Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek


auteur: P.J. Verkruijsse, H. Struik, G.J. van Bork en G.J. Vis


bron: Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek. [niet eerder gepubliceerd]  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads


Bekijk ook het Algemeen Letterkundig Lexicon



DBNL vignet

P

 

paasspel

Vorm van liturgisch drama ontstaan uit de tijdens de liturgie gezongen quem queritis-troop. Dit kleine onderdeel van de paasviering wordt wel gezien als de bakermat van het geestelijk drama in de Middeleeuwen. In de loop der eeuwen werden daar steeds meer elementen aan toegevoegd. Wat oorspronkelijk een symbolische uitbeelding van één essentieel moment van het hele gebeuren was, groeide uit tot een volledige dramatisering van het hele paasverhaal.

Volgens deze inmiddels achterhaalde, maar hardnekkige theorie zou het geestelijk drama zich via het liturgisch drama ontwikkeld hebben uit de in de kerk gezongen tropen-2, nadat er eeuwen geen toneel gespeeld was. Waarschijnlijker is echter dat er altijd toneel gespeeld is, zij het dat daar voor de periode van de 5e tot de 10e eeuw weinig bewijzen van zijn overgeleverd. Dit toneel is uiteindelijk ook weer een rol in de kerk gaan spelen om het vertelde te veraanschouwelijken.

Van het (semi-)liturgische paasspel moeten wel 500 lezingen bekend zijn geweest in de 10e tot 12e eeuw. In de 14e en 15e eeuw wordt het Latijnse paasdrama nog veel gespeeld, na 1500 neemt het aantal opvoeringen af, maar het spel handhaaft zich tot in de 18e en 19e eeuw.

Een voorbeeld van een semi-liturgisch paasspel van Nederlandse bodem is het Latijnse Maastrichts paasdrama (ed. Smits van Waesberghe, [19532]), p. 63-85) uit de 12e of 13e eeuw. Men moet dit stuk niet verwarren met het Nederduitse Maastrichtse paasspel (ca. 1350) dat in de buurt vanKeulen is ontstaan, maar zijn naam dankt aan het feit dat het handschrift uit een klooster bij Maastricht afkomstig is.

De paasspelen gaven aanleiding tot het ontstaan van de kerstspelen, die soms woordelijk aan de eerste herinneren. In plaats van de bij het graf gezongen tekst: Quem queritis in sepulchro?, luidt de zang dan bijvoorbeeld ‘Quem queritis in praesepe?’ (praesepe = kribbe).

Vanwege de inhoud, waarin het lijden van Christus centraal staat, is er een duidelijk verband met het passiespel.

Ook later werden nog paasspelen geschreven. Zo publiceerde M. Nijhoff in Het heilige hout (1950) een paasspel onder de titel De dag des heren.

LIT: Best; Laan; LdMA; Metzler; Wilpert; J. Smits van Waesberghe. Muziek en drama in de Middeleeuwen [19532]; B. Hunningher. The origin of the theater (1955); W.N.M. Hüsken. ‘In Dendermonde wordt in de Paasdagen een Verrijzenisspel gespeeld; kerkelijk drama in de volkstaal’, in: R. Erenstein (hoofred.). Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996), p. 24-29. [H. Struik]

 

pagina zie bladzijde

 

paginering

De nummering van de bladzijden in een (gedrukt) boek. In het middeleeuwse handgeschreven boek (codex) was het de gewoonte de bladen-2 te nummeren (foliëring). Deze laatste methode werd in de beginperiode van de boekdrukkunst ook nog toegepast, maar verdwijnt geleidelijk in de 16e eeuw.

Bij het pagineren worden de recto-zijden van een blad oneven genummerd en de verso-zijden even, zodat in een opening een even pagina altijd links zit en een oneven pagina altijd rechts. De plaats van de paginering op de pagina vertoont grote verschillen: de nummers kunnen in de kopregel worden opgenomen, zowel links als rechts als in het midden, of op dezelfde posities in het staartwit.

In de periode dat de katernen van katernsignaturen voorzien worden, besteedt men in de zetterij duidelijk minder aandacht aan een correcte paginering: in zeer veel boeken uit de handpersperiode wemelt het van onjuiste paginanummers. Deze afwijkingen dienen door de analytisch bibliograaf in een paginaformule gesignaleerd te worden, waarbij niet-gepagineerde bladzijden uit het voorwerk tussen rechte haken worden opgenomen en niet geplaatste cijfers uit de paginareeks cursief worden gezet. De formule: [8] 1-4 5-60, betekent dat er 8 ongenummerde pagina's voorafgaan aan de paginareeks van 60 bladzijden waarvan de eerste vier cijfers niet geplaatst zijn.

Vanaf de 18e eeuw wordt het de gewoonte het voorwerk te nummeren met romeinse cijfers.

LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 52, 332; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p. 166-167; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (19862), p. 361-362. [P.J. Verkruijsse]

 

paleografie

De wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van oud schrift en oude lettervormen (letter). Aan de hand van door oefening verworven kennis is de paleograaf in staat oud schrift te ontcijferen (transcriptie), de opeenvolgende stadia te herkennen en vervolgens dat schrift te dateren en localiseren. Binnen de neerlandistiek is de paleografie van belang voor de tekstgenese en als zodanig een onderdeel van de codicologie en de manuscriptologie.

De paleografie ontstond in de 17e eeuw als nevenproduct van de diplomatiek of oorkondeleer door de publicatie van Jean Mabillon, De re diplomatica (1681). B. de Montfaucon bouwde deze wetenschap verder uit in zijn Palaeographica graeca (1708). Vanaf 1821 vindt de paleografie tal van vooraanstaande beoefenaars aan de Parijse École des Chartes. Ludwig Traubebracht begin 20e eeuw de paleografie in een breder cultuur- en kunsthistorisch kader. Daardoor is binnen de codicologie het accent steeds meer komen te liggen op de studie van randversieringen en op grond daarvan te onderscheiden schrijfscholen en minder op het schrift. Niettemin is op dat laatste terrein het werk van Léon Gilissen, L'expertise des écritures médiévales (1973), van groot belang.

Voor de periode na de Middeleeuwen valt de aandacht meer op de kalligrafie van de 16e- tot 18e-eeuwse schrijfmeesters dan op het gewone gebruiksschrift. Alleen het handschrift van Constantijn Huygens is diepgaand bestudeerd door H.M. Hermkens: Handleiding bij het lezen van Huygens' schrift (gewijzigde uitgave (1984) als bijlage bij de uitgave van Constantijn Huygens' Trijntje Cornelis).

De Bibliotheca Neerlandica Manuscripta (BNM) van Willem de Vreese is voor de middeleeuwse paleografie een onvoltooid maar een niet te overschatten apparaat. De zogenaamde paleografische a.l.s.en kan men zien als een poging het Nederlandse schrift in zijn ontwikkeling te tonen.

LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; MEW; Scott; W. Lampen. De betekenis der palaeographie als wetenschap (1932); J.L. van der Gouw. ‘Enige problemen van de Nederlandse palaeografie’, in: Nederlands Archievenblad 62 (1957-1958), p. 17-28; G.I. Lieftinck. Paleografie en handschriftenkunde (1963); A. Gruijs. Codicologie of boek-archeologie? Een vals dilemma (1971); J.P. Gumbert. Schrift, codex en tekst. Een rondgang door paleografie en codicologie (1974); J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland (19802); B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (1988); J.A.A.M. Biemans. ‘Willem de Vreese en de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta’, in: Literatuur 6 (1989), p. 93-101. [P.J. Verkruijsse]

 

paleotypie

Specialisme binnen de analytische bibliografie dat zich bezighoudt met de bestudering van de drukletter (letter) uit de periode vanaf de prototypografie, incunabel en postincunabel tot in de 18e eeuw. De inventarisatie en classificatie van het oude letter- en siermateriaal kan het mogelijk maken drukwerk uit die periode aan een bepaalde drukkerswerkplaats toe te schrijven. Voor de 15e en 16e eeuw is dit werk verricht door respectievelijk W. en L. Hellinga en H.D.L. Vervliet.

LIT: B. Kruitwagen. Laat-middeleeuwsche paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942); W. & L. Hellinga. The fifteenth-century printing types of the Low Countries (1966); H.D.L. Vervliet. Sixteenth century printing types of the Low Countries (1968); Ch. Enschedé. Typefoundries in the Netherlands (19782); H. Borst, C. van der Kogel, P. Koopman e.a. ‘Wonen in het Woord - Leven in de letter; analytische bibliografie en literatuurgeschiedenis’, in: Literatuur 5 (1988), p. 332-341. [P.J. Verkruijsse]

 

palilogie

Vorm van repetitio waarbij een woord of een zinsdeel wordt herhaald om er de nadruk op te leggen. Woord- en zinsdeelherhaling vindt men respectievelijk in vers 1 en vers 3 van de volgende strofe van P. van Ostaijen:

 
Danseresje, danseresje,
 
Zoveel honderd in de maand,
 
Word prinsesje, word prinsesje
 
Tegen zoveel in de maand.
 
(VW Poëzie, dl. 1, 1979, p. 11).

Soms heeft de palilogie de vorm van een anadiplosis.

LIT: Buddingh'; Cuddon; Lausb.; Preminger; Wilpert. [G.J. Vis]

 

palimpsest

Opnieuw beschreven perkament nadat de inkt verwijderd is door die af te wassen dan wel af te krabben (rasuur). Vaak ging het hierbij om toendertijd waardeloos geachte teksten, bijv. oude liturgische teksten na een hervorming, of rechtsteksten die verouderd waren. Men herhaalde bij deze behandeling een deel van het proces dat bij de productie van perkament gehanteerd werd. Men maakte het perkament wat vochtig, schuurde het met puimsteen en wreef het in met kalk. Hierna was het perkament weer geschikt om te beschrijven.

In de Middeleeuwen werd een palimpsest ‘charta rasa’ of ‘charta deletica’ genoemd. Dergelijke palimpsestbladen werden gedurende de hele Middeleeuwen gebruikt en men heeft er belangrijke, verder geheel verloren gegane teksten op teruggevonden, omdat met behulp van infrarood- en ultraviolet licht de verwijderde tekst vaak nog leesbaar te maken is.

LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; Scott; Shipley; Wilpert; W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter (19584), p. 299-317; J.M.M. Hermans & G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 18-20. [H. Struik]

 

palindroom

Woord of zin die ook van achteren naar voren gelezen kan worden zonder dat er iets aan de betekenis verandert. Woordvoorbeelden zijn: lepel, pop, parterretrap. Voorbeelden van zinnen: ‘Taai gal, plagiaat’ of ‘Koot, mannen, nam ei; Bie, mannen, nam 't ook’. Sommigen rekenen er ook omkeerbare woorden of zinnen onder waarbij wel betekenisverandering optreedt, zoals ‘neger’ en ‘regen’.

Vergelijkbaar met het palindroom is het kreeftgedicht.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; Drs. P. Ons knutselhoekje (1975); Battus. ‘Mooi dit idioom’, in: Hollands Maandblad (1978-1979) 373, p. 15-17. [G.J. van Bork]

 

palinodie

Aanduiding voor een gedicht waarin een auteur herroept wat hij in een eerder gedicht heeft gezegd. Als vorm van zelfkritiek (poëtica-3) kan een dergelijk gedicht in allerlei gedaanten voorkomen, bijv. in die van de parodie, zoals het geval is met Kinkers werk De menschheid in 't Lazarushuis (1801) waarin hij zijn Eeuwfeest (1801) belachelijk maakt. Soms is het bedoelde verworpen gedicht gefingeerd of in ieder geval niet concreet aanwijsbaar, zoals in ‘De schrijver’:

 
Op deze plek heeft een gedicht gestaan.
 
't Beviel me niet. Toen ik het op wou knappen
 
toen bleef er, toen mijn pen begon te schrappen,
 
per slot van rekening geen woord van staan.
 
[...]
 
Het was vooral triest door de trieste grappen.
 
Neen, het was goed noch slecht, er was niets aan.
 
( M. Nijhoff. VG, 19744, p. 406).

LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

Palmerijnromans

Cyclus van Spaanse 16e-eeuwse ridderromans rondom de figuur van Palmerin, geschreven naar het voorbeeld van de Amadisromans. De eerste Palmerijnroman, Palmerin de Oliva, verscheen in 1511. Via de Franse navolging Amadis de Gaule is de Palmerijnstof waarschijnlijk in de Nederlanden doorgedrongen: de oudst bekende druk verscheen in 1613 teArnhem bij Ian Ianszen: Een seer schoone ende ghenoechelicke historie vanden alder-vroomsten ende vermaertsten ridder Palmerijn van Olijve. Bredero ontleende er zijn stof aan voor Rodd'rick ende Alphonsus (nl. caput 105), Griane (caput 1-11, 89-91, 94-96 en 98) en Stommen Ridder (caput 68-79).

LIT: MEW; J.J. O'Connor. Amadis de Gaule and its influence on Elizabethan literature (1970). [P.J. Verkruijsse]

 

pamflet-1, vliegende bladen of vlugschrift

Algemeen verspreid geschrift dat een concreet feit, dat tot op één jaar nauwkeurig bepaald kan worden, beschrijft of bespreekt of dat in nauw verband met een zodanig feit gedrukt of op een andere manier vermenigvuldigd en uitgegeven is in de tijd waarin genoemd feit voorviel.

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst was het mogelijk om snel en op grote schaal actuele berichten te verspreiden in beknopte vorm, dus voor een geringe prijs. Deze pamfletten, vlugschriften of vliegende bladen waren vaak op plano-vellen gedrukt, verschenen dikwijls anoniem (tenzij het een min of meer officiële overheidspublicatie betrof) en zonder drukkersadres en werden op straat uitgevent door marskramers. Het pamflet met actualiteitswaarde (bekendmakingen van de overheid, nieuwsberichten) is de voorloper van het dagblad. Al vrij snel krijgt het pamflet behalve een actuele ook een polemische (polemiek) inhoud (pamflet-2).

Grote collecties pamfletten bevinden zich in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (catalogus door W.P.C. Knuttel, 19782), de Universiteitsbibliotheek Gent (de collectie- Meulman, gecatalogiseerd door J.K. van der Wulp, 1866-1867), in de Thysiana en de Universiteitsbibliotheek Leiden(catalogus door L.D. Petit en H.J.A. Ruys, 1882-1934), in de boekerij van de Remonstrantse Kerk te Amsterdam (catalogus door H.C. Rogge, 1862-1866), in de Universiteitsbibliotheek Groningen (catalogus door G. van Alphen, 1944), in de Universiteitsbibliotheek Utrecht(catalogus door J.F. van Someren, 1915-1922), in de Provinciale BibliotheekMiddelburg (catalogus door W.C. Zijlstra, 1994) en in de Bibliotheek Arnhem (catalogus door M.W. Huiskamp, P.J. Boon en R.L.M.M. Camps, 1995). P.A. Tiele beschreef de verzameling van Frederik Muller in de Bibliotheek van Nederlandse pamfletten (1858-1861).

LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; P. Fredericq. Het Nederlandsche proza in de 16e-eeuwsche pamfletten uit den tijd der beroerten (1907); N.B. Tenhaeff. Pamfletten. Engelsch-Hollandsche waardeering in de 17e eeuw. Een parallel tot moderne oorlogslitteratuur (1917); O. Giraldo. ‘Van pamflet en traktaat tot vlugschrift: een oud probleem opnieuw belicht’, in Handelingen van het 26e Vlaamse Filologencongres (1967), p. 536-546; P.A.M. Geurts. De Nederlandse opstand in de pamfletten 1566-1584 (19833); C.E. Harline. Pamphlets, printing and political culture in the early Dutch Republic (1987). [P.J. Verkruijsse]

 

pamflet-2, libel, paskwil, schimpschrift, schotschrift of smaadschrift

De vernieuwingsbewegingen van na de uitvinding van de boekdrukkunst ontdekten al snel dat de drukpers ook voor propagandistische doeleinden gebruikt kon worden. Verspreiding op grote schaal van nieuwe ideeën was mogelijk door middel van goedkoop en weinig omvangrijk drukwerk, dus via pamfletten. Het pamflet (pamflet-1) ontwikkelde zich tot schotschrift, waarin vaak uiterst felle polemieken gevoerd werden over met name godsdienstige en politieke onderwerpen in de 16e tot en met 18e eeuw. In de 19e eeuw neemt de brochure (brochure-2) de plaats in van het pamflet; in de 20e eeuw leeft het weer op door politieke (wereldoorlogen) en maatschappelijke (Provo) gebeurtenissen.

Het pamflet kan nu eens lijken op een traktaat, dan weer op een hekeldicht of satire of een politieke prent. Ook de grens met de gelegenheidspoëzie is soms niet scherp te trekken. De dialoog leent zich bijzonder goed voor het leveren van kritiek; populair waren de zgn. schuitpraatjes. De omvang blijft vaak niet beperkt tot een plano, maar kan uitdijen tot één of meer katernen.

Veel pamfletten zijn - zoals meer gelegenheidsdrukwerk - niet of in slechts weinige exemplaren bewaard gebleven.

Grote collecties pamfletten bevinden zich in openbaar bezit (zie onder pamflet-1).

LIT: Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; P. Fredericq. Het Nederlandsche proza in de 16e-eeuwsche pamfletten uit den tijd der beroerten (1907); N.B. Tenhaeff. Pamfletten. Engelsch-Hollandsche waardeering in de 17e eeuw. Een parallel tot moderne oorlogslitteratuur (1917); O. Giraldo. ‘Van pamflet en traktaat tot vlugschrift: een oud probleem opnieuw belicht’, in Handelingen van het 26e Vlaamse Filologencongres (1967), p. 536-546; P.A.M. Geurts. De Nederlandse opstand in de pamfletten 1566-1584 (19833); C.E. Harline. Pamphlets, printing and political culture in the early Dutch Republic (1987). [P.J. Verkruijsse]

 

panegyriek zie lofrede

 

panoramische vertelwijze

Term uit de verteltheorie voor een tekstuele presentatie van een groot ruimtelijk overzicht van de materiële situatie waarin de lezer zich dient te verplaatsen. De panoramische presentatie is een vorm van het fysisch perspectief, evenals de scenische presentatie. Van deze laatste verschilt de panoramische vertelwijze doordat het niet om een eenmalige gebeurtenis gaat. Men zou ook kunnen zeggen: de panoramische vertelwijze is, door het ontbreken van de factor vertelde tijd, verwant aan de schets, terwijl de scenische vertelwijze dichter bij het verhaal-1 staat. De panoramische vertelwijze wordt bij voorkeur gebruikt bij de auctoriale vertelwijze, omdat de alwetende verteller bij uitstek in staat is om een totaalblik op de situatie te geven. Een goed voorbeeld ervan treft men aan in Hildebrands novelle Teun de Jager (1840), waarin een panorama van het Hollandse duinlandschap geschilderd wordt waarin de tragedie zich zal voltrekken.

LIT: Bergh; Boven/Dorleijn; Cuddon; Herman/Vervaeck; Lodewick; Scott. [G.J. Vis]

 

pantoen zie pantoum

 

pantomime

Dramatische voorstelling waarbij spelers zonder woorden hun rol door beweging van gelaat en lichaam tot uitdrukking brengen. In het 17e-eeuwse Frankrijk waren de pantomimen balletten, uitgevoerd door gemaskerde personages. Pantomimen werden soms gebruikt als basis voor zangspelen. In de 20e eeuw nemen ballet, revue en stomme film elementen van de pantomime over.

Sommigen beschouwen pantomime synoniem met mime. Anderen wijzen op het feit dat mime zich beperkt tot kluchtig gebarenspel, weer anderen benadrukken in de moderne Franse mime (school van Decroux) het belang van het lichaam (handen en gezicht zijn bijzaak) en het feit dat de pantomime een nabootsing is, tegenover de mime als zelfstandige kunstvorm.

LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; De Leeuwe/Uitman; MEW; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pantoum, pantoen of pantoun

Term uit de genreleer ter aanduiding van een van oorsprong Maleise dichtvorm bestaande uit kwatrijnen. Elke strofe wordt voor de helft in de volgende herhaald en wel zo dat vs. 2 en vs. 4 van de eerste strofe fungeren als vs. 1 en vs. 3 van de tweede strofe, enz. In het laatste kwatrijn is de tweede regel dezelfde als vs. 3 van strofe 1, en is de slotregel gelijk aan vs. 1 van strofe 1. Het is dus een cyclisch gedicht.

Het genre vertoont verwantschap met het ketendicht en enigermate ook met de sonnettenkrans. Wat de klank betreft heeft het twee kenmerken: het rijmschema is abab/bcbc etc., en binnen de regels vindt men vaak assonance. In de Nederlandse letterkunde is het genre o.a. beoefend door Pol de Mont, Hélène Swarth en Theodor Holman.

Als voorbeeld volgt hier het begin van het gedicht ‘Pantoum voor Drs. P’ van Holman (waarbij de assonanties overigens ontbreken):

 
Het is toch zo'n aardige man.
 
Graag maak ik voor hem een pantoum.
 
Ik weet wel dat ik het niet kan,
 
maar misschien verschaft het mij roem.
 
 
 
Graag maak ik voor hem een pantoum,
 
Al is het wel erg veel gezwoeg.
 
Maar misschien verschaft het mij roem
 
En houdt het mij ook uit de kroeg.
 
(Een feestelijk cahier voor Drs. P., 1979, p. 8).

LIT: Buddingh; Cuddon; Gorp; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pantoun zie pantoum

 

paper

Term uit de wereld van de wetenschappelijke congressen, waarmee gewoonlijk een vrij korte verhandeling wordt aangeduid die gehouden wordt, al dan niet in parallelsessies, tussen de meer belangrijke lezingen door. Vaak dient een paper (op papier!) tevoren aangemeld en opgestuurd te worden aan de congresorganisatie. [P.J. Verkruijsse]

 

paperback

Gebrocheerd (brocheren) of genaaid boek waarbij het omslag tegen de rug geplakt is (lumbecken), dat door die productiewijze en door zijn grote oplage goedkoop is, dat gewoonlijk deel uitmaakt van een serie en dat niet kleiner mag zijn dan ongeveer 20 x 12,5 cm. Is het formaat kleiner dan spreekt men van een pocketboek. Het terminologisch onderscheid is typisch Nederlands, maar wordt ook hier niet altijd strikt aangehouden: zo zijn de Literaire Reuzenpockets van de Bezige Bij eigenlijk paperbacks.

Bekende paperbackreeksen zijn verder de Grote ABC van de Arbeiderspers, de serie Meulenhoff Editie, de Grote Manteau Paperbacks, de Born Paperbacks en Nijgh & Van Ditmar's Paperbacks.

LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; MEW; P. Schreuders. Paperbacks, U.S.A. (1981); H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 204-205; S. Hubregtse. ‘Nederlandse pockets verzamelen’, in: De Boekenwereld 3 (1986-1987), p. 79-90. [P.J. Verkruijsse]

 

papier

Door kunstmatige vervilting uit plantaardige vezels vervaardigde substantie. De uitvinding van het papier maken moet gesitueerd worden in de 1e eeuw in China en heeft zich in de 8e eeuw via de Arabieren verbreid tot in Spanje in de 12e eeuw. Er kwamen vervolgens papiermolens in Italië (vanaf 1270), Frankrijk (1348),Duitsland (1390) en de Nederlanden (Hoei 1405;Dordrecht pas in 1586). Door de uitvinding van de boekdrukkunst nam de vraag naar papier sterk toe. De Nederlandse papierindustrie concentreerde zich uiteindelijk in deZaanstreek en op de Veluwe.

Papier werd gemaakt van in stukken gesneden lompen, die met toevoeging van water fijngestampt worden. De zo ontstane pulp komt in een grote kuip terecht waaruit de papiermaker met een schepvorm schept. Op de van metaaldraadgaas vervaardigde bodem van de vorm (deze draden leveren de kettinglijnen in het papier), waarin ook het watermerk wordt gevlochten, blijven de vezels achter terwijl het water wegloopt. Door op de juiste manier de vorm te schudden ontstaat een hecht vel. Het vel wordt op een stuk vilt gelegd en zo wordt om en om met vellen vilt en papier een stapel gemaakt van ongeveer 120 vel die onder de papierpers van water ontdaan wordt. Daarna worden de vellen te drogen gehangen en na het drogen in een lijmbad gedompeld en gesatineerd (gladgeklopt).

Midden 19e eeuw vond Friedrich Keller een oplossing voor het zo langzamerhand nijpende grondstoffentekort: het bleek mogelijk papier te maken uit lompen en houtslijpsel. In 1866 ontdekte Benjamin Tilghman dat het gebruik van lompen niet meer nodig was: hout kon worden omgezet in cellulose door het te koken in een zwavelkalkoplossing. De laatste tijd blijkt dat het 19e-eeuwse houthoudende papier sterk aan verval onderhevig is waardoor gehele collecties verloren dreigen te gaan. Naast hout werden stro en espartogras belangrijke papiergrondstoffen. Het vervaardigen van papier in talrijke soorten, gewichten en formaten is na 1801 geheel gemechaniseerd via langzeefpapiermachines die tot 1000 meter papier per minuut produceren, opgerold op grote rollen. Voor de drukker is de looprichting van de papierbaan van grote betekenis; die moet evenwijdig zijn aan de rug van het boek i.v.m. uitzetten en krimpen bij vochtig worden.

In de analytische bibliografie is de papierbeschrijving het meest problematische onderdeel, omdat watermerken vaak slecht te herkennen zijn en de afmetingen van een vel slechts bij benadering te reconstrueren.

Belangrijke papiercollecties zijn de Labarre-collectie in de UniversiteitsbibliotheekAmsterdam en de collectie-Voorn in de Koninklijke Bibliotheek Den Haag. In Nederland zijn nog papiermolens in bedrijf in het Openluchtmuseum te Arnhem en in molen De Schoolmeester te Zaandijk.

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; A. Blum. Les origines du papier, de l'imprimerie à la gravure (1935); Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 57-77, 214-230; C.F.J. Schriks. Neem nou papier...; een kleine historie over de uitvinding van het papier (1983); A.C. Schuytvlot. Papier in de U.B.A. (1984); H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 44-63. [P.J. Verkruijsse]

 

parabel, gelijkenis of parabola

Vorm van epiek bestaande uit een verhaal-1 dat in de vorm van een vergelijking of allegorie een les (didactische literatuur) wil geven. De oudste en meest bekende voorbeelden van parabels vindt men in de bijbel (gelijkenis van de zaaier, gelijkenis van de barmhartige Samaritaan e.v.a.). Gedurende de Middeleeuwen werd de parabel nagevolgd in de vorm van het exempel. Erasmus (1466?-1536) publiceerde na zijn succusvolle spreekwoordenverzameling Adagia in 1514 een bundel vergelijkingen, de Parabolae.

Een bekend voorbeeld uit de Nederlandse letterkunde is de parabel van de Japanse steenhouwer van Multatuli.

Als ‘voorbeeldgeval’ is de gelijkenis verwant aan het exemplum. Als vorm van wijsheidsliteratuur is de parabel vergelijkbaar met de gnome-2, de fabel-1 en de sententia.

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Gorp; Laan; Lausberg; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

parabola zie parabel

 

paradox

Stijlfiguur, afkomstig uit de logica, behorend tot de gedachtefiguren, waar een tweeledigheid (vgl. contentio) als tegenstelling (antithese) is ingebouwd. De paradox heeft de vorm van een tegenstrijdigheid, maar deze is oplosbaar (vgl. oxymoron). Een voorbeeld van zo'n schijnbare tegenstrijdigheid is het bijbelse ‘niets hebbende, alles bezittende’ (2 Cor. 6:10). De paradox kan ook voorkomen als hoofdthema van een (deel van een) literair werk. Zo is Erasmus' Lof der zotheid (1509) gebaseerd op het principe dat de meest dwaze mens ook de meest wijze is. In de romantiek - met zijn voorkeur voor individuele vormgeving van individuele gevoelens en fantasieën - floreerde de paradox in allerlei genres en situaties, o.a. bij Multatuli:

Ieder ziet hier dat ik geen schrijver ben.
(Ideën, dl. II, 1880, 6, p. 85).

Bij Menno ter Braak is de paradox een geliefd stijlmiddel om aan de ‘gefixeerde’ of ‘versteende’ vormen die aan taal eigen zijn te ontkomen. In zijn werk zijn dan ook tal van paradoxen aan te wijzen. Zo legt hij zijn fictieve gesprekspartner in Van oude en nieuwe christenen de volgende paradox in de mond:

Gijsbertus. Ik kan mij dus veroorloven je met geklets te vervelen, want mijn geklets zal je beste inspiratie en de verveling zal je amusement zijn. Wat denk je van déze paradox?
(VW, dl. 3, 1949, p. 197).

LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.J. Oversteegen. De redelijke natuur. Multatuli's literatuuropvatting (1987), p. 38 e.v.; R. Landheer. ‘Wat is het specifieke van lexicale paradoxen?’, in: Corpusgebaseerde woordanalyse (1987), p. 125-135. [G.J. Vis/G.J. van Bork]

 

parafrase

Term uit de retorica voor een oefening in het met andere woorden weergeven van een voorbeeldtekst, ook in een ander genre, bijv. het overbrengen van poëzie naar proza of omgekeerd. De redenaar of auteur kon hiervan voordeel hebben bij de inventio en elocutio en de parafraseoefening kon bijdragen aan de beheersing van een vrijere vorm van imitatio.

In de renaissance zijn veel parafrases gemaakt op de Spreuken van Salomo en de Psalmen, bijv. door Johan de Brune de Oude: Proverbia, of, de spreucken van Salomon: nu eerst uyt de Hebreeusche in onse Neder-duytsche tale over-gheset, ende in alle duystere plaetsen uyt-gheleght, ende verklaert (1619).

Later heeft parafrase uitsluitend de betekenis gekregen van het in andere woorden weergeven van een moeilijke tekst om die te verduidelijken.

Reeds bij de Romeinen was er een discussie ( Crassus versus Quintilianus) over de mogelijkheid, respectievelijk toelaatbaarheid van parafraseren, omdat het gebruik van synoniemen toch nooit de inhoud van de te parafraseren tekst kan dekken. In de beweging van de New Criticism uit de eerste helft van de 20e eeuw keert deze discussie terug: Cleanth Brooks heeft het in zijn The well wrought urn (19472) over ‘the heresy of paraphrase’.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

paragoge

Term uit de retorica voor een van de mogelijkheden van metaplasmus, nl. het toevoegen van letters of een lettergreep aan het eind van een woord ten behoeve van het juiste metrum in poëzie of een welluidender formulering in proza, bijv. de verbogen vorm ‘zonne’ in vs. 78 van Vondels Lucifer (1654, WB-ed., 1931, dl. 5, 601-696), die hij hier omwille van het metrum gebruikt in tegenstelling tot de normale vorm ‘zon’:

 
De dau ververschtze ‘s nachts. het ryzen en het dalen
 
Der zonne weet zijn maet, en matight zoo haer stralen

LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

paragraaf

Een van de hiërarchische, organisatorische niveaus waarop een prozatekst onderverdeeld kan worden, van groot naar klein: volume, deel, hoofdstuk, paragraaf, alinea, zin enz. Een paragraaf wordt in de tekst meestal weergegeven door een regel wit, soms door een apart typografisch teken in de marge (paragraafteken). De alinea is gewoonlijk een deelstructuur van de paragraaf.

LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; LdMA; Metzler; Shipley; Wilpert; J. Renkema. Schrijfwijzer (19936), p. 45. [H. Struik]

 

paragraafteken

Term uit de paleografie en codicologie. In middeleeuwse handschriften treft men regelmatig paragraaftekens aan, meestal in de gedaante van een hoofdletter C met een verticale streep er doorheen (¶). Hun oorspronkelijke functie is die van ondersteuning van de voordracht geweest, met name door het markeren van de directe rede op plaatsen waar een voorlezer gemakkelijk in de fout zou kunnen gaan. Toen men er meer en meer toe overging zelf te lezen, kreeg het paragraafteken een structurerende functie, vergelijkbaar met die van de lombarde. Waar het paragraafteken strikt structurerend gebruikt wordt, komt ook wel het semiparagraafteken voor. In eenvoudige handschriften zette de kopiist de rode paragraaftekens doorgaans zelf. In meer luxueuze codices was het de rubricator (rubricatie) die de rode of afwisselend rood-blauwe paragraaftekens zette aan de hand van door de kopiist geplaatste representanten. Tegenwoordig gebruikt men het paragraafteken (§) in combinatie met een doorlopende nummering vooral in handboeken en in juridische en wetenschappelijke teksten.

LIT: BDI; W. Kuiper. ‘Lombarden, paragraaf- en semiparagraaftekens in middelnederlandse epische teksten’, in: Spektator 10 (1980-1981), p. 50-85. [W. Kuiper]

 

paragram

Opzettelijke verschrijving - vaak met schertsende bedoeling - door verandering van een of meer letters in een woord. Zo omschreef de rechtse pers het duo Van Kooten en De Bie als ‘Van Klooten en Debiel’. Maar er zijn ook nettere voorbeelden zoals ‘modermisme’ (modernisme).

Anders dan bij het anagram hoeven bij het paragram in de herschikking niet alle letters van het origineel terug te keren. Dit biedt mogelijkheden in de richting van contaminatie en portemanteau.

LIT: Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

paraleipsis zie praeteritio

 

paralipomena

Dat wat vergeten of weggelaten werd. Onder deze aanduiding publiceert men wel aanvullingen bij reeds eerder verschenen werk. De naam wordt bijv. gebruikt in de bijbel (Septuagint) voor de publicatie van de Kronieken die als aanvulling op het boek Koningen worden beschouwd. Harry Mulisch publiceerde een verhaal ‘Paralipomena Orphica’ in de bundel van die naam (1970).

In de editiewetenschap gebruikt men de term voor ‘eenheden die in een zekere, hetzij tekstuele, hetzij productionele relatie staan tot de teksten die tot de ontwikkelingsgeschiedenis van een werk behoren, maar die geen stadium vormen binnen de tekstontwikkeling vanwege het ontbreken van “productionele” dan wel tekstuele verwantschap’ (Dorleijn). Gewoonlijk betreft het werkaantekeningen (klad) van een auteur.

LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; Mathijsen; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]

 

parallellie

Term uit de literatuurwetenschap door sommigen gebruikt als synoniem van Jakobsons begrip equivalentie. Men verwarre dit begrip niet met het parallellisme, dat een mogelijke vorm is van equivalentie, en dus een onderdeel van parallellie.

LIT: Boven/Dorleijn; K. Beekman en F. de Rover. Literatuur bij benadering (1987), p. 35. [G.J. Vis]

 

parallellisme

Term uit de stilistiek voor die vorm van herhaling waarbij twee zinnen of zinsdelen in syntactisch opzicht gelijk lopen, vaak ondersteund door andersoortige herhalingsvormen, bijvoorbeeld de repetitio, of vormen van klankherhaling (in ritme of rijm):

 
Looft, alle volken, looft den Heer, / roemt, alle naties, roemt zijn eer
 
(Liedboek voor de kerken, 1973, p. 202).

Kern van het parallellisme is de herhaling van de grammaticale structuur (hier: persoonsvorm, aangesproken persoon, object). Ondersteuning op andere niveaus vindt men in dit geval door de semantische correspondentie tussen ‘looft’ en ‘roemt’ en tussen ‘volken’ en ‘naties’, door de repetitio van ‘alle’, door de ritmische herhaling (-, -.-., -.-) en door het rijm (’Heer’/‘eer’).

LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

parenthese

Aanduiding voor een stilistisch verschijnsel behorend tot de woord- en zinfiguren, bestaande uit een tussenzin, in het bijzonder die welke buiten het syntactisch verband is geplaatst, vaak tussen streepjes of haakjes.

Bijv.:

 
Ik zorg - want het is stil en de straat nauw - gelijke tred met Awater te houden
 
( M. Nijhoff. VG, 19744, p. 221).

Sommigen beschouwen de parenthese als een gedachtefiguur. In afgeleide zin wordt het woord parenthese ook wel gebruikt voor de streepjes of haakjes waartussen de ingevoegde zin geplaatst is.

LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Lausberg; Metzler; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

parlandopoëzie of praatvers

Type gedicht dat als genre opgang maakte in de eerste helft van de 20e eeuw. Prosodisch gezien heeft het praatvers trekken van de poésie parlante (vrij vers-2) en van het dynamisch vers. Als reactie op de klassieke dichtkunst is parlandopoëzie gekenmerkt door het ontbreken van traditionele vormen van beeldspraak en andere stijlfiguren. Als reactie op sommige taalexperimenten uit het modernisme streeft men in dit genre naar eenvoud en begrijpelijkheid, met een voorkeur voor de anekdote.

Parlandopoëzie is beoefend in de kring van het tijdschrift Forum (1932-1935). Bekend is de bundel Parlando (1930) van E. du Perron. Latere beoefenaars van deze dichtvorm zijn o.a. J. Bernlef en K. Schippers (vgl. neorealisme).

LIT: Bronzwaer; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]

 

parnastaal

Term ontleend aan de 17e-eeuwse literaire kritiek ter aanduiding van hoogdravende dichterlijke taal (de Parnassos is de berg waarop Apollo en de Muzen zetelden). Door toedoen van theorie en praktijk van het classicisme wordt parnastaal in de 19e eeuw de negatieve aanduiding voor een type literair taalgebruik dat de ware verhevenheid heeft ingeruild voor quasi-verhevenheid. De oorzaak ervan zou zijn dat men op een - in de tijd der romantiek als ‘slaafs’ ervaren - wijze de wet volgt. Daaruit zou resulteren dat de retorica plaats maakt voor retoriek en dat originaliteit verdwijnt.

Het begrip parnastaal leeft, al dan niet met handhaving van de term, voort tot in de 20e eeuw. Zo zou men - gelet op Ter Braaks afkeer van epigonisme - diens kritiek op Binnendijk in de vorm-of-vent-discussie als een late uiting van ongenoegen over de parnastaal kunnen beschouwen.

LIT: Laan; A. van Strien. De schoonste paerel aen Apolloos lauwerkroon: Huygens in de ogen van tijdgenoten (1997). [G.J. Vis]

 

parodie

Spottende nabootsing van een literair werk, veelal met de bedoeling het werk belachelijk te maken of te bekritiseren. Een veel toegepast procédé is dat waarbij het origineel op de voet wordt gevolgd terwijl de parodist hier en daar woorden of zinnen weglaat, toevoegt of vervangt. De parodie is te vergelijken met de karikatuur: de kop van een bepaalde persoon, bijv. een politicus, wordt tot uitgangspunt genomen en daarin gaat de karikaturist vervolgens veranderingen aanbrengen zodat vervorming optreedt. De parodie is verwant aan de pastiche; beide genres worden ook wel aangeduid met de term persiflage.

Als voorbeeld van parodiëring volgt hier de eerste strofe van J. Kinkers parodie op het gedicht ‘Alrik en Aspasia’ van R. Feith:

 

Feith:Kinker:
In ouden tijd in FrankenlandIn ouden tijd in Frankenland
Een goelijk Maagdske leefde,Een goelyk Maagdske leefde,
Die al de maagdskens van het landDie al de Maagdskens van het land
In schoonheid overstreefde.In schoonheid over - (zegt de Kwant, Hy meent, te boven) streefde. Dat zei die kwant. (bis)

(J. Kinker. De verlichte muze, ed. Vis, 1982, p. 52-53).

Een geliefde vorm van de parodie is de travestie.

LIT: Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.G. Riewald. ‘Parody as criticism’, in: Neophilologus 50 (1966), p. 125-148; B. Müller (ed.). Parody. Dimensions and perspectives (1997). [G.J. Vis]

 

paroniem

Vergaande overeenkomst in klank en schrift van woorden die in betekenis van elkaar verschillen, zoals ‘besteedbaar’ en ‘bekleedbaar’ of ‘onderwijs’ en ‘onderwijl’. Paronymie wordt vaak gebruikt als vorm van woordenspel (vgl. calembour), bv. in cabaretlied (cabaret) of puntdicht.

Huygens maakt er gebruik van in zijn puntdicht:

 
Jan eiste een matras, al was het bedde zochter:
 
Neel nam 't voor een maitres en zei: Heer, neem mijn dochter.
 
Nee, zei hij, goê waardin, gij neemt mijn mening mis,
 
ik eis een matras die onbeslapen is.
 
(Dichten op de knie, ed. Hellinga, 1956, p. 151).

LIT: Cuddon; Gorp; Marouzeau; Shipley. [G.J. van Bork]

 

paronomasia, annominatio of pun

Term uit de retorica voor een pseudo-etymologisch woordenspel dat een betekenisspanning teweegbrengt tussen twee woorden door klankverandering. Verwante woordspelingen zonder het element van klankverandering zijn polyptoton en figura etymologica. Paronomasia kan bereikt worden door het toevoegen, weglaten of wijzigen van een klank bij woorden die organisch samenhangen (bijv.: ‘je moet niet tekenen, maar iets betekenen’), maar ook zonder zo'n samenhang is het spel mogelijk, bijv. door het omzetten van letters (bijv.: ‘die dans is een half gare rage’).

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

pars pro toto

Vorm van beeldspraak waarbij een deel in plaats van het geheel genoemd wordt (synecdoche, metonymie), bijv. ‘kiel’ voor ‘schip’ zoals in:

 
Hy wenckt ons toe alreede, en blyft versekeraer
 
Te vryen onsen kiel van schipbreuck, en gevaer.
 
( J. van den Vondel. Het lof der zee-vaert, 1623, WB-ed., dl. 2, 1929, p. 432).

Het tegenovergestelde van een pars pro toto is het totum pro parte.

LIT: Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Metzler; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

partie

Middelnederlandse benaming voor een deel, afdeling of hoofdstuk van een boek. De aanduiding ‘partie’ wordt doorgaans gevolgd door een opeenvolgende nummering. Zo schreef Jacob van Maerlant drie partieën van zijn magnum opus Spiegel historiael, waaraan Filip Utenbroeke de tweede berijmde partie toevoegde en later Lodewijk van Velthem de resterende boeken van de vierde partie en de volledige vijfde partie.

In zijn boek Maerlants wereld (1996) nam F. van Oostrom de term over voor de hoofdstukindeling van zijn biografie.

LIT: MNW. [G.J. van Bork]

 

partitio

Term uit de retorica voor een opsomming (enumeratio) van de in het betoog te behandelen punten. De partitio staat dan gewoonlijk in het exordium, maar ze kan ook als een soort tussenevaluatie aan het eind van de narratio geplaatst worden. Als de enumeratio als algemeen overzicht om het geheugen op te frissen aan het slot van een betoog (in de conclusio) staat, noemt men dat recapitulatio.

LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Ueding. [P.J. Verkruijsse]

 

partituureditie

Term uit de editietechniek (teksteditie) voor een editievorm waar de verschillende redacties (redactie-2) uit de geschreven en gedrukte bronnen per regel onder elkaar - hetzij chronologisch, hetzij contrachronologisch - afgedrukt worden om aldus een goed inzicht in de varianten mogelijk te maken. Een partituureditie is daarom ook vrijwel altijd een diplomatische editie. Wanneer in één manuscript veel wijzigingen en doorhalingen voorkomen, kan voor de weergave van de tekstgenese binnen een regel ook voor een partituurweergave gekozen worden.

In plaats van de term partituureditie wordt ook wel synoptische editie gebruikt, maar het is beter die te reserveren voor edities waar de verschillende redacties naast elkaar in kolommen gegeven worden.

Een voorbeeld van een partituureditie van een prozatekst is die door A. Kets-Vreevan Willem Elsschots Een ontgoocheling.

LIT: Mathijsen (i.v. synoptische editie); P. Gerbenzon. ‘Teksteditie anders’, in: NTg 56 (1963), p. 328-333; E. Höpker-Herberg. ‘Überlegungen zum synoptischen Verfahren der Variantenverzeichnung’, in: Texte und Varianten (1971), p. 219-232 (m.n. 219, nt. 1); A. Kets-Vree. Woord voor woord; theorie en praktijk van de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd aan Een ontgoocheling van Willem Elsschot (1983), p. 40-42. [P.J. Verkruijsse]

 

paskwil zie pamflet-2

 

passie

Het lijdensverhaal van Christus of de marteldood van een heilige. Gedurende de Middeleeuwen werden de passies bijeengebracht in het Passionaal, een legendeverzameling, vergelijkbaar met het martyrologium (martelaarsboek).

LIT: LdMA; Lodewick; MEW; Scott; Wilpert. [W. Kuiper]

 

passiespel

Benaming voor een mysteriespel waarin het lijden van Christus het hoofdthema vormt. De passiespelen zijn een populariserend-dramatische voortzetting in de volkstaal van de (semi-)liturgische paasspelen (liturgisch drama) in het kerkgebouw. In 1394 moet een passiespel opgevoerd zijn op de Brink in Deventer; in 1443 is in Nieuwpoortsprake van een wedstrijd in het ten tonele voeren van passiespelen. In de 16e eeuw kwam als gevolg van de reformatie en de contrareformatie een einde aan de opvoering van deze passiespelen.

Het passiespel, zoals dat heden ten dage nog bekend is, herleefde in 1634 in het Beierse plaatsje Oberammergau. Dit heeft elders in Europa navolging gevonden, onder andere in het Nederlandse Tegelen en het Belgische Mariekerke.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; R. Bergmann. Studien zur Entstehung und Geschichte der deutschen Passionsspiele des 13. und 14. Jahrhunderts (1972); E. Roy. Le mystère de la Passion en France du XIVe au XVIe siècle. Étude sur les sources et le classement des mystères de la Passion (1974); H. Schillings. Toneel en Theater in Limburg in de 19de en 20ste eeuw (1976); W.N.M. Hüsken. ‘In Dendermonde wordt in de Paasdagen een Verrijzenisspel gespeeld; kerkelijk drama in de volkstaal’, in: R. Erenstein (hoofred.). Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996), p. 24-29. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]

 

passim

Latijns woord dat letterlijk ‘verspreid’ betekent en gebruikt wordt in literatuurverwijzingen en noten of in een index in die gevallen waarin het desbetreffende woord op zoveel plaatsen in een publicatie voorkomt dat het zinloos zou zijn om alle afzonderlijke pagina's te noteren. [P.J. Verkruijsse]

 

passionaal

Middeleeuwse verzameling lijdensverhalen (passie) en marteldoden (martelaarsboek) van heiligen. De bekendste is de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine (1298), dat door de auteur bescheiden Legenda sanctorum werd genoemd. De Legenda aurea bevat 182 hoofdstukken waarvan er ongeveer 20 niet aan heiligen, maar aan kerkelijke feestdagen zijn gewijd. In de 14e en 15e eeuw was het werk erg populair en is het in het Middelnederlands vertaald, waarbij een aantal levens van lokale heiligen is toegevoegd.

Het passionaal is vergelijkbaar met het legendarium (verzameling van heiligenlevens of hagiografieën).

LIT: Best; Cuddon; LdMA; Scott; Wilpert; J. Deschamps. ‘De Middelnederlandse vertalingen van de Legenda aurea van Jacobus de Voragine’, in: Handelingen van het 22ste Nederlands Philologencongres (1952), p. 21-22; J. Deschamps. Catalogus van Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19762), p. 197-201. [H. Struik]

 

pastei

Term uit de drukkerswereld voor zetsel dat in wanorde is geraakt. In pastei gevallen zetsel betekent een flinke schadepost omdat het lettermateriaal eigenlijk alleen nog geschikt is voor de smeltpot. Het kan niet opnieuw gedistribueerd worden over de letterkasten, want dat gebeurt immers op basis van het lezen van het zetsel en niet door ieder letterstaafje afzonderlijk te identificeren.

LIT: BDI; Brongers; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 241; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e eeuw (19862), p. 292-293, 324; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (19862), p. 37. [P.J. Verkruijsse]

 

pastiche

Persiflage van de stijl van een auteur of generatie, of van een literair genre, met de bedoeling deze belachelijk te maken of te bekritiseren. Zo persifleerde G. van de Linde het heldendicht (epos) in zijn onder ‘epische poëzy’ opgenomen ‘Proeve van dichterlijke vlucht’ (De gedichten van den schoolmeester, ed. Van Deel en Mathijsen, 1975, p. 3-14). De pastiche is vergelijkbaar met de cartoon waarin toestanden, gewoonten of menselijke eigenschappen door overdrijving belachelijk worden gemaakt. Tot in de 19e eeuw werd daarvoor meestal de term burleske literatuur gebruikt, zoals Te Winkel doet ten aanzien van sommige gedichten uit de bundel Gedichten (1851) van J. van Lennep. Het soort persiflages waarbij verhalen uit de mythologie belachelijk worden gemaakt, sterft in de 19e eeuw uit. Misschien is dit de reden waarom de daarna tot bloei komende nieuwe vorm van bespotting, die het vooral moet hebben van het persifleren van de stijl van een bepaalde auteur of groep auteurs - zoals Grassprietjes (1885) van C. Paradijs - niet meer met de term burleske wordt aangeduid, maar, vooral in latere studies, pastiche wordt genoemd.

Een ander terminologisch probleem schuilt in het feit dat tot in de 20e eeuw de term pastiche ook wel gebruikt wordt voor datgene wat wij nu meestal parodie noemen, en omgekeerd.

LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.G. Riewald. ‘Parody as criticism’, in: Neophilologus 50 (1966), p. 125-148. [G.J. Vis]

 

pastorale-1 of herdersdicht

In de Middeleeuwen is de pastorale een subgenre binnen de hoofse lyriek, waarin de liefde gethematiseerd wordt aan de hand van een ontmoeting ergens in het open veld tussen een hoofs ridder met een niet-hoofs herderinnetje (= pastorele). De ridder zet ogenblikkelijk zijn zinnen op het meisje en tracht met loze praatjes en beloften, desnoods met geweld, zijn wellust terstond en ter plekke te bevredigen.

De Oudfranse literatuur kent tal van pastorales, het Middelnederlands niet of nauwelijks. In de buurt komt het vijfde Gruuthuselied:

 
Het was een rudder wael ghedaen,
 
Voer spelen doer sijn lant.
 
Hi vant in zinen weghe staen
 
Een joncfrauwe achemant 1.
 
Hi namse bi der witzer hant 2.
 
Hi seide: ‘vrouwe mijn, Nu wilwi trueren avelaen 3
 
Ene altoos vroilic zijn.’
 
(Gruuthuse-handschrift, ed. Heeroma en Lindenburg, 1966, p. 16, vss. 1-8).

In de renaissance is het herdersdicht de lyrische vorm van de bucolische literatuur waarin - in navolging van Vergilius' Bucolica - het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd als tegenhanger van het verdorven hofleven. Het gouden-eeuw-motief en de locus amoenus komen er regelmatig in voor, evenals muziek en dans. Uit de vaak in dialogen geschreven herderspoëzie ontwikkelde zich de dramatische vorm van de bucolische literatuur, de pastorale-2; de epische vorm is de arcadia. Er zijn ook relaties met de georgische poëzie.

Veel Nederlandse herdersdichten zijn vertaalde of bewerkte fragmenten uit Tasso's Il pastor fido. Gedichten waarin klassieke herdersnamen als Amaril, Chloris, Coridon, Myrtil, Philemon of Tytirus voorkomen, horen vaak tot dit genre, bijv. Simon van Beaumonts ‘Liet’ in de Zeeusche nachtegael (1623; ed. Meertens en Verkruijsse (1982), p. 46). De bekendste dichter van herdersdichten is J.B. Wellekens, die ook een Verhandeling van het herdersdicht (1715; ed. Warners, 1965) schreef. Zijn poëzie, bestaande uit ‘herders-, hoef- en veldgezangen’ is uitgegeven als Dichtlievende uitspanningen (1710).

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; P.E.L. Verkuyl. Battista Guarini's Il Pastor Fido in de Nederlandse dramatische literatuur (1971); J.L.P. Blommendaal. De zachte toon der herdersfluit; de pastorale poetica van Jan Baptista Wellekens (1987). [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]

 

pastorale-2 of herdersspel

De pastorale is de dramatische vorm van bucolische literatuur, een variant op de tragikomedie: een herdersspel, waarin het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd als tegenhanger van het verdorven hofleven. Het gouden-eeuw-motief en de locus amoenus komen er regelmatig in voor, evenals de travestie en muziek en dans. In dat laatste opzicht is de pastorale een voorloper van de opera. De grote voorbeelden voor alle latere navolgingen in dit genre zijn Tasso's Aminta (1573) en Il pastor fido (1589). Nederlandse pastorales - volgens sommigen niet in zuivere vorm - zijn P.C. Hoofts Granida (1605; ed. Zaalberg, [1975]), Cats' Koningklyke herderin Aspasia (1643/44?) en J. van den Vondels Leeuwendalers (1647; ed. Alphenaar e.a., 1987).

Naast de pastorale is er het herdersdicht (pastorale-1) en als epische vorm de arcadia. Er zijn ook relaties met de georgische poëzie.

LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; MEW; Preminger; J.B. Wellekens. Verhandeling van het herdersdicht (1715; ed. J.D.P. Warners 1965); M.I. Gerhardt. La pastorale; essai d'analyse littéraire (1950); P.E.L. Verkuyl. Battista Guarini's Il Pastor Fido in de Nederlandse dramatische literatuur (1971); D.J.M. ten Berge. ‘Het Nederlandse pastorale spel’, in: NTg 69 (1976), p. 33-38; J.L.P. Blommendaal. De zachte toon der herdersfluit; de pastorale poetica van Jan Baptista Wellekens (1987); S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus (1989), p. 13-14. [P.J. Verkruijsse]

 

pastorale literatuur zie bucolische literatuur

 

pathetic fallacy

Term uit de Engelse literaire kritiek, vooral bekend geworden door J. Ruskin (1856), voor die vormen van personificatie die meer zeggen over een bepaalde geestesgesteldheid van de schrijver dan over het ‘objectieve’ karakter van het beschrevene. Het verschijnsel gaat vaak gepaard met een soort animisme, d.w.z. het geloof in een actief universum gevuld met leven dat sterker is dan de mens.

Zinsneden als ‘huilende bergen’, ‘zingende winden’ en ‘lachende velden’ zijn voorbeelden van pathetic fallacy, maar dan steeds als uitvloeisels van een bepaalde geestesgesteldheid veroorzaakt door de subjectieve impressie die men bij deze natuurverschijnselen ondergaat.

LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; R. Wellek. A history of modern criticism, dl. 3 (1965), p. 146 v. [G.J. Vis]

 

pathos

Term uit de retorica voor de emoties die bij publiek of lezer opgewekt worden. Bepaalde stijlmiddelen als exclamatio en hyperbool worden vaak gebruikt om pathos teweeg te brengen. Vooral in het renaissancedrama komt het vaak tot spectaculaire uitbarstingen van emoties en hartstochten. Overdrijving kan leiden tot een negatieve waardering van pathos, tot pathetiek, hetgeen vooral gebeurde in en ten aanzien van de literatuur van het sentimentalisme.

Aristoteles onderscheidde naast het pathos als overtuigingsmiddelen het ethos (het eigen karakter van de redenaar) en de logos (de eigenlijke argumenten).

LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.W.H. Konst. Woedende wraakghierigheidt en vruchtelooze weeklachten. De hartstochten in de Nederlandse tragedie van de zeventiende eeuw (1993). [P.J. Verkruijsse]

 

patristiek

De theologische wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het geloofsgetuigenis, de geloofsbezinning en de geloofsverkondiging van de kerkvaders.

Anders dan bij de patrologie, de literatuurgeschiedenis van de christelijke oudheid, is de doelstelling van de patristiek niet descriptief maar prescriptief van aard. Bij het ontstaan van de patristiek als zelfstandige theologische wetenschap rond 1800 werd de methode sterk door een leerstellige vraagstelling bepaald; zeker in katholieke kring streefde men ernaar om de wording en ontwikkeling van de christelijke leerstellingen te tonen en de continuïteit in de dogmageschiedenis te bewijzen. Ter ondersteuning van de kerkelijke dogma's en traditionele theologische waarheden werd in de geschriften van de kerkvaders gezocht naar argumenten voor en aanzetten van die leerstukken die later meer expliciet waren geformuleerd in theologische geschriften en pauselijke uitspraken.

Tegenwoordig doet de patristiek onderzoek naar de oorspronkelijke zin en samenhang van levende en op de achtergrond geraakte christelijke geloofswaarheden, geestelijke stromingen, gebedsteksten, riten en praktijken.

LIT: LdMA; Wilpert; A.G. Hamman. Études patristiques: méthodologie, liturgie, histoire, théologie (1991); H. Kraft. Einführung in die Patrologie (1991). [H. Struik]

 

patrologie

De historische wetenschap die zich bezighoudt met het leven en de werken van de kerkvaders en de oudchristelijke auteurs in het algemeen. De patrologie is de literatuurgeschiedenis van de christelijke oudheid en heeft als voornaamste onderdelen de biografie van de auteurs, de kritische vaststelling van de authenticiteit van de teksten, de analyse en typering van de inhoud van de teksten en de bestudering van de taal en de stijl van de auteurs.

De patrologie verschilt van de patristiek door haar beschrijvende karakter en van de profane literatuurgeschiedenis door de benadering van haar object: de theologische en filosofische relevantie van de auteurs en de inhoudelijke waarde van hun werk is belangrijker dan hun literaire betekenis en kwaliteit.

LIT: MEW; Wilpert; A. Hamman. Praktische gids voor de patrologie (1971); A.M. Malingrey & J. Fontaine. De oudchristelijke literatuur (1972); H. Kraft. Einführung in die Patrologie (1991). [H. Struik]

 

patronage

Bescherming van kunsten en wetenschappen door gezag en autoriteit zonder financiële bijdragen zoals dat met het mecenaat het geval is. Een auteur die in zijn werk enigszins afwijkende opvattingen wil uitdragen, kan zich tevoren verzekeren van de steun van een erkende autoriteit op het desbetreffende terrein, hetgeen zijn publicatiemogelijkheden kan vergroten en hem kan beschermen tegen kritiek of zelfs censuur. Een dergelijk patronage zal de auteur in een voorwoord of opdracht niet onvermeld laten.

In 1604 bijvoorbeeld draagt Wallich Sywaertsz zijn Roomsche mysterien op aan Jacobus Arminius uit dankbaarheid voor ‘U.E. goede affectie, hartelijck mede dooghen ende Pastorale sorghe’ die hij had ervaren toen zijn vrouw kwam te overlijden:

Daerbenevens aen U.E. ootmoedelijc versoekende, dit mijn slecht onghestileert Opusculum, teghens alle Iniurien, Calumnien en quade opspraecken die het onderworpen sal zijn, te willen Patrocineren: aenghesien U.E. [...] bevinden sal, dat van mij daerinne niet voortgebracht en is, twelc teghens de ghesonde Leere, teghens de Historische waerheyt, ende Politique eerbaerheyt is strijdende.

Het patronage moet onderscheiden worden van het verwerven van privilege of approbatie (approbatur), een procedure die de aanvrager gewoonlijk geld kost.

LIT: Baldick; Cuddon; Scott; P.J. Verkruijsse. ‘Het boekenmecenaat in de zeventiende eeuw’, in: Cultuur en economie, thema-nr. De Zeventiende Eeuw 6 (1990), p. 137-143; S. Stegeman. Patronage en dienstverlening. Het netwerk van Theodorus Janssonius van Almeloveen (1657-1712) in de Republiek der Letteren (1996). [P.J. Verkruijsse]

 

pauze zie rust

 

pennenproef zie probatio pennae

 

pentameter

Term uit de prosodie voor een metrisch (metrum) patroon dat men zou kunnen beschouwen als een variant van de hexameter. De derde en de zesde versvoet zijn namelijk catalectisch, waardoor het volgende schema ontstaat:

 

-../-../-//-../-../-

 

In de Nederlandse letterkunde komt de pentameter zelden onvermengd voor. Zo zou men de laatste regel van het zesjambische (jambe) gedicht ‘De zuiderling’ van Gossaert als een pentameter kunnen lezen:

 
En mij be/zwijmt de / geur / van eene er/inne/ring
 
(G. Gossaert. Experimenten, 194911, p. 95).

Nederlandse dichters die Homerus en Vergilius hebben vertaald, bieden nog wel eens voorbeelden van deze versmaat, ter afwisseling van de hexameter. Boutens en Vosmaer behoren tot de bekendsten onder hen.

LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pentapodie

Term uit de prosodie voor een vijfvoetige ritmische (ritme) eenheid in een metrisch (metrum) gedicht. Een veel voorkomende vorm is die van de vijfvoetige jambe, zoals in het volgende fragment:

 
Mijn moe/derken, / ik kan / het niet / verkrop/pen
 
dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten,
 
zooals een pop waarin een hart zou kloppen,
 
door 't volk bij 't heengaan in een huis vergeten.
 
( W. Elsschot. VW, 1960, p. 729).

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pentastichon

Dichtvorm bestaande uit een strofe of gedicht van vijf regels. Als strofe komt hij minder vaak voor dan het distichon, het tristichon en het tetrastichon. Een voorbeeld van een gedicht dat uit pentasticha is opgebouwd is ‘Allerzielen’ van G. Gossaert (Experimenten, 194911, p. 44). Als zelfstandig gedicht is het o.a. toegepast door Achterberg in ‘Brons’, luidend:

 
Sombere sparren, wij zijn gedood,
 
Uw kerkhof is over ons.
 
Langzaam worden wij brons
 
en beelden, reuzengroot.
 
Tombe van wind en bos.
 
(G. Achterberg. VG, 19745, p. 431).

 

LIT: Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]

 

penwerk

Term uit de codicologie voor een vorm van boekverluchting die bestaat uit met een pen getrokken lijnen in, om of aan een initiaal-1 of lombarde, soms abstract, soms figuratief. In de (Noordelijke) Nederlanden kende deze vorm van randversiering zijn grootste bloeiperiode gedurende de 15e eeuw.

Penwerk wordt uitgevoerd met een harde pen, die overal een dunne lijn van gelijke breedte voortbrengt (dit in tegenstelling tot de geschreven tekst die door het gebruik van een brede pen afhankelijk van de schrijfrichting lijnen van verschillende dikte laat zien). De uitvoering ervan vindt vooral plaats in rode en blauwe inkt (soms in zwart), soms worden andere kleuren gebruikt ter verfraaiing of ter opvulling van de achtergrond (vaak met groen). De kleur van het penwerk contrasteert altijd met die van de initiaal: blauwe initialen krijgen rood penwerk, rode krijgen blauw penwerk. Bij een in twee kleuren uitgevoerde initiaal (een zgn. ‘duplexletter’) sluit blauw penwerk aan op de rode gedeelten en rood penwerk op de blauwe gedeelten.

De omvang van het penwerk hangt af van de grootte van de initiaal, zijn plaats in de hiërarchie en het decoratieprogramma van het handschrift; een kleine lombarde in het midden van een tekst krijgt hooguit een klein sierrandje en aan het begin van een regel vaak niet meer dan enkele eenvoudige lijnen. Bij grotere initialen is het penwerk gewoonlijk gecompliceerder van opbouw.

LIT: BDI; J.M.M. Hermans (red.). Middeleeuwse handschriftenkunde in de Nederlanden 1988. Verslag van de Groningse Codicologendagen 28-29 april 1988 (1988), p. 13-122; S. Scott-Fleming. Pen flourishing in thirteenth-century manuscripts (1989); J.P. Gumbert. The Dutch and their books in the manuscript age (1990); A.S. Korteweg (red.). Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw (1992). [H. Struik]

 

percursio

Term uit de retorica voor het vluchtig en zonder enige detaillering over een onderwerp heenlopen, hetgeen zich vaak uit in het gebruik van asyndetische hoofdzinnen en in de stijlfiguur van de enumeratio bijv. regel 4 van het ‘Grafschrift’ door P.G. Witsen Geysbeek (in: G. Komrij, De Nederlandse poëzie van de 17e en 18e eeuw in 1000 en enige gedichten, 1986, p. 1292):

 
Hier ligt Simplicius: men kan al zijn bedrijven,
 
En 't lot, dat hij in 't eind' verwierf,
 
Gemaklijk met vier woorden schrijven:
 
Hij sliep, hij at, hij dronk, en stierf.

Het tegenovergestelde van percursio is evidentia.

LIT: Gorp; Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]

 

peregrinatio academica

In tijden dat er nog maar weinig universiteiten waren, gingen studenten op studiereis naar buitenlandse universiteiten. Vanaf de 16e eeuw hebben de universiteiten ook een religieuze kleur, waardoor men gedwongen werd soms ver van huis te gaan studeren, maar ook de faam van een bepaalde instelling kon ertoe leiden om juist daar te gaan studeren. Veel vorsten vaardigen vanaf de 16e eeuw verboden uit op de peregrinatie om de eigen instellingen van hoger onderwijs voor leegloop te beschermen. De studenten van elders aan buitenlandse universiteiten verenigden zich in de zogenaamde naties.

De Leidse universiteit oefende na de oprichting ervan in 1575 al spoedig grote aantrekkingskracht uit op niet-katholieke studenten uit Oost-Europa.

Behalve de inschrijfregisters, de matrikels, geven ook de alba amicorum (album amicorum) inzicht in waarheen de peregrinatio ging.

Vanaf de 17e eeuw, wanneer het netwerk aan universiteiten groter wordt, neemt de grand tour de plaats in van de peregrinatio.

LIT: A. Frank-Van Westrienen. De Groote Tour. Tekening van de educatiereis der Nederlanders in de zeventiende eeuw (1983); H. Bots en W.Th.M. Frijhoff. ‘Academiereis of educatiereis? Noordbrabantse studenten in het huitenland, 1550-1750’, in: Batavia Academica1 (1983), p. 13-30; S. Kiedro. ‘Poolse studenten in Leiden in de 16de en de 17de eeuw’, in: S. Prdota (red.). Studia Neerlandica et Germanica (1992), p. 189-204; P. Vandermeersch en H. de Ridder-Symoens. ‘Verbod op studiereizen in de Spaanse Nederlanden’, in: Spiegel Historiael 31 (1996), p. 172-178. [P.J. Verkruijsse]

 

perifrase

Stijlfiguur waarbij men een woord vervangt door een omschrijving. Voorbeelden hiervan zijn het adynaton en de antonomasie-1, maar ook de antoniem wordt wel als een vorm van perifrase beschouwd. In ruimere zin vallen ook het pleonasme en de tautologie er onder.

Een voorbeeld is te vinden in J. van den Vondel, Inwydinge van 't Stadthuis t'Amsterdam, vss. 1-2 (ed. S. Albrecht, O. de Ruyter e.a., 1982, p. 21): in plaats van ‘zoals de boer de gouden aren ploegt’ schrijft Vondel:

 
‘Gelijck nu d'ackerman de zeissen slaet in d'airen,
 
En heenstreeft, door een zee van gout en goude baren...’

LIT: Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

periode-1 of tijdvak

Term uit de literatuurgeschiedschrijving die betrekking heeft op een af te grenzen tijdsbestek. In feite is een periode vergelijkbaar met een stroming en op te vatten als een mentale constructie die de literatuurhistoricus gebruikt om tot een ordening en afbakening te komen op grond van literair-historisch feitenmateriaal. Het stelt hem in staat dat feitenmateriaal in een grotere samenhang te presenteren. Daarbij wordt in de praktijk gebruik gemaakt van periodeaanduidingen als renaissance, barok, verlichting, romantiek, naturalisme, modernisme e.d. voor de zgn. periodisering van de literatuurgeschiedenis. De aanduidingen van de perioden zijn van verschillende oorsprong, nl. ontleend aan een literaire, kunsthistorische, wijsgerige of levensbeschouwelijke stroming die in het ermee aangeduide tijdvak overheersend zou zijn geweest.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; MEW; Shipley; Wilpert; R. Wellek. ‘Periods and movements in literary history’, in: English Institute Annual (1940), p. 89 e.v.; H.P.H. Teesing. Das Problem der Perioden in der Literaturgeschichte (1948); E. Kunne-Ibsch. ‘Periodiseren: De historische ordening van literaire teksten’, in: W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977), p. 284-297. [G.J. van Bork]

 

periode-2 zie periodus-1

 

periodebibliografie

Objectieve bibliografie van publicaties die betrekking hebben op een bepaalde periode. Voorbeelden zijn de International medieval bibliography en de Bibliographie internationale de l'Humanisme et de la Renaissance. Een bibliografie die de werken uit een bepaalde periode beschrijft, bijvoorbeeld de incunabelperiode, is een retrospectieve subjectieve bibliografie.

LIT: BDI; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 68. [P.J. Verkruijsse]

 

periodecode

De term ‘code’ in deze samenstelling is afkomstig uit de semiotiek en betekent zoveel als een systeem van symbolen dat door onderlinge overeenstemming (conventie) tussen zender (spreker, schrijver) en ontvanger (luisteraar, lezer) informatie kan overdragen. Onder een periodecode wordt dan een systeem van conventies verstaan die in een bepaalde periode-1 in (literaire) teksten een belangrijke rol spelen en door lezers als zodanig herkend worden. Zo zou men de periodecode van de romantiek of van het modernisme kunnen vaststellen door de dominante codes van teksten uit die perioden op te sporen. Een voorbeeld daarvan is te vinden bij D.W. Fokkema in diens artikel in Forum der Letteren (20, 1979, p. 1-10), waarin hij de periodecode van het modernisme tracht te achterhalen.

Een probleem bij het vaststellen van een periodecode is dat het begrip ‘code’ onvoldoende gedefinieerd is om een werkbaar criterium te zijn. Onduidelijk blijft bovendien of codes in de hier bedoelde zin niet afhankelijk zijn van de interpretatie van de onderzoeker en van verschil van inzicht in de dominantie van de verschillende codes.

LIT: U. Eco. Einführung in die Semiotik (1972); W.J.M. Bronzwaer, D.W. Fokkema en E. Kunne-Ibsch (red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (19802); P.F. Schmitz, ‘De codemode in de literatuurwetenschap’, in: Forum der Letteren 21 (1980) 4, p. 283-295. [G.J. van Bork]

 

periodiek zie tijdschrift

 

periodisering

Indeling van de geschiedenis in tijdvakken om tot een ordening van het historisch materiaal te komen. Vooral in de kunst- en literatuurgeschiedenis is het gebruikelijk deze tijdvakken te benoemen met namen die nu eens een tijdsaanduiding betreffen, dan weer aan een bepaalde stijl zijn ontleend en in andere gevallen een wijsgerig of godsdienstig stelsel aanduiden. Zo spreken we van Middeleeuwen, humanisme en renaissance, barok, verlichting, romantiek, naturalisme, impressionisme, symbolisme, modernisme etc. zonder er ons om te bekommeren dat hier indelingscriteria in het geding zijn die een volstrekt verschillende oorsprong hebben. Een dergelijke indeling is dan ook vanuit een wetenschappelijk standpunt bezien tamelijk arbitrair. In de eerste plaats is er een merkwaardige discrepantie in de omvang van de verschillende perioden: de Middeleeuwen enige eeuwen, het naturalisme slechts enkele decennia. In de tweede plaats is het een indeling waarbij perioden benoemd worden met stijlbegrippen waarover vaak nauwelijks overeenstemming bestaat als het erom gaat wat er precies onder dient te worden verstaan (vgl. barok, rococo, art nouveau, neoromantiek e.d.). Om uit de problemen te komen zijn er verschillende voorstellen gedaan.

Sommige literatuurwetenschappers ( Stuiveling, Sicking e.a.) gaan voor de periodisering uit van generaties van auteurs. Ze behandelen de literatuurgeschiedenis als een opeenvolging van groepen auteurs die van ongeveer dezelfde leeftijd zijn. Hoe exact een dergelijke ordening ook moge lijken, een bezwaar ertegen is dat auteurs van zeer verschillende werken in één groep worden ondergebracht. Bij deze werkwijze is de auteur het criterium en niet het werk zelf.

Een ander voorstel ( Wellek, Teesing e.a.) gaat uit van de werken zelf. Hierbij gaat het erom de dominante factoren die een reeks werken kenmerken in een bepaalde tijd op te sporen en zo wat men noemt een ‘periodecode’ vast te stellen. De dominantie van zo'n periodecode zou dan bepalend zijn om van een bepaald tijdvak te spreken, terwijl de afsluiting ervan bepaald wordt door de afname van de tot die code behorende factoren. Schematisch zou men het als volgt kunnen voorstellen: werken met de eigenschappen a-b-c-d-e-f behoren tot de periode X, en werken met de eigenschappen d-e-f-g-h-i-j niet meer, maar wel tot periode Y. Uit het gegeven voorbeeld wordt dan tevens duidelijk dat er van een zekere overlapping in opeenvolgende perioden sprake kan zijn, dus van een zekere geleidelijkheid.

In andere publicaties over dit onderwerp ( Tynjanov, Kunne-Ibsche.a.) worden deze periodecodes gezien als een periodiek systeem met een cyclisch karakter (opkomst-hoogtepunt-navolging-bestrijding-alternatief-opkomst-etc.), waarbij duidelijk sprake is van een dialectisch proces. Aflossing van het bestaande periodesysteem betekent niet noodzakelijk de uitschakeling van het gehele systeem, maar kan bijv. incorporatie inhouden van oudere dominante factoren, die dan vaak ondergeschikt gemaakt worden aan de nieuwe eigenschappen.

Sinds Jauss is hierin ook wel de verwachtingshorizon van de lezer betrokken. Lezers lezen een tekst met een bepaalde verwachting t.a.v. de literaire codes die zo'n tekst kunnen beheersen. Doorbreking van die verwachtingen kan op den duur leiden tot nieuwe verwachtingen, zodat een nieuw literair procédé, dat aanvankelijk perifeer begon, geleidelijk terrein kan winnen. Bovendien, schrijvers zijn zelf ook lezers van literaire teksten waarop zij in hun werken dan weer kunnen reageren door zich ertegen af te zetten of bepaalde procédés over te nemen (intertekstualiteit).

Ook op dit soort opvattingen over periodisering is inmiddels kritiek gekomen. Zo wordt bijv. gesteld dat het begrip ‘code’ in de genoemde theorieën nauwelijks gedefinieerd wordt. Hoe verhouden zich bijv. de verschillende factoren die tot een periodecode behoren; zijn ze van dezelfde importantie bij onderlinge vergelijking? Zijn dezelfde codes in verschillende perioden van gelijke importantie? Deze en dergelijke vragen verhinderen intussen niet dat men gewoonlijk blijft werken met de eerder genoemde periodebegrippen, maar wel in het besef van het voorlopige en discutabele karakter ervan.

LIT: Gorp; MEW; H.P.H. Teesing. Das Problem der Perioden in der Literaturgeschichte (1948); R. Wellek. Concepts of criticism (1963); E. Kunne-Ibsch. ‘Periodiseren: de historische ordening van literaire teksten’, in: W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977), p. 284-297; D.W. Fokkema. ‘Het modernisme: overwegingen bij de beschrijving van een periodecode’, in: FdL 20(1979), p. 1-10; P.F. Schmitz. ‘De codemode in de literatuurwetenschap’, in: FdL 21(1980), p. 283-295; J.M.J. Sicking. ‘Periodiseren door middel van generaties’, in: FdL 23(1982), p. 46-59. [G.J. van Bork]

 

periodus-1 of periode-2

Term uit de klassieke poëtica voor een zinsdeel dat bestaat uit een reeks van grammatisch met elkaar verbonden zinnen die samen een geheel vormen en dat wordt afgerond met een puntkomma (periodus-2). Tegenwoordig duidt periodus een volzin aan, die uit meer voor-, tussen-, en/of nazinnen bestaat, en wordt afgesloten met een punt.

LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Scott; B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p. 214-219; J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926), p. 51. [H. Struik]

 

periodus-2

Middeleeuws interpunctieteken in de vorm van een puntkomma (;) dat gebruikt werd om een lange rust aan te geven. De periodus dateert uit de Romeinse tijd en maakte deel uit van een interpunctiesysteem waarbinnen de volzin (periodus-1) werd afgesloten met een puntkomma (periodus-2), de bijzin (colon) met een punt (punctus) en de deelzin (comma) met een virgula (/). Na de Middeleeuwen is de periodus van naam en functie veranderd in de huidige puntkomma.

LIT: J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926). [H. Struik]

 

peripetie

In het klassieke drama onderscheidt men vijf fasen (achtereenvolgens expositie, intrige-2, climax-2, catastrofe en peripetie) die gewoonlijk samenvallen met de vaste opeenvolging van vijf bedrijven. De peripetie vormt in het drama de beslissende wending ten goede of ten kwade, veelal ten gevolge van een bodeverhaal, een ontmoeting of een herkenning (agnitio) die de protagonist tot inzicht brengen. De peripetie wordt gevolgd door de catharsis en is de inleiding tot de uiteindelijke ontknoping en de afwikkeling van het drama.

In Vondels Gijsbreght van Aemstel (1637) zorgt de aartsengel Rafaël in het vijfde bedrijf voor een beslissende wending. Gijsbreght buigt voor deze gezant van God en legt tenslotte het harnas af om met Badeloch te vertrekken (vss. 1823-1877).

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; B. Verhagen. Dramaturgie (19632). [G.J. van Bork]

 

perkament

Verzamelnaam voor tot schrijfmateriaal verwerkte huid van kalveren (vellum) of van schapen of geiten (pergamenum). In het Middelnederlandse taalgebied worden de benamingen perkament, vellum of velijn en francijn door elkaar gebruikt.

Perkament ontstaat door de dierenhuid een aantal dagen te logen in kalk; er worden geen looistoffen gebruikt. Daarna spant men de huid op een raam en krabt men de haren en onregelmatigheden zoveel mogelijk weg. In deze opgespannen toestand laat men de huid vervolgens drogen. Voordat het aldus ontstane perkament beschreven kan worden, schraapt men het oppervlak nog eens af en maakt men het glad met puimsteen en krijt (pomsen).

Deze behandeling maakt niet dat perkament een volmaakt schrijfmateriaal is: gebreken in de huid blijven altijd zichtbaar. Omdat perkament een vrij kostbaar materiaal was, zorgde men er niet altijd voor dat scheurtjes, gaatjes (ontstaan door littekens van steken) en de dikkere stukken aan de rand van de huid buiten het te beschrijven blad bleven. Scheurtjes werden vaak dichtgenaaid: als de draad er niet meer is, zijn de gaatjes waardoor deze geregen was er nog. Om gaatjes schreef men meestal heen. Ook plakte men scheuren en gaatjes wel dicht met een strookje.

Het uiterlijk van perkament verschilt naar periode en streek en is bovendien afhankelijk van de wijze waarop het geprepareerd is. In de 13e eeuw werd het bereidingsprocédé verbeterd, waardoor het lukte om het perkament veel dunner en witter dan vroeger te maken.

De kwaliteit van het perkament bepaalde voor een belangrijk deel de kwaliteit van het te maken boek. Een goed blad moest aan de volgende eisen voldoen: het moest soepel, licht van kleur en vrij van scheuren, gaatjes en andere onregelmatigheden zijn.

De toestand van perkament kan door de inwerking van licht, temperatuur en vochtigheid verslechteren: het perkament kan vlekken krijgen, verkleuren en krimpen.

Bij tot perkament bewerkte huid blijven de haarzijde en de vleeszijde altijd zichtbaar. Het verschil tussen haar- en vleeszijde is een middel om inzicht te verkrijgen in de wijze waarop een codex is opgezet. In de 19e eeuw heeft Gregory ontdekt dat in een opening (dit zijn de twee bladzijden die men ziet als men een boek openslaat) vrijwel altijd twee haarzijden of twee vleeszijden naast elkaar liggen. Dit is altijd zo als het katern is ontstaan door een vel perkament een aantal malen te vouwen en vervolgens de bladen los te snijden.

Vanaf ca. 1400 wordt perkament als schrijfmateriaal verdrongen door papier. Het wordt dan alleen nog gebruikt voor luxueuze boeken en voor boeken die heel veel worden gebruikt.

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter (19584), p. 113-39; R. Reed. The nature and making of parchment (1975); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 17; P. Rück. Pergament. Geschichte, Struktur, Restaurierung, Herstellung (1991). [H. Struik]

 

peroratio zie conclusio

 

perseveratie zie analogie-2

 

persiflage

Spottende nabootsing van een bestaande, meestal bekende en gewaardeerde, tekst, of van een bepaald teksttype of genre. In het eerste geval is de persiflage een parodie; in het tweede geval hebben we te maken met een burleske of pastiche. Een persiflage is vaak een aanwijzing voor het feit dat een bepaalde literatuuropvatting of stroming achterhaald is. Een voorbeeld van een persiflage is Dieuwertje Diekema (1943, illegaal) van Kees Stip, waarin J.W.F. Werumeus Bunings Maria Lécina (1932) wordt gepersifleerd.

LIT: Best; Buddingh'; Dupriez-2; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

persona poëtica zie impliciete auteur

 

personage of karakter

Persoon die een rol speelt in een literair werk en daarin door de dialoog, de actie of de beschrijving wordt gekarakteriseerd of getypeerd. Soms zijn de ‘personages’ dieren of zaken, die dan echter menselijke eigenschappen krijgen. Om die reden wordt door M. Bal bij voorkeur over acteur of actant gesproken, terwijl Drop de voorkeur geeft aan de term ‘figuren’.

In E.M. Forsters Aspects of the novel (1927) wordt voor het eerst onderscheid gemaakt tussen een flat character en een round character, waarmee een aanduiding wordt gegeven van wat tot dan toe gewoonlijk werd aangeduid met de tegenstelling type en karakter. De personages zijn in feite de middelen die door hun handelingen en uitspraken de plot bewerkstelligen. Het aantal personages dat in een literair werk voorkomt, kan sterk uiteenlopen, maar men maakt onderscheid tussen hoofdfiguren, die minder talrijk zijn, en bij- of nevenfiguren. De karaktertekening van de hoofdfiguren is gewoonlijk uitvoeriger dan die van de bijfiguren. In het drama worden de dramatis personae vaak aangeduid met de termen protagonist, antagonist (deuteragonist) en tritagonist.

LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Baldick; Bergh; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; MEW; Prince; Scott; W.J. Harvey. Character and the novel (19662); K.D. Beekman en J. Fontijn. ‘Romanfiguren’, in: Spektator (1971-72) 7/8, p. 406-414; M. Bal (red.). Mensen van papier (1979); A. van Assche (red.). Karakters en personages in de literatuur (1989). [G.J. van Bork]

 

personale vertelwijze

Vertelvorm waarin het perspectief ligt bij één of meer personages van de tekst over wie in de derde persoon wordt verteld. Bij de personale vertelvorm lijkt de verteller volledig afwezig te zijn. De gebeurtenissen worden gezien vanuit het gezichtspunt van één (of meer) personage(s). Wanneer een roman consequent geschreven is vanuit de visie van één personage spreekt men wel van de ‘verhulde ik-vorm’, omdat in dat geval ik-vertelwijze en personale vertelwijze zeer dicht bij elkaar komen te liggen. De auctoriale vertelwijze en de personale zijn elkaars uitersten. Toch is het zelden zo dat een tekst uitsluitend personaal verteld wordt. Vrijwel steeds zullen ingrepen van de verteller herkenbaar zijn, bijv. in samenvatting van gebeurtenissen, typering van personages, verdichting van tijd e.d. Maar in een overwegend personale roman zal wel het rechtstreeks toespreken van de lezer ontbreken.

Evenals aan de ik-vertelwijze is aan de personale vertelvorm inherent dat er sprake kan zijn van een onbetrouwbaar perspectief. De lezer volgt immers het standpunt van vaak slechts één personage en is volledig van diens visie afhankelijk. Die combinatie van onbetrouwbaar perspectief en personale vertelwijze vormt onderdeel van de plot van bijv. De donkere kamer van Damocles (1958) van W.F. Hermans. Een ander voorbeeld van een personale roman is Oek de Jongs Opwaaiende zomerjurken (1979).

LIT: Anbeek/Fontijn; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; Prince; N. Friedman. ‘Point of view in fiction’, in: PMLA 70(1955), p. 1160-1184; F.K. Stanzel. Typische Formen des Romans (19673); F. van Rossum-Guyon. ‘Point de vue ou perspective narrative’, in: Poétique 1(1970), p. 476-497; A.G.H. Anbeek v.d. Meijden. De schrijver tussen de coulissen (1978). [G.J. van Bork]

 

personificatie of persoonsverbeelding

Vorm van beeldspraak waarbij zaken menselijk worden voorgesteld. Aangezien dit altijd gebeurt op grond van overeenkomst is de personificatie een vorm van metaforisch taalgebruik (metafoor). Zo schrijft Jotie T'Hooft over de winter ‘met vingers die mij vouwen’, waarmee de winter wordt gepersonifieerd (J. T'Hooft. Junkieverdriet, 1976, p. 47).

Een goed voorbeeld van personificatie is te vinden in het gedicht ‘Holland’ van M. Nijhoff:

 
Het avondlicht zinkt door de vensters binnen.
 
De bruine meubels denken aan elkaar,
 
Een stervend woord wil overal beginnen -
 
(VG, 19632, p. 27).

Ook het Spreeckende Houte Gebouw Op den Burgh in 't Bosch van Hofwyck in het voorwerk van Huygens' Hofwyck is een duidelijk geval van personificatie.

De personificatie is tegengesteld aan de materialisatie, waarbij mensen als dingen worden voorgesteld. Zo is in het gegeven citaat van T'Hooft de ik-figuur (‘mij’) gematerialiseerd doordat deze wordt voorgesteld als iets (bijv. een stuk papier) dat gevouwen kan worden.

Verwant aan de personificatie is de animalisatie (door sommigen eveneens personificatie genoemd), waarbij het gaat om dieren of levende wezens in het algemeen. Dezelfde T'Hooft schrijft over het woord ‘Dat muis is knagend’ enz. (a.w., p. 45).

Men vindt de personificatie in de pathetic fallacy en in menige invocatio. Ook in genres als de allegorie en het spel van zinne treedt personificatie op.

LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

persoonsbibliografie

Bibliografie waarin alle publicaties van (subjectieve bibliografie) en/of over (objectieve bibliografie) een bepaald persoon worden beschreven. Is de persoon een auteur, dan spreekt men ook wel van auteursbibliografie. Een voorbeeld van een subjectieve persoonsbibliografie is G.Az. Brederoo. Eene bibliographie (1884) van J.H.W. Ungeren van een objectieve persoonsbibliografie Objectieve persoonsbibliografie van G.A. Bredero 1618-1969 (1986) door E.K. Grootes, P.C. Punten P.J. Verkruijsse.

LIT: BDI; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 59. [P.J. Verkruijsse]

 

persoonsverbeelding zie personificatie

 

perspectief, point of view of vertelwijze

Term uit de romananalyse voor het punt van waarneming van waaruit een tekst of tekstgedeelte blijkt te worden verteld. Dit punt van waarneming is essentieel voor de wijze waarop de lezer van de tekst kan worden geïnformeerd over de gebeurtenissen of personages die erin worden gepresenteerd. Het perspectief bepaalt in feite de visie op die gebeurtenissen of personages en manipuleert op die wijze de lezer. Omdat de termen ‘point of view’ en ‘perspectief’ vaak zowel deze visie als de verteller zelf aanduiden, geeft Bal de voorkeur aan de van Genette afkomstige term focalisatie voor de relatie tussen de gepresenteerde elementen en de visie van waaruit deze worden gepresenteerd. De wijze van presentatie van de tekst wordt algemeen gezien als een element van de structuur van het literaire werk en men spreekt bij de romananalyse dan ook van structuuraspecten bij de vaststelling van het perspectief.

Men kan onderscheid maken tussen het fysisch perspectief en het psychisch perspectief. Het fysisch perspectief bepaalt de kijk van de lezer op de materiële en ruimtelijke voorstelling van de tekst, d.w.z. op dat wat concreet kan worden waargenomen. Het psychisch perspectief bepaalt de wijze waarop de lezer de personages van een verhaal ziet in psychische zin; het geeft de lezer een blik op het karakter, de drijfveren e.d. van de personages. Het psychisch perspectief kan weer onderverdeeld worden in het ‘perspectief van binnenuit’ en het ‘perspectief van buitenaf’. In het eerste geval presenteert een personage zichzelf met zijn gedachten, gevoelens, etc. In het tweede geval wordt het personage gepresenteerd door één of meer andere personages die zijn gedachten en gevoelens niet echt kennen en dus hun toevlucht moeten nemen in uiterlijke beschrijvingen als ‘hij kreeg een kleur’ of ‘hij werd driftig’, waaruit de lezer toch een indruk krijgt van de gevoelens van dat personage.

Drop vermeldt voorts nog een ‘perspectief op de totale handeling’, waarmee hij een dominerend perspectief bedoelt dat de lezer in staat stelt het gehele verhaal te structureren, bijv. door middel van een personage dat als centraal blikpunt fungeert en zo de samenhang van verschillende perspectieven of de dominantie van een bepaalde problematiek bewerkstelligt.

Uitgaande van de belangrijkste verteller(s) spreekt men in het point of view-onderzoek van verschillende verteltypen: de auctoriale vertelwijze, de personale vertelwijze, de ik-vertelwijze en het meervoudig perspectief. In het bijzonder de personale vertelwijze en de vertelvorm met een ik-verteller kunnen een onbetrouwbaar perspectief opleveren, omdat de lezer volledig afhankelijk kan zijn van de visie van één van de personages en het niet altijd duidelijk is of de waarheid gesproken wordt of dat er sprake is van dromen, hallucinaties, wensvoorstellingen, leugens e.d. Het onbetrouwbaar perspectief is een belangrijk middel tot ironie.

Vrij uitzonderlijk is het perspectief vanuit een tweede persoon enkelvoud. Een van de weinige voorbeelden hiervan vormt H. Teirlincks Zelfportret of Het galgemaal (1955), waarin overigens naast een gij-standpunt ook een hij-standpunt voorkomt.

LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Bal; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Scott; Shipley; N. Friedman. ‘Point of view in fiction’, in: PMLA 70(1955), p. 1160-1184; W.C. Booth. The rhetoric of fiction (1961); F.K. Stanzel. Typisch Formen des Romans (19673); E. Lämmert. Bauformen des Erzählens (19683); H. van Gorp. Het optreden van de verteller in de roman (1970); F. van Rossum-Guyon. ‘Point de vue ou perspective narrative’, in: Poetique 1(1970), p. 476-497; T. Anbeek. ‘De romantypologie van Franz Stanzel’, in: FdL 11(1970), p. 170-181. [G.J. van Bork]

 

perspicuitas

Term uit de retorica voor één van de vier stijldeugden binnen de elocutio, nl. de helderheid en begrijpelijkheid, het vermijden van ambiguïteit en duister taalgebruik.

LIT: Gorp; Lausberg; J. Jansen, ‘“Helderheid” (perspicuitas) in enige renaissancistische drama-voorredes’, in: Spektator 24 (1995), p. 202-215. [P.J. Verkruijsse]

 

persuasio

Term uit de retorica voor het overreden, het aanzetten tot handelen, van het publiek door de redenaar, waarna eventueel bij het publiek begrip gecreëerd kan worden, het publiek van iets overtuigd kan worden. Het persuasieve doel kan bereikt worden door docere, delectare en movere.

LIT: Gorp; Lausberg; Shipley; F.H. van Eemeren, R. Grootendorst & T. Kruiger. Argumentatietheorie (19812), p. 252-253. [W. Kuiper]

 

persvariant zie correctie op de pers

 

persvrijheid

Vrijheid van drukpers. Het grondrecht om zonder voorafgaande toestemming (preventieve censuur) of censurerende maatregelen achteraf (repressieve censuur) het geschreven of gedrukte woord in de openbaarheid te brengen. Dit grondrecht werd in België in 1831 en inNederland in 1848 wettelijk vastgelegd. Daarvoor werden verschillende maatregelen gebruikt om de persvrijheid te beperken. De overheid kon bijv. bepalen dat uitgaven aan een bepaald privilege onderworpen dienden te zijn, het zgn. toelatingsoctrooi. De kerkelijke of wereldlijke overheden onderwierpen uitgaven aan een approbatur, een goedkeuring vooraf, vóór tot drukken kon worden overgegaan (evulgetur, imprimatur, nihil obstat). Bovendien kon censuur achteraf blijken uit het op de Index plaatsen van boeken die men niet verspreid wenste te zien. In de 19e eeuw werkte het dagbladzegel nog als een vorm van persbreideling (in België afgeschaft in 1848, in Nederland in 1869). In oorlogstijden is steeds opnieuw sprake geweest van beperking van de persvrijheden, bijv. tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter d.m.v. de Kultuurkamer en de papierdistributie. In feite heeft de persvrijheid niet alleen betrekking op het geschreven of gedrukte woord, maar ook op andere media (radio, tv, film etc.).

LIT: BDI; Brongers; MEW; H.A. Enno van Gelder. Vrijheid en onvrijheid in de republiek. Geschiedenis der vrijheid van drukpers en godsdienst van 1572 tot 1798. I: van 1572 tot 1619 (1947); M.C. Burkens. Beperkingen van grondrechten (1971); H.A. Enno van Gelder. Getemperde vrijheid (1972). [G.J. van Bork]

 

Perzisch kwatrijn of oosters kwatrijn

Term uit de genreleer voor een type kwatrijn dat in de Nederlandse letterkunde beoefend is naar het voorbeeld van Perzische kwatrijnen, speciaal die welke zijn toegeschreven aan de (wellicht legendarische) figuur van Omar Khayyam (11e eeuw). Bekende Nederlandse bewerkers respectievelijk vertalers zijn Boutens, Leopold en J.I. de Haan.

Het Perzisch kwatrijn geeft een levenswijsheid, zoals het gedicht ‘Dwaasheid’ van De Haan:

 
Hij zegt: ‘Omar Khayyam heeft niet geschreven,
 
Alle kwatrijnen, die op zijn naam staan’
 
Geleerde Dwaas: heeft het Lied minder leven,
 
Omdat de Naam des Dichters is vergaan?
 
(J.I. de Haan. Kwatrijnen, 1924, p. 174).

In het algemeen is de inhoudelijke opbouw van het gedicht zo, dat de twee eerste verzen de grondgedachte van het gedicht weergeven, het derde vers er een wending aan geeft, en het laatste een oplossing geeft. Hiermee corresponderend treft men vaak het rijmschema aaba erin aan, dat als gesloten vorm de inhoud ondersteunt. Nijhoff zei hierover:

De eerste twee regels, bij Khayyam, rijmen op elkaar, om terstond het thema in zo kort mogelijk bestek aan te geven, de derde regel houdt in zijn rijmloosheid de uitzwaai der gedachte nog even onbeslist, verhardt daarmee de kern van het eerste paar, maar verlengt tevens als aanloop de kracht van de vierde regel, die, het rijm verder opnemend, het kwatrijn tot een om zichzelf ster-snel wentelend, licht-spattend en kristal-hard geheel maakt
(M. Nijhoff, VW, dl. 2, 1982, p. 190).

Bijvoorbeeld:

 
Wij gaan en komen en de winst is waar?
 
en weven draden en het kleed is waar?
 
In ‘s hemels welving zijn tot stof verbrand
 
vele weldenkenden; hun rook is waar?
 
( J.H. Leopold. Kwatrijnen van Omar Khayyam, 1981, p. 27).

LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; J.D.Ph. Warners. Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds de Renaissance (1947). [G.J. Vis]

 

petrarkisme

Onder petrarkisme wordt verstaan de navolging van de liefdespoëzie van Petrarca (1304-1374) vanaf de 14e eeuw, via de diverse maniëristische stromingen van de renaissance tot in de barok.

Het kenmerk van Petrarca's poëzie, meest liefdessonnetten, is de aanbidding van een geïdealiseerde maar onbereikbare vrouw. De liefde veroorzaakt dientengevolge zowel geluk als smart: de minnaar is een gespleten persoon met zelfmoordneigingen, hetgeen tot uiting komt in paradoxale beeldspraak: hij is vuur, zij is ijs; hij is vrij én gevangen. De lichamelijke schoonheid wordt standaard beschreven in het zgn. petrarkistisch vrouwenportret: blond haar, ogen als sterren, tanden als parels enz.

De petrarkistische kenmerken stammen voor een deel uit de troubadourslyriek. Door toedoen van Pietro Bembo (begin 16e eeuw) wordt het petrarkisme steeds rigider, strakker en maniëristischer. Dit leidt zelfs tot anti-petrarkisme, waarvan ‘Aen Mejuffr. N.N.’ van W.G. van Focquenbroch een goed voorbeeld is:

 
O schoone! siet ghy niet dat ick geheel op 't lest loop?
 
Sint ghy myn vryheyt hebt door uw gesicht ontrooft,
 
't Geen u met heldre glans soo glinstert in het hooft
 
Gelyck een doove-kool in een bescheete mest-hoop?
 
Ick stae gelyck vervoert, wanneer u aessems geur,
 
Die door twee lipjes vloeyt, die alle daegh vervellen,
 
My alsoo aengenaem de geesten komt ontstellen,
 
Als een benaude lucht, uyt Goossens achterdeur.
 
(...)
 
( G. Komrij. De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in duizend en enige gedichten (1986), p. 576.)

Belangrijke petrarkistische dichters zijn Guarini in Italië, Montemayor in Spanje, de Pléiade-dichters inFrankrijk en De Harduwijn en Hooft inNederland.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; C. Ypes. Petrarca in de Nederlandse letterkunde (1934); L. Forster. The icy fire; five studies in European Petrarchism (1969). [P.J. Verkruijsse]

 

petrarkistisch sonnet zie Italiaans sonnet

 

petrarkistisch vrouwenportret

Literair-conventionele beschrijving van de geliefde c.q. de vrouw in de petrarkistische poëzie (petrarkisme). Het portret is geënt op dat van Laura zoals bezongen door Petrarcain de sonnetten van zijn Canzoniere. Ook in de Nederlandse literatuur komt men (elementen van) deze standaardbeschrijving tegen, o.a. bij Van der Noot en Hooft, maar ook de sonnettenkrans van Perk voor Mathilde is er duidelijk op geïnspireerd. Een zuiver voorbeeld is het volgende sonnet uit Justus de Harduwijns De weerliicke liefden tot Roose-mond (1613; ed. Dambre, 19782, p. 85):

 

 
Uw' ooghen, Roose-Mond, doen my vlammigh ontsteken
 
U blond-vergulden hair verwerrent mijn ghemoedt
 
U schoon-besneden hant vercruypen doet mijn bloedt
 
En u soet-wijse spraeck doet mijn sinnen door-leken.
 
 
 
Uw' ooghen sijn by t'licht der sterren wel gheleken
 
U blond-vergulden hair de Sonn' benijden moet
 
Uw' handt aen t'wit yvoor en t'marmer schande doet
 
En u soet-wijse spraeck can stael en yser breken.
 
 
 
Uw' ooghen zijn mijn vier u hair is mijnen bandt
 
Mijn leven en mijn doot staen t'saemen in u handt
 
En u soet-wijse spraeck is my een herte-braecke.
 
 
 
Siet hoe ick ben bestelt die noynt rust en beseef:
 
Sedert dat Cupido in mijn ionck herte schreef
 
Uw' ooghen u blond hair u handt u soete spraecke.

LIT: O. Dambre. ‘Inleiding’, in: Justus de Harduwijn. De weerliicke liefden tot Roose-mond (19782), p. 9-60. [P.J. Verkruijsse]

 

petroglief

Term uit de schriftgeschiedenis voor een primitieve tekening (pictogram), gekerfd in een rots. Een tekening op een rots heet petrogram.

LIT: W.-G. Hellinga. Pétroglyphes caraïbes: problème sémiologique (1954); I.J. Gelb. A study of writing (19632). [P.J. Verkruijsse]

 

petrogram

Term uit de schriftgeschiedenis voor een primitieve tekening (pictogram) op een rots. Een inkerving in een rots heet petroglief.

LIT: I.J. Gelb. A study in writing (19632). [P.J. Verkruijsse]

 

pi-verhaal

Verhaal over het getal π, zodanig geschreven dat het aantal letters van ieder woord achter elkaar gezet de cijfers van π vormen: 3,141592653589793238462... Het verhaal zelf dient ook de voorschriften te vermelden waaraan de auteur zich gehouden heeft (bijv. een leesteken = 0).

Pi-verhalen, die gebruik maken van de eerste 402 cijfers van het pi-getal zijn ontstaan naar aanleiding van een prijsvraag van NRC/Handelsblad, bijv.:

Wel, 't werd 'n fikse puzzelarij om evenzo fraai als Keith, cijferbrij formerend talrijke decimalen van pi, tot leesbaar stel zinnen te vormen, iets dat het geheugen een zo welkome ezelsbrug biedt. ( T. Nijzink)

LIT: J. van de Craats. ‘Cirkelcijfers’, in: NRC/Handelsblad 2 oktober 1986; J. van de Craats en R. Biersma. ‘De uitslag van de pi-prijsvraag’, in: NRC/Handelsblad 18 december 1986. [P.J. Verkruijsse]

 

Pica

Het Project geIntegreerde Catalogus Automatisering (PICA) is een in 1969 ingesteld samenwerkingsverband tussen de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag en de universiteitsbibliotheken met als doel onderzoek te doen naar toepassingsmogelijkheden van geautomatiseerde catalogussystemen en andere bibliotheekprocedures.

Inmiddels is PICA onder de naam Pica Centrum voor Bibliotheekautomatisering uitgegroeid tot een organisatie die diensten verleent op het gebied van centrale catalogisering, in bibliothecair leenverkeer en informatieverzorging. Pica-systemen zijn overgenomen in het grootste deel van de Duitse bibliotheken en er zijn samenwerkingsverbanden met het Engelse ALS (Automated Library Systems Ltd.) dat zich voornamelijk op openbare bibliotheken concentreert en de Amerikaanse Research Libraries Group.

Het Online Retrieval System (ORS) biedt toegang tot een groot aantal databases, zoals Online Contents met ontsluiting van artikelen uit duizenden tijdschriften; de Nederlandse Centrale Catalogus (NCC; catalogus-1) die ruim 400 bibliotheken bestrijkt met zo'n tien miljoen boeken en 350.000 tijdschriften; AdamNet met de regionale catalogus van een aantal Amsterdamse bibliotheken; GLIN met titels van grijze literatuur; de BNTL; de STCN; de CEN als centrale catalogus van brieven (brief); de short-title-catalogus van incunabelen van de British Library (Istc); de bibliografie over de West-Europese geschiedenis HinT (Historie in Titels); WebCAT, een catalogus die toegang geeft tot WebDOC met de volledige tekst van tijdschriftartikelen.

Pica is bereikbaar op het Web via: http://www.pica.nl.

Mededelingen over nieuwe ontwikkelingen verschijnen vanaf 1977 in het tijdschrift Pica-mededelingen.

LIT: Brongers. [P.J. Verkruijsse]

 

picareske roman of schelmenroman

Doorgaans humoristische avonturenroman in de ik-vorm waarin de pícaro, de schelm, als antiheld zijn pseudo-autobiografie vertelt. Kenmerkend voor de schelmenroman is de schelm als sociale verschoppeling, die zich zonder veel maatschappijkritiek met list en bedrog, profiterend van de zwakheden van anderen, vaak ten koste van zijn meester, staande probeert te houden. Opvallend is de afwezigheid van liefdesavonturen.

Reeds in de klassieke literatuur (1e-2e eeuw n.Ch.) is het picareske thema aanwezig: Petronius' Satyricon en Apuleius' Gouden ezel. Wat betreft de Middeleeuwen kan gewezen worden op de verhalen rondom Tijl Uilenspiegel en de vagantenliteratuur.

De bloei van de ‘novella picaresca’ in het begin van de 17e eeuw in Spanje is echter het gevolg van het verschijnen van Lazarillo de Tormes (1554) waarop o.a. Alemáns Dela vida del Pícaro Guzmán de Alfarache (1599-1604) zich geïnspireerd heeft, evenals Quevedo's Historia de la vida del Buscón (1626), vertaald in het Nederlands door Salomon van Rusting in 1642. Vanuit Spanje verspreidde het genre zich over de West-Europese literatuur van de 17e en 18e eeuw waarbij enige variaties optraden, zoals het verdwijnen van de meester-knecht-verhouding, psychologische uitdieping van de schelm, toevoeging van moralisering of afzwakking tot een puur avonturenverhaal. Bekende picareske romans zijn Gil Blas (1715-1735) van Lesage en Moll Flanders (1722) van Defoe.

In Nederland is Den vermakelyken avanturier (1695) van Nicolaes Heinsius jr. een mooi voorbeeld van een schelmenroman die een tiental herdrukken beleefde tot het midden van de 18e eeuw. Minder bekend zijn de anonieme Het kind van weelde of de Haagsche lichtmis (1697) en De wandelende en spreeckende Dukaat (1682).

Na het verschijnen van The adventures of Huckleberry Finn (1884) van Mark Twain volgt een opleving van het genre, dat dan als neopicareske roman aangeduid kan worden, waarin het conflict tussen schelm en gemeenschap meer geestelijk dan materieel is. Voorbeelden hiervan zijn Herman Teirlincks De nieuwe Uilenspiegel (1920), Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull (1954) van Thomas Mann, Die Blechtrommel van Günter Grass en Jan Cremers Ik, Jan Cremer (1964; dl. 2 1966).

LIT: Baldick; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; H. van Gorp. Inleiding tot de picareske verhaalkunst (1978). [P.J. Verkruijsse]

 

pictogram of beeldschrift

Term uit de schriftgeschiedenis voor een primitieve tekening die dienst doet als taalteken. De pictografie wordt beschouwd als het voorstadium voor het schrift dat gebruik maakt van logogram en syllabogram, vaak in de vorm van een petroglief of petrogram.

In de moderne tijd hebben pictogrammen hun herintrede gedaan in situaties waarin internationaal verkeer om voor ieder direct herkenbare tekens vraagt: verkeersborden, bewegwijzering op vliegvelden, in stations en gebouwen.

LIT: BDI; Dupriez-1; I.J. Gelb. A study of writing (19632). [P.J. Verkruijsse]

 

pictura

Het tweede onderdeel van een emblema (emblematiek): de prent. Samen met het motto (motto-2) en het onderschrift (subscriptio) vormt het de drie-eenheid van het embleem. De pictura illustreert het thema, nu eens via zinnebeeldige figuren uit de iconologie (zeer vaak komt bijv. Cupido voor in de liefdesemblemata) of via hiërogliefen, dan weer - veel geraffineerder - via achtergrondwerking waardoor de prent een dubbele werking krijgt. Op een pictura bij het motto ‘Altijt ghequelt’ van Otto Vaenius bijv. staat op de voorgrond een door de liefdespijl van Cupido gekwelde man, terwijl op de achtergrond de zee voortdurend een rots beukt.

Op veel picturae komen menselijke figuren voor die nadrukkelijk op allerlei op de prent voorkomende emblematische attributen wijzen.

Bekende etsers en graveurs van prenten in emblematabundels zijn J.H. Wierix, Jac. de Gheyn, Claes Jansz. Visscher, Adriaen van de Venne (die vooral werk van Cats geïllustreerd heeft), Boëtius a Bolswert, Gerard de Jode, Marcus Gheeraerts, Otto Vaenius en Crispijn van de Passe. Jan Luyken heeft zijn talrijke bundels emblemata voorzien van eigen prenten.

LIT: Gorp; K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse emblemataliteratuur (1977), p. 50-54; Wort und Bild; Buchkunst und Druckgraphik in den Niederlanden im 16. und 17. Jahrhundert (1981); Nederlandse emblemata; bloemlezing uit de Noord- en Zuidnederlandse emblemata-literatuur van de 16de en 17de eeuw, ed. P.J. Meertens/Hilary Sayles (1983); Wort und Bild in der niederländischen Kunst und Literatur des 16. und 17. Jahrhunderts, ed. H. Vekeman en J. Müller Hofstede (1984); Roelof van Straten. Een inleiding in de iconografie (1985); H. Luijten. ‘Gezien of gelezen? Realia en ontleningen in Jacob Cats' Sinne- en minnebeelden’, in: L. Jansen, H. Luijten en J. de Man. Drie edities, drie verhalen. Lezingen gehouden tijdens het symposium Teksteditie op 2 december 1994 (1995), p. 35-77; H. Luijten & M. Blankman. Minne- en zinnebeelden; een bloemlezing uit de Nederlandse emblematiek (1996). [P.J. Verkruijsse]

 

piëtistische literatuur

Literatuur geproduceerd door aanhangers van het piëtisme, de stroming binnen het gereformeerde protestantisme, die - zich tegen algemeen verbreide wantoestanden en misvattingen kerend - met profetische bezieling zowel aandrong op de innerlijke beleving van de gereformeerde leer en de persoonlijke levensheiliging, alsook ijverde voor de radicale heiliging van alle levensgebieden. Het piëtisme ontstond in de tweede helft van de 16e eeuw in Engeland en kent bloeiperiodes in het 17e-eeuwse Engeland, Schotland en Nederland, waar de stroming van de Nadere Reformatie er grotendeels deel van uitmaakt, en het 17e- en 18e-eeuwse Duitsland en de Verenigde Staten.

Vroege uitingen van piëtisme kan men aantreffen in werk van o.a. Petrus Datheenen Philips van Marnix van St. Aldegonde. Vanaf 1598 volgt een serie vertalingen van Engelse piëtistische werken (het Engelse piëtisme wordt gewoonlijk aangeduid als puritanisme) van o.a. William Cowper, John Hayward, John Napier en William Perkins door o.a. J. Lamotius, V. Meusevoet en W. Teellinck. Van groot belang is ook John Bunyans The pilgrim's progress (1678), dat onder de titel Eens Christens reyse na de eeuwigheyt (1682) herhaaldelijk vertaald en herdrukt is, vooral bij de Amsterdamse boekverkoper/uitgever Johannes Boekholt die een belangrijk piëtistisch fonds had. Ook de in Amsterdam gevestigde Engelse boekverkopers Joseph Bruyning en Steven Swart hadden piëtistische titels in hun fonds.

Vanaf 1608 komen de originele Nederlandse geschriften van de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, de groepering van Nederlandse piëtisten binnen de Nederduitse Gereformeerde Kerk. De belangrijkste auteurs zijn allen Zeeuwen: Willem en Eeuwout Teellinck met Noodwendigh vertoogh (1627), Noord-sterre (1621), respectievelijk Christelicke clachte (1618), Mizpa (1620), Boheemsch geluyt (1620), G. Udemans met o.a. Corte verclaringe over het Hooge-liedt (1616) en J. de Swaef. Zij hebben ook invloed gehad op het werk van o.a. Johan de Brune de Oude, Jacob Cats, Jodocus van Lodenstein, Willem Sluiter en Jan Luyken, van wie de laatste ook duidelijk Duitse piëtistische invloeden heeft ondergaan. De centrale figuur van de Nadere Reformatie in overig Nederland werd de theoloog Voetius aan de Utrechtse universiteit. Na 1666 wordt het piëtisme gestempeld door Jean de Labadie. Piëtistische geschriften omvatten voornamelijk stichtelijke werken, bijbeluitleggingen en categetische traktaten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de voortbrengselen van de doopsgezinde literatuur die meer ‘literair’ zijn.

Het Duitse piëtisme kwam in de 17e eeuw op onder invloed van o.a. Jakob Böhmedoor toedoen van Ph.J. Spener en A.H. Francke. De Duitse beweging wordt gezien als een wegbereider van het sentimentalisme en de preromantiek. Lavater, Klopstock, Herder en Goethe hebben er invloed van ondergaan.

In Nederland is een Stichting Studie der Nadere Reformatie actief met een Documentatieblad Nadere Reformatie (sinds 1976) en andere publicaties. Vanaf 1988 verschijnt een serie Gedolven Schatten uit het werk van oude schrijvers uit de Nadere Reformatie, waarin bloemlezingen uit werk van Joos van Laren, Franciscus Ridderus en Jacobus Fruytier.

LIT: Bantel; Best; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; J. Trimp. Jodocus van Lodenstein als piëtistisch dichter (1952); C. Blokland. Willem Sluiter 1627-1673 (1965); P.L. Eggermont. ‘Bibliografie van het Nederlandse piëtisme in de 17e en 18e eeuw’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, nr. 3 (1969), p. 67-81; K. Meeuwesse. Jan Luyken als dichter van de Duytse Lier (19772); T. Brienen, K. Exalto, J. van Genderen e.a. De Nadere Reformatie; beschrijving van haar voornaamste vertegenwoordigers (1986); W.J. op 't Hof. Engelse piëtistische geschriften in het Nederlands, 1598-1622 (1987); J.B.H. Alblas. Johannes Boekholt (1656-1693), the first Dutch publisher of John Bunyan and other English authors (1987); P.G. Hoftijzer. Engelse boekverkopers bij de Beurs (1987); L. Strengholt. ‘Tekenen van de Nadere Reformatie in de poëzie van Revius, Cats en Huygens’, in: Documentatieblad Nadere Reformatie 11 (1987), p. 109-125; A. Ros. ‘De poëzie van de Nadere Reformatie - een verkenning’, in: Documentatieblad Nadere Reformatie 12 (1988), p. 1-28; W.J. op 't Hof, C.A. de Niet en H. Uil. Eeuwout Teellinck in handschriften (1989); T. Brienen, K. Exalto, J. van Genderen e.a. De Nadere Reformatie en het Gereformeerd Piëtisme (1989); W.J. op 't Hof. ‘De godsdienstige ligging van De Brune’, in: Johan de Brune de Oude (1588-1658), een Zeeuws literator en staatsman uit de zeventiende eeuw (1990). [P.J. Verkruijsse]

 

Pindarische ode

Aanduiding voor een ode geïnspireerd op het type zoals geschreven door Pindarus (520-445 v. Chr.), dat meestal een lofdicht is op zijn vorstelijke beschermers of op overwinnaars bij de olympische spelen. De zgn. triadische vorm van de Pindarische ode houdt in, dat het gedicht bestaat uit een veelvoud van een driedeling: strofe (zang) - antistrofe (tegenzang) - epode (toezang). De eerste en de tweede strofe hebben dezelfde vorm, de epode wijkt daarvan af. Een van de eerste Nederlandse dichters die zich hierop inspireerden, was Lucas de Heere. Hij schreef o.a. ‘Aan de vrouwen van Brabant’ (1565), de triade verdelend in een ‘keer’, ‘tegenkeer’ en ‘toesanck’. Bekend is de Pindarische ode ‘Triumph-liedt’ op de inneming van Den Bosch van J. Revius (1630). De Tachtiger H.J. Boeken vertaalde enkele zegezangen in proza (De Nieuwe Gids 9, 1894, p. 266-8, 412-7).

In tegenstelling tot de Horatiaanse ode heeft de Pindarische ode geen strofische opbouw. Tevens wordt het genre gekenmerkt door grotere felheid van gevoelens en gedurfder beeldspraak.

LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

piqûre zie prik

 

pittoresk

Term uit de geschiedenis van de literaire kritiek voor een begrip dat aan het eind van de 18e eeuw bij sommigen synoniem is met ‘romantique’ (romantiek). De term is ontleend aan de schilderkunst en heeft betrekking op een landschap dat niet alleen boeiend is voor het oog maar dat bovendien de verbeelding in werking zet. Het subjectieve van de term maakte dit woord bijzonder geschikt om de nieuwe soort literatuur te typeren die omstreeks 1800 actueel is en waarin suggestie en verlangen naar het andere en hogere zo'n grote rol spelen. Omdat op een bepaald moment het woord pittoresk als beperkter wordt ervaren dan datgene waar men bij ‘romantisch’ aan denkt, krijgt laatstgenoemde term weldra de overhand.

LIT: M. Praz. Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek (1990), p. 30-31; W. van den Berg. De ontwikkeling van de term ‘romantisch’ en zijn varianten in Nederland tot 1840 (1973), p. 24-25. [G.J. Vis]

 

plagiaat of letterdieverij

Vorm van literair bedrog waarbij iemand het werk van een ander voor zijn eigen werk laat doorgaan. De grenzen tussen navolging (imitatio), epigonisme en plagiaat zijn vaak moeilijk aan te geven. Over het algemeen verstaat men onder plagiaat toch vooral het letterlijk overnemen van een tekst of tekstgedeelte (bijv. in vertaling) van een andere auteur of het overnemen van essentiële elementen uit diens werk zonder bronvermelding.

In Nederland werd Herman van den Bergh door Kees Helsloot in Maatstaf (jrg. 12, 1964-65, p. 645-659) beschuldigd van plagiaat. In 1996 deed zich een geval voor van plagiaat dat voor veel commotie zorgde. In het weekblad Vrij Nederland werd onthuld dat veel werk van de Leidse hoogleraar psychologie Diekstra op plagiaat berustte. In datzelfde jaar werd A.F.Th. van der Heijden door de journaliste Toni Boumans verdacht van plagiaat in de roman Het hof van barmhartigheid (1996), maar daarvan in een artikel van Klaus Beekman in Literatuur (jrg. 13, 1996, nr. 6, p. 337-341) vrijgepleit.

Onderzoek op het gebied van de intertekstualiteit veroorzaakte een discussie rond plagiaat, omdat veel (post)moderne auteurs werken met tekstcitaten of collagevormen, waarbij teksten van anderen vaak zonder bronvermelding worden verwerkt in een nieuwe tekst.

De auteur wordt tegen plagiaat beschermd door het auteursrecht. Een navolger of epigoon is echter niet strafbaar.

LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Fowler; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; Scott; J. Grootaers. Maskerade der muze (1954); H. Wagenvoort. Navolging en plagiaat in de literatuur (1958). [G.J. van Bork]

 

plakkaat

Archiefterm voor een voor algemene bekendmaking bestemde verordening, uitgevaardigd onder een opgedrukt zegel, eertijds een plakkert of plakkaat genoemd. Vanaf de 16e tot de 19e eeuw werd de term gereserveerd voor overheidsverordeningen. Verzamelingen van plakkaten zijn per gewest bijeengebracht in de zogenaamde plakkaatboeken. Bekend is het Plakkaat van Verlatinghe van 26 juli 1581 door de Staten-Generaal als antwoord op de apologie van Willem van Oranje waarbij Filips II van de heerschappij over zijn Nederlandse gewesten vervallen werd verklaard.

LIT: BDI; Brongers; Ned. Arch.-term.; H.W.J. Volmuller. Nijhoffs geschiedenislexicon Nederland en België (1981), p. 461. [P.J. Verkruijsse]

 

plano

Term uit de bibliografie voor een ongevouwen, meestal aan één zijde bedrukt, vel. Dit formaat, soms bibliografisch aangeduid als ‘10’, werd vaak gebruikt voor het pamflet-1.Op een plano-vel met de lange zijden verticaal lopen de kettinglijnen horizontaal; het watermerk zit in het midden op één kwart van de onder- of bovenkant.

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; M.J. Pearce. A workbook of analytical and descriptive bibliography (1970), p. 61-62, 69; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 81, 106. [P.J. Verkruijsse]

 

plaquette

Gedenkplaat, vaak in de vorm van een gevelsteen of koperen plaat, aangebracht op woon- of geboortehuizen van roemruchte personen.

In Nederland beijvert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde zich ervoor plaquettes voor letterkundigen aan te brengen. In Leiden zijn inmiddels plaquettes aangebracht ter nagedachtenis van Willem Bilderdijk (1983), Jacob Geel (1984), Johannes Kneppelhout (1985) en Albert Verwey (1987), in Amsterdam van G.A. Bredero (1985), inParijs van Conrad Busken Huet (1986), in Alkmaarvan A.L.G. Bosboom-Toussaint (1987) en in Den Haag van Carel Vosmaer (1988).

De tekst op plaquettes is meestal beknopt, bijv. ‘Hier woonde en werkte Mr. Carel Vosmaer (1826-1888)’.

LIT: ‘Herdenking Carel Vosmaer’, in: Nieuw Letterkundig Magazijn 6 (1988), p. 4-5. [W. Kuiper]

 

plastiek of aanschouwelijkheid

Aan de beeldende kunst ontleende term voor de suggestieve kracht die van een tekst uit kan gaan, d.w.z. de zintuiglijke voorstelling die men zich kan maken van het in de tekst beschrevene. In feite is de term een metafoor, omdat taal alleen langs indirecte weg de werkelijkheid kan weergeven. Men bedoelt er dan ook doorgaans evocatief, schilderachtig, levendig of iets dergelijks mee. Die zeggingskracht van de tekst wordt overigens niet alleen bepaald door het visueel voorstelbare, maar ook door de klank en het ritme.

LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Lodewick; MEW; Th. Meijer. Das Stilgesetz der Poesie (1901); J. Elema. Poëtica (1949). [G.J. van Bork]

 

platform

Term uit de dramaturgie voor het toneelplankier bij het rederijkerstoneel. Het toneel bestaat in de Nederlanden in de 16e eeuw uit een platform met daarop het speelhuis; een (meestal met gordijnen) afgesloten, kleinere ruimte. Op het platform wordt de hoofdhandeling opgevoerd.

Bij toneelwedstrijden was het lang de gewoonte dat de deelnemende kamers voor hun eigen toneelbenodigdheden zorgden: dat in 1486 voor de wedstrijden in Antwerpen de organiserende kamer twee platformen beschikbaar stelde, werd als een noviteit vermeld.

LIT: W.M.H. Hummelen. ‘Typen van toneelinrichting bij de rederijkers’, in: Studia Neerlandica 1 (1970-1971), p. 59-109; W.M.H. Hummelen. ‘Het tableau vivant, de “toog”, in de toneelspelen van de rederijkers’, in: TNTL 108 (1992), p. 193-222. [H. Struik]

 

platitude

Platte of banale zinsnede die domheid of beperktheid van de gebruiker ervan verraadt. Door het alledaagse karakter van de platitude ligt dergelijk woordgebruik dicht bij het cliché-1. Men spreekt om die reden wel van ‘dooddoener’. Literair gebruikt men de platitude wel om een personage te karakteriseren of om een ironisch effect te bewerkstelligen, zoals bijv. Gerard Reve doet wanneer hij Bullie van der K. in Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek (1967) dubbelzinnig laat zeggen: ‘Kunst is al erg genoeg.’

LIT: Best; Cuddon; Scott; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

platonisme

Onder platonisme wordt óf in strikte zin verstaan de filosofie van de Griekse wijsgeer Plato (428/427 - 348/347 v.Chr.), óf in ruimere betekenis de invloed van diens denken op latere filosofen. De kerngedachte van het platonisme is die van de twee werelden: de stoffelijke en de ideeënwereld, geadstrueerd met de vergelijking van de grot uit Plato's Politeia. De schoonheid van de stoffelijke wereld moet de ziel tot begrip van de Idee der Schoonheid brengen. Plotinus (3e eeuw n.Chr.) heeft de leer van het platonisme zodanig aangepast dat ze verenigbaar werd met het christendom. Via hem, Boëthiusen Dionysius de Areopagiet heeft het platonisme de Middeleeuwen ‘overleefd’.

De verzoening van christendom en platonisme vond plaats in de 15e eeuw in Florencedoor humanisten als Ficino en Pico della Mirandola. Dit neoplatonisme heeft met zijn schoonheidsideeën (vooral de ideeën over de geestelijke liefde, de ‘platonische liefde’) grote invloed gehad op de kunsten en dus ook op de literatuur van humanisme en renaissance, later ook op die van romantiek en symbolisme. De ideeën over de lichamelijke liefde zijn verbreid via het petrarkisme.

Hoewel Plato voor de poëzie slechts een rol weggelegd zag in het kader van propagandadoeleinden ten behoeve van de goden en helden, en de kunsten beschouwde als een slechte imitatie (mimesis) van de stoffelijke wereld die op haar beurt al een imitatie is van de goddelijke wereld, heeft hij door zelf gebruik te maken van dialogen, symbolen en mythen de platonisten de kans geboden de dichter voor te stellen als geïnspireerde figuur die een bijzondere plaats bekleedt als volksopvoeder, filosoof en profeet. In de romantiek valt, binnen het kader van het idealistisch denken, een opleving te constateren van het platonisme, doorgaans getypeerd met de term neoplatonisme. Hoofdkenmerk daarvan is de opvatting dat de stoffelijke wereld een afschaduwing is van de wereld der ideeën. P.C. Boutens en Jan Prins hebben een aantal Plato-vertalingen vervaardigd.

LIT: Baldick; Cuddon; Fowler; LdMA; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; C.J. de Vogel. Philosophia, II: Plato and platonism (1983); S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus. Klassieke en christelijke denkbeelden in de Nederlandse renaissance-literatuur (1989), p. 40-51. [P.J. Verkruijsse]

 

plat of bord

Van hout of karton gemaakte plaat die met leer, perkament of een andere stof overtrokken de voor- of achterkant van een boekband vormt. Tot in de 14e eeuw zijn de platten in het algemeen even groot als het boekblok, daarna worden ze ruimer gesneden en steken ze wat uit over het boekblok.

LIT: BDI; H. Helwig. Einführung in die Einbandkunde (1970); J.J.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 74-75. [H. Struik]

 

Pléiade

Pléiade (‘zevengesternte’) is de naam voor een groep van zeven Franse dichters uit de tweede helft van de 16e eeuw die de nationale renaissance in Frankrijk vorm gaven naar het voorbeeld van Italië door te streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van de Franse taal (taalbouw) en literatuur en die veel invloed gehad hebben op het ontstaan van de renaissancebeweging in Engeland en de Nederlanden. Aanvankelijk noemde de groep zich La Brigade; de term Pléiade ontstond in 1556. In de Pléiade-poëzie worden de ideeën van het neoplatonisme gecombineerd met die van het petrarkisme. Veel beoefende genres waren het sonnet en de ode, waarin gebruik gemaakt werd van de nieuwe ‘Franse maat’, de jambe.

De oudste Pléiade-dichter, de humanist Jean Dorat (1508-1588), doceerde aan het Parijse Collège Coqueret waar hij Pierre de Ronsard, Joachim du Bellay en Antoine de Baïf onder zijn leerlingen had. Tot de andere Pléiade-dichters worden gewoonlijk gerekend Remy Belleau, Etienne Jodelle en Pontus de Tyard. Het ‘programma’ van de Pléiade werd geschreven door Du Bellay: Deffence et illustration de la langue françoyse (1549) en Ronsard: Abrégé de l'art poétique français (1565).

De Nederlandse humanist Janus Dousa had ook bij Dorat gestudeerd. De vroegrenaissancistische Jan vander Noot staat duidelijk onder invloed van Ronsard en heeft contact gehad met waarschijnlijk de eerste navolger van de Pléiade in de zuidelijke Nederlanden, Guillaume de Poetou. Lucas de Heere en Carel van Mander kunnen tot de pléiadisten gerekend worden. Imitatio van Pléiade-dichters bij Nederlandse auteurs is tot ver in de 17e eeuw aan te treffen. Vooral Du Bartas' La sepmaine ou création du monde (1579) werd vertaald of bewerkt door Jan Moretus, Theodore van Liefvelt (1609), Zacharias Heyns (1616), Rutger Wessel van den Boetselaer (1622), Daniel Heinsius (1616), Joost van den Vondel en Jacobus Revius.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; A. Beekman. Influence de Du Bartas sur la littérature néerlandaise (1912); H. Chamard. Histoire de la Plëiade (4 dln. 1939-1940); G. Castor. Pléiade poetics; a study in 16th-century thought and terminology (1964); K.J.S. Bostoen. Dichterschap en koopmanschap in de zestiende eeuw; omtrent de dichters Guillaume de Poetou en Jan vander Noot (1987). [P.J. Verkruijsse]

 

pleonasme

Stijlfout die bij opzettelijk gebruik tot stijlfiguur kan worden. De meest voorkomende vorm is die van een substantief met een daarbij ten overvloede toegevoegd adjectief: een ‘ronde cirkel’. Logisch gezien is het pleonasme, evenals de tautologie, een vorm van woordovertolligheid. Sommigen zien beide als voorbeelden van een perifrase.

LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

ploce

Term uit de stijlleer, soms ook wel distinctio genoemd, bestaande uit een gevarieerde herhaling (repetitio). Kenmerkend is het accentueren van het betekenisverschil tussen de leden van een woord- of zinsdeelherhaling. Men vindt het in menig gezegde, zoals in ‘een man, een man - een woord, een woord’. In het volgende citaat heeft het woord ‘muziek’ de tweede keer een specifieker betekenis dan de eerste keer:

 
een taal, die zelf muziek ging zijn
 
doordat er echo's in weerklonken
 
van een muziek, hem meegeschonken
 
als waterkruik in de woestijn.
 
( M. Nijhoff. VW dl. 1 (1982), p. 507).

Deze stijlfiguur kan de vorm hebben van een anadiplosis.

LIT: Buddingh'; Lausberg; Myers/Simms; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]

 

plot, intrige-1 of sujet

Term uit de verteltheorie of dramatheorie waarmee de organisatie van de tekstgegevens, d.w.z. de bouw of structuur van de tekst wordt bedoeld. De wijze waarop deze gegevens worden aangeboden, zijn in hoge mate bepalend voor het effect ervan op de lezer of toeschouwer, bijv. voor de spanning. Om die reden worden bijv. in de detectiveroman de gegevens die successievelijk aan de lezer worden prijsgegeven, pas aan het slot tot een logische samenhang gebracht waardoor de dader ontmaskerd kan worden.

Bij het drama gebruikt men naast de termen ‘plot’ of ‘intrige’ ook wel de term ‘verloopsplan’, een term die duidelijker laat zien wat eronder verstaan wordt. De term ‘plot’ werd in de verteltheorie geïntroduceerd door E.M. Forster in diens Aspects of the novel (1927) voor de causale samenhang van de tekstgegevens, die hij plaatste tegenover de chronologische samenvatting van de gebeurtenissen of de ‘story’ (fabel-2).

Wat betreft de term ‘intrige’ maken sommige auteurs ( Abrams bijv.) onderscheid tussen de structuur van de tekst (plot) en het plan van een der personages om al dan niet met hulp van anderen de tegenspeler in de val te laten lopen. De intrige is in dat geval een uitvloeisel van het conflict en onderdeel van de plot.

LIT: Abrams; Baldick; Bergh; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; E. Dipple. Plot (1970). [G.J. van Bork]

 

pluralis majestatis

Met het ‘majesteitsmeervoud’, oorspronkelijk bij vorsten gebruikelijk, noemt de ik-figuur zichzelf in het meervoud. Het komt voor in officiële regeringsstukken die een koninklijke bekrachtiging hebben gekregen, zoals de Koninklijke Besluiten (K.B.'s): ‘Wij, Beatrix ... enz.’. Sprekers en schrijvers hanteren deze vorm vaak uit bescheidenheid (pluralis modestiae). Tot voor kort was het de gewoonte van veel publicisten om zichzelf in het meervoud te presenteren.

In hoeverre de wij-vorm in literaire teksten als pluralis majestatis dient te worden beschouwd, hangt in hoge mate van de interpretatie af, zoals bijv. in:

 
wij kennen van buiten / onze zak
 
(P. van Ostaijen. VW, Poëzie, dl. 2 (1979), p. 9).

LIT: MEW; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pluralis modestatis zie pluralis modestiae

 

pluralis modestiae of pluralis modestatis

Bescheidenheidsmeervoud als een van de hanteringsvormen van de pluralis majestatis.

LIT: Best; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pluralis pro singulari

Vorm van synecdoche waarbij het meervoud wordt gebruikt in plaats van het enkelvoud. Zo gaat Nijhoff van het enkelvoudige ‘mensch’ over op het meervoudige ‘ons’ in de passage

 
de natuur is niet den mensch ter wille:
 
Slechts [...] staat zij ons toe [...]
 
(VW, dl. 1, 1982, p. 110).

Een specifieke vorm van de pluralis pro singulari is de pluralis majestatis.

LIT: Lausberg. [G.J. Vis]

 

pluri-interpretabiliteit zie ambiguïteit

 

pocketboek

Term ontleend aan de Amerikaanse reeks ‘Pocket Books’ voor boeken die in paperback-vorm worden uitgegeven in een klein formaat (ca. 18x11 cm), waardoor ze als het ware in de zak kunnen worden meegenomen. De belangrijkste doelstelling voor het uitgeven van pockets is de andere en grotere publieksgroep die ermee bereikt kan worden. Door goedkopere productiemethoden te gebruiken (lumbecken, brocheren, plastificeren, goedkopere druktechnieken, houthoudend papier e.d.) kan het pocketboek goedkoop zijn, een effect dat nog versterkt wordt door de grotere oplagen die ervan gemaakt worden (vaak minimaal 10.000 exemplaren in het Nederlandse taalgebied). Een ander en groter publiek kwam zo in contact met literair werk dat vaak al eerder in gebonden vorm een ander deel van het publiek bereikt had. Opvallend is dat pocketboeken doorgaans in reeksen worden gepresenteerd.

Als voorlopers van de Nederlandse pocketboeken kunnen de deeltjes in de reeks Klassiek Letterkundig Panthéon beschouwd worden, waarvan het eerste in 1853 verscheen. Ook kan gewezen worden op de reeks van de Maatschappij tot verspreiding van Goede en Goedkoope Lectuur (de latere Wereldbibliotheek) onder leiding van L. Simons, waarin vanaf 1905 oorspronkelijk werk, maar vooral vertalingen van werken uit de wereldliteratuur werden uitgegeven in goedkope kleine uitgaven. Deze uitgaven dienden een cultureel en sociaal doel, nl. de lagere klassen in contact brengen met de ‘grote’ literatuur.

In de jaren ‘30 verschenen talrijke nieuwe series, zoals de Engelstalige Albatross (vanaf 1932) en de Penguinbooks (vanaf 1935), en in Nederland de Salamanderreeks (vanaf 1934), de Schijnwerpers (vanaf 1936) en de ABC-romans (vanaf 1938).

Na de Tweede Wereldoorlog nam de productie van het pocketboek een hoge en commerciële vlucht. Vooral de Prisma- en Aula-pockets (Het Spectrum), de Zwarte Beertjes (Bruna), de Ooievaarreeks (Bert Bakker/Daamen) en de Vlaamse Pockets (Heideland) zijn literair belangrijk, maar vrijwel elke uitgeverij geeft zijn eigen pocketreeks uit. Als vergelijkbaar verschijnsel kan het goedkope bulkboek gezien worden dat er de oorspronkelijke doelstelling mee gemeen heeft.

De enige Nederlandse inventarisatie van een volledige pocketreeks is C.J. Aarts' Het Salamanderboek 1934-1984 (1984). Van 1959 to 1968 verscheen de Pocketgids, maar daaraan werkte Het Spectrum met zijn Prisma-pockets niet mee.

LIT: BDI; Brongers; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW; Wilpert; Zojuist verschenen (1955); W.E. Williams. The Penguin story (1956); P. Schreuders. Paperbacks, U.S.A. (1981); Th.L. Bonn. Under cover (1982); S. Hubregtse. ‘Nederlandse pockets verzamelen’, in: De Boekenwereld 3 (1986-1987), 3, p. 79-90. [G.J. van Bork]

 

poëet

Aanduiding voor de dichter, veelal in ironische zin. In de literatuurgeschiedenis leeft de term voort in de samenstelling ‘Poëtenoorlog’, een weinig verheffende reeks literaire twisten in de Nederlandse letterkunde van het eerste kwart der 18e eeuw, door Poot aan de kaak gesteld in zijn gedicht ‘Pöëtenstrijt’. Pejoratief gebruik als dit (een poëet is een minder soort dichter) hoeft niet altijd geïmpliceerd te zijn in de term. Als Bilderdijk schrijft: ‘De Dichtkunst des poëets, de Godsdienst van den christen, is één’ (De kunst der poëzy, 1807, vs. 386-387), dan is het woord poëet synoniem met (goed) dichter. In het huidige spraakgebruik komt het woord zelden voor, en als het gebruikt wordt, dan is dat meestal - wellicht mede onder invloed van het woord poëtaster - in ongunstige of ironische zin.

LIT: Laan; G.J. Vis. ‘Denken en doen’, in: Spektator 17 (1987-88), p. 105-128 (p. 107). [G.J. Vis]

 

poésie parlante zie vrij vers-2

 

poésie pure

Vorm van poëzie-1 gekenmerkt door een opvallend hoge mate van exploitatie van de klank, veelal door de auteur bewust nagestreefd om zo veel mogelijk uitsluitend door de klank zelf gevoelens te uiten, vergelijkbaar met de wijze waarop dat in de muziek gebeurt. Vooral in de 19e eeuw ziet men een toename van dit type gedichten; in de Nederlandse letterkunde is het G. Gezelle die er als eerste voorbeelden van levert. De term dateert echter pas van 1883, geïntroduceerd door Ch. Baudelaire. De symbolisten (symbolisme) hebben een belangrijke impuls gegeven aan de poésie pure door de nadruk die zij vaak legden op het muzikale karakter van hun teksten als autonome (l'art pour l'art) expressievormen met beoogde magische en/of suggestieve effecten. Bekende voorbeelden zijn J. Engelmans cantilena ‘Vera Jaconopoulos’ en sommige sensitieve verzen van Gorter, zoals het volgende:

 
Gij zijt een stille witte blinkesneeuw,
 
gij zijt een blinke zeeë tintelzee.
 
Gij zijt een schemerwitte leliemeid,
 
gij zijt een wijde vlinderveluwheid.
 
Gij zijt het opene, het witte, 't willende,
 
het wachtend, straalvlammend, lichtlillende.
 
(H. Gorter. Verzamelde lyriek tot 1905, 1977, p. 86).

Andere voorbeelden leveren P. van Ostaijen, Lucebert, Jan Hanlo en Johnny van Doorn.

LIT: Best; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Wilpert; S. Vestdijk. De glanzende kiemcel (19694), p. 109-112; P. de Vree. ‘Sound-poetry’, in: Tafelronde 15 (1970), p. 7-9; C. de Deugd. ‘Sonische poëzie’, in: FdL 14 (1973), p. 1-29; A.M. Musschoot. ‘Poésie pure: een confrontatie Karel van de Woestijne-Paul van Ostaijen’, in: NTg 69 (1976), p. 191-204. [G.J. Vis]

 

poet laureate zie poeta laureatus

 

poeta doctus

Een poeta doctus is het type van de ‘geleerde dichter’, zoals dat ontstond in de Hellenistisch-Alexandrijnse periode. Het is een dichter die zich met veel vertoon van geleerdheid en via verfijnd taalgebruik richt tot een elitair publiek. Humanistische (humanisme), maniëristische (maniërisme) en barok-auteurs treden op als poetae docti. Vondel zou men een poeta doctus kunnen noemen.

LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

poeta faber

Een poeta faber is een dichter, bij wie als vakman de techniek overheerst, in tegenstelling tot bij de poeta vates bij wie de inspiratie op de voorgrond staat.

LIT: Gorp; MEW. [P.J. Verkruijsse]

 

poeta laureatus of poet laureate

Een poeta laureatus is sinds de Romeinse tijd een door de overheid of kunstbroeders met een lauwerkrans ‘gekroond dichter’. De laurier is het symbool van de god van de kunsten, Apollo. Omdat de bekroning vaak door keizers of koningen werd verleend, werd de poeta laureatus dikwijls bezoldigd hofdichter, een gebruik dat in Engeland sinds 1668 toen J. Dryden poet laureate werd tot op heden in stand gebleven is.

In Nederland bestond het gebruik belangrijke auteurs met een lauwerkrans te begraven. Zo vermeldt W. van Gouthoeven in D'oude chronijcke ende historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Wtrecht (1620), dl. 1, fol. P1 verso, het volgende:

 
Gherbrant Adriaensz. Breero, gheboren t'Aemsteldam, alwaer hy An. 1618 ghestorven zijnde, als een Poeet met Laurieren seer treffelijck begraven is.

Hetzelfde was gebeurd met Carel van Mander in 1606 en Reinier Telle in 1618. Vondel werd op een feest van het Sint Lucasgilde in 1653 gekroond door zijn kunstbroeders.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

poeta vates

Een poeta vates is het type van de ‘dichter-ziener’, de door de muzen geïnspireerde dichter volgens de opvattingen van het neoplatonisme, in tegenstelling tot de poeta faber, de vakman bij wie de technische vaardigheid op de voorgrond staat. De poeta vates past geheel in de theorie van de Franse Pléiade, de andere nationale renaissancebewegingen zoals die in Engelandrond Sidney en in Nederland in het Leidse academiemilieu, en van de romantiek.

LIT: Gorp; MEW; Wilpert; J.A. van Dorsten. Poets, patrons, and professors; Sir Philip Sidney, Daniel Rogers, and the Leiden humanists (1962), p. 33-47. [P.J. Verkruijsse]

 

poëtaster

Aanduiding voor de poëet in de ongunstige zin van het woord: pruldichter, rijmelaar. In de geschiedenis van de literaire kritiek zijn het vooral sommige 18e-eeuwse dichtgenootschappers (dichtgenootschap) die - sinds het begin van de 19e eeuw - het mikpunt zijn van spot en het object van afschuw vanwege hun onpersoonlijk gerijmel volgens regeltjes die iedereen kan toepassen; op grond hiervan werden ze als poëtaster veroordeeld. Ze staan diametraal tegenover het ideale type dichter zoals Kloos dat zag: iemand die de dichtkunst beoefent als allerindividueelste expressie van een allerindividueelste emotie. In de versexterne poetica-1 van 20e-eeuwse dichters en critici kan men talloze voorbeelden vinden van recensies en andere beschouwingen waarin een slecht dichter als epigoon, onpersoonlijk schrijver, dichter zonder vormkracht, kortom als poëtaster wordt afgewezen.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

poètes maudits

Naam van een groep dichters ontleend aan een artikelenreeks uit de jaren 1884-1888 van Paul Verlaine getiteld ‘Les poètes maudits’ (de verdoemde dichters) in het tijdschrift Lutèce, waarin de destijds vrijwel nog onbekende dichters Corbière, Rimbaud en Mallarmé naar voren werden geschoven. Bij uitbreiding doelt de term op dichters die op maatschappelijke (bohémien) of psychologische gronden dan wel door lichamelijke aftakeling aan de rand van de samenleving terecht kwamen. In de Nederlandse letterkunde zou men kunnen wijzen op Willem Kloos en J.J. Slauerhoff.

Volgens Rodenko is de poète maudit herkenbaar aan zijn ‘poésie maudite’: dichtwerk waarin een belangrijke plaats is ingeruimd voor het kwaad (satanisme). In die zin vallen daar schrijvers onder als Baudelaire en Slauerhoff.

LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; P. Rodenko. Gedoemde dichters (1957); E. Endt. ‘De spanning tussen kunst en leven’, in: Spektator 1 (1971-72), p. 3-17. [G.J. Vis]

 

poëtica-1 of ars poetica

Onder poëtica wordt sinds Aristoteles' Peri poiètikès (rond 330 v.Chr.) de leer omtrent het wezen, de genres en de verschijningsvormen van de dichtkunst verstaan. Poëtica komt van het Griekse ‘poiein’, maken, wat men dus ook kan leren maken via een ars, een techniek. Voor Aristoteles is de dichtkunst een nabootsing (mimesis) van mogelijk menselijk handelen. Hij wijkt daarin af van het platonisme, dat leert dat kunst een onbelangrijke afschaduwing is van de aardse werkelijkheid, die op haar beurt al een afschaduwing was van de Idee. De poëzie onderscheidt zich volgens Aristoteles van de historiografie die weergeeft wat er feitelijk gebeurd is; juist door haar universele strekking is de kunst van groot filosofisch-wetenschappelijk belang. Het genre-onderscheid ontstaat doordat de ene dichter zich bezighoudt met edele menselijke handelingen (hetgeen leidt tot epos en tragedie) en de andere met minder edele handelingen (blijspel en satire). De poëzie wekt emoties op die zuiverend werken (catharsis).

Omdat de poëtica van Aristoteles pas in de 15e eeuw herontdekt werd (Latijnse vertaling van 1498), is de Ars poetica (laatste twee decennia v.Chr.) van Horatius van veel meer invloed geweest tijdens de renaissance. Het doel van de poëzie is volgens hem het utile dulci, nut én vermaak.

Quintilianus, een bewonderaar van Cicero, behandelt in zijn Institutio oratoria (ongeveer 90 n.Chr.) zowel de retorica als de poëtica, welke laatste ook voor de redenaar nuttig is: hij kan er zijn voorbeelden (exempla) uit halen. De poëtica maakte in de Middeleeuwen geen deel uit van de artes liberales.

Humanisten (humanisme) als J.C. Scaliger, D. Heinsius en G.J. Vossius trachten een synthese tot stand te brengen tussen de opvattingen van Aristoteles en Horatius. Scaliger ziet in zijn Poetices libri septem (1561) niet de mimesis als doel, maar als middel, en het doel van de dichtkunst is - net als bij Horatius - het op onderhoudende wijze verschaffen van morele instructie (iucunda doctrina). Door de sterk taalkundig-retorische gerichte schoolopleiding van de humanisten vermengen tal van elementen uit de retorica zich met de poëtica. In Nederland heeft de poëtica van Scaliger veel invloed gehad via diens zoon Josephus Justus Scaliger die hoogleraar was in Leiden.

Later dringen ook de invloeden van de Pléiade door, met name die van Ronsards Abrégé de l'art poétique français (1565). Nederlandstalige theoretische beschouwingen zijn van P.C. Hooft: Reden vande waerdicheit der poësie (1614) en van Th. Rodenburgh: Eglentiers poëtens borstweringh (1619).

In 1674 verschijnt de invloedrijke Art poétique van Boileau, waarin de opvattingen van het neoclassicisme (classicisme) zijn verwoord en vastgelegd.

Het normatieve in de poëtica maakt in de loop van de 18e eeuw plaats voor descriptie van technieken en vormelementen van de poëzie (de romantiek verwerpt de mimesis-opvatting!), waarmee de poëtica van karakter verandert (poëtica-2).

LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Wilpert; S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus (1989), 172-184; B.F. Scholz. ‘Poëtica’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 127-135; P. Verdonk. Het bevrijde icoon. Van klassieke retorica naar een cognitieve stilistiek (1997). [P.J. Verkruijsse]

 

poëtica-2 of poëtiek

Naast het algemene begrip poëtica-1 uit de renaissance kreeg de term poëtica er in de loop der tijden een specifieke gebruiksmogelijkheid bij. Terwijl enerzijds de term gehandhaafd bleef voor de theorie van de literatuur in het algemeen, respectievelijk voor die van de genres en technieken (zoals in Boileau's bekende Art poétique van 1674), werd anderzijds de term langzamerhand in meer specifieke zin gebruikt voor de technieken en vormelementen van de dichtkunst. Een voorbeeld hiervan is de Poëtica (1949) van J. Elema, die achtereenvolgend hoofdstukken wijdt aan ritme, klank, woordkeus, beeldspraak en symbool. Het is daarbij opvallend dat stijlfiguren en genres een geringe plaats krijgen toebedeeld in verhouding tot onderwerpen uit de prosodie. Wellicht is deze beperking mede het gevolg van de versbouwexperimenten die vooral sinds symbolisme en modernisme de aandacht van (schrijvers,) lezers en onderzoekers hebben beziggehouden.

Naast en tegenover wat ressorteert onder poëtica-1 en poëtica-2 onderscheidt men de auteurspoëtica (poëtica-3), die overigens elementen van beide kan bevatten.

LIT: Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Wilpert; S. Vestdijk. De glanzende kiemcel (19562); M.A.P.C. Poelhekke en J.J. Gielen. Woordkunst (196124); G. Kazemier. In de voorhof der poëzie (1963); C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen (1963); F. Willaert. De poëtica van Hadewijch in de Strofische Gedichten (1984); P. Verdonk. Het bevrijde icoon. Van klassieke retorica naar cognitieve stilistiek (1997). [G.J. Vis]

 

poëtica-3 of auteurspoëtica

Term uit de literatuurwetenschap voor het geheel van literaire opvattingen van een schrijver. Men maakt, in navolging van Sötemann, onderscheid tussen tekstinterne uitspraken (in poëzie-1, proza, drama, kortom ‘creatief werk’) en tekstexterne (in essay, kritiek, correspondentie, interview e.a.). Voor beide genoemde soorten uitspraken maakt men veelal weer een onderscheid in impliciete en epliciete opvattingen. Er is daarbij discussie over de vraag in hoeverre een literatuuropvatting een denkbeeld is van een auteur dan wel de beschrijving van zo'n denkbeeld.

LIT: Boven/Dorleijn; Metzler; MEW; J.J. Oversteegen. Beperkingen (1982), p. 41-75; W.J. van den Akker. Een dichter schreit niet (1985), vooral p. 7-50. [G.J. Vis]

 

poëtisch proza zie prozagedicht

 

poëzie-1 of dicht

Aanduiding voor een tekst of tekstfragment opgebouwd uit versregels (vers-1). Tot in de 19e eeuw ook wel aangeduid met de term dicht of gebonden vorm - ter onderscheiding van ondicht of ongebonden vorm - heeft poëzie wisselend per periode bijkomende kenmerken gehad. Zo behoort in de Middeleeuwen elke gepaard rijmende tekst tot dit genre, maar wanneer de schrijver méér wil geven, d.w.z. poëzie-2 of -3 wil schrijven, dan krijgt men teksten met een surplus aan vormgevingsverschijnselen. De functie van bijvoorbeeld de strofische gedichten van Hadewych verschilt duidelijk van die van teksten welke in gepaard rijmende regels zijn geschreven zoals Jan van Boendales Der leken spieghel. Beide typen vallen onder de term ‘dicht’, maar de eerste groep is poëzie-2 of -3. In de 17e eeuw was metrum een eis voor dichtwerk.

Poëzie staat tegenover proza door het visuele gegeven van de ongelijke dosering van het wit in de rechter marge, en soms ook in de linker marge. Het constante distinctieve kenmerk van poëzie is het regeleinde.

LIT: Baldick; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19822), p. 222 v. [G.J. Vis]

 

poëzie-2

Tekst, niet noodzakelijk in verzen (vers-1) geschreven, met kenmerken die ook vaak voorkomen in poëzie-1. Deze kunnen liggen op het terrein van de klank, de beeldspraak, de explicatie van gevoel en/of verbeelding, de woordvoerende instantie e.a. Men kan hier denken aan ritmisch proza ( L. van Deyssel), of aan de poëtische teksten in de zin van ‘monologische teksten, waarvan de inhoud niet een geschiedenis is’. Men vergelijke in dit verband met het lyrisch subject.

LIT: Baldick; BDI; Boven/Dorleijn; Fowler; Gorp; MEW; Wilpert; J. van Luxemburg e.a. Over literatuur, 1996, p. 222 vv. [G.J. Vis]

 

poëzie-3

Tekst die door de gebruikssituatie wordt ervaren als een vorm van poëzie-2. Die situatie kan een herdenkingsbijeenkomst zijn, of de imponerende stem van een spreker, of de begeleidende muziek die men speelt e.d. Zo kan een tekst door een voordrachtskunstenaar op een herdenkingsbijeenkomst gezegd, ervaren worden als poëzie, terwijl diezelfde tekst afgedrukt in de krant op een ander tijdstip gelezen, over kan komen als een stukje informatief proza zonder meer. De gebruikssituatie lijkt hier voor een groot deel de oorzaak van de mate waarin de tekst als ‘poëtisch’ (bij voorkeur gebruikt men hier het adjectief!) wordt ervaren, of als ‘lyrisch’ (lyriek). Laatstgenoemde termen zijn dan voor de gebruiker vaak synoniem met ‘verheven’, ‘indrukwekkend’, ‘gevoelig’ en andere niet-alledaagse noties.

LIT: Lausberg; Shipley. [G.J. Vis]

 

point of attack

Wanneer een reeks gebeurtenissen die aan een drama ten grondslag ligt (de story of fabel-2) chronologisch zou worden geordend en vervolgens in die chronologie het punt zou worden aangewezen waarmee het drama in feite begint, noemt men dat beginpunt het ‘point of attack’. Begint het drama tegen het slot van de geschiedenis of ‘story’ en wordt vervolgens de voorgeschiedenis geleidelijk onthuld, dan is er sprake van een ‘late point of attack’ (vgl. in medias res). Volgt het drama de gebeurtenissen vanaf het begin, dan spreekt men van een ‘early point of attack’ (vgl. ab ovo).

Een stuk met een ‘late point of attack’ is bijv. A. Verwey's leesdrama Johan van Oldenbarnevelt (1895).

LIT: Bergh; Cuddon; Scott; Shipley; P.M. Levitt. A structural approach to the analysis of drama (1971). [G.J. van Bork]

 

point of view zie perspectief

 

pointe

De ontknoping of eigenlijke gedachte of strekking van een tekst. Meestal gebruikt men de term voor de onverwachte wending van een mop, een woordspeling of een puntdicht die er de geestigheid van uitmaakt (vgl. ook paronomasia). In die gevallen spreekt men ook wel van de clou. In Huygens' ‘Neel ontdekt’ bijv. zit de pointe in de laatste regel:

 
Trijn trok een masker aan en meend' haar zo te dekken
 
dat z'onbekend kon gaan met vastenavondgekken.
 
Maar 't was verloren moeit; straks was het spel geschend:
 
zij was te veel gedekt en bij te veel bekend.
 
(C. Huygens. Dichten op de knie, ed. Hellinga, 1956, p. 53.)

LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

polemiek

Schriftelijke bestrijding van standpunten door twee of meer auteurs die zulke duidelijke verschillen van opvatting huldigen, dat ze elkaar in een pennenstrijd fel aanvallen. De polemiek kan op elk gebied van de cultuur betrekking hebben, maar de beroemdste polemieken zijn toch gevoerd op het gebied van godsdienst en kunst. Vooral in de literaire polemiek blijkt de overtuigingskracht van de deelnemers vaak eerder uit de stijl, die spits en meeslepend kan zijn, dan uit de gebruikte argumenten. Polemieken kunnen gevoerd worden om de tegenstander(s) tot een ander standpunt over te halen, maar ze kunnen evenzeer tot doel hebben een getuigenis te zijn van een eigen, afwijkend inzicht. In dit laatste geval dient de polemiek om eigen opvattingen af te grenzen van die van anderen en zo duidelijkheid te scheppen over de eigen stellingname, zoals bijv. in veel literaire stromingen of bij literaire tijdschriften het geval is.

Een voorbeeld van de eerste soort polemiek is de pennenstrijd die aan het einde van de 17e eeuw ontbrandde door toedoen van het Frans-classicistische Nil Volentibus Arduum en die gericht was tegen het ongebonden toneel van Jan Vos en tegen de als onbeschaafd ervaren komedies van die tijd.

De Nederlandse literatuur is bijzonder rijk aan polemieken; er zijn auteurs die een belangrijk gedeelte van hun faam ontlenen aan hun polemisch vernuft ( Huet, Van Deyssel, Van der Goes, Du Perron, Ter Braak, Hermans e.v.a.). Een belangrijke polemiek ontstond in De Kroniek (1903) rond de reisbrieven van M. Bauer n.a.v. de kroning van de Russische tsaar. In feite handelde deze polemiek tussen o.m. Van Deyssel, Diepenbrock, Van Eeden, Van der Goes, Tak e.a. over de verhouding tussen kunst en politiek. Belangrijk voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis was voorts de polemiek in Forum naar aanleiding van D.A.M. Binnendijks bloemlezing Prisma (1930), door J.C. Bloem benoemd als ‘vorm of vent’-discussie. Een latere polemiek is die tussen J.J. Oversteegen en H.A. Gomperts over de autonomistische uitgangspunten van het tijdschrift Merlyn (1962-1966). InVlaanderen was J. Weverbergh in het tijdschrift Bok (1963-1964) een gevreesd polemist.

Vormen waarin de polemiek zich kan manifesteren zijn het pamflet-1 en -2, de kritiek en het essay.

LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; MEW; Scott; Wilpert; H.A. Gomperts, in: De geheime tuin (1963), p. 185-195; S. Vestdijk. ‘Onze polemisten’, in: De leugen is onze moeder (1965), p. 205-207; H. Speliers. ‘De gestencilde revolutie’, in: Die verrekte gelijkhebber (1973), p. 83-92. [G.J. van Bork]

 

politieroman

Roman waarin de politie de feiten rond een misdrijf, meestal een moord, aan het licht brengt, zodat tot arrestatie van de dader kan worden overgegaan. Soms is aan de lezer van het begin af aan duidelijk wie de dader van het misdrijf is en beperkt de roman zich tot de activiteiten van de politie om achter diens identiteit te komen. Vaker echter is de dader ook aan de lezer onbekend en werkt diens ontmaskering en arrestatie aan het slot als verrassende ontknoping. De politieroman behoort tot de misdaadromans, evenals de detectiveroman of speurdersroman, waarmee ze zoveel overeenkomsten vertoont dat men ook wel van detectiveroman spreekt.

De belangrijkste vertegenwoordigers van schrijvers van politieromans zijn George Simenon met zijn hoofdfiguur commissaris Maigret en het Zweedse schrijversechtpaar Sjöwall en Wahlöö over rechercheur Martin Beck. In Nederland schreef J.W. van de Wetering een reeks politieromans met de rechercheurs Grijpstra en De Gier als hoofdpersonen.

LIT: J. Symons. Moord en doodslag. Een geschiedenis van het misdaadverhaal (1976). [G.J. van Bork]

 

polyinterpretabiliteit zie ambiguïteit

 

polymetrie

Term uit de prosodie voor het feit dat in een vers-1, strofe of gedicht verschillende versvoeten of andere ritmische (ritme) eenheden naast elkaar voorkomen. Zo in:

 
Vorst der ver/schrikking!/ vol van be/kommernis
 
Ziet gij me / treuren; / daar ge mijn / ega rooft;
 
Haar weg/voert uit / mijn lief/des ar/men,
 
En ze laat / leven in / 't bevend / harte.
 
( H. van Alphen. Bloemlezing, ed, P.J. Buijnsters, 1967, p. 39).

De eerste, tweede en vierde regel hebben een dalend metrum, de tweede regel heeft een stijgend metrum.

LIT: Best; Gorp; Metzler; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

polyptoton

Term uit de retorica voor de herhaling van hetzelfde woord in een zin of versregel in verschillende (buigings)vormen of naamvallen. Onder polyptoton vallen alle vormen van repetitio zoals anafora, epifoor en complexio; het is verwant aan de paronomasia.

Een voorbeeld is de versregel ‘Gelijk een looper loopt, soo loopen wegh ons tijden’ uit het gedicht ‘Des menschen tyt is kort’ van Roelof Waningh (in: G. Komrij. De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten (1986), p. 417).

LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Lausberg; Metzler; Scott; Shipley; Ueding; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

polysyllabisch rijm

Term uit de prosodie voor een vorm van eindrijm met meer syllaben dan het geval is bij glijdend rijm. Bijv.:

 
Het was avond, en de dingen
 
Zag hij met verzachte kleuren,
 
Liet het leed der stervelingen
 
Als een kinderdroom gebeuren.
 
( M. Nijhoff. VW, dl. 1, 19822, p. 95).

LIT: Cuddon; Morier; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]

 

polysyndeton

Term uit de stijlleer voor de herhaling van verbindingswoorden bij een enumeratio of opsomming. Bijv.: ‘En de schoolleiding, en de ouders, en de leerlingen zijn het erover eens’. Over het algemeen vindt men dat dit stilisticum gebruikt wordt om de geledingen van langere mededelingen te verduidelijken en om op elk afzonderlijk lid nadruk te leggen. Het tegenovergestelde van het polysydenton is het asyndeton-1.

LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.M. Acket en C.F.P. Stutterheim. Stijlstudie en stijloefening (196011), p. 98 v. [G.J. Vis]

 

pomsen of ponsen

Term uit de paleografie voor een fase in het productieproces van perkament. Na het logen om de huiden te ontvlezen en ontvetten, het scheren en drogen werden de huiden gepomsd, d.w.z. met puimsteen en krijt glad gemaakt om ze (goed) beschrijfbaar te maken. Deze verklaring van het woord pomsen is een andere dan die Verdam geeft (MNW VI, 551) waar - volgens Hellinga en Vermeeren ten onrechte - als betekenis gegeven wordt: ‘met puimsteen van vlekken reinigen, schoonmaken’.

LIT: W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en filologie V’, in: SpL 5 (1961), p. 305; J.M.M. Hermans & G.C. Huisman. De descriptione codicum (1981), p. 16. [F. van Thijn]

 

ponsen zie pomsen

 

poppenspel zie marionettentheater

 

poptekst

Onder invloed van de popmuziek ontstond aandacht voor de teksten van veel popmusici, zoals die van Bob Dylan, Jim Morrison, John Lennon e.a. De erkenning van de waarde van die teksten had tot gevolg dat er niet alleen ook meer waardering en aandacht uitging naar Nederlandstalige teksten bij populaire muziek, maar dat er ook meer teksten van enig niveau werden geschreven. Zo schreven Lennaert Nijgh, Robert Long, Ernst van Altena, Boudewijn de Groot, Henny Vrienten en anderen popteksten.

LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; L.P. Grijp (red.). Zingen in een kleine taal. De positie van het Nederlands in de muziek, themanr. van Volkskundig Bulletin 21 (1995), nr. 2. [G.J. van Bork]

 

populaire literatuur zie triviaalliteratuur

 

pornografie

Tekstsoort waarin sexualiteit op een zo nadrukkelijke manier aan de orde wordt gesteld dat er een veronderstelde erotische prikkel of sexuele opwinding van uitgaat. Gewoonlijk richt pornografie zich op de lichamelijke aspecten van de erotiek en beschrijft die op een gedetailleerde en als schokkend ervaren wijze.

De term pornografie impliceert doorgaans een waardeoordeel, zoiets als kitsch of triviaalliteratuur op het gebied van de erotiek. De term is op een groter terrein toepasbaar dan dat van de literatuur; ook beeldende kunst en film kent pornografische producten.

Omdat de zedelijkheidsnormen aan sterke veranderingen onderhevig zijn, is de grens tussen pornografie en erotische literatuur of priapische literatuur nauwelijks aan te geven. Wat in de 19e eeuw als obsceen zou worden omschreven, was dat in de 17e eeuw niet of nauwelijks. Een klucht als Huygens' Trijntje Cornelis (1653) werd nog in 1958 door Knuvelder in diens handboek omschreven als een ‘plat geval’ vol ‘mestvaalt-tribulatiën’, een kwalificatie die in moderner beschrijvingen niet meer voorkomt. Sommige werken werden onmiddellijk na verschijnen pornografisch genoemd, terwijl ze nu tot de (wereld)literatuur gerekend worden. Dat gold voor veel naturalistische romans, zoals voor L. van Deyssels Een liefde (1887), dat door sommige recensenten tot de ‘kuf- of bordeelliteratuur’ gerekend werd. Een soortgelijke ontvangst viel ten deel aan Madame Bovary (1857) van Flaubert, Lady Chatterly's lover (1928) van Lawrence en Lolita (1957) van Nabokov. In Nederland was dat het geval met Anna Blamans Vrouw en vriend (1941) en Eenzaam avontuur (1948) en Jan Wolkers' Een roos van vlees (1963).

Dat alles neemt niet weg dat sommige auteurs zich uitdrukkelijk met het schrijven van pornografie hebben beziggehouden en eigen werk ook als zodanig hebben benoemd. Een goed voorbeeld daarvan is L.P. Boon met zijn Mieke Maaike's obscene jeugd (1972), door hemzelf ‘een pornografisch verhaal’ genoemd. Hetzelfde geldt voor een enkele tekst van E. du Perron. In 1970 bezorgde P. Grashoff een bloemlezing onder de titel Foei! Nieuwe pornografische verhalen van Nederlandse auteurs.

Het oordeel over pornografie komt ook tot uiting in de speciale kasten die sommige grotere openbare bibliotheken vroeger gebruikten om dit type literatuur in onder te brengen en die wel de ‘gifkast’ genoemd werden. Uiteraard waren deze verzamelingen slechts voor enkele ‘uitverkorenen’ toegankelijk.

Het vaststellen van wat onder pornografie verstaan moet worden, heeft herhaaldelijk tot problemen geleid op het gebied van de zedelijkheidswetgeving, laatstelijk nog bij kwesties als de filmkeuring en de openbare vertoning van bepaalde films.

LIT: Baldick; BDI; Best; Buddingh'; Cuddon; Feather; Fowler; Gorp; Hiller; Metzler; Shipley; G. Reve. ‘Over pornografie’, in: Archief Reve (dl. 2, 1982), p. 79-87; J. Goedebuure. ‘Literaire erotiek na de dood van Eros’, in: Nederlandse literatuur 1960-1988 (1989), p. 154-169. [G.J. van Bork]

 

portefolio

Samentrekking van de woorden portefeuille en folio (porte-manteau), waarmee een afzonderlijk katern of deel van een tijdschrift wordt aangeduid dat aan een specifiek onderwerp is gewijd. Zo kende het literaire tijdschrift Tirade in de jaargangen van 1964 tot en met 1967 een portefolio waarin op afwijkend papier reproducties van beeldende kunst werden opgenomen, een onderdeel dat geredigeerd werd door Nicolaas Wijnberg. [G.J. van Bork]

 

porte-manteau

Bijzondere vorm van contaminatie waarbij uit twee woorden of onderdelen daarvan een nieuw woord ontstaat door klankverbinding. Dat nieuwe woord functioneert veelal als neologisme, maar het kan ook als woordenspel bedoeld zijn. Een goed voorbeeld van een ingeburgerd porte-manteau-woord is het Engelse ‘smog’, als neologisme samengesteld uit ‘smoke’ en ‘fog’. Een ander bekend voorbeeld is ‘brunch’. Ook in nonsensverzen vinden we dit soort samentrekkingen terug als vormen van woordenspel, vgl. Huizinga's gedicht ‘De Oerbosbrand’ met ‘Urinoceros’, ‘Petrolifant’, ‘Pastoorlam’ en ‘Lichtekooievaar’ (Olivier en Adriaan, z.j., p. 46-47).

LIT: Baldick; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; Marouzeau; Scott; Shipley. [G.J. van Bork]

 

portretgedicht

Bijzondere vorm van het beeldgedicht-2. Het portretgedicht vergezelt gewoonlijk een tekening, schilderij of gravure en behandelt, meestal in de vorm van een epigram, de voorgestelde persoon als voorwerp van lofprijzing. Vondel was hierin zeer productief. Van hem is bijvoorbeeld het gedicht op het door Sandrart geschilderde portret van P.C. Hooft:

 
Het brein, gespitst op 't roer der Staaten te regeeren,
 
En 's weereldts Oceaan met kloekheid te braveeren,
 
Den geest, die Tacitus en d'oudtste dichters tart,
 
Besloot natuur in 't Hooft, herbooren uit Sandrart,
 
Die hooft-en-halscieraet des Ridders heeft vergeeten,
 
De Duitsche Lauwerkroon, en Fransche Koningsketen.
 
( Vondel, Werken, WB-ed., dl. 4, p. 535).

[P.J. Verkruijsse]

 

positivisme

Wetenschapsopvatting waarin op grond van objectief vaststelbare gegevens getracht wordt tot uitspraken te komen over de wetmatigheden die de ons omringende verschijnselen beheersen. Het positivisme gaat uit van empirie, d.w.z. van de ervaringswerkelijkheid, en tracht op grond van ervaringsfeiten verklaringen te vinden en de samenhang vast te stellen van de te onderzoeken verschijnselen. Als grondlegger van het positivisme geldt Auguste Comte (1798-1857) met zijn Cours de philosophie positive (1830-1842).

Comte maakt geen onderscheid tussen natuur- en menswetenschappen. In de praktijk van het positivistisch onderzoek betekent dit dat voor de menswetenschappen normatieve uitspraken worden afgewezen en dat ook uitspraken over het ‘wezen’ (essentialisme) of verbanden van metafysische aard als onwetenschappelijk worden gezien. Net als in de natuurwetenschappen zouden de onderzoeksresultaten een voorspellend karakter moeten hebben.

Het succes van het 19e-eeuwse natuurwetenschappelijk onderzoek heeft in de geschiedwetenschap en het literatuuronderzoek geleid tot pogingen het onderzoek op positivistische grondslag in te richten. Maar in zijn strikte vorm heeft het positivisme van Comte in de literatuurwetenschap nauwelijks een rol van betekenis gespeeld. Weliswaar zijn er in de 19e eeuw grote verzamelingen van feitelijk materiaal aangelegd (biografische woordenboeken, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het Middelnederlands Woordenboek, literatuurgeschiedenissen als die van Te Winkel etc.), maar tot het leggen van verbanden in positivistische zin is het niet gekomen, laat staan tot het vinden van wetmatigheden. Wel ging er van het positivisme enige invloed uit op de literatuurhistoricus Jan ten Brink (1834-1901), maar die invloed verliep veeleer via het naturalisme. In de opvattingen van Taine en Zola zijn positivistische trekken herkenbaar, zoals hun pogingen om het menselijk gedrag, en dus ook literaire voortbrengselen, te verklaren uit de wetten van ras, milieu en moment. Maar in de praktijk had Taine weinig affiniteit met de opvattingen van Comte.

Al vrij spoedig werd het positivisme in de menswetenschappen overvleugeld door de Geistesgeschichte. De term positivisme kreeg daardoor een negatieve bijklank in de literatuurwetenschap. In de jaren '30 van de 20e eeuw herleefde het positivisme in de zgn. Wiener Kreis, waarover men sprak in termen van ‘logisch positivisme’ of ‘neopositivisme’. In feite zijn in de loop van de 20e eeuw allerlei kwesties die in het positivisme een rol speelden zo gemeengoed geworden in de wetenschap dat het weinig zinvol is om die nog als positivistisch aan te blijven duiden. Het lijkt beter de term te reserveren voor de typisch 19e-eeuwse wetenschapsleer.

LIT: Gorp; Metzler; Wilpert; L. Kolakowski. Die Philosophie des Positivismus (1971); R. Kamitz. Positivismus. Befreiung vom Dogma (1973); G.J. van Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis (1986), p. 13-16. [G.J. van Bork]

 

postincunabel

Typisch Nederlandse en in onbruik rakende benaming voor een boek gedrukt in de periode tussen 1500 en 1540. In hun uiterlijke vorm volgen de postincunabelen in meerdere of mindere mate nog de conventies van de handgeschreven boeken (codex) en strikt genomen zouden zij ook tot de incunabelen gerekend kunnen worden, waarvoor echter het jaar 1500 als uiterste grens geldt.

Geleidelijk aan zijn er tekenen dat het gedrukte boek zich losmaakt van de regels die gelden voor handgeschreven teksten: abbreviaturen verdwijnen; men gaat de foliëring drukken; langzamerhand dringt het gebruik van een apart titelblad door; niet alleen voor illustraties, maar ook voor initialen-1 gaat men houtsnedes gebruiken en er komt eenheid in de lettervormen: de drukkers worden minder individualistisch en gaan elkaars materiaal gebruiken en er beginnen zich lokale en nationale karaktertrekken af te tekenen.

De belangrijkste wijziging in de drukkunst van de 16e eeuw is echter de opkomst van de humanistische drukletter: de romein. In de Nederlanden gebeurt dat heel geleidelijk en is de van de littera textualis afgeleide gotische drukletter nog lange tijd gebruikt voor publicaties voor een breed publiek: officiële stukken, populaire literatuur en de bijbel.

Een bibliografie van de Nederlandse postincunabelen is van W. Nijhoff en M.E. Kronenberg: Nederlandsche bibliographie van 1500 tot 1540 (1923-1971).

LIT: BDI; Brongers; Gorp; MEW; L. Debaene. De Nederlandse Volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse prozaromans gedrukt tussen 1475 en 1540 (19772); M.E. Kronenberg. ‘Bijdrage tot de geschiedenis van het woord post-incunabel’, in: Het Boek 30 (1941-1951), p. 351-356; H. de la Fontaine Verwey. ‘De geboorte van het moderne boek’, in: id. Uit de wereld van het boek I. Humanisten, dwepers en rebellen in de 16e eeuw (19762), p. 11-39; P.F.J. Obbema e.a. Boeken in Nederland. Vijfhonderd jaar schrijven, drukken en uitgeven (1979); H.D.L. Vervliet. Post-incunabula en hun uitgevers in de Lage Landen. Een bloemlezing gebaseerd op Wouter Nijhoff's L'Art typographique (1979); L. Febvre & H.J. Martin. The Coming of the Book. The Impact of Printing 1450-1800 (19842); J.A. Gruys. ‘Post-incunabula: a Dutch contribution to bibliographical vocabulary’, in: Accross the narrow seas. Studies in the history and bibliography of Britain and the Low Countries. Presented to Anna E.C. Simoni (1991), p. 17-22. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]

 

postmodernisme

De term postmodernisme heeft pas in de jaren '80 in Nederland ingang gevonden. In de Verenigde Staten was ze al vanaf de jaren '50 in omloop. Aanvankelijk werd ze gebruikt als aanduiding van een grote variëteit aan avant-garde-verschijnselen zoals pop art, happenings, Living Theatre, beatpoëzie. Deze fenomenen werden beschouwd als een aanval op het modernisme in kunst en literatuur, waarvan men het academische en cerebrale karakter hekelde. In latere jaren zou de term wisselende betekenissen gaan krijgen afhankelijk van de context waarin ze werd gebruikt. De belangrijkste toepassingen kreeg de term echter in de architectuurkritiek, de literatuurbeschouwing en in de filosofie.

In deze laatste context fungeert de term postmodernisme als verzamelnaam voor die filosofische stromingen waarin kritiek wordt geleverd op de metafysische ideeën in de klassieke filosofie: zo kunnen de opvattingen van Wittgenstein en van Derrida onder dezelfde paraplu worden samengebracht. In het algemeen geldt de term als een aanduiding voor de opvatting dat de rol van ideologieën is uitgespeeld. Aan de mogelijkheid van coherente wereldbeelden die richtsnoer zijn voor het handelen van grote maatschappelijke groepen wordt getwijfeld.

In de literatuurbeschouwing wordt de term opgevat als een kritiek op, dan wel radicalisering van modernistische principes zoals die bijv. in het werk van Thomas Mann, Virginia Woolf of Marcel Proust worden aangewezen. Daarin zou men pogingen vinden een coherent wereldbeeld te construeren, al wordt er al getwijfeld aan de mogelijkheid dat vanuit een centraal perspectief te doen (polyperspectivisme). De aandacht wordt daarin op het bewustzijn zelf gericht, waardoor ook getwijfeld wordt aan een chronologisch tijdsbesef en de zinvolheid van een fabelstructuur waarin de gebeurtenissen causaal of temporeel worden bepaald.

Het postmodernisme is in die zin een aanduiding voor hoofdzakelijk literair proza zoals dat gestalte krijgt in het werk van Beckett, Cortazar of Joyce (Finnegans Wake). Daarin gaat het niet meer om pogingen een wereldbeeld te ontwerpen, maar worden alle opbouwelementen van de verhaalwerkelijkheid ter discussie gesteld. Fundamenteel wordt getwijfeld aan de taal als middel om ideeën of gevoelens uit te drukken of de werkelijkheid te beschrijven. De status van de auteur, van het genre, überhaupt van de tekst, van een verhaalwerkelijkheid staan hier onder druk. Het literaire werk is niet in staat om een betekenisvolle samenhang als beeld van de ‘wereld’ te presenteren. Postmodernistische literatuur richt zich in het bijzonder op het talige karakter van de tekst om die voortdurend te toetsen aan haar werkelijkheidswaarde. Deze literatuuropvatting impliceert een aantal verschijnselen die men in postmodernistische teksten kan aantreffen.

Traditionele genre-indelingen worden verworpen of op een verrassende wijze juist benut om ze voor de lezer ter discussie te stellen. In het bijzonder populaire genres als de detective, de western, de sciencefictionroman, het sprookje e.d. met hun vaste vormgeving lenen zich voortreffelijk om de genreconventies onder druk te zetten. Onder meer op dit gebied is duidelijk sprake van intertekstualiteit.

Literaire conventies berusten op opvattingen, vooronderstellingen waarachter een levensopvatting schuil gaat. Postmodernisme is metafictioneel, d.w.z. gaat in discussie met literaire conventies zoals die in literaire werken zijn geïncorporeerd om de impliciete levensopvattingen als fictie te ontmaskeren.

Omdat postmodernisten ervan uitgaan dat taal en werkelijkheid niet kunnen samenvallen wordt het mimetisch karakter (mimesis) van literatuur ontkracht. Dat betekent dat literaire verschijnselen als plot, intrige, chronologie (chronologische vertelwijze) worden becommentarieerd omdat ze een logische ordening veronderstellen die samenhangt met de wereldbeschouwing van de auteur. Postmoderne schrijvers opteren voor een alogische ordening, bijv. de collage of de achronologische vertelwijze (achronie) om daarmee aan te geven dat de positie van de beschouwer een zuiver toevallige is. Het verloop van de postmoderne tekst wordt niet bepaald door een lineaire ontwikkeling of door causaliteit, maar in de eerste plaats door de taal zelf. De taal genereert het verloop van de intrige. Het ontstaan van de tekst wordt onderwerp van de tekst.

Het postmoderne personage is geen traditioneel romanpersonage, maar veeleer een veelvormige identiteit die zich uit als een stem waarin een veelheid aan mogelijke zienswijzen wordt uitgesproken. Ook bij het personage komt de nadruk te liggen op de taligheid, d.w.z. het bewustzijn dat zijn identiteit uitmaakt, bestaat bij de gratie van de gebruikte taal.

Uitgaande van de bovenstaande opvattingen over de term postmodernisme, kan men het werk van een aantal Nederlandse auteurs aanwijzen als postmodernistisch. In een artikel ‘Postmodern elements in postwar fiction’ (opgenomen in: Postmodern fiction in Europe and the Americas, ed. D'haen en Bertens, 1989) noemt Anthony Mertens de auteur Gerrit Krol als de enige Nederlandstalige auteur die zichzelf (overigens niet zonder enige ironie) postmodernist genoemd heeft. Daarnaast bespreekt Mertens het werk van W.F. Hermans (De god Denkbaar, Denkbaar de god,1956), H. Mulisch (De verteller, 1970), B. Schierbeek (Het Boek Ik, 1951), Louis Ferron, Sybren Polet en J.F. Vogelaar.

LIT: Abrams; Baldick; Gorp; Herman/Vervaeck; MEW; Myers/Simms; J.-F. Lyotard. La condition postmoderne (1979); D.W. Fokkema. Literary history, modernism and postmodernism (1983); W. Hudson en W. van Reijen (red.). Modernen versus postmodernen (1986); D. Fokkema and H. Bertens (ed.). Approaching postmodernism (1986); J.-F. Lyotard. Het postmoderne uitgelegd aan onze kinderen (1987); J. Hassan. The postmodern turn. Essays in postmodern theory and culture (1987); Carel Peeters. Postmodern. Een polemisch essay (1987); Dick Veerman en Christel van Boheemen. Postmodernisme. Politiek zonder vuilnisvat (1988); H. Bertens en Th. D'haen. Het postmodernisme in de literatuur (1988); Th. D'hean and H. Bertens (ed.). Postmodern fiction in Europe and the Americas (1989); Bart Vervaeck. Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman (1999). [G.J. van Bork]

 

Praags structuralisme of Tsjechisch structuralisme

Evenals het Franse structuralisme baseert het Praagse structuralisme zich op De Saussure's taaltheorie, maar in tegenstelling tot het Franse structuralisme wordt de nadruk op historische ontwikkelingen en genreverschijnselen gelegd. Literatuur schept steeds nieuwe conventies waarin taaltekens op een steeds andere manier functioneren. De Praagse structuralisten gaan ervan uit dat het literaire werk zich onderscheidt van andere teksten door een verschil in relaties tussen taaltekens en hun functies. In die opvatting tonen ze zich schatplichtig aan het Russisch formalisme.

Belangrijke begrippen die door de Praagse structuralisten werden geïntroduceerd zijn de esthetische norm, de esthetische functie, de esthetische waarde en het esthetisch object. Hun opvattingen hierover vertegenwoordigen in hun aandacht voor de lezer de verbinding met de latere receptie-esthetica. Ze zijn vanwege hun gerichtheid op taaltekens de grondleggers van de semiotiek.

De lezer wordt op de ‘literairheid’ van de tekst gericht door het bijzondere taalaanbod, waardoor niet de mededeling maar de vormgeving de aandacht trekt. De veranderingen in vormgeving hangen samen met de variabiliteit van esthetische normen en functies, die er weer voor zorgen dat men ook de esthetische waarde anders zal invullen. Met de term esthetisch object introduceerden de Praagse structuralisten een van de basisprincipes van de receptie-esthetica door onderscheid te maken tussen het zogenaamde artefact (= het kunstwerk als materieel object) en het esthetisch object (= het kunstwerk als voorwerp van receptie). Zowel in hun opvattingen over de esthetische functie als over het esthetisch object betrekken de Praagse structuralisten de lezer in hun literatuurbenadering. Doorbreking van de normen wordt in hun redenering steeds geïmpliceerd. De lezersreactie moet mede bepaald worden door vervreemding (vervreemdingseffect).

De Praagse Linguïstische Kring, waarin de Tsjechische structuralisten zich in 1926 verenigden, was een trefpunt van de uitgeweken Russische formalisten R. Jakobson en N. Troebetskoj en Praagse structuralisten als B. Havrånek, F. Vodicka en J. Mukarovsky. De Tsjechisch-structuralistische ideeën drongen pas enkele decennia na de Tweede Wereldoorlog definitief door in West-Europa. Met name het werk van René Wellek, ook lid van de kring, heeft voor de theorievorming en literatuurgeschiedschrijving in het westen een grote rol gespeeld.

LIT: Gorp; MEW; K. Chvatik. Tschechoslowakisches Strukturalismus. Theorie und Geschichte (1981); P. Steiner (red.). The Prague School. Selected writings, 1929-1946 (1982); P.V. Zima. ‘Tsjechoslowaaks structuralisme’, in: R.T. Segers (red.). Vormen van literatuurwetenschap (1985), p. 35-60; N. Laan. Het belang van smaak. Twee eeuwen academische literatuurgeschiedenis (1997), p.151-209. [G.J. van Bork]

 

praatvers zie parlandopoëzie

 

praelectio

Het voorlezen door de leraar en het lezen van teksten met de leerlingen op de retoricaschool, later de Latijnse school. Uit de praelectio konden leerlingen hun copia rerum en copia verborum aanleggen en tropen-1 en figurae of stijlfiguren verzamelen.

LIT: P.N.M. Bot. Humanisme en onderwijs in Nederland (1955). [P.J. Verkruijsse]

 

praeparatio

Term uit de retorica voor de voorbereiding van het publiek of lezer op een shockerende of ongeloofwaardige mededeling. De praeparatio maakt deel uit van de anticipatie-1 en maakt gebruik van amplificatio.

Een voorbeeld van amplificerende praeparatio is het begin van het gedicht ‘De schipbreuk’ van De Schoolmeester:

 
Onder de merkwaardigste tafreelen,
 
Waarin wy gewoon zijn de schepping te verdeelen,
 
Behooren vooral zekere natuurtooneelen,
 
Inzonderheid een vaartuig in den storm.
 
Wanneer iemand gerust kan zeggen: 'Ik ben maar een worm,
 
Die noch zijn eigen kan helpen, noch zijn natuurgenooten,
 
Al stond hy ook op zijn achterste pooten.
 
Zoo er daarom een schipbreuk voorhanden is op zee,
 
Ga ik liever voor mijn plezier niet meê. -
 
Leergierige jeugd! gy bespeurt gewis,
 
Dat wat ik thands op 't oog heb een schipbreuk is.
 
(De gedichten van den Schoolmeester, ed. Van Lennep, z.j., p. 17)

LIT: Best; Lausberg; Shipley. [P.J. Verkruijsse]

 

praeteritio of paraleipsis

Term uit de retorica voor de mededeling van een spreker of auteur dat hij het niet over een bepaald aspect van de zaak zal hebben, een aspect dat hij intussen wel expliciet noemt, maar over zal gaan tot iets belangrijkers. Het effect van praeteritio is dan vaak dat juist op het terloops genoemde extra aandacht valt. Vaak wordt praeteritio ironisch (ironie) gebruikt.

Een voorbeeld van preateritio komt voor in de rede van P.J. Troelstra, gehouden in de Tweede Kamer op 12 november 1918:

Het is wel eigenaardig. Mijnheer de Voorzitter, en het doet mij leed, dat mijn nuchtere en kalme beschouwingen den heer Wijnkoop zoo irriteeren; ik zal maar niet ingaan op de psychologische beschouwing, waar die irritatie vandaan komt. Maar ik heb het nu op dit oogenblik te doen met een vertegenwoordiger van de bourgeoisie. Dat vind ik veel belangrijker dan dat kleine gekibbel, dat wij dezer dagen hebben gehad over enkele uitdrukkingen in parlementaire moties. Ik vind het veel belangrijker om straks te hooren wat een man als professor Visser van IJzendoorn over ons optreden te zeggen heeft.
(J.P. Guépin. Schokkende redevoeringen, 1990, p. 369-370).

De preateritio is verwant aan de occupatio.

LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Metzler; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

pragmatische literatuur

Term afkomstig van M.H. Abrams voor een van de vier mogelijke literatuurbenaderingen met betrekking tot de functie van literatuur. Pragmatische literatuur is de literatuur waarin de auteur zich een buiten de literatuur zelf gelegen doel stelt en de lezer zodanig wil beïnvloeden dat een adequate respons verwacht mag worden. Literatuur is in deze opvattingen dus een middel om te onderwijzen, op te voeden of een lezer tot sociale of politieke activiteit aan te zetten. De term pragmatische literatuur dekt dan ook overeenkomstige literatuurtypen als onzuivere literatuur en tendensliteratuur en vertoont overeenkomsten met de term engagement. Een heel scala van tekstsoorten kan men onder de pragmatische literatuur rangschikken, zoals didactische literatuur, religieuze literatuur, politieke en sociale literatuur, propagandaliteratuur e.d.

Eigenlijk spreekt Abrams niet over pragmatische literatuur, maar over pragmatische theorieën over literatuur. De term is in feite alleen in die zin bruikbaar, omdat er dan geen tekstsoort mee wordt aangeduid, maar een literatuuropvatting. Als tekstsoort zou pragmatische literatuur nauwelijks af te grenzen zijn van de andere categorieën die Abrams noemt: de mimetische (mimesis), de expressieve en de objectieve categorieën (autonomiebewegingen, l'art pour l'art, zuivere poëzie).

LIT: Scott; M.H. Abrams. The mirror and the lamp (1958), p. 14-21. [G.J. van Bork]

 

préciosité

Term voor de Franse maniëristische (maniërisme) stroming uit de eerste helft van de 17e eeuw waarop wellicht het Italiaanse marinisme, het Spaanse gongorisme en het Engelse euphuism van invloed zijn geweest. Zoals in al die stromingen gaat het ook hier om het cultiveren van gekunstelde taalvormen en literaire genres, maar in Frankrijk speelt zich dit alles af in de salons van de adellijke dames (‘les précieuses’), met name in die van Cathérine de Vivonne (het Hôtel de Rambouillet), Madame de Sablé en Mademoiselle de Scudéry, waar ook zeer verfijnde omgangsvormen ontwikkeld en beoefend werden. De préciosité werd al snel belachelijk gemaakt in bijv. de blijspelen van Molière.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert; R. Lathuillère. La préciosité; étude historique et linguistique (1966). [P.J. Verkruijsse]

 

preek, collatie, homilie of sermoen

Op schrift gestelde redevoering met een religieus stichtende, vermanende of moraliserende inhoud; de literaire weergave van de prediking. In de middeleeuwse stichtelijke literatuur nam de preek of het sermoen een belangrijke plaats in, met name de volkspreek voor de simpele ziel, de zogenaamde ‘sermo humilis’. Het sermoen heeft een thematisch karakter, dat vaak wordt opgehangen aan een bijbelvers of een deel daarvan.

De term wordt vaak in een adem gebruikt met collatie, de (religieuze) samenkomst en de tekst die daarbij uitgesproken werd, bijv. in het incipit ‘Hier beghinnen Jhesus collacien of sermoenen beghinnende van vastelavond tot Paeschen’. Naast het sermoen en de collatie bestaat de homilie: een preek waarin een bepaald deel uit de bijbel wordt verklaard, zonder dat hierbij een bepaald thema wordt behandeld.

In de Middelnederlandse literatuur zijn o.a. de Limburgsche Sermoenen (ed. Kern, 1895) overgeleverd, een verzameling preken die in het begin van de 14e eeuw is opgetekend.

De preek kan beschouwd worden als de tegenhanger van het traktaat, dat al direct op schrift werd gesteld om gelezen te worden.

Een parodie op het sermoen is het spotsermoen, dat deel uitmaakt van het vastelavondrepertoire (vastelavondviering).

Sommige predikanten gaven hun preken uit, o.a. op grond van de eraan toegekende literaire waarde. In dat verband denke men aan de predikant-dichters als D.R. Camphuysen (1586-1627) en J. van Lodensteyn (1620-1677). Bekend zijn ook de Breydel voor d'ongebondene Tonghe (1623) van ds. D. Souterus, en verschillende prekenboeken van B. Smytegelt (1665-1735).

LIT: Baldick; Laan; Metzler; MEW; A.M. Baaij. Jhesus collacien. Een laatmiddeleeuwse prekenbundel uit de kringen der Tertiarissen (1962); G.R. Owst. Literature and pulpit in medieval England (1966); G.C. Zieleman. ‘Preken als litteraire documenten’, in: Th. Mertens (red.). Boeken voor de eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza (1993), p. 70-86; J. Bosma. Woorden van een gezond verstand. De invloed van de Verlichting op de in het Nederlands uitgegeven preken van 1750 tot 1800. Monografie & bibliografie (1997). [H. Struik]

 

prent

Afdruk van een afbeelding via een van de grafische technieken (houtsnede, gravure, ets, lithografie (steendruk), offset enz.), al dan niet vergezeld van enige begeleidende tekst, op papier, gewoonlijk op plano-formaat. Naast de grafiek van de beeldende kunstenaars zijn er de voor de literatuurgeschiedenis interessante kinderprent, zoals de centsprent en de rijmprent, de historieprent en het pamflet-1 en -2 dat ook het karakter van een prent kan hebben. Prenten (houtsneden) in boeken komen vanaf het begin van de boekdrukkunst voor; de gravure als boekillustratie dateert van het midden van de 16e eeuw; de ets breekt pas goed door in de 17e eeuw. Veel boeken werden voorzien van een titelprent, een afzonderlijk titelblad dat voorafging aan de gedrukte titelpagina.

Veel bibliotheken-1, musea-2 en archieven-1 hebben een iconografische (iconografie) afdeling. Van belang is ook het Iconografisch Bureau in Den Haag. Grote collecties prenten van letterkundigen bevinden zich in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag en op het Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde van het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Portretten van letterkundigen kan men eveneens aantreffen in o.a. de catalogi van F. Muller. Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Nederlanders (1853) en J.F. van Someren. Beschrijvende catalogus van gegraveerde portretten van Nederlanders (1888-1891).

Historieprenten zijn beschreven in de catalogus van de Atlas van Stolk (1895-1933) door G. van Rijn, waarin opgenomen alle door F. Muller in De Nederlandse geschiedenis in platen (19702) beschreven prenten. M. de Meyer en C.F. van Veen inventariseerden de kinderprenten in respectievelijk De volks- en kinderprent in de Nederlanden van de 15e tot de 20e eeuw (1962) en Drie eeuwen Noord-Nederlandse kinderprenten (1971). Van de collectie- Gerrit van Rijn bestaat een Catalogus eener belangrijke verzameling kinderboeken, kinderspelen en kinderprenten (1883) en van de centsprenten door C.F. van Veen: Centsprenten (1976).

LIT: BDI; Hiller; M.A. Becker-Moelands. De juridische titelprent in de 17de eeuw (1985); F. van der Linden. De grafische technieken (19905); E.O.G. Haitsma Mulier, ‘Woord en beeld: titelprenten van enkele Nederlandse historische werken uit de 17e en 18e eeuw’, in: Holland, thema-nr. Gedrukt in Holland 26 (1994), nr. 4/5, p. 274-291. [P.J. Verkruijsse]

 

preromantiek

Periodiseringsterm (periode) uit de oudere vakliteratuur voor de tijd van de opkomst van de romantiek. Sommigen gebruiken de term als verzamelnaam voor reacties tegen het classicisme en/of de verlichting (piëtisme, Sturm und Drang e.a.); anderen duiden er in het algemeen de periode mee aan vóór Byron, Novalis, Chateaubriand en De Musset: Rousseau en Diderot in Frankrijk, de jonge Goethe en Schiller in Duitsland.

In de jaren '60 is de term gangbaar geworden in de neerlandistiek. Steunend op Brandt Corstius hanteerde Knuvelder de aanduiding voor figuren als Post, Bellamy, Feith, Van Alphen, Wolff en Deken. Omstreeks 1975 komt daar verandering in. Van den Berg stelt voor de term te vervangen door ‘late Verlichting’. Hij is van mening dat de suggestie van ‘romantische’ voorlopers ten aanzien van de genoemde schrijvers minder adequaat is dan de typering (ten aanzien van Van Goens e.a.) die aangeeft hoe schrijvers een nieuwe wending gaven aan datgene wat reeds bestond: verlichting.

LIT: Gorp; Laan; Lausberg; MEW; Preminger; Wilpert; P. Viallaneix (ed.). Le Préromantisme (1975); W. van den Berg. ‘Präromantik-Konzeption und die niederländische Literaturgeschichte’, in: D.W. Fokkema e.a. (red.). Comparative poetics (1976), p. 169-197. [G.J. Vis]

 

presentspel zie tafelspel

 

priamel

Term uit de genreleer voor een oorspronkelijk improvisatorische dichtvorm (ex tempore) met trekken van een gnome-2. Kenmerken zijn de - soms wat chaotische - inleiding en een abrupt slot met een pointe. Het genre beleefde zijn bloei in het Duitse taalgebied tussen de 13e en 16e eeuw. In het Nederlands komen specimina ervan voor in de literatuur van de rederijkers en in de 17e eeuw bij auteurs van puntdichten als Roemer Visscher, Cats en Huygens.

Vaak bestaat het gedicht uit enkele (meestal drie) parallel gebouwde (bij)zinnen uitmondend in een (hoofd)zin aan het slot. Zo Huygens' ‘Dry uer-wercken’:

 
Jan treckt sijn strengh en swijght, en antwoordt maer gevraeght,
 
Joost kakelt schielick op, of doncker is, of daeght;
 
Jaep is noyt seggens satt, all had hy nacht en dagh werck;
 
Jan is een Wijser, Joost een Wecker, Jaep een Slagh-werck.
 
( F.L. Zwaan. Voet-maet, rijm en reden, 1963, p. 103).

De priamel is verwant aan het epigram-1.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; W. van Anrooij. ‘Middeleeuwse opschriften. Een rijmspreuk van papieren letters in Deventer’, in: Literatuur14 (1997), p. 100-101. [G.J. Vis]

 

priapee

Aanduiding voor een schertsgedicht gewijd aan de Griekse vruchtbaarheidsgod Priapus, in de beeldende kunst voorgesteld met een opmerkelijk grote fallus. Schrijvers in de Nederlandse letterkunde die dit genre hebben beoefend, zijn o.a. J. van Someren en W. Bilderdijk.

Men zie de volgende priapee ‘Op Priaap’ van Van Someren uit diens Uyt-spanning der vernuften, bestaende in geestelijcke ende wereltlijcke poësy (1660):

 
Hoe baert ghy dus op myn dat ick stae sonder hemt,
 
Jupijn voert 't blixem-vuur, en niemandt dunckt het vremt,
 
En Mars vertoont syn swaerd, Apoll' syn Sonne-stralen,
 
Diaen en schaemt haer niet het wildt uyt 'tbosch te halen,
 
Minerva deckte noyt haer langh-gevoerde lans,
 
Noch Hercules syn knods, voor Vrouwen of voor Mans.
 
Waerom verwyt men my de naecktheyt myner leden,
 
Verloor ick dit geweer, wie dee' my offer-beden.
 
( G. Komrij. De Nederlandse poëzie van de zeventiende en de achttiende eeuw in duizend en enige gedichten, 1986, p. 449).

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

priapische literatuur

Oorspronkelijk de onverbloemde erotische literatuur die genoemd is naar de vruchtbaarheidsgod Priapus aan wie een groot aantal Griekse en Latijnse gedichten (priapee) werd opgedragen. Deze gedichten hadden vaak de bedoeling om onvruchtbaarheid te bezweren. De priapische gedichten in het Corpus Priapeorum (1e eeuw n.Chr.) hebben echter een overwegend obscene inhoud. Bij uitbreiding gebruikt men daarom de term wel voor alle vormen van erotische literatuur of voor pornografie in het bijzonder.

LIT: Metzler; MEW; Preminger; Wilpert; M. Coulon. La poésie priapique dans l'antiquité et au moyen age (1932). [G.J. van Bork]

 

pricking zie prik

 

prik, lijngaatje, piqûre of pricking

Gaatje in de rand van een perkamenten blad van een codex, dat diende als richtpunt bij het liniëren. Voordat een kopiist kon beginnen met schrijven, moest hij ervoor zorgen dat de liniëring en de bladspiegels overal gelijk waren. Om aan te geven waar de verschillende lijnen getrokken moesten worden, werden met een priem gaatjes geprikt op de eindpunten van de lijnen: in de zijmarges voor de regellijnen, in de boven- en ondermarges voor kantlijnen en kolommen. Dit gebeurde op verschillende manieren: per blad-2, per dubbelblad of per uitgevouwen ongesneden vel. Het aanbrengen van prikken in een aantal op elkaar gelegde vellen was de snelste werkwijze. De plaats van de prikken kan ons vertellen hoe een katern tot stand is gekomen.

LIT: J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 30. [H. Struik]

 

prima manus

Term uit de editietechniek, ook wel aangeduid met de Duitse term ‘erster Hand’, voor de eerste door een auteur neergeschreven versie van een tekst in een manuscript, waarin later allerlei varianten aangebracht kunnen worden. Het is aan de tekstediteur te beslissen of hij in een historisch-kritische editie als basistekst kiest voor de uitgave prima manus en de latere stadia van de tekstgenese in het variantenapparaat onderbrengt, of dat hij een uitgave ultima manus geeft en alle ontstaansvarianten naar het apparaat verwijst.

Een voorbeeld van een editie prima manus is die door P. Leendertz Wzn. (2 dln., 1871-1875) van de Gedichten van P.C. Hooft; de editie van F.A. Stoett (2 dln., 1899-1900) daarentegen gaat uit van de ultima manus.

LIT: S. Scheibe. ‘Zu einigen Grundprinzipien einer historisch-kritischen Ausgabe’, in: Texte und Varianten (1971), p. 1-44, m.n. 33-35. [W. Kuiper]

 

primaire literatuur

Verzamelnaam voor die categorie bronnen (bron) die men tot het scheppend werk, tot de literaire kunst rekent. Publicaties over het literaire werk als object van onderzoek (monografieën, tijdschriftartikelen e.d.) noemt men secundaire literatuur.

Soms is het onderscheid tussen primaire en secundaire literatuur arbitrair. Dat kan bijv. het geval zijn met essays of memoires die door hun vormgeving of afkomst (van een bepaald auteur) - afhankelijk van het gebruik dat men ervan maakte - óf tot de primaire óf tot de secundaire literatuur gerekend worden. Men denke bijv. aan de essays van Ter Braak of de dagboeken van Hans Warren. In de Mededelingen van de Documentatiedienstvan het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum en het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, een kaartsysteem van subjectieve persoonsbibliografieën, worden dergelijke geschriften dan ook als primaire literatuur beschouwd.

In de exacte wetenschappen en vervolgens ook in de documentaire wetenschap hanteert men een andere indeling omdat men daar niet te maken heeft met primaire literatuur in de zin van literaire kunst (het onderzoeksobject wordt aangeduid als bron). Daar verstaat men onder primaire literatuur díe publicatie(s) waarin een onderzoeker voor het eerst zijn onderzoeksresultaten mededeelt.

De neerlandicus zal bijv. Vondels Gysbreght primaire literatuur noemen; voor de documentalist is dit de bron. W.A.P. Smits verhandeling over de Gysbreght in zijn monografie Van Pascha tot Noah noemt de neerlandicus secundaire literatuur; de documentalist vindt dit primaire literatuur. De Bibliographie van Vondels werken door J.H.W. Unger hoort voor de neerlandicus tot het apparaat; de documentalist noemt dit werk secundaire literatuur. De documentalist onderscheidt ook nog tertiaire literatuur, waartoe hij het algemene gedeelte van het apparaat van de neerlandicus rekent.

LIT: BDI; Metzler; Wilpert; P.S.A. Groot. Documentaire dienstverlening (1981), p. 165; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse/G.J. van Bork]

 

prince

Benaming uit de 16e eeuw voor de aanhef van de slotstrofe van een rederijkersgedicht, met name de ballade-2 en het refrein-2, oorspronkelijk opgedragen aan de prins van de rederijkerskamer. Doorgaans droeg deze strofe ook ‘prince’ als opschrift, zoals bijv. in het Wilhelmus. Een enkele keer is de laatste strofe van een refrein aan iemand anders opgedragen, bijv. de geliefde of de koningin, die dan met ‘princesse’ wordt aangesproken. De prince is hetzelfde als het envoi, maar dit Franse woord werd in de Nederlanden niet gebruikt.

Al gauw was de prince niet meer gericht aan de prins van de rederijkerskamer, maar was het een formeel kenmerk van de ballade en het refrein, waarin een variatie op het woord ‘prince’ volstond. Omwille van haar geslacht is het niet erg waarschijnlijk dat Anna Bijnsooit officieel lid is geweest van een rederijkerskamer en daar regelmatig haar werk heeft voorgedragen. In veel gevallen zal zij zich dus ook niet tot de prins van de rederijkerskamer gericht hebben in haar refreinen, die wel een prince bevatten. Ook de aanspreektitel ‘princesse’ lijkt niet gericht tot enige beschermvrouwe; zo is het louter een poëtisch spel als Anna Bijns de vieze non in haar ballade ‘'t Is beter geveesten dan kwalijk gevaren’ ironisch ‘prinses’ noemt (H. Pleij (samenst.). 't Is al vrouwenwerk. Refreinen van Anna Bijns, 1987, p. 30-32).

Een voorbeeld van een prince in de moderne literatuur is de laatste strofe van de Ballade van den grooten dorst van J.W.F. Werumeus Buning:

 
François Villon, mijn prins, bij Jezus' dorst,
 
Wij hebben nooit een druppel wijn vermorst.
 
Noch ooit bemind of God erkend als vorst.
 
Wist gij den weg in 's werelds prachtig woud?
 
Heet is het bloed, en dor de keel als zout,
 
En dorst is alles wat men overhoudt.
 
(Verzamelde gedichten (1947), p. 183).

LIT: Gorp; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in: id. Terugblik (1986), p. 9-25. [H. Struik]

 

prins of keizer

Zestiende-eeuwse benaming voor het hoofd van een rederijkerskamer. De prins was een kapitaalverstrekker; de artistieke leiding berustte bij de factor. Hij bepaalde o.a. de stokregel (stock) van de refreinen (refrein-2) en loofde prijzen uit. Aan hem is gewoonlijk de laatste strofe van een ballade-2 of refrein opgedragen, die dan ook prince genoemd wordt.

LIT: Laan; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers.’ in: id. Terugblik (1986), p. 9-25. [W. Kuiper]

 

private press

Particuliere drukkerij, meestal beschikkend over één enkele drukpers, waarvan de eigenaar zich ten doel stelt typografisch bijzonder drukwerk te vervaardigen, vooral drukwerk dat aan hoge esthetische normen voldoet. De private press-eigenaar drukt gewoonlijk niet in opdracht of met een commercieel doel, al verkoopt hij zijn uitgaven wel, bijv. aan bibliofielen (bibliofilie) om uit de kosten te raken of om nieuw materiaal aan te kunnen schaffen.

Als een vroege private press kan de Brugse Officina Goltziana van Marcus Laurinus en Hendrik Goltzius (16e eeuw) gelden, maar deze onderscheidt zich van de meer typerende private presses van de 19e eeuw door het feit dat het hier ging om uitgaven die weliswaar aan hoge esthetische eisen voldoen, maar niet gericht waren tegen het machinaal drukken.

De laat-19e-eeuwse private press richt zich vooral tegen de als onesthetisch ervaren industriële boekdruk die het vroegere handwerk verdrong. Bovendien speelt daarbij het sociale experiment soms een rol, in die zin dat er van een vroege vorm van ‘kleinschaligheid’ gesproken kan worden, die gesteld werd tegenover de massaliteit en normloosheid van de industrialisatie. Dit type private press vindt zijn oorsprong in Engeland aan het eind van de 19e eeuw. De vroegste was de Kelmscott Press (1891-1898) van William Morris. Daarna volgden de Vale Press (1894) van Ch. Ricketts en de Doves Press (1900) van T.J. Cobden-Sanderson en E. Walker; in Duitslandde Cranach Presse (1913) van H. Kessler; in Italië de Officina Bodoni (1923) van G. Mandersteig.

In Nederland werd het Engelse voorbeeld van Morris e.a. al spoedig gevolgd door de Zilverdistel (1910), later de Kunerapers (1922) van J.F. van Royen, die een belangrijk aandeel had in de ‘renaissance van de Nederlandse boekdrukkunst’.

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond opnieuw een herleving van het ambachtelijk drukken. Voorbeelden daarvan zijn de Tuinwijkpers (1955) van S. Hartz en C. van Dijk, en de bibliofiele uitgaven van Jaap Meijer, Ger Kleisen Gerard Post van der Molen. De meeste van deze drukkers zijn aangesloten bij de Stichting Drukwerk in de Marge die periodiek een Bulletin uitgeeft en een aantal bibliografieën van ‘marginale’ drukken heeft verzorgd (4 dln.: 1977; 1979; 1982; 1996).

LIT: Brongers; Cuddon; Feather; Fowler; Hiller; G.H. Pannekoek Jr. De herleving van de Nederlandsche boekdrukkunst sedert 1910 (1925); W. Ransom. Private presses and their books (1929); M.R. Rademacher Schorer. Bijdrage tot de geschiedenis van de renaissance der Nederlandse boekdrukkunst (1951); C. Roderick. The private press (1971); H. de la Fontaine Verwey. ‘De eerste “private press” in de Nederlanden. Marcus Laurinus en de “Officina Goltziana”’, in: id. Uit de wereld van het boek (dl. 1, 1975), p. 69-83; J.F. Anderson. Private Press work (1977); F.A. Janssen. ‘Boeken maken in het klein’, in: Open10 (1978), p. 3-7. [G.J. van Bork]

 

privilege, octrooi of privilegie

Een privilege of octrooi is een in de periode vanaf de tweede helft van de 16e eeuw tot 1795 door de burgerlijke overheid (de Staten Generaal vanaf 1584; de Staten van de gewesten wellicht al vroeger) verleende bescherming tegen nadrukken (roofdruk), een soort voorloper van het auteursrecht. Meestal werd tegen betaling een octrooi verleend voor één bepaald werk voor een periode van 15 jaar aan een drukker-uitgever, maar ook wel aan een auteur. Een uitzondering is bijv. het octrooi dat de Staten van Holland op 24 juli 1679 verlenen aan de vertaler Mattheus Smallegange voor een aantal te publiceren vertalingen van Malvezzi, Tacitus, Charron, Quevedo, Gracian, Diogenes Laertius, Lucianus, Plutarchus en Plato voor een periode van 15 jaar, te rekenen vanaf het verschijnen van iedere vertaling (zie P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange, 1983, p. 520). Het privilege voor de Statenbijbel leidde tot enorme problemen en jarenlange gerechtelijke procedures tussen enerzijds vooral Amsterdamse drukkers en anderzijds de geprivilegieerde weduwe Van Wouw en Paulus Aertsz van Ravesteyn en de Staten Generaal.

Een privilege bevatte ook een boetebeding: verbeurdverklaring van de nadruk en een geldbedrag, gesplitst in een deel voor de aanbrenger, voor de plaatselijke armen en voor de Officier van Justitie of iets dergelijks. De privilegevermelding werd op de (gegraveerde) titelpagina afgedrukt (bijv. ‘Met Privilegie voor 15. jaren’ of ‘Met speciael Octroy vande Heeren Staten voor 15 Iaren’) en de tekst van het octrooi op de verso-zijde van het titelblad. Omdat de octrooiverlening soms wat lang uitbleef, kan men boeken aantreffen waarvan een gedeelte van de oplage geen en een ander deel wel de privilegevermelding heeft, die dan als persvariant (correctie op de pers), cancel of op een tussengeschoten blad is aangebracht. Een voorbeeld daarvan is de in 1661 bij Jacobus van Meurs verschenen Afbeelding van 't Oude Romen met een titelgravure in twee staten (staat) en een toegevoegd blad met het privilege van 16 juli (zie P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange, 1983, p. 103-125).

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; MEW; Wilpert; J.T. Bodel Nyenhuis. De wetgeving op drukpers en boekhandel in de Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw (1892); A.C. Kruseman. Aantekeningen betreffende den boekhandel van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw (1893); H.L. de Beaufort. Het auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht (1909); H. de la Fontaine Verwey. ‘De Nederlandse drukkers en de Bijbel’, in: id. Uit de wereld van het boek, dl. 2 (1976), p. 77-102; I.H. van Eeghen. De Amsterdamse boekhandel 1680-1725, dl. 5/1 (1978), p. 26-28, 193-236; Th. Clemens. De godsdienstigheid in de Nederlanden in de spiegel van de katholieke kerkboeken 1680-1840 (1988), p. 24-26. [P.J. Verkruijsse]

 

privilegie zie privilege

 

pro- en contrarefrein

Bijzondere vorm van het refrein waarin twee tegengestelde antwoorden op een vraag of twee tegengestelde visies op een bepaalde zaak worden gegeven. Een voorbeeld daarvan is het refrein van Anna Bijns dat begint met ‘Was Noemi zeer droevich om haers mans doodt’, waarin een weduwe haar overleden echtgenoot betreurt en waarvan de eerste strofe eindigt met de stock ‘Totter doodt blijve ic u, lief, getrouwe’. In de tweede strofe wordt daarentegen gezegd ‘Een verloren, twee vercooren’. Deze strofe kent dan ook een andere stokregel: ‘En sijt niet te droeve om des men wel meer vindt’. Deze afwisseling per strofe wordt vervolgens het gehele refrein volgehouden (Nieuwe refreinen van Anna Bijns, ed. Jonckbloet en Van Helten, 1880, p. 83-85). Een goed voorbeeld is ook te vinden in 't Is al vrouwenwerk. Refreinen van Anna Bijns (ed. Pleij, 1987) waarvan de stockregels zijn:

 
Mijn trouwe werdt met ontrouwen geloond
 
Onttelt hij u een trapken, onttelt er viere. (p. 91-96) [G.J. van Bork]

 

probare

Term uit de retorica voor een van de middelen die de ars persuadendi ten dienste staan, nl. het door middel van het aandragen van bewijzen aannemelijk maken van een zaak. Dit kan het best gebeuren in een eenvoudige stijl, het genus humile, een van de drie genera elocutionis.

LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]

 

probatio

Term uit de retorica voor de bewijsvoering, dat onderdeel van de argumentatio waarin argumenten worden aangedragen die de stelling ondersteunen. Deze kunnen gevolgd worden door de refutatio waarin de tegenargumenten van de andere partij weerlegd worden.

LIT: Gorp; Lausberg; LdMA. [W. Kuiper]

 

probatio pennae of pennenproef

Term uit de codicologie en paleografie voor een aantal woorden die zijn geschreven om de kwaliteit van de ganzenveren pen te testen. Een ganzenveer was niet zomaar geschikt om mee te schrijven, maar moest eerst bijgesneden worden. Door intensief gebruik verminderde de kwaliteit van de punt van de pen en moest deze opnieuw worden aangescherpt en getest. Dit testen gebeurde meestal op een (los) schutblad van het handschrift, maar soms ook in de marge van een tekst. Een heel bijzondere probatio pennae is een kort gedichtje uit het eerste kwart van de 12e eeuw:

 
hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda tu wat unbidan we nu
 
(Alle vogels zijn begonnen hun nesten te bouwen, behalve ik en jij. Waarop wachten we nu?)
 
(Ed. Gysseling & Peijnenburg. Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300), 1980, reeks II, dl. 1, p. 126-130).

Dit is de oudste, direct overgeleverde ‘literaire’ tekst in de Nederlandse volkstaal, een fase die het Oudnederlands genoemd wordt.

LIT: Brongers; Gorp; W.J. Caron. ‘Het taalspel van de probatio pennae’, in: TNTL 79 (1963), p. 253-70; G. Kettenis en J. Meijer. ‘Veel trammelant om een klein zinnetje’, in: De letter doet de geest leven (1980), p. 9-25; F.P. van Oostrom. ‘Omstreeks 1100: Twee monniken voeren in het Oudnederlands de pen over de liefde’, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (red.). Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p. 1-6. [H. Struik]

 

procope zie aphaeresis

 

Proctor-Haebler-nummering

Oorspronkelijk door de bibliograaf R. Proctor ontworpen nummering van lettertypen in de volgorde waarin ze in drukken van een bepaalde drukker uit de incunabelperiode voorkwamen mét vermelding van de corpsmaat van 20 regels druks in millimeters. Konrad Haebler heeft deze Proctornummering gewijzigd: hij gaat niet uit van een drukker, maar van de vorm van de gotische kapitaal ‘M’, waarvan hij 258 typen onderscheidde. Via de Proctor-Haebler-nummering kan men trachten niet van een drukkersadres voorziene uitgaven te localiseren. Bij bibliografische beschrijvingen van incunabelen betekent bijv. de aanduiding ‘M75: 120’: de als 75 genummerde gotische kapitaal ‘M’; 20 regels van het desbetreffende lettertype meten 120 millimeter. Voor drukwerk van na de incunabelperiode is een uitgebreider letterformule gewenst.

LIT: K. Haebler. Typenrepertorium der Wiegendrucke (5 dln., 1905-1924). [P.J. Verkruijsse]

 

proefdruk

Een proefdruk wordt gemaakt van een pas ingesloten vorm of van een zetsel in de galei op een proefpers om de ergste fouten, meestal drukfouten (zoals gebroken letter), op het spoor te komen. Voor correctie van de zetfouten werd daarna een drukproef getrokken. Een proefdruk is te herkennen aan het voorkomen van één of meer van de volgende kenmerken: de weerdruk ontbreekt of schoon- en weerdruk maken slecht register; het zetsel is nog niet goed gedresseerd; er komen veel druk- en zetfouten in voor; er komen vlekken op voor of afdrukken in spiegelbeeld of blinddruk omdat het frisket niet gebruikt wordt; er is slecht geïnkt; er is gebruik gemaakt van maculatuur.

Een proefdruk van een prent is vaak een zogenaamde afdruk-voor-de-letter, d.w.z. voordat de teksten (titel, namen van de kunstenaars, onderschrift e.d.) op de plaat zijn aangebracht.

LIT: BDI; Brongers; Hiller; Mathijsen; Scott; W.Gs. Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 141-144. [P.J. Verkruijsse]

 

proefschrift zie dissertatie

 

prognosticatie

Boekje in almanakvorm (almanak) dat (bijna) uitsluitend voorspellingen bevat voor het komende jaar, waarbij de seizoenen, de maanden, de te verwachten oogsten, te verwachten ziektes, oorlogen enz. beschreven worden. Na een korte bloeiperiode in de 15e en 16e eeuw, zakt het genre langzaam af tot volksvermaak in de 18e en 19e eeuw. De titel van de prognosticatie van Isaak Bikkerstaf (1708) is bijna een definitie van het begrip: Wonderlyke prognosticatie ofte voorsegginge, wat in dit jaar 1708 sal voorvallen. Waar in de maand, en den dag van de maand uitgedrukt, de personen genoemt, en de groote actiën en uitkomsten van 't selve bysonderlijk verhaalt worden, soo als deselve sullen komen te gebeuren. Zijnde geschreven om het volk van Engeland te waarschouwen, dat sy door de gemeene almanach maker niet worden bedrogen (19892).

Veel voorspeltechnieken hangen samen met de elementen uit de astrologie die een leek kan waarnemen (astrologia naturalis), maar in de praktijk woekeren talloze systemen en technieken door elkaar. Tot de ongeveer honderd prognosticatietechnieken die in de Middeleeuwen bekend zijn, behoren het lezen van de handlijnen (chiromantie), de interpretatie van in lood gegoten vormen, de uitlegging van dierengeluiden, het lezen van botten of ingewanden van dieren enz.

De voornaamste oorzaak van deze grote verscheidenheid is de professionalisering van de astrologie vanaf de 12e eeuw. De denkbeelden over de astrologie van Thomas van Aquino (1225-1274) werden - ten onrechte - opgevat als een positieve stellingname en universiteiten, adellijke en geestelijke hoven annexeerden deze heidense tovenarij als eerbiedwaardige wetenschap. In de late Middeleeuwen is astrologie een aangelegenheid voor de groten der aarde, bedreven door geleerden. Daarmee ontstaat een groot gat in de markt voor andere technieken om de toekomst te leren kennen. Dat gat zal pas door de astrologen zelf worden ingevuld, wanneer ze, na de uitvinding van de boekdrukkunst, de resultaten van hun berekeningen in handzame boekjes vol praktische adviezen voor een breed publiek verspreiden. Wereldfaam krijgen de profetieën in de Centuries (1555) van Nostradamus (1503-1566); ook nu nog meent men hierin allerlei voorspellingen aan te treffen met betrekking tot hedendaagse gebeurtenissen. Dit geldt ook voor de voorspellingen van Paracelsus (1493-1541).

In de tussentijd hadden zich talloze eenvoudige voorspeltechnieken ontwikkeld, uitvoerbaar voor ongeschoolden met eenvoudige hulpmiddelen. De simpelste vormen met de eenvoudigste hulpmiddelen krijgen succes via de drukpers, waarbij de volksboekjes de lekenastrologie tot een aantrekkelijk gezelschapsspel verheffen, met illustraties en teksten op rijm. Het eenvoudigst zijn de dag-jaarprognosen: de planeet die de eerste dag van het jaar regeert, is de jaarregent die de loop van het hele jaar bepaalt. De maan-jaarprognosen doen hetzelfde op grond van de maanstand, terwijl de metereognostische jaarprognosen allerlei weersverschijnselen op die eerste dag bepalend achten voor de toekomst van dat hele jaar. De voorspellingen in dit soort calendogia betreffen voornamelijk het weer, het vee en de oogst, en boeren vormen dan ook het belangrijkste publiek (en kennisbron?). Dit soort teksten is echter ook bij een stedelijk publiek enorm populair: een druk uit 1539 van Der schaepherders Kalengier wordt aangeprezen als ‘profitelijc [voor] allen menschen, coopluyden ende anderen menschen, wat handelinghe si ooc hanterende sijn’. De inhoud ervan is verbreed met op allerlei astronomische informatie berustende wenken voor een lang en gezond leven. De adviezen worden nadrukkelijk gepresenteerd als berustend op de praktijkervaringen van schaapherders en niet op geleerdheid.

Een parodie op de prognosticatie is de spotprognosticatie.

LIT: Gorp; LdMA; MEW; Wilpert; R. Jansen-Sieben. ‘Middelnederlandse jaarprognosen’, in: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (1971), p. 210-266; H. Pleij. ‘De oudste schaapherderskalender (1511) teruggevonden’, in: W.P. Gerritsen, A. van Gijsen en O.S.H. Lie (red.). Een school spierinkjes. Kleine opstellen over Middelnederlandse artes-literatuur (1991), p. 145-148. [H. Struik]

 

progymnasmata

Term uit de retorica voor de eerste schooloefeningen in retorische vaardigheden, die voorafgaan aan het uitgebreidere curriculum van de exercitatio. Bij de progymnasmata ging het nog niet om het leren samenstellen van gehele redevoeringen, maar om het uitwerken van stellingen, om anekdotes (chria) en kleine toespraakjes (sermocinatio).

LIT: MEW. [W. Kuiper]

 

prolegomena

Inleidende opmerkingen. ‘Prolegomena’ stond in de zeventiende-eeuwse respublica litteraria ongeveer gelijk aan voorwerk, voorwoord. Zo betitelt Hugo Grotius de uitvoerige inleiding op zijn Phoenissae (1630) als ‘Prolegomena’.

Soms kunnen deze de omvang krijgen van een volledig geschrift, zoals in Immanuel Kants Prolegomena zu einer jeden künftigen Metaphysik (1783). S. Vestdijk gebruikte de term voor een hoofdstuk van zijn essaybundel De Poolsche ruiter (1946), nl. ‘Prolegomena eener aesthetiek’.

LIT: Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; E.K. Grootes. ‘Het Berecht voor Jephta en de Prolegomena van Grotius' Phoenissae-vertaling’, in: S.F. Witstein en E.K. Grootes (red.). Visies op Vondel na 300 jaar (1979), p. 236-246. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]

 

prolepsis-1

Term uit de stijlleer voor een stijlverschijnsel, behorend tot de woord- en zinsfiguren, gekenmerkt door het grammaticale feit dat een persoon of zaak, genoemd in het begin van een zin, via een voornaamwoord in het vervolg van de zin herhaald wordt. De in het begin genoemde notie wordt vaak geïsoleerd voorop geplaatst.

Bijv.: ‘Mijn vroegere klasgenoot - ik zou hem niet meer herkennen’.

Men zou de prolepsis in dit voorbeeldzinnetje een van plaats verwisselde bijstelling kunnen noemen. Een andere vorm is echter ook mogelijk, zoals in het zinnetje: ‘Luister naar de bijen, hoe ze zoemen’.

Ten onrechte wordt de prolepsis-1 soms als synoniem beschouwd van inversie. Een van de verschillen tussen beide is het ontbreken van herhaling van noties bij de inversie.

LIT: Baldick; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; Morier; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

prolepsis-2

Term uit de stijlleer voor een tot de gedachtefiguren behorende uitspraak waarin een woord of zinsdeel logisch te vroeg geplaatst is, zoals in de formulering ‘heet water opzetten’. Deze stijlfiguur is verwant aan de hysteron proteron, waarvan men het een variant zou kunnen noemen.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Herman/Vervaeck; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

proletarische literatuur of arbeidersliteratuur

Onder de term proletarische literatuur worden twee verschillende typen literatuur verstaan, die men in grote lijnen kan onderscheiden naar herkomst en doel. In het eerste geval gaat het om literatuur die geschreven is door en voor arbeiders of, in de marxistische terminologie, het proletariaat. In het tweede geval gaat het om literatuur die de werkelijkheid beschouwt en weergeeft vanuit het standpunt van het revolutionaire proletariaat om zo tot bewustwording van haar maatschappelijke positie bij te dragen. Tot de proletarische literatuur in de eerstgenoemde zin kan men het werk van S. Bonn en F. van Leeuwen rekenen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er opnieuw belangstelling voor proletarische literatuur, zoals moge blijken uit WAR, tijdschrift voor arbeidersliteratuur (vanaf 1975) en de bundel M'n woord een wapen tot verweer (1972) van P. van Vollenhoven en W. de Vries.

Proletarische literatuur in de zin van marxistische literatuur, waarbij het veeleer gaat om een bewuste politieke keuze van beroepsauteurs, heeft vooral een rol gespeeld in Europese communistische groeperingen, zoals de schrijversbond in de USSR en de Bund proletarisch-revolutionärer Schriftsteller in Berlijn (vanaf 1928). In Nederland speelde proletarische literatuur in deze zin een rol in de groep rond het tijdschrift Links Richten (1932-33), met name bij auteurs als Jef Last en A.M. de Jong.

LIT: Baldick; Cuddon; MEW; Wilpert; Links Richten tussen partij en arbeidersstrijd. Materiaal voor een teorie over de verhouding tussen literatuur en arbeidersstrijd, dl. 1 (1975), p. I-XXIII. [G.J. van Bork]

 

proloog

Voorwoord of voorrede bij een epische (epiek) of dramatische tekst.

In Middelnederlandse epische teksten is de proloog de plaats waar de auteur zich bekendmaakt (Willem die Madocke maecte, Van den vos Reynaerde, vs. 1), getuigt van zijn zware arbeid (Daer hi dicken omme waecte, idem, vs. 2) die toch zo weinig oplevert (Van dichten comt mi cleine bate, Beatrijs, vs. 1), zijn verhaal aanprijst (Roman van Walewein, vs. 1-8), de gunst van God afsmeekt (Die Heleghe Gheest moet mi leeren, De reis van Sint Brandaan, vs. 6), zijn opdrachtgever (opdracht) of het publiek gunstig tracht te stemmen (Floris ende Blancefloer, vs. 1-15) of gewoon zijn publiek aanspoort om te luisteren (Nu hoort, hoe ic u sel beghinnen (idem, vs. 88).

Tot het publiek gerichte prologen bij dramatische teksten, die soms uitgesproken werden door een proloogzegger, bevatten vaak een korte aanduiding van de inhoud van het spel en een introductie van de personages. Dit type proloog komt bijv. voor in de abele spelen (Gloriant, vs. 1-30, Lanseloet van Denemerken, vs. 1-36). Als afsluiting van het spel komt dan een epiloog voor.

In de 17e eeuw richt de prozaproloog, door Vondel vaak berecht-1 genoemd, zich tot de opdrachtgever en/of lezer.

LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Scott; Wilpert; G. Sonnemans. Functionele aspecten van Middelnederlandse versprologen. Een wetenschappelijke proeve op het gebied van de letteren, 2 dln. (1995). [H. Struik]

 

promythium

Zedenles die aan het begin van een verhaal, speciaal een fabel of een exempel, wordt gegeven. Wordt deze zedenles aan het slot gegeven dan spreekt men van een epimythium.

LIT: Gorp. [G.J. van Bork]

 

pronunciatio of actio

Term uit de retorica voor de voordracht van de rede als laatste taak van de redenaar (officia oratoris) na inventio, dispositio, elocutio en memoria. Handgebaren, gelaatsexpressie en declamatie waren zaken die uitgebreid geoefend moesten worden. In het renaissancetheater en in de emblematiek was de chirologie (kennis van de handgebaren) nog steeds van veel belang, getuige het werk van J. Bulwer: Chirologia, or the naturall language of the hand (1644), of het veel latere Nederlandse werk van J.J. Engel: De kunst van nabootzing door gebaarden (2 dln, 1790), waarin voorbeelden van gebarentaal.

LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]

 

prooemium zie exordium

 

propagandaliteratuur

Term uit de literaire kritiek voor een type literatuur waarin een bepaalde politieke, sociale of religieuze zienswijze op een zodanige manier wordt gepresenteerd dat daarmee op de lezer of toeschouwer druk wordt uitgeoefend om die visie over te nemen.

Doorgaans gebruikt men de term in depreciërende zin. Men kan zich echter de vraag stellen of in feite niet alle literatuur een standpunt van de auteur vertegenwoordigt dat zo is verwoord dat het de lezer dient te overtuigen. Die depreciatie blijkt dan ook vaak ingegeven door de persoonlijke politieke of religieuze voorkeur van de gebruiker van de term. Werk van auteurs als Bernhard Shaw, Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst of Jef Last zou men propagandaliteratuur kunnen noemen, maar men blijkt de term toch veeleer te gebruiken voor het werk van bijvoorbeeld socialistisch-realistische schrijvers of voor fascistisch werk. Bij minder duidelijk politiek of religieus getinte literatuur spreekt men eerder over tendensliteratuur of didactische literatuur, ook al zijn de verschillen lang niet altijd duidelijk aan te geven.

Hoewel men propagandaliteratuur in alle mogelijke vormen kan tegenkomen, zijn er tekstvormen die zich bij uitstek voor propagandadoeleinden lenen, zoals het vlugschrift of pamflet-1 en de brochure-2.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; H.L. Arnold und V. Sinemus (red.). Grundzüge der Literatur- und Sprachwissenschaft, Bd. 1 (1973), p. 334-341. [G.J. van Bork]

 

propositio

Term uit de retorica voor het begin van een literair werk waarin de auteur zijn onderwerp of probleemstelling aangeeft. In het epos staat de propositio, waarin de hoofdhandeling wordt aangegeven, gewoonlijk vooraan, gevolgd door de invocatio. In de redevoering (rede) komt de propositio vaak na het exordium.

Een voorbeeld van een propositio aan het begin van een episch gedicht zijn vss. 1-4 van Vondels Verovering van Grol (1627, WB-ed., 1929, dl. 3, p. 128):

 
Ick sing den legertoght des Princen van Oranjen,
 
Die 't heyr van Spinola, en all' de maght van Spanjen
 
Met sijn' slaghordens tarte, in het bestoven velt,
 
En Dulcken de stadt Grol deed' ruymen met gewelt.

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Metzler; Myers/Simms; Shipley; Wilpert; W.A.P. Smit. Kalliope in de Nederlanden (dl. 1, 1975), 138-207. [P.J. Verkruijsse]

 

prosimetrum

Benaming voor een (Latijnse) tekst deels in proza, deels in verzen geschreven. Het schoolvoorbeeld is De consolatione philosophiae van Boethius (480-524), welke tekst gedurende de Middeleeuwen een grote invloed op de literatuur in de volkstaal uitoefende. De Franse rhétoriqueurs namen deze mengeling van proza en verzen over en noemden het ‘le grand genre’ of ‘stilus tripartitus’. Vertegenwoordigers van deze dichtvorm in de Nederlanden zijn Van den drie blinden danssen (1482) en Doctrinael des tijts (1486), vertaald uit het Frans naar La dance des aveugles en de Doctrinal du temps van Pierre Michault. Oorspronkelijk Middelnederlandse voorbeelden zijn Mariken van Nieumeghen (ca. 1515) en Den droefliken strijt van Roncevale (ca. 1520).

LIT: Best; LdMA; Wilpert; W.M.H. Hummelen. Versdialogen in prozaromans (1971); R.J. Resoort. Een schoone historie vander borchgravinne van Vergi (1988), p. 169; P.J.A. Franssen. Tussen tekst en publiek. Jan van Doesborch, drukker-uitgever en literator te Antwerpen en Utrecht in de eerste helft van de zestiende eeuw (1990), p.104-108. [W. Kuiper]

 

prosodie of versleer

Verzamelnaam voor de theorie en de praktijk van de versleer (poëzie-1) voor zover deze de klank betreft, waarbij men een onderscheid maakt tussen ritme (op basis van accent en tempo) en rijm (op basis van timbre, klankkleur). Bij uitbreiding heeft de term ook betrekking op structurele verschijnselen in versregels (vers-1), strofen en gedichten.

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Krywalski; Laan; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802); G.J. Vis. ‘Van harmonie en toonval: Prosodiestudie in de negentiende eeuw’, in: Spektator 21 (1992) 2, p. 101-115. [G.J. Vis]

 

prosodische symbolen

Aanduiding voor de tekens die gebruikt worden bij de materiële analyse van de klank, vooral in poëzie-1.

Op het gebied van het rijm hanteert men letters voor de verschillende rijmklanken, mede voor inzicht in een eventueel rijmschema. Voor de kwaliteiten van klinkers en medeklinkers kunnen de fonetische tekens worden gebruikt zoals gangbaar in de taalkunde.

Op het gebied van het ritme geeft men de heffing aan met een liggend streepje boven de syllabe (-), en de daling met een omgekeerd boogje (~). Grenzen tussen de ene versvoet en de andere worden veelal aangegeven met een schuine streep (/). Dit alles kan zijn nut hebben voor een eventuele verwerking van de beschrijving van de versregels (vers-1) in de statistische methode. Voor de leesmogelijkheden op het niveau van het ritme hanteert men soms tekens die gebruikt worden in de notatie van muziek. Dit geldt voor zaken als nootlengte, rust en maatverdeling, maar ook voor die als versnelling en vertraging, sterkte en toonhoogte.

Naast de boven geschetste mogelijkheden zijn er nog wel meer op het terrein van de prosodische symbolen, mede afhankelijk van het gekozen systeem van de onderzoeker.

LIT: Buddingh'; Krywalski; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley; F. Kossmann. Nederlandsch versrythme (1922), p. 185 vv.; G. Stuiveling. Versbouw en rhythme in den tijd van '80 (1934), p. 1-23; R. Wellek & A. Warren. Theory of literature (19552), ch. 13; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de versregel (1962), p. 14-17, 218-221; S.G. Nooteboom & A. Cohen. Spreken en verstaan. Een nieuwe inleiding in de experimentele fonetiek (19842). [G.J. Vis]

 

prosopopoeia

Term uit de retorica voor de oefening in het uitdrukken van de emoties van een verzonnen personage op een beslissend moment van zijn loopbaan of leven. Betreft het een persoon uit de geschiedenis of mythologie dan spreken we van ethopoeia.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissance-toneel (1991), p. 45. [wk/pv]

 

prospectief aspect

Term uit de drama-analyse voor één van de vijf te onderscheiden handelingsaspecten in het drama en wel voor het handelingsaspect dat gericht is op de toekomst. Het prospectieve aspect draagt bij tot de spanning van het stuk door zijn gerichtheid op wat nog komen moet en het daardoor verwekken van bepaalde verwachtingen en emoties: hoop, vrees, nieuwsgierigheid e.d. Wanneer bv. Barend uit Op hoop van zegen van Herman Heijermans zegt:

De ‘Hoop van Zegen’ deugt niet - de ribhoute zijn rot
(Toneelwerken I, 1965, p. 424)

dan is die mededeling als actiemoment prospectief t.a.v. het handelingsaspect van de ondergang van het schip.

Het prospectieve aspect is vergelijkbaar met de anticipatie-1 uit de verteltheorie.

LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama (19702). [G.J. van Bork]

 

prospectieve bibliografie

Term uit de bibliografie voor de bibliografische gegevens die verspreid worden voordat de publicatie waarop ze betrekking hebben verschenen is. Dat kunnen folders zijn van uitgever en boekhandelaar, de meer officiële beschrijvingen van de door de Koninklijke Bibliotheek uitgegeven prospectieve catalogus CIP, maar ook bijv. overzichten van lopend wetenschappelijk onderzoek en proefschriften in voorbereiding, zoals die regelmatig gepubliceerd werden in het tijdschrift Dokumentaal, later in Neder-L. Achteraf blijkt vaak dat de aldus verstrekte informatie niet altijd juist is, omdat bepaalde publicaties toch niet verschijnen (ghosts) of onder een andere titel.

LIT: A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 41. [P.J. Verkruijsse]

 

protagonist

Held of hoofdpersoon in een literair werk (doorgaans het drama) die door een conflict met de antagonist de plot bewerkstelligt. Zo is in P.C. Hoofts Geeraerdt van Velsen (1613) Geeraerdt van Velsen de protagonist en Graaf Floris de antagonist.

LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler; Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Scott; Shipley; B. Verhagen. Dramaturgie (19632); G.B. Tennyson. An introduction to drama (1967). [G.J. van Bork]

 

protasis-1 zie expositie

 

protasis-2

Term uit de retorica voor het eerste, onderschikkende, deel van een volzin (periodus-1) of versregel waarin de voorwaarden staan waaraan de inhoud van het tweede deel, de erop volgende hoofdzin (apodosis), dient te voldoen. Vaak betreft het zinnen met een antithese van het type ‘als ..., dan ...’.

Een voorbeeld van zinnen met protasis en apodosis zijn de twee laatste strofen van het anonieme ‘Vermakelyk-lied’ uit Apollo's St. Nicolaasgift aan Minerva (ca. 1730):

 
Zal dat Kind zyn gelyk de Vaar,
 
Tussen den Haag,
 
Dan zal het zyn een Sneukelaar,
 
Tussen den Haag en Leye, Leye, Leye,
 
Tussen den Haag en Leydzendam.
 
 
 
Zal dat Kind zyn gelyk de Moer,
 
Tussen den Haag,
 
Dan zal het zyn een mooje Hoer,
 
Tussen den Haag en Leye, Leye, Leye,
 
Tussen den Haag en Leydzendam.
 
( G. Komrij. De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten, 1986, p. 957-960).

LIT: Best; Cuddon; Lausberg; Marouzeau; Scott; Shipley; Wilpert. [W. Kuiper]

 

proteron hysteron zie hysteron proteron

 

prothesis

Term uit de retorica voor één van de mogelijkheden van metaplasmus, nl. het toevoegen van letters of een lettergreep aan het begin van een woord ten behoeve van het juiste metrum in poëzie of een welluidender formulering in proza, zonder dat betekenisverandering optreedt. Een voorbeeld van prothesis is het gebruik van ‘geheel’ in plaats van ‘heel’.

LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Scott; Wilpert. [W. Kuiper]

 

prothysteron zie hysteron proteron

 

protocol

Term uit de archivistiek voor een boek waarin minuten van akten (akte-1) zijn ingeschreven. Zo spreekt men van notarisprotocollen waarin de minuutakten van bijvoorbeeld testamenten zijn opgetekend.

LIT: Best; Brongers; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]

 

prototypografie of costeriana

Tot de Nederlandse prototypografie rekent men een aantal ongedateerde en niet gelocaliseerde drukken waarvan men aanneemt dat dat de oudste drukken uit de Nederlanden zijn die met losse letter zijn gedrukt. Ze dateren wellicht uit de jaren 1466-1479. De Middelnederlandse Spieghel der menscheliker behoudenesse is met twee drukken in de overwegend Latijntalige prototypografie vertegenwoordigd. Ook een aantal schoolboekjes is in deze periode gedrukt. Het staat wel vast dat de incunabelen uit de periode van de prototypografie niet vervaardigd zijn door Laurens Janszoon Coster in Haarlem. De Costeriana - zoals de producten van de prototypografie tot voor kort werden genoemd - zijn ontsproten aan de fantasie van Hadrianus Junius die in de tweede helft van de 16e eeuw het verhaal over de uitvinding van de boekdrukkunst door Coster in Haarlem de wereld in gestuurd heeft.

De vroegst gedateerde drukken in de Nederlanden komen uit de werkplaatsen van Nicolaus Ketelaer en Gherardus de Leempt in Utrecht (1473), Dirk Martens en Johan van Westfalen in Aalst(1473), William Caxton in Brugge (1473), Colard Mansion eveneens in Brugge (1473?) en Johan Veldener inLeuven (1474).

LIT: BDI; Brongers; Laan; De vijfhonderdste verjaring van de boekdrukkunst in de Nederlanden (1973), p. 67-78; L. Hellinga-Querido en C. de Wolf. Laurens Janszoon Coster was zijn naam (1988). [P.J. Verkruijsse]

 

provenance

Term uit de bibliografie voor een overzicht van de vroegere verblijfplaatsen van een handschrift of een exemplaar-1 van een boek aan de hand van eigendomsmerken en herkomstgegevens. Soms wordt de term ook gebruikt ter aanduiding van de plaats waar het handschrift geschreven is; het is echter beter om de term alleen te gebruiken voor de oudste gedocumenteerde bewaarplaats. Als de plaats van ontstaan bekend is, is deze identiek aan de provenance; als dit niet bekend is, is de provenance mogelijk gelijk aan de plaats van ontstaan, waarbij de mate van waarschijnlijkheid echter afneemt naarmate de verstreken tijd tussen de ontstaansdatum en de oudste eigendomskenmerken groter wordt.

Wanneer vorige bezitters bekend zijn doordat ze hun naam in handschrift of boek geplaatst hebben, hun familiewapen op de band hebben laten aanbrengen, hun ex-libris erin geplakt hebben of andere gebruikssporen erin hebben achtergelaten (bijv. olim-signaturen van bibliotheken), kunnen deze gegevens gebruikt worden voor de receptiegeschiedenis van de desbetreffende tekst.

Een voorbeeld van de ‘reconstructie’ van een lezerspubliek aan de hand van provenancegegevens wordt gegeven door R.J. Resoort in ‘Over de betekenis van gebruikssporen in prozaromans en volksboeken’, in: Spektator 6 (1976-1977), p. 311-327.

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; F.B. Adams jr. The use of provenance (1969); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 79-80; J.A.A.M. Biemans. ‘Torso van een handelaar of een verzamelaar?’, in: Van pen tot laser (1996), p. 10-29. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]

 

proverbium zie adagium

 

proza of ondicht

Vorm van schriftelijk taalaanbod dat visueel gekenmerkt wordt door het feit dat de regels over de volle lijn geschreven zijn zodat - afgezien van incidenteel wit - een uitgevulde bladspiegel ontstaat. Proza onderscheidt zich van poëzie-1 doordat het niet gebonden is aan de versregel (vers-1) en evenmin aan bij dichtwerk vaak optredende verschijnselen als rijm en metrum. Een oudere benaming voor proza is ‘ongebonden vorm’ tegenover de ‘gebonden vorm’ van poëzie-1.

Vanaf de Oudheid schreef men niet-fictionele literaire werken in proza, doorgaans met een historiografische inhoud, omdat men het proza geschikter vond dan poëzie met het oog op het waarheidsgehalte dat men wilde geven. Deze notie van ‘waar’ proza tegenover ‘leugenachtige’ poëzie blijft gedurende de Middeleeuwen bestaan. Maar wanneer aan het eind van de Middeleeuwen het lezerspubliek sterk toeneemt, worden de berijmde ridderromans uit de voordrachts- en voorleescultuur ontrijmd tot prozaromans, welke zich - in tegenstelling tot berijmde teksten - wél zelfstandig laten lezen. In Middeleeuwse handschriften kan het voorkomen dat berijmde teksten niet in kolommen, maar, evenals proza, over de volle breedte van de bladspiegel uitgeschreven zijn (om perkament te sparen). In dat geval spreekt men van scriptura continua.

In de renaissance ontstaat - met name bij Hooft - een prozasoort die zich oriënteert op het klassieke proza, met name Tacitus, van een niveau dat voor en door de toenmalige elite aanvaardbaar werd geacht. Men beschouwde de Middeleeuwse prozaromans immers als minderwaardige ‘jongensboeken’. In de 18e eeuw gaat men het proza ook voor fictionele teksten gebruiken, zowel narratief als dramatisch, met dien verstande dat de prozavorm de suggestie blijft geven van ‘echt gebeurd’. Deze tendens werkt door tot in de 20e eeuw.

Omdat proza de gebruikelijke schrijfvorm is van de gesproken omgangstaal, kreeg de term vaak de implicatie van ‘taal van alledag’, en het adjectief ‘prozaïsch’ de betekenis van ‘gewoon’ of ‘alledaags’ tegenover ‘poëtisch’ (poëzie-2, -3). Wellicht is dit mede de oorzaak van het ontstaan van begrippen als poëtisch proza of prozagedicht en prozaritme-1 en -2.

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; L. Debaene. De Nederlandse volksboeken (1951). [G.J. Vis/W. Kuiper]

 

prozagedicht of poëtisch proza

Term uit de genreleer voor een verschijnsel dat voortvloeit uit een poging van schrijvers uit de romantiek om conventies te doorbreken. Het betreft een korte op zichzelf staande tekst die de vorm heeft van proza maar blijkens de auteursaanduiding en -intentie kenmerken zou vertonen van poëzie-1. De vaagheid van het begrip is gegeven met het feit dat het hoofdkenmerk van poëzie, de versregel (vers-1), ontbreekt. Eigenschappen die men vaak in poëzie aantreft, zoals geconcentreerde herhaling van tekstelementen op allerlei niveaus (bv. herhaling van klank), gebruik van stijlfiguren, beeldspraak e.a., kunnen aanleiding zijn om een stuk proza als het volgende (‘In bed’ uit de afdeling ‘Wakker worden’ van de reeks ‘Kind-leven’) tot prozagedicht te bestempelen:

Adriaan lag in bed, zijn hoofd, bleek-blank van vel, zonder wangenrood, en met een nietig snor-begin, met de bruine wenkbrauwen, oogharen en stijve hoofdharen, midden tusschen de lakens en het kussen, met hun witte opkruivingen en zwarte, licht-zwart begrensde, schaduw-holletjes en schaduwgroeven, als een vogeltje in een open gebarsten ei.

( L. van Deyssel. Proza-gedichten, in Verzamelde opstellen, dl. 7, 1904, p. 131).

Naast Van Deyssel zijn het o.a. J.C. van Schagen en Bert Schierbeek die bekend werden door het schrijven van prozagedichten. Over Koos van Zomerens Een vederlichte wanhoop (1987) schreven zowel Kees Fens als Tom van Deel dat deze prozastukjes ook als poëzie opgevat zouden kunnen worden.

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Raster 29 (1984); J.-W. van der Weij. Beweging en bewogenheid. Het prozagedicht in de Nederlandse literatuur aan het einde van de negentiende eeuw (1997). [G.J. Vis]

 

prozaritme-1

Term uit het grensgebied van genreleer en prosodie voor het algemene verschijnsel van het ritme zoals dat voorkomt in het proza van de geschreven en gesproken omgangstaal. Het is dus geen specifiek literair begrip. Niettemin komt het in de vakliteratuur voor. Men onderscheidt het dan van het georganiseerde ritme (prozaritme-2) zoals dat gevonden kan worden in literair proza (ritmisch proza en metrisch proza). Dat betekent niet dat prozaritme-1 niet in letterkundige teksten kan voorkomen. Wanneer zoiets het geval is (zoals bijv. in de briefroman), dan hoeft dat echter niet als een distinctief literair kenmerk te worden gezien, hoogstens als een stilistisch kenmerk.

LIT: Cuddon; Lodewick; Metzler; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

prozaritme-2

Term uit het grensgebied van genreleer en prosodie voor een verschijnsel dat voortvloeit uit een poging van schrijvers uit de romantiek om conventies te doorbreken of uit te breiden. Het gaat dan om het ritme, door schrijver en/of lezer als een specifiek vormgevingsfeit ervaren, van bepaalde in proza geschreven literaire teksten (ritmisch proza en metrisch proza). Dat wil niet zeggen dat dit prozaritme altijd objectief aantoonbaar verschilt van prozaritme-1. Het is verwant aan het ritme van poëzie-1.

LIT: Cuddon; Lodewick; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

prozaroman

Benaming voor een (laat)middeleeuws ridderverhaal in proza, door middel van ontrijming gecreëerd uit een oudere ridderroman in paarsgewijs rijmende verzen. De term wordt echter ook gebruikt voor oorspronkelijke en vertaalde gedrukte teksten uit de 15e en de 16e eeuw, bijv. De pastoor van Kalenberg (ed. Van Kampen & Pleij, 1981) en Mariken van Nieumeghen (ed. Coigneau, 1982).

De ridderroman die deel uitmaakte van een voorleescultuur voor een aristocratisch publiek, werd ten behoeve van een stedelijk leespubliek aangepast, in hoofdstukken ingedeeld, van interpunctie voorzien en verlucht met houtsneden. Bij de transformatie van versroman naar prozaroman is er niet alleen sprake van vormverandering; omdat ook de doelgroep van de roman veranderde, was vaak ook een inhoudelijke aanpassing (bewerking, omwerking) noodzakelijk. De Middelnederlandse literatuur kent tal van deze adaptaties, bijv. die van de versroman Heinric en Margriete van Limborch in de prozaroman Margriete van Limborch.

Bij een prozaroman is sprake van ‘gesunkenes Kulturgut’: de inhoud van de prozaroman behoort door zijn afkomst tot de cultuur van een sociaal hogere stand (de adel), waar het door de wijziging van zowel de sociale als de geestelijke structuren in de 16e eeuw niet meer als cultuurgoed gewaardeerd wordt, terwijl de omhoogstrevende lagere stand (de stedelijke burgerij) het juist ziet als exponent van de cultuur van de hogere sociale laag waaraan men deel wil hebben, het overneemt en in zijn geest adapteert. Na de 16e eeuw herhaalt dit proces zich: de burgerij waardeert de prozaroman niet meer en zij verwordt tot vermaakslectuur voor de lagere sociale klassen.

Tot voor kort gebruikte men de term volksboek voor al het eenvoudige drukwerk uit de (zeer) late Middeleeuwen en voor de triviaalliteratuur uit de daaropvolgende tijd. De term prozaroman werd door literatuurhistorici alleen gebruikt om het verschil met de ridderroman, de gebruikelijke benaming voor de middeleeuwse ridderverhalen in verzen, te benadrukken. Tegenwoordig maakt men echter duidelijk onderscheid tussen prozaromans en volksboeken. Onder deze laatste verstaat men nu de contemporaine consumptieliteratuur die, in tegenstelling tot de prozaroman, niet beschouwd kan worden als ‘gesunkenes Kulturgut’: almanakken, toverboekjes, rijmpjes enz.

LIT: Gorp; Laan; MEW; C. Kruyskamp. Nederlandsche Volksboeken (1942); H. Pleij. ‘Is de laatmiddeleeuwse literatuur in de volkstaal vulgair?’, in: Populaire literatuur (1974), p. 34-106; L. Debaene. De Nederlandse Volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse prozaromans gedrukt tussen 1475 en 1540 (19772); R.J. Resoort. Een schoone historie vander borchgravinne van Vergi. Onderzoek naar de intentie en gebruikssfeer van een zestiende-eeuwse prozaroman (1988); P.J.A. Franssen. Tussen tekst en publiek. Jan van Doesborch, drukker-uitgever en literator te Antwerpen en Utrecht in de eerste helft van de zestiende eeuw (1990); H. Pleij. ‘Literatuur en drukpers: de eerste vijftig jaar’, in: id. Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen (1990), p. 137-157. [H. Struik]

 

prijsband

Een prijsband is een bijzondere boekband uit de 17e en 18e eeuw die als geschenk diende voor goede leerlingen van de Latijnse school. In de 18e eeuw namen ook andere scholen dit gebruik over, evenals kerken die prijsbanden uitreikten voor godsdienstlessen. Het betreft veelal perkamenten banden met in gouddruk het wapen van de stad waar de school gevestigd was. Vaak is het gedrukte diploma in het boek geplakt of gebonden.

LIT: Brongers; BDI; Chr. Coppens. De prijs is het bewijs (1991); Goud en velijn; Middelburgse boekbanden van de 17de tot de 19de eeuw (1992). [P.J. Verkruijsse]

 

prijsvers

Gedicht dat geschreven is om mee te dingen in een prijsvraag die is uitgeschreven door een genootschap of een andere letterkundige organisatie. Zo werd Karel Lodewijk Ledeganck (1805-1847) herhaaldelijk bekroond bij dichtprijskampen. In 1781 dong Bilderdijk met een prijsvers mee in een prijsvraag die was uitgeschreven door het Haagse genootschap Kunstliefde spaart geen vlijt over het onderwerp ‘Kenschets van onze voorvaderen in de eerste tijden van dit gemeenebest’. Bilderdijk won de eerste prijs. In de 18e en 19e eeuw hebben tal van genootschappen dit type prijsvragen uitgeschreven en er zijn als gevolg daarvan tal van prijsverzen geschreven die lang niet allemaal in de prijzen gevallen zijn.

Ook bij rederijkersfeesten (rederijkers) werden vaak prijskampen ingericht en dongen bijvoorbeeld refreindichters mee naar de uitgeloofde prijzen. Ook bij dat type poëzie zou men kunnen spreken van prijsverzen.

LIT: Laan; Metzler; M.A. Schenkeveld-van der Dussen (red.). Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p. 377-382. [G.J. van Bork]

 

prijsvraag

Verhandeling geschreven naar aanleiding van een vraag, opgegeven door een dicht- of ander genootschap: de inzending van het antwoord hield mededinging in naar een uitgeloofde prijs, meestal in de vorm van eremetaal. De jury die de inzending moest beoordelen, werd door het desbetreffende genootschap aangewezen. Bekroning leidde doorgaans tot uitgave van de studie op kosten van het genootschap, veelal door opname ervan in een reeks van dat genootschap. Zo verging het J. Kinkers Proeve eener Hollandsche prosodia [...] in 1808 bekroond door de Hollandsche Maatschappij van fraaije kunsten en wetenschappen, en in 1810 verschenen als deel 1 van de Werken van dit genootschap.

LIT: Laan; B. Thobokholt. Het taal- en dichtlievend genootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkregen’ te Leiden, 1766-1800 (1983); K. Singeling. ‘De gezellige dichter; over literaire genootschappen in de achttiende eeuw’, in: Literatuur 3 (1986), p. 93-100; A.J. Hanou. Sluiers van Isis (1988), dl. 2, p. 39-49. [G.J. Vis]

 

prijzen zie literaire prijzen

 

psalm

Benaming voor elk van de 150 gedichten uit het bijbelboek der Psalmen (Oude Testament). Vanaf de Middeleeuwen (souter) zijn de psalmen vele malen als psalmberijming of anderszins vertaald en bewerkt, en voor de zang op muziek gezet (zoals de souterliedekens).

In de nummering ervan is een klein verschil tussen de katholieke vertaling (de Latijnse Vulgaat) en de Statenvertaling. Laatstgenoemde, die de originele indeling volgt, heeft vanaf psalm 9 een andere nummering dan de Vulgaat; vanaf psalm 147 lopen beide weer gelijk. In schema:

 

StatenvertalingVulgaat
psalm 9psalm 9
psalm 10 
psalm 11psalm 10 enz.
psalm 147psalm 146 psalm 147
psalm 148psalm 148 enz.

In de liturgie van de christelijke kerken kunnen psalmen op twee manieren functioneren. Enerzijds gebruikt men ze als schriftlezing, anderzijds als kerklied. In het laatste geval wordt meestal een psalmberijming gebruikt, d.i. een dichterlijke vertaling of bewerking in verzen (vers-1, -2). Bekende berijmers van psalmen zijn P. Datheen, M. Nijhoff en H. Oosterhuis.

Daarnaast hanteert men de term psalm ook wel als titel van een religieus gedicht dat, geïnspireerd op (een of meer van) de psalmen, geen psalmberijming is maar een oorspronkelijk gedicht in de volkstaal. De inhoud ervan betreft dikwijls een aanklacht tegen onrecht in de maatschappij. Zie bijv. het gedicht ‘Psalm’ van H. Oosterhuis in zijn boek Zien soms even (1972, p. 13).

Het is gebruikelijk om de psalm te laten vallen onder het ruimere begrip hymne.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; H. Heikens. ‘Van Datheen tot Liedboek - vier eeuwen Nederlands kerklied in vogelvlucht’, in: Huismuziek (1978), 5, p. 8-13, en 6, p. 6-14; D.J. van der Sluis e.a. Elke morgen nieuw (1978). [G.J. Vis]

 

psalmberijming

Term uit de wereld van de joods-christelijke literatuur voor een vertaling of bewerking van een psalm. Bekende berijmers van deze vorm van kerklied zijn P. Datheen, Marnix van St. Aldegonde, W. Barnard, M. Nijhoff en H. Oosterhuis. Een bekend voorbeeld van psalmberijmingen zijn de souterliedekens.

LIT: Best; Gorp; Laan; LdMA; MEW; Preminger; Wilpert; H. Heikens. ‘Van Datheen tot liedboek - vier eeuwen Nederlands kerklied in vogelvlucht’, in: Huismuziek (1978), 5, p. 8-13 en 6, p. 6-14. [G.J. Vis]

 

psalter zie souter

 

psalterium zie souter

 

pseudoniem, nom de plume of schuilnaam

Naam die een auteur gebruikt om zijn werkelijke naam verborgen te houden. Er kan een groot aantal redenen zijn waarom schrijvers hun eigen naam voor het publiek niet bekend willen maken. Pseudoniemen kunnen bijv. gebruikt worden om de autoriteiten te misleiden in geval van mogelijke censuur. Zo publiceerde M. Mok tijdens de Tweede Wereldoorlog onder het pseudoniem Victor Langeweg. In die gevallen maakt men ook wel gebruik van een alloniem. Ook kan er sprake zijn van een mystificatie, waarbij men een geschrift uitgeeft met de opzettelijke bedoeling om het publiek te misleiden omtrent de herkomst ervan, zoals bijv. het geval is geweest met de Julia (1885), zogenaamd geschreven door Guido, maar in feite door W. Kloos, A. Verwey e.a.

Privé-omstandigheden kunnen er eveneens een oorzaak van zijn dat auteurs onbekend wensen te blijven, bijv. uit mogelijke onverenigbaarheid van hun beroep met het schrijverschap in de ogen van personen uit de kring waarin men werkt (bijv. Nescio = J.H.F. Grönloh). Veel auteurs debuteren onder pseudoniem uit angst voor mislukking. Bij succes blijven ze dan onder dat inmiddels bekend geworden pseudoniem publiceren of ze onthullen bij volgend werk alsnog hun werkelijke naam.

Aan het begin van de 19e eeuw was het mode om gebruik te maken van een pseudoniem of van initialen. Een groot aantal bijdragen in De Gids, vooral in de eerste jaargangen, is anoniem of ondertekend met een pseudoniem of initialen, soms zelfs met de initialen van een pseudoniem. Zo schreef Jacob Geel onder het pseudoniem Xanthos, maar ondertekende ook bijdragen met X of Xth, terwijl vriend en vijand wist wie zich daarachter verborg.

Ook een reeds bekende auteursnaam kan voor een andere auteur aanleiding zijn een pseudoniem te kiezen: H.J. Marsman bijv. voorzag zich van het pseudoniem J. Bernlef vanwege de dichter H. Marsman.

Sommige auteurs reserveren hun pseudoniem voor een speciaal onderdeel van hun werk, zoals bijv. veel cursiefschrijvers doen: Boontje (= L.P. Boon), Kronkel (= S. Carmiggelt), Stoker (= H. Brandt Corstius).

LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; V.A. dela Montagne. Vlaamsche pseudoniemen (1884); J.I. van Doorninck. Vermomde naamlooze schrijvers, opgespoord op het gebied der Nederlandsche en Vlaamsche letteren (2 dln., 1883-1885); A. de Kempenaer. Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers (1928); C. Tuymelaer en J. van Lindonk. Pseudoniemen uit Nederlandsche en vreemde literatuur (1939); Mededelingenblad Sociaal Historische Studiekring (1966) 30 (nov.); W. Hazeu. Het literair pseudoniemen boek (1987). [G.J. van Bork]

 

psychisch perspectief

Term uit de romananalyse voor het perspectief dat de lezer in staat stelt zicht te krijgen op het karakter, de drijfveren, de gemoedsgesteldheid etc. van de personages van een literaire tekst. Het psychisch perspectief kan onderscheiden worden in een ‘perspectief van binnenuit’ en een ‘perspectief van buitenaf’. In het eerste geval wordt een personage zelf aan het woord gelaten over zijn gedachten en gevoelens. Het ligt voor de hand dat die mogelijkheid vooral aanwezig is bij de ik-vertelwijze. In het tweede geval geven andere personages of de verteller de lezer inzicht in de gevoelens, gedachten e.d. van de romanfiguur. In dat laatste geval gebeurt dat door uiterlijke beschrijvingen van het type ‘zij huilde’, ‘hij kleurde tot achter zijn oren’ of ‘hij sloeg met zijn vuist op tafel’, die de innerlijke emoties van het personage tonen. Deze wijze van presenteren komt vooral voor bij de auctoriale en de personale vertelwijze. Naast het psychisch perspectief onderscheidt men het fysisch perspectief dat vooral op de materiële voorstelling in de tekst gericht is.

LIT: Drop; Herman/Vervaeck; Lodewick. [G.J. van Bork]

 

psychodrama

Drama waarin de handeling wordt bepaald door het psychisch conflict waarin een of meer personages zich bevinden. Een belangrijk dramatisch middel om deze innerlijke conflicten op het toneel te tonen is de monoloog. August Strindbergs eenakter Den Starkare (1890) wordt wel genoemd als voorbeeld van een psychodrama. InNederland heeft Lodewijk de Boers De pornograaf (1978), waarin de hoofdpersoon zijn gespletenheid in lange monologen toont, duidelijke trekken van het psychodrama.

LIT: Best; MEW; S. Melchinger. Drama & toneel van Shaw tot Brecht (1959), p. 142-143; M. van Loggem. De psychologie van het drama (1960). [G.J. van Bork]

 

psychologische roman

Subgenre van de roman waarin de nadruk ligt op de beschrijving van het innerlijk van de personages, hun gedachten, gevoelens en drijfveren, en de handelingen en conflicten die daaruit voortvloeien. Strikt genomen kan van een bewuste vorm van psychologie nauwelijks sprake zijn vóór deze tak van wetenschap zich ontwikkelde. Niettemin is er ook daarvoor sprake van literaire werken waarin de karakterontwikkeling of de zielstoestand van de personages het hoofdbestanddeel vormt, zoals bijv. in de ontwikkelingsroman. De aanduiding ‘psychologische roman’ is in die gevallen dan ook niet contemporain. Als voorbeelden hiervan worden meestal genoemd Rousseau's Julie ou la nouvelle Héloïse (1761) en Goethe's Wahlverwandtschaften (1809). Vooral met de opkomst van het naturalisme treedt de aandacht voor de psychologie van de personages steeds sterker op de voorgrond in de roman. Een uitgesproken voorbeeld hiervan vormt Frederik van Eedens roman Van de koele meren des doods (1900), door H.C. Rümke de beschrijving van een psychose genoemd. Andere duidelijke voorbeelden vormen de tijdens het interbellum geschreven stream of consciousness-romans: Prousts A la recherche du temps perdu (1913-1927), Joyce's Ulysses (1922) en S. Vestdijks Meneer Vissers hellevaart (1936). Bepaalde verhaaltechnieken lenen zich door hun aard uitstekend voor het weergeven van half- of onderbewuste drijfveren van de personages. Daarom vindt men in de psychologische roman dan ook veelvuldig de toepassing van de monologue intérieur en de style indirect libre. Uiteraard is het voor een kundig romanschrijver altijd mogelijk het innerlijk van zijn personages te beschrijven via hun uiterlijk waarneembaar handelen.

LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; P. Rodenko. ‘Het einde van de psychologische roman’, in: Columbus 2 (1946), p. 17-26; L. Edel. The modern psychological novel (1955); F.J.J. Buytendijk. Psychologie des Romans (1966); S. Vestdijk, in: Zuiverende kroniek (1976), p. 1-20. [G.J. van Bork]

 

publiek-1

De op een bepaalde plaats en/of tijd aanwezige luisteraars of toeschouwers bij een opvoering, uitvoering of voordracht, of bij de uitzending daarvan via radio of televisie. De toeschouwers bij een toneelstuk, de luisteraars bij een hoorspel of de kijkers bij een televisieprogramma vormen telkens per voorstelling of uitzending het wisselend samengestelde publiek.

De scheiding tussen publiek en opvoering bij het drama is niet altijd even strikt. Gelet op de mogelijk liturgische oorsprong van het drama zal het duidelijk zijn dat de aanwezigen in de kerk aanvankelijk tot op zekere hoogte deelnemers waren aan het dramatische gebeuren. Naarmate het drama uitgroeide tot een zelfstandige kunstvorm, verscherpte zich de scheiding tussen publiek en opvoering. De acteurs gedragen zich op het toneel gewoonlijk zo dat de illusie ontstaat dat wat zij opvoeren een zelfstandige werkelijkheid is: alsof er geen publiek bij aanwezig is, terwijl er publiek bij aanwezig is - de zgn. vierde-wandfictie.

In het moderne toneel zijn tal van experimenten uitgevoerd waarbij de scheiding tussen publiek en opvoering doorbroken werd, bijv. door met het publiek in discussie te gaan over het vertoonde of door het publiek te behandelen als collectief mede-acteur. Ook in het anti-illusionistische toneel van bijv. Brecht is die doelstelling aanwezig. In het bijzonder het vormingstoneel bedient zich van dit soort experimenten om het publiek te activeren en bij de handeling te betrekken. In het Engelse taalgebied experimenteerde men met het zgn. ‘theatre-in-the-round’ en inNederland werkte het Publiekstheater met de toeschouwers samen om het drama gestalte te geven.

LIT: Bergh; Metzler; MEW; J.L. Styan. The elements of drama (1969), p. 231-255; J.L. Styan. Drama, stage and audience (1975). [G.J. van Bork]

 

publiek-2

De lezers of potentiële lezers van een tekst. In de Middeleeuwen bestond het geletterde publiek uit geestelijken (clerken). Door hun opleiding nam het Latijn een belangrijke plaats in en kwam de literatuur in de volkstaal op de tweede plaats. Het publiek voor de literatuur in de volkstaal bestond overwegend uit luisteraars of toeschouwers bij de voordracht (publiek-1), bijv. door jongleurs of minstreels. Door de boekdrukkunst werd de inmiddels in belang toegenomen burgerij eveneens publiek voor geschreven literatuur. Tal van oudere werken, ook orale literatuur, verschenen nu in druk, bijv. als prozaroman. Voor de geestelijken en geleerden bleef het Latijn echter het belangrijkst.

Door de toenemende graad van opleiding groeide ook het publiek voor literaire teksten. Daarbij is de aard van de opleiding in hoge mate bepalend geweest voor de vorming van een speciaal type publiek. Tot ver in de 20e eeuw hebben de klassieken in de vorming van het lezerspubliek een belangrijke rol gespeeld. In het verlengde daarvan ontstond een culturele elite, waarvan het smaakoordeel sterk classicistische trekken vertoonde. In de loop van de 20e eeuw raakte de klassieke vorming terrein kwijt aan de aandacht die besteed werd aan de moderne talen. De belangstelling van het publiek richtte zich daardoor meer en meer op de voortbrengselen van de Duitse, Franse en Engelse en later Amerikaanse literatuur. Bovendien kon door de verbreding van het onderwijs en het daardoor vergrote lezerspubliek steeds meer rendabel in vertaling worden uitgegeven.

Ook de technische ontwikkelingen in het drukkersbedrijf droegen bij aan de grotere verspreiding van teksten. Literatuur of lectuur kon in allerlei vormen aan het publiek worden aangeboden (vgl. feuilleton, pocketboek, paperback, bulkboek). Niet alleen bereikten uitgaven grotere oplagen, maar uitgevers begonnen zich ook meer en meer toe te leggen op publicaties voor een speciaal deel van het lezerspubliek (bijv. literatuur of lectuur, fictie of non-fictie, kinder- en jeugdliteratuur, literatuur voor vrouwen etc.).

De belangstelling van het publiek voor een bepaalde uitgave komt tot uitdrukking in de verkoopresultaten. De cijfers van deze verkoopresultaten liggen ten grondslag aan de zgn. ‘toptien-lijsten’, een overzicht van de best verkochte uitgaven over een bepaalde periode (bestseller, longseller).

De ontvangst van teksten bij het publiek, de lezersreacties, vormen het onderzoeksterrein van de receptie-esthetica en in toenemende mate van de boekgeschiedenis (bibliologie). De sociale functie van literatuur, de kanalen waarlangs literatuur het publiek bereikt, de instanties die ertoe bijdragen om literatuur tot literatuur te bestempelen en de samenstelling van het lezend publiek vormen het onderzoeksveld van de literatuursociologie, speciaal de empirische en smaaksociologie.

LIT: Metzler; MEW; G.W. Huygens. De Nederlandsche auteur en zijn publiek (1945); R. Escarpit. Sociologie de la littérature (1958); L.L. Schücking. Soziologie der literarische Geschmacksbildung (19613); Q.D. Leavis. Fiction and the reading public (1965); H. Link. Rezeptionsforschung (1976); P. Bourdieu. La distinction (1979); W. van den Berg en J. Stouten (red.). Het woord aan de lezer. Zeven literatuurhistorische verkenningen (1987); F. van Oostrom. Aanvaard dit werk. Over Middelnederlandse auteurs en hun publiek (1992); H. Brouwer. Lezen en schrijven in de provincie (1995); Theo Bijvoet, Paul Koopman, Lisa Kuitert e.a. (red.). Bladeren in andermans hoofd. Over lezers en leescultuur (1996). [G.J. van Bork]

 

pun zie paronomasia

 

punctuatie

Begrip uit de paleografie voor alle tekens die in een handschrift kunnen worden aangetroffen met het doel de intentie van de tekst beter weer te geven. Punctuatie doet zich op verschillende niveaus voor: 1) de tekens die de auteur of kopiist aanbracht om zijn tekst te verduidelijken (interpunctie, paragraaftekens), 2) de tekens van een corrector om de tekst in overeenstemming te brengen met de (veronderstelde) bedoeling van de auteur of de kopiist (deletietekens, omissietekens, insertietekens, enz.) en 3) tekens die de reactie van de lezer uitdrukken op de tekst die hij las (gebruikssporen, attentietekens, aanwijzingen van instemming of afkeuring).

LIT: Dupriez-2; Myers/Simms; Shipley; J.J. John. ‘Latin paleography’, in: J.M. Powell. Medieval Studies. An Introduction (1976), p. 39-41. [H. Struik]

 

punctuele anachronie

Vorm van anachronie in de vertelwijze, waarbij verwezen wordt naar één moment uit het verleden of de toekomst. De punctuele anachronie staat tegenover de duratieve anachronie, waarbij van een bepaalde tijdsduur sprake moet zijn. In Jan Wolkers' Turks fruit (1969) komt de volgende zin voor:

En ik keek naar het portiek aan de overkant van de straat waar ik jaren geleden gestaan had om een glimp van haar op te vangen (p. 145).

Het laatste deel van de zin verwijst naar één moment uit het verleden van de hoofdpersoon dat van beperkte duur is.

LIT: Bal. [G.J. van Bork]

 

punctus of punt-1

Interpunctieteken in de vorm van een punt (.) dat gebruikt wordt om een rust aan te geven. De punctus dateert uit de Romeinse tijd en maakt deel uit van het interpunctiesysteem (interpunctie) waarbinnen de volzin (periodus-1) werd afgesloten met een puntkomma (;) (periodus-2), de bijzin (colon) met een punctus en de deelzin (comma) met een slash (/) (virgula, Duitse komma).

LIT: Best; Brongers; J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926). [H. Struik]

 

punctus elevatus

Middeleeuws intonatieteken (een hoge punt) dat met name in liturgische handschriften te vinden is, maar dat ook af en toe in wereldlijke (teksten en) handschriften als interpunctieteken gebruikt werd, bijv. in de Lanceloet-compilatie en in het Leidse Lorreinen-fragment (UB Leiden, hs. 1022).

LIT: J.P. Gumbert. Die Utrechter Kartäuser und ihre Bücher im frühen fünfzehnten Jahrhundert (1974); W.P. Gerritsen. ‘Corrections and indications for oral delivery in the Middle Dutch Lancelot manuscript’, in: Neerlandica manuscripta. Essays presented tot G.I. Lieftinck 3 (1976), p. 39-59; J.B. van der Have. Roman der Lorreinen: de fragmenten en het geheel (1990), p. 79. [W. Kuiper]

 

punt-1 zie punctus

 

punt-2

Typografisch maatsysteem voor de aanduiding van de grootte van letters. Wanneer de punt wordt afgeleid uit de vroeger gebruikelijke augustijn, dan meet één punt 1/12 van ruim 4,5 mm, dat is 0,3759398 mm. Er zijn echter verschillende typografische punten in gebruik. De 18e-eeuwse uitFrankrijk afkomstige Didot-punt (0,3759259 mm) werd in de 19e eeuw door de Duitser Berthold aangepast tot de hierboven genoemde norm. In Engeland enAmerika was het pica-systeem in gebruik, gebaseerd op ongeveer 6 pica's per inch. In de 19e eeuw werd de pica-punt bepaald op 0,3514056 mm. Tegenwoordig komt men ook wel een pica van 0,35146 mm tegen. Ondanks de door de Europese Gemeenschap verplicht gestelde metricatie, worden beide puntensystemen in de praktijk naast elkaar gebruikt en wint de gewoonte om typografische maten in millimeters uit te drukken nauwelijks terrein. In de analytische bibliografie daarentegen is het wel usance om in de letterformules de vanuit oud drukwerk te reconstrueren afmetingen van letters in millimeters aan te geven.

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p. 72-75; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 22-28. [P.J. Verkruijsse]

 

puntdicht, epigram-1, kniedicht of sneldicht

Term uit de genreleer voor een kort gedicht, bondig van formulering, dikwijls met een pointe. Zo schrijft Staring onder de titel ‘Aan een' te zedigen schrijver’ het volgende gedicht:

 
't Verschijnt gerust, al is 't niet groot:
 
Wordt Eikenschors bij 't pond gewogen,
 
Men weegt Kaneel bij 't lood.
 
(A.C.W. Staring. Gedichten ed. De Vries, 1940, p. 408).

Over het door Huygens als ‘sneldicht’ betitelde puntdicht schrijft deze:

 
Vraeght ghy wat Sneldicht voor een dicht is?
 
Het is een Dicht dat snell en dicht is.
 
(C. Huygens. Koren-bloemen, dl. 2, 1672, p. 52).

Daar de termen epigram en puntdicht door elkaar worden gebruikt, spreekt men wel van ‘opschriftepigram’ wanneer het puntdicht fungeert in de betekenis die het aanvankelijk in de Griekse Oudheid had, namelijk die van opschrift of bijschrift (bijv. op een grafmonument of op een wijgeschenk).

Witsen Geysbeek spreekt over het ‘puntdicht, ook nypdicht, steekdicht, sneldicht, quick, zindicht en knipdicht geheten’ (P.G. Witsen Geysbeek. Puntdichten, dl. 1, 18342, p. 9). Men kan daar nog de term kniedicht aan toevoegen, oorspronkelijk een aanduiding voor een bepaald rederijkersgedicht. Staring geeft onder de titel ‘Kniedicht’ het volgende puntdicht:

 
'k Ben oud, maar zal 't niet lang meer zijn!
 
'k Heb van de Bron der Jeugd gedronken:
 
Papa Jerooms Bourgonjewijn,
 
Mij door zijn Dochter ingeschonken.
 
( A.C.W. Staring, Gedichten, 1940, p. 408).

Puntdichten kunnen in allerlei dichtvormen voorkomen, bijv. als distichon, zoals dit gedichtje van Kinker met een expliciete versinterne poëtica:

 
Het beste puntdicht, in twee regels, is een echt,
 
Wiens rijmwoord Man en Vrouw eensluidend zamenhecht.
 
(G.J. Vis. De verlichte muze, 1982, p. 240).

Het puntdicht kan ook de vorm hebben van een triplet en kwatrijn. Diverse dichtgenres lenen zich voor het puntdicht, zoals copla, epitaaf of grafschrift, sententia, haiku, lekedichtje en limerick. Is het puntdicht satirisch (satire), dan heeft het soms de naam van steekdicht.

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Brongers; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.D.Ph. Warners. Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds de Renaissance (1947); J. Jansen. Brevitas. Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en stijl in de renaissance (dl. 1, 1995), p. 93-97. [G.J. Vis]

 

purgatio

Term uit de retorica, speciaal het genus iudiciale, voor het vragen van vergiffenis omdat men uit onwetendheid gehandeld heeft. Een veel zwakkere verdediging dan de purgatio is de deprecatio waarbij vergiffenis gevraagd wordt zonder overigens schuld of opzet te ontkennen.

Een geval van purgatio treft men bijv. aan in de rei aan het begin van het derde bedrijf van J. van den Vondels Leeuwendalers (1647, WB-ed., dl. 5, 1931, p. 309) waar Hageroos eerst gekapitteld wordt omdat hij ‘op het zoenfeest loopt uit jagen’. Nadat hij uitgelegd heeft dat hij niet op eigenbelang uit was, zegt de rei:

 
Vergeefme dan dat ick onwetende u bestraff’:
 
O deeghlijckheit, ghy zijt wel waerdigh, datze u dancken.

LIT: Lausberg; Leeman/Braet. [P.J. Verkruijsse]

 

purisme of taalzuivering

Taalkundige term voor het streven naar (herstel van) zuiverheid van de moedertaal door het weren van barbarismen, een streven dat meer politiek-economisch (nationalistisch-chauvinistisch) dan taalkundig-wetenschappelijk bepaald wordt. Doordat purisme vaak tot overdreven zuiveringsacties heeft geleid, heeft de term een wat negatieve bijsmaak gekregen.

In verschillende perioden van de taalgeschiedenis vallen puristische tendensen aan te wijzen, allereerst bij de humanisten die bij de reconstructie van de juiste tekst van de klassieke geschriften ook een zuiver Latijn trachtten te herstellen (puritas). Vervolgens probeerde men ook tijdens de renaissance de respectieve moedertalen op te bouwen naar het model van het Latijn (taalbouw), waarbij de zuivering een belangrijke plaats innam in het werk van de spraakkonstenaren, wetenschappers en literatoren. Tussen 1635 en 1694 deed de Académie Française een geslaagde poging om een zuiver Frans tot stand te brengen. Nog in 1994 werd in Frankrijk een poging gedaan om via wetgeving de invloed van het Engels-Amerikaans op de Franse taal te weren.

Centraal in de puristische beweging van de 16e en 17e eeuw stond de bewijsvoering voor de oorspronkelijkheid van het Nederlands ten opzichte van met name de Romaanse talen: Becanus meende bewijzen te hebben voor het Nederlands als de taal van het paradijs, een gegeven dat vervolgens gebruikt kon worden in de strijd tegen de verfranste rederijkerstaal. Van Hout, Coornhert, Spiegel, Hooft, Vondel en vele anderen wezen er bij voortduring op dat het Nederlands in geen enkel opzicht de mindere was van de ons omringende talen. Dankzij Stevin is de wiskundeterminologie grotendeels vernederlandst, maar ondanks pogingen van o.a. Hugo de Groot is dat niet gelukt met de juridische termen.

In de tweede helft van de 18e eeuw komt er verzet tegen de al te rigide taalzuivering van de classicisten. Na de Franse tijd volgt een nieuwe puristische golf tegen de ‘Fransche taalbastaardij’ ( Staring, 1816; B.H. Lulofs, 1826), maar ook tegen de inmiddels binnengedrongen invloed uit het oosten, waartegen zich vooral eind 19e eeuw de samenstellers van het Woordenboek der Nederlandsche Taal keerden. De 19e-eeuwse Zuid-Nederlandse auteurs ( Conscience, Gezelle) haalden echter liever germanismen binnen in de strijd tegen de gallicismen. De toenemende internationalisering in de 20e eeuw betekent koren op de molen van de puristen, maar tevens vechten tegen de bierkaai. Een gematigd purisme is vertegenwoordigd in het Genootschap Onze Taal (opgericht in 1931) dat zich ten doel stelt ‘het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen en aan hen die haar gebruiken meer begrip en kennis daarvan bij te brengen’.

LIT: Best; Cuddon; Laan; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert; C.G.N. de Vooys. Geschiedenis van de Nederlandse taal (19525); L. van den Branden. Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16de eeuw (1956); J. Jansen. Brevitas. Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en stijl in de renaissance (dl. 1, 1995), p. 381-398; Onze Taal 1 (1931)-.... [W. Kuiper]

 

puritas of latinitas

De oorspronkelijk Griekse term ‘hellènismos’, juist Grieks taalgebruik, werd verlatijnst tot latinitas, juist Latijns taalgebruik, en betekent voor de latere volkstalen in de vorm van puritas een idiomatisch juist taalgebruik. De belangrijkste norm is het gangbare spraakgebruik, de consuetudo, die voor het schriftelijk taalgebruik, de literatuur, echter aangevuld wordt met een beroep op auctoritas en vetustas. Vergrijpen tegen de puritas zijn barbarisme en soloecismus, maar ook een te angstvallig purisme. Vooral de 16e- en 17e-eeuwse taalbouwers hebben met het probleem van de puritas van het Nederlands geworsteld. Vondel besteedt er ook de nodige aandacht aan in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (WB-ed., dl. 5, 1931, p. 484-491, met name regel 10-43).

LIT: Gorp; Lausberg; L. van den Branden. Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16e eeuw (1956); J. Jansen. ‘“Helderheid” (perspicuitas) in enige renaissancistische drama-voorredes’, in: Spektator 24 (1995), p. 202-215. [P.J. Verkruijsse]