder.
LIT: Metzler; MEW; Preminger; Wilpert; M. Coulon. La
poésie priapique dans l'antiquité et au moyen age (1932).
[G.J. van Bork]
| | | |
prik, lijngaatje, piqûre of pricking
Gaatje in de rand van een perkamenten blad van een
codex, dat diende als richtpunt bij het
liniëren. Voordat een
kopiist kon beginnen met schrijven, moest
hij ervoor zorgen dat de liniëring en de
bladspiegels overal gelijk waren. Om aan te
geven waar de verschillende lijnen getrokken moesten worden, werden met een
priem gaatjes geprikt op de eindpunten van de lijnen: in de zijmarges voor de
regellijnen, in de boven- en ondermarges voor kantlijnen en kolommen. Dit
gebeurde op verschillende manieren: per
blad-2, per
dubbelblad of per uitgevouwen ongesneden
vel. Het aanbrengen van prikken in een
aantal op elkaar gelegde vellen was de snelste werkwijze. De plaats van de
prikken kan ons vertellen hoe een katern tot stand is gekomen.
LIT: J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione
codicum (19813), p. 30. [H. Struik]
| |
prima manus
Term uit de editietechniek, ook wel aangeduid met de Duitse term
‘erster Hand’, voor de eerste door een auteur neergeschreven versie
van een tekst in een
manuscript, waarin later allerlei
varianten aangebracht kunnen worden. Het is
aan de tekstediteur te beslissen of hij in een
historisch-kritische editie als
basistekst kiest voor de uitgave prima manus
en de latere stadia van de
tekstgenese in het
variantenapparaat onderbrengt, of dat hij
een uitgave
ultima manus geeft en alle
ontstaansvarianten naar het apparaat verwijst.
Een voorbeeld van een editie prima manus is die door
P. Leendertz Wzn. (2 dln., 1871-1875)
van de Gedichten van
P.C. Hooft; de editie van
F.A. Stoett (2 dln., 1899-1900)
daarentegen gaat uit van de ultima manus.
LIT: S. Scheibe. ‘Zu einigen Grundprinzipien einer
historisch-kritischen Ausgabe’, in: Texte und Varianten (1971), p.
1-44, m.n. 33-35. [W. Kuiper]
| |
primaire literatuur
Verzamelnaam voor die categorie bronnen (bron) die men tot het scheppend werk, tot de literaire kunst
rekent. Publicaties over het literaire werk als object van onderzoek
(monografieën, tijdschriftartikelen e.d.) noemt men
secundaire literatuur.
Soms is het onderscheid tussen primaire en secundaire
literatuur arbitrair. Dat kan bijv. het
geval zijn met
essays of
memoires die door hun vormgeving of afkomst
(van een bepaald auteur) - afhankelijk van het gebruik dat men ervan maakte -
óf tot de primaire óf tot de secundaire literatuur gerekend
worden. Men denke bijv. aan de essays van
Ter Braak of de dagboeken van
Hans Warren. In de
Mededelingen van de Documentatiedienstvan het Nederlands
Letterkundig Museum en Documentatiecentrum en het Archief en Museum voor het
Vlaamse Cultuurleven, een kaartsysteem van
subjectieve persoonsbibliografieën,
worden dergelijke geschriften dan ook als primaire literatuur beschouwd.
In de exacte wetenschappen en vervolgens ook in de documentaire
wetenschap hanteert men een andere indeling omdat men daar niet te maken heeft
met primaire literatuur in de zin van literaire kunst (het onderzoeksobject
wordt aangeduid als bron). Daar verstaat men onder primaire literatuur
díe publicatie(s) waarin een onderzoeker voor het eerst zijn
onderzoeksresultaten mededeelt.
De neerlandicus zal bijv.
Vondels Gysbreght
primaire literatuur noemen; voor de documentalist is dit de bron.
W.A.P. Smits verhandeling over de
Gysbreght in zijn monografie Van Pascha tot Noah
noemt de neerlandicus secundaire literatuur; de documentalist vindt dit
primaire literatuur. De Bibliographie van Vondels werken door
J.H.W. Unger hoort voor de neerlandicus
tot het apparaat; de documentalist noemt dit werk secundaire literatuur. De
documentalist onderscheidt ook nog
tertiaire literatuur, waartoe hij het algemene
gedeelte van het
apparaat van de neerlandicus rekent.
LIT: BDI; Metzler; Wilpert; P.S.A. Groot. Documentaire
dienstverlening (1981), p. 165; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse/G.J. van Bork]
| |
prince
Benaming uit de 16e eeuw voor de aanhef van de slotstrofe van een
rederijkersgedicht, met name de
ballade-2 en het
refrein-2, oorspronkelijk opgedragen aan de
prins van de
rederijkerskamer. Doorgaans droeg deze
strofe ook ‘prince’ als opschrift, zoals bijv. in het
Wilhelmus. Een enkele keer is de laatste strofe van een refrein aan
iemand anders opgedragen, bijv. de geliefde of de koningin, die dan met
‘princesse’ wordt aangesproken. De prince is hetzelfde als het
envoi, maar dit Franse woord werd in de
Nederlanden niet gebruikt.
Al gauw was de prince niet meer gericht aan de prins van de
rederijkerskamer, maar was het een formeel kenmerk van de ballade en het
refrein, waarin een variatie op het woord ‘prince’ volstond.
Omwille van haar geslacht is het niet erg waarschijnlijk dat
Anna Bijnsooit officieel lid is geweest
van een rederijkerskamer en daar regelmatig haar werk heeft voorgedragen. In
veel gevallen zal zij zich dus ook niet tot de prins van de rederijkerskamer
gericht hebben in haar refreinen, die wel een prince bevatten. Ook de
aanspreektitel ‘princesse’ lijkt niet gericht tot enige
beschermvrouwe; zo is het louter een poëtisch spel als Anna Bijns de vieze
non in haar ballade ‘'t Is beter geveesten dan kwalijk gevaren’
ironisch ‘prinses’ noemt (H.
Pleij (samenst.). 't Is al
vrouwenwerk. Refreinen van Anna Bijns, 1987, p. 30-32).
Een voorbeeld van een prince in de moderne literatuur is de
laatste strofe van de Ballade van den grooten dorst van
J.W.F. Werumeus Buning:
François Villon, mijn prins, bij Jezus' dorst,
Wij hebben nooit een druppel wijn vermorst.
Noch ooit bemind of God erkend als vorst.
Wist gij den weg in 's werelds prachtig woud?
Heet is het bloed, en dor de keel als zout,
En dorst is alles wat men overhoudt.
(Verzamelde gedichten (1947), p. 183).
LIT: Gorp; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de
Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in: id. Terugblik (1986), p.
9-25. [H. Struik]
| |
prins of keizer
Zestiende-eeuwse benaming voor het hoofd van een
rederijkerskamer. De prins was een
kapitaalverstrekker; de artistieke leiding berustte bij de
factor. Hij bepaalde o.a. de stokregel
(stock) van de refreinen (refrein-2) en loofde prijzen uit. Aan hem is gewoonlijk de
laatste strofe van een
ballade-2 of refrein opgedragen, die dan ook
prince genoemd wordt.
LIT: Laan; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de
Bourgondische tijd. De Rederijkers.’ in: id. Terugblik (1986), p.
9-25. [W. Kuiper]
| |
private press
Particuliere drukkerij, meestal beschikkend over één
enkele drukpers, waarvan de eigenaar zich ten doel stelt typografisch bijzonder
drukwerk te vervaardigen, vooral drukwerk dat aan hoge esthetische normen
voldoet. De private press-eigenaar drukt gewoonlijk niet in opdracht of met een
commercieel doel, al verkoopt hij zijn uitgaven wel, bijv. aan bibliofielen
(bibliofilie) om uit de kosten te raken of om nieuw
materiaal aan te kunnen schaffen.
Als een vroege private press kan de Brugse Officina
Goltziana van
Marcus Laurinus en
Hendrik Goltzius (16e eeuw) gelden, maar
deze onderscheidt zich van de meer typerende private presses van de 19e eeuw
door het feit dat het hier ging om uitgaven die weliswaar aan hoge esthetische
eisen voldoen, maar niet gericht waren tegen het machinaal drukken.
De laat-19e-eeuwse private press richt zich vooral tegen de als
onesthetisch ervaren industriële boekdruk die het vroegere handwerk
verdrong. Bovendien speelt daarbij het sociale experiment soms een rol, in die
zin dat er van een vroege vorm van ‘kleinschaligheid’ gesproken kan
worden, die gesteld werd tegenover de massaliteit en normloosheid van de
industrialisatie. Dit type private press vindt zijn oorsprong in
Engeland aan het eind van de 19e eeuw. De vroegste was de
Kelmscott Press (1891-1898) van
William Morris. Daarna volgden de Vale
Press (1894) van
Ch. Ricketts en de Doves Press (1900)
van
T.J. Cobden-Sanderson en
E. Walker; in Duitslandde
Cranach Presse (1913) van
H. Kessler; in Italië
de Officina Bodoni (1923) van
G. Mandersteig.
In Nederland werd het Engelse voorbeeld van
Morris e.a. al spoedig gevolgd door de
Zilverdistel (1910), later de Kunerapers (1922) van
J.F. van Royen, die een belangrijk
aandeel had in de ‘renaissance van de Nederlandse
boekdrukkunst’.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond opnieuw een herleving van het
ambachtelijk drukken. Voorbeelden daarvan zijn de Tuinwijkpers (1955) van
S. Hartz en
C. van Dijk, en de bibliofiele uitgaven
van
Jaap Meijer,
Ger Kleisen
Gerard Post van der Molen. De meeste van
deze drukkers zijn aangesloten bij de Stichting Drukwerk in de Marge die
periodiek een Bulletin uitgeeft en een aantal bibliografieën van
‘marginale’ drukken heeft verzorgd (4 dln.: 1977; 1979; 1982;
1996).
LIT: Brongers; Cuddon; Feather; Fowler; Hiller; G.H. Pannekoek Jr.
De herleving van de Nederlandsche boekdrukkunst sedert 1910 (1925); W.
Ransom. Private presses and their books (1929); M.R. Rademacher Schorer.
Bijdrage tot de geschiedenis van de renaissance der Nederlandse
boekdrukkunst (1951); C. Roderick. The private press (1971); H. de
la Fontaine Verwey. ‘De eerste “private press” in de
Nederlanden. Marcus Laurinus en de “Officina Goltziana”’, in:
id. Uit de wereld van het boek (dl. 1, 1975), p. 69-83; J.F. Anderson.
Private Press work (1977); F.A. Janssen. ‘Boeken maken in het
klein’, in: Open10 (1978), p. 3-7. [G.J. van Bork]
| |
privilege, octrooi of privilegie
Een privilege of octrooi is een in de periode vanaf de tweede
helft van de 16e eeuw tot 1795 door de burgerlijke overheid (de Staten Generaal
vanaf 1584; de Staten van de gewesten wellicht al vroeger) verleende
bescherming tegen nadrukken (roofdruk), een soort
voorloper van het
auteursrecht. Meestal werd tegen betaling
een octrooi verleend voor één bepaald werk voor een periode van
15 jaar aan een drukker-uitgever, maar ook wel aan een auteur. Een uitzondering
is bijv. het octrooi dat de Staten van Holland op 24 juli 1679 verlenen aan de
vertaler
Mattheus Smallegange voor een aantal te
publiceren vertalingen van
Malvezzi,
Tacitus,
Charron,
Quevedo,
Gracian, Diogenes Laertius,
Lucianus,
Plutarchus en
Plato voor een periode van 15 jaar, te
rekenen vanaf het verschijnen van iedere vertaling (zie
P.J. Verkruijsse. Mattheus
Smallegange, 1983, p. 520). Het privilege voor de Statenbijbel
leidde tot enorme problemen en jarenlange gerechtelijke procedures tussen
enerzijds vooral Amsterdamse drukkers en anderzijds de geprivilegieerde weduwe
Van Wouw en Paulus Aertsz van Ravesteyn en de Staten Generaal.
Een privilege bevatte ook een boetebeding: verbeurdverklaring van
de nadruk en een geldbedrag, gesplitst in een deel voor de aanbrenger, voor de
plaatselijke armen en voor de Officier van Justitie of iets dergelijks. De
privilegevermelding werd op de (gegraveerde) titelpagina afgedrukt (bijv.
‘Met Privilegie voor 15. jaren’ of ‘Met speciael Octroy vande
Heeren Staten voor 15 Iaren’) en de tekst van het octrooi op de
verso-zijde van het titelblad. Omdat de octrooiverlening soms wat lang
uitbleef, kan men boeken aantreffen waarvan een gedeelte van de
oplage geen en een ander deel wel de
privilegevermelding heeft, die dan als persvariant (correctie
op de pers),
cancel of op een tussengeschoten blad is
aangebracht. Een voorbeeld daarvan is de in 1661 bij
Jacobus van Meurs verschenen
Afbeelding van 't Oude Romen met een titelgravure in twee staten (staat) en een toegevoegd blad met het privilege van 16 juli
(zie
P.J. Verkruijsse. Mattheus
Smallegange, 1983, p. 103-125).
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; MEW; Wilpert; J.T. Bodel
Nyenhuis. De wetgeving op drukpers en boekhandel in de Nederlanden tot in
het begin der XIXde eeuw (1892); A.C. Kruseman. Aantekeningen
betreffende den boekhandel van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw
(1893); H.L. de Beaufort. Het auteursrecht in het Nederlandsche en
internationale recht (1909); H. de la Fontaine Verwey. ‘De
Nederlandse drukkers en de Bijbel’, in: id. Uit de wereld van het
boek, dl. 2 (1976), p. 77-102; I.H. van Eeghen. De Amsterdamse
boekhandel 1680-1725, dl. 5/1 (1978), p. 26-28, 193-236; Th. Clemens. De
godsdienstigheid in de Nederlanden in de spiegel van de katholieke kerkboeken
1680-1840 (1988), p. 24-26. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
pro- en contrarefrein
Bijzondere vorm van het
refrein waarin twee tegengestelde antwoorden
op een vraag of twee tegengestelde visies op een bepaalde zaak worden gegeven.
Een voorbeeld daarvan is het refrein van
Anna Bijns dat begint met ‘Was
Noemi zeer droevich om haers mans doodt’, waarin een weduwe haar
overleden echtgenoot betreurt en waarvan de eerste strofe eindigt met de
stock ‘Totter doodt blijve ic u, lief,
getrouwe’. In de tweede strofe wordt daarentegen gezegd ‘Een
verloren, twee vercooren’. Deze strofe kent dan ook een andere stokregel:
‘En sijt niet te droeve om des men wel meer vindt’. Deze
afwisseling per strofe wordt vervolgens het gehele refrein volgehouden
(Nieuwe refreinen van Anna Bijns, ed.
Jonckbloet en
Van Helten, 1880, p. 83-85). Een goed
voorbeeld is ook te vinden in 't Is al vrouwenwerk. Refreinen van
Anna Bijns (ed.
Pleij, 1987) waarvan de stockregels
zijn:
Mijn trouwe werdt met ontrouwen geloond
Onttelt hij u een trapken, onttelt er viere. (p. 91-96) [G.J.
van Bork]
| |
probare
Term uit de retorica voor een van de middelen die de
ars persuadendi ten dienste staan, nl. het
door middel van het aandragen van bewijzen aannemelijk maken van een zaak. Dit
kan het best gebeuren in een eenvoudige stijl, het
genus humile, een van de drie
genera elocutionis.
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
probatio
Term uit de retorica voor de bewijsvoering, dat onderdeel van de
argumentatio waarin argumenten worden
aangedragen die de stelling ondersteunen. Deze kunnen gevolgd worden door de
refutatio waarin de tegenargumenten van de
andere partij weerlegd worden.
LIT: Gorp; Lausberg; LdMA. [W. Kuiper]
| |
probatio pennae of pennenproef
Term uit de codicologie en paleografie voor een aantal woorden die
zijn geschreven om de kwaliteit van de ganzenveren pen te testen. Een
ganzenveer was niet zomaar geschikt om mee te schrijven, maar moest eerst
bijgesneden worden. Door intensief gebruik verminderde de kwaliteit van de punt
van de pen en moest deze opnieuw worden aangescherpt en getest. Dit testen
gebeurde meestal op een (los) schutblad van het handschrift, maar soms ook in
de marge van een tekst. Een heel bijzondere probatio pennae is een kort
gedichtje uit het eerste kwart van de 12e eeuw:
hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda tu wat
unbidan we nu
(Alle vogels zijn begonnen hun nesten te bouwen, behalve ik en
jij. Waarop wachten we nu?)
(Ed.
Gysseling &
Peijnenburg. Corpus van
Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300), 1980, reeks
II, dl. 1, p. 126-130).
Dit is de oudste, direct overgeleverde ‘literaire’
tekst in de Nederlandse volkstaal, een fase die het
Oudnederlands genoemd wordt.
LIT: Brongers; Gorp; W.J. Caron. ‘Het taalspel van de
probatio pennae’, in: TNTL 79 (1963), p. 253-70; G. Kettenis en J.
Meijer. ‘Veel trammelant om een klein zinnetje’, in: De letter
doet de geest leven (1980), p. 9-25; F.P. van Oostrom. ‘Omstreeks
1100: Twee monniken voeren in het Oudnederlands de pen over de liefde’,
in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (red.). Nederlandse literatuur, een
geschiedenis (1993), p. 1-6. [H. Struik]
| | | |
Proctor-Haebler-nummering
Oorspronkelijk door de bibliograaf
R. Proctor ontworpen nummering van
lettertypen in de volgorde waarin ze in drukken van een bepaalde drukker uit de
incunabelperiode voorkwamen mét
vermelding van de
corpsmaat van 20 regels druks in
millimeters.
Konrad Haebler heeft deze
Proctornummering gewijzigd: hij gaat niet uit van een drukker, maar van de vorm
van de gotische
kapitaal ‘M’, waarvan hij 258
typen onderscheidde. Via de Proctor-Haebler-nummering kan men trachten niet van
een drukkersadres voorziene uitgaven te localiseren. Bij bibliografische
beschrijvingen van incunabelen betekent bijv. de aanduiding ‘M75:
120’: de als 75 genummerde gotische kapitaal ‘M’; 20 regels
van het desbetreffende lettertype meten 120 millimeter. Voor drukwerk van na de
incunabelperiode is een uitgebreider
letterformule gewenst.
LIT: K. Haebler. Typenrepertorium der Wiegendrucke (5 dln.,
1905-1924). [P.J. Verkruijsse]
| |
proefdruk
Een proefdruk wordt gemaakt van een pas ingesloten vorm of van een
zetsel in de galei op een proefpers om de ergste fouten, meestal
drukfouten (zoals gebroken letter), op het
spoor te komen. Voor correctie van de
zetfouten werd daarna een
drukproef getrokken. Een proefdruk is te
herkennen aan het voorkomen van één of meer van de volgende
kenmerken: de
weerdruk ontbreekt of
schoon- en weerdruk maken slecht
register; het zetsel is nog niet goed
gedresseerd; er komen veel druk- en zetfouten in voor; er komen vlekken op voor
of afdrukken in spiegelbeeld of blinddruk omdat het frisket niet gebruikt
wordt; er is slecht geïnkt; er is gebruik gemaakt van
maculatuur.
Een proefdruk van een prent is vaak een zogenaamde
afdruk-voor-de-letter, d.w.z. voordat de teksten (titel, namen van de
kunstenaars, onderschrift e.d.) op de plaat zijn aangebracht.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Mathijsen; Scott; W.Gs. Hellinga.
Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 141-144. [P.J.
Verkruijsse]
| |
proefschrift zie
dissertatie
| |
prognosticatie
Boekje in almanakvorm (almanak) dat (bijna)
uitsluitend voorspellingen bevat voor het komende jaar, waarbij de seizoenen,
de maanden, de te verwachten oogsten, te verwachten ziektes, oorlogen enz.
beschreven worden. Na een korte bloeiperiode in de 15e en 16e eeuw, zakt het
genre langzaam af tot volksvermaak in de 18e en 19e eeuw. De titel van de
prognosticatie van
Isaak Bikkerstaf (1708) is bijna een
definitie van het begrip: Wonderlyke prognosticatie ofte
voorsegginge, wat in dit jaar 1708 sal voorvallen. Waar in de maand, en den dag
van de maand uitgedrukt, de personen genoemt, en de groote actiën en
uitkomsten van 't selve bysonderlijk verhaalt worden, soo als deselve sullen
komen te gebeuren. Zijnde geschreven om het volk van Engeland te waarschouwen,
dat sy door de gemeene almanach maker niet worden bedrogen
(19892).
Veel voorspeltechnieken hangen samen met de elementen uit de
astrologie die een leek kan waarnemen (astrologia naturalis), maar in de
praktijk woekeren talloze systemen en technieken door elkaar. Tot de ongeveer
honderd prognosticatietechnieken die in de Middeleeuwen bekend zijn, behoren
het lezen van de handlijnen (chiromantie), de interpretatie van in lood gegoten
vormen, de uitlegging van dierengeluiden, het lezen van botten of ingewanden
van dieren enz.
De voornaamste oorzaak van deze grote verscheidenheid is de
professionalisering van de astrologie vanaf de 12e eeuw. De denkbeelden over de
astrologie van
Thomas van Aquino (1225-1274) werden -
ten onrechte - opgevat als een positieve stellingname en universiteiten,
adellijke en geestelijke hoven annexeerden deze heidense tovenarij als
eerbiedwaardige wetenschap. In de late Middeleeuwen is astrologie een
aangelegenheid voor de groten der aarde, bedreven door geleerden. Daarmee
ontstaat een groot gat in de markt voor andere technieken om de toekomst te
leren kennen. Dat gat zal pas door de astrologen zelf worden ingevuld, wanneer
ze, na de uitvinding van de boekdrukkunst, de resultaten van hun berekeningen
in handzame boekjes vol praktische adviezen voor een breed publiek verspreiden.
Wereldfaam krijgen de profetieën in de Centuries
(1555) van
Nostradamus (1503-1566); ook nu nog meent
men hierin allerlei voorspellingen aan te treffen met betrekking tot
hedendaagse gebeurtenissen. Dit geldt ook voor de voorspellingen van
Paracelsus (1493-1541).
In de tussentijd hadden zich talloze eenvoudige voorspeltechnieken
ontwikkeld, uitvoerbaar voor ongeschoolden met eenvoudige hulpmiddelen. De
simpelste vormen met de eenvoudigste hulpmiddelen krijgen succes via de
drukpers, waarbij de
volksboekjes de lekenastrologie tot een
aantrekkelijk gezelschapsspel verheffen, met illustraties en teksten op rijm.
Het eenvoudigst zijn de dag-jaarprognosen: de planeet die de eerste dag van het
jaar regeert, is de jaarregent die de loop van het hele jaar bepaalt. De
maan-jaarprognosen doen hetzelfde op grond van de maanstand, terwijl de
metereognostische jaarprognosen allerlei weersverschijnselen op die eerste dag
bepalend achten voor de toekomst van dat hele jaar. De voorspellingen in dit
soort calendogia betreffen voornamelijk het weer, het vee en de oogst, en
boeren vormen dan ook het belangrijkste publiek (en kennisbron?). Dit soort
teksten is echter ook bij een stedelijk publiek enorm populair: een druk uit
1539 van Der schaepherders Kalengier wordt aangeprezen
als ‘profitelijc [voor] allen menschen, coopluyden ende anderen menschen,
wat handelinghe si ooc hanterende sijn’. De inhoud ervan is verbreed met
op allerlei astronomische informatie berustende wenken voor een lang en gezond
leven. De adviezen worden nadrukkelijk gepresenteerd als berustend op de
praktijkervaringen van schaapherders en niet op geleerdheid.
Een parodie op de prognosticatie is de
spotprognosticatie.
LIT: Gorp; LdMA; MEW; Wilpert; R. Jansen-Sieben.
‘Middelnederlandse jaarprognosen’, in: Verslagen en Mededelingen
van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (1971), p.
210-266; H. Pleij. ‘De oudste schaapherderskalender (1511)
teruggevonden’, in: W.P. Gerritsen, A. van Gijsen en O.S.H. Lie (red.).
Een school spierinkjes. Kleine opstellen over Middelnederlandse
artes-literatuur (1991), p. 145-148. [H. Struik]
| |
progymnasmata
Term uit de retorica voor de eerste schooloefeningen in retorische
vaardigheden, die voorafgaan aan het uitgebreidere curriculum van de
exercitatio. Bij de progymnasmata ging het
nog niet om het leren samenstellen van gehele redevoeringen, maar om het
uitwerken van stellingen, om anekdotes (chria) en kleine
toespraakjes (sermocinatio).
LIT: MEW. [W. Kuiper]
| |
prolegomena
Inleidende opmerkingen. ‘Prolegomena’ stond in de
zeventiende-eeuwse respublica litteraria ongeveer gelijk aan
voorwerk,
voorwoord. Zo betitelt
Hugo Grotius de uitvoerige inleiding op
zijn Phoenissae (1630) als ‘Prolegomena’.
Soms kunnen deze de omvang krijgen van een volledig geschrift,
zoals in
Immanuel Kants Prolegomena zu
einer jeden künftigen Metaphysik (1783).
S. Vestdijk gebruikte de term voor een
hoofdstuk van zijn essaybundel De Poolsche ruiter (1946),
nl. ‘Prolegomena eener aesthetiek’.
LIT: Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; Scott;
Wilpert; E.K. Grootes. ‘Het Berecht voor Jephta en de Prolegomena van
Grotius' Phoenissae-vertaling’, in: S.F. Witstein en E.K. Grootes (red.).
Visies op Vondel na 300 jaar (1979), p. 236-246. [G.J. van Bork/P.J.
Verkruijsse]
| |
prolepsis-1
Term uit de stijlleer voor een stijlverschijnsel, behorend tot de
woord- en zinsfiguren, gekenmerkt door het
grammaticale feit dat een persoon of zaak, genoemd in het begin van een zin,
via een voornaamwoord in het vervolg van de zin herhaald wordt. De in het begin
genoemde notie wordt vaak geïsoleerd voorop geplaatst.
Bijv.: ‘Mijn vroegere klasgenoot - ik zou hem niet meer
herkennen’.
Men zou de prolepsis in dit voorbeeldzinnetje een van plaats
verwisselde bijstelling kunnen noemen. Een andere vorm is echter ook mogelijk,
zoals in het zinnetje: ‘Luister naar de bijen, hoe ze zoemen’.
Ten onrechte wordt de prolepsis-1 soms als synoniem beschouwd van
inversie. Een van de verschillen tussen
beide is het ontbreken van herhaling van noties bij de inversie.
LIT: Baldick; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; Morier; Preminger; Prince; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
prolepsis-2
Term uit de stijlleer voor een tot de
gedachtefiguren behorende uitspraak waarin
een woord of zinsdeel logisch te vroeg geplaatst is, zoals in de formulering
‘heet water opzetten’. Deze stijlfiguur is verwant aan de
hysteron proteron, waarvan men het een
variant zou kunnen noemen.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Herman/Vervaeck; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms;
Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
proletarische literatuur of
arbeidersliteratuur
Onder de term proletarische literatuur worden twee verschillende
typen literatuur verstaan, die men in grote lijnen kan onderscheiden naar
herkomst en doel. In het eerste geval gaat het om literatuur die geschreven is
door en voor arbeiders of, in de marxistische terminologie, het proletariaat.
In het tweede geval gaat het om literatuur die de werkelijkheid beschouwt en
weergeeft vanuit het standpunt van het revolutionaire proletariaat om zo tot
bewustwording van haar maatschappelijke positie bij te dragen. Tot de
proletarische literatuur in de eerstgenoemde zin kan men het werk van
S. Bonn en
F. van Leeuwen rekenen. Na de Tweede
Wereldoorlog ontstond er opnieuw belangstelling voor proletarische literatuur,
zoals moge blijken uit WAR, tijdschrift voor arbeidersliteratuur (vanaf
1975) en de bundel M'n woord een wapen tot verweer (1972) van
P. van Vollenhoven en
W. de Vries.
Proletarische literatuur in de zin van marxistische literatuur,
waarbij het veeleer gaat om een bewuste politieke keuze van beroepsauteurs,
heeft vooral een rol gespeeld in Europese communistische groeperingen, zoals de
schrijversbond in de USSR en de Bund proletarisch-revolutionärer
Schriftsteller in Berlijn (vanaf 1928). In Nederland
speelde proletarische literatuur in deze zin een rol in de groep rond het
tijdschrift Links Richten (1932-33), met name bij auteurs als
Jef Last en
A.M. de Jong.
LIT: Baldick; Cuddon; MEW; Wilpert; Links Richten tussen partij
en arbeidersstrijd. Materiaal voor een teorie over de verhouding tussen
literatuur en arbeidersstrijd, dl. 1 (1975), p. I-XXIII. [G.J. van
Bork]
| |
proloog
Voorwoord of voorrede bij een epische (epiek) of dramatische tekst.
In Middelnederlandse epische teksten is de proloog de plaats waar
de auteur zich bekendmaakt (Willem die Madocke maecte, Van den vos
Reynaerde, vs. 1), getuigt van zijn zware arbeid (Daer hi dicken
omme waecte, idem, vs. 2) die toch zo weinig oplevert (Van dichten comt
mi cleine bate, Beatrijs, vs. 1), zijn verhaal aanprijst
(Roman van Walewein, vs. 1-8), de gunst van God afsmeekt
(Die Heleghe Gheest moet mi leeren, De reis van Sint
Brandaan, vs. 6), zijn opdrachtgever (opdracht) of het publiek gunstig tracht te stemmen
(Floris ende Blancefloer, vs. 1-15) of gewoon zijn
publiek aanspoort om te luisteren (Nu hoort, hoe ic u sel beghinnen
(idem, vs. 88).
Tot het publiek gerichte prologen bij dramatische teksten, die
soms uitgesproken werden door een proloogzegger, bevatten vaak een korte
aanduiding van de inhoud van het spel en een introductie van de personages. Dit
type proloog komt bijv. voor in de
abele spelen
(Gloriant, vs. 1-30, Lanseloet van
Denemerken, vs. 1-36). Als afsluiting van het spel komt dan een
epiloog voor.
In de 17e eeuw richt de prozaproloog, door
Vondel vaak
berecht-1 genoemd, zich tot de opdrachtgever
en/of lezer.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Scott; Wilpert; G. Sonnemans. Functionele
aspecten van Middelnederlandse versprologen. Een wetenschappelijke proeve op
het gebied van de letteren, 2 dln. (1995). [H. Struik]
| |
promythium
Zedenles die aan het begin van een verhaal, speciaal een
fabel of een
exempel, wordt gegeven. Wordt deze zedenles
aan het slot gegeven dan spreekt men van een
epimythium.
LIT: Gorp. [G.J. van Bork]
| |
pronunciatio of actio
Term uit de retorica voor de voordracht van de rede als laatste
taak van de redenaar (officia oratoris) na
inventio,
dispositio,
elocutio en
memoria. Handgebaren, gelaatsexpressie en
declamatie waren zaken die uitgebreid geoefend moesten worden. In het
renaissancetheater en in de emblematiek was de chirologie (kennis van de
handgebaren) nog steeds van veel belang, getuige het werk van
J. Bulwer: Chirologia, or the
naturall language of the hand (1644), of het veel latere
Nederlandse werk van
J.J. Engel: De kunst van
nabootzing door gebaarden (2 dln, 1790), waarin voorbeelden van
gebarentaal.
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
propagandaliteratuur
Term uit de literaire kritiek voor een type literatuur waarin een
bepaalde politieke, sociale of religieuze zienswijze op een zodanige manier
wordt gepresenteerd dat daarmee op de lezer of toeschouwer druk wordt
uitgeoefend om die visie over te nemen.
Doorgaans gebruikt men de term in depreciërende zin. Men kan
zich echter de vraag stellen of in feite niet alle literatuur een standpunt van
de auteur vertegenwoordigt dat zo is verwoord dat het de lezer dient te
overtuigen. Die depreciatie blijkt dan ook vaak ingegeven door de persoonlijke
politieke of religieuze voorkeur van de gebruiker van de term. Werk van auteurs
als
Bernhard Shaw,
Herman Gorter,
Henriëtte Roland Holst of
Jef Last zou men propagandaliteratuur
kunnen noemen, maar men blijkt de term toch veeleer te gebruiken voor het werk
van bijvoorbeeld
socialistisch-realistische schrijvers of
voor fascistisch werk. Bij minder duidelijk politiek of religieus getinte
literatuur spreekt men eerder over
tendensliteratuur of
didactische literatuur, ook al zijn de
verschillen lang niet altijd duidelijk aan te geven.
Hoewel men propagandaliteratuur in alle mogelijke vormen kan
tegenkomen, zijn er tekstvormen die zich bij uitstek voor propagandadoeleinden
lenen, zoals het vlugschrift of
pamflet-1 en de
brochure-2.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; H.L.
Arnold und V. Sinemus (red.). Grundzüge der Literatur- und
Sprachwissenschaft, Bd. 1 (1973), p. 334-341. [G.J. van Bork]
| |
propositio
Term uit de retorica voor het begin van een literair werk waarin
de auteur zijn onderwerp of probleemstelling aangeeft. In het
epos staat de propositio, waarin de
hoofdhandeling wordt aangegeven, gewoonlijk vooraan, gevolgd door de
invocatio. In de redevoering (rede) komt de propositio vaak na het
exordium.
Een voorbeeld van een propositio aan het begin van een episch
gedicht zijn vss. 1-4 van
Vondels Verovering van
Grol (1627, WB-ed., 1929, dl. 3, p. 128):
Ick sing den legertoght des Princen van Oranjen,
Die 't heyr van Spinola, en all' de maght van Spanjen
Met sijn' slaghordens tarte, in het bestoven velt,
En Dulcken de stadt Grol deed' ruymen met gewelt.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Metzler;
Myers/Simms; Shipley; Wilpert; W.A.P. Smit. Kalliope in de Nederlanden
(dl. 1, 1975), 138-207. [P.J. Verkruijsse]
| |
prosimetrum
Benaming voor een (Latijnse) tekst deels in proza, deels in verzen
geschreven. Het schoolvoorbeeld is De consolatione
philosophiae van
Boethius (480-524), welke tekst gedurende
de Middeleeuwen een grote invloed op de literatuur in de volkstaal uitoefende.
De Franse rhétoriqueurs namen deze mengeling van proza en verzen over en
noemden het ‘le grand genre’ of ‘stilus tripartitus’.
Vertegenwoordigers van deze dichtvorm in de Nederlanden zijn Van den
drie blinden danssen (1482) en Doctrinael des
tijts (1486), vertaald uit het Frans naar La dance des
aveugles en de Doctrinal du temps van
Pierre Michault. Oorspronkelijk
Middelnederlandse voorbeelden zijn Mariken van Nieumeghen
(ca. 1515) en Den droefliken strijt van Roncevale (ca.
1520).
LIT: Best; LdMA; Wilpert; W.M.H. Hummelen. Versdialogen in
prozaromans (1971); R.J. Resoort. Een schoone historie vander
borchgravinne van Vergi (1988), p. 169; P.J.A. Franssen. Tussen tekst en
publiek. Jan van Doesborch, drukker-uitgever en literator te Antwerpen en
Utrecht in de eerste helft van de zestiende eeuw (1990), p.104-108. [W.
Kuiper]
| |
prosodie of versleer
Verzamelnaam voor de theorie en de praktijk van de versleer (poëzie-1) voor zover deze de
klank betreft, waarbij men een onderscheid
maakt tussen
ritme (op basis van
accent en tempo) en
rijm (op basis van timbre, klankkleur). Bij
uitbreiding heeft de term ook betrekking op structurele verschijnselen in
versregels (vers-1),
strofen en
gedichten.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Krywalski; Laan; Marouzeau;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.E. Booij e.a.
Lexicon van de taalwetenschap (19802); G.J. Vis. ‘Van
harmonie en toonval: Prosodiestudie in de negentiende eeuw’, in:
Spektator 21 (1992) 2, p. 101-115. [G.J. Vis]
| |
prosodische symbolen
Aanduiding voor de tekens die gebruikt worden bij de
materiële analyse van de
klank, vooral in
poëzie-1.
Op het gebied van het
rijm hanteert men letters voor de
verschillende rijmklanken, mede voor inzicht in een eventueel
rijmschema. Voor de kwaliteiten van klinkers
en medeklinkers kunnen de fonetische tekens worden gebruikt zoals gangbaar in
de taalkunde.
Op het gebied van het
ritme geeft men de
heffing aan met een liggend streepje boven
de syllabe (-), en de daling met een omgekeerd boogje (~). Grenzen tussen de
ene
versvoet en de andere worden veelal
aangegeven met een schuine streep (/). Dit alles kan zijn nut hebben voor een
eventuele verwerking van de beschrijving van de versregels (vers-1) in de statistische methode. Voor de leesmogelijkheden
op het niveau van het ritme hanteert men soms tekens die gebruikt worden in de
notatie van muziek. Dit geldt voor zaken als nootlengte, rust en maatverdeling,
maar ook voor die als versnelling en vertraging, sterkte en toonhoogte.
Naast de boven geschetste mogelijkheden zijn er nog wel meer op
het terrein van de prosodische symbolen, mede afhankelijk van het gekozen
systeem van de onderzoeker.
LIT: Buddingh'; Krywalski; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Shipley; F. Kossmann. Nederlandsch versrythme (1922), p. 185 vv.; G.
Stuiveling. Versbouw en rhythme in den tijd van '80 (1934), p. 1-23; R.
Wellek & A. Warren. Theory of literature (19552), ch. 13;
A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de versregel (1962), p.
14-17, 218-221; S.G. Nooteboom & A. Cohen. Spreken en verstaan. Een
nieuwe inleiding in de experimentele fonetiek (19842). [G.J.
Vis]
| |
prosopopoeia
Term uit de retorica voor de oefening in het uitdrukken van de
emoties van een verzonnen personage op een beslissend moment van zijn loopbaan
of leven. Betreft het een persoon uit de geschiedenis of mythologie dan spreken
we van
ethopoeia.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Lausberg; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert;
M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissance-toneel (1991), p. 45.
[wk/pv]
| |
prospectief aspect
Term uit de drama-analyse voor één van de vijf te
onderscheiden
handelingsaspecten in het drama en wel voor
het handelingsaspect dat gericht is op de toekomst. Het prospectieve aspect
draagt bij tot de
spanning van het stuk door zijn gerichtheid
op wat nog komen moet en het daardoor verwekken van bepaalde verwachtingen en
emoties: hoop, vrees, nieuwsgierigheid e.d. Wanneer bv. Barend uit Op
hoop van zegen van
Herman Heijermans zegt:
De ‘Hoop van Zegen’ deugt niet - de ribhoute zijn rot
(Toneelwerken I, 1965, p. 424)
dan is die mededeling als
actiemoment prospectief t.a.v. het
handelingsaspect van de ondergang van het schip.
Het prospectieve aspect is vergelijkbaar met de
anticipatie-1 uit de verteltheorie.
LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama
(19702). [G.J. van Bork]
| |
prospectieve bibliografie
Term uit de bibliografie voor de bibliografische gegevens die
verspreid worden voordat de publicatie waarop ze betrekking hebben verschenen
is. Dat kunnen folders zijn van uitgever en boekhandelaar, de meer
officiële beschrijvingen van de door de Koninklijke Bibliotheek uitgegeven
prospectieve catalogus
CIP, maar ook bijv. overzichten van lopend
wetenschappelijk onderzoek en proefschriften in voorbereiding, zoals die
regelmatig gepubliceerd werden in het tijdschrift Dokumentaal, later in
Neder-L. Achteraf blijkt vaak dat de aldus verstrekte informatie niet
altijd juist is, omdat bepaalde publicaties toch niet verschijnen (ghosts) of onder een andere titel.
LIT: A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995),
p. 41. [P.J. Verkruijsse]
| |
protagonist
Held of hoofdpersoon in een literair werk (doorgaans het drama)
die door een conflict met de
antagonist de
plot bewerkstelligt. Zo is in
P.C. Hoofts Geeraerdt van
Velsen (1613) Geeraerdt van Velsen de protagonist en Graaf Floris
de antagonist.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Prince; Scott; Shipley; B. Verhagen. Dramaturgie
(19632); G.B. Tennyson. An introduction to drama (1967).
[G.J. van Bork]
| | | |
protasis-2
Term uit de retorica voor het eerste, onderschikkende, deel van
een volzin (periodus-1) of versregel waarin de
voorwaarden staan waaraan de inhoud van het tweede deel, de erop volgende
hoofdzin (apodosis), dient te voldoen. Vaak betreft het
zinnen met een
antithese van het type ‘als ..., dan
...’.
Een voorbeeld van zinnen met protasis en apodosis zijn de twee
laatste strofen van het anonieme ‘Vermakelyk-lied’ uit
Apollo's St. Nicolaasgift aan Minerva (ca. 1730):
Zal dat Kind zyn gelyk de Vaar,
Dan zal het zyn een Sneukelaar,
Tussen den Haag en Leye, Leye, Leye,
Tussen den Haag en Leydzendam.
Zal dat Kind zyn gelyk de Moer,
Dan zal het zyn een mooje Hoer,
Tussen den Haag en Leye, Leye, Leye,
Tussen den Haag en Leydzendam.
(
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten,
1986, p. 957-960).
LIT: Best; Cuddon; Lausberg; Marouzeau; Scott; Shipley; Wilpert.
[W. Kuiper]
| |
proteron hysteron zie
hysteron proteron
| |
prothesis
Term uit de retorica voor één van de mogelijkheden
van
metaplasmus, nl. het toevoegen van letters
of een lettergreep aan het begin van een woord ten behoeve van het juiste
metrum in poëzie of een welluidender formulering in proza, zonder dat
betekenisverandering optreedt. Een voorbeeld van prothesis is het gebruik van
‘geheel’ in plaats van ‘heel’.
LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Scott;
Wilpert. [W. Kuiper]
| |
prothysteron zie
hysteron proteron
| |
protocol
Term uit de archivistiek voor een boek waarin
minuten van akten (akte-1) zijn ingeschreven. Zo spreekt men van
notarisprotocollen waarin de minuutakten van bijvoorbeeld testamenten zijn
opgetekend.
LIT: Best; Brongers; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
prototypografie of costeriana
Tot de Nederlandse prototypografie rekent men een aantal
ongedateerde en niet gelocaliseerde drukken waarvan men aanneemt dat dat de
oudste drukken uit de Nederlanden zijn die met losse letter zijn gedrukt. Ze
dateren wellicht uit de jaren 1466-1479. De Middelnederlandse
Spieghel der menscheliker behoudenesse is met twee
drukken in de overwegend Latijntalige prototypografie vertegenwoordigd. Ook een
aantal schoolboekjes is in deze periode gedrukt. Het staat wel vast dat de
incunabelen uit de periode van de
prototypografie niet vervaardigd zijn door
Laurens Janszoon Coster in
Haarlem. De Costeriana - zoals de producten van de prototypografie
tot voor kort werden genoemd - zijn ontsproten aan de fantasie van
Hadrianus Junius die in de tweede helft
van de 16e eeuw het verhaal over de uitvinding van de boekdrukkunst door Coster
in Haarlem de wereld in gestuurd heeft.
De vroegst gedateerde drukken in de Nederlanden komen uit de
werkplaatsen van
Nicolaus Ketelaer en
Gherardus de Leempt in
Utrecht (1473),
Dirk Martens en
Johan van Westfalen in
Aalst(1473),
William Caxton in Brugge
(1473),
Colard Mansion eveneens in Brugge
(1473?) en
Johan Veldener inLeuven
(1474).
LIT: BDI; Brongers; Laan; De vijfhonderdste verjaring van de
boekdrukkunst in de Nederlanden (1973), p. 67-78; L. Hellinga-Querido en C.
de Wolf. Laurens Janszoon Coster was zijn naam (1988). [P.J.
Verkruijsse]
| |
provenance
Term uit de bibliografie voor een overzicht van de vroegere
verblijfplaatsen van een handschrift of een
exemplaar-1 van een boek aan de hand van
eigendomsmerken en herkomstgegevens. Soms wordt de term ook gebruikt ter
aanduiding van de plaats waar het handschrift geschreven is; het is echter
beter om de term alleen te gebruiken voor de oudste gedocumenteerde
bewaarplaats. Als de plaats van ontstaan bekend is, is deze identiek aan de
provenance; als dit niet bekend is, is de provenance mogelijk gelijk aan de
plaats van ontstaan, waarbij de mate van waarschijnlijkheid echter afneemt
naarmate de verstreken tijd tussen de ontstaansdatum en de oudste
eigendomskenmerken groter wordt.
Wanneer vorige bezitters bekend zijn doordat ze hun naam in
handschrift of boek geplaatst hebben, hun familiewapen op de band hebben laten
aanbrengen, hun
ex-libris erin geplakt hebben of andere
gebruikssporen erin hebben achtergelaten
(bijv.
olim-signaturen van bibliotheken), kunnen
deze gegevens gebruikt worden voor de receptiegeschiedenis van de
desbetreffende tekst.
Een voorbeeld van de ‘reconstructie’ van een
lezerspubliek aan de hand van provenancegegevens wordt gegeven door
R.J. Resoort in ‘Over de betekenis
van
gebruikssporen in prozaromans en
volksboeken’, in: Spektator 6 (1976-1977), p. 311-327.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; F.B. Adams jr. The use of
provenance (1969); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione
codicum (19813), p. 79-80; J.A.A.M. Biemans. ‘Torso van
een handelaar of een verzamelaar?’, in: Van pen tot laser (1996),
p. 10-29. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| | | |
proza of ondicht
Vorm van schriftelijk taalaanbod dat visueel gekenmerkt wordt door
het feit dat de regels over de volle lijn geschreven zijn zodat - afgezien van
incidenteel
wit - een uitgevulde
bladspiegel ontstaat. Proza onderscheidt
zich van
poëzie-1 doordat het niet gebonden is
aan de versregel (vers-1) en evenmin aan bij dichtwerk
vaak optredende verschijnselen als
rijm en
metrum. Een oudere benaming voor proza is
‘ongebonden vorm’ tegenover de ‘gebonden vorm’ van
poëzie-1.
Vanaf de Oudheid schreef men niet-fictionele literaire werken in
proza, doorgaans met een historiografische inhoud, omdat men het proza
geschikter vond dan poëzie met het oog op het waarheidsgehalte dat men
wilde geven. Deze notie van ‘waar’ proza tegenover
‘leugenachtige’ poëzie blijft gedurende de Middeleeuwen
bestaan. Maar wanneer aan het eind van de Middeleeuwen het lezerspubliek sterk
toeneemt, worden de berijmde
ridderromans uit de voordrachts- en
voorleescultuur ontrijmd tot
prozaromans, welke zich - in tegenstelling
tot berijmde teksten - wél zelfstandig laten lezen. In Middeleeuwse
handschriften kan het voorkomen dat berijmde teksten niet in kolommen, maar,
evenals proza, over de volle breedte van de bladspiegel uitgeschreven zijn (om
perkament te sparen). In dat geval spreekt men van scriptura continua.
In de renaissance ontstaat - met name bij
Hooft - een prozasoort die zich
oriënteert op het klassieke proza, met name
Tacitus, van een niveau dat voor en door
de toenmalige elite aanvaardbaar werd geacht. Men beschouwde de Middeleeuwse
prozaromans immers als minderwaardige ‘jongensboeken’. In de 18e
eeuw gaat men het proza ook voor fictionele teksten gebruiken, zowel narratief
als dramatisch, met dien verstande dat de prozavorm de suggestie blijft geven
van ‘echt gebeurd’. Deze tendens werkt door tot in de 20e eeuw.
Omdat proza de gebruikelijke schrijfvorm is van de gesproken
omgangstaal, kreeg de term vaak de implicatie van ‘taal van
alledag’, en het adjectief ‘prozaïsch’ de betekenis van
‘gewoon’ of ‘alledaags’ tegenover
‘poëtisch’ (poëzie-2, -3).
Wellicht is dit mede de oorzaak van het ontstaan van begrippen als
poëtisch proza of
prozagedicht en
prozaritme-1 en -2.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon;
Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert; L. Debaene. De Nederlandse volksboeken (1951).
[G.J. Vis/W. Kuiper]
| |
prozagedicht of poëtisch proza
Term uit de genreleer voor een verschijnsel dat voortvloeit uit
een poging van schrijvers uit de
romantiek om conventies te doorbreken. Het
betreft een korte op zichzelf staande tekst die de vorm heeft van
proza maar blijkens de auteursaanduiding en
-intentie kenmerken zou vertonen van
poëzie-1. De vaagheid van het begrip is
gegeven met het feit dat het hoofdkenmerk van poëzie, de versregel (vers-1), ontbreekt. Eigenschappen die men vaak in poëzie
aantreft, zoals geconcentreerde herhaling van tekstelementen op allerlei
niveaus (bv. herhaling van
klank), gebruik van
stijlfiguren,
beeldspraak e.a., kunnen aanleiding zijn om
een stuk proza als het volgende (‘In bed’ uit de afdeling
‘Wakker worden’ van de reeks ‘Kind-leven’) tot
prozagedicht te bestempelen:
Adriaan lag in bed, zijn hoofd, bleek-blank van vel, zonder
wangenrood, en met een nietig snor-begin, met de bruine wenkbrauwen, oogharen
en stijve hoofdharen, midden tusschen de lakens en het kussen, met hun witte
opkruivingen en zwarte, licht-zwart begrensde, schaduw-holletjes en
schaduwgroeven, als een vogeltje in een open gebarsten ei.
(
L. van Deyssel.
Proza-gedichten, in Verzamelde
opstellen, dl. 7, 1904, p. 131).
Naast
Van Deyssel zijn het o.a.
J.C. van Schagen en
Bert Schierbeek die bekend werden door
het schrijven van prozagedichten. Over
Koos van Zomerens Een
vederlichte wanhoop (1987) schreven zowel
Kees Fens als
Tom van Deel dat deze prozastukjes ook als
poëzie opgevat zouden kunnen worden.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Raster 29 (1984); J.-W. van der Weij.
Beweging en bewogenheid. Het prozagedicht in de Nederlandse literatuur aan
het einde van de negentiende eeuw (1997). [G.J. Vis]
| |
prozaritme-1
Term uit het grensgebied van genreleer en prosodie voor het
algemene verschijnsel van het
ritme zoals dat voorkomt in het
proza van de geschreven en gesproken
omgangstaal. Het is dus geen specifiek literair begrip. Niettemin komt het in
de vakliteratuur voor. Men onderscheidt het dan van het georganiseerde ritme
(prozaritme-2) zoals dat gevonden kan worden in literair
proza (ritmisch proza en
metrisch proza). Dat betekent niet dat
prozaritme-1 niet in letterkundige teksten kan voorkomen. Wanneer zoiets het
geval is (zoals bijv. in de
briefroman), dan hoeft dat echter niet als
een distinctief literair kenmerk te worden gezien, hoogstens als een
stilistisch kenmerk.
LIT: Cuddon; Lodewick; Metzler; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
prozaritme-2
Term uit het grensgebied van genreleer en prosodie voor een
verschijnsel dat voortvloeit uit een poging van schrijvers uit de
romantiek om conventies te doorbreken of uit
te breiden. Het gaat dan om het
ritme, door schrijver en/of lezer als een
specifiek vormgevingsfeit ervaren, van bepaalde in
proza geschreven literaire teksten (ritmisch
proza en
metrisch proza). Dat wil niet zeggen dat dit
prozaritme altijd objectief aantoonbaar verschilt van
prozaritme-1. Het is verwant aan het
ritme van
poëzie-1.
LIT: Cuddon; Lodewick; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
prozaroman
Benaming voor een (laat)middeleeuws ridderverhaal in proza, door
middel van
ontrijming gecreëerd uit een oudere
ridderroman in paarsgewijs rijmende verzen.
De term wordt echter ook gebruikt voor oorspronkelijke en vertaalde gedrukte
teksten uit de 15e en de 16e eeuw, bijv. De pastoor van
Kalenberg (ed.
Van Kampen &
Pleij, 1981) en Mariken van
Nieumeghen (ed.
Coigneau, 1982).
De ridderroman die deel uitmaakte van een voorleescultuur voor een
aristocratisch publiek, werd ten behoeve van een stedelijk leespubliek
aangepast, in hoofdstukken ingedeeld, van
interpunctie voorzien en verlucht met
houtsneden. Bij de transformatie van
versroman naar prozaroman is er niet alleen sprake van vormverandering; omdat
ook de doelgroep van de roman veranderde, was vaak ook een inhoudelijke
aanpassing (bewerking,
omwerking) noodzakelijk. De
Middelnederlandse literatuur kent tal van deze
adaptaties, bijv. die van de versroman
Heinric en Margriete van Limborch in de prozaroman
Margriete van Limborch.
Bij een prozaroman is sprake van ‘gesunkenes
Kulturgut’: de inhoud van de prozaroman behoort door zijn afkomst tot de
cultuur van een sociaal hogere stand (de adel), waar het door de wijziging van
zowel de sociale als de geestelijke structuren in de 16e eeuw niet meer als
cultuurgoed gewaardeerd wordt, terwijl de omhoogstrevende lagere stand (de
stedelijke burgerij) het juist ziet als exponent van de cultuur van de hogere
sociale laag waaraan men deel wil hebben, het overneemt en in zijn geest
adapteert. Na de 16e eeuw herhaalt dit proces zich: de burgerij waardeert de
prozaroman niet meer en zij verwordt tot vermaakslectuur voor de lagere sociale
klassen.
Tot voor kort gebruikte men de term
volksboek voor al het eenvoudige drukwerk
uit de (zeer) late Middeleeuwen en voor de
triviaalliteratuur uit de daaropvolgende
tijd. De term prozaroman werd door literatuurhistorici alleen gebruikt om het
verschil met de ridderroman, de gebruikelijke benaming voor de middeleeuwse
ridderverhalen in verzen, te benadrukken. Tegenwoordig maakt men echter
duidelijk onderscheid tussen prozaromans en volksboeken. Onder deze laatste
verstaat men nu de contemporaine consumptieliteratuur die, in tegenstelling tot
de prozaroman, niet beschouwd kan worden als ‘gesunkenes
Kulturgut’: almanakken, toverboekjes, rijmpjes enz.
LIT: Gorp; Laan; MEW; C. Kruyskamp. Nederlandsche
Volksboeken (1942); H. Pleij. ‘Is de laatmiddeleeuwse literatuur in
de volkstaal vulgair?’, in: Populaire literatuur (1974), p.
34-106; L. Debaene. De Nederlandse Volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van
de Nederlandse prozaromans gedrukt tussen 1475 en 1540 (19772);
R.J. Resoort. Een schoone historie vander borchgravinne van Vergi.
Onderzoek naar de intentie en gebruikssfeer van een zestiende-eeuwse
prozaroman (1988); P.J.A. Franssen. Tussen tekst en publiek. Jan van
Doesborch, drukker-uitgever en literator te Antwerpen en Utrecht in de eerste
helft van de zestiende eeuw (1990); H. Pleij. ‘Literatuur en
drukpers: de eerste vijftig jaar’, in: id. Nederlandse literatuur van
de late middeleeuwen (1990), p. 137-157. [H. Struik]
| |
prijsband
Een prijsband is een bijzondere
boekband uit de 17e en 18e eeuw die als
geschenk diende voor goede leerlingen van de Latijnse school. In de 18e eeuw
namen ook andere scholen dit gebruik over, evenals kerken die prijsbanden
uitreikten voor godsdienstlessen. Het betreft veelal perkamenten banden met in
gouddruk het wapen van de stad waar de school gevestigd was. Vaak is het
gedrukte diploma in het boek geplakt of gebonden.
LIT: Brongers; BDI; Chr. Coppens. De prijs is het bewijs
(1991); Goud en velijn; Middelburgse boekbanden van de 17de tot de 19de
eeuw (1992). [P.J. Verkruijsse]
| |
prijsvers
Gedicht dat geschreven is om mee te dingen in een
prijsvraag die is uitgeschreven door een
genootschap of een andere letterkundige organisatie. Zo werd
Karel Lodewijk Ledeganck (1805-1847)
herhaaldelijk bekroond bij dichtprijskampen. In 1781 dong
Bilderdijk met een prijsvers mee in een
prijsvraag die was uitgeschreven door het Haagse genootschap Kunstliefde spaart
geen vlijt over het onderwerp ‘Kenschets van onze voorvaderen in de
eerste tijden van dit gemeenebest’. Bilderdijk won de eerste prijs. In de
18e en 19e eeuw hebben tal van genootschappen dit type prijsvragen
uitgeschreven en er zijn als gevolg daarvan tal van prijsverzen geschreven die
lang niet allemaal in de prijzen gevallen zijn.
Ook bij rederijkersfeesten (rederijkers)
werden vaak prijskampen ingericht en dongen bijvoorbeeld refreindichters mee
naar de uitgeloofde prijzen. Ook bij dat type poëzie zou men kunnen
spreken van prijsverzen.
LIT: Laan; Metzler; M.A. Schenkeveld-van der Dussen (red.).
Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p. 377-382. [G.J. van
Bork]
| |
prijsvraag
Verhandeling geschreven naar aanleiding van
een vraag, opgegeven door een
dicht- of ander genootschap: de inzending
van het antwoord hield mededinging in naar een uitgeloofde prijs, meestal in de
vorm van eremetaal. De jury die de inzending moest beoordelen, werd door het
desbetreffende genootschap aangewezen. Bekroning leidde doorgaans tot uitgave
van de studie op kosten van het genootschap, veelal door opname ervan in een
reeks van dat genootschap. Zo verging het
J. Kinkers Proeve eener
Hollandsche prosodia [...] in 1808 bekroond door de Hollandsche
Maatschappij van fraaije kunsten en wetenschappen, en in 1810 verschenen als
deel 1 van de Werken van dit genootschap.
LIT: Laan; B. Thobokholt. Het taal- en dichtlievend genootschap
‘Kunst wordt door arbeid verkregen’ te Leiden, 1766-1800
(1983); K. Singeling. ‘De gezellige dichter; over literaire
genootschappen in de achttiende eeuw’, in: Literatuur 3 (1986), p.
93-100; A.J. Hanou. Sluiers van Isis (1988), dl. 2, p. 39-49. [G.J.
Vis]
| | | |
psalm
Benaming voor elk van de 150 gedichten uit het bijbelboek der
Psalmen (Oude Testament). Vanaf de Middeleeuwen (souter)
zijn de psalmen vele malen als
psalmberijming of anderszins vertaald en
bewerkt, en voor de zang op muziek gezet (zoals de
souterliedekens).
In de nummering ervan is een klein verschil tussen de katholieke
vertaling (de Latijnse Vulgaat) en de Statenvertaling. Laatstgenoemde, die de
originele indeling volgt, heeft vanaf psalm 9 een andere nummering dan de
Vulgaat; vanaf psalm 147 lopen beide weer gelijk. In schema:
| Statenvertaling | Vulgaat |
| psalm
9 | psalm 9 |
| psalm 10 | |
| psalm
11 | psalm 10 enz. |
| psalm 147 | psalm 146 psalm
147 |
| psalm 148 | psalm 148 enz. |
In de liturgie van de christelijke kerken kunnen psalmen op twee
manieren functioneren. Enerzijds gebruikt men ze als schriftlezing, anderzijds
als
kerklied. In het laatste geval wordt meestal
een psalmberijming gebruikt, d.i. een dichterlijke vertaling of bewerking in
verzen (vers-1, -2). Bekende berijmers van psalmen zijn
P. Datheen,
M. Nijhoff en
H. Oosterhuis.
Daarnaast hanteert men de term psalm ook wel als titel van een
religieus gedicht dat, geïnspireerd op (een of meer van) de psalmen, geen
psalmberijming is maar een oorspronkelijk gedicht in de volkstaal. De inhoud
ervan betreft dikwijls een aanklacht tegen onrecht in de maatschappij. Zie
bijv. het gedicht ‘Psalm’ van H. Oosterhuis in zijn boek
Zien soms even (1972, p. 13).
Het is gebruikelijk om de psalm te laten vallen onder het ruimere
begrip
hymne.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert; H. Heikens. ‘Van Datheen tot Liedboek - vier eeuwen
Nederlands kerklied in vogelvlucht’, in: Huismuziek (1978), 5, p.
8-13, en 6, p. 6-14; D.J. van der Sluis e.a. Elke morgen nieuw (1978).
[G.J. Vis]
| |
psalmberijming
Term uit de wereld van de joods-christelijke literatuur voor een
vertaling of bewerking van een
psalm. Bekende berijmers van deze vorm van
kerklied zijn
P. Datheen,
Marnix van St. Aldegonde,
W. Barnard,
M. Nijhoff en
H. Oosterhuis. Een bekend voorbeeld van
psalmberijmingen zijn de
souterliedekens.
LIT: Best; Gorp; Laan; LdMA; MEW; Preminger; Wilpert; H. Heikens.
‘Van Datheen tot liedboek - vier eeuwen Nederlands kerklied in
vogelvlucht’, in: Huismuziek (1978), 5, p. 8-13 en 6, p. 6-14.
[G.J. Vis]
| | | | | |
pseudoniem, nom de plume of schuilnaam
Naam die een auteur gebruikt om zijn werkelijke naam verborgen te
houden. Er kan een groot aantal redenen zijn waarom schrijvers hun eigen naam
voor het publiek niet bekend willen maken. Pseudoniemen kunnen bijv. gebruikt
worden om de autoriteiten te misleiden in geval van mogelijke censuur. Zo
publiceerde
M. Mok tijdens de Tweede Wereldoorlog
onder het pseudoniem
Victor Langeweg. In die gevallen maakt
men ook wel gebruik van een
alloniem. Ook kan er sprake zijn van een
mystificatie, waarbij men een geschrift
uitgeeft met de opzettelijke bedoeling om het publiek te misleiden omtrent de
herkomst ervan, zoals bijv. het geval is geweest met de
Julia (1885), zogenaamd geschreven door Guido, maar in
feite door
W. Kloos,
A. Verwey e.a.
Privé-omstandigheden kunnen er eveneens een oorzaak van
zijn dat auteurs onbekend wensen te blijven, bijv. uit mogelijke
onverenigbaarheid van hun beroep met het schrijverschap in de ogen van personen
uit de kring waarin men werkt (bijv.
Nescio =
J.H.F. Grönloh). Veel auteurs
debuteren onder pseudoniem uit angst voor mislukking. Bij succes blijven ze dan
onder dat inmiddels bekend geworden pseudoniem publiceren of ze onthullen bij
volgend werk alsnog hun werkelijke naam.
Aan het begin van de 19e eeuw was het mode om gebruik te maken van
een pseudoniem of van initialen. Een groot aantal bijdragen in De Gids,
vooral in de eerste jaargangen, is
anoniem of ondertekend met een pseudoniem of
initialen, soms zelfs met de initialen van een pseudoniem. Zo schreef
Jacob Geel onder het pseudoniem Xanthos,
maar ondertekende ook bijdragen met X of Xth, terwijl vriend en vijand wist wie
zich daarachter verborg.
Ook een reeds bekende auteursnaam kan voor een andere auteur
aanleiding zijn een pseudoniem te kiezen:
H.J. Marsman bijv. voorzag zich van het
pseudoniem
J. Bernlef vanwege de dichter
H. Marsman.
Sommige auteurs reserveren hun pseudoniem voor een speciaal
onderdeel van hun werk, zoals bijv. veel cursiefschrijvers doen:
Boontje (=
L.P. Boon),
Kronkel (=
S. Carmiggelt),
Stoker (=
H. Brandt Corstius).
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller;
Laan; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; V.A. dela Montagne. Vlaamsche
pseudoniemen (1884); J.I. van Doorninck. Vermomde naamlooze schrijvers,
opgespoord op het gebied der Nederlandsche en Vlaamsche letteren (2 dln.,
1883-1885); A. de Kempenaer. Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche
schrijvers (1928); C. Tuymelaer en J. van Lindonk. Pseudoniemen uit
Nederlandsche en vreemde literatuur (1939); Mededelingenblad Sociaal
Historische Studiekring (1966) 30 (nov.); W. Hazeu. Het literair
pseudoniemen boek (1987). [G.J. van Bork]
| |
psychisch perspectief
Term uit de
romananalyse voor het
perspectief dat de lezer in staat stelt
zicht te krijgen op het karakter, de drijfveren, de gemoedsgesteldheid etc. van
de personages van een literaire tekst. Het psychisch perspectief kan
onderscheiden worden in een ‘perspectief van binnenuit’ en een
‘perspectief van buitenaf’. In het eerste geval wordt een personage
zelf aan het woord gelaten over zijn gedachten en gevoelens. Het ligt voor de
hand dat die mogelijkheid vooral aanwezig is bij de
ik-vertelwijze. In het tweede geval geven
andere personages of de verteller de lezer inzicht in de gevoelens, gedachten
e.d. van de romanfiguur. In dat laatste geval gebeurt dat door uiterlijke
beschrijvingen van het type ‘zij huilde’, ‘hij kleurde tot
achter zijn oren’ of ‘hij sloeg met zijn vuist op tafel’, die
de innerlijke emoties van het personage tonen. Deze wijze van presenteren komt
vooral voor bij de
auctoriale en de
personale vertelwijze. Naast het psychisch
perspectief onderscheidt men het
fysisch perspectief dat vooral op de
materiële voorstelling in de tekst gericht is.
LIT: Drop; Herman/Vervaeck; Lodewick. [G.J. van Bork]
| |
psychodrama
Drama waarin de handeling wordt bepaald door het psychisch
conflict waarin een of meer personages zich bevinden. Een belangrijk dramatisch
middel om deze innerlijke conflicten op het toneel te tonen is de
monoloog.
August Strindbergs eenakter
Den Starkare (1890) wordt wel genoemd als voorbeeld van
een psychodrama. InNederland heeft
Lodewijk de Boers De
pornograaf (1978), waarin de hoofdpersoon zijn gespletenheid in
lange monologen toont, duidelijke trekken van het psychodrama.
LIT: Best; MEW; S. Melchinger. Drama & toneel van Shaw tot
Brecht (1959), p. 142-143; M. van Loggem. De psychologie van het
drama (1960). [G.J. van Bork]
| |
psychologische roman
Subgenre van de
roman waarin de nadruk ligt op de
beschrijving van het innerlijk van de personages, hun gedachten, gevoelens en
drijfveren, en de handelingen en conflicten die daaruit voortvloeien. Strikt
genomen kan van een bewuste vorm van psychologie nauwelijks sprake zijn
vóór deze tak van wetenschap zich ontwikkelde. Niettemin is er
ook daarvoor sprake van literaire werken waarin de karakterontwikkeling of de
zielstoestand van de personages het hoofdbestanddeel vormt, zoals bijv. in de
ontwikkelingsroman. De aanduiding
‘psychologische roman’ is in die gevallen dan ook niet
contemporain. Als voorbeelden hiervan worden meestal genoemd
Rousseau's Julie ou la
nouvelle Héloïse (1761) en
Goethe's
Wahlverwandtschaften (1809). Vooral met de opkomst van
het
naturalisme treedt de aandacht voor de
psychologie van de personages steeds sterker op de voorgrond in de roman. Een
uitgesproken voorbeeld hiervan vormt
Frederik van Eedens roman Van de
koele meren des doods (1900), door
H.C. Rümke de beschrijving van een
psychose genoemd. Andere duidelijke voorbeelden vormen de tijdens het
interbellum geschreven
stream of consciousness-romans:
Prousts A la recherche du temps
perdu (1913-1927),
Joyce's Ulysses
(1922) en
S. Vestdijks Meneer Vissers
hellevaart (1936). Bepaalde verhaaltechnieken lenen zich door hun
aard uitstekend voor het weergeven van half- of onderbewuste drijfveren van de
personages. Daarom vindt men in de psychologische roman dan ook veelvuldig de
toepassing van de
monologue intérieur en de
style indirect libre. Uiteraard is het voor
een kundig romanschrijver altijd mogelijk het innerlijk van zijn personages te
beschrijven via hun uiterlijk waarneembaar handelen.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Scott; Shipley;
Wilpert; P. Rodenko. ‘Het einde van de psychologische roman’, in:
Columbus 2 (1946), p. 17-26; L. Edel. The modern psychological
novel (1955); F.J.J. Buytendijk. Psychologie des Romans (1966); S.
Vestdijk, in: Zuiverende kroniek (1976), p. 1-20. [G.J. van Bork]
| |
publiek-1
De op een bepaalde plaats en/of tijd aanwezige luisteraars of
toeschouwers bij een opvoering, uitvoering of voordracht, of bij de uitzending
daarvan via radio of televisie. De toeschouwers bij een toneelstuk, de
luisteraars bij een hoorspel of de kijkers bij een televisieprogramma vormen
telkens per voorstelling of uitzending het wisselend samengestelde publiek.
De scheiding tussen publiek en opvoering bij het drama is niet
altijd even strikt. Gelet op de mogelijk liturgische oorsprong van het drama
zal het duidelijk zijn dat de aanwezigen in de kerk aanvankelijk tot op zekere
hoogte deelnemers waren aan het dramatische gebeuren. Naarmate het drama
uitgroeide tot een zelfstandige kunstvorm, verscherpte zich de scheiding tussen
publiek en opvoering. De acteurs gedragen zich op het toneel gewoonlijk zo dat
de illusie ontstaat dat wat zij opvoeren een zelfstandige werkelijkheid is:
alsof er geen publiek bij aanwezig is, terwijl er publiek bij aanwezig is - de
zgn.
vierde-wandfictie.
In het moderne toneel zijn tal van experimenten uitgevoerd waarbij
de scheiding tussen publiek en opvoering doorbroken werd, bijv. door met het
publiek in discussie te gaan over het vertoonde of door het publiek te
behandelen als collectief mede-acteur. Ook in het
anti-illusionistische toneel van bijv.
Brecht is die doelstelling aanwezig. In
het bijzonder het
vormingstoneel bedient zich van dit soort
experimenten om het publiek te activeren en bij de handeling te betrekken. In
het Engelse taalgebied experimenteerde men met het zgn.
‘theatre-in-the-round’ en inNederland werkte het
Publiekstheater met de toeschouwers samen om het drama gestalte te geven.
LIT: Bergh; Metzler; MEW; J.L. Styan. The elements of drama
(1969), p. 231-255; J.L. Styan. Drama, stage and audience (1975).
[G.J. van Bork]
| |
publiek-2
De lezers of potentiële lezers van een tekst. In de
Middeleeuwen bestond het geletterde publiek uit geestelijken (clerken). Door hun opleiding nam het Latijn een belangrijke
plaats in en kwam de literatuur in de volkstaal op de tweede plaats. Het
publiek voor de literatuur in de volkstaal bestond overwegend uit luisteraars
of toeschouwers bij de voordracht (publiek-1), bijv. door
jongleurs of
minstreels. Door de boekdrukkunst werd de
inmiddels in belang toegenomen burgerij eveneens publiek voor geschreven
literatuur. Tal van oudere werken, ook
orale literatuur, verschenen nu in druk,
bijv. als
prozaroman. Voor de geestelijken en
geleerden bleef het Latijn echter het belangrijkst.
Door de toenemende graad van opleiding groeide ook het publiek
voor literaire teksten. Daarbij is de aard van de opleiding in hoge mate
bepalend geweest voor de vorming van een speciaal type publiek. Tot ver in de
20e eeuw hebben de klassieken in de vorming van het lezerspubliek een
belangrijke rol gespeeld. In het verlengde daarvan ontstond een culturele
elite, waarvan het smaakoordeel sterk classicistische trekken vertoonde. In de
loop van de 20e eeuw raakte de klassieke vorming terrein kwijt aan de aandacht
die besteed werd aan de moderne talen. De belangstelling van het publiek
richtte zich daardoor meer en meer op de voortbrengselen van de Duitse, Franse
en Engelse en later Amerikaanse literatuur. Bovendien kon door de verbreding
van het onderwijs en het daardoor vergrote lezerspubliek steeds meer rendabel
in vertaling worden uitgegeven.
Ook de technische ontwikkelingen in het drukkersbedrijf droegen
bij aan de grotere verspreiding van teksten. Literatuur of lectuur kon in
allerlei vormen aan het publiek worden aangeboden (vgl.
feuilleton,
pocketboek,
paperback,
bulkboek). Niet alleen bereikten uitgaven
grotere oplagen, maar uitgevers begonnen zich ook meer en meer toe te leggen op
publicaties voor een speciaal deel van het lezerspubliek (bijv. literatuur of
lectuur, fictie of non-fictie, kinder- en jeugdliteratuur, literatuur voor
vrouwen etc.).
De belangstelling van het publiek voor een bepaalde uitgave komt
tot uitdrukking in de verkoopresultaten. De cijfers van deze verkoopresultaten
liggen ten grondslag aan de zgn. ‘toptien-lijsten’, een overzicht
van de best verkochte uitgaven over een bepaalde periode (bestseller,
longseller).
De ontvangst van teksten bij het publiek, de lezersreacties,
vormen het onderzoeksterrein van de
receptie-esthetica en in toenemende mate van
de boekgeschiedenis (bibliologie). De sociale functie
van literatuur, de kanalen waarlangs literatuur het publiek bereikt, de
instanties die ertoe bijdragen om literatuur tot literatuur te bestempelen en
de samenstelling van het lezend publiek vormen het onderzoeksveld van de
literatuursociologie, speciaal de empirische
en smaaksociologie.
LIT: Metzler; MEW; G.W. Huygens. De Nederlandsche auteur en
zijn publiek (1945); R. Escarpit. Sociologie de la
littérature (1958); L.L. Schücking. Soziologie der
literarische Geschmacksbildung (19613); Q.D. Leavis. Fiction
and the reading public (1965); H. Link. Rezeptionsforschung (1976);
P. Bourdieu. La distinction (1979); W. van den Berg en J. Stouten
(red.). Het woord aan de lezer. Zeven literatuurhistorische verkenningen
(1987); F. van Oostrom. Aanvaard dit werk. Over Middelnederlandse auteurs en
hun publiek (1992); H. Brouwer. Lezen en schrijven in de provincie
(1995); Theo Bijvoet, Paul Koopman, Lisa Kuitert e.a. (red.). Bladeren in
andermans hoofd. Over lezers en leescultuur (1996). [G.J. van Bork]
| | | |
punctuatie
Begrip uit de paleografie voor alle tekens die in een handschrift
kunnen worden aangetroffen met het doel de intentie van de tekst beter weer te
geven. Punctuatie doet zich op verschillende niveaus voor: 1) de tekens die de
auteur of kopiist aanbracht om zijn tekst te verduidelijken (interpunctie,
paragraaftekens), 2) de tekens van een
corrector om de tekst in overeenstemming te
brengen met de (veronderstelde) bedoeling van de auteur of de kopiist
(deletietekens, omissietekens, insertietekens, enz.) en 3) tekens die de
reactie van de lezer uitdrukken op de tekst die hij las (gebruikssporen, attentietekens, aanwijzingen van instemming of
afkeuring).
LIT: Dupriez-2; Myers/Simms; Shipley; J.J. John. ‘Latin
paleography’, in: J.M. Powell. Medieval Studies. An Introduction
(1976), p. 39-41. [H. Struik]
| |
punctuele anachronie
Vorm van
anachronie in de vertelwijze, waarbij
verwezen wordt naar één moment uit het verleden of de toekomst.
De punctuele anachronie staat tegenover de
duratieve anachronie, waarbij van een
bepaalde tijdsduur sprake moet zijn. In
Jan Wolkers' Turks
fruit (1969) komt de volgende zin voor:
En ik keek naar het portiek aan de overkant van de straat waar ik
jaren geleden gestaan had om een glimp van haar op te vangen (p. 145).
Het laatste deel van de zin verwijst naar één moment
uit het verleden van de hoofdpersoon dat van beperkte duur is.
LIT: Bal. [G.J. van Bork]
| |
punctus of punt-1
Interpunctieteken in de vorm van een punt (.) dat gebruikt wordt
om een rust aan te geven. De punctus dateert uit de Romeinse tijd en maakt deel
uit van het interpunctiesysteem (interpunctie)
waarbinnen de volzin (periodus-1) werd afgesloten met
een puntkomma (;) (periodus-2), de bijzin (colon) met een punctus en de deelzin (comma) met een slash (/) (virgula,
Duitse komma).
LIT: Best; Brongers; J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling
van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926). [H.
Struik]
| |
punctus elevatus
Middeleeuws intonatieteken (een hoge punt) dat met name in
liturgische handschriften te vinden is, maar dat ook af en toe in wereldlijke
(teksten en) handschriften als interpunctieteken gebruikt werd, bijv. in de
Lanceloet-compilatie en in het Leidse
Lorreinen-fragment (UB Leiden, hs. 1022).
LIT: J.P. Gumbert. Die Utrechter Kartäuser und ihre
Bücher im frühen fünfzehnten Jahrhundert (1974); W.P.
Gerritsen. ‘Corrections and indications for oral delivery in the Middle
Dutch Lancelot manuscript’, in: Neerlandica manuscripta. Essays
presented tot G.I. Lieftinck 3 (1976), p. 39-59; J.B. van der Have.
Roman der Lorreinen: de fragmenten en het geheel (1990), p. 79. [W.
Kuiper]
| | | |
punt-2
Typografisch maatsysteem voor de aanduiding van de grootte van
letters. Wanneer de punt wordt afgeleid uit
de vroeger gebruikelijke
augustijn, dan meet één punt
1/12 van ruim 4,5 mm, dat is 0,3759398 mm. Er zijn echter verschillende
typografische punten in gebruik. De 18e-eeuwse uitFrankrijk
afkomstige Didot-punt (0,3759259 mm) werd in de 19e eeuw door de Duitser
Berthold aangepast tot de hierboven genoemde norm. In Engeland
enAmerika was het pica-systeem in gebruik, gebaseerd op ongeveer 6
pica's per inch. In de 19e eeuw werd de pica-punt bepaald op 0,3514056 mm.
Tegenwoordig komt men ook wel een pica van 0,35146 mm tegen. Ondanks de door de
Europese Gemeenschap verplicht gestelde metricatie, worden beide puntensystemen
in de praktijk naast elkaar gebruikt en wint de gewoonte om typografische maten
in millimeters uit te drukken nauwelijks terrein. In de
analytische bibliografie daarentegen is het
wel usance om in de letterformules de vanuit oud drukwerk te reconstrueren
afmetingen van letters in millimeters aan te geven.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; K.F. Treebus.
Tekstwijzer (19832), p. 72-75; H. van Krimpen. Boek over
het maken van boeken (1986), p. 22-28. [P.J. Verkruijsse]
| |
puntdicht, epigram-1, kniedicht of sneldicht
Term uit de genreleer voor een kort gedicht, bondig van
formulering, dikwijls met een
pointe. Zo schrijft
Staring onder de titel ‘Aan een'
te zedigen schrijver’ het volgende gedicht:
't Verschijnt gerust, al is 't niet groot:
Wordt Eikenschors bij 't pond gewogen,
Men weegt Kaneel bij 't lood.
(A.C.W. Staring. Gedichten ed.
De Vries, 1940, p. 408).
Over het door
Huygens als ‘sneldicht’
betitelde puntdicht schrijft deze:
Vraeght ghy wat Sneldicht voor een dicht is?
Het is een Dicht dat snell en dicht is.
(C. Huygens. Koren-bloemen, dl. 2, 1672,
p. 52).
Daar de termen epigram en puntdicht door elkaar worden gebruikt,
spreekt men wel van ‘opschriftepigram’ wanneer het puntdicht
fungeert in de betekenis die het aanvankelijk in de Griekse Oudheid had,
namelijk die van
opschrift of bijschrift (bijv. op een
grafmonument of op een wijgeschenk).
Witsen Geysbeek spreekt over het
‘puntdicht, ook nypdicht, steekdicht, sneldicht,
quick, zindicht en knipdicht geheten’
(P.G. Witsen Geysbeek. Puntdichten, dl. 1,
18342, p. 9). Men kan daar nog de term kniedicht aan toevoegen,
oorspronkelijk een aanduiding voor een bepaald rederijkersgedicht. Staring
geeft onder de titel ‘Kniedicht’ het volgende puntdicht:
'k Ben oud, maar zal 't niet lang meer zijn!
'k Heb van de Bron der Jeugd gedronken:
Papa Jerooms Bourgonjewijn,
Mij door zijn Dochter ingeschonken.
(
A.C.W. Staring, Gedichten,
1940, p. 408).
Puntdichten kunnen in allerlei dichtvormen voorkomen, bijv. als
distichon, zoals dit gedichtje van
Kinker met een expliciete versinterne
poëtica:
Het beste puntdicht, in twee regels, is een echt,
Wiens rijmwoord Man en Vrouw eensluidend zamenhecht.
(G.J. Vis. De verlichte muze, 1982, p. 240).
Het puntdicht kan ook de vorm hebben van een
triplet en
kwatrijn. Diverse dichtgenres lenen zich
voor het puntdicht, zoals
copla, epitaaf of
grafschrift,
sententia,
haiku,
lekedichtje en
limerick. Is het puntdicht satirisch (satire), dan heeft het soms de naam van
steekdicht.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Brongers; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; J.D.Ph. Warners. Het vierregelig gedicht in de Nederlandse
letterkunde sinds de Renaissance (1947); J. Jansen. Brevitas.
Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en stijl in de renaissance (dl.
1, 1995), p. 93-97. [G.J. Vis]
| |
purgatio
Term uit de retorica, speciaal het
genus iudiciale, voor het vragen van
vergiffenis omdat men uit onwetendheid gehandeld heeft. Een veel zwakkere
verdediging dan de purgatio is de
deprecatio waarbij vergiffenis gevraagd
wordt zonder overigens schuld of opzet te ontkennen.
Een geval van purgatio treft men bijv. aan in de rei aan het begin
van het derde bedrijf van
J. van den Vondels
Leeuwendalers (1647, WB-ed., dl. 5, 1931, p. 309) waar
Hageroos eerst gekapitteld wordt omdat hij ‘op het zoenfeest loopt uit
jagen’. Nadat hij uitgelegd heeft dat hij niet op eigenbelang uit was,
zegt de rei:
Vergeefme dan dat ick onwetende u bestraff’:
O deeghlijckheit, ghy zijt wel waerdigh, datze u dancken.
LIT: Lausberg; Leeman/Braet. [P.J. Verkruijsse]
| |
purisme of taalzuivering
Taalkundige term voor het streven naar (herstel van) zuiverheid
van de moedertaal door het weren van
barbarismen, een streven dat meer
politiek-economisch (nationalistisch-chauvinistisch) dan
taalkundig-wetenschappelijk bepaald wordt. Doordat purisme vaak tot overdreven
zuiveringsacties heeft geleid, heeft de term een wat negatieve bijsmaak
gekregen.
In verschillende perioden van de taalgeschiedenis vallen
puristische tendensen aan te wijzen, allereerst bij de
humanisten die bij de reconstructie van de
juiste tekst van de klassieke geschriften ook een zuiver Latijn trachtten te
herstellen (puritas). Vervolgens probeerde men ook
tijdens de renaissance de respectieve moedertalen op te bouwen naar het model
van het Latijn (taalbouw), waarbij de zuivering een
belangrijke plaats innam in het werk van de
spraakkonstenaren, wetenschappers en
literatoren. Tussen 1635 en 1694 deed de Académie Française een
geslaagde poging om een zuiver Frans tot stand te brengen. Nog in 1994 werd in
Frankrijk een poging gedaan om via wetgeving de invloed van het
Engels-Amerikaans op de Franse taal te weren.
Centraal in de puristische beweging van de 16e en 17e eeuw stond
de bewijsvoering voor de oorspronkelijkheid van het Nederlands ten opzichte van
met name de Romaanse talen:
Becanus meende bewijzen te hebben voor
het Nederlands als de taal van het paradijs, een gegeven dat vervolgens
gebruikt kon worden in de strijd tegen de verfranste rederijkerstaal.
Van Hout, Coornhert,
Spiegel,
Hooft,
Vondel en vele anderen wezen er bij
voortduring op dat het Nederlands in geen enkel opzicht de mindere was van de
ons omringende talen. Dankzij
Stevin is de wiskundeterminologie
grotendeels vernederlandst, maar ondanks pogingen van o.a.
Hugo de Groot is dat niet gelukt met de
juridische termen.
In de tweede helft van de 18e eeuw komt er verzet tegen de al te
rigide taalzuivering van de classicisten. Na de Franse tijd volgt een nieuwe
puristische golf tegen de ‘Fransche taalbastaardij’ (
Staring, 1816;
B.H. Lulofs, 1826), maar ook tegen de
inmiddels binnengedrongen invloed uit het oosten, waartegen zich vooral eind
19e eeuw de samenstellers van het Woordenboek der Nederlandsche Taal
keerden. De 19e-eeuwse Zuid-Nederlandse auteurs (
Conscience,
Gezelle) haalden echter liever
germanismen binnen in de strijd tegen de gallicismen. De toenemende
internationalisering in de 20e eeuw betekent koren op de molen van de puristen,
maar tevens vechten tegen de bierkaai. Een gematigd purisme is vertegenwoordigd
in het Genootschap Onze Taal (opgericht in 1931) dat zich ten doel stelt
‘het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen en aan
hen die haar gebruiken meer begrip en kennis daarvan bij te brengen’.
LIT: Best; Cuddon; Laan; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert; C.G.N. de
Vooys. Geschiedenis van de Nederlandse taal (19525); L. van
den Branden. Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het
Nederlands in de 16de eeuw (1956); J. Jansen. Brevitas. Beschouwingen
over de beknoptheid van vorm en stijl in de renaissance (dl. 1, 1995), p.
381-398; Onze Taal 1 (1931)-.... [W. Kuiper]
| |
puritas of latinitas
De oorspronkelijk Griekse term ‘hellènismos’,
juist Grieks taalgebruik, werd verlatijnst tot latinitas, juist Latijns
taalgebruik, en betekent voor de latere volkstalen in de vorm van puritas een
idiomatisch juist taalgebruik. De belangrijkste norm is het gangbare
spraakgebruik, de
consuetudo, die voor het schriftelijk
taalgebruik, de literatuur, echter aangevuld wordt met een beroep op
auctoritas en
vetustas. Vergrijpen tegen de puritas zijn
barbarisme en
soloecismus, maar ook een te angstvallig
purisme. Vooral de 16e- en 17e-eeuwse
taalbouwers hebben met het probleem van de puritas van het Nederlands
geworsteld.
Vondel besteedt er ook de nodige
aandacht aan in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (WB-ed.,
dl. 5, 1931, p. 484-491, met name regel 10-43).
LIT: Gorp; Lausberg; L. van den Branden. Het streven naar
verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16e eeuw
(1956); J. Jansen. ‘“Helderheid” (perspicuitas) in enige
renaissancistische drama-voorredes’, in: Spektator 24 (1995), p.
202-215. [P.J. Verkruijsse]
|
|
|